Waterschapsblad van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Hoogheemraadschap De Stichtse RijnlandenWaterschapsblad 2020, 456Beleidsregels



Beleidsnota peilbeheer 2019

Het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,

gelezen het voorstel van het college d.d. 18 december 2019 met nummer DM# 1582667;

gelet op het bepaalde in artikel 77 Waterschapswet, artikel 5.2 Waterwet, artikel 4.4 t/m 4.8 van de provinciale Waterverordening HDSR (2009) en Waterkoers, 26 januari 2016;

 

Besluit:

De Beleidsnota Peilbeheer 2019 (DM1560513) en het bijbehorende inspraakrapport (DM1578101) vast te stellen, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsnota Peilbeheer 2011 vastgesteld door het algemeen bestuur bij besluit van 18 mei 2011 (DM407099).

 

 

Vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van 18 december 2019.

J. Haan, Voorzitter

J. Goedhart, Secretaris

Beleidsnota Peilbeheer 2019

Geamendeerd vastgesteld op 18 december 2019

 

Inhoudsopgave

 

1 Inleiding

1.1 Het waarom, hoe en voor wie

1.2 Leeswijzer

2 Visie Peilbeheer

2.1 Robuust en duurzaam watersysteem

2.2 Integraal en toekomstgericht peilbeheer

2.3 Zorgvuldig afwegen

2.4 Inspelen op ontwikkelingen

3 Opstellen van een Peilbesluit

3.1 Waterhuishoudkundige toets

3.2 Varianten opstellen

3.3 Meewegen van overige beleidsthema’s

3.4 Vrijgestelde gebieden en boezemwateren

4 Procedure

4.1 Peilbesluit of raamwaterplan.

4.2 Reguliere procedures vaststelling peilbesluit

4.3 Eisen aan een peilbesluit

4.4 Verlenging peilbesluit

4.5 Communicatie

4.6 Schaderegeling

5 Uitvoeren peilbeheer

5.1 Uitvoeren peilbeheer

5.2 Afwijken van het peil

5.3 Monitoring en evaluatie

 

Bijlage 0 Overzicht Beleidsuitgangspunten

Bijlage 1 Wet- en regelgeving en beleid

Bijlage 2 Begrippenlijst

Factsheets beleidsnota peilbeheer

Factsheet 0: Eisen aan een peilbesluit

Factsheet 01: Het wel of niet opstellen van een peilbesluit

Factsheet 02: Vergunning of wijziging peilbesluit

Factsheet 03: Peilbeheer in stedelijk gebied

Factsheet 04: Gegevensgebruik

Factsheet 05: Peilbeheer en functie afweging

Factsheet 06: Schade en nadeelcompensatie

Factsheet 07: Droogleggingsnormen

Factsheet 08: Afweging peilgebiedsgrootte

Factsheet 09: Waterkwaliteit en ecologie

Factsheet 10: Weidevogels

Factsheet 11: Waterkeringen

Factsheet 12: Vaarwegbeheer

Factsheet 13: Waterbeschikbaarheid

Factsheet 14: Wateroverlast

Factsheet 15: Peilindexatie en vaststellen van peilen in de toekomst

Factsheet 16: Bodemdaling remmende maatregelen

Factsheet 17: Onderbemalingen in veenweidegebied

Factsheet 18: Hoogwatervoorzieningen

Factsheet 19: Peilafwijkingen

Factsheet 20: Soorten Peilbeheer

Factsheet 21: Nachtvorstschadebestrijding

Factsheet 22: Monitoring en evaluatie

 

1 Inleiding

Voor u ligt de vernieuwde beleidsnota peilbeheer. In deze beleidsnota wordt, net als in de Waterkoers, een omslag gemaakt van “we zorgen voor... naar samen met…”. Bij het maken van een peilbesluit worden de wensen en behoeften van de betrokkenen in het gebied geïnventariseerd en stellen we ons coöperatief en open op. We voelen ons als waterschap verantwoordelijk voor een goed en kostenbewust waterbeheer en geven ruimte om daar samen aan te werken, zodat we ook in de toekomst samen kunnen leven met water.

 

1.1 Het waarom, hoe en voor wie

Waarom een beleidsnota?

De vorige beleidsnota peilbeheer stamt uit 2011. Hierin staan de uitgangspunten die het waterschap hanteert bij het opstellen van peilbesluiten en raamwaterplannen. In 2015 is de nota op één onderdeel aangepast. Toen heeft het waterschap besloten om geen nieuwe hoogwatervoorzieningen meer te realiseren. Nu er in het kader van diverse programma’s en ontwikkelingen behoefte is aan nieuw beleid rondom peilbeheer is de beleidsnota geactualiseerd.

 

Waar gaat deze beleidsnota over?

Deze beleidsnota gaat over peilbeheer en peilbesluiten. Een peilbesluit legt de oppervlaktewaterpeilen en de manier van peilbeheer vast. De beleidsnota geeft duidelijkheid over de kaders en uitgangspunten die het waterschap gebruikt bij het afwegen en opstellen van peilbesluiten. De peilbesluiten, plannen en bijbehorende vergunningen die zijn vastgesteld onder de Beleidsnota Peilbeheer (2011) blijven ongewijzigd van kracht totdat deze worden herzien. De Waterwet biedt de mogelijkheid om ook grondwaterpeilen vast te leggen in een peilbesluit, maar verplicht het niet. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) stelt vooralsnog geen grondwaterpeilbesluiten op (factsheet 1). Het oppervlaktewaterpeilbeheer beïnvloedt de grondwaterstand. In de afweging worden de effecten op de grondwaterstand wel meegenomen.

 

Wat is het doel van de beleidsnota?

Het doel van de Beleidsnota Peilbeheer is om beleid vast te leggen voor een goed, duurzaam en kostenefficiënt peilbeheer. Hierbij worden alle bij het peilbeheer betrokken belangen afgewogen. Wat het waterschap beoogt is:

  • a.

    transparant werken in open communicatie met burgers, mede-overheden en maatschappelijke organisaties;

  • b.

    uniforme kaders stellen om doeltreffend peilbeheer te kunnen voeren.

 

Het lange termijn doel van het waterschap is het realiseren van een duurzaam en robuust watersysteem dat:

  • bestand is tegen klimaatverandering;

  • aansluit bij maatschappelijke opgaven;

  • de bodemdaling vermindert met 50% in 2030;

  • bijdraagt aan de realisatie van doelen voor ecologie en gebruikers van het watersysteem;

  • op lange termijn geen grote kostenverrassingen oplevert.

 

Voor wie is de beleidsnota bedoeld?

De beleidsnota is geschreven voor burgers, bedrijven, medewerkers van het waterschap, andere overheden en maatschappelijke organisaties. Het betreft een openbaar beleidsstuk.

 

Wat is de status van de beleidsnota?

De Beleidsnota Peilbeheer is een beleidsstuk dat door het Algemeen Bestuur van het waterschap is vastgesteld. Voorafgaand aan de vaststelling van de Beleidsnota Peilbeheer is een inspraakprocedure doorlopen waarbij belanghebbenden de mogelijkheid hebben gehad tot het indienen van zienswijzen. Na inwerkingtreding van de Beleidsnota Peilbeheer blijft de geldigheid van dit beleid van kracht totdat deze wordt herzien. De actualiteit van de beleidsnota wordt beoordeeld in een vijfjaarlijkse evaluatie.

 

1.2 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 start met de visie van het waterschap over hoe met deze Beleidsnota Peilbeheer binnen de gestelde kaders een belangrijke stap gezet gaat worden richting een duurzaam en robuust watersysteem. De concrete stappen voor het afwegen van peilen, peilgebiedsgrootte en soort peilbeheer is te lezen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 staan de procedures beschreven. Hoe het peilbeheer wordt uitgevoerd en welke regels er gelden voor peilafwijkingen kunt u terugvinden in hoofdstuk 5. Een overzicht van alle beleidsuitgangspunten staat in bijlage 0. Deze beleidsuitgangspunten geven kaders voor het opstellen van peilbesluiten, raamwaterplannen en het uitvoeren van het peilbeheer. Wie een toelichting zoekt op een beleidsuitgangspunt volgt de verwijzing (met hyperlink) naar de toelichtende factsheet of naar een van de hoofdstukken. Bijlage 1 bevat een overzicht van de wet- en regelgeving en het beleid dat relevant is voor peilbesluiten. Alle gebruikte termen staan toegelicht in de begrippenlijst in bijlage 2. Tenslotte zijn er de factsheets over alle onderwerpen waar beleidsuitgangspunten voor zijn geformuleerd en die extra uitleg en toelichting vragen.

 

2 Visie Peilbeheer

Peilbeheer is een van de uitvoerende taken van het waterschap. Het doel van peilbeheer is het zodanig instellen en in stand houden van een bepaald oppervlaktewaterpeil dat functies en belangen zo goed mogelijk worden gefaciliteerd. Het waterschap streeft hierbij naar een robuust en duurzaam watersysteem. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat wordt verstaan onder een robuust en duurzaam watersysteem. Vervolgens wordt beschreven wat de visie is van het waterschap om hieraan vorm te geven in de peilbesluiten.

 

2.1 Robuust en duurzaam watersysteem

Het waterschap ziet duurzaamheid als een maatschappelijk verantwoorde ontwikkeling van de leefomgeving, waar de sociale, economische en ecologische duurzaamheid (people, planet, profit) met elkaar in balans zijn. Met een robuust en duurzaam watersysteem wordt bedoeld een systeem dat zo goed mogelijk bestand is tegen ongewenste situaties zoals wateroverlast of watertekort, daarnaast veerkracht heeft voor het herstellen van deze ongewenste situaties, flexibiliteit heeft voor het aanpassen aan toekomstige situaties en zowel nu als op lange termijn betaalbaar en beheerbaar is.

 

Als bijdrage aan een robuust en duurzaam systeem zet het waterschap met peilbeheer in op:

  • a.

    integraal en toekomstgericht beheer van het watersysteem (planet), paragraaf 2.2;

  • b.

    samenwerking en een transparant gebiedsproces (people), paragraaf 2.2;

  • c.

    kosten en baten zorgvuldig afwegen (profit), paragraaf 2.3;

  • d.

    inspelen op ontwikkelingen (people, planet, profit), paragraaf 2.4.

 

Het beheergebied van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden bestaat geografisch uit gebieden met verschillende eigenschappen en functies, namelijk: het veenweidegebied, het stedelijk gebied, het rivierengebied en de Utrechtse Heuvelrug. De functies bebouwing, landbouw, natuur en recreatie liggen vaak dicht bij elkaar of worden gecombineerd in een peilgebied. Elke functie kan andere eisen stellen aan het peilbeheer, wat tot maatschappelijke spanningen kan leiden. Dit vraagt om peilbeheer waarmee aan de ene kant het maatschappelijk belang en aan de andere kant zoveel mogelijk individuele belangen worden gediend. Gezien de vele belanghebbenden, wensen en opgaven die binnen een gebied aanwezig zijn, zal het regelmatig voorkomen dat keuzes moeten worden gemaakt waarbij het peilbeheer voor het ene aspect passender is dan voor een ander aspect. Het waterschap is bij het maken van de keuzes in het peilbeheer transparant, duidelijk en zoveel mogelijk uniform. Het proces wat doorlopen wordt is een participatieproces.

Figuur Het beheergebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden onder verdeeld in vier kenmerkende gebieden.

 

2.2 Integraal en toekomstgericht peilbeheer

Het waterschap wil het watersysteem integraal en toekomstgericht kunnen beheren. Hiervoor is een visie opgesteld voor het peilbeheer op de onderstaande punten, die hierna worden uitgewerkt:

  • a.

    Peilbeheer en waterkwaliteit;

  • b.

    Peilbeheer en klimaatverandering;

  • c.

    Peilbeheer in het veenweidegebied.

 

Peilbeheer en waterkwaliteit

Integraal peilbeheer is niet enkel een kwestie van waterkwantiteit. Het peilbeheer is ook van invloed op de waterkwaliteit, ecologie en biodiversiteit. Het type peilbeheer bepaalt bijvoorbeeld hoeveel inlaatwater nodig is. De keuze van het type peilbeheer moet hierop afgestemd zijn. Waterkwaliteit en ecologie hebben daarom een volwaardige plaats binnen deze afweging. Flexibel peilbeheer kan bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage leveren, omdat dit de inlaat van gebiedsvreemd water (indien gewenst) kan beperken en daarmee bijdraagt aan een hogere ecologische kwaliteit.

 

Peilbeheer en klimaatverandering

Het watersysteem is klimaatbestendiger wanneer er voldoende berging in het watersysteem zit om regenbuien op te vangen. Als er te weinig berging in het watersysteem is, is er sprake van een wateropgave wateroverlast. Eventuele maatregelen om de wateropgave wateroverlast op te lossen worden, daar waar mogelijk en wenselijk, meegenomen in de peilbesluitprocedure. Bij de afweging van het peilbeheer worden de effecten (en eventuele benodigde maatregelen) van de peilwijziging op de wateropgave wateroverlast in beeld gebracht.

 

Peilbeheer in het veenweidegebied

De mens is de afgelopen eeuwen in het veenmoeras gaan wonen. Daartoe is het land ontwaterd en is het maaiveld gaan zakken, zelfs tot onder zeeniveau. Het gevolg is enerzijds een als waardevol ervaren cultuurlandschap en anderzijds hoge nutriëntenconcentraties in het slootwater, kwetsbaarheid voor overstromingen, steeds toenemende beheerkosten en een aanzienlijke uitstoot van broeikasgassen. Om de landelijke doelstellingen van CO2 reductie (o.a. uit het klimaatakkoord) te behalen streeft de provincie Utrecht in haar coalitieakkoord naar het verminderen van de bodemdaling met gemiddeld 50% in 2030. Deze ambitie is gelijk aan de huidige ambitie van het waterschap. Om deze ambitie te behalen is de samenwerking met andere partijen noodzakelijk. Middels het implementeren van bodemdaling remmende maatregelen kunnen grondeigenaren bijdragen aan het tegengaan van bodemdaling en tegelijkertijd hun eigen belangen behartigen. Het waterschap stimuleert deze collectieve initiatieven. Het waterschap biedt de mogelijkheid om een specifiek peil of type peilbeheer te hanteren in gebieden met vlakdekkend meer dan 65% bodemdaling remmende maatregelen, mits dit niet in strijd is met andere beleidsuitgangspunten. In de polders met vlakdekkend minder dan 65% bodemdaling remmende maatregelen wordt vanaf het nieuwe peilbesluit de drooglegging in stapjes verkleind [factsheet 15].

 

De bodem in het westelijk deel van het beheergebied van het waterschap bestaat uit een veenpakket met plaatselijk een deklaag van klei. In dit veenweidegebied daalt de bodem tot wel 1 cm per jaar. Het waterschap heeft de ambitie uitgesproken om de bodemdaling met tenminste 50% te vertragen en heeft aangegeven dat samenwerking met andere partijen noodzakelijk is voor het bereiken van dit doel. Het waterschap geeft invulling aan deze samenwerking door pilots bij agrariërs te ondersteunen en in te spelen op nieuwe initiatieven.

 

Onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen

Om ongelijke bodemdaling te voorkomen, wordt in het veenweidegebied gestreefd naar grote robuuste eenheden. Nieuwe onderbemalingen staan we niet meer toe. Ook leggen we geen nieuwe hoogwatervoorzieningen meer aan. In gebiedsprocessen worden de bestaande onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen getoetst. Als de drooglegging in de onderbemaling voldoende is voor het kritische bodemtype ter plekke, dan wordt de onderbemaling in het eerstvolgende peilbesluit niet meer vergund. Voor de overige onderbemalingen in het veenweide wordt met het gebied naar een alternatief gezocht voor de huidige vorm van de onderbemalingen. Hierbij worden de eigenaren van een onderbemaling actief benaderd en worden bodemdaling remmende maatregelen gestimuleerd. Vanaf 2040 worden de onderbemalingen in de huidige vorm uitgefaseerd (factsheet 17). Om de hoogteverschillen tussen de bestaande hoogwatervoorzieningen en het landelijk gebied te beperken wordt overwogen om de hoogwatervoorzieningen die beheerd en onderhouden worden door het waterschap in de peilbesluiten met 1 a 2 mm per jaar te indexeren (factsheet 18). Daarnaast wordt voor collectieve, door het waterschap beheerde hoogwatervoorzieningen, met een klein aantal (2-10) eigenaren gestreefd naar vrijwillige overname van het beheer en onderhoud door de eigenaren. Het gebied wordt in dat geval aangemerkt in het peilbesluit als een peilafwijking.

 

Verantwoordelijkheid schade

Naast het waterschap hebben bewoners van het veenweidegebied ook een eigen verantwoordelijkheid voor het voorkomen van schade aan hun eigen bezittingen door bodemdaling. Wanneer het waterschap in dit gebied met het waterpeil de bodemdaling volgt, is het waterschap niet verantwoordelijk voor schade als gevolg van deze peilverlaging (zie ook factsheet 6). Het waterschap zorgt daarbij wel voor een gedegen onderzoek naar de gevolgen van peilaanpassing voor bebouwing en geeft hiermee invulling aan de plicht tot zorgvuldig handelen.

 

2.3 Zorgvuldig afwegen

Het waterschap wil een zorgvuldige afweging maken bij het instellen van een peilbesluit. De afwegingskaders zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. De belanghebbenden worden actief betrokken bij de afweging. Tijdens het proces wordt duidelijk gecommuniceerd welke inbreng en invloed betrokkenen hebben op de afweging. Daarnaast wordt besproken wat partijen van elkaar mogen en kunnen verwachten.

 

2.4 Inspelen op ontwikkelingen

Het waterschap wil leren uit het verleden en klaar staan voor de toekomst.

De uitvoering van het peilbeheer wordt daarom gemonitord op basis van een jaarlijkse rapportage waarmee elke vijf jaar het peilbeheer en de actualiteit van de peilbesluiten wordt geëvalueerd. Op de website van het waterschap worden gegevens over de waterpeilen via het data portaal beschikbaar gesteld voor iedereen die ze wil raadplegen (zie ook factsheet 22). Het waterschap wil hiermee de bewoners van het gebied beter informeren over het peilbeheer zodat zij, in de geest van de nieuwe Omgevingswet, met meer kennis van zaken kunnen participeren in gebiedsprocessen voor het opstellen van een peilbesluit.

 

3 Opstellen van een Peilbesluit

Het opstellen van een peilbesluit gebeurt in verschillende stappen. In dit hoofdstuk worden elke stap en de bijbehorende afwegingen beschreven.

 

3.1 Waterhuishoudkundige toets

Als startpunt wordt het watersysteem van de desbetreffende peilgebieden geanalyseerd. Dat begint met een gebiedsbeschrijving en een watersysteem-beschrijving. Vervolgens wordt onderzocht hoe het watersysteem functioneert en welke meldingen van knelpunten en kansen er zijn. Dit wordt de waterhuishoudkundige toets genoemd. Hiermee wordt geëvalueerd of het peilbesluit nog actueel is, of dat het geheel of gedeeltelijk moet worden gewijzigd. De waterhuishoudkundige toets bestaat op hoofdlijnen uit de volgende onderdelen:

  • a.

    Evaluatie van het peilbeheer;

  • b.

    Passend waterpeil voor het gebruikstype;

  • c.

    Gebiedsopgaven.

 

Evaluatie van het peilbeheer

De evaluatie van het vigerende peilbesluit en van het huidige peilbeheer vormt de basis voor het opstellen van een nieuw peilbesluit. Afwijkingen van het vigerende peilbesluit of klachten hierover, kunnen aanleiding geven om voor het nieuwe peilbesluit een ander peil of een andere begrenzing van peilgebieden vast te stellen. De peilen uit het vigerende peilbesluit worden vergeleken met de in het veld gemeten peilen (praktijkpeilen). Vanaf 2020 is de ambitie om de peilen jaarlijks te evalueren. Dit levert steeds een actueel beeld op van hoe het gaat met het peilbeheer en is waardevol op het moment van opstellen van een nieuw peilbesluit.

 

Passende waterpeilen voor de huidige gebruikstypen

De praktijkpeilen worden getoetst aan de droogleggingsnormen voor de huidige gebruiksfunctie (factsheet 7). De drooglegging is de afstand tussen de gemiddelde maaiveldhoogte en het oppervlaktewaterpeil. Aan de hand van deze toets wordt onderzocht of de drooglegging in de praktijk voldoet voor de gebruiksfunctie. In gebieden waar functiewijzigingen zijn voorzien en in gebieden waar het waterpeil niet meer passend is, is er aanleiding het peil opnieuw af te wegen. Bij functiewijziging is de voorwaarde dat de gronden zijn verworven en dat de wijziging is opgenomen in de omgevingsvisie of in het omgevingsplan van de gemeente. Is dit niet het geval, dan zal er alleen op de toekomstige functie worden geanticipeerd wanneer op basis van vrijwilligheid een ander peil bespreekbaar en wenselijk is.

In het geval van peilwijziging bij functiewijzigingen worden de belanghebbenden benaderd en wordt gezamenlijk gezocht naar een oplossingsrichting. Hierbij wordt daar waar nodig samengewerkt met provincie en gemeente. Eventuele opgaven worden in deze afweging meegenomen. Bijvoorbeeld kansen voor het samenvoegen van peilgebieden (ontsnippering), het uitwerken van de wateropgave wateroverlast, of het bereiken van waterkwaliteitsdoelen.

 

Gebiedsopgaven

Afhankelijk van welke aanleiding er is om een peilbesluit op te stellen wordt er:

  • a.

    gekeken welke opgaven er vanuit het beheer of vanuit de programma’s van het waterschap voor het gebied liggen (o.a. programma Gezond water, programma Wateropgave wateroverlast, programma Waterbeschikbaarheid) en of deze meegenomen kunnen worden in het peilbesluitproces;

  • b.

    gekeken of er ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven van derden liggen die meegenomen kunnen worden.

 

3.2 Varianten opstellen

Tijdens een gebiedsproces en/of uit de waterhuishoudkundige toets komen vaak meerdere aandachtspunten naar voren. Soms is er voor de aandachtspunten maar één mogelijke of gewenste oplossing. In andere gevallen kunnen de knelpunten op meerdere manieren opgelost worden. In het laatste geval wordt met de betrokkenen gekeken welke combinatie van oplossingen het best de verschillende belangen dient. Voor elke variant wordt uitgewerkt hoe het peilbeheer eruit komt te zien:

  • a.

    Welke grootte de peilgebieden hebben;

  • b.

    Welk type peilbeheer wordt gevoerd;

  • c.

    Welke peilen worden ingesteld;

  • d.

    Wat de kosten zijn.

 

Peilgebiedsgrootte

De gewenste grootte van een peilgebied wordt bepaald door diverse factoren, bijvoorbeeld vanuit waterkwantiteit, waterkwaliteit, verwevenheid van landbouw en natuur en wensen en belangen uit het gebied. Zie verder factsheet 8.

 

Afweging type peilbeheer

Landbouw vraagt om een ander type peilbeheer dan natuur of stedelijk gebied. Zie voor een omschrijving van de soorten peilbeheer, welke soort peilbeheer bij welk type gebied/gebruik hoort en wat er bij de afweging komt kijken, factsheet 20. Per peilgebied kan slechts één type peilbeheer worden gevoerd. Zie factsheet 5 voor de beleidsuitgangspunten. Er zijn gebieden waar de ene functie prevaleert boven de andere functie, zoals het geval is bij de Natura 2000-gebieden (factsheet 9). Hierbij wordt het waterpeil optimaal voor deze functie ingesteld.

