Waterschapsblad van Waterschap Limburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Waterschap LimburgWaterschapsblad 2019, 3492Beleidsregels



Beleidsregel van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de legger Beleidsregels legger Waterschap Limburg 2019

Het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg maakt bekend dat met ingang van 1 april 2019 in werking treedt:

 

  • 1.

    het besluit van het algemeen bestuur van 13 maart 2019, inhoudende:

    • het vaststellen van:

      • de Keur Waterschap Limburg 2019 (inclusief toelichting);

      • de legger Waterschap Limburg 2019;

      • de beleidsregel legger Waterschap Limburg 2019;

    • het intrekken van:

      • de Keur Waterschap Peel en Maasvallei 2013 en de Keur Waterschap Roer en Overmaas 2014;

      • de legger Waterschap Peel en Maasvallei en de legger Waterschap Roer en Overmaas;

      • de beleidsregels van Waterschap Peel en Maasvallei genaamd “Algemene toetsingscriteria waterstaatswerken en grondwater” en “Uitgangspunten nieuwe legger 2005”;

      • de beleidsregel van Waterschap Roer en Overmaas genaamd “Notitie taakopvatting watersysteembeheer Waterschap Roer en Overmaas”; “Beleidsregels leggerplicht” en “Beleidsnota lozen van afgekoppeld regenwater op oppervlaktewater”.

  • 2.

    het besluit van het dagelijks bestuur van 12 maart 2019, inhoudende :

    • het vaststellen van de Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 en de bijhorende beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019;

    • het intrekken van diverse algemene regels en beleidsregels van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas (zie bijlage vaststellingsbesluit DB).

 

Met de vaststelling en inwerkingtreding van deze nieuwe regelgeving en legger komt een einde aan de situatie waarin de regelgeving van de twee voormalige waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas nog van kracht was. De nieuw vastgestelde legger zal de legger van de voormalige waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas vervangen.

 

In deze bekendmaking is de tekst van de beleidsregel legger Waterschap Limburg 2019 opgenomen. De digitale legger kunt u inzien via de navolgende link: https://ws-limburg.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=491934138032419e9d2aed49b12fe5c3

De teksten van de Keur Waterschap Limburg 2019, de Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 en de beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 worden vanwege de omvang apart bekendgemaakt.

 

U kunt de stukken ook inzien in de linkerkolom bij deze bekendmaking

 

 

Rechtsbescherming

Het is niet mogelijk beroep in te stellen tegen de vaststelling van de keur, uitvoeringsregels en de beleidsregels.Tegen de onderhavige vaststelling van de Legger Waterschap Limburg 2019 op grond van de Waterwet kunnen belanghebbenden binnen zes weken vanaf de dag na bekendmaking beroep instellen bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond, Sector Bestuursrecht, Postbus 950, 6040 AZ te Roermond. Dit geldt alleen voor belanghebbenden die bij de voorbereiding van deze legger tijdig hun zienswijzen naar voren hebben gebracht en voor belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij tijdens de termijn dat de legger ter inzage heeft gelegen redelijkerwijs niet in staat waren een zienswijze in te dienen. U kunt ook digitaal beroep instellen bij genoemde rechtbank via https://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Het besluit treedt in werking na de bekendmaking. Op grond van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht schorst het beroep de werking van dit besluit niet. Gelet hierop kan, indien tegen dit besluit beroep wordt ingesteld en onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dit vereist, gedurende de beroepstermijn tevens een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de Sector bestuursrecht van de rechtbank Limburg te Roermond. U kunt ook digitaal een voorlopige voorziening aanvragen bij genoemde rechtbank via https://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Voor het instellen van beroep en het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd. Wilt u nadere informatie over het instellen van beroep, het vragen van een voorlopige voorziening of het verschuldigde griffierecht dan verwijzen wij u naar voornoemde site.

 

Informatie

Voor meer informatie kunt u bellen met het waterschap 088 – 88 90 100 of uw vragen mailen naar keur@waterschaplimburg.nl.

