Waterschapsblad van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Waterschap Amstel, Gooi en VechtWaterschapsblad 2019, 11546Overige besluiten van algemene strekking



Keurbesluit Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1.1 (begripsbepalingen)

 

In dit besluit wordt verstaan onder:

aanwonende: degene die in de directe nabijheid van het water woont, al dan niet daarvan gescheiden door een weg.

bebouwde kom: de grens waar de bebouwing, feitelijk of naar de aard van de omgeving, ophoudt;

bemaling: filterbemaling, openbemaling of spanningsbemaling

blow-out: ter plaatse van de boring vloeibaar worden van de bodem, waardoor de (water)bodem openbarst;

bronbemaling: onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen;

eerste watervoerend pakket: bovenste zandlaag die gevormd is in het Pleistoceen. Dit is het eerste watervoerende pakket onder het Holoceen;

freatisch grondwater: water onder de grondwaterspiegel in het Holoceen. Dit is inclusief het grondwater in eventuele tussenzandlagen in het Holoceen. Het Holoceen bestaat uit de geologische afzettingen die korter dan 11.000 jaar geleden gevormd zijn;

freatische zone: de bovenste bodemlaag die in directe verbinding staat met de atmosfeer;

gestuurde boring: met behulp van een boorinrichting zonder graven (sleufloos) ondergronds gestuurd aanbrengen van een kabel of leiding;

groene oeverzone: onverharde begroeide oever, die zich binnen de groene markeringen op de kaart van KRW wateren en Natura 2000-gebieden bevindt;

gronddekking: de gronddekking wordt gemeten beneden de maximum geroerde diepte na baggeren (zie ook Richtlijnen Vaarwegen 2011, RWS);

hogere gronden: door het bestuur bij besluit op een kaart aangewezen hoger gelegen gebieden;

huisaansluiting: individuele aftakking van een doorgaande kabel of leiding, naar een woning of bedrijfsruimte

leggerprofiel van oppervlaktewaterlichamen: het in de legger, als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, weergegeven profiel benodigd voor water aan- en –afvoer;

middenstrook van het water: een strook water gerekend vanuit de as van het water met een gelijke breedte van 2,5 meter aan beide zijden van de as;

Natura 2000-gebieden: gebieden die als zodanig zijn aangewezen op grond van de Wet Natuurbescherming;

ontgravingsniveau: niveau van de ontgraving beneden het maaiveld;

open wateren: meren en plassen en overige niet-lijnvormige wateren;

stijghoogte: grondwaterstand in een peilbuis die staat afgesteld in een watervoerend pakket;

vaarstrook: in het Verkeersbesluit AGV Ligplaatsnemen vastgestelde minimaal vrij te houden vaarwegbreedten voor de in dat besluit aangewezen scheepvaartwegen;

verkeersvoorzieningen: voorzieningen met een verkeer regulerende functie, zoals verkeersdrempels, verkeersplateau’s, vernauwingen, obstakels en dergelijke;

waterbodem: het onder de waterlijn gelegen grondvlak inclusief de natte oevertaluds. De waterbodem omvat het oorspronkelijke bodemmateriaal en de aanwezige bagger;

wateren: watergangen en open wateren;

watervoerend pakket: geologische formatie waarbinnen grondwater zich eenvoudig kan verplaatsen;

wateren met vaarfunctie: bevaarbare wateren die voor het publiek toegankelijk zijn.

 

 

Artikel 1.2 (reikwijdte)

 

De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op vergunningvrije activiteiten bedoeld in hoofdstuk 2.

 

 

Artikel 1.3 (oogmerken)

 

De regels in hoofdstuk 2 zijn gericht op de doelstellingen van waterbeheer in artikel 2.1 van de Waterwet en in het bijzonder,

  • a.

    voor waterkeringen:

  • 1º. het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering, met het oog op de normen voor veiligheid tegen overstroming;

  • 2º. het waarborgen van een doelmatige inspectie van de staat en werking van de waterkering;

  • 3º. het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten;

  • b.

    voor oppervlaktewaterlichamen:

  • 1º. het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

  • 2º. het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam;

  • 3º. het beschermen en verbeteren van de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam;

  • 4º. het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone van belemmeringen voor de uitvoering van onderhoud en de inspectie van het oppervlaktewaterlichaam;

  • c.

    voor grondwaterlichamen:

  • 1º. de beschikbaarheid van voldoende grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam gebruik van het water;

  • 2º. een grondwaterstand die geen afbreuk doet aan de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen.

 

 

Artikel 1.4 (normadressaat)

 

Aan de regels in hoofdstuk 2 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht.

 

 

Artikel 1.5 (algemene gegevens bij een melding of het verstrekken van gegevens en bescheiden)

 

  • 1.

    Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht of doet verrichten, alsmede het e-mailadres wanneer de melding met een elektronisch formulier wordt gedaan;

    • b.

      de geografische aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht, met behulp van:

  • 1°. een situatietekening,

  • 2°. een kaart met een functionele schaal die is voorzien van een noordpijl en waarop de ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven,

  • 3°. foto’s, of

  • 4°. andere geschikte middelen;

    • c.

      een omschrijving van de aard, de omvang, de reden en het doel van de voorgenomen activiteit;

    • d.

      indien de activiteit voor bepaalde tijd is, het tijdstip waarop de activiteit wordt beëindigd;

    • e.

      de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen en de verwachte duur ervan;

    • f.

      indien de activiteit wordt uitgevoerd door een ander dan degene als bedoeld in lid 1, sub a: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede zijn e-mailadres;

  • 2.

    indien de melding wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede het e-mailadres van de gemachtigde indien de melding met een elektronisch formulier wordt ingediend.

  • 3.

    Ten hoogste 48 uur na een wijziging van de naam of het adres, worden die gewijzigde gegevens aan het bestuur verstrekt.

  • 4.

    Van een wijziging van de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen, wordt melding gedaan aan het bestuur zo spoedig mogelijk na de wijziging en in ieder geval voordat met de activiteit wordt begonnen.

  • 5.

    Het is verboden bij het verrichten van de activiteit af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij de melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.

  • 6.

    Als niet binnen een jaar na indiening is begonnen met de activiteit wordt een nieuwe melding gedaan.

 

 

Artikel 1.6 (gegevens en bescheiden voor maatwerk op initiatief van het bestuur)

 

Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor het stellen van een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bestuur, voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

 

 

Hoofdstuk 2 Inhoudelijke regels

 

 

Paragraaf 2.1 Wijzigen van secundaire wateren

 

Artikel 2.1 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod in artikel 2.31 van de Keur voor:

    • a.

      het verbreden;

    • b.

      het verdiepen;

    • c.

      het verflauwen van het talud;

  • van secundaire wateren.

  •  

  • 2.

    Lid 1 is niet van toepassing op:

    • a.

      het verbreden van secundaire wateren in:

      • de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam

      • de kernzone of beschermingszone van een half verholen waterkering;

    • b.

      het verdiepen van secundaire wateren in:

      • de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam

      • de kernzone of beschermingszone van een half verholen waterkering;

    • c.

      het verflauwen van het talud in:

      • de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam;

      • de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering.

 

 

Artikel 2.2 (specifieke zorgplicht)

  •  

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.1 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.26 en 2.27 van de Keur, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de hellinghoek van het talud van de oever niet steiler wordt;

    • b.

      het niet is toegestaan secundaire wateren met loopzand of veenbodem te verdiepen of te verbreden;

    • c.

      het niet is toegestaan secundaire wateren te verdiepen tot meer dan een meter onder het laagste streefpeil;

    • d.

      de vaarfunctie niet wordt gehinderd;

    • e.

      de aanwezige ecologische kwaliteit van de oever en de waterkwaliteit in stand blijft;

    • f.

      beschadigde oevervegetatie wordt hersteld met ecologisch gelijkwaardige vegetatie;

    • g.

      aanwezige groene oeverzones in stand blijven;

    • h.

      in groene oeverzones in Natura 2000-gebieden, het uitgekomen materiaal minimaal 1 meter uit de insteek van de oever wordt gelegd;

    • i.

      de gewijzigde watergang voldoet aan de profielen voor watergangen in Bijlage II, onder 1.2, kolom 4, onderdeel 3;

    • j.

      wanneer de waterbodem openbreekt:

  • 1º. de breuk direct wordt gedicht en de nadelige gevolgen van de breuk ongedaan worden gemaakt of beperkt;

  • 2º. het bestuur direct daarover wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de breuk en van de getroffen maatregelen om de breuk te dichten en de nadelige gevolgen ongedaan te maken of te beperken.

 

 

Artikel 2.3 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.1 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Artikel 2.4 (melding)

 

De melding bevat, naast de gegevens bedoeld in artikel 1.5, de afmetingen van het profiel van de watergang voor en na het verrichten van de activiteit.

 

 

Artikel 2.5  

 

(vervallen)

 

 

Paragraaf 2.2 Kabels en leidingen

 

Artikel 2.6 (reikwijdte beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen)

 

Vrijstelling wordt verleend van artikel 2.31 onder c, onderdeel 2° van de Keur voor:

  • a.

    het leggen of geheel of gedeeltelijk vernieuwen van kabels en leidingen:

  • 1º. onder primaire watergangen (kruisend), met behulp van een gestuurde boring of een zinker, en

  • 2º. langs primaire watergangen (parallel); en

  • b.

    het verwijderen van kabels en leidingen uit primaire watergangen en de beschermingszone van primaire watergangen (kruisend en parallel).