 

Afweging peil

Voor de afweging van het peil wordt rekening gehouden met de droogleggingsnormen die er zijn voor verschillende gebruiks- en bodemtypes in landelijk gebied of voor stedelijk gebied (factsheet 7).

 

Afweging kosten

Het is niet zinvol en wenselijk om altijd een zeer gedetailleerde kosten- en batenanalyse op te zetten voor alle maatregelen. Veel doelen van het waterschap liggen op het maatschappelijke vlak en zijn moeilijk in geld uit te drukken. Bij de afwegingen over de grootte van peilgebieden en het type peilbeheer kunnen (beheer) kosten een factor van belang zijn. Wanneer varianten tegen elkaar worden afgewogen vormen kosten één van de weegfactoren. Dan voldoen meestal grove schattingen.

 

3.3 Meewegen van overige beleidsthema’s

Bij het afwegen van varianten of onderbouwen van een voorgestelde oplossingsrichting (paragraaf 3.2), wordt ook gekeken naar meekoppelkansen voor andere watergerelateerde beleidsthema’s. Daar waar van toepassing wordt aangegeven in welke mate het peilbesluit invulling geeft aan de opgave/ beleidsthema en tegen welke (meer) kosten. Het gaat om de volgende onderwerpen:

  • a.

    Waterkwaliteit en ecologie (factsheet 9);

  • b.

    Waterbeschikbaarheid (droogte en watertekort) (factsheet 13);

  • c.

    Verdroging natuurgebieden;

  • d.

    Wateroverlast (factsheet 14);

  • e.

    Waterkeringen (factsheet 11);

  • f.

    Vaarwegbeheer (factsheet 12);

  • g.

    Cultuurhistorie en archeologie;

  • h.

    (Kwetsbare) bebouwing (Factsheet 3);

  • i.

    Bodemdaling en broeikasgassen.

 

3.4 Vrijgestelde gebieden en boezemwateren

Voor bepaalde delen van het beheergebied, de uiterwaarden en de Utrechtse Heuvelrug, geldt vanuit de provinciale verordening dat het waterschap is vrijgesteld van de verplichting om een peilbesluit op te stellen. Echter, voor de uiterwaarden ziet het waterschap toch noodzaak om het peilbeheer te regelen middels een peilbesluit. Zie factsheet 1. De boezemwateren zijn watergangen waarop vanuit lager gelegen polders water wordt uitgemalen en van waaruit het -al dan niet via gemalen- wordt geloosd op een rivier of op zee. Bijvoorbeeld de Leidsche Rijn en Oude Rijn, de Grecht en de Hollandse IJssel. Het peilbeheer in de boezemwateren is met name afgestemd op de reguliere wateraanvoer en -afvoer, wateroverlast en de KWA (of KWA+). Daarnaast is de vaarwegfunctie (factsheet 12) van belang en moeten de hoogste peilen afgestemd zijn op de toetshoogtes van de regionale/overige keringen die erlangs liggen (factsheet 11). In het westen van het beheergebied zijn of worden voor deze boezemwateren aparte peilbesluiten opgesteld: Peilbesluiten Boezems Oude Rijn en Boezems Leidsche Rijn, en Peilbesluit Hollandse IJssel. In het oosten van het beheergebied bevinden zich de Kromme Rijn, Utrechtse grachten en Caspargouw die ook tot het hoofdsysteem behoren. Deze zijn niet in een apart peilbesluit opgenomen, maar zijn onderdeel van een groter peilbesluit.

 

4 Procedure

Dit hoofdstuk geeft duidelijkheid over de procedure voor peilbesluiten en raamwaterplannen. Eerst wordt ingegaan op het verschil tussen een raamwaterplan en een peilbesluit en wordt uitgelegd wat een peilbesluit-wijziging is. Daarna wordt ingegaan op de bijbehorende procedures en eisen daaraan.

 

4.1 Peilbesluit of raamwaterplan.

Wanneer een peilbesluit voor een bepaald gebied wordt opgesteld, kan dit in meerdere vormen gebeuren: met of zonder raamwaterplan, een peilbesluit voor het hele ertoe behorende gebied, of voor een deel van dat gebied:

  • Peilbesluiten zonder raamwaterplan worden genomen in die gebieden waar beperkte aandachtspunten in het watersysteem aanwezig zijn en waar eventuele opgaven reeds in een ander verband zijn of worden opgepakt;

  • Een peilbesluit met raamwaterplan is een peilbesluit met een gebiedsvisie. In de gebiedsvisie staat op hoofdlijnen beschreven welke opgaven in het watersysteem de komende jaren in deelplannen aangepakt gaan worden om het waterbeheer robuust, duurzaam en toekomstbestendig in te richten;

  • Bij een conserverend peilbesluit wordt de praktijksituatie vastgesteld;

  • Een peilbesluit-wijziging is een (tussentijdse) wijziging van de peilen in een deelgebied dat onder het geldende peilbesluit valt. Wanneer deelplannen van het raamwaterplan zijn uitgevoerd kunnen de peilen door middel van een wijziging van het peilbesluit worden vastgelegd.

Overeenkomsten tussen een (wijziging van een) peilbesluit en een raamwaterplan zijn dat de functies zorgvuldig worden afgewogen, een besluit over het peil wordt genomen en een communicatietraject wordt doorlopen.

 

4.2 Reguliere procedures vaststelling peilbesluit

De procedure van het nemen of het herzien van een peilbesluit wordt geregeld in de Waterverordening HDSR 2009 (in 2020 wordt deze herzien) en in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In onderstaande tabel staat de procedure ingedeeld in fasen. Het waterschap hecht grote waarde aan actieve ontsluiting van lokale gebiedskennis in fase 2, de waterhuishoudkundige toets. In fase 3 en 4 is gebiedsparticipatie uiterst belangrijk om tot een gedragen ontwerp-peilbesluit te komen. De totale looptijd van het opstellen van een peilbesluit kan, zoals uit deze tabel blijkt, al snel oplopen tot 1,5 - 2 jaar. De looptijd is korter in het geval van een conserverend peilbesluit, waarvoor met name de fasen 1 t/m 4 veel sneller kunnen worden doorlopen dan de in de tabel weergegeven tijdsindicatie.

 

 

 

Fase

Beschrijving

Tijds indicatie

1. Voorbereiding

De voorbereiding start met het geven van een interne opdracht. Vervolgens vinden diverse analyses plaats ter voorbereiding op de planvorming. Het resultaat is uiteindelijk een Plan van aanpak, inclusief een communicatieplan.

3 - 6 maanden.

2. Waterhuis-houdkundige toets

Deze fase staat in het teken van het bepalen van de huidige en optimale situatie. Hieruit worden knelpunten en opgaven in het watersysteem afgeleid.

3-6 maanden

3. Opstellen voorkeursvariant

In deze fase worden de oplossingsrichtingen (varianten), keuzes op hoofdlijnen en principemaatregelen opgesteld.

3-6 maanden

4. Opstellen ontwerpplan

De voorkeursvariant wordt in deze fase verder uitgewerkt tot het ontwerp-peilbesluit of raamwaterplan.

3–6 maanden

5. Inspraak en vaststelling

Deze fase bestaat uit het doorlopen van de procedure voor inspraak en vaststelling, gebaseerd op Awb Afdeling 3.4:

• Het ontwerp-peilbesluit wordt door het college vastgesteld en vrijgegeven voor inspraak;

• Het ontwerp-peilbesluit ligt 6 weken ter inzage;

• Zienswijzen worden bijeengevoegd in een nota en indien mogelijk en wenselijk verwerkt in het ontwerp-peilbesluit;

• Het Algemeen Bestuur stelt het peilbesluit incl. inspraaknota vast.

4–6 maanden

6. Beroepsprocedure

In deze fase worden de stappen doorlopen voor het vaststellen van het peilbesluit (officiële bekendmaking van de vaststelling, beroepsprocedure van 6 weken).

Duur 3 maanden.

7. Overdracht

Interne overdracht van het peilbesluit voor de uitvoering. Voor deze fase zijn geen relevante publieksparticipatiestappen te doorlopen

-

8. Uitvoering

In deze fase wordt het peilbesluit/raamwaterplan uitgevoerd

-

9. Monitoring en evaluatie

Elke 5 jaar wordt geëvalueerd of ontwikkelingen en dynamiek in het gebied een tussentijdse (partiële) wijziging wenselijk maken

-

 

4.3 Eisen aan een peilbesluit

Aan een peilbesluit worden eisen gesteld door de provincie. In factsheet 0 is te lezen waar een peilbesluit, de toelichting en de peilbesluitkaart aan moeten voldoen.

 

4.4 Verlenging peilbesluit

Een peilbesluit wordt, volgens de Waterverordening HDSR 2009, in principe ten minste eenmaal in de tien jaar herzien. Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, waar de meeste peilbesluitgebieden in liggen, kunnen éénmalig maximaal 5 jaar verlenging verlenen. Er ontstaat echter steeds meer behoefte om de looptijd van een peilbesluit in samenhang te zien met de dynamiek in het gebied. Voor gebieden waar veel veranderingen verwacht worden, kan 5 jaar een logische periode zijn; in meer statische gebieden kan een periode van 15 jaar redelijk zijn.

 

4.5 Communicatie

Gedurende de hele procedure voor de totstandkoming van peilbesluiten is interne en externe communicatie van groot belang om tot een succesvol resultaat te komen. Belanghebbenden worden dan ook actief betrokken bij het proces. Elke fase van de procedure vraagt om een specifiek daarop toegesneden communicatie-strategie, zodat de communicatie zorgvuldig en weloverwogen plaatsvindt.

 

4.6 Schaderegeling

Bij het vaststellen en uitvoeren van een peilbesluit kan schade ontstaan bij derden. Het risico op schade wordt bij de afweging van belangen bij het opstellen van het peilbesluit in beeld gebracht. Zie voor meer uitleg hierover factsheet 6.

 

5 Uitvoeren peilbeheer

Dit hoofdstuk beschrijft de kaders voor het peilbeheer: wanneer worden peilen ingesteld, welke kaders gelden voor peilindexatie en peilfasering en welke beheermarge wordt aangehouden. Daarnaast geeft het de criteria voor peilafwijkingen (op- en onderbemalingen), hoogwatervoorzieningen, nachtvorstschadebestrijding en monitoring en evaluatie.

 

5.1 Uitvoeren peilbeheer

De peilen kunnen worden ingesteld nadat de noodzakelijke inrichtingsmaatregelen ter plaatse zijn afgerond. Het tijdstip wordt door het college van dijkgraaf en hoogheemraden bepaald en online gepubliceerd. Tot aan de afronding van die maatregelen blijven de huidige peilen gehandhaafd. Wanneer voor het ene peilgebied alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen, hoeft niet te worden gewacht met het instellen van de nieuwe peilen tot ook in alle andere peilgebieden de beoogde maatregelen zijn getroffen. Kunstwerken die komen te vervallen worden pas ontmanteld wanneer blijkt dat het watersysteem in de nieuwe situatie naar behoren functioneert. In gebieden die gevoelig zijn voor bodemdaling voert het waterschap peilverlagingen van meer dan vijf centimeter stapsgewijs in, dit wordt peilfasering genoemd. Ook bij peilverhoging kan het wenselijk zijn om dit gefaseerd uit te voeren. De invoering van het nieuwe peil bedraagt maximaal drie centimeter per jaar, totdat het beoogde peil is bereikt. In het peilbesluit wordt per peilgebied aangegeven of er peilfasering wordt toegepast en zo ja: hoeveel cm en wanneer dit wordt doorgevoerd. Peilindexatie, het achteraf verlagen van de peilen om de bodemdaling te volgen, wordt beschreven in factsheet 15. De peilen kunnen per seizoen of tijdseenheid variëren. De manier waarop en wanneer de peilen worden ingesteld staat beschreven in factsheet 20.

 

5.2 Afwijken van het peil

Tijdelijke afwijkingen van het peil

Het waterschap kan tijdelijk van het peil afwijken. In factsheet 20 staat ook beschreven welke afwijkingen er van het streefpeil zijn toegestaan in reguliere situaties (beheermarge) en in uitzonderlijke situaties (sturingsmarge). Zo kan het noodzakelijk zijn de peilen te verhogen voor nachtvorstschadebestijding voor de fruitteelt. Dit staat verder beschreven in factsheet 21. Het peil kan ook tijdelijk worden verlaagd voor werkzaamheden zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers en het plaatsen van beschoeiing. In extreme situaties, bij inwerking treden van het calamiteitenplan, de verdringingsreeks of de KWA / KWA+, kan door het college van dijkgraaf en hoogheemraden worden besloten om af te wijken van de vastgestelde peilen en het vastgestelde peilbeheer.

 

Vergunningen en peilafwijkingen

Op verzoek van een particulier kan voor een klein deel van een peilgebied een ander peil worden ingesteld. Dit kan middels een vergunning of een wijziging van het peilbesluit. In factsheet 2 staat toegelicht waaraan het verzoek moet voldoen. Bestaande vergunningen en peilafwijkingen kunnen in het eerstvolgende peilbesluit worden opgenomen als zijnde een peilafwijking (zie factsheet 19). De vergunninghouder van de peilafwijking draagt de verantwoordelijkheid en kosten voor het beheer en onderhoud van de benodigde kunstwerken en is verplicht een peilschaal te plaatsen en een peilregistratie bij te houden. Om ongelijke bodemdaling te voorkomen wordt in het veenweidegebied gestreefd naar grote robuuste eenheden. Nieuwe onderbemalingen staan we daarom niet meer toe, zie hoofdstuk 2.2 en factsheet 17.

 

Beheer en onderhoud watergangen, werken en oevers

Beheer en onderhoudsplicht van watergangen is geregeld in de Legger oppervlaktewateren. Een legger is een verzameling kaarten waarin de afmetingen en de onderhoudsplichtige van elke watergang en elke waterkering precies zijn vastgelegd. De legger is hier te vinden.

 

5.3 Monitoring en evaluatie

Het waterschap baseert het peilbeheer op systeeminzicht. Hiervoor zijn actuele en historische waterstanden nodig, die worden verkregen via monitoring. Deze gegevens zijn noodzakelijk bij het opstellen van het peilbesluit. Bijvoorbeeld om de actuele situatie van dat moment in beeld te brengen. Ook in het veld is monitoring van belang voor bijvoorbeeld het controleren van de actuele waterstanden, zodat belanghebbenden kunnen nagaan of de peilen kloppen. Zie factsheet 22.

 

Bijlage 0 Overzicht Beleidsuitgangspunten

 

Deze bijlage geeft een overzicht van de uitgangspunten voor peilbesluiten en peilbeheer zoals die in deze beleidsnota peilbeheer besproken worden. Ze zijn onderverdeeld in de volgende onderdelen:

  • hoe een peilbesluit wordt opgesteld en waar deze aan moet voldoen;

  • op welke wijze afwegingen in het peilbeheer plaatsvinden;

  • hoe wordt omgegaan met bodemdaling;

  • hoe wordt omgegaan met peilafwijkingen;

  • aan welke eisen het peilbeheer in de praktijk moeten voldoen.

 

Een toelichting van de beleidsuitgangspunten en eventuele aanvullende uitgangspunten zijn te vinden in de factsheets en de hoofdtekst. Achter elk beleidsuitgangspunt staat het nummer van de toelichtende factsheet [F01], hoofdstuk [H1.1] of bijlage (B1) met bijbehorende hyperlink.

 

Peilbesluit

  • I.

    Het waterschap stelt voor de oppervlaktewaterlichamen die onder haar beheer zijn een peilbesluit vast, inclusief die in de uiterwaarden. [F01]

  • II.

    Het peilbesluit bestaat uit de besluittekst, een kaart en een toelichting op het besluit. [F00]

    • a.

      In de besluittekst wordt vastgelegd welke typen peilbeheer worden toegepast en wat de beheer- en sturingsmarges zijn.

    • b.

      In de toelichting op het peilbesluit wordt aangegeven op welke wijze de belangenafweging tot stand is gekomen en waarom besloten is voor een bepaald oppervlaktewaterpeil en wijze van beheer.

    • c.

      De kaart bij het peilbesluit voldoet aan de in deze beleidsnota gestelde eisen.

  • III.

    Wanneer het in de looptijd van een peilbesluit wenselijk is om onderdelen te wijzigen en dat via een vergunning niet mogelijk is, wordt het peilbesluit gewijzigd. [F02]

  • IV.

    Bij het opstellen van peilbesluiten worden belanghebbenden actief betrokken. [H5]

  • V.

    In (bestaand) stedelijk gebied worden peilbesluiten in nauw overleg met de grondwaterbeheerder (de gemeente) opgesteld. [F03]

  • VI.

    Peilbesluiten starten met een waterhuishoudkundige toets. [H3.1]

  • VII.

    Voor elk peilbesluit wordt in de toelichting aangegeven welke gegevens zijn gebruikt bij het opstellen. [F04]

  • VIII.

    Tijdens het opstellen van een peilbesluit worden altijd de op dat moment meest recente data gebruikt. [F04]

  • IX.

    Bij het bepalen van de actuele en optimale situatie geldt altijd dat de minst bewerkelijke methoden volstaan, tenzij het gebiedsproces en de aanwezige belangen een grotere nauwkeurigheid of detaillering van de informatie vereisen. [F04]

  • X.

    Voor de gebruiksfuncties wordt gestuurd op drooglegging. Het verzorgen van de gewenste ontwatering en grondwaterstand op een perceel is de verantwoordelijkheid van de grondeigenaar [F05].

  • XI.

    Het waterschap gaat bij de totstandkoming van een peilbesluit in de belangenafweging na of er door een peilverandering onevenredige schade kan ontstaan en hoe deze kan worden gemitigeerd of voorkomen. [F06]

 

Afwegingen peilbeheer

  • I.

    Bij het opstellen van peilbesluiten worden droogleggingsnormen gebruikt. Voor elke combinatie van functie en bodemtype geldt een specifieke norm [F07].

  • II.

    Het is niet altijd doelmatig elke functie met een eigen peilgebied te faciliteren. Ten behoeve van een robuust watersysteem kan er voor worden gekozen het peilgebied als geheel intact te laten en daar een peil voor te bepalen [F05].

  • III.

    Bij de afweging van het peil wordt rekening gehouden met elke functie waarvan het oppervlak uit meer dan 10% van het oppervlak van het betreffende peilgebied bestaat. Natura 2000 gebieden vormen een uitzondering: hiervoor worden de gewenste peilen vastgesteld [F05].

  • IV.

    De afweging van de peilgebiedsgrootte is altijd maatwerk [F08].

  • V.

    Bij peilbesluiten wordt, met name in het veenweide gebied en indien functies, grondgebruik en waterkwaliteit en ecologie het toelaten, gestreefd naar het zo klein mogelijk houden van het aantal peilgebieden [F08].

  • VI.

    In elk peilbesluit worden de ecologische aspecten, de toestand van de waterkwaliteit, evenals de effecten van peilwijzigingen en andere maatregelen hierop, meegenomen in de afweging van het peil [F09].

  • VII.

    Het waterschap weegt het belang van weidevogels in het landelijk gebied mee bij het opstellen van een peilbesluit [F10].

  • VIII.

    Het peilbeheer zoals bepaald in peilbesluiten mag niet strijdig zijn met het verdrag van Malta. Op locaties met (zeer) hoge archeologische waarden mag het grondwaterpeil niet zo door het peilbesluit worden beïnvloed, dat de archeologische waarden aangetast worden [B1].

  • IX.

    In elk peilbesluit worden de eventuele nadelige effecten op de stabiliteit van de waterkering meegenomen in de afweging van het peil [F11].

  • X.

    Voor alle wateren waar het waterschap door de provincie als vaarwegbeheerder is aangewezen worden de eisen van het vaarwegbeheer aan het peilbeheer integraal meegewogen [F12].

  • XI.

    Voor elk peilbesluit wordt in beeld gebracht welke maatschappelijke opgave en gebiedsdoelen er zijn voor de desbetreffende peilgebieden. In de peilafweging worden de bekende gebiedsdoelen en opgaven afgewogen. Waar mogelijk levert het peilbeheer een bijdrage aan het behalen van de gestelde doelen en opgave. In de volgende factsheets staat de afweging beschreven:

    • a.

      Waterkwaliteit en ecologie [F09]

    • b.

      Waterbeschikbaarheid [F13]

    • c.

      Wateroverlast door inundatie vanuit watergang [F14]

    • d.

      Bodemdaling [F16]

 

Peilafwijkingen

  • I.

    Voor een nieuwe peilafwijking wordt een vergunningsprocedure of wijziging van het peilbesluit doorlopen [F19].

  • II.

    Een peilafwijking is niet toegestaan als overige belangen worden geschaad [F19].

  • III.

    Bij de actualisatie van een peilbesluit worden de peilafwijkingen (opnieuw) getoetst. Indien de gebieden voldoen aan de beleidsregels van de Keur kunnen deze blijven bestaan en worden zij (opnieuw) opgenomen in het peilbesluit als peilafwijkingen. Indien de gebieden hier niet aan voldoen, wordt een peilafwijking niet langer toegestaan en geldt het peil van het omliggende peilgebied [F19].

  • IV.

    In een peilbesluit wordt per peilafwijking vastgelegd wat de minimale en maximale peilen van het gebied zijn en onder welke omstandigheden deze peilen worden ingesteld [F19].

  • V.

    De peilen van de peilafwijkingen worden door derden ingesteld, gehandhaafd en beheerd [F19]. Deze criteria gelden niet voor:

    • a.

      onderbemaling in veenweidegebieden, zie [F17].

    • b.

      Hoogwatervoorzieningen, zie [F18].

  • VI.

    De belanghebbende(n) van de peilafwijking draagt de kosten voor het beheer en onderhoud van de kunstwerken die nodig zijn voor de peilafwijking [F19].

  • VII.

    Daar waar voor nachtvorstschadebestrijding onttrekkingen vergund zijn kan in de periode tussen 1 maart en 1 juni het peil vervroegd worden opgezet naar zomerpeil [F21].

  • VIII.

    De bovengrens tot waar het peil wordt opgezet wordt geregeld in het peilbesluit [F21].

  • IX.

    De ondergrens tot waar fruittelers water kunnen onttrekken, wordt geregeld in de onttrekkingsvergunning [F21].

  • X.

    Indien nodig wordt voor het waterpeil een sturingsmarge ingesteld om voldoende water aan te kunnen voeren voor de nachtvorstschadebestrijding. Dit wordt in het eerstvolgende peilbesluit vastgelegd [F21].

 

Veenweide

  • I.

    In veen en klei-op-veen gebieden wordt ingezet op het remmen van bodemdaling en het beperken van ongelijke maaiveldhoogte door bodemdaling. Dit wordt in de peilbesluiten ingevuld door op de droogleggingsnormen te sturen [F15].

  • II.

    De droogleggingsnormen voor de functie landbouw in veen en klei-op-veen gebieden worden gedurende de 30 jaar na vaststelling van deze beleidsnota geleidelijk aangepast. De drooglegging wordt in veengebieden verminderd met 0,5 cm per 3 jaar. Voor klei-op-veen wordt de drooglegging verminderd met 0,5 cm per 6 jaar. De initiële droogleggingsnorm voor veen in de zomer is 45 cm en wordt afgebouwd naar 35 cm. De initiële droogleggingsnorm voor klei-op-veen is 60 cm in de zomer en wordt afgebouwd naar 50 cm [F15].

