Waterschapsblad van Waterschap Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Waterschap LimburgWaterschapsblad 2019, 3493Beleidsregels



Beleidsregel van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de beleidsregels van de keur Beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 1

Het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg maakt bekend dat met ingang van 1 april 2019 in werking treedt:

 

  • 1.

    het besluit van het algemeen bestuur van 13 maart 2019, inhoudende:

    • het vaststellen van:

      • de Keur Waterschap Limburg 2019 (inclusief toelichting);

      • de legger Waterschap Limburg 2019;

      • de beleidsregel legger Waterschap Limburg 2019;

    • het intrekken van:

      • de Keur Waterschap Peel en Maasvallei 2013 en de Keur Waterschap Roer en Overmaas 2014;

      • de legger Waterschap Peel en Maasvallei en de legger Waterschap Roer en Overmaas;

      • de beleidsregels van Waterschap Peel en Maasvallei genaamd “Algemene toetsingscriteria waterstaatswerken en grondwater” en “Uitgangspunten nieuwe legger 2005”;

      • de beleidsregel van Waterschap Roer en Overmaas genaamd “Notitie taakopvatting watersysteembeheer Waterschap Roer en Overmaas”; “Beleidsregels leggerplicht” en “Beleidsnota lozen van afgekoppeld regenwater op oppervlaktewater”.

  • 2.

    het besluit van het dagelijks bestuur van 12 maart 2019, inhoudende :

    • het vaststellen van de Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 en de bijhorende beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019;

    • het intrekken van diverse algemene regels en beleidsregels van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas (zie bijlage vaststellingsbesluit DB).

Met de vaststelling en inwerkingtreding van deze nieuwe regelgeving en legger komt een einde aan de situatie waarin de regelgeving van de twee voormalige waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas nog van kracht was. De nieuw vastgestelde legger zal de legger van de voormalige waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas vervangen.

 

In deze bekendmaking is de tekst van een gedeelte (deel 1) van de beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 opgenomen. Het overige gedeelte (deel 2) van de beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 en de teksten van de Keur Waterschap Limburg 2019, de Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019, de beleidsregel legger Waterschap Limburg 2019 en de verwijzing naar de legger Waterschap Limburg 2019 worden vanwege de omvang apart bekendgemaakt.

 

U kunt de stukken ook inzien in de linkerkolom bij deze bekendmaking

 

Rechtsbescherming

Het is niet mogelijk beroep in te stellen tegen de vaststelling van de keur, uitvoeringsregels en de beleidsregels. Tegen de onderhavige vaststelling van de Legger Waterschap Limburg 2019 op grond van de Waterwet kunnen belanghebbenden binnen zes weken vanaf de dag na bekendmaking beroep instellen bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond, Sector Bestuursrecht, Postbus 950, 6040 AZ te Roermond. Dit geldt alleen voor belanghebbenden die bij de voorbereiding van deze legger tijdig hun zienswijzen naar voren hebben gebracht en voor belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij tijdens de termijn dat de legger ter inzage heeft gelegen redelijkerwijs niet in staat waren een zienswijze in te dienen. U kunt ook digitaal beroep instellen bij genoemde rechtbank via https://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Het besluit treedt in werking na de bekendmaking. Op grond van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht schorst het beroep de werking van dit besluit niet. Gelet hierop kan, indien tegen dit besluit beroep wordt ingesteld en onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dit vereist, gedurende de beroepstermijn tevens een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de Sector bestuursrecht van de rechtbank Limburg te Roermond. U kunt ook digitaal een voorlopige voorziening aanvragen bij genoemde rechtbank via https://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Voor het instellen van beroep en het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd. Wilt u nadere informatie over het instellen van beroep, het vragen van een voorlopige voorziening of het verschuldigde griffierecht dan verwijzen wij u naar voornoemde site.

 

Informatie

Voor meer informatie kunt u bellen met het waterschap 088 – 88 90 100 of uw vragen mailen naar keur@waterschaplimburg.nl.

Tekst regeling

 

Beleidsregels keur waterschap limburg 2019

Inhoudsopgave

 

  • 1.

    Lozen in een bronbeek aangegeven op kaart 1 genaamd ‘kaart bronbeken’

  • 2.

    Lozen van meer dan 100 m3 per uur in een primair water

    Lozen van meer dan 20 m3 per uur in een secundair of overig water

  • 3.

    Onttrekken van meer dan 100 m3 water per uur uit een op oppervlaktewater dat is aangegeven op kaart 2, genaamd ‘kaart onttrekken uit oppervlaktewater’

    Onttrekken van water uit een oppervlaktewater dat niet is aangegeven op kaart 2, genaamd ‘kaart onttrekken uit oppervlaktewater’

  • 4.

    Aanleggen van een duiker in een primair water

    Aanleggen van een duiker in een secundair water

  • 5.

    Aanleggen van een brug over een primair water waarbij palen/pijlers worden aangebracht in het oppervlaktewater

    Aanleggen van een brug binnen een meanderzone

    Aanleggen van een brug binnen een inundatiegebied

  • 6.

    Aanleggen van een bouwwerk binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

    Aanleggen van een bouwwerk binnen het profiel van vrije ruimte behorende bij een oppervlaktewater

    Aanleggen van een bouwwerk binnen een meanderzone

    Aanleggen van een bouwwerk binnen een inundatiegebied

  • 7.

    Aanleggen of inrichten van een parcours voor recreatieve doeleinden binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

  • 8.

    Aanbrengen van bomen en struiken binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

  • 9.

    Plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

  • 10.

    Lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak

  • 11.

    Realiseren van een project in een aaneengesloten gebied van > 10 ha dat waterstaatkundige gevolgen kan hebben buiten het projectgebied

  • 12.

    Verleggen en aanpassen van een primair en secundair oppervlaktewater

  • 13.

    Ontgronden bij een waterkering

  • 14.

    Aanleggen van een hogedrukleiding bij een waterkering

  • 15.

    Aanleggen van kleine bouwwerken binnen de kernzone van de waterkering

  • 16.

    Aanleggen of uitbreiden van een bouwwerk binnen de kernzone van een waterkering

    Aanleggen of uitbreiden van een bouwwerk binnen het profiel van vrije ruimte behorende bij een waterkering

  • 17.

    Aanleggen van straatmeubilair in de kernzone van een waterkering

  • 18.

    Aanleg of uitbreiding van een kelder in de kernzone van een waterkering

    Aanleg of uitbreiding van een kelder in de beschermingszone van een waterkering

  • 19.

    Verwijderen van een bouwwerk gelegen binnen de kernzone van een waterkering

    Verwijderen van een bouwwerk met kelder of diepe fundering (dieper dan 50 cm) binnen de beschermingszone van een waterkering

  • 20.

    Uitvoeren van grondmechanisch onderzoek binnen de kernzone van een waterkering

  • 21.

    Aanleggen van een bodemenergiesysteem binnen de kernzone van een waterkering

    Aanleggen van een bodemenergiesysteem binnen het profiel van vrije ruimte behorende bij een waterkering

  • 22.

    Aanleggen of verwijderen van verharding binnen de kernzone van een waterkering

    Aanleggen of verwijderen van verharding binnen de beschermingszone waarvoor een ontgraving van meer dan 50 cm moet worden uitgevoerd

  • 23.

    Aanleggen van een weg binnen de kernzone van een waterkering

    Aanleggen van een weg binnen het profiel van vrije ruimte behorende bij een waterkering

  • 24.

    Aanbrengen van een ophoging binnen de kernzone van een waterkering

  • 25.

    Aanleggen en inrichten van een parcours voor recreatieve doeleinden binnen de kernzone van een waterkering

  • 26.

    Gebruiken van de kernzone van een waterkering voor een evenement (tijdelijk en structureel; in hoeverre zijn er structurele evenementen?)

  • 27.

    Aanbrengen of verwijderen van beplanting binnen de kernzone van een waterkering

  • 28.

    Verleggen of reconstrueren van een waterkering

  • 29.

    Werken aan de waterkering

  • 30.

    Onttrekken van grondwater

  • 31.

    Draineren van gronden gelegen binnen de kernzone en beschermingszone van een waterkering.

0 Inleiding bij de beleidsregels

0.1 Inleiding

In de Keur en met name de uitvoeringsregels behorend bij de Keur, heeft het waterschap bepaald in welke gevallen een handeling in het watersysteem is toegestaan en wanneer hiervoor een vergunning nodig is.

Onder watersysteem wordt verstaan: het samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen.

In hoofdstuk 2 van de Keur heeft het algemeen bestuur van het waterschap doelcriteria vastgesteld. Deze criteria zijn bepalend voor de vraag of een handeling in het watersysteem kan worden toegestaan of niet. Het dagelijks bestuur heeft deze doelcriteria voor concrete situaties uitgewerkt in uitvoeringsregels, vastgelegd in het document “Uitvoeringsregels bij de Keur Waterschap Limburg 2019”. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur voor de handelingen die vergunningplichtig zijn, beleidsregels vastgesteld. Deze zijn vastgelegd in dit document “Beleidsregels bij de Keur Waterschap Limburg 2018”.

 

De beleidsregels zijn onderverdeeld in:

 

Deel 1: handelingen met betrekking tot oppervlaktewater (hoofdstuk 1 t/m 12)

Deel 2: handelingen met betrekking tot een waterkering (hoofdstuk 13 t/m 29) en

Deel 3: handelingen met betrekking tot grondwater (hoofdstuk 30 t/m 31).

0.2 Mogelijke uitkomsten stroomschema

In de uitvoeringsregels zijn stroomschema’s opgenomen waarin criteria zijn vastgelegd aan de hand waarvan kan worden bepaald of een handeling is toegestaan en aan welke regels moet worden voldaan. De initiatiefnemer kan met het duiden van de locatie waar de handeling plaatsvindt in de vergunningchecker (nog in ontwikkeling) zelf nagaan waar hij zich aan moet houden voordat hij de voorgenomen handeling uitvoert. Hierbij zijn verschillende uitkomsten mogelijk, te weten:

  • er moet alleen worden voldaan aan de zorgplicht (dit geldt altijd); of

  • naast de zorgplicht moet worden voldaan aan een algemene regel (al dan niet met voorafgaande melding); of

  • naast de zorgplicht moet een vergunning worden aangevraagd; of

  • de handeling is niet toegestaan; er geldt een algeheel verbod.