  •  

  •  

Artikel 2.7 (specifieke zorgplicht)

  •  

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.6 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.26 en 2.27 van de Keur, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het in- en uittredingspunt zich minimaal 1,00 meter uit de insteek van de oever bevindt;

    • b.

      dat de watergang niet geheel of gedeeltelijk wordt drooggezet of afgesloten;

    • c.

      het niet is toegestaan een zinker aan te brengen met behulp van een spuitlans of gebaggerde sleuf;

    • d.

      bij toepassing van een gestuurde boring de kabel of leiding ten minste 3 meter onder de oorspronkelijke vaste waterbodem wordt gelegd;

    • e.

      een zinker een gronddekking heeft van ten minste 1,50 meter oorspronkelijke grond;

    • f.

      niet is toegestaan om kabels en leidingen evenwijdig aan primaire watergangen aan te leggen in de oever;

    • g.

      ontgravingen tot een minimum worden beperkt;

    • h.

      ontgravingen direct na het aanbrengen van de kabel of leiding worden aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;

    • i.

      de werkzaamheden niet de uitvoering van onderhoud aan de watergang belemmeren;

    • j.

      beschadigingen aan oevers of het profiel van de watergang worden voorkomen dan wel direct hersteld;

    • k.

      de watergang na uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;

    • l.

      wanneer de waterbodem openbreekt:

  • 1º. de breuk direct wordt gedicht en de nadelige gevolgen van de breuk ongedaan worden gemaakt of beperkt; en

  • 2º. het bestuur direct daarvan wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de breuk en van de getroffen maatregelen om de breuk te dichten en de nadelige gevolgen ongedaan te maken of te beperken; en

    • m.

      wanneer er tijdens het boorproces een blow-out plaatsvindt:

  • 1º. de gevolgen daarvan direct volledig worden hersteld;

  • 2º. het bestuur direct daarover wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de blow-out en de getroffen maatregelen om de gevolgen van de blow-out te herstellen.

  •  

  •  

Artikel 2.8 (reikwijdte beperkingengebied waterkeringen)

  •  

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikel 2.17, onder a, onderdeel 1° en 2°, 2.17, onder b, onderdeel 1° en 3°, 2.18, onder a, onderdeel 1° en 2°, 2.18, onder b, onderdeel 1° en 3°, 2.19, onder a, onderdeel 1° en 2°, 2.19, onder b, onderdeel 1° en 2 van de Keur voor, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen; en

  • beschermende gronden,

    • a.

      het leggen, hebben en vervangen van kabels en leidingen ten behoeve van:

  • 1º. huisaansluitingen;

  • 2º. andere toepassingen;

    • b.

      het verwijderen van kabels en leidingen; en

    • c.

      het uitvoeren van spoedeisende reparaties aan, en het maken van lasgaten en proefsleuven, voor kabels en leidingen.

  • 2.

    Lid 1, onder a, onder 2º, is niet van toepassing op:

    • a.

      drukleidingen in

  • de kernzone van waterkerende dijklichamen; en

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen; en

    • b.

      het anders dan door een gestuurde boring aanleggen of vervangen van kabels en leidingen, met een ligging dwars door

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen; en

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen.

  • 3.

    Lid 1, onder b, is niet van toepassing op het verwijderen van kabels en leidingen uit:

  • de kernzone van waterkerende dijklichamen; en

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen.

 

 

Artikel 2.9 (specifieke zorgplicht beperkingengebied waterkeringen)

 

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht, bedoeld in artikel 2.8, en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in de artikelen 2.13 en 2.14 van de Keur, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder a, (huisaansluitingen) in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van verholen waterkeringen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen,

  •  

    • a.

      de huisaansluiting in een open ontgraving wordt gelegd;

    • b.

      de sleuf een diepte heeft van maximaal 1,00 m;

    • c.

      de huisaansluiting op maximaal 1,00 m diepte onder maaiveld ligt;

    • d.

      leiding van het type PE80/100 SDR11 is;

    • e.

      de leiding wordt aangelegd conform de toepasselijke NEN-normen;

    • f.

      de huisaansluiting zoveel mogelijk loodrecht op de kering wordt gelegd;

    • g.

      de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld;

    • h.

      koppelingen ten minste dezelfde druk kunnen weerstaan als de leiding; en

    • i.

      ontgravingen tot het minimum worden beperkt;

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen; en

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen,

  •  

    • j.

      als de huisaansluiting wordt geclusterd met andere huisaansluitingen, er voldoende ruimte is tussen de afzonderlijke leidingen om de grond goed te kunnen verdichten;

    • k.

      een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft kleiner of gelijk aan 40 mm;

    • l.

      een gasleiding een uitwendige diameter heeft kleiner of gelijk aan 40 mm en een druk kleiner of gelijk aan 10 kPa;

    • m.

      een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner of gelijk aan 125 mm in het geval van een vrij vervalleiding en een uitwendige diameter kleiner of gelijk aan 75 mm in het geval van drukriolering;

    • n.

      een kabel uitsluitend bestaat uit een telecommunicatiekabel of een kabel met laagspanning;

    • o.

      de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast;

    • p.

      direct na het aanbrengen van de huisaansluiting en aan het einde van iedere werkdag de ontgraving wordt aangevuld met de uitkomende grond in omgekeerde volgorde in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; verdichten van de uitgraving met bevroren grond is niet toegestaan;

    • q.

      sleufontgravingen gefaseerd worden uitgevoerd, zodat niet de gehele kruin wordt doorgraven; en

    • r.

      verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend op de bestaande verharding, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd; bij het ontbreken van geschikte graszoden worden de kale plekken ingezaaid met graszaad;

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen,

  •  

    • s.

      werken ten behoeve van de huisaansluiting kleiner of gelijk zijn aan 1000 x 1000 x 1000 mm (l x b x h) en ten minste 6 meter buiten de kernzone liggen;

    • t.

      een huisaansluiting, die geheel of gedeeltelijk wordt aangelegd in de kruin van de waterkering, wordt voorzien van een kwelscherm met een kleikist;

    • u.

      kwelschermen steken ten minste 0,5 m buiten de leiding en worden waterdicht met de leiding verbonden en in een kleikist met een dikte van ten minste 1,00 m in de lengterichting van de leiding gevat;

    • v.

      het kwelscherm met kleikist in de kernzone zo dicht mogelijk bij de hoogwaterzijde wordt aangebracht;

    • w.

      de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd;

    • x.

      een boogzinker in de richting van de polder wordt aangelegd vanuit het dijklichaam;

    • y.

      een boogzinker wordt ingebracht maximaal 1,00 meter vanuit de insteek van de teensloot, aan de zijde van de waterkering; en

    • z.

      een boring met boogzinker plaats vindt zoveel mogelijk loodrecht op de waterkering;

  •  

  • en, in

  • de beschermingszone van een verholen waterkering,

  •  

    • aa.

      de leiding wordt aangelegd conform de toepasselijke NEN-normen;

    • bb.

      koppelingen kunnen ten minste dezelfde druk weerstaan als de leiding.

  •  

  • 3.

    De plicht, bedoeld in lid 1, voor activiteiten bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder a, onder 2º (kabels en leidingen anders dan huisaansluitingen), houdt in ieder geval in dat met betrekking tot

    • a.

      kabels, die worden aangelegd in een open ontgraving, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van verholen waterkeringen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen,

  •  

  • 1º. de sleuf een diepte heeft van maximaal 1,00 m;

  • 2º. de kabel op maximaal 1,00 m diepte onder maaiveld ligt;

  • 3º. ontgravingen tot het minimum worden beperkt;

  • 4º. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend op de bestaande verharding, wordt hersteld;

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen;

  •  

  • 5º. midden- en hoogspanningskabels niet zijn toegestaan;

  • 6º. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld;

  • 7º. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet wordt aangetast;

  • 8º. de afwatering van de waterkering niet door de werkzaamheden wordt belemmerd;

  • 9º. alle ontgravingen tot het minimum worden beperkt;

  • 10º. direct na het aanbrengen van de kabel, en, wanneer de kabel in de kernzone ligt, aan het einde van iedere werkdag, wordt de ontgraving aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; verdichten van de uitgraving met bevroren grond is niet toegestaan;

  • 11º. de sleuf maximaal 20 meter open ligt ; en

  • 12º. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld; uitgestoken graszoden worden teruggelegd en bij het ontbreken van geschikte graszoden worden de kale plekken ingezaaid met graszaad,

  •  

  • en, in

  • de beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  •  

  • 13º. de kabel op een afstand ligt van ten minste 1 meter uit de binnenteen van de dijk;

  •  

  • en, in

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen;

  •  

  • 14º. bij geclusterde kabels, er voldoende ruimte blijft tussen de afzonderlijke leidingen om de grond goed te kunnen verdichten;

  •  

    • b.

      leidingen, die worden aangelegd in een open ontgraving, in

    • de beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

    • de beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  •  

  • 1º. leidingen met een druk van meer dan 500 kPa zijn niet toegestaan;

  • 2º. een gasleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 250 mm;

  • 3º. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 110 mm;