  • III.

    In peilgebieden waar bodemdaling remmende maatregelen zijn getroffen op meer dan 65% van de geschikte percelen, blijft de droogleggingsnorm gelijk. Voor veengebieden blijft de droogleggingsnorm 45 cm (zomer) – 55 cm (winter) en voor klei-op-veen gebieden 60 cm (zomer) – 80 cm (winter) [F15].

  • IV.

    Voor gebieden met bodemdaling remmende maatregelen biedt het waterschap de mogelijkheid om een specifiek hiervoor aangepast peil- of type peilbeheer te hanteren, mits dit niet in strijd is met andere beleidsuitgangspunten [F16].

  • V.

    In peilgebieden, die bij het opstellen van een nieuw peilbesluit minder drooglegging hebben dan de gehanteerde droogleggingsnorm voor dat jaar, is het toegestaan de drooglegging te herstellen (indexeren) naar deze droogleggingsnorm [F15].

  • VI.

    Bij het opstellen van een nieuw peilbesluit kunnen peilgebieden meer drooglegging hebben dan de norm. De peilen worden in dat geval niet verder verlaagd of geïndexeerd naar aanleiding van de bodemdaling [F15].

  • VII.

    Het waterschap staat i.v.m. het remmen van bodemdaling in het veenweidegebied geen nieuwe onderbemalingen toe. Het peil van het peilgebied waar het perceel in ligt, wordt afgestemd op het peilgebied als geheel. De eigenaar van een laag liggend perceel is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een gebruik van het perceel dat past bij het peil van het peilgebied [F17].

  • VIII.

    Bestaande onderbemalingen in het veenweidegebied worden de komende jaren in fasen opgeheven. Hiervoor wordt gekeken naar het maaiveldhoogteverschil tussen de onderbemaling en het peilgebied waar de onderbemaling in ligt [F17].

    • a.

      Wanneer de gemiddelde hoogte van het maaiveld van de onderbemaling hoger of maximaal 10 cm lager ligt dan die van het peilgebied wordt de onderbemaling in het eerstvolgende peilbesluit niet meer vergund. Deze voldoet niet aan het geldende criterium voor een vergunning voor een onderbemaling [F17].

    • b.

      Bij een gemiddeld maaiveldhoogteverschil van meer dan 10 cm is de onderbemaling uiterlijk in 2040 opgeheven. Daarbij ondersteunt het waterschap compenserende bodemdaling remmende maatregelen. Indien er vóór die tijd nog een nieuwe vergunning wordt afgegeven dan wordt daarin een minimumpeil vastgelegd[F17].

    • c.

      Als er meerdere onderbemalingen bij elkaar liggen, wordt afgewogen of een andere indeling van peilgebieden mogelijk en doelmatig is [F17].

 

(Collectieve) hoogwatervoorzieningen

  • I.

    Het waterschap legt in principe geen nieuwe hoogwatervoorzieningen aan, conform Algemeen Bestuur besluit d.d 10 maart 2015 [F18].

  • II.

    Voor individuele, door het waterschap beheerde hoogwatervoorzieningen wordt het peilbeheer zoveel mogelijk overgedragen aan de belanghebbende. Het gebied wordt aangemerkt in het peilbesluit als een peilafwijking. [F18].

  • III.

    Voor collectieve, door waterschap beheerde hoogwatervoorzieningen met een klein aantal (2-10) eigenaren streeft het waterschap naar vrijwillige overname van het peilbeheer door de eigenaren. Het gebied wordt in dat geval in het peilbesluit aangemerkt als een peilafwijking [F18].

  • IV.

    Het waterschap streeft voor alle door haar beheerde hoogwater-voorzieningen naar een peilaanpassing voor de maaivelddaling ter plekke. Als er geen andere gegevens beschikbaar zijn voor deze maaivelddaling dan wordt uitgegaan van 2 mm/jaar [F18].

  • V.

    Bij het opstellen van een peilbesluit onderzoekt het waterschap of peilverschillen tussen de collectieve hoogwatervoorzieningen en de omliggende polders nu of in de toekomst leiden tot onevenredig hoge beheerkosten. Indien hier sprake van is wordt een afweging gemaakt hoe verder om te gaan met de hoogwatervoorzieningen in dit gebied [F18].

 

Peilbeheer

  • I.

    Over het moment van het instellen van een nieuw peil wordt besloten door het college van dijkgraaf en hoogheemraden [H5.1].

  • II.

    In extreme situaties, bij inwerking treden van het calamiteitenplan, de verdringingsreeks of de KWA / KWA+, kan door het college van dijkgraaf en hoogheemraden worden besloten om af te wijken van de vastgestelde peilen en het vastgestelde peilbeheer [H5.2].

  • III.

    De uitvoering van het peilbeheer wordt gemonitord via peilschalen en door middel van een integraal programma van diverse waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmetingen, waarmee het peilbeheer adequaat is te evalueren [H5.3].

 

Bijlage 1 Wet- en regelgeving en beleid

Het peilbeheer wordt uitgevoerd binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid van mede-overheden. Deze bijlage beschrijft wet- en regelgeving en beleid voor zover actueel in 2019, rekening houdend met eventuele wijzigingen. De Europese Kaderrichtlijn Water, Natura 2000 en het nationaal en provinciaal beleid beogen op termijn een duurzaam en robuust watersysteem. Op nationaal niveau is dat het Nationaal bestuursakkoord water. Deze beleidslijnen zijn vertaald in de provinciale structuurvisies en waterplannen van Provincie Utrecht en Provincie Zuid-Holland. De juridische kaders worden gesteld door de Waterwet en de Waterverordening. Op dit moment veranderen de kaders omdat veel landelijke regelgeving in 2021 opgaat in de Omgevingswet, met bijbehorende doorvertaling op provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. Waar nodig staat aangegeven welke regelgeving actueel is totdat de Omgevingswet van kracht wordt en wat er daaropvolgend binnen de Omgevingswet voor in de plaats komt.

 

Europese en Nationale kaders

Europese Kaderrichtlijn Water

Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in werking getreden. Vanuit de KRW is het doel gesteld om een goede chemische en ecologische toestand van het oppervlakte- en grondwater te krijgen in 2015 en uiterlijk 2027. Om deze verbetering te bewerkstelligen zijn voor de KRW verschillende doelstellingen opgesteld op stoomgebiedsniveau. Deze doelstellingen betreffen de grondwater-, de chemische-, biologische-, en drinkwaterdoelstellingen. In het kader van de Omgevingswet moet het Rijk een nationaal waterprogramma opstellen om verschillende EU-richtlijnen uit te voeren. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden valt in het stroomgebied Rijndelta. Bij de voorbereiding van peilbesluiten moet worden nagegaan of een peilbesluit niet in strijd is met de KRW of het stroomgebiedbeheerplan Rijndelta voor wat betreft duurzaam gebruik van water, verontreiniging van grond- en oppervlaktewater en de ecologische toestand.

 

Verdrag van Malta

In het Europese Verdrag van Malta, door Nederland getekend in 1992, wordt gestreefd naar het behouden van het archeologisch erfgoed in de bodem, door in de ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met archeologische waarden in de bodem en onder water. Door peilwijzigingen bestaat de kans dat archeologische waarden worden aangetast doordat deze boven de grondwaterspiegel komen te liggen.

Het Besluit Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta. Het besluit regelt hoe rijk, provincies en gemeenten bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De provincies en de gemeenten spelen een belangrijke rol bij de bescherming en de aanwijzing van archeologische monumenten. Waar deze overheden locaties hebben aangewezen met een hoge tot zeer hoge trefkans of bij het daadwerkelijk vóórkomen van hoge tot zeer hoge archeologische waarden wordt archeologie meegewogen in de peilkeuze. Dat betekent dat de archeologische waarden worden beschermd door het peil niet te verlagen.

 

Wet natuurbescherming

De wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 van kracht geworden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn o.a de Europese verplichtingen ten aanzien van de Natura2000 gebieden opgenomen. Natura 2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Het NNN is de nieuwe benaming van dit netwerk van natuurgebieden dat voorheen met de term Ecologische Hoofdstructuur (EHS) werd aangeduid. Bij het opstellen van peilbesluiten moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN). Verder is in deze wet de zorgplicht opgenomen voor alle in het wild levende planten- en diersoorten, uitgewerkt in een ‘Nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat er geen schade aan beschermde planten en dieren mag optreden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. In de wet zijn ook specifieke lijsten opgenomen met beschermde soorten. De wet Natuurbescherming gaat op in de Omgevingswet; met de Aanvullingswet natuur worden de regels voor natuurbescherming daarin ingepast.

 

Waterwet

In de Waterwet wordt het beheer van grond- en oppervlaktewater geregeld. De Waterwet vervangt acht wetten voor het waterbeheer en trad eind 2009 in werking. Het aantal regels is daar toen flink mee verminderd. De Waterwet stelt de verplichting aan een beheerder om één of meer peilbesluiten vast te stellen voor oppervlaktewater- of grondwaterlichamen onder zijn beheer die zijn aangewezen in de provinciale waterverordening. In een peilbesluit worden waterstanden, of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, vastgesteld die gedurende de daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd (artikel 5.2 Waterwet). Totdat de Omgevingswet in werking treedt, is de Waterwet van kracht.

 

Omgevingswet

De Omgevingswet beoogt op integrale wijze een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving te creëren en regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen. De hierboven genoemde verplichtingen uit de Waterwet met betrekking tot peilbesluiten zijn één op één overgenomen in de Omgevingswet. Ook de te volgen procedures blijven hetzelfde. Om te handelen in de geest van de Omgevingswet wordt van de betrokken overheden gevraagd om onder andere meer in te zetten op participatie en digitalisering. Een onderzoek van de Erasmus Universiteit in 2019 naar hoe “Omgevingswet-proof” de totstandkoming van peilbesluit Zegveld is, concludeert dat het waterschap al een hoog participatieniveau bewerkstelligt en dat er met name op het gebied van digitalisering en toegankelijkheid van gegevens voor bewoners nog verbetermogelijkheden liggen. In deze Nota zijn de aanbevelingen uit dit onderzoek waar mogelijk meegenomen. De verwachting is dat de nieuwe Omgevingswet per 1 januari 2021 van kracht wordt.

 

Besluit m.e.r.

De milieueffectrapportage (m.e.r.) procedure is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over grote projecten of ingrepen. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een lijst opgenomen met activiteiten waarvoor de m.e.r.-plicht (C-lijst) en een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (D-lijst). Peilverlagingen zijn in de D-lijst opgenomen. Dat betekent dat bij een voorgenomen peilverlaging een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden waarin wordt nagegaan of nadelige milieugevolgen zijn uit te sluiten. De toelichting bij het peilbesluit geldt als een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

 

Bestuursakkoord Water

In het Bestuursakkoord Water hebben overheden en waterleidingbedrijven in 2011 afspraken gemaakt over verbetering van de organisatie van het waterbeheer. Deze afspraken moesten leiden tot meer transparantie, duidelijke verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte, optimalisatie in transport en zuivering van afvalwater, een beheersbaar programma voor de waterkeringen en het realiseren van slimme samenwerkingsvormen. In 2018 is het Bestuursakkoord Water geactualiseerd met aanvullende afspraken over nieuwe ontwikkelingen. De kansen van de informatiesamenleving, de risico’s van digitale dreigingen, regionaal waterbeheer en de implementatie van de Omgevingswet in 2021 zijn de vier “pijlers” die zijn vastgelegd in de Toekomstvisie Bestuursakkoord Water 2018. Ook hier zijn voor peilbeheer vooral de ontwikkelingen rondom bruikbare en toegankelijke data van belang. Daarnaast hebben de partners een afzonderlijk Bestuursakkoord Klimaatadaptatie gesloten en is een bestuursakkoord over waterkwaliteit in voorbereiding.

 

Waterschapswet

De Grondwet (artikel 33) vereist voor de waterschappen een organieke wet, de Waterschapswet. Waterschappen zijn openbare lichamen, net zoals provincies en gemeenten. Echter, de taken van een waterschap zijn beperkt tot (onderdelen van) het waterbeheer. De provincie en gemeenten hebben een zogenoemde open huishouding en behoren daarmee tot de algemene democratie. De Waterschapswet regelt de instelling en opheffing van een waterschap, de organisatie en bestuur (o.a verkiezingen), financieringsbepalingen en de verordenende bevoegdheid van het waterschap. Alleen het Algemeen Bestuur heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van peilbesluiten. In artikel 83, lid 2f is bepaald dat deze bevoegdheid van het Algemeen Bestuur niet overgedragen kan worden aan het dagelijks bestuur. Momenteel wordt onderzocht in hoeverre er voor wijzigingen van een peilbesluit een uitzondering kan worden gemaakt, zodat deze ook door het college kunnen worden vastgesteld. De taken van de waterschappen zijn verder uitgewerkt in de Waterwet.

 

AVG

Betrekkelijk nieuw is de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg), opvolger van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), waaraan alle overheden sinds mei 2018 moeten voldoen. Dit houdt in dat er met grote zorgvuldigheid omgegaan moet worden met privacygevoelige (persoons)gegevens van iedereen die betrokken is bij het opstellen van een peilbesluit. Bijvoorbeeld zullen naam- en adresgegevens en beeldmateriaal altijd een toestemming vooraf vereisen van de betrokkenen alvorens deze op welke manier dan ook gepubliceerd kunnen worden. En moeten overheden ervoor zorgen dat de beveiliging van hun data goed op orde is.

 

Provinciale kaders

Provinciale structuurvisie/provinciale omgevingsvisie

De provincie Utrecht heeft nu nog de provinciale ruimtelijke structuurvisie 2013-2028 en ruimtelijke verordening, waarin staat beschreven wat de provincie samen met haar partners wil bereiken op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. Zo wil de provincie in de zgn. Groene Contour landbouwgronden omvormen tot natuurgebied om daarmee het Natuurnetwerk Nederland te versterken. Het gaat om een totale omvang van 3000 hectare. De Groene Contour is te vinden op de kaart van de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (paragraaf 6.5.2). Na realisatie wordt de nieuwe natuur opgenomen in het NNN. De provinciale ruimtelijke structuurvisie wordt elke 4 jaar opnieuw bekeken (herijking), waarvan de laatste in 2016. Onder invloed van de aanstaande Omgevingswet vindt momenteel een transformatie plaats naar een omgevingsvisie waarin onder meer de ruimtelijke structuurvisie en onderdelen van het bodem- water- en milieuplan opgaan. En er komt ook een omgevingsverordening. Provincie Zuid-Holland heeft, hierop anticiperend, de verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving (voorlopig beleidsneutraal) sinds 1 april 2019 samengevoegd in een omgevingsvisie, een omgevingsverordening en een programma ruimte.

 

Natuurvisies en Natuurbeheerplannen

In de provinciale natuurvisie is het beleid uit de Wet natuurbescherming verder uitgewerkt. De implementatie van dit beleid vindt zijn beslag in natuurbeheerplannen. Per provincie worden op deze manier de Natura 2000-gebieden, het NNN en alle andere relevante gebieden en bijbehorende beheermaatregelen vastgelegd en deze vormen het kader voor peilbesluiten, zowel voor wat betreft de peilgebiedsindeling als voor de waterkwaliteit en de ecologie. In het kader van de Omgevingswet heten natuurbeheerplannen straks natuurprogramma’s.

 

Bodem-, water- en milieuplan Provincie Utrecht

In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 staat wat de Provincie Utrecht met haar partners wil bereiken op o.a. het terrein van water. Zie ook https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/NL.IMRO.9926.ZZBWM-VA01. Een van de prioriteiten in dit plan voor het ontwikkelen van een robuust bodem-en watersysteem is “Schoon en voldoende oppervlaktewater”, uitgewerkt in hoofdstuk 5. Hierin staan de kaders voor het waterschap voor zoetwatervoorziening (o.a. KWA), oppervlaktewater (KRW-waterlichamen en overig water) en bodemdaling. Met betrekking tot het beperken van bodemdaling wordt in 5.3.1 de waterbeheerder gevraagd versnippering tegen te gaan en de drooglegging waar mogelijk te beperken tot 60cm. Het Bodem-, Water- en Milieuplan gaat onder de Omgevingswet deels op in de provinciale omgevingsvisie en deels in het regionale waterprogramma. De Provincie Zuid-Holland heeft geen apart regionaal waterplan meer, dat is opgegaan in de provinciale omgevingsvisie, zie verder onder het kopje “provinciale structuurvisies/omgevingsvisie”.

 

Waterverordening Provincie Utrecht

De waterverordening die de provincies Zuid-Holland en Utrecht in 2009 hebben opgesteld voor het waterschap (laatste aanpassing in december 2018), geeft vanaf 1 april 2019 alleen voor de Provincie Utrecht de volgende kaders voor peilbesluiten:

  • Het deel van het beheergebied waarvoor het waterschap peilbesluiten moet opstellen;

  • Vorm en inhoud van het peilbesluit: Het peilbesluit bevat een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft. Het peilbesluit heeft een toelichting met daarin de afwegingen en uitkomsten van onderzoeken, de verandering van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie, de gevolgen van de waterstanden voor diverse belangen;

  • Voorbereiding en rechtsbescherming: Op de voorbereiding van het peilbesluit/raamwaterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit betekent onder andere dat het peilbesluit/watergebiedsplan ter inzage wordt gelegd en er daarna de mogelijkheden zijn van indienen van zienswijzen en beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • Rol van provincie: De provincie kan net als iedereen inspreken en beroep aantekenen bij de rechter. Het dagelijks bestuur van het waterschap stuurt peilbesluiten/watergebiedsplannen (ontwerp- en vastgestelde peilbesluiten met zienswijzen/ beschouwingen van het Algemeen Bestuur) naar gedeputeerde staten van de provincie waarin het gebied ligt waarvoor het peilbesluit wordt genomen. Wanneer het peilgebied in twee provincies ligt wordt het naar beide provincies gestuurd;

  • Herziening peilbesluiten: Een peilbesluit wordt ten minste eenmaal in de tien jaar herzien. Hiervoor kunnen gedeputeerde staten van de provincie waar het(grootste deel van het) peilbesluitgebied ligt eenmalig maximaal 5 jaar vrijstelling verlenen.

Deze waterverordening gaat in de toekomst op in de provinciale omgevingsverordening.

 

Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland

Sinds 1 april 2019 heeft de Provincie Zuid-Holland een omgevingsverordening waarin ook alle bepalingen uit de waterverordening zijn opgenomen en die vanaf deze datum dus geldt voor alle peilbesluiten binnen de Provincie Zuid-Holland. Voor peilbesluiten worden de volgende kaders gegeven:

  • De gebieden waarbinnen het waterschapsbestuur peilbesluiten moet opstellen voor de oppervlaktewaterlichamen zijn weergegeven op kaart;

  • Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen.

 

Beleid van het waterschap

Waterkoers

Met het waterbeheerplan van het waterschap, getiteld “Waterkoers 2016 – 2021” is een omslag gemaakt in denken. In plaats van dat het waterschap alles wat met water te maken heeft zelf oppakt, bepaalt of betaalt is het motto veranderd van “zorgen voor” naar “samen met”. Dit principe zit stevig verankerd in de werkwijze waarmee het waterschap het opstellen van peilbesluiten en raamwaterplannen vormgeeft en ook wil blijven doen. Met de Omgevingswet zal het eerstvolgende waterbeheerplan “waterbeheerprogramma” gaan heten.

 

Keur met bijbehorende Uitvoeringsregels en Beleidsregels

De Keur is een verordening van het waterschap die regelt wat wel en niet mag in of nabij oppervlaktewater en waterkeringen. Het waterschap hanteert de bepalingen uit de Keur bij een groot aantal mogelijke activiteiten en (ruimtelijke) ingrepen door derden die invloed kunnen hebben op het watersysteem. De Keur is gebaseerd op het principe dat veel activiteiten toegestaan zijn mits voldaan wordt aan een basis-zorgplicht. Hebben activiteiten meer impact op het watersysteem dan gelden er algemene regels of is een vergunning verplicht. Activiteiten die van invloed kunnen zijn op het (wijzigen van) het peilbeheer kunnen vergunningplichtig zijn, zoals het hebben van een afwijkend peil (onderbemaling), of er kan met een melding worden voldaan, zoals bij het aanleggen van een infiltratiesysteem (ook wel onderwaterdrainage genoemd). Zie de Uitvoeringsregels bij de Keur HDSR 2018, hoofdstukken 20, 44 en 69. De Keur wordt, in het kader van de Omgevingswet, momenteel omgevormd tot een waterverordening. De regels zullen daardoor niet veranderen.

 

Legger

In de legger is de vereiste situatie van de waterstaatswerken (waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen) aangegeven. Tevens worden hierin de beheer- en onderhoudsverplichtingen van de waterstaatswerken vastgesteld. De legger is verder belangrijk voor de uitvoering van werkprocessen, zoals onderhoud, handhaving, vergunningverlening en planvorming.

 

Gemeentelijk beleid

Bij het opstellen van peilbesluiten moet rekening worden gehouden met gemeentelijk beleid. Het zal hier voornamelijk gaan om de ruimtelijke planvorming: voordat een gemeentelijk bestemmingsplan (straks omgevingsplan) wordt opgesteld leggen gemeenten hun visie op ruimtelijke ontwikkelingen vast in gemeentelijke structuurvisies (straks omgevingsvisies). De gemeente is verplicht om het waterschap vroegtijdig bij ruimtelijke plannen te betrekken. Bij functieveranderingen overleggen waterschap en gemeenten tijdens het watertoetsproces over de manier waarop dit in een bestemmingsplan moet worden opgenomen. Ruimtelijke plannen kunnen leiden tot nieuwe peilbesluiten. Andersom geven de waterbelangen (peilen) richting aan de invulling van ruimtelijke plannen van de gemeente. De gemeenten brengen zelf dit beleid in aan het begin van het proces voor het opstellen van een nieuw peilbesluit.

 

Bijlage 2 Begrippenlijst

 

  • AB = Algemeen bestuur

  • Afvoergebied = Cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem. Dit noemde men vroeger in bemalen Nederland een polder. Het gebied voert af op bijvoorbeeld een boezem, rivier of kanaal.

  • AWB = Algemene wet bestuursrecht

  • Beheermarge = Afwijking van het peil uit het peilbesluit als gevolg van reguliere weersomstandigheden en aan-en afvoer van water. De grootte van deze beheermarge (vaak +/– 5cm t.o.v. het peilbesluitpeil) is vastgelegd in het peilbesluit.

  • Bemalingsgebied = Gebied waarvan de afwatering door één gemaal plaatsvindt. Een bemalingsgebied kan uit meerdere peilgebieden bestaan

  • Bodemdaling = Daling van het grondoppervlak als gevolg van krimp, klink, zetting, oxidatie en/of verdichting. De grondsoort en de mate van ontwatering spelen hierin een belangrijke rol.

  • Bodemdaling remmende maatregelen = Verzamelnaam voor bijvoorbeeld een infiltratiesysteem (ook wel onderwaterdrainage genoemd), drukdrainage, natte teelten en andere maatregelen die bodemdaling tegengaan. Zie respectievelijke omschrijvingen elders.

  • Boezem(water) = Het stelsel van gemeen liggende, met elkaar in open verbinding staande waterlopen dat geen onderdeel is van een polder en waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging en afvoer naar bv. een rivier.

  • Conserverend peilbesluit = Een peilbesluit waarin alléén de bestaande praktijksituatie wordt vastgelegd en bestuurlijk wordt vastgesteld.

