Waterschapsblad van Waterschap Scheldestromen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Waterschap ScheldestromenWaterschapsblad 2017, 7132Beleidsregels



Beleidsregels berekening van vervuilingswaarde IBA–systemen

 

Artikel 1 Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

 

  • a.

    oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam als bedoel in artikel 1.1, lid van de Waterwet;

  • b.

    Zuiveringtechnisch werk: zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 1.1, lid 1 van de Waterwet;

  • c.

    IBA–systeem II of III: een systeem voor de individuele behandeling van afvalwater, ingedeeld in klasse II of III,

  • d.

    woonruimte: woonruimte als bedoeld in artikel 7.1, van de Waterwet;

  • e.

    bedrijfsruimte: bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7.1, van de Waterwet;

  • f.

    afvalwater van huishoudelijke aard: afvalwater afkomstig van huishoudens of hiermee vergelijkbaar afvalwater;

  • g.

    ingenomen water: ingenomen water als bedoeld in artikel 122c, onderdeel j, van de Waterschapswet;

  • h.

    ambtenaar belast met de heffing: ambtenaar als bedoeld in artikel 124, vijfde lid van de Waterschapswet;

  • i.

    beheerder: beheerder als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Waterwet;

  • j.

    zuiveringsrendement: het percentage zuurstofbindende stoffen in afvalwater van huishoudelijke aard dat door middel van een IBA–systeem wordt verwijderd.

     

Artikel 2 Forfataire regeling voor IBA-systemen  

  •  

  • 1.

    De beheerder van een IBA–systeem is heffingplichtig voor de verontreinigingsheffing voor het direct afvoeren van afvalstoffen op oppervlaktewater in beheer bij het waterschap.

  • 2.

    De vervuilingswaarde van de afvalstoffen die vanuit een IBA–systeem worden afgevoerd, wordt gesteld op:

    • a.

      drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt;

       

    • b.

      één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

     

     

Artikel 3 Bepaling vervuilingswaarde

    • 1.

      De bepaling van de vervuilingswaarde van een lozing vanuit een IBA–systeem als bedoeld in artikel 2, vindt plaats aan de hand van het totale waterverbruik van de aangesloten woon– en bedrijfsruimten en van het zuiveringsrendement van het betreffende IBA–systeem.

    • 2.

      Indien op een IBA–systeem uitsluitend woonruimten zijn aangesloten, wordt de vervuilingswaarde voor de toepassing van de forfaitaire regeling van artikel 2, tweede lid, bepaald volgens de formule:

    • 3.

      Voor de toepassing van het tweede lid wordt het zuiveringsrendement van de IBA–systemen van de te onderscheiden klassen gesteld op een factor:

    • klasse II: 75

      klasse III: 90

    • 4.

      De berekeningsmethode als vermeld in het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien op een IBA–systeem één bedrijfsruimte is aangesloten van waaruit uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd. Ditzelfde geldt voor een IBA–systeem, waarop naast een bedrijfsruimte, ook één of meer woonruimten zijn aangesloten.

    • 5.

      In afwijking van het eerste lid wordt de vervuilingswaarde van een lozing vanuit een IBA–systeem op één vervuilingseenheid gesteld, indien:

      • a.

        niet meer dan één woonruimte op het betreffende IBA–systeem is aangesloten;

      • b.

        uitsluitend afvalwater van huishoudelijke aard wordt afgevoerd.

 

Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel

    • 1.

      Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking en hebben betrekking op belastbare feiten die zich vanaf 1 juni 2017 voordoen of hebben voorgedaan.

    • 2.

      Per 1 juni 2017 worden de beleidsregels berekening vervuilingswaarde IBA-systemen van Waterschap Zeeuws-Vlaanderen, vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 25 oktober 2006, laatstelijk gewijzigd 9 december 2009, alsmede de beleidsregels van Waterschap Zeeuwse Eilanden, vastgesteld op 13 maart 2007 ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op belastbare feiten waarvoor op grond van artikel 5 lid 1 van de verordening verontreinigingsheffing waterschap Scheldestromen de heffing is verschuldigd voor 1 juni 2017.

    • 3.

      Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels berekening vervuilingswaarde IBA–systemen 2017’.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 3 mei 2017.

 

dr. A.P.M.A. Vonck,

secretaris-algemeen directeur

mr. drs. A.J.G. Poppelaars,

dijkgraaf

Toelichting

Werkingssfeer

Bij dit besluit zijn fiscale beleidsregels vastgesteld voor toepassing van het zogenaamde bedrijfsruimteforfait bij het afvoeren van stoffen vanuit een IBA–systeem (zuiveringtechnisch werk). Deze forfaitaire regeling is gebaseerd op de forfaitaire regeling van artikel 122i van de Waterschapswet. Deze regeling kent twee forfaits: een forfait van drie vervuilingseenheden en een forfait van één vervuilingseenheid. Indien de beheerder van het IBA–systeem aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van het effluent minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld, Indien de beheerder van het IBA–systeem aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van het effluent minder dan één vervuilingseenheid bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld.