 

Tekst regeling

 

BELEIDSREGEL LEGGER WATERSCHAP LIMBURG 2019

 

1. Inleiding

 

Het Waterschap Limburg beschikt sinds het ontstaan op 1 januari 2017 over een keur en legger die bestaat uit de keuren en legger van de voormalige waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas. Per 1 april 2019 treedt één keur voor het Waterschap Limburg in werking. Per die datum treedt ook één nieuwe legger in werking. Daarmee is de integratie van de regelgeving op het niveau van het Waterschap Limburg afgerond.

 

In deze beleidsregel is opgenomen welke waterstaatswerken in de legger worden opgenomen en aan de hand van welke criteria dit gebeurd. Daarnaast bevat deze beleidsregel uitgangspunten voor begrenzing van diverse zones behorende tot de in de legger opgenomen waterstaatswerken. De keur van het waterschap is van toepassing op de waterstaatswerken en bijbehorende zones die in de legger zijn opgenomen. Opgemerkt wordt dat regelgeving met betrekking tot het lozen in en onttrekken uit oppervlaktewateren ook van toepassing is op oppervlaktewateren die niet op de legger staan.

In hoofdstuk 2 van deze beleidsregel is het wettelijk kader met betrekking tot de legger beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de op de legger op te nemen waterstaatswerken en de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of een oppervlaktewater in de legger wordt opgenomen en wordt ook het onderscheid tussen primaire en secundaire wateren beschreven. Ook worden hierin de waterkeringen beschreven die in de legger worden opgenomen. Tot slot bevat het vierde hoofdstuk de zonering die in de legger worden opgenomen, inclusief hun begrenzingen.

 

De legger 2019 bevat hoofdzakelijk een integratie van de leggers van beide voormalige waterschappen. De enige inhoudelijke verandering is dat de criteria voor het toekennen van de primaire en secundaire status aan oppervlaktewateren op de legger zijn geüniformeerd. Dit heeft met name gevolgen voor de oppervlaktewateren in het gebied van het voormalige Waterschap Roer en Overmaas. De wijziging betreft met name aan aanpassing van de status van een aantal voorheen primaire wateren tot secundaire wateren. Hierop wordt in hoofdstuk 3 nader ingegaan. In hoofdstuk 4 wordt aandacht geschonken aan de aanpassing van zoneringen behorende bij waterkeringen.

 

Het streven is de in de legger opgenomen zoneringen en bijbehorende afmetingen in de komende jaren nader te preciseren waar het betreft de voor de verschillende zonering te hanteren afmetingen gerelateerd aan de lokale situatie en omstandigheden. Om hier invulling aan te kunnen geven dient nog een groot aantal gegevens ingewonnen te worden.

 

2. Wettelijk kader

2.1 Taak van het waterschap

Op grond van de Waterschapswet, uitgewerkt in artikel 4 van het Reglement voor het Waterschap Limburg, is het waterschap belast met de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze zorg niet uitdrukkelijk aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. Dit omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Tot de zorg voor het watersysteem behoort onder andere de zorg voor de waterkering en voor de waterhuishouding inclusief de zorg voor de waterkwaliteit.

Het waterschap heeft het waterkwantiteitsdeel uitgewerkt in een eigen verordening, de keur. De regelgeving bij of krachtens de keur is van toepassing op de waterstaatswerken die zijn opgenomen in de Legger van het waterschap.

2.2 Waterschapswetlegger

Op grond van artikel 78 van de Waterschapswet stelt het algemeen bestuur van het waterschap de onderhoudslegger vast. Deze bevat de waterstaatswerken die vanuit waterstaatkundig oogpunt van meer dan lokaal belang zijn en die om die reden door het waterschap worden beheerd. De functie van deze legger is om inzage te geven in de onderhoudsplichtigen (= wie) en onderhoudsverplichtingen (= wat) ten aanzien van de waterstaatswerken die het waterschap in beheer heeft. Daarbij geeft de legger ook aan waar het regime van de keur van toepassing is.

2.3 Waterwetlegger

Op grond van artikel 5.1 stelt het algemeen bestuur van het waterschap een legger vast waarin ligging, vorm, afmeting en constructie van de waterstaatswerken is opgenomen. Op grond van het derde lid van dit artikel kunnen bij of krachtens provinciale verordening nadere voorschriften worden gesteld ten aanzien van deze legger. Ook kan bij of krachtens provinciale verordening vrijstelling van (onderdelen van) de leggerplicht worden gegeven.