0.3 Zorgplicht

Zoals hierboven aangegeven moet de initiatiefnemer altijd voldoen aan de zorgplicht. Met deze zorgplicht wordt invulling gegeven aan het “ja-mits”-uitgangspunt waar de nieuwe Keur op is gebaseerd. Handelingen die in het stroomschema zijn aangeduid met “zorgplicht”, zijn toegestaan mits wordt voldaan aan de zorgplicht. Per hoofdstuk hebben wij aangegeven wat in elk geval onder de zorgplicht wordt verstaan. Hierin worden de belangrijkste aspecten genoemd die tot de zorgplicht behoren. De initiatiefnemer moet altijd zelf nagaan wat in het concrete geval moet worden gedaan of nagelaten om aan de zorgplicht te voldoen. In artikel 3.1 van de Keur staan de nadelige effecten voor het watersysteem die met de zorgplicht moeten worden voorkomen.

Daarnaast functioneert de zorgplicht ook als vangnet om te kunnen optreden tegen eventuele nadelige effecten van handelingen op het watersysteem, die niet op andere wijze zijn gereguleerd.

0.4 Vergunningplicht

Als volgens het stroomschema een vergunningplicht geldt, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd en moet hiervoor op grond van artikel 3.3 van de Keur eerst een vergunning zijn verleend. In dit document met beleidsregels is te lezen welk afwegingskader het waterschap hanteert bij de beoordeling van een vergunningaanvraag.

Eventuele vergunningen worden alleen verleend als waterstaatkundige belangen niet in het gedrang komen. Bij het verlenen van een vergunning worden deze belangen altijd afgewogen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de verbrede doelstellingen van de Waterwet te weten de samenhang met chemische en ecologische aspecten en de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Om op dit punt zoveel mogelijk duidelijkheid en zekerheid te bieden, zijn zowel ten behoeve van het waterschap als initiatiefnemers duidelijke uitgangspunten geformuleerd en vastgelegd in beleidsregels.

Daarnaast kan het zijn dat er voor een handeling naast een watervergunning op grond van de Keur nog andere regelgeving van toepassing is, waarvoor een vergunning nodig is. Te denken valt aan een lozingsvergunning van het waterschap (waterkwaliteitsaspecten) op basis van de Waterwet, een aanlegvergunning van een gemeente, een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer dient daar zelf op te letten.

0.5 Keuzevrijheid initiatiefnemer

De initiatiefnemer kan aan de hand van het stroomschema keuzes maken in de manier van uitvoering van de voorgenomen handeling, waarmee de uitkomst kan worden beïnvloed. Door een bouwplan of voorgenomen handeling aan te passen, waardoor op grond van het stroomschema andere criteria gelden, kan het doorlopen van het stroomschema een andere uitkomst geven. De uitkomst kan dan bijvoorbeeld zijn alleen zorgplicht of een algemene regel, in plaats van een vergunningplicht.

Verder heeft de initiatiefnemer de vrijheid, tenzij in dit document en/of het document met uitvoeringsregels anders is aangegeven, om gecombineerde handelingen te splitsen of samen te voegen. De basis hiervoor ligt in artikel 3.4 van de Keur. Als een voorgenomen project uit meerdere handelingen bestaat waarbij voor één of meer van de handelingen een vergunningplicht geldt, dan kan de initiatiefnemer voor dat project een gecombineerde vergunning aanvragen, waarin dus ook de handelingen worden opgenomen waarvoor een algemene regel bestaat.

Blijkt echter bij het doorlopen van de stroomschema’s dat een handeling op basis van één of meer van de stroomschema’s vergunningplichtig is, dan is de handeling altijd vergunningplichtig, ook al geeft één van de stroomschema’s aan dat er een algemene regel voor is. Dit kan voorkomen als vanuit het watersysteembelang geen vergunningplicht geldt, maar wel vanuit het waterkeringenbelang.

De initiatiefnemer heeft met dit alles meer keuzevrijheid, maar krijgt tevens meer verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van het watersysteem. Per hoofdstuk hebben wij aangegeven dat mogelijk ook andere hoofdstukken met regelgeving van toepassing zijn. Indien is verwezen naar andere hoofdstukken is dat niet uitputtend bedoeld, maar slechts informatief.

Gezien de keuzevrijheid die de initiatiefnemer krijgt, is het voor het waterschap niet mogelijk een uitputtende opsomming te geven van alle mogelijk van toepassing zijnde regels. Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere algemene regels en/of andere regelgeving moet voldoen.

0.6 Relatie tussen vergunningen eigendomssituatie

De eigendomssituatie van de locatie is geen beoordelingscriterium voor de watervergunning. Het eigendom beïnvloedt immers niet het onderhoud en/of de doorstroming. Of derden toestemming geven of niet is geen beoordelingscriterium voor de vergunning. Het waterschap zal niet de

eigendomssituatie verifiëren. Dat is een zaak tussen de aanvrager en de eigenaar. In de begeleidende brief bij de vergunning zal het waterschap standaard aangeven dat er mogelijk nog andere vergunningen of toestemmingen van eigenaren nodig zijn.

0.7 Hoe aanvraag indienen?

Een aanvraag voor een vergunning moet bij het waterschap worden ingediend op het daarvoor bestemde aanvraagformulier. Dit formulier kunt u vinden op de site van het waterschap: www.waterschaplimburg.nl. Tevens kan de aanvraag digitaal worden ingediend via het Omgevingsloket: www.omgevingsloket.nl. Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.

0.8 Vragen?

Bij het opstellen van de beleidsregels is er naar gestreefd dit op een zo klantvriendelijk mogelijke manier te doen. Indien een en ander toch niet duidelijk is, is het raadzaam voorafgaand aan het uitvoeren van de handeling of het indienen van de vergunningaanvraag, te informeren bij de afdeling Vergunningverlening en Plantoetsing van het waterschap.

0.9 Achtergrondinformatie over het hoe en waarom van beleidsregels

Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (en verder) maakt het mogelijk om beleidsregels vast te stellen Deze beleidsregels moeten er voor zorgen dat aanvragen om vergunning volgens vaste toetsingscriteria en maatstaven worden beoordeeld.

 

0.9.1 Definitie

In artikel 1:3 vierde lid Awb, wordt de volgende definitie gegeven van een beleidsregel: ''Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.''

Enkele opmerkingen hierbij:

  • een beleidsregel is een besluit in de zin van de Awb en moet dus aan dezelfde eisen voldoen ter zake van motivering en bekendmaking;

  • een beleidsregel geeft aan hoe het bestuursorgaan in bepaalde gevallen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid;

  • anders dan bijvoorbeeld een algemeen verbindend voorschrift, kent de beleidsregel een zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid. Dit wil zeggen dat het bestuursorgaan zich altijd moet afvragen of er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de beleidsregel vereisen. Strikte toepassing van de beleidsregel kan in voorkomende gevallen immers onevenredige gevolgen hebben. In die gevallen dient gemotiveerd van de beleidsregel te worden afgeweken;

  • het bestuursorgaan kan slechts beleidsregels vaststellen ten aanzien van de eigen bevoegdheden. In dit geval is dat dus het dagelijks bestuur.

0.9.2 Voordeel

Beleidsregels bieden de burger rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; dat is een belangrijk voordeel. Voor het waterschap betekenen de beleidsregels dat in vergelijkbare gevallen niet iedere keer dezelfde afweging en motivering hoeft te worden gemaakt. Er kan eenvoudig naar de beleidsregel worden verwezen.

 

0.9.3 Binding

De burger mag dus verwachten dat hij in principe een vergunning krijgt als hij een aanvraag indient die strookt met de betrokken beleidsregel. Aan de andere kant moet het bestuursorgaan de gevraagde vergunning in principe weigeren als deze niet strookt met de betrokken beleidsregel. In beide gevallen geldt dat in bijzondere gevallen en om zwaarwegende redenen van de beleidsregel dient te worden afgeweken.

 

0.9.4 Afwijking

Alleen in bijzondere gevallen dient van de beleidsregel te worden afgeweken. Bijvoorbeeld omdat het belang van toepassing van de regel niet opweegt tegen het grotere belang van de aanvrager. Andersom kan ook: een aanvraag lijkt binnen de beleidsregel te passen, maar er zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aanvraag alsnog moet worden geweigerd. In beide gevallen zal een besluit goed gemotiveerd moeten worden.

Indien dezelfde afwijking regelmatig (of zelfs structureel) voorkomt is beter om de beleidsregel te wijzigen. Een dergelijke wijziging behoort uit een oogpunt van rechtszekerheid op dezelfde wijze tot stand te komen als de beleidsregel zelf. Van een beleidsregel mag en moet alleen worden afgeweken als de strikte naleving, gelet op de strekking van de beleidsregel zelf, niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel voor belanghebbende(n) of de waterschapsbelangen zou opleveren.

 

0.9.5 Bezwaar en beroep

De Awb biedt op grond van artikel 8:2 onder b tegen de vaststelling van de beleidsregels zelf géén bezwaar- of beroepsmogelijkheden. Uiteraard is dat wel het geval met besluiten, zoals vergunningen die onder de werking van een beleidsregel tot stand komen. In dat kader kan een rechter, indien deze een beleidsregel geheel of gedeeltelijk onrechtmatig vindt, alsnog de onverbindendheid van de beleidsregel zelf vaststellen.

1. Lozen in een bronbeek

1.1 Inleiding

Het lozen van water, anders dan hemelwater in een bronbeek is in alle gevallen vergunningplichtig. Dit betekent dat de handeling niet zonder meer mag worden uitgevoerd. In de uitvoeringregel is toegelicht waarom hiervoor een vergunningplicht geldt.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

1.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het lozen van water, anders dan hemelwater, in een bronbeek houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de ecologische kwaliteit en waarde van de bronbeek.

  • b)

    Het voorkomen van wateroverlast.

  • c)

    Het voorkomen van schade aan het oppervlaktewater.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:

 

Ad a: het beschermen van de ecologische kwaliteit en waarden van de bronbeek

Een bronbeek heeft, vanwege de voeding uit de bron, een relatief constante afvoer van water van een relatief constante samenstelling en kwaliteit. De ecologie en de ecologische waarden en betekenis van de bronbeek is daar van nature op afgestemd. De ecologische kwaliteit en waarden van bronbeken is hoog en dient ten minste behouden te blijven.

Een lozing van water, anders dan hemelwater, kan een negatief effect hebben op de ontwikkeling en het behoud van de ecologische kwaliteit en waarden van de bronbeek.