  • Drainage = Afvoeren van overtollig grondwater via drainagebuizen

  • Drooglegging = Hoogteverschil tussen het peil in de sloot (streefpeil) en het aanliggende grondoppervlak (maaiveld).

  • Droogleggingsnorm = De optimale drooglegging voor een bepaalde combinatie van functie, grondsoort en grondgebruik, geldend bij winterpeil.

  • Drukdrainage = Het aansluiten van onderwaterdrains op een put waarin het peil met behulp van een pomp onafhankelijk van het slootwaterpeil opgezet of verlaagd kan worden.

  • Duurzaam = Een maatschappelijk verantwoorde ontwikkeling van de leefomgeving, waar de sociale, economische en ecologische duurzaamheid (people, planet, profit) met elkaar in balans zijn

  • Dynamisch peilbeheer = Dynamisch peilbeheer is een vorm van peilbeheer waarbij het waterpeil wordt gestuurd binnen een van tevoren vastgestelde boven- en ondergrens. Afhankelijk van de grondwaterstand, het bodemvochtgehalte en de weersomstandigheden kan het oppervlaktewaterpeil op elk gewenst moment worden ingesteld op een waarde tussen de vastgestelde boven en ondergrens. Het is een anticiperend peilbeheer.

  • Ecologische voorziening = Vispassage, natuurvriendelijke oever, en elke andere voorziening ten behoeve van de aquatische ecologie.

  • Eerste watervoerend pakket = De eerste bodemlaag vanaf het aardoppervlak (vaak opgebouwd uit zand en/of grind), waarin het grondwater zicht relatief gemakkelijk kan verplaatsen en die aan de bovenzijde begrensd wordt door een mogelijk slecht doorlatende laag met een vrije waterspiegel en aan de onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag.

  • EHS = Ecologische hoofdstructuur

  • Flexibel peilbeheer = Vorm van peilbeheer waarbij het waterpeil vrij kan fluctueren binnen een vooraf vastgestelde boven- en ondergrens. Onder invloed van neerslag, verdamping, kwel en wegzijging kan het peil fluctueren binnen deze marges. Het water wordt afgevoerd wanneer het waterpeil de bovengrens overschrijdt. Het waterschap laat water in, wanneer het waterpeil zakt tot onder de ondergrens. Er wordt dus niet gestuurd op grondwaterstanden zoals bij dynamisch peilbeheer.

  • Flexibilisering peilbeheer = Verbeteren van het peilbeheer zonder vast te houden aan starre peilregimes wanneer dit niet nodig is.

  • Freatisch grondwater = Water in de verzadigde zone van de bovenste bodemlaag (deklaag) met een vrije grondwaterspiegel. Dit grondwater staat rechtstreeks in verbinding met de atmosferische luchtdruk. Het is het grondwater dat als eerste wordt aangetroffen bij graaf- en boorwerkzaamheden.

  • Functie (gebieds-) = In de omgevingsvisies die gemeenten en provincie opstellen voor hun gebied worden functies toegekend zoals landbouw, natuur, of bebouwd gebied (stedelijk).

  • Gebiedsvisie = Plan op hoofdlijnen voor de waterhuishouding van een gebied. Wordt ook raamwaterplan genoemd. Daarin is op hoofdlijnen beschreven welke opgave in het watersysteem de komende jaren in deelplannen aangepakt gaan worden om het waterbeheer robuust, duurzaam en toekomstbestendig in te richten. Daarbij wordt vaak een conserverend peilbesluit genomen, waarbij de praktijksituatie wordt vastgesteld.

  • Gebiedsvreemd water = Water dat van elders in een (peil)gebied wordt ingelaten. Dit water heeft meestal een waterkwaliteit die niet van nature voorkomt in dit (peil)gebied

  • Grondwaterlichaam = Een samenhangende grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen.

  • Grondwaterstand = De diepte van het grondwater onder maaiveld. De grondwaterstand varieert door het jaar heen onder invloed van neerslag en verdamping en is over het algemeen in de winter hoger (door een neerslagoverschot) en in de zomer lager (door een verdampingsoverschot)

  • GS = Gedeputeerde staten (van provincie)

  • Hoogwatervoorziening = Gebied rond bebouwing waarvan in het peilbesluit is aangegeven dat ten behoeve van de bescherming van de fundering het oppervlaktewaterpeil op een hoger peil wordt gehouden dan het omringende gebied.

  • Inlaten = Laten instromen van water in een gebied. De bedoeling is meestal om de waterstand in een gebied op peil te houden, de waterkwaliteit te verbeteren of de waterstand aan te passen aan gewenste productieomstandigheden.

  • Infiltratiesysteem = Het met behulp van drainagebuizen kunstmatig ontwateren van de bodem, of het brengen van oppervlaktewater in de bodem. De drainagebuizen liggen onderwater. In de winterperiode draineren de drainagebuizen en in de zomerperiode brengen de drainagebuizen oppervlaktewater in de bodem. Ook wel onderwaterdrainage genoemd.

  • Kaderrichtlijn Water (KRW) = Europese richtlijn die ervoor moet zorgen dat kwaliteit en ecologie van het oppervlakte- en grondwater in de nabije toekomst op orde is. De maatregelen die genomen moeten worden, zijn samengebracht in het stroomgebiedbeheerplan voor de Rijn 2016-2021.

  • Keur = Verordening van het waterschap met regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen, watersystemen, kunstwerken en grondwater.

  • Kritisch bodemtype = Meest kwetsbaar bodemtype voor bodemdaling: veen is het meest kwetsbaar, klei het minst.

  • KRW = Kaderrichtlijn Water

  • KWA = Kleinschalige Wateraanvoer

  • KWA+ = Klimaatbestendige Wateraanvoer

  • Kwel (water) = Kwel is grondwater dat onder druk uit de bodem aan het oppervlak komt of grondwater dat onder druk, van een lager gelegen bodemlaag naar een hogere gelegen bodemlaag verplaatst.

  • Laag zomer- en hoog winterpeil = Vast laag zomerpeil en hoog winterpeil. Dit is een natuurlijker peil dan het veel gehanteerde (hoog) zomer- en (laag) winterpeil

  • Legger = Openbaar register van de beheerder als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet en/of artikel 78 van de Waterschapswet, inclusief leggerkaart, waarin onderhoudsplicht en de vereiste onderhoudstoestand (profiel) van waterstaatswerken staan aangegeven, alsmede de beschermingszones.

  • Maaivelddaling = Zie bodemdaling

  • m.e.r. = Milieueffectrapportage

  • N2000 = Natura2000, netwerk van natuurgebieden

  • Nachtvorstschade-bestrijding = Voorkomen van schade aan bloesem van fruitteelt in het voorjaar bij nachtvorst, door middel van beregening uit het oppervlaktewater.

  • NAP = Normaal Amsterdams Peil, het peil ten opzichte waarvan waterpeilen worden uitgedrukt

  • Natuurlijk peil = Waterpeil dat niet wordt gestuurd of met alleen een bovengrens (zonder ondergrens)

  • Natuurlijk peilbeheer = Bij natuurlijk peilbeheer is eigenlijk geen sprake van beheer, maar van het vrij laten van het waterpeil (dus zonder een boven- of ondergrens). Op dit moment wordt dit niet toegepast bij het waterschap.

  • Onderbemaling = Een gebied waarin door middel van een werk (pomp, schuif e.d.) een lager peil wordt gehandhaafd dan het in het peilbesluit vastgelegde peil.

  • Onderhoud = Gewoon onderhoud omvat a) het verwijderen van voorwerpen, materialen en stoffen die de afvoer, aanvoer en/of berging van water hinderen, b) schonen (maaien en indien nodig verwijderen van begroeiing) en c) het in stand houden van oevers, taluds en bijbehorende verdedigingswerken. Zie voor de uitgebreide uitleg de legger.

  • Onderwaterdrainage = Zie infiltratiesysteem.

  • Ontwateringsdiepte = Verschil tussen het maaiveld en het (gemiddeld hoogste) grondwaterpeil.

  • Opmaling = Het door middel van een werk (pomp, inlaat, stuw e.d.) handhaven van een hoger peil dan het in het peilbesluit vastgelegde peil.

  • Peilafwijking = Op- en onderbemalingen. Dit zijn afwijkingen van de waterstanden in het peilbesluit waarvoor een vergunning is afgegeven door het waterschap of die als zodanig in het peilbesluit zijn opgenomen.

  • Peilbeheer = Het vaststellen en handhaven van het waterpeil in rivieren, beken en sloten. Verschillende vormen van peilbeheer zijn mogelijk.

  • Peilbeheer, dynamisch = Zie “dynamisch peilbeheer”

  • Peilbeheer, flexibel = Zie “flexibel peilbeheer”

  • Peilbeheer, natuurlijk = Zie “natuurlijk peilbeheer”

  • Peilbesluit = Een besluit van de beheerder op grond van artikel 5.2 van de Waterwet, waarbij waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, zijn vastgesteld, die gedurende de daarin aangegeven periode worden nagestreefd. Het peilbesluit bestaat uit een tabel met waterpeilen, een peilbesluitkaart en een toelichting.

  • Peilbesluit, conserverend = Zie “conserverend peilbesluit”

  • Peilfasering = Het in stappen verlagen van het slootpeil.

  • Peilgebied = Cluster van gebieden waarin één en hetzelfde peil wordt nagestreefd, zoals vastgelegd in het peilbesluit voor dat gebied.

  • Peilindexatie = Zie peilaanpassing.

  • Peilaanpassing = Neerwaartse bijstelling van het waterpeil ten opzichte van voorgaande peilbesluiten. Bij peilaanpassing wordt de natuurlijke maaivelddaling gevolgd. De drooglegging verandert niet ten opzichte van voorgaande peilbesluiten.

  • Peilwijziging = Neerwaartse of opwaartse bijstelling van het waterpeil ten opzichte van voorgaande peilbesluit. De drooglegging verandert (wordt groter of kleiner) ten opzichte van voorgaande peilbesluiten.

  • Peilverandering = Elke mogelijke verandering (verhoging of verlaging) van het peil, dus een peilwijziging of een peilindexatie/peilaanpassing.

  • Praktijkpeil = Waterstand die werkelijk in een watergang aanwezig is, afgelezen van de peilschaal.

  • Primaire watergang = Watergangen die van overwegend belang zijn voor de waterbeheersing. Ook wel hoofdwatergang. Deze zijn in beheer en vaak ook in eigendom van het waterschap.

  • Raamwaterplan = Zie gebiedsvisie.

  • Regionale waterkering = Een waterkering, aangewezen op grond van een provinciale verordening en opgenomen in de Legger van het waterschap. Deze keringen bieden overwegend bescherming tegen overstroming vanuit binnenwater.

  • Robuust en duurzaam watersysteem = Een watersysteem dat weerstand en veerkracht heeft (het watersysteem kan tegenstand bieden aan en herstellen van problemen, flexibel is voor het aanpassen aan toekomstige situatie zoals klimaatverandering en zowel nu als op lange termijn betaalbaar en beheerbaar is.

  • Secundaire watergang = Oppervlaktewater dat van beperkt belang is voor de waterbeheersing.

  • Streefpeil = De in het peilbesluit opgenomen na te streven oppervlaktewaterstand.

  • Sturingsmarge = Een tijdelijke afwijking van het peil uit het peilbesluit, groter dan de beheermarge, en bedoeld om te kunnen anticiperen op weersomstandigheden of op een uitzonderlijk grote watervraag zoals bv. voor nachtvorstschadebestrijding.

  • Tertiaire watergang = Alle andere watergangen dan primaire en secundaire watergangen, zoals bijvoorbeeld scheisloten en binnensloten. Deze zijn in beheer en eigendom bij andere partijen dan het waterschap.

  • Vast peil = Een peil dat niet mag variëren

  • Veen = Veen bestaat uit plantaardig materiaal. Er is sprake van een veenbodem wanneer in de bovenste 80 cm van het bodemprofiel minimaal 40 cm veen voorkomt.

  • Veenoxidatie = Het proces waardoor veen in de bodem afbreekt en bodemdaling optreedt.

  • Verdringingsreeks = Volgorde van functies die van water worden voorzien tijdens extreme droogte.

  • Verdroging natuur = Situatie waarbij in een natuurgebied een afname van de hoeveelheid (grond)water of kwel is of de kwaliteit van het (ingelaten) water onvoldoende is voor de natuurwaarden.

  • Vernatting = Verhoging van de grondwaterstand:

  • -actieve peilverhoging, drooglegging actief verkleinen door verhogen waterpeil

  • -passieve vernatting, drooglegging passief laten verkleinen door bodemdaling

  • Versnippering = Het ontstaan van (veel) kleine gebieden met hun eigen watersysteem door het splitsen van peilgebieden of het toestaan van onderbemalingen.

  • Verzilting = Toename van het zoutgehalte in de bodem of water. Dit gebeurt als gevolg van opkwellend zout grondwater of indringing van zeewater via het oppervlaktewatersysteem.

  • Vigerend beleid = Het op dit moment geldende beleid.

  • Wabo = Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

  • Waterbeheerplan = Het beleidskader van het waterschap waarin voor 6 jaar staat hoe het waterschap zorgt voor een duurzaam, schoon en veilig watersysteem. Zie het Waterbeheerplan Waterkoers 2016-2021.

  • Waterkoers = Zie Waterbeheerplan.

  • Waterkwaliteit = Alles dat te maken heeft met de (fysisch-chemische en ecologische) kwaliteit van het water.

  • Waterkwantiteit = Alles dat te maken heeft met de hoeveelheid water en de waterpeilen.

  • Wateropgave Wateroverlast = De maatregelen die nodig zijn om het watersysteem op orde te brengen voor wateroverlast, dat wil zeggen overlast als gevolg van hevige neerslag en/of onvoldoende ontwatering (hier worden dus geen overstromingen als gevolg van een dijkdoorbraak mee bedoeld). Het Programma Omgaan met Wateroverlast is belast met de uitvoering hiervan.

  • Watertekort = Situatie waarin er niet genoeg water aanwezig is om (gebruiks)functies optimaal te bedienen, zoals beregeningswater voor landbouw.

  • Watertoets = Procesinstrument dat door het waterschap wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat andere overheden en instanties voldoende rekening houden met water. De watertoets is van toepassing op alle plannen van deze partijen die gevolgen (kunnen) hebben voor het watersysteem.

  • Wegzijging =Neerwaartse stroming van grondwater.

  • Winterpeil = Een vast peil dat in de winterperiode (meestal september tot april) wordt gehanteerd. De periode wordt in het peilbesluit vastgelegd en mag ook afhangen van de weersgesteldheid.

  • Zomerpeil = Een vast peil dat in de zomerperiode (meestal april tot september) wordt gehanteerd. De periode wordt in het peilbesluit vastgelegd en mag ook afhangen van de weersgesteldheid .

  • Zomer- en winterpeil = Een vast hoog zomerpeil en laag winterpeil (zie ook Winterpeil, Zomerpeil, Laag zomer- en hoog winterpeil)

 

Factsheets beleidsnota peilbeheer

 

Factsheet 0: Eisen aan een peilbesluit

Door de provincie Utrecht worden eisen gesteld aan de inhoud van peilbesluiten. Het peilbesluit bestaat uit de besluittekst, een kaart en een toelichting op het besluit (art 5.2 Waterwet, lid 2 en Waterverordening de Stichtse Rijnlanden art 4.5, lid 1). De volgende paragrafen geven richtlijnen voor de verschillende onderdelen van het peilbesluit.

Peilbesluittekst

In de besluittekst wordt vastgelegd welke typen peilbeheer worden toegepast en wat de beheer- en sturingsmarges zijn. De kaders van de Beleidsnota Peilbeheer vormen de uitgangspunten voor de tekst die in het peilbesluit wordt opgenomen. De tekst van het vastgestelde peilbesluit is het kader voor het actuele peilbeheer.

Toelichting op het peilbesluit

In de toelichting op het peilbesluit wordt het volgende opgenomen:

 

Afwegingen en onderzoeken

Er wordt (verplicht vanuit art 4.5 Waterverordening de Stichtse Rijnlanden) beschreven wat de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken zijn. Van de afweging wordt beschreven welke varianten zijn afgewogen en wat de uitkomst is van de afweging.

 

Waterpeilen

De toelichting geeft een aanduiding van de veranderingen van de waterpeilen ten opzichte van de bestaande situatie (verplicht vanuit de Waterverordening de Stichtse Rijnlanden, art 4.5).

 

Gevolgen voor belangen

Ook wordt beschreven wat de gevolgen zijn van de te handhaven waterpeilen voor de diverse belangen. Belangen komen voort uit grondgebruiksfuncties zoals bebouwing en infrastructuur, landbouw, bosbouw, natuur, recreatie, scheepvaart, cultuurhistorie, archeologie en visserij. In het peilbesluit wordt tenminste onderzoek verricht naar:

  • a.

    hoogteligging en bodemdaling;

  • b.

    bodemgesteldheid;

  • c.

    aanwezigheid kwel/wegzijging;

  • d.

    drooglegging (huidige en gewenste drooglegging);

  • e.

    peil volgens het vigerende (verouderde) peilbesluit en de peilen die gehanteerd worden (praktijkpeil);

  • f.

    nieuwe peilen en de verandering ten opzichte van het praktijkpeil en ten opzichte van het vorige peilbesluitpeil;

  • g.

    inventarisatie op- en onderbemalingen en hoogwatervoorzieningen (locatie, peilen, hoogteligging, aan- en afvoerpunten);

  • h.

    oppervlaktewaterkwaliteit en ecologie;

  • i.

    aanwezigheid kwel/wegzijging;

  • j.

    CO2

 

Welke procedure is gevolgd

Er wordt beschreven welke procedure is gevolgd en op welke manier de belanghebbenden en organisaties zijn geïnformeerd en betrokken bij het opstellen van het peilbesluit.

Kaarten bij het peilbesluit

Aan de hoofdkaart bij het peilbesluit worden eisen gesteld door de provincie. De kaart behorende bij het peilbesluit moet een schaal van 1:10.000 hebben, waarop wordt aangegeven:

  • a.

    de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft;

  • b.

    de begrenzing van afzonderlijke peilgebieden en oppervlaktewaterpeilen per peilgebied;

  • c.

    de peilafwijkingen (op- en onderbemalingen);

  • d.

    de plaats en capaciteit van gemalen;

  • e.

    het overzicht en de locatie van peilregulerende kunstwerken;

  • f.

    de inlaatpunten;

  • g.

    de locatie van de peilschalen.

 

Voor definitieve vaststelling van het peilbesluit moet de uiteindelijke peilbesluitkaart worden ondertekend door de dijkgraaf en de secretaris-directeur.

 

Naast deze hoofdkaart wordt er nog een aantal andere kaarten opgenomen in een peilbesluit, waaronder minimaal de verschilkaart (waar verandert een waterpeil), de droogleggingskaart en een overzichtskaart van de ligging. Vaak wordt ook een kaart opgenomen met de maaiveldhoogte.

 

Factsheet 01: Het wel of niet opstellen van een peilbesluit

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Het waterschap stelt voor oppervlaktewaterlichamen die in haar beheer zijn een peilbesluit vast, inclusief die in de uiterwaarden.

  • 2.

    Het waterschap zal geen peilbesluiten voor grondwaterlichamen vaststellen. Grondwater wordt als belang meegenomen in een peilbesluit.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Inzicht geven voor welke gebieden het waterschap wel of juist niet een peilbesluit opstelt.

 

Toelichting:

In artikel 4.4 Waterverordening Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden 2009 is bepaald voor welke oppervlaktewaterlichamen in haar beheer het waterschap peilbesluiten op moet stellen. Een aantal gebieden valt hier niet onder; het betreft de uiterwaarden langs de Lek en delen van de Utrechtse Heuvelrug. Voor de uiterwaarden heeft het waterschap zelf het besluit genomen om peilbesluiten op te stellen.

 

De Waterwet biedt de mogelijkheid om ook grondwaterpeilbesluiten vast te stellen, maar verplicht het niet. Ook vanuit de provinciale verordening is het waterschap er niet aan gehouden om het te doen. Een peilbesluit brengt een inspanningsverplichting met zich mee. De grondwaterstand is via het oppervlaktewaterpeil echter moeilijk te sturen en de verantwoordelijkheid voor ontwateringsvoorzieningen ligt vaak primair bij private partijen.

Het waterschap neemt grondwater als belang mee in de afweging van het peil en peilbeheer. Daarnaast worden meldingen van grondwateroverlast of tekort meegenomen. Het waterschap verplicht zichzelf niet tot het nemen van maatregelen daar waar zij niet zelf verantwoordelijk is voor het grondwater.

 

Factsheet 02: Vergunning of wijziging peilbesluit

Beleidsuitgangspunten:

1. Wanneer het in de looptijd van een peilbesluit wenselijk is om onderdelen van het peilbesluit te wijzigen, kan het peilbesluit worden gewijzigd of middels een vergunning worden toegestaan.

a. Als het waterschap het peil en de peil regulerende kunstwerken, direct of naderhand, gaat beheren dan moet het peilbesluit worden gewijzigd en bestuurlijk worden vastgesteld.

b. Met betrekking tot peilwijzigingen kan alleen een vergunning worden aangevraagd als de vergunninghouder of een partij, niet-zijnde het waterschap, de gewijzigde peilen en de peil regulerende kunstwerken gaat beheren (zie ook factsheet 19).

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Deze beleidsuitgangspunten beschrijven binnen welke omstandigheden een verzoek tot peilwijziging vergunningsplichtig is en onder welke omstandigheden het peilbesluit moet worden gewijzigd. Hiermee wordt gehandeld conform wet- en regelgeving zoals de Waterwet en de Provinciale Verordening.

 

Toelichting:

Gedurende de looptijd van een peilbesluit is het mogelijk dat er behoefte ontstaat aan een (gedeeltelijke) wijziging op een vastgestelde peil. Om te toetsen of het mogelijk is om een vastgesteld peil daadwerkelijk te wijzigen bestaan twee procedures: een vergunningaanvraag en een wijziging van het peilbesluit. Het afwegingskader voor de vergunningen is vastgelegd in de Beleidsregels bij de Keur.

 

De procedure van het herzien van een peilbesluit zijn beschreven in de hoofdstuk 4.

 

In de Waterwet en de Provinciale Verordening is vastgelegd dat het waterschap geen vergunning mag verlenen aan zichzelf. Een wijziging van het peil op initiatief van het waterschap en een wijziging waar het waterschap het beheer voert over de peilen en de peil regulerende kunstwerken moeten worden doorlopen via de procedure om het desbetreffende peilbesluit te wijzigen. Dit houdt in dat het wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur.

 

Factsheet 03: Peilbeheer in stedelijk gebied

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    In (bestaand) stedelijk gebied worden peilbesluiten in nauw overleg met de grondwaterbeheerder (de gemeente) opgesteld.

  • 2.

    Voor de lintbebouwing en kleine dorpskernen buiten de rode contour en binnen een hoogwatervoorziening wordt verwezen naar factsheet 18.

  • 3.

    Voor de lintbebouwing en kleine dorpskernen buiten het veenweidegebied en buiten de rode contouren wordt gestreefd naar een drooglegging van 70 tot 100 cm.

  • 4.

    Bij nieuw te realiseren woonwijken verlaagt het waterschap het waterpeil niet als het enige doel is om voldoende drooglegging te creëren.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Een uniform en transparant beleid voor het waterbeheer in stedelijk gebied.

