Wijziging Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018

Het algemeen bestuur van waterschap hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,

gelezen het voorstel van 1 september 2020 met DM nr. 1683592;

gelet op de besluiten van het algemeen bestuur d.d. 19 december 2018 (1475838, 1446665, 1454022) en 20 februari 2019 (1475838, 1469136) en het besluit van het college van 5 februari 2019 (1490168, 1483299), waarbij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 met bijbehorende uitvoeringsregels en beleidsregels zijn vastgesteld;

gelezen het inspraakrapport Keur en leggers HDSR 2020 d.d. 1 september 2020 met DM nr. 1682597;

gelet op artikel 73 e.v. Waterschapswet, artikel 5.1 en 6.13 Waterwet, artikel 1 Inspraakverordening HDSR 2007, artikel 3:40 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht;

 

BESLUIT:

Artikel I

Het inspraakrapport “Keur en leggers HDSR 2020” vast te stellen;

Artikel II

de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018, vastgesteld bij besluit van het algemeen bestuur d.d. 19 december 2018 (1475838, 1446665), als volgt te wijzigen:

  • A.

    artikel 3.1, lid 2, wordt als volgt gewijzigd: “Degene die de in lid 1 toegestane handelingen verricht, laat verrichten of nalaat andere handelingen te verrichten waartoe hij gehouden is of die binnen zijn macht liggen, en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan of kunnen ontstaan, voorkomt die effecten voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht. Dit geldt als de zorgplicht die een ieder die handelingen verricht of nalaat in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszones zoals vastgesteld in de Legger, of in het profiel van vrije ruimte voor waterkeringen zoals vastgelegd in de Legger, altijd in acht moet nemen.”.

  • B.

    aan artikel 3.1, lid 3, wordt toegevoegd sub i: “aantasting van de bestaande staat van de buitendijkse oevers, voor zover gelegen in de beschermingszone/zone vrije ruimte van een waterkering.”

  • C.

    Artikel 3.1, lid 4, wordt als volgt gewijzigd: “Indien toch de nadelige effecten als bedoeld in lid 2 optreden, is degene die de handelingen met deze effecten verricht of nalaat, verplicht al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken.”

  • D.

    Artikel 3.1, lid 5, wordt als volgt gewijzigd: Degene die handelingen met nadelige effecten verricht of nalaat als bedoeld in lid 4, meldt die effecten zo spoedig mogelijk aan het college, als ook de maatregelen die hij van plan is te treffen of reeds heeft getroffen. Door of namens het college kunnen aanwijzingen worden gegeven voor de te treffen maatregelen, die stipt moeten worden opgevolgd.

Artikel III

Aan de toelichting bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018, vastgesteld bij besluit van het algemeen bestuur d.d. 19 december 2018 (1475838, 1446665), wordt op pagina 6 bij de toelichting op artikel 3.1, na het woord “vergunningplicht”, het volgende toegevoegd:

“Dit artikel geldt ook als iemand nalaat om iets te doen, wat hij wel zou moeten doen of wat binnen zijn macht ligt, en waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat dit tot schade zal gaan leiden aan het watersysteem. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het niet tijdig uitvoeren van onderhoud aan een oever waardoor erosie optreedt, dat bij niet ingrijpen kan leiden tot schade aan een achterliggende dijk.”

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking acht dagen na publicatie;

Artikel V

Dit besluit op gebruikelijke wijze bekend te maken door publicatie in het Waterschapsblad.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 oktober 2020,

Voorzitter, J.C.H. Haan

Secretaris, J. Goedhart

Naar boven