Om die reden hanteren wij een zeer restrictief beleid ten aanzien van het toelaten van lozingen van water via een lozingsvoorziening, anders dan hemelwater. In principe staan wij deze lozingen niet toe in een bronbeek. Alleen in zeer bijzondere situaties, waarbij zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzaken tot de lozing, kan vergunning worden verleend. In elk geval dient dan duidelijk te zijn dat de lozing noodzakelijk is en dat het te lozen water niet op een andere wijze kan worden afgevoerd. Aan een te verlenen vergunning zullen voorschriften worden verbonden gericht op het beperken van het effect van de lozing op de ecologische kwaliteit en waarden van de bronbeek. Hierbij kan worden gedacht aan het zoveel mogelijk beperken van de te lozen hoeveelheid per uur en aan de duur van de lozing.

 

Ad b: het voorkomen van wateroverlast

Naast bescherming van het belang van de ecologische kwaliteit en waarden van de bronbeek dient voorkomen te worden dat als gevolg van de beoogde lozing wateroverlast kan ontstaan. Bij het beoordelen hiervan is enerzijds de afvoercapaciteit van het ontvangende oppervlaktewater van belang en anderzijds de intensiteit van de lozing. Ook wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met mogelijk andere vergunde lozingen (cumulatief effect).

 

Ad c: Het voorkomen van schade aan het oppervlaktewater

Het lozen van water kan leiden tot schade aan het talud en de bodem van het oppervlaktewater. Met een goed ingerichte lozingsvoorziening kan deze schade worden voorkomen. Het aanleggen van een lozingsvoorziening is via de zorgplicht geregeld. De zorgplicht geldt naast de vergunningplicht.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld ten aanzien van de maximaal te lozen hoeveelheid water. Ook ten aanzien van de locatie van de lozing en de lozingsvoorziening kunnen voorschriften worden gesteld. 

2. Lozen in een oppervlaktewater, niet zijnde bronbeek

 

  • -

    100 m3 per uur via een lozingsvoorziening in een primair water

  • -

    20 m3 per uur via een lozingsvoorziening in een secundair of overig water

2.1 Inleiding

Het lozen van water, anders dan hemelwater in een primair water is vergunningplichtig wanneer meer dan 100 m3 per uur wordt geloosd. Voor een secundair water geldt dat dit het geval is bij een lozing van meer dan 20 m3 per uur. Het verschil in omvang van de lozing vloeit voort uit het feit dat een primair water een grotere afvoercapaciteit heeft dan een secundair water.

Dit betekent dat de handeling niet zonder meer mag worden uitgevoerd. In de uitvoeringregel is toegelicht waarom hiervoor een vergunningplicht geldt.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

2.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het lozen van water, anders dan hemelwater, via een lozingsvoorziening in een bronbeek houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het voorkomen van wateroverlast.

  • b)

    Het voorkomen van schade aan het oppervlaktewater.

  • c)

    Het beschermen van de ecologische kwaliteit en waarde van het oppervlaktewater.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:

 

Ad a: het voorkomen van wateroverlast

Voorkomen moet worden dat als gevolg van de beoogde lozing wateroverlast kan ontstaan. Bij het beoordelen hiervan is enerzijds de afvoercapaciteit van het ontvangende oppervlaktewater van belang en anderzijds de intensiteit van de lozing. Ook wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met mogelijk andere vergunde lozingen (cumulatief effect).

 

Ad b: Het voorkomen van schade aan het oppervlaktewater

Het lozen van water kan leiden tot schade aan het talud en de bodem van het oppervlaktewater. Met een goed ingerichte lozingsvoorziening kan deze schade worden voorkomen. Het aanleggen van een lozingsvoorziening is via de zorgplicht geregeld. De zorgplicht geldt naast de vergunningplicht.

 

Ad c: Het beschermen van de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater

De ecologische kwaliteit van een oppervlaktewater is één van de belangen die het waterschap op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) moet beschermen en, waar mogelijk, moet ontwikkelen. Dit belang wordt beoordeeld in het kader van de aanvraag voor een vergunning. De bestaande en beoogde ecologische waarde van het ontvangende oppervlaktewater ligt aan de basis van de beoordeling. Een verslechtering daarvan als gevolg van de lozing dient te worden voorkomen. De in het waterbeheerplan opgenomen waterhuishoudkundige functie van het oppervlaktewater is hiervoor een graadmeter.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld ten aanzien van de maximaal te lozen hoeveelheid water. Ook ten aanzien van de locatie van de lozing en de lozingsvoorziening kunnen voorschriften worden gesteld. 

3. Onttrekken van water uit een oppervlaktewater:

 

  • -

    meer dan 100 m3 water per uur uit een op oppervlaktewater dat is aangegeven op kaart 2, genaamd ‘kaart onttrekken uit oppervlaktewater’

  • -

    dat niet is aangegeven op kaart 2, genaamd ‘kaart onttrekken uit oppervlaktewater’

3.1 Inleiding

Het onttrekken van water uit een oppervlaktewater dat is aangegeven op de ‘kaart onttrekken uit oppervlaktewater’ is vergunningplichtig wanneer meer dan 100 m3 per uur wordt onttrokken. Voor oppervlaktewateren die niet op de ‘kaart onttrekken uit oppervlaktewater’ zijn opgenomen geldt dat elke onttrekking vergunningplichtig is.

Dit betekent dat de handeling niet zonder meer mag worden uitgevoerd. In de uitvoeringregel is toegelicht waarom hiervoor een vergunningplicht geldt.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving en Plantoetsing van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

3.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het onttrekken van water uit een oppervlaktewater houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het voorkomen van (versnelde) droogval van het oppervlaktewater.

  • b)

    Het beschermen van de ecologische kwaliteit en waarde van het oppervlaktewater.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:

 

Ad a: het voorkomen van (versnelde) droogval van het oppervlaktewater

Onttrekkingen groter dan 100 m3 per uur kunnen tot gevolg hebben dat oppervlaktewateren (versneld) droogvallen. Dat geldt ook voor de grotere oppervlaktewateren waar onttrekkingen van maximaal 100 m3 per uur toelaatbaar zijn vanwege het beperkte risico op (versnelde) droogval als gevolg van onttrekkingen. Om die reden geldt voor deze onttrekkingen een vergunningplicht, zodat per individueel geval kan worden afgewogen of de onttrekking kan worden toegelaten en zo ja, onder verbinding van welke voorschriften.

Bij de beoordeling van de aanvraag speelt de normale afvoer van het oppervlaktewater en de functie van het oppervlaktewater in het waterbeheerplan een belangrijke rol. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt ook het effect van reeds aanwezige onttrekkingen betrokken (cumulatief effect).

 

Ad b: Het beschermen van de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater

De ecologische kwaliteit van een oppervlaktewater is één van de belangen die het waterschap op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) moet beschermen en, waar mogelijk, moet ontwikkelen. Dit belang wordt beoordeeld in het kader van de aanvraag voor een vergunning. De bestaande en beoogde ecologische waarde van het ontvangende oppervlaktewater ligt aan de basis van de beoordeling. Een verslechtering daarvan als gevolg van de onttrekking dient te worden voorkomen. De in het waterbeheerplan opgenomen waterhuishoudkundige functie van het oppervlaktewater is hiervoor een graadmeter. Onttrekkingen uit bronbeken (zie kaart 1 bronbeken) worden in beginsel niet toegestaan vanwege de het grote effect van onttrekkingen op zowel de waterafvoer als op de ecologische kwaliteit en waarde van de bronbeek. Alleen in zeer bijzondere situaties, waarbij zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzaken tot de onttrekking, kan vergunning worden verleend. In elk geval dient dan duidelijk te zijn dat de onttrekking noodzakelijk is. Aan een te verlenen vergunning zullen voorschriften worden verbonden gericht op het beperken van het effect van de onttrekking op de ecologische kwaliteit en waarden van de bronbeek. Hierbij kan worden gedacht aan het zoveel mogelijk beperken van de te onttrekken hoeveelheid per uur en aan de duur van de lozing. Ook de periode van onttrekking (droge periode of natte periode van het jaar) wordt betrokken bij beoordeling van de aanvraag.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld ten aanzien van de maximaal te onttrekken hoeveelheid water.

 

Daarnaast kunnen beperkingen aan de onttrekking worden gesteld in een situatie van (dreigende) ernstig tekort aan oppervlaktewater. Het dagelijks bestuur kan op grond van artikel 3.6 van de keur onttrekkingen uit oppervlaktewater beperken of zelf geheel verbieden in een situatie van (dreigend) ernstig tekort aan oppervlaktewater. Vergunninghouders worden op de hoogte gesteld van de instelling van dergelijke beperkingen.  

4. Aanleggen van een duiker of overkluizing in een primair en secundair oppervlaktewater

4.1 Inleiding

Elk werk dat binnen het doorstroomprofiel van een primair en secundair oppervlaktewater wordt gerealiseerd leidt tot risico’s voor de doorstroming van het oppervlaktewater en heeft daarnaast gevolgen voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud. Aanleg van duikers en overkluizingen in oppervlaktewateren met een belangrijke ecologische functie kan ongewenste gevolgen voor de ecologische kwaliteit en waarden hebben.

Dit betekent dat de handeling niet zonder meer mag worden uitgevoerd. In de uitvoeringregel is toegelicht waarom hiervoor een vergunningplicht geldt.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

4.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een duiker of overkluizing in een primair en secundair oppervlaktewater houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de wateraf- en doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater.

  • b)

    Het beschermen van de ecologische kwaliteit en waarde van het oppervlaktewater.

  • c)

    Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:

 

Ad a: het beschermen van de wateraf- en doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater

De aanwezigheid van een duiker of overkluizing kan leiden tot belemmeringen voor de afwatering en het doorvoeren van het water. Van groot belang bij het voorkomen van belemmeringen voor de afwatering, is het doorstromingsprofiel van de duiker. Het doorstromingsprofiel van een duiker en van een overkluizing moet afgestemd zijn op het in het oppervlaktewater in maatgevende omstandigheden voorkomende debiet.

Beperkingen ter zake de ontwateringsfunctie van een oppervlaktewaterlichaam kunnen ontstaan bij overkluizingen van langer dan 30 meter. Als de aanvraag hier betrekking op heeft dan wordt getracht via het verbinden van voorschriften aan de vergunning (bijv. het aanbrengen van een molgoot) een voldoende borging van de ontwateringsfunctie en/of bergingscapaciteit te realiseren. Blijkt dit niet mogelijk, dan kan de gevraagde vergunning in het algemeen niet worden verleend. In beginsel wordt geen vergunning verstrekt voor het leggen van een duiker langer dan 15 meter of overkluizing ten behoeve van het realiseren van toegang tot een perceel.