Doel van deze legger is dat de reikwijdte van de hoofdstukken 5 en 6 van de Waterwet wordt vastgelegd en het mogelijk maken van de toetsing van het watersysteem aan de wateroverlastnormering zoals opgenomen in de Omgevingsverordening.

2.4 Provinciale voorschriften

De provincie Limburg heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt in de Omgevingsverordening. Daarin is de volgende bepaling opgenomen:

Artikel 5.7.1 Legger waterstaatswerken

  • 1.

    De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat naast het bepaalde in het tweede lid van dat artikel in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen;

    • b.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de waterstaatswerken.

  • 2.

    Voor wateren met een maatgevende afvoer van minder dan 25 liter per seconde, vrij meanderende wateren en onderdelen van watersystemen die incidenteel watervoerend zijn geldt de verplichting als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet tot omschrijving van vorm, afmeting en constructie niet. De ligging van deze wateren wordt als lijnelement of in de vorm van een zone aangegeven en ondersteunende kunstwerken worden omschreven.

  • 3.

    Voor wateren met een maatgevende afvoer van minder dan 15 liter per seconde gelden de verplichtingen als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet niet.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen, mede op verzoek, bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

 

3. Op de legger te plaatsen waterstaatswerken en (bijbehorende) zoneringen

 

De volgende waterstaatswerken en (bijbehorende) zoneringen zijn op de legger geplaatst:

  • Oppervlaktewateren (primair en secundair)

  • Regenwaterbuffers/bergingsvoorzieningen

  • Lijnvormige elementen

  • Meanderzone

  • Inundatiegebied

  • Kernzone oppervlaktewater

  • Profiel van vrije ruimte oppervlaktewater

  • Ondersteunende kunstwerken oppervlaktewater

  • Waterkeringen (primair, regionaal, overig)

  • Kernzone waterkering

  • Beschermingszone waterkering

  • Buitenbeschermingszone waterkering

  • Profiel van vrije ruimte waterkering

  • Ondersteunende kunstwerken waterkering

 

3.1 Oppervlaktewateren

Niet elk oppervlaktewater vereist opname op de legger. Oppervlaktewateren die slechts een plaatselijk belang dienen worden niet op de legger opgenomen en worden derhalve niet actief kwantitatief en constructief beheerd door het waterschap. De verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de eigenaar van het oppervlaktewater. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan kavelsloten, bermsloten, e.d.. De regels voor het lozen en onttrekken van water in en uit een oppervlaktewater zijn echter ook van toepassing op de oppervlaktewateren die niet op de legger zijn opgenomen. Dit geldt ook de landelijke regels met betrekking tot waterkwaliteit (bijv. Waterwet, Activiteitenbesluit milieubeheer en Besluit lozen buiten inrichtingen).

In navolging van de beide rechtsvoorgangers van het Waterschap Limburg, worden de volgende criteria gehanteerd voor beantwoording van de vraag of een oppervlaktewater op de legger wordt opgenomen.

 

Hoofdcriterium

Maatgevende afvoer

Voor opname van een oppervlaktewater op de legger als primair water wordt een grens van 25 l/s maatgevende afvoer (MA) gehanteerd. Voor opname op de legger als secundair water wordt een grens van 10 l/s MA gehanteerd. Dit geldt voor het gehele beheersgebied van het waterschap, met uitzondering van Zuid-Limburg (heuvelland).

Toepassing van deze norm heeft geen gevolgen voor de legger van het voormalige waterschap Peel en Maasvallei. Voor de legger van het voormalige waterschap Roer en Overmaas betekent dit dat een aantal primaire wateren in de nieuwe legger de status van secundair zullen krijgen. Opname op de legger heeft in het verleden plaatsgevonden vanaf een MA van 7,5 l/s. Van een aantal oppervlaktewateren in met name het gebied ten noorden van Zuid-Limburg (heuvelland) wordt de status van het oppervlaktewater in de legger gewijzigd. Daarnaast zal een aantal primaire wateren niet terugkeren op de legger vanwege het feit dat deze een MA hebben van minder dan 10 l/s en ook met toepassing van de hieronder te bespreken secundaire criteria niet voor opname op de legger in aanmerking komen.