 

Toelichting:

Het stedelijk gebied zoals de (groot) stedelijke kernen Utrecht, Nieuwegein en Houten, wordt weergegeven op figuur 2. Binnen de provincie Utrecht kunnen de rode contouren als grens worden gebruikt. De provincie Zuid- Holland heeft deze echter niet.

 

De gewenste drooglegging en het peilbeheer in stedelijk gebied worden in overleg met de gemeente bepaald. In bestaand bebouwd gebied is door beperkte ruimte en aanwezige gebruiksfuncties (funderingen, drainage, infrastructuur) vaak weinig mogelijkheid om met peilen te fluctueren. Vaak wordt er een vast peil gehanteerd.

 

Figuur 2 Globale aanduiding van het stedelijk gebied (rode vlakken)

 

Voor riooloverstorten en drainage is het van belang dat deze goed kunnen afwateren op het oppervlaktewater. In overleg met de gemeente worden de locatie en de aanleghoogten van riooloverstorten en drainagemiddelen meegenomen in de afweging. Ook wordt -in het belang van ecologie en waterkwaliteit- erop gelet of duikers voldoende lucht houden en of natuurvriendelijke oevers goed kunnen blijven functioneren.

 

In sommige gebieden bestaat de wens om het peil bij te stellen, met speciale aandacht voor de voorkomende funderingstypen (houten paalfunderingen zijn bijvoorbeeld gevoelig voor houtrot als gevolg van droogvallen) en ondergrondse infrastructuur. Het waterschap streeft ernaar voldoende drooglegging te creëren voor de vereiste ontwateringsdiepte, ervan uitgaande dat gemeente en/of perceeleigenaar zorgen voor de benodigde ontwateringsmiddelen (drainage).

 

Vanwege onbekendheid met de bodemsamenstelling is het lang niet altijd mogelijk om een duidelijke relatie tussen het oppervlakte-waterpeil (ofwel de drooglegging) en de ontwateringsdiepte af te leiden en de rol die drainage hierin speelt. Vaak wordt uitgegaan van de bestaande praktijkpeilen met als uitgangspunt dat, als er geen klachten zijn, de situatie niet hoeft te wijzigen.

 

Figuur 3 Een geschetste weergave van ontwateringsdiepte, drooglegging en drainage.

 

Beleidsuitgangspunten voor lintbebouwing en kleine dorpskernen in hoogwatervoorzieningen en buiten de rode contour zijn uitgewerkt in factsheet 18. Voor overige lintbebouwing hanteert het waterschap een drooglegging van 70 tot 100 cm (zie factsheet 7).

 

Bij nieuw te realiseren woonwijken wordt in principe uitgegaan van het peil genoemd in het peilbesluit. Het waterschap gaat ervan uit dat in nieuwe woonwijken de gemeente/ontwikkelaar zorgt voor de benodigde ontwateringsmiddelen. Het waterschap verlaagt het waterpeil bij nieuw te realiseren woonwijken niet als het enige doel is om voldoende drooglegging te creëren. Meestal betekent dit dat het maaiveld moet worden opgehoogd, of er kan worden gekozen voor kruipruimteloos of waterdicht bouwen. Voor nieuw aan te leggen stedelijk gebied en infrastructuur worden afspraken over waterpeilen met de gemeente standaard via het watertoetsproces gemaakt.

 

Factsheet 04: Gegevensgebruik

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Voor elk peilbesluit wordt in de toelichting aangegeven welke gegevens zijn gebruikt bij het opstellen.

  • 2.

    Tijdens het opstellen van een peilbesluit worden altijd de op dat moment meest recente gegevens gebruikt.

  • 3.

    Bij de keuze tussen de diverse methoden om in het kader van een peilbesluit de actuele en optimale situatie te bepalen geldt altijd dat de minst bewerkelijke methoden volstaan, tenzij het gebiedsproces en de aanwezige belangen een grotere nauwkeurigheid of detaillering van de informatie vereisen.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Doel is om helderheid te verschaffen over hoe om te gaan met gegevens en data tijdens het opstellen van een peilbesluit.

 

Toelichting:

Ad 1: voor elk peilbesluit wordt in de bijbehorende toelichting kort aangegeven welk beleid kaders geeft voor grond- en oppervlaktewaterpeilen en peilbeheer, welke procedure is gevolgd, welke gegevens zijn gebruikt en hoe de afweging is uitgevoerd.

 

Ad 2: tijdens het opstellen van een peilbesluit worden de meest recente gegevens gebruikt (naast interne systeemgegevens zijn dit o.a. de bodemkaart en het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) maar ook maaiveldgegevens over bodemdaling). Op basis daarvan worden alle afspraken vastgelegd, zoals bijvoorbeeld over peilindexatie tbv maaivelddaling.

Gegevens die later, tijdens de looptijd van het peilbesluit, verschijnen, worden niet gebruikt om de gemaakte afspraken te herzien. Tijdens de evaluatie van het peilbesluit worden echter wél weer de op dat moment meest actuele gegevens gebruikt.

 

Ad 3: vanuit kostenbeheersing is het belangrijk om steeds te kijken of het detailniveau van het gegevensgebruik en de bewerkelijkheid van de (reken)methoden in overeenstemming is met wat het gebiedsproces vraagt. Hoe complexer de vraagstukken en hoe groter de belangen-tegenstellingen, hoe meer het gerechtvaardigd is om nauwkeurige en gedetailleerde (en daarmee kostbare) berekeningen en analyses te doen.

 

Factsheet 05: Peilbeheer en functie afweging

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Het is niet altijd doelmatig elke functie met een eigen peilgebied te faciliteren. Ten behoeve van een robuust watersysteem kan er voor worden gekozen het peilgebied als geheel intact te laten en daar een peil voor te bepalen (zie factsheet 8).

  • 2.

    Bij de afweging van het peil wordt rekening gehouden met elke functie waarvan het oppervlak uit meer dan 10% van het oppervlak van het betreffende peilgebied bestaat. Natura 2000 gebieden vormen een uitzondering: hiervoor worden de gewenste peilen vastgesteld.

  • 3.

    Voor de functies wordt gestuurd op drooglegging (zie factsheet 7). Het verzorgen van de gewenste ontwatering en grondwaterstanden op eigen gronden is voor verantwoordelijkheid van de grondeigenaar (zie factsheet 1).

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Deze beleidsuitgangspunten geven richting in de afweging die moet worden gemaakt als er meerdere functies zijn in een peilgebied. De afweging geeft invulling aan de doelstellingen van het waterschap voor een robuust watersysteem.

 

Toelichting:

In het beheergebied van het waterschap komt in toenemende mate voor dat er verscheidene functies (natuur, grasland, akkerbouw, bebouwing, enz.) versnipperd door elkaar heen liggen. Elke functie heeft eigen wensen betreffende het peil en het peilbeheer. Daar waar deze wensen overeenkomen ontstaat er geen frictie over het te hanteren peil(beheer). Het komt echter ook voor dat de wensen voor het peilbeheer afwijken, zodat er in een peilbesluit een gedegen afwegen moet worden gemaakt over de vast te stellen peilen. Ten behoeve van een robuust watersysteem kan het isoleren van de functies, waarmee elke functie een eigen peilgebied en peil krijgt, niet altijd een oplossing bieden (zie factsheet 8). Het opknippen van gebieden kan negatieve impact hebben op wateroverlast, waterbeschikbaarheid, vispasseerbaarheid, beheerbaarheid, enzovoort. Omdat het isoleren van functies niet altijd kan of wenselijk is, wordt bij meerdere functies in één peilgebied een afweging voor het peil gedaan.

 

Een uitzondering op bovenstaande geldt bij de aanwezigheid van een Natura 2000 gebied. Natura 2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden verspreid over de Europese Unie. Onderdeel van het netwerk zijn de gebieden van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen zijn weer verwerkt in de Wet Natuurbescherming. Er liggen drie Natura 2000 gebieden in het beheergebied van het waterschap. Waterschappen zijn verplicht om ervoor te zorgen dat de waterhuishouding in deze gebieden wordt aangepast aan de gewenste hydrologische situatie. Indien er binnen een peilgebied een Natura 2000 gebied aanwezig is zal het peil(beheer) daar aan worden aangepast.

 

Bij het afwegen van een peil worden functies die voor meer dan 20% van het oppervlak van een peilgebied aanwezig zijn meegenomen. Hiermee kan het waterschap de belangrijkste aanwezige functies faciliteren en wordt voorkomen dat deze nadeel ondervinden van functies met afwijkende wensen voor het peil(beheer) die maar zeer beperkt voorkomen.

 

Voor de functies die meer dan 10% van het oppervlak van een peilgebied beslaan worden de gewenste peilen bepaald op basis van de droogleggingsnormen. Indien er voor deze functies geen gezamenlijk eenduidig peil voor het peilgebied kan worden bepaald, kan het bestuur kiezen om voorrang te geven aan een van de aanwezige functies, dan wel te kiezen voor een evenwichtig compromis.

 

Voor de hoogwatervoorzieningen, die in essentie de functie bebouwing scheiden van de agrarische functie, zijn in factsheet 18 beleidsuitgangspunten en bijbehorende toelichting opgenomen.

 

Voor particulieren die op eigen initiatief en in eigen beheer een afwijkend peil willen is er de mogelijkheid een peilafwijking, zoals beschreven in factsheet 19, in te stellen.

 

Factsheet 06: Schade en nadeelcompensatie

Beleidsuitgangspunt:

  • 1.

    Het waterschap gaat bij de totstandkoming van een peilbesluit in de belangenafweging na of er door een peilverandering schade kan ontstaan en hoe deze kan worden gemitigeerd of voorkomen.

 

Doel van dit beleidsuitgangspunt:

Het doel is om helder te maken hoe het waterschap omgaat met situaties waarin door het opstellen van een peilbesluit schade zou kunnen ontstaan. Hierbij geldt in beginsel het uitgangspunt dat eigenaren en gebruikers van gronden, gebouwen en voorzieningen zelf verantwoordelijk zijn voor het nemen van maatregelen op eigen perceel.

 

Toelichting:

Het waterschap maakt bij het opstellen van peilbesluiten steeds een zorgvuldige afweging van belangen overeenkomstig artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. In principe zal er slechts tot verandering van waterpeilen worden besloten wanneer daar vanuit verandering van functie of vanuit zwaarwegende maatschappelijke belangen (zoals bijvoorbeeld het volgen of juist het remmen van bodemdaling) aanleiding voor is. Door het doorvoeren van veranderingen in de uitvoering van een peilbesluit kan schade ontstaan. Denk daarbij aan bijvoorbeeld:

  • Zakkingsschade (inklinken, krimp, oxidatie of zetting)

  • Vernattingsschade

  • Droogteschade

  • Ecologische schade

 

Er kan sprake zijn van zakkingsschade door veenoxidatie in het veenweidegebied en vernattingsschade (bijvoorbeeld landbouwgebieden dichtbij natuurgebieden en in de toekomst door minder peilaanpassing aan de bodemdaling in het veenweidegebied).

 

Bij rechtmatig genomen peilbesluiten met een zorgvuldige belangenafweging zijn er drie stappen te onderscheiden:

  • a.

    In beginsel is de huis/perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor zijn huis/perceel grond;

  • b.

    Er is schade die onder het normaal maatschappelijk risico/normaal bedrijfsrisico valt (bv. het wonen in het veenweidegebied/agrarische gronden in het veenweidegebied/vlakbij een natuurgebied);

  • c.

    Alleen schade boven het normaal maatschappelijk risico kan bij een peilverandering, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, voor nadeelcompensatie in aanmerking komen. De schade kan ook beperkt worden door het nemen van mitigerende maatregelen.

 

In dit kader is het ook belangrijk om de volgende termen duidelijk te onderscheiden:

  • a.

    Peilverandering: dit is de algemene term voor het instellen van een ander peil, kan een peilverlaging of peilverhoging zijn;

  • b.

    Peilaanpassing: een peilverlaging in het veenweidegebied die de bodemdaling volgt (ook wel peilindexatie genoemd);

  • c.

    Peilwijziging: een peilverlaging in het veenweidegebied die groter of kleiner dan de bodemdaling is, OF een peilverhoging of peilverlaging buiten het veenweidegebied.

 

Schade die optreedt als gevolg van peilaanpassing wordt geacht te horen tot het normaal maatschappelijk risico, het wonen in een gebied met bodemdaling brengt dit nou eenmaal met zich mee.

 

Bij peilwijzigingen, of het nou gaat om peilverlagingen die groter (of kleiner) dan de bodemdaling zijn, of om peilverhogingen (binnen of buiten het veenweidegebied), wordt de kans op schade in beeld gebracht. In het geval van schade die niet onder het normaal maatschappelijk risico valt, wordt onderzocht hoe deze voorkomen/gemitigeerd kan worden.

 

Wanneer schade boven het normaal maatschappelijk risico niet voorkomen of gemitigeerd kan worden en ook niet op een andere manier is verzekerd en iemand wil voor schadevergoeding door het waterschap in aanmerking komen, dan kan hiervoor een verzoek bij het waterschap worden gedaan op basis van artikel 7.14 van de Waterwet.

 

Factsheet 07: Droogleggingsnormen

Beleidsuitgangspunt:

  • 1.

    Bij het opstellen van peilbesluiten worden droogleggingsnormen gebruikt. Voor elke combinatie van functie en bodemtype geldt een specifieke norm. De normen zijn opgenomen in tabel 1.

    • a.

      De afweging bij meerdere type functies en/of bodemtypen is opgenomen in factsheet 05.

    • b.

      De droogleggingsnormen in veen en klei-op-veen gebieden zijn in factsheet 15 opgenomen.

 

Doel:

Deze beleidsuitgangspunten geven richting aan de drooglegging in een peilgebied. De gewenste drooglegging is afhankelijk van de functie en het bodemtype.

 

Tabel 1:

 

Functie

Bodemtype

Natuur

Grasland

Akkerbouw

Fruitteelt

Bebouwing

Infrastructuur

Veen & Klei-op-veen

Zie factsheet 15. Deze drooglegging geldt ongeacht de functie. Functies met grote drooglegging worden niet gefaciliteerd.

Klei

Overleg met beheerder voor optimaal peil

70 – 100

120 – 130

120 – 130

70 – 100

Het gaat hier om een bandbreedte, per situatie worden met de gemeente maatwerkafspraken gemaakt over de drooglegging. Hierbij wordt rekening gehouden met houten funderingen.

Zavel

60-90

90-110

100-110

Zand

50-80

90-100

90-100

 

Toelichting:

Drooglegging en droogleggingsnorm

De drooglegging is het verschil tussen de gemiddelde maaiveldhoogte en het oppervlaktewaterpeil. Een bepaalde drooglegging kan grote invloed hebben op het watersysteem: een geringe drooglegging (hoog waterpeil) zorgt o.a. voor een natte omgeving en onvoldoende waterberging in het watersysteem, terwijl een grote drooglegging (laag waterpeil) o.a. zorgt voor een droge omgeving met mogelijke zettingen, droogte en/of gewasschade als gevolg.

De drooglegging van een gebied is één van de belangrijkste criteria voor het bepalen van het waterpeil. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de droogleggingsnormen. De droogleggingsnormen zijn afhankelijk van de functie en het bodemtype (zie tabel 1). Uiteindelijk wordt voor elk peilgebied een waterpeil en daarmee een gemiddelde drooglegging vastgesteld.

 

Ontwateringsdiepte

Middels het peilbeheer kan gestuurd worden op de gewenste drooglegging. De invloed van het oppervlaktewaterpeil heeft echter weinig invloed op de grondwaterstand verder van de oppervlaktewaterlichamen af of in gebieden met veel hoogte verschil (zoals op en langs de Utrechtse Heuvelrug). Het verschil tussen de grondwaterstand en het maaiveld, de zogeheten ontwateringsdiepte, wordt beperkt beïnvloed door het peilbeheer van het waterschap. Grondeigenaren zijn daarom zelf verantwoordelijk voor het grondwater (de ontwateringsdiepte) op hun perceel. Een manier om invloed uit te oefenen op de ontwateringsdiepte is middels het gebruik van ontwateringsmiddelen (bijvoorbeeld drainage).

 

Veen en Klei-op-veen

In veen en klei-op-veen gebieden is een beperkte drooglegging van belang voor het remmen van de veenoxidatie, zodat de bodem minder daalt en er tevens minder CO2 uitstoot is. De drooglegging in deze gebieden zal tot 2050 worden verkleind, zoals is vastgelegd in factsheet 15.

 

Natuur

Het gewenste peilbeheer en de bijbehorende drooglegging in natuurgebieden is sterk afhankelijk van de natuurdoeltypen. In een peilgebied met natuur zal met de terrein-beherende organisatie (TBO) of particuliere beheerder overlegd worden welk peilbeheer het beste past bij de situatie. Vervolgens maakt het waterschap de afweging wat het uiteindelijke peil moet zijn, mede in relatie tot andere functies.

Tussen natuur- en landbouwgebieden worden vaak bufferzones gerealiseerd. In deze zones wordt een peil ingesteld dat tussen de peilen van het natuurgebied en het landbouwgebied in zit. Deze bufferzones zijn gebieden waarin niet aan de droogleggingsnormen voor landbouw kan worden voldaan.

 

Grasland, Akkerbouw & Fruitteelt

Voor grasland, akkerbouw en fruitteelt is de gewenste drooglegging afhankelijk van het bodemtype. Voor iedere functie is er ook een verschil in droogleggingsbehoefte. Grasland heeft een minder grote drooglegging nodig dan akkerbouw en fruitteelt. Zo is er per functie en per bodemtype een andere droogleggingsnorm (zie tabel 1).

 

Bebouwing & Infrastructuur

In bestaand stedelijk gebied wordt getoetst of het peil nog passend is. Vaak is het oppervlaktewaterpeil speciaal ontworpen voor de woonwijk en daarmee passend voor de lokale situatie. Over het algemeen geldt voor bebouwing, buiten het veenweidegebied, een drooglegging van 70 cm tot 100 cm. Deze drooglegging is echter afhankelijk van de wijze van bouwen. Met name in het westelijk veenweidegebied, waar de huizen vaak gefundeerd zijn op houten palen is het voor het behoud van de fundering vereist dat deze palen permanent in het (grond)water staan. In de betreffende peilbesluiten wordt aangegeven in hoeverre hier in het peilbesluit rekening mee is gehouden. Infrastructuur wordt vaak verhoogd aangelegd, waardoor de drooglegging voldoet aan de eisen. Bij een voorgestelde afname aan drooglegging moet in het peilbesluit meegenomen worden of de drooglegging van de infrastructuur blijft voldoen aan de norm.

 

Factsheet 08: Afweging peilgebiedsgrootte

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    De afweging van de peilgebiedsgrootte is altijd maatwerk.

  • 2.

    Bij peilbesluiten wordt, met name in het veenweidegebied en indien functies, grondgebruik en waterkwaliteit & ecologie het toelaten, gestreefd naar het zo klein mogelijk houden van het aantal peilgebieden.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Deze beleidsuitgangspunten geven richting aan de afwegingen die moeten worden gemaakt bij het bepalen van de peilgebiedsgrootte en bij het meenemen van duurzaamheidsaspecten daarin.

 

Toelichting:

Een watersysteem is robuust, onder andere wanneer het klimaatbestendig is en flexibiliteit en veerkracht heeft. Per gebied kan dat iets anders betekenen voor de indeling van peilgebieden. Als het gaat om opvangen van grotere hoeveelheden neerslag en piekbuien, dan is in gebieden zoals het veenweide een groot peilgebied gunstiger dan wanneer het opgeknipt zou zijn in meerdere kleintjes. In gebieden met meer hoogteverschillen kunnen meerdere kleine peilgebieden qua klimaatbestendigheid echter net zo robuust of zelfs robuuster zijn. Zeker wanneer de kunstwerken zijn geautomatiseerd. Flexibiliteit en veerkracht van het watersysteem zijn in dat geval dus ook minstens zo groot als bij grote peilgebieden in vlak terrein.

 

Ad 1. Voor het afwegen van de peilgebiedsgrootte bestaan de volgende mogelijkheden:

  • Peilgebieden vergroten/samenvoegen;

  • Behouden van dezelfde peilgebiedsgrootte en daarbij:

    • Toestaan van een onderbemaling/opmaling;

    • Toestaan van grotere of kleinere drooglegging dan weergegeven in factsheet 07.

  • Creëren van een extra peilgebied door het isoleren van een functie van de rest van het peilgebied (opknippen). Het gaat altijd om een maatwerkoplossing, omdat er veel aspecten meespelen bij het bepalen van wat in een specifieke situatie de optimale peilgebiedsgrootte is. In de analyse spelen onder andere de volgende aspecten een rol:

  • Het aantal peilafwijkingen (onder- en opmalingen) wordt zo klein mogelijk gehouden en zonodig uitgefaseerd;

  • In veenweidegebied wordt terughoudend omgegaan met het opknippen van peilgebieden;

  • Bij een klein verschil in maaiveldhoogte binnen een peilgebied zal niet snel worden besloten voor opknippen;

  • Wanneer toekomstige ontwikkelingen worden verwacht (bijvoorbeeld het realiseren van een woonwijk) kunnen beslissingen over het opknippen van peilgebieden een paar jaar worden uitgesteld om tegelijk met die toekomstige ontwikkeling te worden meegenomen. Dit kan dan later via een wijziging van het peilbesluit worden aangepast;

  • Voor verbetering van de vispasseerbaarheid en de waterkwaliteit worden zo min mogelijk peilgebieden opgeknipt;

  • Voor het beschermen van bepaalde vissoorten kan het juist zinvol zijn om peilgebieden op te knippen;

  • Voor klimaatbestendigheid wordt afgewogen welke situatie het meest robuust en flexibel is en het minst afhankelijk van inlaatwater;

  • Beheerbaarheid vraagt in het ene geval om zo min mogelijk opknippen en in het andere geval om het isoleren van functies;

  • Lokale belangen en wensen kunnen invloed hebben op de indeling van peilgebieden;

  • Verschillende oplossingen hebben verschillende kosten en baten, dit wordt ook afgewogen;

 

Ad 2: Het waterschap streeft er in bepaalde omstandigheden naar het aantal peilgebieden zo klein mogelijk te houden, om een aantal redenen:

  • Kosten: de kosten van een versnipperd systeem zijn vaak hoger;

  • Beheerbaarheid: robuuste (grote) eenheden zijn over het algemeen gemakkelijker te bedienen;

  • Remmen bodemdaling: grote eenheden bieden op termijn meer mogelijkheden voor het remmen van bodemdaling. Daarom is het in het veenweidegebied verstandig om te streven naar grote(re) eenheden. Binnen grote eenheden is het mogelijk op termijn zo veel mogelijk de hoge delen te gebruiken voor droge teelten en de lage delen voor natte teelten. Daardoor is veel minder ontwatering nodig, en wordt bodemdaling geremd;

  • Landbouw: ook op langere termijn goede productieomstandigheden voor landbouw bieden door te helpen zoeken naar aangepaste teelten;

  • Veiligheid: wanneer de bodemdaling remt, komt dat de veiligheid ten goede;

  • Klimaatbestendigheid: robuustere eenheden kunnen in vlakke gebieden zoals veenweidegebied beter extremen opvangen dan een opgeknipt gebied;

  • Ecologie: in een opgeknipt gebied kunnen vissen niet migreren.