 

Ad b: Het beschermen van de ecologische kwaliteit en waarde van het oppervlaktewater

In oppervlaktewateren met een belangrijke ecologische functie (zie waterbeheerplan) zijn langere duikers en overkluizingen ongewenst vanwege de negatieve effecten hiervan voor o.a. vissen. Doordat in langere duikers en overkluizingen hogere stroomsnelheden voorkomen, een minder dikke waterschijf aanwezig is, schuilmogelijkheden afwezig zijn, geen lichtinval is en een onnatuurlijk profiel bestaat, hebben langere duikers en overkluizingen een negatief effect op de vissen. Aangezien in oppervlaktewateren met een belangrijke ecologische functie de ecologische ontwikkeling wordt gestimuleerd is het toelaten van nieuwe belemmeringen ongewenst. Indien mogelijk worden belemmeringen als gevolg van de aanwezigheid van de duiker of overkluizing via het verbinden van voorschriften aan de vergunning voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan voorzieningen gericht op de passeerbaarheid van de duiker of overkluizing door o.a. vissen. Indien het negatieve effect van de duiker of overkluizing niet voldoende kan worden beperkt, dan dient de aangevraagde vergunning te worden geweigerd.

 

Ad c: Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud

Een duiker of overkluizing vormt per definitie een belemmering voor het voeren van doelmatig onderhoud. Naast het belang van het waterschap, speelt het belang van de initiatiefnemer bij de duiker een rol in de afweging. Het belang van initiatiefnemer kan in bepaalde situaties hoger worden gewaardeerd dan de inbreuk op het belang van het waterschap. Dit leidt er dan toe dat de gevraagde vergunning wordt verleend.

De volgende belangen worden onderscheiden:

 

Algemeen belang

Een oppervlaktewater vormt een verkeersbelemmering indien dit is gelegen in een gepland

tracé van een openbare weg, spoorweg of fiets-\voetpad. De belemmering kan worden opgeheven

met een duiker. Ook een brug kan een oplossing bieden. In overleg met de wegbeheerder wordt bezien welke oplossing in het concrete geval de voorkeur heeft. Daarbij wordt tevens bezien of een duiker of overkluizing kan worden vermeden, dan wel zo beperkt mogelijk kan worden gehouden wat betreft lengte.

 

Weging algemene belangen:

Het algemeen verkeersbelang wordt, indien is gebleken dat een alternatieve oplossing niet mogelijk is, geacht zwaarder te wegen dan het belang van het waterschap. Aan de vergunning zullen zodanig voorschriften worden verbonden dat de af- en doorvoerfunctie van het oppervlaktewater niet in gevaar komt. Vergunninghouder wordt belast met het onderhoud van de duiker of overkluizing, inclusief de in- en uitstroomvoorzieningen en eventueel noodzakelijke inspectieputten, zowel wat betreft de constructieve aspecten als wat betreft het schoonhouden van het doorstroomprofiel.

 

Particulier en bedrijfsbelang:

Een oppervlaktewater kan een belemmering vormen voor de toegankelijkheid van percelen.

Onderscheid wordt gemaakt tussen een primaire en een secundaire ontsluiting van een perceel.

Zonder een primaire ontsluiting kan het perceel niet worden bereikt vanwege de aanwezigheid van een oppervlaktewater. In deze gevallen wordt de aanleg van een duiker toegestaan.

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een secundaire ontsluiting dan is het te bereiken perceel al ontsloten door een primaire ontsluiting. Bij een perceelsbreedte van minder dan 100 meter wordt in het algemeen geen secundaire ontsluiting met een duiker toegestaan.

Verzoeken om aanleg van een duiker ten behoeve van uitbreiding van een perceel ten behoeve van bijv. tuin, terras, bedrijfsterrein, etc., worden in het algemeen geweigerd met het oog op de belangen van het waterschap.

In beginsel wordt geen vergunning verleend voor het aanleggen van een overkluizing (duiker langer dan 15 meter) ten behoeve van particuliere – en bedrijfsbelangen.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de lengte, de diameter, de constructie en de wijze van aanleg van een duiker of overkluizing. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie.

Daarnaast wordt vergunninghouder belast met het onderhoud van de duiker of overkluizing, inclusief de in- en uitstroomvoorzieningen en eventueel noodzakelijke inspectieputten, zowel wat betreft de constructieve aspecten als wat betreft het schoonhouden van het doorstroomprofiel. Het onderhoud wat betreft het schoonhouden van het doorstroomprofiel kan, in overleg en met vergoeding van kosten, worden overgedragen aan het waterschap.

5. Aanleggen van een brug

 

  • -

    over een primair oppervlaktewater waarbij palen/pijlers worden aangebracht in het oppervlaktewater

  • -

    binnen een meanderzone

  • -

    binnen een inundatiegebied

5.1 Inleiding

Elk werk dat binnen het doorstroomprofiel van een primair en secundair oppervlaktewater wordt gerealiseerd leidt tot risico’s voor de doorstroming van het oppervlaktewater en heeft daarnaast gevolgen voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud. De aanwezigheid van een brug met palen of pijlers tussen de insteken van een oppervlaktewater kan tot belemmeringen in de wateraf- en –doorvoer leiden. De aanwezigheid van een brug in een meanderzone kan een negatief effect hebben op het (beoogde) meanderproces, terwijl de aanwezigheid van een brug in een inundatiegebied een belemmering kan vormen voor het functioneren van een inundatiegebied.

Dit betekent dat de handeling niet zonder meer mag worden uitgevoerd. In de uitvoeringregel is toegelicht waarom hiervoor een vergunningplicht geldt.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

5.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een brug met palen of pijlers in een oppervlaktewater, binnen een meanderzone houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater.

  • b).

    Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud.

  • c)

    Het beschermen van het kunnen functioneren van de meanderzone

  • d)

    Het beschermen van het kunnen functioneren van een inundatiegebied

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Het onderstaande afwegingskader geldt als de brug wordt geplaatst in een oppervlaktewater.

 

Ad a: het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater

Bij binnen het oppervlaktewater geplaatste palen of pijlers vormt het verzamelen van drijfvuil een groot risico voor de wateraf- en –doorvoer. Aan te brengen palen of pijlers moeten zodanig worden geplaatst en vormgegeven dat deze een zo beperkt mogelijk risico vormen voor het verzamelen van drijfvuil. Per situatie beoordeelt het waterschap op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven.

Aanvullend aan het voorgaande moet vermeden worden dat de onderkant van de brugconstructie geen belemmering voor de wateraf- en –doorvoer vormt. Om die reden zullen in de vergunning voorschriften worden opgenomen met betrekking tot de afstand die in acht genomen moet worden tussen de onderkant van de brug en de hoogwaterlijn van het betreffende oppervlaktewater.

Het waterschap voert om deze redenen een restrictief beleid ten aanzien van het verlenen van een vergunning voor het aanleggen van een brug met palen of pijlers binnen de insteken van het oppervlaktewater.

 

Ad b: het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud

Een brug vormt per definitie een belemmering voor het voeren van doelmatig onderhoud. Naast het belang van het waterschap, speelt het belang van de initiatiefnemer bij de brug een rol in de afweging. Het belang van initiatiefnemer kan in bepaalde situaties hoger worden gewaardeerd dan de inbreuk op het belang van het waterschap. Dit leidt er dan toe dat de gevraagde vergunning wordt verleend.

De volgende belangen worden onderscheiden:

 

Algemeen belang

Een oppervlaktewater vormt een verkeersbelemmering indien dit is gelegen in een gepland tracé van een openbare weg, spoorweg of fiets-\voetpad. De belemmering kan worden opgeheven met een brug. Ook een duiker kan een oplossing bieden. In overleg met de wegbeheerder wordt bezien welke oplossing in het concrete geval de voorkeur heeft. Daarbij wordt tevens bezien of een brug met palen of pijlers tussen de insteken van het oppervlaktewater kan worden vermeden.

 

Weging algemene belangen:

Het algemeen verkeersbelang wordt, indien is gebleken dat een alternatieve oplossing niet mogelijk is, geacht zwaarder te wegen dan het belang van het waterschap. Aan de vergunning zullen zodanig voorschriften worden verbonden dat de af- en doorvoerfunctie van het oppervlaktewater niet in gevaar komt. Vergunninghouder wordt belast met het onderhoud van de brug zowel wat betreft de constructieve aspecten als wat betreft het schoonhouden van het doorstroomprofiel.

 

Particulier en bedrijfsbelang:

In zijn algemeenheid zal in deze situatie geen noodzaak bestaan tot het aanleggen van een zodanige brug dat het noodzakelijk is dat deze voorzien moet zijn van palen of pijlers binnen de insteken van het oppervlaktewater. In deze gevallen wordt de aanleg van zo’n brug in beginsel niet vergund.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de

wijze van aanleg van de brug met bijbehorende constructies en de aansluiting van de brug op de oevers. Dit laatste met het oog op het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud. Hierbij dient o.a. gedacht te worden aan de maximale helling van de op- en afrit van de brug ter plaatse van de onderhoudsstrook. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie.

Daarnaast wordt vergunninghouder belast met het constructieve onderhoud van de brug en met het onderhoud van het profiel onder de brug en ten minste twee meter aan weerzijden van de brug.

 

Het onderstaande afwegingskader geldt als de brug wordt geplaatst binnen een meanderzone.

 

Ad c. Het beschermen van het kunnen functioneren van de meanderzone

Een meanderzone is opgenomen in de legger in het geval het oppervlaktewater via een natuurlijk proces moet kunnen meanderen. De aanwezigheid en beoogde instandhouding van een brug in een oppervlaktewater dat is gelegen binnen een meanderzone heeft tot gevolg dat het beoogde natuurlijke meanderproces kan worden belemmerd. Hiervoor wordt in beginsel geen vergunning verleend, tenzij sprake is van een algemeen verkeersbelang. Een oppervlaktewater vormt een verkeersbelemmering indien dit is gelegen in een gepland tracé van een openbare weg, spoorweg of fiets-\voetpad. De belemmering kan worden opgeheven met een brug. In overleg met de wegbeheerder wordt bezien op welke wijze het werk zodanig kan worden uitgevoerd dat het beoogde natuurlijke meanderproces zo min mogelijk wordt verstoord.

 

Voorschriften

In aanvulling op de eerder vermelde voorschriften kunnen aanvullend voorschriften worden gesteld met het oog op het beschermen van het beoogde natuurlijke meanderproces.

 

Het onderstaande afwegingskader geldt als de brug wordt geplaatst binnen een inundatiegebied.