Het beleid van het voormalige waterschap Roer en Overmaas t.a.v. het plaatsen van oppervlaktewateren gelegen in Zuid-Limburg (heuvelland) op de legger wordt ongewijzigd voortgezet. Dit houdt in dat het primaire systeem is afgestemd op een piekafvoer van 750 m3 afstromend hemelwater bij een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 25 jaar.

 

Nevencriteria

De berekening van de maatgevende afvoer heeft niet alle kenmerken van het beheersgebied meegenomen die de afvoer mede beïnvloeden. Daarmee wordt niet altijd recht gedaan aan de waterhuishoudkundige situatie in de praktijk. Het toepassen van deze nevencriteria brengt de theorie en praktijk dichter bij elkaar.

 

  • a)

    Lozingen

    Lozingen vanaf bestaand verhard oppervlak en lozingen van proceswater zijn niet verdisconteerd in de berekening van de maatgevende afvoer.

    De afvoer vanaf verhard oppervlak vindt over het algemeen niet tegelijk plaats met de gebiedsafvoer. De lozing van proceswater heeft geen relatie met de gebiedsafvoer. Desondanks veroorzaken deze lozingen een afvoerpiek op de waterloop.

    Bij de toepassing van dit criterium maakt het niet uit of een lozing wel of niet gebufferd is. Wel is de hoeveelheid water die per seconde wordt geloosd van belang. Om het criterium toe te passen moet de locatie en de lozingshoeveelheid bekend zijn. Het criterium is dan ook alleen toegepast bij bekende lozingen. Wanneer de cumulatieve lozingshoeveelheid van achter elkaar liggende lozingen de 10 l/s overschrijdt, wordt vanaf dat punt de waterloop secundair. Wanneer de cumulatieve lozingshoeveelheid de 25 l/s overschrijdt, wordt de waterloop vanaf dat punt primair. Dit criterium geldt overigens alleen voor permanente of periodiek zich herhalende lozingen. Incidentele lozingen of lozingen gedurende een beperkte periode leiden niet tot een statusverandering van het oppervlaktewater.

    Nieuwe lozingen afkomstig van verhard oppervlak worden op grond van de nieuwe keurregelgeving alleen toegestaan als deze niet leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater. Bij een lozing als gevolg van de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient de initiatiefnemer zodanige infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen dat een toename van de afvoer op het watersysteem wordt vermeden. Bij een nieuwe lozing als gevolg van besstaand verhard geldt dat de toename van de afvoer op het watersysteem zoveel als mogelijk moet worden beperkt. Verwezen wordt naar de uitvoeringsregel Lozingen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak.

 

  • b)

    Riooloverstorten

    Ongebufferde riooloverstorten kunnen bij stevige zomerse buien een piekafvoer op het oppervlaktewatersysteem veroorzaken. Een verantwoorde afvoer van het water uit de riooloverstorten vraagt om een directe betrokkenheid van het waterschap bij de oppervlaktewateren die het rioolwater verwerken. Deze oppervlaktewateren krijgen de primaire status.

 

  • c)

    Wateraanvoersloten

    Deze oppervlaktewateren vervullen een belangrijke waterhuishoudkundige functie voor de landbouw en de natuur. Dit door de landbouw in de zomer van voldoende water te blijven voorzien en de grondwaterspiegel niet te ver weg te laten zakken (waterconservering). De transportcapaciteit dient gewaarborgd te blijven. Het beheer en onderhoud dient om die reden bij het waterschap te blijven. Wateraanvoersloten krijgen de primaire status.

 

  • d)

    Overstromingsgebied Maas

    In het overstromingsgebied van de Maas liggen oppervlaktewateren die weliswaar geen hoge maatgevende afvoer hebben (kleine stroomgebiedjes) maar wel een belangrijke regionale functie vervullen bij de ontwatering van het gebied na een Maashoogwater. Wanneer deze in eerste instantie (toepassen hoofdcriterium) niet als secundair zijn aangewezen krijgen deze door dit nevencriterium alsnog een secundaire status.

 

  • e)

    Pompenplan Maashoogwater

    Sommige oppervlaktewateren hebben een belangrijke functie in het pompenplan tijdens een Maashoogwater. Door dit overstijgende belang krijgen ze een belangrijke waterhuishoudkundige functie, ondanks de mogelijkheid dat ze in de dagelijkse praktijk weinig afvoer hebben. Deze oppervlaktewateren krijgen de primaire status.