  • 4º. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner of gelijk aan 125 mm in het geval van een vrij vervalleiding, en een uitwendige diameter kleiner of gelijk aan 75 mm in het geval van drukriolering;

  • 5º. de diepte van de sleuf maximaal 1,00 m bedraagt;

  • 6º. de leiding buiten de NEN-veiligheidszone ligt;

  • 7º. een leiding uit het type PE 80/100 SDR 11 bestaat;

  • 8º. koppelingen zodanig worden uitgevoerd dat zij dezelfde dan wel een grotere druk dan de leiding kunnen weerstaan;

  • 9º. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast;

  • 10º. de afwatering van de waterkering niet door de werkzaamheden wordt belemmerd;

  • 11º. ontgravingen tot het minimum worden beperkt. Direct na het aanbrengen van de kabel of leiding wordt de ontgraving aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 m, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht. Verdichten van de uitgraving met bevroren grond is niet toegestaan;

  • 12º. verwijderde of beschadigde verharding , goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd. Bij het ontbreken van geschikte graszoden worden de kale plekken ingezaaid met een graszaadmengsel;

  •  

  • en, in

  • de beschermingszone van verholen waterkeringen;

  •  

  • 13º. de leiding wordt aangelegd conform de geldende NEN-normen;

  • 14º. koppelingen zodanig worden uitgevoerd dat deze dezelfde dan wel een grotere belasting dan de leiding kunnen weerstaan;

  • 15º. ontgravingen tot het minimum worden beperkt. Direct na het aanbrengen van de huisaansluiting de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht,

  •  

    • c.

      kabels en leidingen, die worden aangelegd met een gestuurde boring, in

  • de kernzone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen;

  • de kernzone van verholen waterkeringen;

  •  

  • 1º. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 110 mm;

  • 2º. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner of gelijk aan 125 mm in het geval van een vrij vervalleiding, en een uitwendige diameter kleiner of gelijk aan 75 mm in het geval van drukriolering;

  • 3º. een gestuurde boring plaats vindt overeenkomstig de toepasselijke NEN-normen, dan wel daaraan gelijkwaardige normen;

  • 4º. een leiding uit het type PE 80/100 SDR 11 bestaat;

  • 5º. de boring wordt uitgevoerd met toepassing van de ‘horizontal directional drilling’ (HDD) techniek of de ‘gesloten front techniek’ (GFT);

  • 6º. de leiding of mantelbuis ten minste 3 meter onder de kruinhoogte van een verholen waterkering ligt;

  • 7º. de leiding of mantelbuis ten minste 10 meter onder de kruinhoogte ligt, of, bij waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen, ten minste 2 meter beneden de bovenkant van het vaste pleistocene zand;

  • 8º. de leiding zo wordt aangelegd dat de kans op piping verwaarloosbaar klein is voor waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen;

  • 9º. de leiding of mantelbuis horizontaal in de kernzone ligt;

  • 10º. het in- en uittredepunt van de boring buiten de NEN-veiligheidszone ligt;

  • 11º. de leiding of mantelbuis zoveel mogelijk loodrecht de kernzone kruist; en

  • 12º. kruisingen van leidingen en mantelbuizen zoveel mogelijk worden geconcentreerd met inachtneming van de onderlinge veiligheidsafstand.

  •  

  • 4.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder b, (verwijderen van kabels en leidingen) in ieder geval in dat, in

  • de beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen,

  •  

    • a.

      de kabel of leiding zorgvuldig wordt verwijderd;

  • en, in

  • de beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • de kernzone van verholen waterkeringen,

  •  

    • b.

      ontgravingen tot het minimum worden beperkt;

    • c.

      direct na het verwijderen van de kabel of leiding, en aan het einde van iedere werkdag, de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en

    • d.

      de holle ruimte van de verwijderde kabel of leiding wordt opgevuld met klei alvorens de uitgekomen grond in omgekeerde volgorde weer in te brengen en te verdichten; verdichten van de uitgraving met bevroren grond is niet toegestaan,

  •  

  • en, in

  • de beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van verholen waterkeringen;

  •  

    • e.

      de te verwijderen kabel of leiding op maximaal 1,20 meter diepte ligt;

    • f.

      de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld;

    • g.

      verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld; en

    • h.

      uitgestoken graszoden worden teruggelegd en kale plekken worden ingezaaid met graszaad,

  •  

  • en, in

  • de beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  •  

    • i.

      de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast;

    • j.

      de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd;

    • k.

      de sleuf in delen van telkens maximaal 20 meter wordt gegraven nadat het voorgaande deel is aangevuld en verdicht.

  •  

  • 5.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder c, (spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven) in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • de kernzone van verholen waterkeringen;

  •  

    • a.

      de reparatie niet de vervanging omvat van de kabel of leiding;

    • b.

      de uitvoerder van de reparatie de aanwijzingen opvolgt van het bestuur;

    • c.

      alle ontgravingen tot het minimum worden beperkt. De ontgraving wordt direct na het gereed komen van de reparatie aangevuld met de uitgekomen grond in omgekeerde volgorde en verdicht in lagen van maximaal 0,20 m. Aan het einde van elke werkdag wordt de ontgraving volledig opgevuld;

    • d.

      uitgenomen verharding of grond, goed aansluitend aan het omringende maaiveld, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd. Bij het ontbreken van geschikte graszoden worden de kale plekken ingezaaid met graszaad.

  •  

  •  

Artikel 2.10 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder a en b, doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Artikel 2.11 (gegevens en bescheiden bij een melding)

 

Een melding van activiteiten als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder a en b bevat, naast gegevens bedoeld in artikel 1.5:

  • a.

    voor het aanleggen of vervangen van een kabel of leiding:

  • 1º. een beschrijving van de soort kabel of leiding,

  • 2º. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding,

  • 3º. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekrater,

  • 4º. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan,

  • 5º. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering;

  • b.

    voor het verwijderen van een kabel of leiding:

  • 1º. een beschrijving van de wijze van verwijderen, en

  • 2º. de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen.

  •  

  •  

Artikel 2.12 (gegevens en bescheiden: uitvoering spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven)

 

Ten minste 24 uur voor het begin of, in het geval van een calamiteit, uiterlijk de eerste dag na aanvang van een activiteit als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, onder c worden aan het bestuur gegeven en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de coördinaten van de kabel, leiding en het werk;

  • b.

    een overzichtskaart van het werk, met een detailkaart op een schaal van maximaal 1:250;

  • c.

    een omschrijving van de werkzaamheden;

  • d.

    de afmetingen van het gat of de sleuf;

  • e.

    de diepteligging van de kabel of leiding.

 

 

Artikel 2.13 (gegevens en bescheiden: uitgevoerde werkzaamheden)

 

Ten minste binnen twee maanden na uitvoering van de activiteit worden revisietekeningen met x- y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bestuur verstrekt.

 

 

Paragraaf 2.3 Boringen, sonderingen en grondmechanisch onderzoek

 

Artikel 2.14 (reikwijdte)

 

Vrijstelling wordt verleend van het verbod in de artikelen 2.17 onder a, onderdeel 4°, 2.17 onder c, 2.18 onder a, onderdeel 4°, onder d, 2.20 onder d van de Keur voor het uitvoeren van boringen en sonderingen ten behoeve van bodemonderzoek in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen,

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen en

  • beschermende gronden.

 

 

Artikel 2.15 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.14 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in de artikelen 2.13 en 2.14 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten Keur), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die verplichting houdt voor activiteiten bedoeld in artikel 2.14, in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • beschermende gronden:

    • a.

      boringen en sonderingen voldoen aan de van toepassing zijnde NEN-normen, dan wel daaraan gelijkwaardige normen;

    • b.

      de sondeer- en boorstelling niet wordt verankerd;

    • c.

      bij voorgraven de uitgekomen grond wordt teruggebracht en verdicht;

    • d.

      waterspanningsmeters en peilbuizen worden afgewerkt tot of, zo mogelijk, onder het maaiveld, en gemarkeerd;

    • e.

      bij een verhoogde waterstand tot meer dan 0,20 meter ten opzichte van het geldende streefpeil alleen handboringen en handsonderingen worden uitgevoerd;

    • f.

      boor- en sondeergaten direct na het onderzoek worden opgevuld en afgesloten met zwelklei overeenkomstig de geldende normen (TAW-leidraad);

    • g.

      peilbuizen, minifilters, waterspanningsmeters en overig werkmateriaal na de meetperiode worden verwijderd;

    • h.

      het waterkerend vermogen van de waterkering niet nadelig wordt beïnvloed;

    • i.

      erosie van de waterkering wordt voorkomen of direct hersteld;

    • j.

      de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd;

    • k.

      de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige (oever)bescherming niet wordt beschadigd of direct hersteld;

    • l.

      beschadiging van de waterkering, bermen en taluds wordt voorkomen of direct hersteld;

    • m.

      verstoring van de standvastheid van het grondlichaam van de waterkering wordt voorkomen of direct hersteld;

    • n.

      de toegankelijkheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd;

    • o.

      na beëindiging van de activiteit de waterkering wordt teruggebracht in de oorspronkelijke staat;

    • p.

      bij het gebruik van zwaar materieel artikel 3.6 van dit besluit in acht wordt genomen; en

    • q.

      doorboring van slecht waterdoorlatende bodemlagen zoveel mogelijk wordt voorkomen of hersteld.