 

Ad c. Het beschermen van het kunnen functioneren van het inundatiegebied

Een inundatiegebied is vastgelegd om in tijden van overvloedige neerslag overtollig water op te kunnen vangen en vervult daarmee een belangrijke functie met het oog op het voorkomen van wateroverlast in stedelijke gebieden. Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden wat de effecten zijn en welke maatregelen er getroffen moeten worden om nadelige consequenties voor de doorstroming als gevolg van de aanleg van de brug zoveel mogelijk te voorkomen.

 

Voorschriften

In aanvulling op de eerder vermelde voorschriften kunnen aanvullend voorschriften worden gesteld met het oog op het beschermen van de functie van het inundatiegebied.

6. Aanleggen van een bouwwerk

 

  • -

    binnen de kernzone van een primair of secundair water

  • -

    binnen het profiel van vrije ruimte behorende bij een primair water

  • -

    binnen een meanderzone

  • -

    binnen een inundatiegebied

6.1 Inleiding

Door het plaatsen van een bouwwerk in de zones van en behorende bij een oppervlaktewater kan het functioneren van het oppervlaktewater en de bijbehorende zones ernstig worden aangetast. Ook het kunnen voeren van doelmatig onderhoud kan dusdanig worden belemmerd dat uitvoering ervan niet meer (doelmatig) mogelijk is. Daarom is het niet toegestaan een bouwwerk te plaatsen langs een oppervlaktewater zonder voorafgaande vergunning.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

Indien beoogd wordt het hemelwater afkomstig van het aan te leggen bouwwerk te lozen op een oppervlaktewater, dan geldt hiervoor op basis van uitvoeringsregel 1.11 een vergunningplicht. Zie ook beleidsregel 1.10.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

6.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een brug met palen of pijlers in een oppervlaktewater, binnen een meanderzone houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater.

  • b)

    Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud.

  • c)

    Het beschermen van het kunnen functioneren van de meanderzone en het inundatiegebied.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Het onderstaande afwegingskader geldt als het bouwwerk wordt geplaatst in de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater, een meanderzone of een inundatiegebied

 

Ad a: Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater

De kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater is opgenomen in de legger en omvat het oppervlaktewater (van insteek tot insteek) en, voor zover aanwezig, een onderhoudsstrook en een beschermingszone. Als langs het oppervlaktewater geen onderhoudsstrook aanwezig is, dan is een strook van 1,0 meter uit de insteek opgenomen in de kernzone. In het geval sprake is van een enkelzijdige onderhoudsstrook, dan ligt de grens van de kernzone aan de overzijde op 0,50 meter uit de insteek. De kernzone is gericht op het beschermen van het functioneren van het oppervlaktewater en op het beschermen van het voeren van doelmatig onderhoud.

 

Indien de aanwezigheid van het bouwwerk tot gevolg heeft dat de af- en doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater wordt verkleind, dan zal geen vergunning worden verleend. In overleg tussen de initiatiefnemer en het waterschap kan zo nodig worden bezien op welke wijze medewerking aan het initiatief kan worden verleend door bijvoorbeeld verlegging van het oppervlaktewater. Hieraan kan medewerking worden verleend indien dit geen negatief effect op de wateraf- en –doorvoer en op het voeren van doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed.

 

Ad b: Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud

In het geval de aanwezigheid van een bouwwerk tot gevolg heeft dat het voeren van doelmatig onderhoud wordt belemmerd kan alleen medewerking aan het initiatief worden verleend in het geval de belemmering door initiatiefnemer, in overleg met het waterschap, kan worden opgeheven. De wijze waarop hier invulling aan kan worden gegeven is situatieafhankelijk.

 

Ad c: Het beschermen van het kunnen functioneren van de meanderzone en het inundatiegebied

Een meanderzone is opgenomen in de legger in het geval het oppervlaktewater via een natuurlijk proces moet kunnen meanderen. Ter bescherming van deze functie wordt een bouwwerk in een meanderzone alleen toegestaan als het aan de rand van de meanderzone of op grote afstand van het oppervlaktewater ligt en verwacht mag worden dat meandering ook in de toekomst (binnen de technische levensduur van het bouwwerk) niet gehinderd wordt. In de vergunning kan worden voorgeschreven dat het bouwwerk niet tegen meandering beschermd mag worden.

 

Een inundatiegebied is een gebied dat is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen opvangen van overtollig water met het oog op het voorkomen van wateroverlast in stedelijk gebied. Ter bescherming van deze functie worden bouwwerken binnen een inundatiegebied niet toegestaan. Alleen bouwwerken die redelijkerwijs niet buiten het inundatiegebied gerealiseerd kunnen worden en er tevens sprake is van een zwaarwegend belang, kunnen onder voorwaarden worden toegestaan. Voorwaarde hierbij is dat de situering en uitvoering zodanig is dat de verhoging van de waterstand verwaarloosbaar is en de waterstand verhogende effecten duurzaam gecompenseerd worden. Tevens mag het bouwwerk geen stroomgeleiding teweegbrengen.

 

Het onderstaande afwegingskader geldt als de brug wordt geplaatst in de het profiel van vrije ruimte behorende bij een primair water.

 

Het profiel van vrije ruimte is in de legger opgenomen met het oog op het behoud van ruimte voor eventuele aanpassing van het oppervlaktewater (bijvoorbeeld verruiming van het profiel van het oppervlaktewater). Een bouwwerk binnen deze zone maakt aanpassing van het oppervlaktewater (nagenoeg) onmogelijk. Om deze reden wordt het aanleggen van een bouwwerk binnen een profiel van vrije ruimte in beginsel niet vergund. Alleen indien sprake is van zwaarwegende belangen kan medewerking aan een initiatief worden verleend. In dat geval zal het (toekomstig) functioneren van het oppervlaktewater voldoende geborgd moeten zijn.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de

wijze van aanleg van het bouwwerk. Dit met het oog op de bescherming van de stabiliteit van het oppervlaktewater (bijv. de taluds) en het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie.

7. Aanleggen of inrichten van een parcours voor recreatieve doeleinden binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

7.1 Inleiding

De aanwezigheid van een parcours voor recreatieve doeleinden binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater kan het functioneren van het oppervlaktewater en het voeren van doelmatig onderhoud dusdanig worden belemmerd dat uitvoering ervan niet meer (doelmatig) mogelijk is. Daarom is het niet toegestaan een parcours aan te leggen of in te richten voor recreatieve doeleinden binnen de kernzone van een oppervlaktewater zonder voorafgaande vergunning.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

7.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen en inrichten van een parcours voor recreatieve doeleinden houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater.

  • b)

    Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Ad a: Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater

Een parcours voor recreatieve doeleinden dient zodanig ingericht te worden dat de wateraf- en doorvoer niet wordt belemmerd. Dit betekent onder meer dat een oppervlaktewater alleen mag worden gekruist via een daarvoor ingerichte overgang (duiker of brug). Dit ter voorkoming van schade aan het oppervlaktewater en daaruit voortvloeiende risico’s voor de wateraf- en –doorvoer.

 

Ad b: Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud Voorzieningen ten behoeve van een parcours voor recreatieve doeleinden kunnen beperkingen opleveren voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud. Te denken is hierbij aan zaken als bewegwijzering, prullenbakken, bankjes en dergelijke. De locaties hiervan kunnen in afstemming tussen initiatiefnemer en waterschap worden bepaald, zodanig dat het voeren van doelmatig onderhoud niet wordt belemmerd.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de locatie en wijze van aanleg van voorzieningen ten behoeve van het parcours. Dit met het oog op de bescherming van de stabiliteit van het oppervlaktewater (bijv. de taluds) en het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie.

8. Aanbrengen van bomen en struiken binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

8.1 Inleiding

De aanwezigheid van bomen en struiken binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater kan het functioneren van het oppervlaktewater en het voeren van doelmatig onderhoud dusdanig belemmeren dat uitvoering ervan niet meer (doelmatig) mogelijk is. Daarom is het niet toegestaan bomen en struiken aan te brengen binnen de kernzone van een oppervlaktewater zonder voorafgaande vergunning.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

8.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen en inrichten van een parcours voor recreatieve doeleinden houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater.

  • b)

    Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Ad a: Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater

Het waterschap voert een restrictief beleid ten aanzien van het toestaan van bomen en struiken binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlakteater.

Het aanbrengen van beplanting binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater is in het algemeen niet gewenst in verband met het risico op beschadiging van oevers en taluds. Dit kan leiden tot verzakkingen en daarmee tot belemmeringen in de wateraf- en –doorvoerfunctie van het oppervlaktewater. Als gevolg daarvan wordt het risico op wateroverlast vergroot. Per individuele situatie zal beoordeeld moeten worden of de voorgenomen aanplant mogelijk is.

 

Ad b: Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud

De aanwezigheid van bomen en struiken binnen de kernzone vormt een grote belemmering voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud. Om die reden is de aanwezigheid van bomen en struiken binnen de kernzone in het algemeen ongewenst. Per individuele situatie zal beoordeeld moeten worden of de voorgenomen aanplant mogelijk is.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de locatie van aan te brengen bomen en struiken. Dit met het oog op de bescherming van de stabiliteit van het oppervlaktewater (bijv. de taluds) en het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud. De inhoud van deze voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie.

9. Het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater

9.1 Inleiding

De aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater kan het functioneren van het oppervlaktewater en het voeren van doelmatig onderhoud dusdanig belemmeren dat uitvoering ervan niet meer (doelmatig) mogelijk is. Daarom is het niet toegestaan een afrastering, hekwerk of schutting aan te leggen binnen de kernzone van een oppervlaktewater zonder voorafgaande vergunning.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

9.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van een primair of secundair oppervlaktewater houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater.

  • b)

    Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Ad a: Het beschermen van de wateraf- en -doorvoercapaciteit van het oppervlaktewater

Het waterschap voert een restrictief beleid ten aanzien van het toestaan van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlakteater.

Het aanbrengen van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater is in het algemeen niet gewenst in verband met het risico op beschadiging van oevers en taluds als gevolg van het plaatsen daarvan. Dit kan leiden tot verzakkingen en daarmee tot belemmeringen in de wateraf- en –doorvoerfunctie van het oppervlaktewater. Als gevolg daarvan wordt het risico op wateroverlast vergroot. Per individuele situatie zal beoordeeld moeten worden of de voorgenomen aanleg mogelijk is.

 

Ad b: Het beperken van belemmeringen met het oog op het voeren van doelmatig onderhoud

De aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone vormt een grote belemmering voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud.