Om onder de werkingssfeer van deze beleidsregels te vallen, dient aan enkele voorwaarden te zijn voldaan:

 

  • a.

    het betreffende IBA–systeem is ingedeeld in de klassen II of III;

  • b.

    het betreffende IBA–systeem wordt uitsluitend gebruikt voor de zuivering van afvalwater van huishoudelijke aard;

  • c.

    het IBA–systeem wordt niet beheerd door het waterschap en ook niet gezamenlijk door het waterschap en een gemeente.

 

a. IBA Klasse II of III

 

IBA–systemen die zijn ingedeeld in de klassen II en III komen in aanmerking voor de toepassing van het bedrijfsruimteforfait, indien aannemelijk is te maken dat het gezuiverde afvalwater voldoet aan de in het document 'Individuele Behandeling van Afvalwater IBA-systemen' (CUWVO/CIW, 1999) genoemde emissiegrenswaarden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van certificaten of onderzoeksrapportages ten behoeve van certificering. Voor beide documenten geldt dat deze relevante emissiegrenswaarden dienen te bevatten.

 

Systemen van klasse I (bijvoorbeeld septic-tanks) vallen in beginsel niet onder de beleidsregels, omdat deze een te laag zuiveringsrendement hebben om in aanmerking te komen voor het bedrijfsruimteforfait van één vervuilingseenheid. Indien de heffingplichtige van mening is dat niettemin een aanslag van één vervuilingseenheid zou moeten worden opgelegd, dient hij dit aannemelijk te maken door middel van meting, bemonstering en analyse.

 

  • b.

    Afvalwater van huishoudelijke aard

 

IBA–systemen zijn in beginsel ontworpen voor de behandeling van water van huishoudelijke aard. Dat wil zeggen afvalwater afkomstig van woonruimten en afvalwater van bedrijfsruimten met een vergelijkbare samenstelling. De certificering en klassenindeling van de IBA–systemen zijn gebaseerd op dit afvalwater. Over het zuiveringsrendement van IBA–systemen bij zuivering van afvalwater van andere dan huishoudelijke aard is nog weinig bekend. In dergelijke gevallen zal de belastingplichtige door middel van meting, bemonstering en analyse de toepasbaarheid van het forfait aannemelijk moeten maken.

 

c. Beheer

In de gevallen waarin het waterschap of het waterschap samen met een gemeente beheerder is van het IBA–systeem, wordt de achterliggende vervuiler in de verontreinigingsheffing betrokken, dat wil zeggen de aangesloten woon– of bedrijfsruimte. Deze beleidsregels zijn in dat geval niet van toepassing. De achterliggende vervuiler wordt door het waterschap belast op grond van artikel 7.5, lid 1 van de Waterwet (meting, bemonstering en analyse) of ontvangt een aanslag van drie vervuilingseenheden dan wel van één vervuilingseenheid op grond van het woonruimteforfait van artikel 122h, lid 1, Waterschapswet.

 

In alle andere gevallen zijn deze beleidsregels wel van toepassing. Het betreft hier gevallen waarin ofwel de gemeente ofwel de achterliggende vervuiler(s) het IBA– systeem beheert (beheren). Het beheer van een IBA–systeem kan samenvallen met degene die het IBA–systeem gefinancierd heeft, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn.

Zie hierna ook de toelichting op artikel 1.

  

Aansluiting

 

a. Eén woonruimte

 

Er wordt beleidsmatig onderscheid gemaakt tussen een IBA–systeem waarop één woonruimte is aangesloten en een IBA–systeem waarop meerdere woon– en/of bedrijfsruimten zijn aangesloten (een zogenaamde ‘groeps–IBA’). De lozingen van de eerste categorie worden automatisch onder het forfait van één vervuilingseenheid gebracht, mits vanuit deze woonruimte uitsluitend afvalwater van huishoudelijke aard wordt afgevoerd. Dit is een praktische werkwijze die goed verdedigbaar is, gelet op het zuiveringsrendement van de klasse II en klasse III IBA–systemen.

 

b. Meerdere woon- en/of bedrijfsruimten

 

In geval op één IBA–systeem meer dan één woonruimte of bedrijfsruimte(n) is aangesloten wordt de vervuilingswaarde berekend op grond van de hoeveelheid ingenomen water en het zuiveringsrendement van het betreffende IBA–systeem.

Het zuiveringsrendement van klasse II en III IBA-systemen is op basis van de klasse-indeling en praktijkervaring bij de waterschappen vastgesteld op respectievelijk 75% en 90%.

Overigens kan zich in deze situatie de omstandigheid voordoen dat de berekening resulteert in een vervuilingswaarde van méér dan vijf vervuilingseenheden. Hoewel de beleidsregels strikt genomen hierin niet voorzien – deze zien op toepassing van het kleine bedrijfsruimteforfait van één of drie vervuilingseenheden – kan de uitkomst van deze berekening worden aangemerkt als zijnde een redelijke schatting op grond waarvan deze lozing in de heffing kan worden betrokken (de tabel afvalwatercoefficienten is namelijk alleen van toepassing op bedrijfsruimten).