 

  • f)

    Beken met een hoge ecologische waarde

    Oppervlaktewateren met een hoge ecologische waarde of met een belangrijke functie voor er naast gelegen aquatische/terrestrische natuur, vertegenwoordigen een belang dat het particuliere belang overstijgt. Als gevolg hiervan blijft er een taak voor het waterschap weggelegd. Oppervlaktewateren met een hoge ecologische waarde krijgen een primaire status, ook wanneer de MA kleiner is dan 25 l/s.

 

  • g)

    Bronbeken

    Bronbeken hebben een hoge ecologische waarde en verdienen daardoor bescherming, bijvoorbeeld om demping te voorkómen. Bronbeken met een duidelijke samenhang met het primaire oppervlaktewatersysteem krijgen de primaire status.

 

  • h)

    Voedingslossingen voor natuurgebieden

    Bepaalde oppervlaktewateren zijn zodanig aangelegd dat ze water kunnen aanvoeren naar een natuurgebied. Hiermee wordt een overstijgend belang vertegenwoordigd en dient bijvoorbeeld demping door een particulier voorkómen te kunnen worden. Deze oppervlaktewateren krijgen de primaire status.

 

  • i)

    Verbindingsbeken tussen waardevolle natuurgebieden en grotere beken

    Beken die water afvoeren uit een natuurgebied vragen om een adequaat peilbeheer waar naast bijvoorbeeld de agrarische belangen ook het natuurbelang meegenomen wordt. Deze verbindingsbeken krijgen de primaire status.

 

  • j)

    Cultuurhistorische beken

    Voor beken met een cultuurhistorische waarde valt te denken aan een oude (niet meer functionele) molentak. Instandhouding heeft niet zozeer een waterhuishoudkundig belang maar een functie ten behoeve van cultuurhistorie. Cultuurhistorische beken krijgen de primaire status.

 

  • k)

    Grensoverschrijdende waterlopen

    Onder grensoverschrijdende waterlopen worden de waterlopen verstaan, die water ontvangen vanuit Duitsland en België. Deze waterlopen krijgen de primaire status.

    Het betreft derhalve niet de waterlopen, die water ontvangen uit de beheersgebieden van de Noord-Brabantse waterschappen en evenmin de waterlopen die water afvoeren naar Duitsland, België en de Noord-Brabantse waterschappen.

 

  • l)

    Alternatieve afvoersituatie

    Eén van de primaire taken van het waterschap is het ontwikkelen en in stand houden van een oppervlaktewatersysteem, waarmee flexibel kan worden gereageerd op ongewenste wateroverlast of watertekort.

    Op locaties waar een alternatieve afvoersituatie door het waterschap wordt gehanteerd, krijgen de betreffende waterlopen dezelfde status als die van het hoofdstelsel.

3.2 Regenwaterbuffers/bergingsvoorzieningen

In het gebied van het voormalige waterschap Roer en Overmaas zijn regenwaterbuffers aangelegd in met name Zuid-Limburg (heuvelland). Deze regenwaterbuffers zijn ingericht en worden beheerd met het oog op het voorkomen van wateroverlast in bebouwd gebied. De in de legger van het voormalige waterschap opgenomen regenwaterbuffers worden overgenomen in de legger voor het Waterschap Limburg.

In het gebied van het voormalige waterschap Peel en Maasvallei zijn bergingsvoorzieningen op de legger opgenomen die een piekafvoer van hemelwater op het oppervlaktewatersysteem voorkómen. Deze hebben een zodanig belangrijke waterhuishoudkundige functie, dat plaatsing op de legger gewenst is. Hierbij maakt het niet uit of het een gemeentelijke of particuliere bergingsvoorziening betreft. Op grond van haar taak als regionaal waterbeheerder is de bemoeienis van het waterschap met bergingsvoorzieningen echter uitsluitend gericht op het bergen van een bovenlokaal wateraanbod. De in de legger van het voormalige waterschap opgenomen bergingsvoorzieningen worden overgenomen in de legger van het Waterschap Limburg. De oppervlaktewateren die de lozing uit een dergelijke bergingsvoorziening afvoeren komen minimaal met dezelfde status op de legger te staan.