Om die reden is de aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone en haaks op het oppervlaktewater in het algemeen ongewenst. Als gevolg daarvan wordt immers de doorgang voor het doelmatig voeren van onderhoud belemmerd. Een vergunning voor het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting haaks op het oppervlaktewater wordt alleen verleend met het oog op beveiliging en of bescherming van aanliggende bedrijfsgebouwen en –terreinen. De doorgang wordt via het stellen van voorschriften geborgd (zie onder: voorschriften).

Een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone parallel aan het oppervlaktewater wordt niet toegestaan. De breedte van de kernzone is afgestemd op de wijze van uitvoering van het doelmatig onderhoud bij het betreffende oppervlaktewater. Door het aanbrengen van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone parallel aan het oppervlaktewater wordt deze breedte beperkt, als gevolg waarvan het doelmatig kunnen voeren van onderhoud te zeer wordt beperkt.

Per individuele situatie zal beoordeeld moeten worden of de voorgenomen aanplant mogelijk is.

 

Voorschriften

Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de locatie en wijze van aanleg van voorzieningen ten behoeve van het parcours. Dit met het oog op de bescherming van de stabiliteit van het oppervlaktewater (bijv. de taluds) en het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie.

10 Lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak

10.1 Inleiding

Het lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak is op grond van de uitvoeringsregel ‘lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak’ in alle gevallen vergunningplichtig. Dit betekent dat de handeling niet zonder meer mag worden uitgevoerd. In de uitvoeringregel is toegelicht waarom hiervoor een vergunningplicht geldt.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

10.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak houden wij rekening met het volgende aspect:

  • a)

    het voorkomen van wateroverlast .

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:

 

ad a: het voorkomen van wateroverlast

Ten gevolge van de verwachte klimaatverandering zal de neerslagintensiteit toenemen. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra hemelwater mag worden geloosd ten opzichte van een lozing die vanaf onverhard terrein plaatsvindt (2 l/s/ha).

Vergunning voor het lozen van hemelwater afkomstig van nieuw verhard wordt verleend onder voorwaarde dat de lozing van het nieuw verharde oppervlak niet leidt tot een grotere lozing van hemelwater dan in de voorafgaande (onverharde) situatie.

 

Hanteren van het stand-still beginsel betekent dat een extra lozing ten gevolge van de aangelegde verharding moet worden voorkomen. Dit kan door het borgen van voldoende infiltratie dan wel door voldoende berging/buffering van het hemelwater.

 

Het risico op waterlast neemt ook toe bij wijziging van de lozingssituatie bij bestaande verharde oppervlakken. Wanneer hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en in plaats daarvan rechtstreeks op een oppervlaktewater wordt geloosd, ontstaat ter plaatse een nieuwe lozing op het oppervlaktewater. In die situatie is het niet altijd mogelijk een zodanige waterberging te realiseren dat voldaan wordt aan het vereiste dat geldt bij een lozing van hemelwater afkomstig van nieuw verhard. Realisering van voldoende waterberging in een bestaande bebouwde omgeving kan bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek niet altijd mogelijk blijken te zijn. In die situatie streven wij naar het realiseren van een bergingsomvang die redelijkerwijs mogelijk is. Het eerder vermelde stand still beginsel geldt in deze situatie niet als directe norm, maar beschouwen wij als een na te streven uitgangspunt dat we zo ver mogelijk willen trachten te bereiken.

 

Uitgangspunten

Ter invulling van het voorgaande hanteren wij de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Bij uitbreiding van verhard oppervlak wordt regenwater middels dynamische bergings-/infiltratievoorzieningen door de initiatiefnemer terug in de bodem gebracht (waterneutraal bouwen).

  • 2.

    Onder dynamische berging wordt verstaan de berging die te allen tijde beschikbaar is voor het bergen van neerslagwater. Bij bergingen die in open verbinding staan met het grondwater hanteren we hiervoor de ruimte boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG). Onder statische berging verstaan we de extra berging die mogelijk beschikbaar is bij gietwaterbassins van tuinders maar die niet gegarandeerd beschikbaar is.

  • 3.

    Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. We hanteren geen ondergrens.

  • 4.

    Dynamisch bergings/infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050. Voor Noord- en Midden-Limburg dient daarbij een buiduur van 24 uur te worden gehanteerd, zijnde 100mm. Voor Zuid-Limburg (heuvelland) geldt in afwijking hiervan bij maatwerk een buiduur van twee uur, zijnde 80 mm. Uitleg: in Zuid-Limburg is een korte bui meer bepalend voor de benedenstroomse belasting dan een langdurige bui.

  • 5.

    Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Noord- en Midden-Limburg maximaal 2l/s/ha geloosd worden. In Zuid-Limburg mag met de leegloopvoorziening maximaal 10l/s/ha worden geloosd. Bij grote ontwikkelingen (>50 ha) dient de initiatiefnemer altijd modelmatig aan te tonen dat dit benedenstrooms niet tot problemen leidt. Uitleg: in Zuid-Limburg is in de bestaande situatie vaak ook al sprake van oppervlakkige afstroming. Ook bij een grotere leegloop wordt de piek al flink afgevlakt.

  • 6.

    Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 centimeter. Geadviseerd wordt om een waking van 50 centimeter te hanteren. Aan de bovenkant van de voorgeschreven dynamische berging dient een calamiteitenleegloop aangelegd te worden met een maximale leegloop van 10l/s/ha. Aan de bovenkant van de voorziening mag een noodoverlaat worden aangebracht.

  • 7.

    Als het neerslagwater verpompt wordt (zoals vaak bij pot- en containerteelt het geval is) dient ook in beeld gebracht te worden wat de gevolgen zijn bij een 1:100 bui van 10 minuten, zijnde 30 mm. E.e.a. kan leiden tot aanvullende eisen aan de noodzakelijke pompinstallatie.

  • 8.

    Bij wijziging van de lozingssituatie van bestaande verharde oppervlakken is realisering van de voldoende waterberging niet in alle situaties redelijkerwijs mogelijk. In die situaties streeft het waterschap naar een redelijkerwijs zo maximaal mogelijke omvang van waterberging.

 

Overwegingen

Bovenstaande uitgangspunten vinden hun basis in de volgende overwegingen:

 

  • 1.

    De voormalige Limburgse waterschappen hanteerden verschillende voorwaarden voor het lozen van hemelwater afkomstig van de uitbreiding van verharde oppervlakken en voor het lozen van hemelwater afkomstig van bestaande verharde oppervlakken als gevolg van wijziging van de lozingssituatie (w.o. afkoppeling). Er is behoefte om deze te uniformeren.

  • 2.

    Het waterschap heeft een zorgplicht om wateroverlast te voorkomen tot normen zoals vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening. Voor bebouwd gebied is dit 1:100, in Zuid-Limburg deels 1:25. Voor glastuinbouw 1:50, overige landbouw 1:25.

  • 3.

    We willen naar een klimaatrobuust watersysteem dat ook bij het klimaat van 2050 nog voldoet aan de eisen.

  • 4.

    Bij uitbreiding van verharde oppervlakken mag het waterbezwaar niet toenemen om afwenteling naar benedenstroomse gebieden te voorkomen. De verharding mag bij (zware) neerslag dus niet leiden tot een grotere piekbelasting dan oorspronkelijk het geval was omdat daardoor benedenstrooms de kans op wateroverlast vergroot wordt.

  • 5.

    Dit geldt voor alle uitbreidingen van verhard terrein c.q. ruimtelijke veranderingen waardoor de kans bestaat dat neerslagwater niet de bodem in kan maar versneld tot afstroming komt. Voorwaarden zijn in ieder geval van toepassing op uitbreiding van woon- en bedrijventerreinen, infrastructuur, glastuinbouw en pot- en containerteelt.

  • 6.

    Het effect van kleinschalige uitbreidingen van verhard terrein is beperkt maar vanwege cumulatieve effecten (vele kleine maken één grote) gelden hiervoor dezelfde uitgangspunten als bij grotere uitbreidingen.

  • 7.

    De initiatiefnemer mag waterbergende voorzieningen e.d. ook in de nabije omgeving van de ontwikkeling realiseren als dat makkelijker uitvoerbaar is.

  • 8.

    Omdat de impact van zware neerslag op de watersystemen in Noord- en Midden-Limburg anders is dan in Zuid-Limburg (in Zuid-Limburg is sprake van oppervlakkige afstroming en beperktere infiltratiemogelijkheden) maken we bij de te hanteren uitgangspunten onderscheid tussen deze gebieden.

Het waterschap is bereid in overleg met initiatiefnemer te bezien welke maatwerkoplossing kan worden gemaakt. Deze maatwerkoplossing wordt bij de aanvraag om vergunning gevoegd en ligt aan de basis van de op te stellen vergunning en daaraan te verbinden voorschriften.

Zorgplicht voor lozen op de bodem

Uit de keur (artikel 3.5) en uitvoeringsregel volgt dat naast de vergunningplicht ook de zorgplicht geldt. In de uitvoeringsregel is aangegeven dat de zorgplicht ook ziet op een lozing van hemelwater afkomstig van nieuw verhard via de bodem. Ook in die situatie dient een extra lozing op het watersysteem voorkomen te worden.

 

Nadere toelichting lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak

 

Waarom is dit een belangrijk onderwerp?

De klimaatverandering vraagt van ons allen een herbezinning op de ruimtelijke inrichting van Nederland. Niet voor niets is er een nationaal Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie waarin door alle betrokken partijen onderkend wordt dat we moeten anticiperen op klimaatverandering. Dit vraagt er om, om nieuwe ontwikkelingen klimaatadaptief in te richten en de problemen van wateroverlast, droogte en hittestress in ieder geval niet te vergroten. Dit is de leidende gedachte bij deze regels.

 

We maken onderscheid tussen directe en indirecte lozingen op het watersysteem van hemelwater afkomstig van (nieuw) verhard oppervlak. Ook maken we onderscheid tussen het lozen van hemelwater op het watersysteem afkomstig van nieuw verhard en van bestaand verhard.

Van een directe lozing op het watersysteem is sprake wanneer een verhard oppervlak rechtstreeks loost op het watersysteem.

Van een indirecte lozing is sprake in het geval het hemelwater dat niet door de particulier/bedrijf kan worden verwerkt, door de gemeente wordt verwerkt en uiteindelijk via een gemeentelijke voorziening op het watersysteem wordt aangeboden.

Hieronder wordt op de verschillende te onderscheiden situaties ingegaan.

 

Vormen van lozen van verhard

Bij het lozen van (overtollig) hemelwater afkomstig van verhard kunnen de volgende situaties worden onderscheiden:

 

  • 1.

    Lozen van nieuw verhard direct op watersysteem

  • 2.

    Lozen van bestaand verhard direct op watersysteem als gevolg van afkoppeling

  • 3.