  •  

 

Artikel 2.16 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.14 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Artikel 2.17 (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)

 

(vervallen)

 

 

Paragraaf 2.4 Steigers, afmeerpalen en ligplaatsnemen

 

Artikel 2.18 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.31 onder b, onderdeel 1° en 2°, 2.17 onder a, onderdeel 6° en 7°, 2.18 onder a, onderdeel 5° en 6°, 2.18 onder b, onderdeel 4° en 5°, 2.19 onder a, onderdeel 4°, 2.19 onder b, onderdeel 4°, van de Keur voor:

    • a.

      het aanbrengen, hebben, wijzigen, vervangen en verwijderen van steigers en afmeerpalen in

      • secundaire wateren;

      • primaire wateren;

      • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen; en

      • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen,

    • b.

      ligplaats nemen, meren en ankeren en vervangen van een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting in

      • secundaire wateren;

      • primaire wateren,

      • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen; en

      • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen.

  •  

  • 2.

    Lid 1, onder a, is niet van toepassing op het aanbrengen, hebben en wijzigen van steigers en afmeerpalen, in de gebieden zoals aangegeven op de ‘Knelpuntenkaart Boezemsysteem’ op Kaart 3.

  •  

  • 3.

    Lid 1, onder b, is niet van toepassing op het ligplaats nemen, meren en ankeren met

    • a.

      een woonschip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting:

  • 1º. langs onbeschoeide oevers van waterkerende dijklichamen,

  • 2º. in de gebieden zoals aangegeven op de “Knelpuntenkaart Boezemsysteem” op Kaart 3;

    • b.

      een recreatieschip met een lengte van meer dan 6 meter, in het Hoogwaterbemalingsgebied Amsterdam zoals aangegeven op de “Knelpuntenkaart Boezemsysteem” op Kaart 3.

 

 

Artikel 2.19 (specifieke zorgplicht voor steigers en afmeerpalen)

 

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.18, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in de artikelen 2.13, 2.14, 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten Keur), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het aanbrengen, hebben, wijzigen en vervangen van steigers en afmeerpalen in ieder geval in, dat, in

  • secundaire wateren;

  • primaire wateren, buiten het boezemsysteem:

    • a.

      steigers buiten de bebouwde kom een lengte hebben van maximaal 6 meter;

    • b.

      steigers en afmeerpalen,

  • 1º. tot maximaal 3,0 meter uit de waterkant steken;

  • 2º. niet geheel of gedeeltelijk staan in de middenstrook, het leggerprofiel van primaire wateren, de vaarstrook of een rode zone;

  • 3º. niet de vaarfunctie hinderen;

    • c.

      een steiger niet rust op meer palen dan noodzakelijk om de constructie te kunnen dragen;

    • d.

      steigers in groene oeverzones van het open type zijn zoals aangegeven in bijlage I

    • e.

      de vrije doorstroming onder de steiger niet wordt belemmerd;

  •  

  • en, in

  • primaire wateren, buiten het boezemsysteem,

  •  

    • f.

      steigers en afmeerpalen staan minimaal 3,0 meter af van andere steigers, afmeerpalen of werken;

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen,

  •  

    • g.

      steigerpalen en afmeerpalen een breedte hebben van maximaal 0,2 meter en worden tot een diepte van maximaal 3 meter in de waterbodem aangebracht;

    • h.

      de steiger niet verbonden is met of rust op de oeverbescherming van de waterkering;

    • i.

      steigerpalen en afmeerpalen niet worden aangebracht met een spuitlans.

  •  

  • 3.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het aanbrengen, hebben, wijzigen en vervangen van steigers en afmeerpalen in ieder geval in, dat, in

  • het boezemsysteem, buiten de in Knelpuntenkaart boezemsysteem aangewezen gebieden, zoals opgenomen op Kaart 3,

    • a.

      steigers buiten de bebouwde kom een lengte hebben van maximaal 6 meter;

    • b.

      een steigerpaal of afmeerpaal een breedte heeft van maximaal 0,2 meter

    • c.

      de steiger of afmeerpaal niet geheel of gedeeltelijk staat in de middenstrook, de vaarstrook of een rode zone;

    • d.

      buiten het leggerprofiel:

  • 1º. de steiger of afmeerpaal maximaal 3 meter uit de waterkant steekt;

  • 2º. steigers of afmeerpalen minimaal 3,0 meter afstaan van andere steigers, afmeerpalen of werken;

  • 3º. steigers in groene oeverzones van het open type zijn zoals aangegeven in bijlage I;

  • 4º. een steiger niet rust op meer palen dan noodzakelijk om de constructie te kunnen dragen;

    • e.

      in het leggerprofiel:

  • 1º. per aanwonende 1 steiger of 2 afmeerpalen is toegestaan;

  • 2º. een steiger op maximaal 2 steigerpalen staat en maximaal 1,2 meter uit de waterkant steekt;

  • 3º. een afmeerpaal maximaal 1,20 meter uit de waterkant steekt;

  • 4º. steigers in groene oeverzones van het open type zijn zoals aangegeven in bijlage I.

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen,

  •  

    • f.

      steigerpalen en afmeerpalen een breedte hebben van maximaal 0,2 meter en worden tot een diepte van maximaal 3 meter in de waterbodem aangebracht;

    • g.

      de steiger niet verbonden is met of rust op de oeverbescherming van de waterkering;

    • h.

      steigerpalen en afmeerpalen niet worden aangebracht met een spuitlans.

  •  

  • 4.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het vervangen van een steiger of afmeerpaal, in ieder geval in, dat, in

  • de op de Knelpuntenkaart boezemsysteem aangewezen gebieden, zoals opgenomen op Kaart 3;

  •  

  • het niet is toegestaan dat:

    • a.

      de afmetingen van de steiger of afmeerpalen toenemen;

    • b.

      de steiger of afmeerpalen verder uit de waterkant komen te staan.

  •  

  • 5.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het verwijderen van steigers en afmeerpalen, in ieder geval in dat, in

  • secundaire wateren,

  • primaire wateren,

  •  

    • a.

      schade aan oevers zo veel mogelijk wordt voorkomen en direct wordt hersteld;

    • b.

      de lengte en de helling van de oever ten minste gelijk blijven;

    • c.

      beschadigde vegetatie wordt vervangen door vegetatie van ten minste gelijkwaardige ecologische kwaliteit;

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen,

  •  

    • d.

      schade aan het profiel van de waterkering zo veel mogelijk wordt voorkomen of direct wordt hersteld;

    • e.

      gaten op het droge deel van de waterkering worden opgevuld met klei en verdicht of op een andere door het bestuur aan te geven wijze gedicht;

    • f.

      palen in het natte deel van de waterkering worden verwijderd tot minimaal 50 cm onder het leggerprofiel of de waterbodem, als de waterbodem lager ligt dan het leggerprofiel, door wegdrukken, afknijpen of afzagen, niet door uittrekken.

  •  

  • 6.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het ligplaatsnemen, meren en ankeren en vervangen van een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting in ieder geval in, dat, in

  • secundaire wateren,

  • primaire wateren, buiten het boezemsysteem,

  • het boezemsysteem, buiten de in Knelpuntenkaart boezemsysteem aangewezen gebieden, zoals opgenomen op Kaart 3,

    • a.

      het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting niet geheel of gedeeltelijk ligt in:

  • 1º. de middenstrook van primaire wateren;

  • 2º. het leggerprofiel van buiten de bebouwde kom gelegen primaire wateren;

  • 3º. een vaarstrook;

  • 4º. een rode oeverzone;

    • b.

      ten minste 0,3 meter ruimte blijft tussen de onderkant van het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting en de waterbodem;

    • c.

      het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting niet ligt in een groene oeverzone of langs een waterkerend dijklichaam, tenzij gebruik wordt gemaakt van een afmeervoorziening die is toegestaan krachtens de Keur;

    • d.

      loopplanken tezamen een breedte hebben van maximaal 2 meter.

  •  

  • 7.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het vervangen van woonschepen, in ieder geval in, dat, in

  • de op de Knelpuntenkaart boezemsysteem aangewezen gebieden, zoals opgenomen in Kaart 3,

  • het niet is toegestaan dat:

    • a.

      de lengte en breedte op de waterlijn en de diepgang van het vervangende (woon)schip toenemen ten opzichte van het te vervangen (woon)schip;

    • b.

      het vervangende (woon)schip verder uit de kant steekt dan het vervangen (woon)schip.

 

 

Artikel 2.19a (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.19, lid 3 en 4, doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Paragraaf 2.5 Ophogen en ontgraven van waterkeringen

 

Artikel 2.20 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.17 onder a, onderdeel 1°, 2.17 onder b, onderdeel 1°, 2.18 onder a, onderdeel 1°, 2.18 onder b, onderdeel 1°, 2.19 onder a, onderdeel 1°, 2.19 onder b, onderdeel 1° van de Keur voor,

    • a.

      het verrichten van ontgravingen, in

  • de buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen;

    • b.

      het ophogen van de waterkering, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen.

  •  

  • 2.

    Lid 1, onder a, is niet van toepassing op ontgravingen van meer dan 2 meter onder het maaiveld.

  •  

  • 3.

    Lid 1, onder b, is niet van toepassing op het ophogen van de bodem met meer dan 0,2 meter grond.