3.3 Lijnvormig element

In het heuvelland zijn zogenaamde lijnvormige elementen opgenomen op de legger. Deze elementen, die in beginsel evenwijdig aan de hoogtelijnen in het terrein aanwezig zijn, hebben een functie ter voorkoming/beperking van erosie. Via deze elementen kan de dimensionering van een aantal oppervlaktewateren beperkt blijven. Behoud van deze elementen en hun functioneren rechtvaardigt beheer en bescherming ervan door het waterschap.

3.4 Meanderzone

De meanderzone omvat gronden waarbinnen primaire wateren door natuurlijke verplaatsing hun bedding kunnen verleggen. Een meanderzone is/wordt alleen opgenomen voor natuurlijke oppervlaktewateren waarvan is vastgesteld dat ruimte voor meandering moet bestaan. De breedte van de zone is afhankelijk van de (verwachte) snelheid van het meanderproces. De meanderzones worden ongewijzigd overgenomen in de legger Waterschap Limburg 2019.

3.5 Inundatiegebied

Binnen het waterschap zijn inundatiegebieden op de legger opgenomen bij de Roer en bij de Geul. Deze gebieden vervullen een belangrijke rol in het voorkomen van wateroverlast in stedelijke gebieden. Een inundatiegebied is niet een bergingsgebied als bedoeld in de Waterwet. Anders dan bij bergingsgebieden, vindt inundatie niet plaats door menselijke tussenkomst. De inundatiegebieden zijn gebieden die door hun natuurlijke ligging hun functie kunnen vervullen. Ten opzichte van de leggers van de voormalige waterschappen treden geen veranderingen op.

3.6 Kernzone oppervlaktewater

De kernzone van een op de legger opgenomen oppervlaktewater beslaat het oppervlaktewater voor zover gelegen tussen de insteken aan beide zijden. De voorheen in de legger van het waterschap Roer en Overmaas opgenomen beschermingszones bij een aantal oppervlaktewateren worden in de legger Waterschap Limburg 2019 ondergebracht in de kernzone. De kernzone is gericht op bescherming van het oppervlaktewater en op bescherming van de onderhoudsmogelijkheden daarvan. Om die reden maken de onderhoudsstroken van het waterschap deel uit van de kernzone. De grens van de kernzone valt samen met de grens van de onderhoudsstrook. Daar waar sprake is van een enkelzijdige onderhoudsstrook, ligt de grens aan de overzijde op een afstand van 0,50 meter uit de insteek. Wanneer aan beide zijden van het oppervlaktewater geen onderhoudsstrook aanwezig is, ligt de grens van de kernzone aan beide zijden op 1,0 meter uit de insteek. Bij een verdiepte onderhoudsstrook ligt de grens op de insteek van het boventalud. De begrenzing van een permanent overkluisd oppervlaktewater ligt op 1,00 meter uit de buitenzijde van de overkluizing. De breedte van de zone wordt ongewijzigd overgenomen uit de leggers van de voormalige waterschappen.

3.7 Profiel van vrije ruimte oppervlaktewater

Het profiel van vrije ruimte is opgenomen met het oog op het reserveren van ruimte voor toekomstige aanpassingen van het oppervlaktewater. In de uitvoeringsregels behorende bij de keur is het maken en hebben van bezwaarlijke te verwijderen objecten aan regels gebonden. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld woningen, bedrijfsgebouwen, garages en dergelijke. De breedte van het profiel van vrije ruimte is in het noordelijk deel van ons waterschap in het algemeen 5,0 meter vanuit de insteek van het oppervlaktewater. Voor het zuidelijk deel gelden, afhankelijk van de benodigde ruimte, afstanden van 3 tot 25 meter. Deze afmetingen worden ongewijzigd overgenomen.

3.8 Waterkeringen

Onderscheid wordt gemaakt tussen primaire waterkeringen (basis in de Waterwet), regionale waterkeringen (basis in de provinciale Omgevingsverordening) en overige waterkeringen (basis legger waterschap).

Opname van de waterkeringen dient plaats te vinden in overeenstemming met de eisen in de Waterwet (primaire keringen) en de Omgevingsverordening (regionale keringen). Voor de overige keringen wordt aangesloten op de vereisten zoals die gelden voor de primaire en regionale keringen.