    Lozen van nieuw verhard op gemeentelijke voorziening die op zijn beurt direct loost op watersysteem

  • 4.

    Lozen van bestaand verhard als gevolg van afkoppeling op gemeentelijke voorziening die op zijn beurt direct loost op watersysteem

  • 5.

    Lozen van bestaande gemeentelijke voorziening direct op watersysteem

  • 6.

    Lozen van nieuwe gemeentelijke voorziening direct op watersysteem

 

Norm

Waterneutraal bouwen. Hiervan is sprake indien als gevolg van de verharding geen grotere lozing op het watersysteem wordt aangeboden dan in de situatie dat sprake is van onverhard.

 

In het hele beheersgebied van het waterschap, met uitzondering van het Heuvelland, wordt uitgegaan wordt van een bui van 100 mm in 24 uur. Dit betekent dat een berging/infiltratie moet worden gerealiseerd die van een zodanige omvang is dat de hoeveelheid hemelwater die op het watersysteem wordt aangeboden niet groter is dan in de onverharde situatie. Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur.

In het Heuvelland wordt uitgegaan van een bui van 80 mm in 2 uur.

 

Uitgangspunt verwerking hemelwater

Een initiatiefnemer (particulier of bedrijf) is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater dat op zijn perceel (en daarop staande gebouwen en verharding) valt. In het geval niet alles kan worden verwerkt, heeft de gemeente in het kader van haar hemelwaterzorgplicht (Waterwet) de taak het overtollige hemelwater te verwerken. Uiteindelijk wordt het overtollige hemelwater dat niet is geïnfiltreerd (gedoseerd) aangeboden op het watersysteem dat door het waterschap wordt beheerd.

 

De gemeente stelt normen m.b.t. de opvangplicht op particulier terrein en verwerkt het overtollige hemelwater. De gemeente kan een compensatieregeling vaststellen. Deze kan inhouden dat wanneer een particulier niet kan bergen wat hij volgens de gemeentelijke normen zou moeten bergen, hij een bedrag in een fonds kan storten. De gemeente gebruikt het geld dat in dit fonds zit voor de verwerking van de hoeveelheid die in afwijking van de norm niet kan worden geborgen door de particulier (zie voorbeeld Gemert-Bakel).

 

Het waterschap stelt normen m.b.t. het lozen op het watersysteem. Iedereen (particulieren, bedrijven en gemeenten) die op het watersysteem loost moet aan deze normen voldoen. Onderzocht wordt of het waterschap, indien de initiatiefnemer niet aan de bergingsnorm kan voldoen, (een deel van) de bergingsverplichting kan overnemen. De kosten hiervoor dienen door initiatiefnemer te worden gedragen (vervuiler betaalt).

 

Hoe passen we de nieuwe normering toe op de 6 onderscheiden situaties?

Ad 1 Lozen van nieuw verhard direct op watersysteem

In deze situatie wordt de bergingsnorm onverkort toegepast. In zijn algemeenheid is dit mogelijk in deze situatie. De vergunningplicht geldt voor elke lozen van hemelwater afkomstig van nieuw verhard, ongeacht de omvang daarvan.

 

Ad 2 Lozen van bestaand verhard direct op watersysteem als gevolg van afkoppeling

In deze situatie wordt een bestaande lozing van hemelwater gewijzigd. Als gevolg van afkoppeling wordt de lozingssituatie gewijzigd (bijv. overstort wordt directe lozing). Er is sprake van een bestaande bebouwing en perceelsinrichting. De nieuwe bergingsnorm wordt als uitgangspunt gehanteerd. Indien dit niet kan worden gerealiseerd, kan een lagere bergingsnorm worden gehanteerd. Dit wordt met maatwerk in gevuld in de vergunning.

 

Ad 3 Lozen van nieuw verhard op gemeentelijke voorziening

In deze situatie wordt niet direct geloosd op het watersysteem. Lozing vindt plaats op een gemeentelijke voorziening. Dit impliceert dat het waterschap t.a.v. de lozing niet bevoegd is. In deze situatie is de initiatiefnemer gebonden aan gemeentelijke regelgeving/voorschriften m.b.t. de verwerking van hemelwater.

Als de gemeente vervolgens loost op het watersysteem dan is deze lozing van initiatiefnemer een indirecte lozing op het watersysteem.

 

Ad 4 Lozen van bestaand verhard als gevolg van afkoppeling op gemeentelijke voorziening

In deze situatie wordt een bestaande lozing van hemelwater gewijzigd. Als gevolg van afkoppeling op een gemeentelijke voorziening wordt de lozingssituatie gewijzigd. Er is sprake van een bestaande bebouwing en perceelsinrichting. Dit impliceert dat het waterschap t.a.v. de lozing niet bevoegd is. In deze situatie is de initiatiefnemer gebonden aan gemeentelijke regelgeving/voorschriften m.b.t. de verwerking van hemelwater.

De gewijzigde lozingssituatie kan tot gevolg hebben dat de gemeentelijke voorziening, zonder aanpassing, de toegenomen hoeveelheid niet kan ontvangen. Dit kan nopen tot aanpassing van de gemeentelijke voorziening. Als de gemeente vervolgens loost op het watersysteem dan is deze lozing van initiatiefnemer een indirecte lozing op het watersysteem. De gemeentelijke lozing op het watersysteem is een directe lozing (zie ad 6 hierna).

 

Ad 5 Lozen van nieuwe gemeentelijke voorziening direct op watersysteem

In deze situatie wordt de bergingsnorm onverkort toegepast. In zijn algemeenheid is dit mogelijk in deze situatie. De vergunningplicht geldt.

 

Ad 6 Lozen van bestaande gemeentelijke voorziening direct op watersysteem

In deze situatie is sprake van een bestaande gemeentelijke voorziening die direct loost op het watersysteem. De lozing vindt plaats aan de hand van reeds opgelegde lozingsnormen dan wel afgesproken lozingsnormen. Dit laatste bijvoorbeeld op basis van een uitgebracht wateradvies of positief advies t.a.v. een GRP.

Afkoppeling, inbreiding, e.d. kan noodzaken tot aanpassing van de gemeentelijke voorziening. Omdat enerzijds sprake is van een vermindering van een lozing van hemelwater op het watersysteem (situatie voor afkoppeling, bijv. lozing via overstort) en anderzijds van een vermeerdering (toenemende verharding, verplaatsing bestaand aanbod overtollig hemelwater) daarvan, hanteren wij de nieuwe bergingsnorm als uitgangspunt en streven wij er naar deze nieuwe norm zoveel als mogelijk te benaderen. Wij willen dit in samenspraak met de gemeente doen. De vergunningplicht geldt.

 

Samengevat

 

Compensatie, normverlaging en criteria

In een aantal situaties kan het nieuwe aanbod van hemelwater als gevolg van nieuw verhard, dan wel als gevolg van gewijzigd aanbod van hemelwater (a.g.v. afkoppeling) niet zodanig worden geborgen en/of geïnfiltreerd dat aan de nieuwe bergingsnorm van het waterschap kan worden voldaan. Hierbij maken we onderscheid tussen hemelwater dat afkomstig is van nieuw verhard oppervlak en hemelwater dat afkomstig is van bestaand verhard oppervlak. In het laatste geval is immers reeds sprake van een lozing van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak. De lozing zal in het algemeen op het riool plaatsvinden. Als het om een gemengd systeem gaat, dan wordt het hemelwater met het afvalwater afgevoerd naar de RWZI. Bij grote hoeveelheden neerslag zal het riool overstorten op het watersysteem van het waterschap.

Als het om een gescheiden systeem gaat, dan zal het hemelwaterriool lozen op het watersysteem dat in beheer is bij het waterschap.

 

Uitgangpunt is het principe dat de ‘vervuiler betaalt’.

 

Nieuw verhard oppervlak

In het geval nieuw verhard oppervlak wordt gerealiseerd, dan kan in het algemeen worden voldaan aan de nieuwe bergingsnorm van het waterschap. Door het aanbrengen van infiltratie- en of bergingsvoorzieningen kan de lozing op het watersysteem worden beperkt tot 2 l/s/ha.

Er zijn echter situaties denkbaar waarin dit redelijkerwijs niet mogelijk is. In dat geval kan compensatie worden aangeboden door het waterschap. Dat wil zeggen dat het waterschap het deel van het hemelwater verwerkt dat redelijkerwijs niet door initiatiefnemer kan worden verwerkt.

Dit is alleen mogelijk in het geval het waterschap kàn compenseren, bijv. een oppervlaktewater is gelegen in de directe nabijheid van het initiatief of het waterschap beschikt in de directe nabijheid van het initiatief over gronden die kunnen worden benut.

Inzet van compensatie is nadrukkelijk niet bedoeld voor het afkopen van een bergingsverplichting. Een initiatiefnemer wordt geacht daar aan te voldoen. De uitzondering geldt alleen in het geval dit feitelijk onmogelijk is of indien aan de bergingsverplichting kan worden voldaan door samenwerkende initiatiefnemers (bijv. in het kader van ontwikkeling van een bedrijventerrein). Wanneer realisering van een voldoende bergingsvoorziening feitelijk onmogelijk is wordt beoordeeld aan de hand van nog te ontwerpen criteria. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:

  • Grond- en bodemgesteldheid ter plaatse van het initiatief

  • Onevenredig hoge kosten die moeten worden gemaakt (wanneer is daarvan sprake: criteria?)

  • Werk met werk maken (bijv. compensatie biedt kansen voor verbetering watersysteem voor groter gebied)

De gemeenten worden betrokken bij de ontwikkeling en uitwerking hiervan.

In geval van nieuw verhard gaat het waterschap niet over tot normverlaging.

 

Bestaand verhard

In geval van bestaand verhard is sprake van een verplaatsing/wijziging van de bestaande lozingssituatie. Sprake is van een bestaand ingericht gebied, waar niet altijd de feitelijke ruimte aanwezig is om voldoende te kunnen infiltreren/bergen. In die situaties is het denkbaar dat een lagere bergingsnorm wordt gehanteerd. Welke norm acceptabel en realistisch is, is afhankelijk van de situatie. Beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van nog te ontwerpen criteria. De gemeenten worden betrokken bij de invulling hiervan.

 

Gemeentelijke compensatieregeling

Ook de gemeente kan een compensatieregeling invoeren. Wanneer een initiatiefnemer minder kan bergen dan voorgeschreven, dan kan de gemeente het meerdere compenseren door aanpassing van haar systeem voor hemelwaterverwerking.