 

 

Artikel 2.21 (specifieke zorgplichten)

 

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.20, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.13 en 2.14 van de Keur (oogmerken en zorgplichten), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd;

    • b.

      de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige dijkbekleding en oeverbescherming wordt hersteld; en

    • c.

      de toegankelijkheid van de waterkering gewaarborgd blijft voor inspectie of onderhoud.

  •  

 

Paragraaf 2.6 Wegen op waterkeringen

 

Artikel 2.22 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.17 onder a, onderdeel 6°, 2.18 onder a, onderdeel 5°, 2.18, onder b, onderdeel 4°, 2.19 onder a, onderdeel 4°, 2.19 onder b, onderdeel 4°, 2.20, onder c, van de Keur voor:

    • a.

      het vervangen of verbreden van wegen;

    • b.

      het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen;

    • c.

      het aanvullen van wegbermen, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

  • in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen,

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen,

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen.

  •  

  • 2.

    Lid 1, onder b, is niet van toepassing op het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersdrempels, verkeersplateaus en verzinkbare verkeersobstakels in:

  • de kernzone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen.

 

 

Artikel 2.23 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.22, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.13 en 2.14 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die verplichting houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      beschadiging of versnelde inklinking van de waterkering wordt voorkomen of hersteld;

    • b.

      de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd;

    • c.

      het waterkerend vermogen van de waterkering in stand blijft;

    • d.

      na verwijdering van de verkeersvoorziening gaten worden opgevuld met kleihoudende grond;

    • e.

      wegbermen worden aangevuld met bij voorkeur kleihoudende grond of met toepassing van grasbetontegels; en

    • f.

      wegbermen die geheel of gedeeltelijk binnen 2 meter van de buitenkruinlijn liggen worden niet aangevuld met puin;

  •  

  • en, in

    • de kernzone van waterkerende dijklichamen;

    • de kernzone en buitendijkse beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  •  

    • g.

      de bestaande wegfundering niet wordt uitgebreid.

 

 

Artikel 2.24 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.22 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Artikel 2.25 (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)

 

(vervallen)

 

 

Artikel 2.26 (gegevens en bescheiden: uitgevoerde werkzaamheden)

 

Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x- y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bevoegd gezag verstrekt.

 

 

Paragraaf 2.7 Beschoeiingen

 

Artikel 2.27 (reikwijdte)

 

Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.17 onder a, onderdeel 6°, 2.18 onder a, onderdeel 5°, 2.18 onder b, onderdeel 4°, 2.20, onder c, 2.31 onder a, onderdeel 2° van de Keur voor de aanleg, hebben, vervangen en verwijderen van beschoeiing in

  • primaire wateren;

  • secundaire wateren;

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • beschermende gronden.

 

 

Artikel 2.28 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.27 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.13, 2.14, 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die plicht houdt in ieder geval in, dat, in

  • primaire wateren,

  • secundaire wateren,

  •  

    • a.

      de aanleg van beschoeiing in een groene oeverzone niet is toegestaan;

    • b.

      de beschoeiing wordt aangelegd op de waterlijn van het hoogst vastgestelde waterpeil;

    • c.

      een vervangende beschoeiing wordt aangelegd op dezelfde plaats en diepte als de bestaande beschoeiing of dichter bij de oever;

    • d.

      de doorstroming in het stromingsprofiel van de watergang niet wordt belemmerd;

    • e.

      een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen;

    • f.

      maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen met het oog op de ecologische waterkwaliteit niet worden aangetast;

    • g.

      nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen of weggenomen;

    • h.

      de toegankelijkheid van de watergang en onderhoudsstrook voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd;

    • i.

      bij het verwijderen de stabiliteit van oever en bodem in stand blijft;

  •  

  • en, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen,

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen,

  • beschermende gronden,

  •  

    • j.

      de beschoeiing waterdoorlatend is;

    • k.

      de beschoeiing niet verankerd is;

    • l.

      de beschoeiing niet wordt aangebracht met behulp van een spuitlans;

    • m.

      beschoeiingspalen worden verwijderd door wegdrukken, afknijpen of afzagen;

    • n.

      niet is toegestaan beschoeiingpalen te verwijderen met behulp van een spuitlans of door uittrekken;

    • o.

      schade aan de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige dijkbekleding en oeverbescherming wordt hersteld;

    • p.

      erosie van de waterkering wordt voorkomen;

    • q.

      verstoring van de standvastheid van het grondlichaam van de waterkering wordt hersteld;

    • r.

      geen verlaging van de grondwaterstand optreedt in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en de kernzone van half- verholen waterkeringen; en

    • s.

      de waterkerende hoogte van de waterkering in stand blijft.

 

 

Artikel 2.29 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.27 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Artikel 2.30 (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)

 

(vervallen)

 

 

Artikel 2.31 (gegevens en bescheiden: uitgevoerde werkzaamheden)

 

Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x- y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bestuur verstrekt.

 

 

Paragraaf 2.8 Werken in verholen waterkeringen

 

Artikel 2.32 (reikwijdte)

 

Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.19 onder a, onderdeel 4° en onder b, onderdeel 4° van de Keur voor het aanbrengen, hebben, wijzigen en verwijderen van bouwwerken, funderingen, funderingspalen en damwanden in

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen.

 

 

Artikel 2.33 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.32 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.13, 2.14, 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het aanbrengen van bouwwerken, funderingen, funderingspalen en damwanden in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen,

  •  

    • a.

      het bouwwerk, de fundering, de funderingspalen of damwand bestand is tegen ophoging van de kernzone, tegen negatieve kleef en tegen horizontale gronddruk;

    • b.

      ankers niet zijn toegestaan in de kernzone; en

    • c.

      in de kernzone de ruimte tot een hoogte van 7 boven de kruin, vrij blijft.

  •  

  • 3.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor het verwijderen van bouwwerken, funderingen, funderingspalen en damwanden, in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van verholen waterkeringen

  •  

    • a.

      het bouwwerk, de fundering, de funderingspalen of damwand volledig wordt verwijderd;

    • b.

      het maaiveld wordt hersteld tot de hoogte van het omliggende maaiveld; en

    • c.

      schade in de kernzone direct wordt hersteld.

 

 

Artikel 2.34 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.32 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

Artikel 2.35 (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)

 

(vervallen)

 

 

Artikel 2.36 (gegevens en bescheiden: uitgevoerde werkzaamheden)

 

Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x- y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bevoegd gezag verstrekt.

 

 

Paragraaf 2.9 Dammen en bruggen

 

Artikel 2.37 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.19 onder a, onderdeel 4°, 2.19 onder b, onderdeel 4°, 2.20, onder c, 2.31 onder b, onderdeel 1° van de Keur voor het aanleggen, wijzigen en verwijderen van een brug of een dam, met inbegrip van damhekken of dampalen, in

  • secundaire watergangen.

  •  

  • 2.

    Lid 1 is niet van toepassing op:

    • a.

      secundaire wateren met een vaarfunctie;

    • b.

      bruggen en dammen die tevens liggen in:

  • 1º. de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • 2º. de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen.

 

 

Artikel 2.38 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.32 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.13, 2.14, 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die plicht houdt voor bruggen en dammen in ieder geval in, dat

    • a.

      de brughoofden niet in het water steken;

    • b.

      de brug of dam niet breder is dan maximaal 10 meter;

    • c.

      schade aan maatregelen en voorzieningen die zijn aangelegd ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit direct wordt hersteld;

    • d.

      nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen of gecompenseerd;

    • e.

      de toegankelijkheid voor onderhoud en inspectie van de watergang niet wordt belemmerd; en

    • f.

      na verwijdering van een brug, dam met duiker, damhek of dampaal worden de oevers van de watergang zo veel mogelijk teruggebracht in de oorspronkelijke of een ecologisch goede staat;

  •  

  • en, voor dammen,

  •  

    • g.

      de dam voorzien is van een duiker;

    • h.

      de binnendiameter van de duiker groter of gelijk is aan de onderhoudsafmetingen bedoeld in Bijlage II, onder 1.2, onderdeel 3;

    • i.

      de ligging van de duiker zodanig is dat de duiker bij het laagste streefpeil voor een derde deel boven het water steekt;

    • j.

      de duiker maximaal 0,5 meter uit de dam steekt;

    • k.

      de duiker recht is, zonder bochten;

    • l.

      de duikermond voldoende ver in de watergang steekt voor een goede doorstroming;

    • m.

      het verlies aan open-waterberging als gevolg van de aanleg van een dam vooraf volledig wordt gecompenseerd in dezelfde watergang, of in een met die watergang direct in verbinding staande andere watergang;

    • n.

      de binnenzijde van de duiker wordt vrijgehouden van aanslibbend materiaal; en

    • o.

      hekken en palen, in en langs dammen, niet voor de duikermond liggen en niet de vrije doorstroming in het stromingsprofiel belemmeren.

 

 

Artikel 2.39 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.37 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

 

 

Artikel 2.40 (gegevens en bescheiden: start van de werkzaamheden)

 

(vervallen)

 

 

Artikel 2.41 (gegevens en bescheiden: uitgevoerde werkzaamheden)

 

Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x- y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bestuur verstrekt.

 

 

Paragraaf 2.10 Bestrating in de beschermingszone van primaire wateren

 

Artikel 2.42 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikel 2.31 onder b, onderdeel 1° van de Keur voor het aanleggen van bestrating, in

  • de beschermingszone van primaire wateren.