 

Factsheet 09: Waterkwaliteit en ecologie

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    In elk peilbesluit worden de ecologische aspecten, de toestand van de waterkwaliteit, evenals de effecten van peilwijzigingen en andere maatregelen hierop, meegenomen in de afweging van het peil.

  • 2.

    Ook wordt afgewogen of de toepassing van flexibel peilbeheer zinvol is en of er peilbeheer-gerelateerde maatregelen uit het Programma Gezond Water en de watersysteemanalyses kunnen worden toegepast.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Doel is om met het peilbeheer optimaal bij te dragen aan het behalen van een goede waterkwaliteit, ecologie en biodiversiteit.

 

Toelichting:

Hieronder worden een aantal externe en interne kaders en ontwikkelingen genoemd voor waterkwaliteit en ecologie waar rekening mee gehouden moet worden bij het opstellen van peilbesluiten:

 

  • Natuurbeheerplannen (provincie): deze vormen het subsidiekader om Europees, rijks- en provinciaal natuur-en landschapsbeleid te realiseren. Dit gebeurt in bestaande en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden met agrarisch natuurbeheer en Natura 2000-gebieden. Per (deel)gebied zijn de nagestreefde natuur-en landschapsdoelen beschreven. Voor de Natura 2000-gebieden moet het peilbeheer afgestemd zijn op deze doelen. De provincie Utrecht en Zuid-Holland actualiseren jaarlijks hun Natuurbeheerplannen. Beide provincies zetten wat water betreft vooral in op het subsidiëren van agrariërs voor Blauwe diensten, in overeenstemming met de KRW-doelen van het waterschap en met het doel een duurzaam, robuust en klimaatbestendig watersysteem te realiseren. De provincie Utrecht stelt dat het oppervlaktewaterpeil zodanig beheerd moet worden dat bovenstaande kan worden bereikt. Het is zaak om bij elk nieuw peilbesluit te onderzoeken welke Agrarische Collectieven subsidies (gaan) ontvangen van de provincie en deze zo nodig mee te nemen in de afwegingen voor aangepaste of nieuwe peilen. Het Natuurbeheerplan 2019 van provincie Utrecht bevat meer mogelijkheden dan voorheen voor weidevogelbeheer rond bestaande weidevogelkerngebieden. Het faciliteren van dit weidevogelbeheer, in samenwerking met de provincies en Agrarische Collectieven, is een aandachtspunt van het waterschapsbestuur. Zie verder factsheet 10 over weidevogels.

  • HDSR, Programma Gezond Water:

    • a.

      Leidend hierin is het KRW-achtergronddocument maatregelen 2016-2021 met, naast de KRW-waterlichamen, specifiek aandacht voor overig water.

    • b.

      Flexibel peilbeheer, gebiedsvreemd water weren, doorspoelen en beperken van uit-en afspoeling worden genoemd als onderdelen van het peilbeheer waarmee de (fysisch-chemische) waterkwaliteit indirect kan worden gestuurd.

    • c.

      Er worden vanuit het programma Gezond Water in het hele beheergebied middels watersysteemanalyses ecologische doelen en bijbehorende maatregelen geformuleerd met daarin aangegeven welke een relatie hebben met peilbeheer. Ook hier wordt flexibel peilbeheer meegenomen. In de komende jaren worden deze doelen en maatregelen in gebiedsprocessen afgewogen en door ons bestuur vastgesteld. Voor toekomstige peilbesluiten zullen deze watersysteemanalyses een belangrijke referentie zijn voor waterkwaliteit en ecologie.

  • HDSR, Programma Veenweide: in de komende jaren worden in het veenweidegebied naar verwachting op grote schaal infiltratiesystemen aangelegd. Een Infiltratiesysteem wordt primair aangelegd om bodemdaling te vertragen. Hierdoor wordt de veenbodem vochtig gehouden waardoor het huidige tempo van bodemdaling met 30% tot 50% wordt geremd. Ook neemt de uitspoeling van vrijkomende nutriënten naar het oppervlaktewater én neemt de CO2 emissie af. Het is echter wel belangrijk dat het infiltratiesysteem goed worden aangelegd. Niet te ondiep, om voldoende bodempassage te houden voor de nutriëntrijke grondwaterstroom vanaf het maaiveld (anders komen er meststoffen in de sloot voordat het door het gras is opgenomen). Maar ook niet te diep, om te voorkomen dat diepere bodemlagen draineren die relatief veel nutriënten kunnen bevatten. Bij de aanleg van de drains wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de aanlegcriteria.

In de pilot Toekomstbestendige polders bij de Vlist (onderdeel van het project Klimaatslim boeren op veen) wordt straks onderzoek gedaan naar het effect van de aanlegdiepte op de kwaliteit. Studies van de WUR zoals ‘Effecten van onderwaterdrains op de waterkwaliteit in veenweiden’ (Hendriks & van de Akker, 2012) bevestigen dat met de juiste dimensionering en diepte van de onderwaterdrains en peilbeheer de waterkwaliteit verbetert. Daarnaast is de maatregel onderwaterdrainage in de bestuursovereenkomst nutriënten in veenweiden 2013-2021 als één van de 13 effectieve nutriëntenmaatregelen benoemd.

Verder ontstaan er door het aanleggen van infiltratiesystemen extra kansen om de kringlopen van het melkveebedrijf sluitend te krijgen. Een meer bewuste goede ‘landbouwpraktijk’ in combinatie met onderwaterdrains (bijvoorbeeld tijdstip van bemesting) en minder vertrapping door het vee levert minder mineralenverliezen op. Bijvoorbeeld doordat de bodem met infiltratiesystemen eerder op temperatuur is in het voorjaar waardoor de meststoffen beter worden opgenomen.

 

Factsheet 10: Weidevogels

Beleidsuitgangspunt:

  • 1.

    Het waterschap weegt het belang van weidevogels in het landelijk gebied mee bij het opstellen van een peilbesluit.

 

Doel van dit beleidsuitgangspunten:

Het waterschap wil bijdragen aan een gezonde populatie weidevogels in haar beheergebied.

 

Toelichting:

Weidevogels zijn vogelsoorten die in graslanden broeden, onder andere de kievit, grutto, tureluur en scholekster. De populaties van deze vogelsoorten zijn de afgelopen decennia fors afgenomen. Het verdwijnen van weidevogels hangt samen met de schaalvergroting en intensivering in de landbouw die vaak gepaard gaat met een verbeterde ontwatering. In het algemeen vertonen foeragerende (maart) en broedende (april) weidevogels juist een voorkeur voor vochtige tot natte graslanden. Het waterschap ondersteunt andere overheden en (agrarische) natuurverenigingen die maatregelen nemen voor de bescherming van de weidevogels. Waar dit gewenst is, kan het waterschap een hoger waterpeil vaststellen. Een hoger slootpeil leidt tot een hogere grondwaterstand in de percelen, weidevogels profiteren hiervan. Belangrijk daarbij is dat waterpeil en graslandbeheer sterk aan elkaar zijn gekoppeld.

 

Samenwerking met provincies en agrarische collectieven

Een betere samenwerking tussen provincies, waterschap en (agrarische) natuurverenigingen leidt tot effectievere maatregelen. De provincie is voornemens om de samenwerking met het agrarisch collectief op het gebied van weidevogels te intensiveren. Van belang voor peilbesluiten is het meenemen van de provinciale maatregelenpakketten (o.a. middels subsidies) t.b.v. weidevogels. Voor een peilbesluit moet worden gesproken met de (agrarische) natuurverenigingen over maatregelen binnen het peilbeheer voor weidevogels. Bij de (agrarische) natuurverenigingen in het beheergebied van het waterschap is veel kennis aanwezig over de effecten van peilbeheer en andere waterbeheerstaken t.b.v. weidevogels. Het waterschap kan vergunning verlenen voor het instellen van een afwijkend hoger waterpeil wanneer dit voor het toepassen van de provinciale maatregelenpakketten nodig is.

 

Weidevogels en infiltratiesystemen

In de veenweidegebieden waar de weidevogels zich vooral vestigen, worden ook nieuwe technieken geïmplementeerd als drukdrainage en infiltratiesystemen (zie factsheet 16). Drukdrainage en infiltratiesystemen lijken geen directe gevolgen te hebben voor de weidevogels. Middels peilbeheer en landgebruik kan het indirect zowel positieve als negatieve gevolgen hebben. Als de grondwaterstand in het voorjaar tijdelijk wordt verhoogd draagt dit positief bij aan de leefomgeving voor weidevogels. Een negatief effect ontstaat als de voorjaarsgrondwaterstand wordt verlaagd om eerder te kunnen maaien en daarmee intensiever landgebruik mogelijk te maken.

 

Factsheet 11: Waterkeringen

Beleidsuitgangspunt:

  • 1.

    In elk peilbesluit worden de eventuele nadelige effecten op de stabiliteit van de waterkering meegenomen in de afweging van het peil.

 

Doel van dit beleidsuitgangspunt:

Doel is het veilig stellen van de kerntaak van het waterschap om voldoende waterstaatkundige veiligheid te bieden.

 

Toelichting

De stabiliteit van een waterkering is mede afhankelijk van het grondwaterprofiel in de kering. Dit profiel wordt bepaald door onder andere de grondsoort waaruit de kering bestaat, het profiel van de kering, de neerslag en verdamping op dat moment, maar ook door de drainagebasis. De drainagebasis is doorgaans de dichtstbijzijnde watergang, met het daarin gehanteerde peil. Veranderingen aan de locatie van de watergang of het gevoerde peil kunnen leiden tot een ander grondwaterprofiel in de kering en daarmee tot een (mogelijk ongewenste) verandering van de stabiliteit. De mate waarin dit een rol speelt is afhankelijk van diverse factoren. Daarom gelden er ook geen algemene inrichtingscriteria voor. Het belang is echter duidelijk. Daarnaast heeft het waterpeil in een watergang direct invloed op de belasting van een aangrenzende waterkering, zoals in het geval van een boezemwater waarlangs een regionale kering ligt. Bij peilwijzigingen of veranderingen aan de structuur van het watersysteem (locatie van de sloten), moet dus altijd worden getoetst in hoeverre dit is geoorloofd vanuit het oogpunt van kadestabiliteit.

 

Factsheet 12: Vaarwegbeheer

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Voor alle wateren waar het waterschap door de provincie als vaarwegbeheerder is aangewezen worden de eisen van het vaarwegbeheer aan het peilbeheer integraal meegewogen.

  • 2.

    Voor de overige vaarwateren geldt dat de vaarwegfunctie ondergeschikt is aan het watersysteembeheer en alleen wordt meegewogen in het peilbeheer als het waterschap daarvoor kiest.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Het doel is het borgen van de vaarwegbeheerders-taak van het waterschap binnen het proces en beleid voor het opstellen van peilbesluiten.

 

Toelichting:

De Waterwet beschouwt het vaarwegbeheer als integraal onderdeel van het watersysteem. In de praktijk van het waterschap gaat het om de vaarwegen in het boezemsysteem die gebruikt worden voor recreatievaart en beroepsvaart. Het waterschap betrekt het vaarwegbeheer bij de besluitvorming over het peilbeheer, daar waar het waterschap als vaarwegbeheerder is aangewezen. Het gaat om de volgende wateren:

  • Gekanaliseerde Hollandsche IJssel + Doorslag;

  • Dubbele Wiericke;

  • Grecht.

 

Bij een peilafweging worden het vaarprofiel, de brughoogtes en de drempelhoogtes van sluizen meegewogen naast de overige belangen, om een veilige en vlotte doorvaart te kunnen garanderen. Het vaarwegbeheer voor het overig bevaarbare water in beheer bij het waterschap valt geheel binnen de kaders van het watersysteembeheer. Het waterschap bepaalt zelf of, en zo ja op welke wijze het op deze wateren specifieke taken uitvoert gericht op het varen. Zonodig wordt daar in het peilbeheer rekening mee gehouden. Het gaat om de volgende wateren:

  • Korte/Lange Linschoten en Jaap Bijzerwetering;

  • Montfoortse vaart;

  • Kromme IJssel;

  • Enge IJssel;

  • Kromme Rijn;

  • Vlist;

  • Oude Rijn Oost;

  • Leidsche Rijn;

  • Enkele Wiericke.

 

Factsheet 13: Waterbeschikbaarheid

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    In extreme situaties, waaronder bij inwerking treden van het calamiteitenplan, de verdringingsreeks of de KWA, kan worden afgeweken van de vastgestelde peilen en het peilbeheer.

  • 2.

    Bij peilbesluiten die worden opgesteld wordt, daar waar mogelijk en daar waar dit effectief is, de dialoog en eventuele bijbehorende afspraken over waterbeschikbaarheid in het proces meegenomen en afgewogen. Er worden geen peilbesluiten vervroegd of uitgebreider ingezet om de communicatie waterbeschikbaarheid te faciliteren.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Het doel van deze beleidsuitgangspunten is inzicht geven hoe het programma waterbeschikbaarheid mee wordt genomen in het peilbesluitproces.

 

Toelichting:

Watertekort is een normaal verschijnsel. Gemiddeld verdampt er elke zomer ca. 100 mm meer water dan er aan neerslag valt. In droge zomers kan dit verschil oplopen tot 300 mm. Het zomerse tekort wordt doorgaans in het winterhalfjaar weer aangevuld. Peilbeheer kan op verschillende manieren bijdragen aan het omgaan met watertekort:

  • Door in droge tijden het peil tijdelijk te verhogen, wordt meer water in de bodem en het oppervlaktewater vastgehouden.

  • Door het water met behulp van stuwen, inlaten en gemalen anders te sturen door het gebied, kan het beschikbare water zo goed mogelijk verdeeld worden over alle gebruikers. Om deze verdeling te kunnen realiseren, is het soms noodzakelijk in delen van een gebied tijdelijk hogere of lagere peilen in te stellen.

 

Door klimaatverandering nemen de extremen in het weer toe. Naar verwachting neemt de duur en mate van droge periodes toe. Het waterschap werkt in het Deltaprogramma Zoetwater samen met andere waterbeheerders aan het beperken van ongewenste effecten van deze situatie.

 

In de Deltabeslissing zoetwater is, als onderdeel van de aanpak voor het voorkomen van en voorbereid zijn op watertekorten, het nieuwe instrument waterbeschikbaarheid geïntroduceerd. Dit instrument heeft als doel om helderheid te geven over de beschikbaarheid van zoetwater in normale en droge situaties (nu en in de toekomst). Indien nodig worden er afspraken gemaakt tussen Rijk, regio en gebruiker over verantwoordelijkheden en inspanningen om tot een optimale verdeling en gebruik van het watersysteem te komen.

Volgens het Deltaprogramma 2015 wordt het instrument waterbeschikbaarheid uitgewerkt in de volgende stappen:

  • 1.

    Het gebied inzicht geven in de beschikbaarheid van water en de kans op watertekorten, nu en in de toekomst. Transparantie creëren door gestructureerd inzicht te geven in gegevens, risico’s en informatie;

  • 2.

    De dialoog voeren tussen overheden en gebruikers over deze informatie. verkennen van mogelijke optimalisaties;

  • 3.

    Afspraken maken over waterbeschikbaarheid en maatregelen. Optimaliseren van beheer en gebruik en waar nodig vastleggen van afspraken.

Bij het vaststellen van een peilbesluit kan een gebiedsparticipatieproces worden doorlopen. Indien dit gebiedsparticipatieproces wordt doorlopen kan het instrument waterbeschikbaarheid efficiënt worden meegenomen door de 3 bovenstaande stappen te doorlopen. Dit proces wordt alleen doorlopen in combinatie met een peilbesluit als dit efficiënter en effectiever is.

 

Utrechtse Heuvelrug

Droogte op de Utrechtse Heuvelrug is niet op te lossen met een peilbesluit. Het gebiedseigen water is moeilijk vast te houden door de snelle infiltratie in de zandige ondergrond (onder andere als gevolg van de drinkwaterwinningen). Ook wordt in het voorjaar overtollig water snel afgevoerd. Door de hoge ligging is het daarnaast moeilijk of onmogelijk om voldoende water aan te voeren naar dit gebied, om deze reden is er op delen van de Utrechtse Heuvelrug geen ondergrens vastgesteld voor het te voeren peil. De stedelijke gebieden op de Heuvelrug hebben een jaarlijks terugkerend watertekort. Als maatregel wordt zoveel mogelijk gebiedseigen water vastgehouden, o.a. door afkoppelen en infiltreren van hemelwater.

 

Veenweidegebied

In de huidige situatie kan er, bij voldoende water in het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, kwantitatief gezien altijd voldoende water worden ingelaten en heeft het veenweidegebied (ook in droge perioden) niet te maken met droogte in het oppervlaktewatersysteem. Kwalitatief gezien is echter niet elk type water even wenselijk. Sulfaatrijk IJsselmeerwater kan bijvoorbeeld tot versnelde veenafbraak leiden. Waar mogelijk heeft (sulfaatarmer) Rijnwater als inlaatwater dus de voorkeur.

Door de toepassing van een infiltratiesysteem in het veenweidegebied wordt de vraag naar voldoende water belangrijker. Bij het droogvallen van de drains kan lucht namelijk via de buizen direct de veenbodem indringen en zorgen voor de zuurstof die nodig is voor veenoxidatie en dus voor bodemdaling.

 

Factsheet 14: Wateroverlast

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Eventuele maatregelen die worden voorgesteld vanuit het programma wateropgave wateroverlast worden, indien aanwezig, in het peilbesluit of gebiedsplan meegenomen en integraal afgewogen om te voorkomen dat er peil(beheer)voorstellen worden gedaan die deze maatregelen tegenwerken of ineffectief maken.

  • 2.

    In het peilbesluit kan een peil(beheer)voorstel resulteren in een potentiële toename van de wateropgave wateroverlast. Daar waar een dergelijk voorstel wordt opgenomen wordt opnieuw de wateropgave wateroverlast getoetst. Indien uit deze toetsing blijkt dat er een toename van wateroverlast zal ontstaan, worden maatregelen bedacht om de effecten te mitigeren en/ of wordt de gebiedsnorm voor wateroverlast aangepast.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Het doel van deze beleidsuitgangspunten is voorkomen dat het wijzigende peilbeheer leidt tot een toename van de wateropgave wateroverlast.

 

Norm gerelateerd aan vorm landgebruik

Norm [1 / x aantal jaar]

Maaiveldcriterium

Binnen de bebouwde kom

Bebouwing en hoofdinfrastructuur

1/100

0%

Overig gebied

1/10

10%

Buiten de bebouwde kom

Glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw

1/50

1%

Grasland

1/10*

10%

 

Toelichting:

In de Waterverordening zijn normen vastgesteld ten aanzien van inundaties. Het waterschap toetst, gecoördineerd door het programma Omgaan met Wateroverlast, of het beheergebied voldoet aan de afgesproken normen. Daar waar vaker inundaties optreden dan volgens de norm is toegestaan, worden maatregelen opgesteld waarmee de kans op overlast wordt teruggebracht tot het afgesproken niveau.

 

Voor wateroverlast wordt onderscheid gemaakt in gebieden binnen en buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom is sprake van wateroverlast als bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen vaker dan 1 keer per 100 jaar inunderen vanuit het oppervlaktewater. Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom (openbaar groen, sportvelden, parkeerplaatsen, etc.) is sprake van wateroverlast wanneer er door inundatie vanuit oppervlaktewater bij meer dan 10% van de oppervlakte water op het maaiveld staat in een situatie die eens per 10 jaar optreedt.

 

Buiten de bebouwde kom geldt voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw dat van wateroverlast wordt gesproken in een situatie die eens per 50 jaar met een maaiveldcriterium van 1%. Voor grasland buiten de bebouwde kom geldt een norm van eens per 10 jaar optreedt waarbij op meer dan 10% van de oppervlakte water op maaiveld staat. Voor dit overige gebied geldt deze norm alleen in het groeiseizoen, de periode van 1 maart tot 1 november. Buiten deze periode geldt er geen norm.

 

Wateroverlast in polders kan o.a. ontstaan doordat het tijdelijk niet mogelijk is om op de boezem af te wateren (maalstop), doordat onvoldoende berging in de polder aanwezig is of omdat watergangen, kunstwerken of gemalen niet voldoende gedimensioneerd zijn. Daarnaast kan de interactie met de riolering een rol spelen, bijvoorbeeld in gebieden met veel regenwateruitlaten of riooloverstorten. In stedelijke gebieden moet de aanpak van de wateropgave dan ook altijd in combinatie met de rioleringsopgave en verstedelijking worden beschouwd.

 

Om de wateropgave wateroverlast tegen te gaan kunnen zowel fysieke maatregelen worden opgesteld, als meer omgevingsgerichte maatregelen zoals “groen-blauwe diensten”. Daarnaast is het goed om met de provincie en de omgeving in gesprek te gaan over de normen en acceptatie van wateroverlast in een gebied (bijv. in het veenweidegebied). Dit laatste kan ook door te kijken naar de duur van inundatie en de diepte. Dit speelt tevens vanwege de aanleg van infiltratiesystemen, waardoor wateroverlast een ander karakter krijgt.

 

Gebeurtenissen die buiten de normen (van resp. 1/10, 1/50 of 1/100 jaar) vallen kunnen tot wateroverlast leiden, zelfs na uitvoering van alle maatregelen die nu zijn voorzien. Onder deze extreme omstandigheden treden de calamiteitenplannen in werking. De Beleidsnota Peilbeheer is in het geval van een calamiteit niet van toepassing.

 

In 2016 is er door het waterschap een toetsing van de wateropgave wateroverlast uitgevoerd, inclusief het opstellen van maatregelenpakketten. Dit is gedaan voor het huidige watersysteem van het gehele beheergebied, voor het huidige klimaat en met het verwachte klimaat van 2050. Een nieuwe toetsing wordt uitgevoerd als er daarvoor aanleiding is, zoals de publicatie van nieuwe KNMI klimaatscenario’s en nieuwe neerslagstatistieken.

 

Factsheet 15: Peilindexatie en vaststellen van peilen in de toekomst

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    In veen en klei-op-veen gebieden zet het waterschap in op het remmen van bodemdaling en het voorkomen van ongelijke maaiveldhoogte als gevolg van bodemdaling. Dit wordt in peilbesluiten gedaan door op de droogleggingsnormen te sturen.

  • 2.

    De droogleggingsnormen voor de functie landbouw in veen en klei-op-veen gebieden worden gedurende de 30 jaar (2019 tot 2049) na vaststelling van deze beleidsnota geleidelijk aangepast. De drooglegging wordt in veengebieden verminderd met 0,5 cm per 3 jaar. Voor klei-op-veen wordt de drooglegging verminderd met 0,5 cm per 6 jaar. De droogleggingsnorm voor het zomerpeil voor veen is 45 cm en wordt afgebouwd naar 40 cm. De droogleggingsnorm voor het zomerpeil voor klei-op-veen is 60 cm en wordt afgebouwd naar 58 cm (zie ook tabel 3).

    • a.

      De norm wordt niet aangepast in peilgebieden waar meer dan 65% van de (voor bodemdaling remmende maatregelen geschikte) percelen zijn voorzien van bodemdaling remmende maatregelen. In deze gebieden blijft de droogleggingsnorm in veengebieden 45 cm (zomer) – 55 cm (winter) en in klei-op-veen gebieden 60 cm (zomer) – 80 cm (winter) (Zie ook factsheet 16).

    • b.

      In peilgebieden die bij het opstellen van een nieuw peilbesluit minder drooglegging hebben dan de opgegeven norm voor dat jaar, is het toegestaan de drooglegging te herstellen naar deze droogleggingsnorm.