 

Overgangssituaties

In zijn algemeenheid geldt het algemene overgangsrecht uit de keur. Dit heeft een eerbiedigende werking. Dat wil zeggen dat reeds genomen besluiten niet wijzigen als gevolg van wijziging van de keur en daaraan verbonden uitvoeringsregels en beleidsregels. Indien het vastgestelde project c.q. het vastgestelde plan grondslag vormt voor nadien te nemen besluiten en nadien te treffen maatregelen, geldt de nieuwe normering voor het lozen van hemelwater van verhard oppervlak niet als norm, maar wordt de norm als streefwaarde geduid. In overleg wordt bij realisering van te treffen maatregelen bezien welke norm redelijkerwijs kan worden gerealiseerd. Dit geldt ook voor projecten en plannen waarvoor nog geen vaststelling heeft plaatsgevonden, maar waarvoor al wel reeds een ontwerp-besluit is gepubliceerd voor inwerkingtreding van de nieuwe keur. Ook geldt het voorgaande voor projecten en plannen waarvoor door het waterschap voor inwerkingtreding van de nieuwe keur een wateradvies is verstrekt, een advies is afgegeven in het kader van een Gemeentelijk Rioleringsplan, dan wel anderszins afspraken zijn vastgelegd ter zake het lozen van hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken. Een en ander wordt opgenomen in hoofdstuk 6 van de keur.

Met het nieuwe beleid wordt beoogd een eerste aanzet te geven voor een nieuwe mindset, waarbij met name nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voortaan waterneutraal worden gerealiseerd en dus waterbergingsproblemen niet langer naar de toekomst worden doorgeschoven.

11. Compenseren waterhuishoudkundige gevolgen

11.1 Inleiding

Uitvoering van een project dat ziet op het treffen van maatregelen die (mede) gericht zijn op beïnvloeding van de waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied kan (negatieve) gevolgen hebben op de omgeving van het projectgebied. Het waterschap wil voorkomen dat dergelijke projecten voor het waterschap en of voor derden tot nadelige consequenties leidt. Daarom is het niet toegestaan zo’n project uit te voeren zonder voorafgaande vergunning.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

11.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of het beoogde project kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van het project buiten het projectgebied kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een project houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het beschermen van de omgeving van een projectgebied tegen negatieve waterhuishoudkundige gevolgen van het project buiten het projectgebied.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Ad a: Het beschermen van de omgeving van een projectgebied tegen negatieve waterhuishoudkundige gevolgen van het project buiten het projectgebied

 

Bij de vergunningaanvraag dient een projectplan te worden gevoegd waarin de te treffen maatregelen en de daarmee beoogde effecten zijn beschreven. Uit het projectplan dient tevens te blijken welke effecten de beoogde maatregelen hebben op het aangrenzende gebied en op welke wijze deze effecten zijn gemitigeerd dan wel worden gecompenseerd (nadere uitwerking mitigatie en compensatie, zie bijlage 1). Een vergunningaanvraag waaruit onvoldoende blijkt dat nadelige effecten op het aangrenzende gebied worden voorkomen kan met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gelaten worden. Alvorens hiertoe te besluiten wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de vergunningaanvraag te completeren.

 

Indien uit de vergunningaanvraag voortvloeit dat werken moeten worden uitgevoerd en/of handelingen moeten worden verricht die vergunningplichtig zijn op grond van een andere verbodsbepaling in de keur, dan wordt voor deze werken en/of handelingen gelijktijdig vergunning aangevraagd.

 

Een effect op het watersysteem in het aangrenzende gebied van minder dan 5 cm op de grens van het projectgebied wordt niet beschouwd als een nadelig effect op dat aangrenzende gebied.

 

Als toetsingskader hanteren wij het Waterbeheerplan van het waterschap. Hierin is zowel de huidige situatie beschreven als de doelstellingen voor de toekomst. Een vergunbaar project mag niet leiden tot een verslechtering van de huidige situatie en mag ook niet leiden tot belemmeringen met het oog op het kunnen bereiken van de in het Waterbeheerplan opgenomen doelstellingen. Een project dient dan ook maatregelen te bevatten waarmee primair te ontstane negatieve gevolgen worden gecompenseerd of voorkomen.

 

Voorschriften

Aan de vergunning worden zodanige voorschriften verbonden dat nadelige effecten op het watersysteem in het aangrenzend gebied worden voorkomen.

Tevens kunnen in de vergunning meet- en monitoringsverplichtingen worden opgenomen met het oog op het verwerven van inzicht in de gevolgen van de in het plangebied verrichte werken op het watersysteem in het aangrenzend gebied. Daarbij kan de verplichting worden opgenomen dat het waterschap periodiek wordt geïnformeerd over de monitoringsresultaten.

Onder verwijzing naar artikel 6.20 Waterwet kan het waterschap zo nodig een financiële zekerheidsstelling eisen voor de nakoming van krachtens de vergunning geldende verplichtingen of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit door de vergunde handelingen (of het staken daarvan) veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem.

12. Verleggen of aanpassen van een primair of secundair oppervlaktewater

12.1 Inleiding

Het systeem van primaire en secundaire wateren is ingericht met het oog op de taakuitoefening van het waterschap. Met het systeem kan het waterschap onder meer voldoen aan de voor het waterschap geldende wateroverlastnormering (artikel 5.3.1. Omgevingsverordening Limburg 2014). Het verleggen van primaire of secundaire oppervlaktewateren en het aanpassen daarvan (bijvoorbeeld in de vorm van profielaanpassingen) heeft gevolgen voor het functioneren van het systeem. Ook kan aanpassing van een primair en secundair oppervlaktewater gevolgen hebben voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud door het waterschap. Daarom is het niet toegestaan een primair of secundair oppervlaktewater zonder voorafgaande vergunning te verleggen of aan te passen.

In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

12.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of het beoogde initiatief kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van het initiatief kunnen worden voorkomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verleggen of aanpassen van een primair of secundair oppervlaktewater houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    Het functioneren van het (aangepaste) watersysteem.

  • b)

    Het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud.

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Ad a: Het functioneren van het (aangepaste) watersysteem

 

De beoogde verlegging of aanpassing mag geen negatieve gevolgen hebben voor de afvoercapaciteit en de ontwateringsfunctie van het betreffende oppervlaktewater.

Als toetsingskader hanteren wij het Waterbeheerplan van het waterschap. Hierin is zowel de huidige situatie beschreven als de doelstellingen voor de toekomst.

 

Ad b Het doelmatig kunnen blijven voeren van onderhoud

Primaire en secundaire oppervlaktewateren worden in het algemeen door het waterschap onderhouden. Hiervoor zijn – met name bij primaire wateren – ook onderhoudsstroken ingericht. Dit met het oog op het doelmatig kunnen voeren van onderhoud. Verlegging of aanpassing kan tot gevolg hebben dat maatregelen moeten worden getroffen om het doelmatig kunnen voeren van onderhoud te kunnen borgen. Hierbij kan gedacht worden aan het verlenen van medewerking aan grondtransacties.

 

Voorschriften

Aan de vergunning worden zodanige voorschriften verbonden dat nadelige effecten op het functioneren van het watersysteem en op het doelmatig kunnen voeren van onderhoud worden voorkomen. De exacte inhoud van de te stellen voorschriften wordt in belangrijke mate bepaald door de specifieke situatie.

12. Ontgronden bij een waterkering

12.1 Inleiding

Het uitvoeren van een ontgronding als bedoeld in de uitvoeringsregel ontgronding binnen de zones behorende bij een waterkering heeft negatieve gevolgen voor de stabiliteit van de waterkering en daarmee op het functioneren daarvan. Een ontgronding binnen deze zones is zonder voorafgaande vergunning verboden. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen.

 

De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Geadviseerd wordt hiervan gebruik te maken. U kunt hiervoor contact opnemen met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het waterschap (vergunningen@waterschaplimburg.nl of telefonisch via 088 – 88 90 100).

Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.

 

Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.waterschaplimburg.nl.

12.2 Afwegingskader

Van geval tot geval moet worden bekeken of de beoogde ontgronding kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee nadelige effecten van de ontgronding op het functioneren van de waterkering voldoende kunnen worden beperkt. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een ontgronding binnen de zones behorende bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten:

  • a)

    De ontgronding tast gedurende zijn gehele levensduur (tijdens de aanleg en na oplevering) de veiligheid van de waterkering niet aan en veroorzaakt geen toename van de ontwerpopgave voor verbetering van de waterkering in de toekomst.

  • b)

    Beheerplan waterkeringen 2017-2022

Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel.

 

Ad a:

De eisen waaraan de ontgronding dient te voldoen zijn sterk afhankelijk van de lokale situatie. Betreft het een kortstondige ontgronding waarbij het oorspronkelijk maaiveld na ontgronding wordt terug gebracht. Of is het een blijvende ontgronding waarbij in eerste instantie een groter profiel wordt ontgrond dan in de eindsituatie. Ook de actuele sterkte van de waterkering is van belang. Is de kering al ontworpen op de vigerende wettelijke normen of niet. Een en ander betekent dat er maatwerk geleverd moet worden bij de beoordeling. Uitgangspunt hierbij is dat gedurende de levensduur van de ontgronding de veiligheid van de waterkering niet aangetast wordt en onze ontwerpopgave in de toekomst niet toeneemt.

 

Kaders en richtlijnen die hierbij gebruikt worden zijn:

  • -

    het vigerend OI Instrumentarium

  • -

    het vigerende wettelijk beoordelingsinstrumentarium

Uitgangspunt is dat door de ontgronding de faalkans van de ontgronding ten opzichte van de faalkans van de waterkering verwaarloosbaar klein is. Alleen indien er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang dan kan een deel van de beschikbare faalkansruimte benut worden. In beide situaties dient bij de ontgronding ook een toekomstige dijkverzwaring betrokken te worden

 

Ad b: Beheerplan waterkeringen 2017-2022

Als toetsingskader hanteren wij voorts het Beheerplan waterkeringen 2017-2022 van het waterschap. Zo geeft dit plan onder meer aan dat bij het beoordelen van initiatieven van derden op en rond de waterkeringen wij een afweging maken die gebaseerd is op de mogelijke risico’s en het bijbehorende handelingsperspectief.

 

Voorschriften

Aan de vergunning worden in elk geval zodanige voorschriften verbonden dat nadelige effecten van de ontgronding en eindsituatie op het functioneren van de waterkering en op het kunnen blijven voldoen aan het OI Instrumentarium en aan het WBI2017 worden voorkomen.

 

In aanvulling op deze beleidsregel, is mogelijk ook de beleidsregel werken aan de waterkering (nummer 29) van toepassing.