  •  

  • 2.

    De vrijstelling in lid 1 is niet van toepassing als de bestrating tevens ligt in de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen.

 

 

Artikel 2.43 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een vergunning vrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.42 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.1, 2.2, 2.30 en 2.31 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die verplichting houdt in ieder geval in dat,

    • a.

      het niet is toegestaan in een groene oeverzone bestrating aan te leggen tot 1 meter uit de insteek; en

    • b.

      de bestrating een totaalgewicht kan dragen van ten minste 10 ton.

 

 

Paragraaf 2.11 Onttrekken en lozen van water aan of op oppervlaktewateren

 

Artikel 2.44 (reikwijdte)

 

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikel 2.28 van de Keur voor:

    • a.

      het aanvoeren of lozen van water op primaire en secundaire wateren;

    • b.

      afvoeren van water van, of onttrekken van water aan:

    • boezemwateren;

    • primaire wateren, niet zijnde boezemwateren, en

    • secundaire wateren.

  •  

  • 2.

    De vrijstelling bedoeld in lid 1 is niet van toepassing op het aanvoeren of lozen en het afvoeren of onttrekken:

    • a.

      van meer dan 500 m3 water per uur op boezemwateren;

    • b.

      van meer dan 120 m3 water per uur op primaire wateren, niet zijnde boezemwateren, en op secundaire wateren.

 

 

Artikel 2.45 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije vrijgestelde activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.44 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die verplichting houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de activiteit wordt beëindigd wanneer de waterstand meer dan 5 centimeter afwijkt van het streefpeil;

    • b.

      het niet is toegestaan water te onttrekken of af te voeren in of nabij een teensloot met een breedte van minder dan 2 meter;

    • c.

      schade aan het profiel van de watergang naar afmetingen, vorm en constructie zoveel mogelijk wordt voorkomen of direct hersteld;

    • d.

      schade aan de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk wordt voorkomen of direct hersteld.

  •  

  •  

Paragraaf 2.12 Grondwateronttrekkingen en -infiltraties

 

Artikel 2.46 (reikwijdte)

  •  

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikel 2.9, lid 1, van de Keur,

    • a.

      voor grondwateronttrekkingen en –infiltraties in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en in

  • kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen en

  • waterkerende constructies;

    • b.

      voor grondwateronttrekkingen en –infiltraties buiten:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en in

  • kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen en

  • waterkerende constructies,

    • c.

      ten behoeve van:

  • 1º. het gebruik en onderhoud van brandputten;

  • 2º. overige doeleinden;

  • 3º. korte (bron)bemaling, korte bodemsanering of een pompproef;

  • 4º. langdurige bodemsanering;

  • 5º. beregening en bevloeiing.

  •  

  • 2.

    De vrijstelling, bedoeld in lid 1, onder a, is niet van toepassing op grondwateronttrekkingen:

    • a.

      met een duur langer dan vier weken per jaar; en

    • b.

      waarvan de hoeveelheid te onttrekken grondwater meer bedraagt dan 3 m3 per uur.

  •  

  • 3.

    De vrijstelling, bedoeld in lid 1, onder b, is niet van toepassing op grondwateronttrekkingen

    • a.

      op het grondgebied van de provincie, ten behoeve van menselijke consumptie;

    • b.

      ten behoeve van overige doeleinden, en de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 10 m3 per uur en 4.000 m3 per vier weken;

    • c.

      ten behoeve van een (bron)bemaling, (korte) bodemsanering of een pompproef:

  • 1º. met een duur langer dan 6 maanden; en

  • 2º. de te onttrekken hoeveelheid grondwater bedraagt meer dan:

  • i. 50 m3 per uur en 15.000 m3 per vier weken; of

  • ii. 150 m3 per uur en 65.000 m3 per vier weken op hogere gronden buiten Natura-2000 gebieden en een zone van 100 meter daaromheen;

    • d.

      ten behoeve van een langdurige bodemsanering:

  • 1º. met een duur langer dan 3 jaar; en

  • 2º. de te onttrekken hoeveelheid grondwater bedraagt meer dan:

  • i. 15 m3 per uur en 4.000 m3 per vier weken; of

  • ii. 25 m3 per uur en 6.500 m3 per vier weken op hogere gronden buiten Natura-2000 gebieden en een zone van 100 meter daaromheen;

    • e.

      ten behoeve van beregening en bevloeiing,

  • 1º. met een duur langer dan 6 maanden; en

  • 2º. de te onttrekken hoeveelheid grondwater bedraagt meer dan 30 m3 per uur en 8.000 m3 per vier weken.

  •  

  •  

Artikel 2.47 (specifieke zorgplicht)

  •  

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.46 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.7 en 2.8 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Het is niet toegestaan een vergunningvrije grondwateronttrekkingen en – infiltraties te verrichten in het geval:

    • a.

      een aanvaardbaar alternatief aanwezig is dat geen gevolgen heeft voor het grondwaterlichaam;

    • b.

      van gebruik van grondwater van een goede kwaliteit voor een laagwaardige toepassing.

  •  

  • 3.

    De verplichting, bedoeld in lid 1, houdt voor grondwateronttrekkingen in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en in

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen en

  • waterkerende constructies;

  •  

  • na het beëindigen van de grondwateronttrekking de gaten in de bodem waterdicht worden afgedicht met bentoniet of kleikorrels, zoveel mogelijk overeenkomstig de oorspronkelijke bodemopbouw.

  •  

  • 4.

    De verplichting, bedoeld in lid 1, houdt in ieder geval in dat, voor grondwateronttrekkingen buiten,

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en in

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen en

  • waterkerende constructies;

  •  

  •  

    • a.

      na het beëindigen van de grondwateronttrekking de gaten in de bodem waterdicht worden afgedicht met schoon opvulmateriaal, zoveel mogelijk overeenkomstig de oorspronkelijke bodemopbouw;

  •  

  • en, voor een korte (bron)bemaling, korte bodemsanering of een pompproef,

  •  

    • b.

      het niet is toegestaan de grondwaterstand te verlagen tot meer dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau;

    • c.

      in gebieden met houten paalfunderingen:

  • 1º. rondom de bouwput goed aaneensluitende damwanden worden aangebracht om uitspoeling van grond en (grond)water te voorkomen;

  • 2º. de grondwaterstand buiten de damwand niet wordt verlaagd tot onder de bovenzijde van de houten paalfundering van de bebouwing die in de invloedsfeer van de bemaling staat;

  • 3º. indien de hoogte van de houten paalfundering(en) niet bekend is, het grondwaterniveau rondom de bouwkuip niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; waarbij de gemiddeld laagste grondwaterstand wordt afgeleid van een of meerdere representatieve peilbuizen in de nabije omgeving van de werkzaamheden;

  • 4º. voorafgaand aan de bemaling peilbuizen worden geplaatst aan de voor en -achterzijde van het werk; waarbij de peilbuizen worden afgesteld in de freatische bodemlaag;

  • 5º. de peilbuizen altijd goed functionerend zijn en toegankelijk voor het bestuur;

  • 6º. als de onttrekking geheel of gedeeltelijk buiten werking wordt gesteld, ervoor wordt zorg gedragen:

  • aa. dat geen grondwateroverlast ontstaat;

  • bb. dat alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat met doorlatende filters die tot de bemaling behoren, zo worden afgesloten en afgedicht, dat verontreiniging van grondwater wordt voorkomen;

  • cc. dat afsluitende lagen over de gehele lengte worden hersteld met bentoniet of een vergelijkbaar materiaal;

  • dd. dat gaten in de bodem die ontstaan tijdens het trekken van de damwanden worden opgevuld met bentoniet;

  •  

  • en, voor een langdurige bodemsanering,

  •  

    • d.

      het niet is toegestaan in gebieden gelegen buiten de hogere gronden de freatische grondwaterstand te verlagen tot onder de waterstand van het meest nabije oppervlaktewater; en

    • e.

      het niet is toegestaan de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket te verlagen tot meer dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau;

  •  

  • en, voor beregening en bevloeiing:

    • f.

      onttrekken van grondwater niet is toegestaan als voldoende water beschikbaar is uit een oppervlaktewaterlichaam.

  •  

  •  

Artikel 2.48 (vervallen)

 

(vervallen)

  •  

  •  

Artikel 2.49 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.46 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

  •  

  •  

Artikel 2.50 (gegevens en bescheiden)

  • 1.

    De melding bevat, naast de gegevens bedoeld in artikel 1.5:

    • a.

      het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

    • b.

      het aantal in te richten putten;

    • c.

      de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

    • d.

      de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het NAP;

    • e.

      de lengte van het effectieve filter of de effectieve filters in iedere put;

    • f.

      de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;

    • g.

      de hoeveelheid water in kubieke meter per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; en

    • h.

      een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

  •  

  • 2.