  

Artikelsgewijs

Artikel 1 Definities

 

Algemeen

In de beleidsregels wordt zoveel mogelijk verwezen naar de wettekst waarin het forfait voor kleine bedrijfsruimten bij IBA–systemen is geregeld. Hiermee wordt voorkomen dat als gevolg van een tussentijds wetswijziging de definities in de beleidsregels af gaan wijken van de wettekst. Bij de uitleg van deze definities zijn de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van belang.

 

Onderdeel c

In de Beoordelingsrichtlijn 100002 is aangegeven dat IBA–systemen in drie hoofdgroepen ingedeeld kunnen worden: klasse I (waaronder de zogenaamde septic tanks van verschillende omvang), klasse II en klasse III (onderverdeeld in IIIa en IIIb). In beginsel komen alleen systemen ingedeeld in de klassen II en III in aanmerking voor toepassing van de hier opgestelde beleidsregels, omdat ze een zuiveringsrendement van 75% of meer realiseren. Deze hoge zuiveringsrendementen kunnen in de berekening van het aantal vervuilingseenheden leiden tot een uitkomst die binnen het bereik van het kleine bedrijvenforfait bij IBA–systemen valt. De belastingplichtige kan gevraagd worden om aan te tonen dat de IBA volgens de voorschriften van de fabrikant geplaatst is en dat de IBA jaarlijks onderhouden wordt. Onderhoud kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het overleggen van een onderhoudscontract.

 

Onderdeel i

In de praktijk is de beheerder degene die het zuiveringtechnische proces voert en daarvoor verantwoordelijk is. In de praktijk is dit vaak degene die verantwoordelijk is voor het onderhoud van het IBA–systeem.

  

Artikel 2 Forfaitaire regeling voor IBA-systemen

 

Artikel 2 betreft de forfaitaire regeling als bedoeld van lozingen vanuit een IBA–systeem. De beheerder van het IBA–systeem is heffingplichtig voor de verontreinigingsheffing voor het direct afvoeren van afvalstoffen op oppervlaktewater in beheer bij het waterschap. Daarbij is de ‘beheerder van het IBA–systeem’ een beheerder als bedoeld in artikel 1, onderdeel i. De passage ‘in beheer bij het waterschap’ wil zeggen dat het IBA–systeem binnen het in het reglement van het waterschap vastgelegde taakgebied ligt.

 

Het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op de forfaitaire regeling van artikel 122i van de Waterschapswet. Deze regeling kent twee forfaits: een forfait van drie vervuilingseenheden en een forfait van één vervuilingseenheid. Indien de beheerder van het IBA–systeem aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van het effluent minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld (forfait van drie vervuilingseenheden). Indien de beheerder van het IBA–systeem aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van het effluent minder dan één vervuilingseenheid bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld (forfait van één vervuilingseenheid).

  

Artikel 3 Bepaling van de vervuilingswaarde

 

Eerste lid

In dit artikellid is het algemene uitgangspunt voor het bepalen van de vervuilingswaarde van de lozing vanuit een IBA–systeem opgenomen: het totale waterverbruik van de op het IBA–systeem aangesloten woon– en bedrijfsruimten en het zuiveringsrendement van het betreffende IBA–systeem. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

 

Tweede en vierde lid

Ten aanzien van huishoudelijk afvalwater dat wordt afgevoerd vanuit meer dan één woonruimte (tweede lid), dan wel huishoudelijk afvalwater dat wordt afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte, al dan niet in combinatie met één of meer woonruimten (vierde lid) geldt dat de vervuilingswaarde door middel van een formule kan worden berekend. Vervolgens kan de vervuilingswaarde worden vastgesteld op de wijze die in artikel 2 is omschreven. Indien de berekeningen tot een hogere uitkomst leiden dan vijf vervuilingseenheden is het forfait voor kleine bedrijfsruimten niet (meer) van toepassing. Zie in dit verband ook het algemene deel van de toelichting over de grenzen aan de beleidsregels.

 

In geval meerdere percelen op een IBA–systeem zijn aangesloten wordt uitgegaan van het totale waterverbruik van de aangesloten woon– en of bedrijfsruimten. Op grond van beleidsregels ten aanzien van de aanwijzing van de belastingplichtige en naar analogie van artikel 142 van de Waterschapswet kan één van de gebruikers van de woonruimten die op het IBA–systeem zijn aangesloten worden aangeslagen voor het geheel. Het verdient aanbeveling om reeds voorafgaand aan de plaatsing van een IBA–systeem afspraken te maken en vast te leggen wie als beheerder in de zin van de Waterwet wordt beschouwd (bijvoorbeeld bij de aanvraag van de vergunning).

 

Derde lid

Zie de toelichting onder artikel 1c.

 

Vijfde lid

De genoemde voorwaarden zijn cumulatief. Met andere woorden, de heffingplichtige dient aan alle voorwaarden te voldoen om in aanmerking te komen voor een vervuilingswaarde van één vervuilingseenheid.