    • c.

      Bij het opstellen van een nieuw peilbesluit kunnen peilgebieden meer drooglegging hebben dan de norm. In dat geval worden de peilen niet verlaagd of geïndexeerd aan de bodemdaling.

    • d.

      In hoogwatervoorzieningen wordt 1 tot 2 cm per 10 jaar geïndexeerd (zie factsheet 18).

  • 3.

    De peilen worden tijdens het eerstvolgende peilbesluit geïndexeerd voor de opgetreden bodemdaling.

 

Doel:

Door veenoxidatie treedt bodemdaling, CO2-uitstoot en emissies van nutriënten op. Het gebied zakt langzaam weg waardoor de kosten voor het in stand houden van het huidige watersysteem en infrastructuur blijven toenemen.

Het waterschap heeft de ambitie om de bodemdaling met tenminste 50% te verminderen tot 2030.

 

Toelichting:

Bodemdaling grijpt negatief in op onder andere wateroverlast, gezond water en potentiële droogte. Maar ook milieu- (denk aan CO2) en ruimtelijke opgaven spelen in het veenweidegebied. Het vertragen van de bodemdaling is geen doel op zich maar is een middel om negatieve effecten op water, milieu, ruimtelijke ontwikkelingsopgaven en stijgende kosten voor het waterbeheer tegen te gaan.

 

Veenoxidatie kan onder andere worden verminderd door de drooglegging te verkleinen. Door hierop te anticiperen en de droogleggingsnorm aan te passen blijft het watersysteem in de toekomst beheersbaar, veilig en gezond. Grondeigenaren kunnen ook bijdragen aan het remmen van bodemdaling. Dit kan door middel van innovatieve bodemdaling remmende maatregelen, zoals de aanleg van infiltratiesystemen en drukdrainage. Een andere mogelijkheid is het toepassen van innovatieve teelten, zoals lisdoddes en cranberries, die gedijen bij de beperkte drooglegging. Onderzoek naar deze (of andere) innovatieve teelten is in volle gang.

 

De drooglegging wordt in veengebieden elke 6 jaar verlaagd met 1 cm. In klei op veengebieden wordt de drooglegging verlaagd met 0,5 cm per 6 jaar. In tabel 3 is weergegeven welke droogleggingsnorm geldt per bodemtype in het aangegeven jaar.

 

 

Jaren

Droogleggingsnorm in veengebieden [cm]

Droogleggingsnorm klei-op-veen gebieden [cm]

 

zomer - winter

zomer – winter**

2019

45 – 55

60-80

2025

44 – 54

 

2031

43 – 53

59-79

2037

42 – 52

 

2043

41 – 51

58-78

2049

40 – 50

 

 

* De norm geldt alleen voor gebieden waar minder dan 65% van de (voor bodemdaling remmende maatregelen geschikte) percelen zijn voorzien van bodemdaling remmende maatregelen.

**Het verschil tussen zomer- en winterpeil op klei op veen mag kleiner zijn dan 20 cm.

 

Peilgebieden en streefpeilen dienen met de invoering van wetswijzigingen rondom de Omgevingswet in de toekomst altijd actueel te zijn. Om de actualiteit in veen en klei-op-veen gebieden te garanderen zullen de peilen in deze gebieden naar verwachting elke 10 jaar worden geactualiseerd en indien nodig wordt het peilbesluit herzien.

 

Voorbeelden:

  • 1.

    Peilgebied X (veengebied) heeft in de zomer van 2025 een gemiddelde drooglegging van 42 cm. In 2026 is bij het nieuwe peilbesluit de drooglegging opnieuw vastgesteld naar de beschreven norm (zie tabel 3) van 44 cm.

    • .

      Na tien jaar, in 2035, is door bodemdaling het maaiveld gezakt met 6 cm, maar zoals hier vastgelegd het streefpeil niet. Hierdoor is de drooglegging dan 38 cm. In 2035 wordt bij het herzien van het peilbesluit geconstateerd dat deze drooglegging minder is dan de norm (43 cm). Het peil wordt maximaal 4 cm verlaagd.

  • 2.

    Peilgebied Y (veengebied) heeft in 2023 een gemiddelde drooglegging van 51 cm. Dit is meer dan de droogleggingsnorm, echter wordt het peil niet verplicht verhoogd.

    • .

      In 2033 is het gebied met 10 cm gedaald. Het streefpeil is niet gezakt, waardoor de drooglegging 41 cm bedraagt. Meer dan 65% van het gebied heeft een infiltratiesysteem en of drukdrainage aangelegd. De droogleggingsnorm voor gebieden waarvan meer dan 65% van het gebied innovatieve bodemdaling remmende maatregelen heeft getroffen blijft de komende jaren 45 cm. In dit gebied kan in 2033 het peil worden verlaagd met maximaal 4 cm, indien dit voor andere criteria ook wenselijk is.

 

Factsheet 16: Bodemdaling remmende maatregelen

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    In peilgebieden waar in collectief verband bodemdaling remmende maatregelen zijn getroffen, op meer dan 65% van het oppervlak van de geschikte percelen, wordt de droogleggingsnorm niet aangepast. Voor veengebieden blijft de droogleggingsnorm 45 cm (zomer) – 55 cm (winter) en voor klei-op-veen gebieden 60 cm (zomer) – 80 cm (winter), (zie factsheet 15).

  • 2.

    Voor gebieden met bodemdaling remmende maatregelen biedt het waterschap de mogelijkheid om een specifiek hiervoor aangepast peil of type peilbeheer te hanteren, mits dit niet in strijd is met andere beleidsuitgangspunten.

 

Doel:

Met deze beleidsuitgangspunten ondersteunt het waterschap middels het peilbeheer de implementatie van bodemdaling remmende maatregelen.

 

Toelichting:

De bodem in het westelijk deel van het beheergebied bestaat uit een veenpakket met plaatselijk een deklaag van klei. In dit veenweidegebied daalt de bodem tot wel 1 cm per jaar. Het waterschap heeft de ambitie uitgesproken om de bodemdaling te halveren in 2030 en heeft aangegeven dat samenwerking met andere partijen noodzakelijk is voor het bereiken van dit doel. Er wordt invulling gegeven aan deze ambitie door pilots bij agrariërs te ondersteunen en in te spelen op nieuwe initiatieven.

 

Inmiddels zijn in o.a. Spengen en Lange Weide gebieden ingericht met een infiltratiesysteem of drukdrainage. De drains functioneren door in het perceel, onder het laagste streefpeil, water aan te voeren in droge perioden en water af te voeren in natte perioden. Hierdoor blijft de grondwaterstand in droge perioden hoger dan in een perceel zonder een infiltratiesysteem. Hierdoor kan er minder zuurstof bij het veen en treedt er minder veenoxidatie op. Zo draagt een infiltratiesysteem bij aan het remmen van bodemdaling. In natte perioden kan het grondwaterpeil lager worden

gehouden dan zonder een infiltratiesysteem wat voor de agrariër betekent dat het perceel eerder/langer toegankelijk is.

 

Drukdrainage werkt vergelijkbaar met als verschil dat de drains niet direct met het oppervlaktewater verbonden zijn, maar met een ton, waarin het peil middels een pomp verhoogd of verlaagd kan worden. Hiermee kunnen de grondwaterpeilen nog meer worden gestuurd.

 

Beide genoemde varianten van drainage hebben raakvlakken met andere waterbeheer criteria die hieronder worden benoemd.

 

Een infiltratiesysteem/drukdrainage en wateroverlast

Het precieze effect van een infiltratiesysteem en/of drukdrainage op wateroverlast is nog niet bekend. Percelen met deze drainage kunnen water sneller afvoeren, wat kan zorgen voor een sneller stijging van de waterstanden in het oppervlakte water en afwenteling naar andere gebieden benedenstrooms. Ook heeft deze drainage effect op de beschikbare berging van water in de bodem. In droge perioden is de berging minder groot door het verhogen van de grondwaterstanden door de drains en in natte perioden door het verlagen van de grondwaterstanden juist meer. De exacte effecten hiervan worden nog nader onderzocht in de proeven die de agrariërs samen met het waterschap uitvoeren.

 

De drainage heeft ook effect op de duur van de inundatie. De drains maken het afvoeren van water gemakkelijker, waardoor de percelen mogelijk minder lang onder water staan.

 

Een infiltratiesysteem /Drukdrainage en waterbeschikbaarheid

Voor een infiltratiesysteem en of drukdrainage is het belangrijk dat er altijd voldoende water beschikbaar is. Bij onvoldoende water kan het slootpeil niet hoog gehouden worden waardoor de vermindering van de bodemdaling niet kan optreden. Het effect is nog veel groter als de drains droogvallen en er zuurstof via de drains de bodem in kan. Deze effecten moeten worden voorkomen. Het waterschap onderzoekt hoe deze gebieden ook in droge perioden van voldoende water kunnen worden voorzien. Verwacht wordt dat in gebieden met een infiltratiesysteem de waterbehoefte zal toenemen. De mate van toename aan waterbehoefte zal nog moeten blijken uit de pilots die ten tijde van schrijven nog lopen.

 

Een infiltratiesysteem /Drukdrainage en waterkwaliteit

Het netto effect van een infiltratiesysteem op de waterkwaliteit is nog onbekend; het verminderen van veenafbraak heeft een positief effect. Echter kunnen nutriënten mogelijk versneld uitspoelen, wat weer een negatief effect betekent. Doordat bij een infiltratiesysteem meer gebiedsvreemd water moet worden ingelaten is de kwaliteit hiervan meer bepalend. Hoe de balans op langere termijn uit gaat slaan is nu nog niet te zeggen. Uiteindelijk is het tegengaan van bodemdaling het hoofddoel van een infiltratiesysteem. Vanuit ecologisch perspectief heeft het werken met drukdrainage voordelen ten opzichte van een infiltratiesysteem: grondwaterpeilen zijn iets beter te sturen waardoor nutriëntenuitspoeling minder wordt.

 

Een infiltratiesysteem /Drukdrainage en weidevogels

In de veenweidegebieden met weidevogelpopulaties worden ook bodemdaling remmende technieken geïmplementeerd als drukdrainage en infiltratiesystemen. Drukdrainage en infiltratiesystemen lijken geen directe gevolgen te hebben voor de weidevogels. Echter, middels peilbeheer en landgebruik kan het zowel positieve als negatieve indirecte gevolgen hebben. Als het slootpeil in het voorjaar tijdelijk wordt verhoogd draagt dit positief bij aan de leefomgeving voor weidevogels. Een negatief effect ontstaat als de voorjaarsgrondwaterstand wordt verlaagd om eerder te kunnen maaien en daarmee intensiever landgebruik mogelijk te maken.

 

Factsheet 17: Onderbemalingen in veenweidegebied

Beleidsuitgangspunten

  • 1.

    Het waterschap staat i.v.m. het remmen van bodemdaling in het veenweidegebied geen nieuwe onderbemalingen toe. Het peil van het peilgebied waar het perceel in ligt, wordt afgestemd op het peilgebied als geheel. De eigenaar van een laag liggend perceel is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een gebruik van het perceel dat past bij het peil van het peilgebied.

  • 2.

    Bestaande onderbemalingen worden de komende jaren in fasen opgeheven. Hiervoor wordt gekeken naar het maaiveldhoogteverschil tussen de onderbemaling en het peilgebied waar de onderbemaling in ligt:

    • Wanneer de gemiddelde hoogte van het maaiveld van de onderbemaling hoger of maximaal 10 cm lager ligt dan die van het peilgebied wordt de onderbemaling in het eerstvolgende peilbesluit niet meer vergund. Deze voldoet niet aan het geldende criterium voor een vergunning voor een onderbemaling.

    • Bij een gemiddeld maaiveldhoogteverschil van meer dan 10 cm is de onderbemaling uiterlijk in 2040 opgeheven. Daarbij ondersteunt het waterschap compenserende bodemdaling remmende maatregelen. Indien er vóór die tijd nog een nieuwe vergunning wordt afgegeven dan wordt daarin een minimumpeil vastgelegd.

    • Als er meerdere onderbemalingen bij elkaar liggen, wordt afgewogen of een andere indeling van peilgebieden mogelijk en doelmatig is.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten

Het waterschap wil vanuit de rol van waterbeheerder een bijdrage leveren aan het remmen van bodemdaling en daarmee aan:

  • verminderen van hoogteverschillen tussen hogere en lagere delen van een peilgebied;

  • verminderen van CO2-uitstoot en nutriënten-uitspoeling als gevolg van veenoxidatie;

  • een grotere toekomstbestendigheid van het watersysteem in het veenweidegebied.

 

Figuur 10 Schematische weergave van de beleidsuitgangspunten voor een bestaande onderbemaling

 

Toelichting

Een onderbemaling bestaat uit een of meerdere watergangen, die met elkaar verbonden zijn, niet in open verbinding staan met het polder- of boezempeil en waarin door een particulier een lager waterpeil gehandhaafd wordt dan in de omliggende peilgebieden. Onderbemalingen in veenweidegebied houden door hun lagere waterpeil de bodemdaling in stand of versterken deze.

 

Ad 1: In het Positionpaper Vertragen Bodemdaling (17 mei 2017) wil het bestuur van het waterschap de bodemdaling juist tegengaan door, onder andere, peilafwijkingen zo klein mogelijk te houden. Dit voornemen wordt in deze factsheet concreet in beleidsuitgangspunt 1: voortaan geen nieuwe onderbemalingen meer toestaan. De eigenaren van lage percelen zijn verantwoordelijk voor een adequaat gebruik ervan; het waterschap richt zich op het peilgebied als geheel maar faciliteert en ondersteunt wél het zoeken naar alternatieven voor de lage percelen, in samenwerking met provincie en gemeenten. Dat past ook in een toekomstbeeld waarin de landbouw-functie in het veenweidegebied alleen in aangepaste vorm (natte teelten) of met hulpmiddelen (bijvoorbeeld een infiltratiesysteem) kan blijven bestaan. Het waterschap zal het gesprek aangaan met betrokkenen en werken aan bewustwording hierover.

 

Ad 2: Voor bestaande onderbemalingen wil het waterschap gefaseerd stoppen met het vergunnen ervan zodat ook deze op termijn ophouden te bestaan. Hiervoor wordt gekeken naar het verschil in gemiddelde maaiveldhoogte tussen de onderbemaling en het omliggende peilgebied:

  • Onderbemaling hoger dan omliggend peilgebied of maximaal 10 cm lager;

  • Onderbemaling 10 cm lager dan omliggend peilgebied of meer.

In beleidsuitgangspunt 2 wordt voor elke situatie de termijn aangegeven waarin het vergunnen van de onderbemaling zal worden beëindigd; bij grotere maaiveldhoogte-verschillen is deze termijn langer dan bij kleine verschillen. Bij 0-10 cm verschil zou de onderbemaling volgens de criteria voor peilafwijkingen van het vigerend beleid al niet worden toegestaan en wordt deze in het eerstvolgende peilbesluit niet meer vergund. Zie figuur 10.

 

Ook bij dit beleidsuitgangspunt wil het waterschap actief het gebruiken van alternatieve technieken zoals infiltratiesystemen of drukdrainage stimuleren om daarmee mogelijk te maken dat onderbemalingen kunnen komen te vervallen. In samenwerking met perceeleigenaren kan worden gekeken welke oplossing het beste is. Terwijl een perceeleigenaar investeert in bodemdaling remmende maatregelen voor zijn perceel neemt het waterschap kosten voor ontwikkeling van technologie en kennis voor zijn rekening.

 

Een consequentie van het verdwijnen van bestaande onderbemalingen en het niet meer toestaan van nieuwe is dat de wateropgave zou kunnen toenemen omdat er minder water geborgen kan worden. Hoe dat precies gaat uitpakken moet zich in de komende tijd uitwijzen, de inschatting op basis van berekeningen is dat het effect op de wateropgave verwaarloosbaar klein is.

 

Factsheet 18: Hoogwatervoorzieningen

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Het waterschap legt in principe geen nieuwe hoogwatervoorzieningen aan, conform besluit van het algemeen bestuur d.d. 10 maart 2015;

  • 2.

    Voor individuele, door het waterschap beheerde hoogwatervoorzieningen draagt deze het peilbeheer zoveel mogelijk over aan de belanghebbende. Het gebied wordt in het peilbesluit aangemerkt als een peilafwijking;

  • 3.

    Voor collectieve, door het waterschap beheerde hoogwatervoorzieningen met een klein aantal (2-10) eigenaren streeft het waterschap naar vrijwillige overname van het peilbeheer door de eigenaren. Het gebied wordt in dat geval in het peilbesluit aangemerkt als een peilafwijking;

  • 4.

    Het waterschap streeft voor alle door haar beheerde hoogwater-voorzieningen naar een peilaanpassing voor de maaivelddaling ter plekke. Als er geen andere gegevens beschikbaar zijn voor deze maaivelddaling dan wordt uitgegaan van 2 mm/jaar;

  • 5.

    Bij het opstellen van een peilbesluit onderzoekt het waterschap of peilverschillen tussen de collectieve hoogwatervoorzieningen en de omliggende polders nu of in de toekomst leiden tot onevenredig hoge beheerkosten. Indien hier sprake van is wordt een afweging gemaakt hoe verder om te gaan met de hoogwatervoorzieningen in dit gebied.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

  • Door geen nieuwe hoogwatervoorzieningen meer aan te leggen wil het waterschap meer grip houden op de eigen kosten van het waterbeheer (in het veenweidegebied) op lange termijn.

  • Met het overdragen van het peilbeheer in kleine en individuele hoogwatervoorzieningen aan de belanghebbende(n) streeft het waterschap naar meer eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbenden en betere beheersing van de kosten voor het peilbeheer.

  • Het waterschap wil het toenemen van beheerkosten door steeds grotere peilverschillen tussen een hoogwatervoorziening en de omliggende polders zoveel mogelijk beperken. Peilaanpassing in de hoogwatervoorziening is één van de manieren om dit te doen. Maatregelen in de omliggende polders die bodemdaling/peilverlaging afremmen kunnen hier ook aan bijdragen.

 

Toelichting:

Binnen het beheergebied bevindt zich tenminste 2600 ha aan hoogwatervoorzieningen die in beheer zijn van het waterschap. Deze zijn in het verleden aangelegd om de fundering van woningen te beschermen tegen mogelijke schade die optreedt als gevolg van het droogvallen van houten funderingspalen. Dit komt door verlaging van oppervlaktewaterpeilen en daaraan gerelateerde grondwaterstanden wat weer wordt veroorzaakt door maaivelddaling. Hoogwatervoorzieningen beperken ook de verzakking van infrastructuur (wegen, kabels, leidingen, etc.) en beschermen archeologische waarden.

 

Inmiddels is steeds meer bekend dat binnen hoogwatervoorzieningen ook maaivelddaling plaatsvindt. Hierdoor ontstaan belangentegenstellingen tussen woningeigenaren die het peil hoog willen houden t.b.v. hun fundering en anderen die last krijgen van vernatting.

 

Door ongelijke maaivelddaling tussen hoogwatervoorziening en omliggend gebied nemen de hoogteverschillen steeds meer toe, en daarmee de kosten voor het waterbeheer. Er ontstaat steeds meer een besef dat hoogwatervoorzieningen geen permanente maar een tijdelijke collectieve oplossing vormen die op langere termijn ook weer moeten kunnen worden afgebouwd. En dat het mogelijk effectiever is om de verantwoordelijkheid voor het beschermen van funderingen terug te leggen bij (een collectief van) de eigenaren.

 

Toelichting per beleidsuitgangspunt:

Ad 1: het waterschap heeft in 2015, middels de Beleidsnota Hoogwatervoorzieningen, het besluit genomen om géén nieuwe collectieve hoogwatervoorzieningen meer aan te leggen. Dit beleid wordt voortgezet.

 

Ad 2 en 3: individuele en kleine collectieve hoogwatervoorzieningen die nu door het waterschap worden beheerd betekenen voor het waterschap onevenredig veel kosten, vooral voor toezicht en controle in deze kleine gebiedjes. In het kader van minder “zorgen voor” naar meer “eigen verantwoordelijkheid” streeft het waterschap naar overdracht van het peilbeheer aan de direct belanghebbende(n). Vanuit governance gezien kunnen particulieren en kleine collectieven goed zelf de verantwoordelijkheid dragen terwijl voor grotere collectieven de verantwoordelijkheid beter bij het waterschap kan liggen. De overgedragen gebieden worden in het peilbesluit aangemerkt als gebieden met een afwijkend peil. Het onderhoud van kunstwerken wordt ook overgedragen; dit wordt in de legger vastgelegd. Het waterschap houdt een toezichthoudende rol op het (groot)onderhoud.

 

Ad 4 en 5: wanneer er een groot peilverschil ontstaat tussen een hoogwatervoorziening en de naastliggende polders, moet het waterschap in de toekomst relatief veel kosten maken voor het aanpassen van stuwen en dammen die op de overgang liggen, of er moet een meer trapsgewijze overgang worden gemaakt met extra watergangen. Dit is niet wenselijk aangezien het aantal panden, waarvoor de hoogwatervoorziening is aangelegd, in de komende decennia waarschijnlijk afneemt. Daarom is het zaak om voor deze situaties te onderzoeken en af te wegen met welke maatregelen het peilverschil kan worden geminimaliseerd, hetzij in de hoogwatervoorziening (bv. peilaanpassing), hetzij in de polder (bv. door het aanleggen van een infiltratiesysteem).

 

Een van de manieren om deze peilverschillen niet verder te laten toenemen is door het peil in de hoogwatervoorziening mee te laten zakken met de maaivelddaling ter plekke (peilaanpassing). Het waterschap beschouwt het als een minimale inspanning om deze peilaanpassing daar waar mogelijk toe te passen. Er is op dit moment nog weinig bekend over hoe groot deze maaivelddaling is. Een minimale inschatting hiervoor is 2 mm/jaar. Er wordt de komende jaren ingezet op betere meettechnieken om per gebied gegevens te krijgen over de maaivelddaling.

 

Factsheet 19: Peilafwijkingen

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Voor een nieuwe peilafwijking wordt een vergunningsprocedure of een wijziging van het peilbesluit doorlopen.

  • 2.

    Een peilafwijking is niet toegestaan als overige belangen worden geschaad.

  • 3.

    Bij de actualisatie van een peilbesluit worden de peilafwijkingen (opnieuw) getoetst. Indien de gebieden voldoen aan de beleidsregels van de Keur kunnen deze blijven bestaan en worden zij (opnieuw) opgenomen in het peilbesluit als peilafwijkingen. Indien de gebieden hier niet aan voldoen, wordt een peilafwijking niet langer toegestaan en geldt het peil van het omliggende peilgebied.

  • 4.

    In een peilbesluit wordt per peilafwijking vastgelegd wat de minimale en maximale peilen van het gebied zijn en onder welke omstandigheden deze peilen worden ingesteld.

  • 5.

    De peilen van de peilafwijkingen worden door derden ingesteld, gehandhaafd en beheerd. De criteria voor de peilafwijkingen zijn opgenomen in deze factsheet. Deze criteria gelden niet voor:

    • a.

      onderbemaling in veenweidegebieden; hiervoor zijn de beleidsuitgangspunten opgenomen in factsheet 17.

    • b.

      hoogwatervoorzieningen; hiervoor zijn de beleidsuitgangspunten opgenomen in factsheet 18.

  • 6.