3.9 Kernzone waterkering

De kernzone van een waterkering omvat de waterkering van teen tot teen, met daarbij een (piping)berm aan beide zijden. De kernzone dient ter bescherming van de erosiebestendigheid, de stabiliteit en de afmetingen van de waterkering. De kernzone waterkering wordt ongewijzigd overgenomen uit de leggers van de voormalige waterschappen.

3.10 Beschermingszone waterkering

De beschermingszone van een waterkering dient met name ter bescherming van de stabiliteit van de waterkering. Als uitgangspunt geldt dat de breedte van de beschermingszone in het geval van waterkeringen met een hoogte van maximaal 1,00 meter, 10 meter is. Bij waterkeringen met een hoogte van meer dan 1,00 meter geldt een breedte van 20 meter. De breedte van de beschermingszone wordt gemeten vanuit de grens van de kernzone. In specifieke situaties kan van deze afmetingen worden afgeweken. Het voornemen bestaat in de toekomst tot een zogenaamde maatwerkbreedte te komen. Aangezien de hiervoor benodigde informatie nog niet voorhanden is, worden in de legger Waterschap Limburg 2019 de genoemde standaardafmetingen toegepast.

De in het kader van de legger Waterschap Limburg 2019 gehanteerd uitgangspunten hebben tot gevolg dat de beschermingszone waterkeringen binnen het gebied van het voormalige waterschap Roer en Overmaas breder wordt bij waterkeringen met een hoogte van meer dan 1,00 meter. Voor die waterkeringen gold een beschermingszone van 10,0 meter. Dit wordt 20,0 meter.

3.11 Buitenbeschermingszone waterkering

De buitenbeschermingszone is gericht op bescherming van de stabiliteit van de waterkering tegen zeer ingrijpende ontwikkelingen als (grootschalige) ontgrondingen en de aanleg en aanwezigheid van hogedrukleidingen. De breedte van deze zone is, op basis van vuistregels verbonden aan de nieuwe waterveiligheidsnormering, standaard 125 meter. De breedte van de buitenbeschermingszone wordt gemeten vanuit de grens van de kernzone.

Voorheen gold in het beheergebied van het voormalige waterschap Peel en Maasvallei een breedte van 40 meter, terwijl in het beheergebied van het voormalige waterschap Roer en Overmaas geen buitenbeschermingszone in de legger was opgenomen. Het voornemen bestaat in de toekomst tot een zogenaamde maatwerkbreedte te komen. Aangezien de hiervoor benodigde informatie nog niet voorhanden is, wordt bij vaststelling van de legger in eerste instantie uitgegaan van de standaardbreedte.

3.12 Profiel van vrije ruimte waterkering

Het profiel van vrije ruimte behorende bij waterkering is bedoeld om dijkversterkingen in de toekomst mogelijk te maken en dient op grond van de zorgplicht waterkeringen in de legger opgenomen te worden. Vooralsnog wordt de breedte van het profiel van vrije ruimte gebaseerd op vuistregels. Dit omdat de benodigde informatie voor maatwerkinvulling nog niet voorhanden is. Als vuistregel geldt dat de breedte van het profiel van vrije ruimte de dubbele breedte van de beschermingszone bedraagt. De breedte van het profiel van vrije ruimte wordt gemeten vanuit de grens van de kernzone.

3.13 OWL-stuw en andere peilregulerend werk

Dit betreft stuwen en andere peilregulerende werken die zijn aangelegd in een oppervlaktewater dat niet is opgenomen op de legger (overig water in de vorm van kavel- en perceelsloten). Het betreft de stuwen, die in het kader van het project Optimaal Waterbeheer in de Landbouw (OWL) zijn geplaatst in de haarvaten van het watersysteem met het oog op waterconservering en verdrogingsbestrijding. Een goede bediening van deze stuwen is hiervoor van belang. Deze werken zijn door het waterschap geplaatst en worden bediend, beheerd en onderhouden door de gebruikers ervan. Opname op de legger leidt er toe dat deze werken de status van waterstaatswerk krijgen en dat het waterschap het reguleringsinstrumentarium kan inzetten teneinde te borgen dat deze werken in overeenstemming met de bedoeling daarvan worden bediend, beheerd en onderhouden.