    Van een activiteit bedoeld in artikel 2.47, lid 3, onder c, worden van de opstelling van de peilbuizen de volgende gegevens geregistreerd:

    • a.

      de filterstelling (diepte bovenkant- en onderkant filter) in centimeters ten opzichte van het NAP en maaiveld;

    • b.

      de diameter van het filter en van de peilbuis;

    • c.

      bij nieuwe meetpunten: de eerst gemeten grondwaterstand en/of stijghoogte;

    • d.

      de hoogte van het maaiveld ter plaatse in centimeters ten opzichte van het NAP;

    • e.

      de hoogte van het meetpunt (= referentiepunt; veelal bovenkant van de buis) in centimeters ten opzichte van het NAP;

    • f.

      de coördinaten van de meetpunten volgens het rijksdriehoekstelsel;

    • g.

      vanaf ten minste 5 dagen voor aanvang van de onttrekking tot ten minste 5 dagen na het einde van de onttrekking worden de grondwaterstanden in de peilbuizen gemeten en geregistreerd ten opzichte van het NAP. Het meten en registreren van de grondwaterstanden vindt dagelijks plaats gedurende werkdagen; en

    • h.

      op verzoek van het bestuur worden de geregistreerde gegevens overgelegd.

  •  

  •  

Artikel 2.51 (vrijstelling van de meld- en meetplicht in het Waterbesluit)

  •  

  • 1.

    Artikel 6.11, lid 1 (meldplicht) en lid 2 (meetplicht) van het Waterbesluit gelden niet voor grondwateronttrekkingen als bedoeld in artikel 2.9, lid 2 (kelders en kruipruimten van voor 22 december 2009) van de Keur.

  •  

  • 2.

    Artikel 6.11, lid 1 (meldplicht) van het Waterbesluit geldt niet voor grondwateronttrekkingen, buiten de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen waterkeringen en waterkerende constructies, van maximaal 5 m3 per uur en een duur van maximaal 1 week.

  •  

  • 3.

    Artikel 6.11, lid 2 (meetplicht) van het Waterbesluit geldt niet voor grondwateronttrekkingen van maximaal 12.000 m3 per jaar, met uitzondering van grondwateronttrekkingen bedoeld in artikel 2.47, lid 3, onder c (gebieden met houtenpaalfunderingen).

  •  

  •  

  •  

Paragraaf 2.13 Explosiegevaarlijke stoffen en installaties

 

Artikel 2.52 (reikwijdte)

  •  

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.17 onder a, onderdeel 8° en 2.17 onder b, onderdeel 4° van de Keur voor het plaatsen of vervangen van

    • a.

      tanks en drukvaten in de

  • 1º. kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • 2º. buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen;

    • b.

      explosiegevaarlijke stoffen en installaties in de

  • 1º. buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen.

  •  

  • 2.

    Lid 1, onder a , is niet van toepassing op tanks en drukvaten met een druk van meer dan 1000 kPa.

  •  

  •  

Artikel 2.53 (specifieke zorgplicht)

  •  

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.52 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.13 en 2.14 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    De verplichting, bedoeld in lid 1, houdt voor tanks en drukvaten in ieder geval in, dat, in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen:

  •  

    • a.

      tanks en drukvaten bovengronds worden geplaatst op een betonplaat met een dikte van ten minste 5 centimeter;

    • b.

      tanks of drukvaten voldoen aan de geldende veiligheids- en milieunormen;

    • c.

      tanks een voorziening hebben tegen lekkage in de ondergrond, die voldoet aan de geldende milieunormen; en

    • d.

      de bereikbaarheid van de waterkering niet wordt belemmerd voor de uitvoering van onderhoud en de bestrijding van calamiteiten.

  •  

  • 3.

    De verplichting, bedoeld in lid 1, houdt voor explosiegevaarlijke stoffen en installaties in ieder geval in, dat, in

  • de buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen:

  •  

    • a.

      de afstand tot de kernzone ten minste 100 meter bedraagt;

    • b.

      de verstoringszone van de explosiegevaarlijke stoffen of installatie reikt niet tot binnen de beschermingszone; waarbij de verstoringszone wordt berekend volgens de geldende NEN normen voor leidingen, dan wel een wijze van berekening van een gelijkwaardige kwaliteit.

  •  

  •  

Artikel 2.54 (meldplicht)

 

Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.52 doet ten minste vier weken voor het begin daarvan melding aan het bestuur.

  •  

  •  

Artikel 2.55 (gegevens en bescheiden)

  •  

De melding bevat naast de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 1.5, voor activiteiten,

  • a.

    bedoeld in artikel 2.52, lid 1, onder a, de certificaten waaruit blijkt dat de tanks of drukvaten voldoen aan de geldende veiligheids- en milieunormen;

  • b.

    bedoeld in artikel 2.52, lid 1, onder b, een situatietekening en veiligheidszoneberekening zoals bedoeld in artikel 2.53, lid 3, onder b.

  •  

  •  

Paragraaf 2.14 Peilafwijkingen

 

Artikel 2.56 (reikwijdte)

  •  

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van artikelen 2.31 onder a, onderdeel 4°, 2.31 onder b, onderdeel 1° van de Keur, binnen de door het bestuur op kaart aangegeven peilafwijkingengebieden, voor

    • a.

      het voeren van een waterstand die afwijkt van de in het peilbesluit vastgestelde waterstand voor het peilgebied waarin het peilafwijkingengebied is gelegen;

    • b.

      het hebben, vervangen en verwijderen van kunstwerken die noodzakelijk zijn om de afwijkende waterstand te kunnen handhaven.

  •  

  • 2.

    De vrijstelling bedoeld in lid 1, onder b, is niet van toepassing op voor het eerst aanbrengen van een inlaat in een peilafwijkingengebied.

  •  

  •  

Artikel 2.57 (specifieke zorgplicht)

  •  

  • 1.

    Degene die een vergunningvrije activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.56 en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten) is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      in het peilafwijkingengebied een waterstand wordt gehandhaafd die ligt tussen het waterpeil in de polder en het waterpeil in de boezem, tenzij op de kaart van het peilafwijkingengebied een andere waterstand is bepaald;

    • b.

      niet meer water in het peilafwijkingengebied wordt ingelaten dan noodzakelijk om de waterstand, bedoeld onder a, te kunnen handhaven;

    • c.

      nadelige gevolgen voor het oppervlaktewaterbeheer door het waterschap worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt;

    • d.

      nadelige gevolgen voor de stabiliteit van waterkeringen worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt;

    • e.

      een inlaat een binnendiameter heeft van maximaal 100 mm en een instroomopening van maximaal 50 mm, en is afsluitbaar en goed zichtbaar gemarkeerd.

  •  

  • 3.

    Het gewoon en buitengewoon onderhoud van de kunstwerken binnen het peilafwijkingengebied berust bij de rechthebbende, tenzij op de kaart voor het peilafwijkingengebied een ander is aangewezen als onderhoudsplichtige.

  •  

  • 4.

    De rechthebbende is verplicht de aanwijzingen van het waterschapsbestuur op te volgen.

  •  

  •  

Paragraaf 2.15 Overige activiteiten in het beperkingengebied van waterkeringen

 

Artikel 2.58 (reikwijdte)

 

De regels in deze paragraaf hebben betrekking op activiteiten in het beperkingengebied van waterkeringen, waarvoor niet reeds bij of krachtens de Keur een vergunningplicht of vrijstelling geldt.

  •  

  •  

Artikel 2.59 (activiteiten)

 

De regels in deze paragraaf hebben betrekking op:

  • a.

    het plaatsen van palen, afrasteringen, schuttingen, hekwerken in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • b.

    het plaatsen van straatvoorzieningen in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • c.

    het aanbrengen en hebben van taludtrappen in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • d.

    de aanleg van tuinen en het planten en rooien van bomen en struiken in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone en beschermingszone van half-verholen waterkeringen;

  • e.

    het weiden van vee in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen;

  • f.

    het rijden met en gebruik maken van zwaar materieel in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half-verholen waterkeringen;

  • g.

    het ploegen, freezen of verstoren van de grond in:

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen.

  •  

  •  

Artikel 2.60 (specifieke zorgplicht)

 

  • 1.

    Degene die activiteiten, bedoeld in artikel 2.59, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.13 en 2.14 van de Keur (oogmerken en specifieke zorgplichten), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.59, onder a, in ieder geval in dat:

    • a.

      de palen, afrasteringen, schuttingen en hekwerken tot een diepte steken van maximaal 0,75 meter onder het maaiveld en een diameter hebben van maximaal 0,10 meter;

    • b.

      een verzwaarde paalvoet een omvang heeft van maximaal 0,30 x 0,30 meter, en maximaal 0,50 meter diep onder de kruin of maaiveld steekt; en

    • c.

      dwars op de kruin geplaatste afrasteringen, schuttingen en hekwerken een doorgang hebben van minimaal 3 meter breed en niet zijn afgesloten.

  •  

  • 3.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten, bedoeld in artikel 2.59, onder b, in ieder geval in dat:

    • a.

      het niet is toegestaan straatvoorzieningen te plaatsen als de straatvoorziening niet noodzakelijk is of als de straatvoorziening buiten de beperkingengebieden als bedoeld in artikel 2.59, onder b, kan worden geplaatst;

    • b.

      straatverlichting, verkeers- en informatieborden van openbaar belang geplaatst worden langs de binnenkruin van de waterkering, of, als dit uit oogpunt van verkeersveiligheid noodzakelijk is, langs de buitenkruin; en

    • c.

      het plaatsen van verkeersvoorzieningen op het talud van de waterkering niet is toegestaan.