    De belanghebbende(n) van de peilafwijking draagt de kosten voor het beheer en onderhoud van de kunstwerken die nodig zijn voor de peilafwijking.

 

Doel:

Het waterschap heeft de doelstelling om het peilbeheer meer in gezamenlijkheid met de omgeving uit te voeren en waar wenselijk los te laten. De hierboven genoemde beleidsuitgangspunten bieden het waterschap en de belanghebbenden de ruimte om het peilbeheer op een doelmatige en kostenefficiënte manier te organiseren.

 

Toelichting

Het waterschap heeft de wettelijke verantwoordelijkheid peilen vast te leggen en deze te handhaven en te beheren. In het beheergebied zijn ook gebieden aanwezig waar het peil afwijkt van het vastgestelde peil van het omliggende peilgebied. De peilen in deze gebieden worden door belanghebbenden op eigen initiatief ingesteld, gevoerd en gehandhaafd. Deze gebieden worden aangeduid als peilafwijkingen en kunnen afwijkingen betreffen met een hoger of een lager peil. Voorheen was dit juridisch gezien alleen mogelijk door middel van een vergunning. Met deze Beleidsnota Peilbeheer wordt vastgelegd dat indien deze gebieden als peilafwijkingen worden opgenomen in een peilbesluit, er voor deze gebieden niet langer vergunningplicht van toepassing is maar alleen zorgplicht.

 

Om een peilafwijking te kunnen toestaan en behouden mag deze geen overige belangen of belangen van anderen schaden. Overige belangen bestaan uit onder andere cultuurhistorie, archeologie, natuurgebieden, reservaats- of natuurontwikkelingsgebieden, landbouwgebieden, agrarisch grasland met natuurwaarden, stedelijk gebied en civieltechnische effecten. Een peilafwijking kan ook nadelige effecten hebben op belangen van anderen, binnen en/of buiten de peilafwijking, zoals wateroverlast, toe- of afname van kwel/wegzijging, aanvoer van water enzovoort. Verder zijn er toetsingscriteria opgesteld waar peilafwijkingen aan moeten voldoen (zie hieronder).

 

Aanvragen voor nieuwe peilafwijkingen zijn mogelijk. De procedure hiervan is afhankelijk van de uitvoering van het peilbeheer. Dit is verder uitgewerkt in factsheet 2. Voor beide procedures zijn de toetsingscriteria die zijn opgenomen in deze factsheet van toepassing.

 

Toetsingscriteria voor peilafwijkingen:

De criteria voor het toestaan van peilafwijkingen met lagere streefpeilen zijn:

  • I.

    De peilverlaging mag geen negatieve gevolgen hebben voor overige belangen of belangen van anderen;

  • II.

    De drooglegging zonder peilverlaging (dus ten opzichte van het streefpeil van omliggend peilgebied) voldoet niet aan de eis die voor de functie op de aanwezige grondsoort(en) geldt;

  • III.

    De hoogteligging van het maaiveld per grondsoort moet meer dan 10 cm lager zijn dan de gemiddelde maaiveldhoogte van deze grondsoort in het gehele peilgebied;

  • IV.

    Het peil mag niet lager worden dan passend bij de na te streven drooglegging voor de betreffende functie op de betreffende grondsoort;

  • V.

    De peilafwijking mag niet in strijd zijn met de doelstellingen van de functie(s) van het desbetreffende gebied;

  • VI.

    De peilverlaging mag geen negatieve gevolgen hebben voor de doelstellingen van de functie(s) in het aangrenzende gebied;

  • VII.

    Wanneer het peil in het omliggende gebied boven een bepaald peil stijgt, dient de onderbemalingspomp te stoppen met pompen;

  • VIII.

    De maximale pompcapaciteit van een onderbemaling mag niet meer bedragen dan voor de oppervlakte van de onderbemaling nodig is, in vergelijking met de pompcapaciteit van het gemaal van de hele polder;

  • IX.

    Er wordt gebruik gemaakt van de aanvoernorm van 0,45 l/s/ha om de maximale inlaatcapaciteit te bepalen;

  • X.

    Op verzoek van het waterschap dient bij een (dreigende) calamiteit het uitmalen van water op de polder stil te worden gezet.

 

De criteria voor het toestaan van peilafwijkingen met hogere streefpeilen zijn:

  • I.

    De peilverhoging mag geen negatieve gevolgen hebben voor overige belangen of belangen van anderen;

  • II.

    De peilverhoging mag niet in strijd zijn met de doelstellingen van de functie(s) van het desbetreffende gebied;

  • III.

    De peilverhoging mag geen negatieve gevolgen hebben voor de doelstellingen van de functie(s) in het aangrenzende gebied;

  • IV.

    Er wordt gebruik gemaakt van de aanvoernorm van 0,45 l/s/ha om de maximale inlaat capaciteit te bepalen;

  • V.

    Op verzoek van het waterschap dient bij een dreigende calamiteit het uitlaten van water stil te worden gezet;

  • VI.

    Het inlaten van water in peilafwijkingen met hogere peilen gebeurt bij voorkeur door gebiedseigen water. Het inlaten van boezemwater dient, vanwege de waterkwaliteit, beperkt te worden.

 

Beheer:

De belanghebbende van de peilafwijking draagt de verantwoordelijkheid en kosten voor het beheer en onderhoud van de peilafwijking:

  • a.

    Peilscheidende kunstwerken die noodzakelijk zijn voor de scheiding van de peilafwijking van de rest van het peilgebied worden niet door het waterschap beheerd, maar door de belanghebbende;

  • b.

    Indien een bemalingsinstallatie aanwezig is, moet deze installatie boven- en benedenstrooms van peilschalen zijn voorzien. Zodoende kan worden getoetst of de op-/onderbemaling op het afgesproken peil blijft en kunnen peilbeheerders en schouwmeesters controleren of het vastgestelde peil wordt gehandhaafd;

  • c.

    De peilregistratie (opname van het waterpeil boven- en benedenstrooms van het peilregulerende kunstwerk) dient uitgevoerd te worden in overeenstemming met de voorschriften van het waterschap ten aanzien van methode (handmatig dan wel geautomatiseerd), frequentie (bijvoorbeeld uurbasis, dagbasis of weekbasis), nauwkeurigheid (inclusief periodieke inmeting ten opzichte van NAP) en ontsluiting (frequentie van aanlevering van de waarnemingen). Deze eis maakt het mogelijk om achteraf na te gaan of de peilen daadwerkelijk zijn gehandhaafd. De aanleg- en onderhoudskosten zijn voor de belanghebbende;

  • d.

    Mocht na een nieuwe toetsing blijken dat een peilafwijking dient te worden opgeheven, dan is het aan de belanghebbende deze weg te halen;

  • e.

    De belanghebbende dient te voorkomen dat schade aan funderingen kan ontstaan als gevolg van een wijziging van de grondwaterstand;

  • f.

    Het waterschap is niet aansprakelijk voor schade aan derden door onzorgvuldig handelen van de belanghebbenden en handelen volgens andere voorschriften dan genoemd in de vergunningsvoorschriften of het peilbesluit voor de peilafwijking.

 

Factsheet 20: Soorten Peilbeheer

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Voor elk peilbesluit onderzoekt het waterschap in hoeverre het type peilbeheer voldoet aan de wensen die het gebruik van water en land stellen.

  • 2.

    In een peilbesluit wordt vastgelegd welke typen peilbeheer worden toegepast en wat de beheer- en sturingsmarges zijn.

  • 3.

    In gebieden zonder mogelijkheid van wateraanvoer kan alleen een bovengrens aangeven worden.

 

Doel:

Middels deze beleidsuitgangspunten legt het waterschap vast dat er onderzocht wordt wat het type peilbeheer is dat voldoet aan de wensen die het gebruik en de bestemming van water en land stellen. Door het inzichtelijk vastleggen van het peilbeheer en de marges wordt duidelijk voor gebruikers, inwoners, andere overheden en maatschappelijke organisaties wat de afspraken hieromtrent zijn.

 

Toelichting:

Afhankelijk van de wensen voor het peilbeheer zijn er verscheidene soorten peilbeheer mogelijk. Hieronder staan de typen peilbeheer beschreven en onder het kopje “Marges’ staat een beschrijving van verschillende soorten marges. In tabel 2 staan voor verscheidene functies de bijbehorende voorkeuren voor type peilbeheer. Deze voorkeuren zijn gebaseerd op praktijkervaring vanuit dergelijke gebieden en vanuit eerdere belangenafwegingen. Peilen kunnen per seizoen variëren. Een voorbeeld hiervan zijn de hogere zomer- en lagere winterpeilen. Afhankelijk van de wensen voor peilbeheer kunnen momenten waarop er van peil wordt veranderd anders zijn. Voor het zomer- en winter-peilregime wordt vanaf een moment in de maanden april, mei of juni het zomerpeil ingesteld en in de maanden september, oktober of november het winterpeil. Deze momenten zijn afhankelijk van de situatie om zo goed mogelijk aan de belangen te voldoen. Zo kan bijvoorbeeld na een droge zomer het hogere zomerpeil langer worden gehanteerd, om in het najaar sneller te kunnen herstellen van de droogte.

 

Vast peil

Een vast peil wordt ingesteld op plaatsen waar het peil niet mag variëren. Er wordt gestuurd op een vast streefpeil. In de praktijk zal het peil (binnen de beheermarges, zie kop ‘Marges’ hieronder) rond het vaste streefpeil schommelen, vanwege de invloed van weersomstandigheden en het aan- en afvoeren van water. Het vaste peil kan variëren per tijdseenheid of seizoen, waarbij het streefpeil binnen deze tijdseenheid gelijk blijft.

 

Zomer- en winterpeil

Een vorm van vast peilbeheer, waarbij er in de zomer een hoger vast peil en in de winter een lager vast peil worden gehanteerd.

 

Flexibel peilbeheer

Flexibel peilbeheer is vergelijkbaar met natuurlijk peilbeheer, waarbij het waterpeil natuurlijk kan fluctueren, maar wel binnen een vooraf vastgestelde boven- en/of ondergrens. Er wordt pas water uitgelaten wanneer de bovenmarge wordt overschreden en water ingelaten als de ondermarge wordt onderschreden.

 

Flexibel peilbeheer is een passieve vorm van peilbeheer, omdat er, zolang het waterpeil tussen de marges blijft, niet gestuurd wordt op het peil. In enkele gebieden, zoals langs de Utrechtse Heuvelrug, is het niet mogelijk water aan te voeren. In deze gebieden geldt dat alleen een bovengrens kan worden ingesteld en dat de watergangen, bij langdurige droogte, kunnen droogvallen.

 

Dynamisch peilbeheer

Vorm van peilbeheer waarbij het waterpeil dynamisch in de tijd kan fluctueren binnen een van tevoren vastgestelde boven- en/of ondergrens. Afhankelijk van de grondwaterstand, het bodemvochtgehalte en de weersomstandigheden kan het oppervlaktewaterpeil worden ingesteld op of tussen de vastgestelde boven- en ondergrens. Het is dus een proactief, anticiperend peilbeheer.

 

Natuurlijk peilbeheer

Bij natuurlijk peilbeheer is eigenlijk geen sprake van beheer, maar van het vrij laten van het waterpeil (dus zonder een boven- of ondergrens). Onder invloed van neerslag, verdamping, kwel en wegzijging kan het peil vrij fluctueren.

 

Tabel 2: afwegingsmogelijkheden voor verscheidene functies

 

Type gebied

Mogelijkheden voor het peilbeheer

Stedelijk gebied

Vast peilbeheer, waar mogelijk flexibel in overleg met gemeente

Landbouw

Zomer- en winterpeil met waar afgesproken voor de fruitteelt nachtvorstschadebestrijding (verwerkt in de sturingsmarge en in factsheet 21.), Dynamisch peilbeheer in combinatie met een infiltratiesysteem (zie factsheet 16), Flexibel peilbeheer

Natuur

(Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland), Afhankelijk van het type natuur. Veel voorkomende peilbeheertypes zijn natuurlijk en flexibel peilbeheer. Indien niet mogelijk een laag zomer- en hoog winterpeil.

 

Marges

Bij ieder type peilbeheer zijn kleine afwijking van het peil toegestaan.

 

Beheermarge

Het handhaven van het peil gaat onder normale omstandigheden gepaard met peilfluctuaties. Deze fluctuaties zijn het gevolg van de aan- en afvoer van water en weersomstandigheden. De peilbeheerder heeft de ruimte om binnen de beheermarge het peil te laten fluctueren. Echter zodra de waterstand niet meer binnen de beheermarges voor het in het peilbesluit vastgestelde peil valt, is de beheerder verplicht inspanning te leveren om de waterstand binnen de beheermarge te krijgen.

 

Sturingsmarge

Het waterschap kan tijdelijk de sturingsmarge inzetten om te reageren of anticiperen op weersomstandigheden zoals neerslag, droogte en wind. Zo kan bijvoorbeeld worden voorgemalen als er regen wordt voorspeld om het peil te laten uitzakken, of kan in natte perioden het water in een bovenstrooms gelegen peilgebied worden vastgehouden om het risico op wateroverlast in lager gelegen peilgebieden te beperken. De sturingsmarge kan ook worden toegepast voor andere doeleinden zoals nachtvorstschadebestrijding, aanvoer van water voor beregening en extra aanvoer in gebieden met een infiltratiesysteem om vermindering van de bodemdaling te bereiken. Het gaat om een tijdelijke afwijking, normaliter wordt het peil volgens het peilbesluit binnen de beheermarge gehandhaafd. De peilbeheerder en de watersysteemanalyse geven input voor de afweging van de sturingsmarge. De sturingsmarges worden in een peilbesluit vastgelegd, waarbij vermeld wordt onder welke omstandigheden deze kan worden ingezet. De sturingsmarge kan worden ingezet door het gebiedsteam van het betreffende gebied.

 

Calamiteiten en extreme weersomstandigheden

Bij calamiteiten en extreme weersomstandigheden is het college van dijkgraaf en hoogheemraden bevoegd om af te wijken van de streefpeilen en de bovengenoemde marges.

 

Factsheet 21: Nachtvorstschadebestrijding

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    In de gebieden waar voor nachtvorstschadebestrijding onttrekkingsvergunningen zijn verleend, kan in de periode tussen 1 maart en 1 juni het peil vervroegd worden opgezet naar zomerpeil;

  • 2.

    De bovengrens tot waar het peil wordt opgezet wordt geregeld in het peilbesluit;

  • 3.

    De ondergrens tot waar fruittelers water kunnen onttrekken, wordt geregeld in de onttrekkingsvergunning;

  • 4.

    Indien nodig wordt voor het waterpeil een sturingsmarge ingesteld om voldoende water aan te kunnen voeren voor de nachtvorstschadebestrijding. Dit wordt in het eerstvolgende peilbesluit vastgelegd.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

De beleidsuitgangspunten geven inzicht hoe het peilbeheer wordt afgestemd op het onttrekken van water voor de nachtvorstschadebestrijding.

 

Toelichting nachtvorstschadebestrijding

In de fruitteelt wordt water gebruikt om de bloesem te beschermen tegen nachtvorst. Fruittelers zijn voor hun oogst afhankelijk van deze beregening, die meestal plaatsvindt in de periode maart-april-mei. Dit speelt in het gebied tussen Kromme Rijn en Amsterdam-Rijnkanaal, op het Eiland van Schalkwijk en in mindere mate in het Oude Rijn-, Leidsche Rijn- en IJsselgebied. Het waterschap heeft in 2007 voor het gebied tussen Kromme Rijn en Amsterdam-Rijnkanaal de aanvoer van water voor nachtvorstschade-bestrijding geregeld voor de fruitpercelen die er toen waren. Nieuw areaal fruitteelt in dit gebied krijgt niet zomaar meer een vergunning, maar wordt eerst getoetst aan de capaciteit van het watersysteem. In het peilbesluit moet rekening worden gehouden met de vergunde onttrekkingen ten behoeve van nachtvorstschadebestrijding.

 

In 2008-2013 zijn alle bestaande fruitpercelen in andere gebieden vergund in de veronderstelling dat de wateraanvoer door het waterschap geregeld zou gaan worden.

Voor het Eiland van Schalkwijk is echter in het Raamwaterplan in 2015 vastgelegd dat wateraanvoer voor dit doel geen reguliere taak van het waterschap meer is maar een dienst. Investeringen die alleen bedoeld zijn om te komen tot voldoende aanvoercapaciteit voor de bestaande fruitteelt (daar waar de capaciteit van het watersysteem niet toereikend is) zijn dan ook niet vanzelfsprekend, maar vereisen een ‘wederdienst’ van de fruittelers. Deze kan bestaan uit financiering of een dienst voor een andere taak van het waterschap (bijvoorbeeld tegengaan van wateroverlast). Tot 2022 is het waterschap in gesprek met belanghebbenden over de omvang en invulling van zowel de dienst als de wederdienst. Vanaf 2022 kunnen deze worden doorvertaald in het peilbesluit. Voor nieuw areaal fruitteelt geldt overal dat eerst getoetst wordt of het watersysteem het aankan voordat onttrekking voor nachtvorstschade-bestrijding wordt vergund.

 

Een veel toegepaste maatregel die binnen de capaciteit van het watersysteem valt om voldoende aanvoer van water voor nachtvorstschadebestrijding te garanderen is het vervroegd opzetten van het waterpeil tot maximaal het zomerpeil. Het nog hoger opzetten is nadelig voor de stabiliteit van het talud van de oever en voor de veetelers omdat vee en machines later het land op kunnen. Alleen op het Eiland van Schalkwijk kan dit nog tijdelijk aan de orde zijn, totdat de maatregelen uit het Raamwaterplan Eiland van Schalkwijk zijn uitgevoerd. Daarna zal, door de vergrote capaciteit van het watersysteem, opzetten tot zomerpeil ook daar voldoende zijn. Het eerstvolgende peilbesluit zal daarop worden aangepast.

 

Er wordt gestreefd naar een zo kort mogelijke periode van peilverhoging ten behoeve van de nachtvorstschadebestrijding om de overlast die andere bedrijven in de omgeving kunnen ervaren zo beperkt mogelijk te houden. In het Oosten van het beheergebied moet tijdelijk afgeweken kunnen worden van het op dat moment geldende streefpeil om een dusdanig groot verhang (peilverschil) in de hoofdwatergang te creëren dat er voldoende water aangevoerd wordt voor de nachtvorstschade-bestrijding. De mate van peilafwijking wordt als sturingsmarge vastgelegd in het peilbesluit.

 

Factsheet 22: Monitoring en evaluatie

Beleidsuitgangspunten:

  • 1.

    Het waterschap monitort de uitvoering van het peilbeheer door middel van diverse waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmetingen, waarmee het peilbeheer adequaat is te evalueren.

  • 2.

    De ambitie is dat dit voor het waterkwantiteitsdeel gebeurt op basis van een jaarlijkse rapportage waarmee het peilbeheer en de actualiteit van het peilbesluit kan worden geëvalueerd;

  • 3.

    Het waterschap streeft naar een terugkoppeling met het gebied van eens per 5 jaar;

  • 4.

    Elk door het waterschap beheerd peilgebied heeft minimaal 1 peilschaal of een andere manier van peilregistratie.

  • 5.

    Daar waar peilgegevens alleen handmatig worden verzameld, is het streven dat dit gebeurt met een frequentie van minimaal eens in de 4 weken.

  • 6.

    Het waterschap streeft naar een kwaliteitsborging van het meetstelsel door elke 5 jaar een herijking uit te voeren van peilschalen en andere peilregistratie-apparatuur. Hierin worden ook de 10-jaarlijkse NAP-aanpassingen van Rijkswaterstaat meegenomen.

  • 7.

    Op de website van het waterschap worden gegevens over de waterpeilen beschikbaar gesteld voor iedereen die ze wil raadplegen.

 

Doel van deze beleidsuitgangspunten:

Het waterschap heeft met deze aanpak inzicht in het peilbeheer en de actualiteit van de peilbesluiten. Met deze gegevens kan snel worden ingespeeld op ontwikkelingen, bijvoorbeeld via een wijziging van een peilbesluit.

 

Toelichting

Ad 1: Het waterschap baseert het peilbeheer op systeeminzicht. Hiervoor zijn gegevens nodig, die worden verkregen via monitoring. Bij de eerste stap tijdens het opstellen van een peilbesluit zijn gemeten waterstanden nodig. Voor de tweede stap, het bepalen van de actuele situatie van het watersysteem, zijn naast waterstanden ook grondwaterstanden, gemaaldebieten en waterkwaliteitsmetingen vereist. Monitoring is echter niet alleen omwille van de evaluatie en voorbereiding van peilbesluiten nodig. Ook in het veld moet duidelijk zijn wat de waterstanden zijn, zodat belanghebbenden kunnen nagaan of de peilen kloppen. Vandaar dat de monitoring voor peilbeheer bestaat uit enerzijds de registratie van waterstanden op basis van peilschalen en anderzijds een uitgebreid programma aan diverse kwantiteits- en kwaliteitsmetingen.

 

Ad 2: Het waterschap streeft ernaar om op basis van beschikbare data uit het Waterkwantiteit Informatie Systeem (WIS) twee “soorten” evaluaties uit te voeren:

  • Een jaarlijkse evaluatie (dagelijks) peilbeheer, op basis van daggemiddelden van de waterpeilen, om antwoord te geven op de volgende vraag: lukt het om door het jaar heen de dagelijkse peilfluctuaties binnen de gestelde marges te houden?

  • Een evaluatie peilbesluiten, elke 3-5 jaar, op basis van weekgemiddelden van waterpeilen om antwoord te geven op de vraag: lukt het om op jaarbasis of seizoensbasis binnen de gestelde marges van het peilbesluitpeil/praktijkpeil te blijven? En: hoever zijn we met het implementeren van peilbesluitpeilen in de peilbesluiten (bijvoorbeeld in de gevallen waar nog maatregelen uitgevoerd moeten worden)?

 

Ad 3: Het waterschap vindt het belangrijk om niet alleen tijdens het opstellen van peilbesluiten maar ook tussentijds contact te hebben met het gebied om de uitvoering van het peilbesluit te evalueren. Hier kan aanleiding voor zijn vanuit de evaluaties, maar ook vanuit andere actuele thema’s of programma’s. Het streven is om dit eens per 5 jaar te doen.

 

Ad 4: In het peilbesluit staat welke peilschaal in een peilgebied maatgevend is. In elk peilgebied staat tenminste één representatieve peilschaal die bij voorkeur voor zowel belanghebbenden als het waterschap goed bereikbaar is, of een punt waar het peil op een andere manier wordt bemeten of ingeschat. Zijn er meerdere peilschalen/locaties in een peilgebied, dan kan er worden gemiddeld. Ook bij het instellen van nieuwe peilgebieden en bij nieuw te realiseren primaire watergangen worden voorzieningen geplaatst om de waterstand te registreren. Op de kaart (schaal 1:10.000) behorende bij het peilbesluit wordt aangegeven waar de locaties hiervan zich bevinden.

 

Ad 5 en 6: 1 x per 4 weken handmatig het waterpeil meten is een minimum om voldoende beeld te kunnen krijgen van het peilverloop door de tijd heen. Regelmatig ijken is van belang voor de kwaliteitsborging van het meetstelsel.

 

Ad 7: het publiek moet toegang kunnen hebben tot de actuele peilgegevens van het waterschap, niet alleen door ter plekke rechtstreeks peilen te kunnen aflezen, maar ook op internet via het Open Data portaal.