  •  

  • 4.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten, bedoeld in artikel 2.59, onder c, in ieder geval in dat:

    • a.

      taludtrappen niet breder en langer zijn dan strikt noodzakelijk;

    • b.

      taludtrappen bestaan uit losse, strak aaneengesloten elementen die over hun gehele lengte aan weerszijden strak ingesloten zijn door randelementen; en

    • c.

      de constructie van de taludstrap leidt niet tot:

  • 1º. holle ruimten onder de trapelementen;

  • 2º. ruimten tussen de trapelementen;

  • 3º. ruimte tussen de trap en de dijkbekleding; en

  • 4º. ruimte tussen de trap en de weg- of padverharding.

  •  

  • 5.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten, bedoeld in artikel 2.59, onder d, in ieder geval in dat

    • a.

      tuinen die niet direct aan een woning of woonschip liggen, niet zijn toegestaan;

    • b.

      tuininrichting niet in de ondergrond wordt verankerd en zonder graafwerkzaamheden wordt geplaatst;

    • c.

      het niet is toegestaan bomen en struiken te planten:

  • 1º. op de kruin en het talud van de waterkering;

  • 2º. in de kernzone van veendijken;

    • d.

      bomen en struiken binnen een afstand van 9 meter uit de referentielijn en buiten het talud, worden onderhouden op een hoogte van maximaal 5 meter; en

    • e.

      bij het rooien van bomen:

  • 1º. worden de boomstobben verwijderd tot een afstand van 5 meter uit de teen van de dijk;

  • 2º. boomstobben met een diameter van meer dan 10 cm worden gefreesd, boomstobben met een diameter van maximaal 10 cm mogen worden getrokken;

  • 3º. het gat wordt opgevuld en verdicht met toepassing van kleihoudende grond; en

  • 4º. na uitvoering van de werkzaamheden wordt de bodem ingezaaid met graszaad.

  •  

  • 6.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten, bedoeld in artikel 2.49, onder e, in ieder geval in dat

    • a.

      de onverharde bodem bij toegangshekken wordt opgehoogd met kleihoudende grond tot de omliggende maaiveldhoogte;

    • b.

      het niet is toegestaan paarden te weiden in:

  • 1º. de kernzone van waterkerende dijklichamen;

  • 2º. de kernzone van half -verholen waterkeringen;

    • c.

      het niet is toegestaan vee te weiden in de periode van 1 oktober tot 1 februari, in:

  • 1º. de kernzone van waterkerende dijklichamen; en

  • 2º. de kernzone van half -verholen waterkeringen.

  •  

  • 7.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten, bedoeld in artikel 2.59, onder f, in ieder geval in dat

    • a.

      het gebruik van materieel van meer dan 20 ton op onverharde bodem niet is toegestaan;

    • b.

      het gebruik van materieel van meer dan 45 ton op verharde wegen niet is toegestaan, met uitzondering van provinciale of rijkswegen.

  •  

  • 8.

    De plicht, bedoeld in lid 1, houdt voor activiteiten, bedoeld in artikel 2.59, onder g, in ieder geval in dat ploegen, freezen of verstoren van de grond niet is toegestaan:

    • a.

      in het keurprofiel ;

    • b.

      vanaf een diepte van 50 cm onder het maaiveld;

    • c.

      als de erosiebestendigheid en waterkerend vermogen wordt aangetast.

  •  

  •  

Artikel 2.61 (informatieplicht)

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 2.59, onder b, c, d voor zover sprake is van 3 of meer bomen, en g, doet ten minste vier weken voor het begin daarvan mededeling aan het bestuur.

  • 2.

    Degene die een evenement wil houden op onverharde delen in

  • de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen;

  • de kernzone van half verholen waterkeringen;

  • doet ten minste vier weken voor het begin daarvan mededeling aan het bestuur.

  •  

 

 

Paragraaf 2.16 Overige activiteiten in beperkingengebieden van oppervlaktewaterlichamen

 

Artikel 2.62 (reikwijdte)

 

De regels in deze paragraaf hebben betrekking op activiteiten in het beperkingengebied van oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van ondersteunde kunstwerken en bergingsgebieden, waarvoor niet reeds bij of krachtens de Keur een vergunningplicht of vrijstelling geldt.

 

 

Artikel 2.63 (activiteiten)

 

De regels in deze paragraaf hebben betrekking op het:

  • a.

    losdrijvende schepen en objecten

  • b.

    verspreiding van uitheemse planten en dieren;

  • c.

    storten en opslaan van voorwerpen, materialen en stoffen;

  • d.

    verrichten van boringen en sonderingen;

  • e.

    aanleggen en vernieuwen van uitstroommondingen.

 

 

Artikel 2.64 (Specifieke zorgplicht)

  •  

  • 1.

    Degene die activiteiten, bedoeld in artikel 2.62, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikelen 2.26 en 2.27 van de Keur (oogmerken en zorgplichten), is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

  •  

  • 2.

    Die verplichting houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      aantasting van het profiel van oppervlaktewaterlichaam naar afmetingen, vorm en constructie te voorkomen;

    • b.

      aantasting van de oever van meren en plassen naar vorm en constructie te voorkomen;

    • c.

      belemmering van de doorstroming in het stromingsprofiel van de watergang te voorkomen of weg te nemen;

    • d.

      waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken;

    • e.

      aantasting van maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit te voorkomen;

    • f.

      nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk te voorkomen;

    • g.

      belemmeringen van het gebruik van het oppervlaktewaterlichaam of de onderhoudsstrook voor het uitvoeren van onderhoud, te voorkomen;

    • h.

      de bereikbaarheid van waterstaatswerken voor onderhoud en calamiteiten is gegarandeerd;

    • i.

      na beëindiging van een activiteit wordt het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht;

    • j.

      de mogelijkheid van uitvoering van buitengewoon onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten te waarborgen;

    • k.

      geen schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen onbeheerd te laten drijven of in gedeeltelijk of geheel gezonken toestand te laten liggen;

    • l.

      geen uitheemse planten en/of dieren in te brengen of te verspreiden;

    • m.

      geen voorwerpen, materialen, afval, vuil of stoffen te storten of op te slaan;

    • n.

      bij het aanleggen of geheel of gedeeltelijk vernieuwen van uitstroommondingen van drainageleidingen, overstorten, hemelwaterleidingen staat de monding haaks op de oever en steekt de buis niet verder uit de oever dan strikt noodzakelijk;

    • o.

      bij boringen en sonderingen in oppervlaktewaterlichamen en de beschermingszone langs primaire wateren worden waterspanningsmeters en peilbuizen goed afgewerkt, bij voorkeur onder maaiveld, en gemarkeerd. De peilbuizen, minifilters, waterspanningsmeters en overig werkmateriaal worden na de meetperiode verwijderd.

 

 

Hoofdstuk 3 Inhoudelijke regels over onderhoud

 

 

Paragraaf 3.1 Waterkeringen

 

Artikel 3.1 (reikwijdte)

 

De regels in deze paragraaf hebben betrekking op de onderhoudsplichtige en onderhoudsmaatregelen, bedoeld in artikelen 2.22 en 2.23 van de Keur.

 

 

Artikel 3.2 (onderhoudsmaatregelen)

 

De onderhoudsplichtige heeft de plicht de onderhoudsmaatregelen te nemen zoals aangewezen in Bijlage III, tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, lid 2 van de Waterschapswet, een watervergunning of een overeenkomst met het waterschap, een andere onderhoudsmaatregel is bepaald.

 

 

Paragraaf 3.2 Oppervlaktewaterlichamen

 

Artikel 3.3 (reikwijdte)

De regels in deze paragraaf hebben betrekking op de onderhoudsplichtige en onderhoudsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 2.35 en 2.36 van de Keur.

 

 

Artikel 3.4 (onderhoudsmaatregelen)

De onderhoudsplichtige heeft de plicht de onderhoudsmaatregelen te nemen zoals aangegeven in Bijlage II, tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, lid 2 van de Waterschapswet, een watervergunning of een overeenkomst met het waterschap, een andere onderhoudsmaatregel is bepaald.

 

 

Artikel 3.4 (baggerspecie- en maaiselberging)

  • 1.

    De onderhoudsplichtigen zijn verplicht baggerspecie en maaisel op de oever te zetten of direct af te voeren of te verspreiden. Degene die baggerspecie en maaisel op de oever zet draagt er zorg voor dat de baggerspecie en het maaisel niet terugzakt in het water.

  • 2.

    Maaisel dat bij onderhoudswerkzaamheden in secundaire wateren vrijkomt wordt binnen twee dagen na het maaien uit het water verwijderd.

  • 3.

    De onderhoudsplichtigen dienen het onderhoud zodanig uit te voeren dat de ecologische toestand van het water en de oevers zo min mogelijk wordt geschaad.

 

 

Hoofdstuk 4 Gegevens en bescheiden bij aanvragen

 

 

Artikel 4.1 (reikwijdte)

De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag van een watervergunning.

 

 

Artikel 4.2 (gegevens en bescheiden bij een aanvraag)

De aanvrager verstrekt bij een aanvraag van een watervergunning de gegevens en bescheiden zoals weergegeven in Bijlage IV, kolom 3, voor de daarbij aangegeven activiteiten.

 

 

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

 

 

Artikel 5.1  

  • 1.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Keurbesluit AGV 2019.

  • 2.

    Dit besluit treedt in werking op 1 november 2019.