Beleidsregel Bruggen over hoofdwatergangen in de Krimpenerwaard ter inzage
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft een nieuwe beleidsregel bruggen over hoofdwatergangen in de Krimpenerwaard opgesteld.
In deze beleidsregel staat het beleid wat gehanteerd wordt voor vergunningaanvragen voor een brug over een hoofdwatergang in de Krimpenerwaard. Bovendien is er een algemene regel nr 7 opgesteld waarin de voorwaarden staan waaraan een brug over een oppervlaktewaterlichaam met de functie hoofdwatergang in zowel de Krimpenerwaard als Schieland moet voldoen, zonder dat er een vergunning hoeft te worden aangevraagd.
 
Het hoofdwatersysteem in de Krimpenerwaard is getoetst op normen voor wateroverlast door middel van modelberekeningen. Hieruit blijkt dat van bepaalde hoofdwatergangen de transportcapaciteit is gewijzigd (aanpassen gemalen en omkeren van watersystemen). Om deze reden is het nodig om het beleid met betrekking tot de doorstroombreedte van bruggen aan te passen. Vooral voor de zogenaamde vlieten betekent dit veelal een grotere breedtemaat. Ten aanzien van de doorvaarthoogtes vinden geen wijzigingen plaats.
 
Op 6 oktober 2015 heeft het algemeen bestuur van Schieland en de Krimpenerwaard het concept van deze beleidsregel en algemene regel nr 7 vastgesteld. U kunt de stukken inzien op www.hhsk.nl of tijdens kantooruren op ons kantoor aan de Maasboulevard 123 in Rotterdam.
 
In de periode van 9 oktober 2015 tot en met vrijdag 20 november 2015 kunt u uw mening geven door het indienen van een ‘zienswijze’. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Schriftelijke zienswijzen stuurt u naar het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, postbus 4059, 3006 AB Rotterdam. U ontvangt schriftelijk bericht van het hoogheemraadschap over de reactie op uw mening en het uiteindelijke besluit.
 
Het hoogheemraadschap zal de ontvangen zienswijzen zorgvuldig bestuderen en zo nodig wijzigingen aanbrengen in de beleidsregel of algemene regel. Daarna worden de beleidsregel en algemene regel zo snel mogelijk definitief vastgesteld. Naar verwachting treedt het nieuwe beleid per januari 2016 in werking.
 
Voor meer informatie over kunt u contact opnemen met het hoogheemraadschap 010 45 37 200.
 
Beleidsregel bruggen over hoofdwatergangen in de Krimpenerwaard
Kader
Keur
Op grond van artikel 3.1 eerste lid onder a en b en tweede lid onder b van de keur van Schieland en de Krimpenerwaard, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te plaatsen of te behouden. Hieronder valt ook het plaatsen of behouden van bruggen over hoofdwatergangen.
Begripsbepaling
Een brug valt onder het begrip ‘werken'. Met werken wordt bedoeld alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren.
Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is alleen van toepassing op hoofdwatergangen in de Krimpenerwaard.
Raakvlakken met andere wet- en regelgeving
Andere beleidsregels/algemene regels
Voor het gebruiken van een waterstaatswerk, met weinig invloed hebben op de waterhuishouding, gelden in bepaalde gevallen algemene regels.
Doel van de beleidsregel
Het doel van het beleid is het beschermen van de functie van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand houden en waarborgen van de normale onderhoudsmogelijkheden, het waarborgen van de functie van bepaalde wateren en het waarborgen van de wateraan- en afvoer.
Motivering van de beleidsregel
Tegen bruggen over wateren als perceelsontsluiting of wegverbinding bestaat uit waterhuishoudkundig oogpunt over het algemeen geen bezwaar. Een brug heeft daarom als ontsluitingsmiddel de voorkeur boven een dam met duiker. In principe moeten pijlers/ondersteuningsconstructies in het natte profiel zoveel mogelijk worden geweerd, wegens nadelige effecten met betrekking tot opstuwing, onderhoud, drijvend vuil. Het gaat hier om bruggen welke worden toegepast in de hoofdwatergangen.
In watergangen waar het onderhoud varend wordt uitgevoerd dienen bruggen geen obstakel te vormen voor de onderhoudsvaartuigen. Dit houdt in dat de onderkant van het brugdek minimaal 0,65 meter boven het hoogst vastgestelde peil in het meest recent vastgestelde peilbesluit dient te worden aangelegd. Door andere overheden worden mogelijk zwaardere eisen gesteld aan de doorvaarthoogte, bijvoorbeeld bij bruggen in een kanoroute. De doorvaartbreedte varieert tussen 2,00 meter en 10,00 meter. Op de bij deze beleidsregel behorende tekeningen is aangegeven voor welke watergang welke breedte moet worden aangehouden.
Toetsingscriteria
Voor bruggen over oppervlaktewaterlichamen met de functie hoofdwatergang in de Krimpenerwaard gelden de volgende specifieke toetsingscriteria:
  • 1.
    De onderkant van het brugdek bevindt zich minimaal op 0,65 meter boven het hoogst vastgestelde peil in het meest recent vastgestelde peilbesluit.
  • 2.
    De doorstroombreedte bedraagt minimaal 2,00 meter met uitzondering van de op de tekening nr. 1 Beleidsregel bruggen in de Krimpenerwaard aangegeven watergangen met een afwijkende doorstroombreedte.
  • 3.
    De aanleg van de brug is noodzakelijk en er is geen ander redelijk alternatief. Daar waar mogelijk bestaande overgangen benutten.
  • 4.
    De brug belemmert de af- en aanvoer van oppervlaktewaterlichaam niet.
  • 5.
    De brug belemmert het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet.
  • 6.
    De brug belemmert het eventuele gebruik van het oppervlaktewaterlichaam als vaarweg niet.
  • 7.
    De brug beschadigt beschoeiingen niet en brengt de stabiliteit van de taluds niet in gevaar.
  • 8.
    De aanleg van de brug tast het doorstroomprofiel van de watergang niet aan.
  • 9.
    De aanleg van de brug conflicteert niet met een natuurvriendelijke inrichting van de watergang en vispasseerbaarheid.
Overgangsrecht
De bruggen die in de hoofdwatergangen aanwezig zijn voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel vallen onder het overgangsrecht. Dit betekent dat de bestaande bruggen gehandhaafd en onderhouden kunnen blijven. Wanneer er vergunning wordt aangevraagd voor nieuwbouw (hieronder valt ook het vernieuwen of veranderen van de landhoofden), dan zal deze worden getoetst aan het nieuwe beleid.
Algemene regel nummer 7
Het aanbrengen van een brug over een oppervlaktewaterlichaam met de functie hoofdwatergang
Artikel 7.1 Voorwaarden
Geen watervergunning volgens artikel 3.1 eerste lid onder a en b en tweede lid onder a van de Keur is vereist voor het hebben en aanbrengen van een brug over oppervlaktewaterlichamen met de functie hoofdwatergang, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  • a.
    de aan te brengen brug dient ter ontsluiting van een perceel met een maximum van één brug per perceel;
  • b.
    de minimale afstand tussen het schouwpeil en de onderkant van een brug over watergangen in de Krimpenerwaard en in de polder Esse- Gans- en Blaardorp in Schieland bedraagt 0,65 meter en de minimale afstand tussen het schouwpeil en de onderkant van een brug over watergangen in het overige deel van Schieland bedraagt 1,00 meter;
  • c.
    de minimale doorvaartbreedte van een brug over watergangen in de Krimpenerwaard bedraagt 2,00 meter;
  • d.
    bij bruggen over watergangen in Schieland worden geen steunpunten of landhoofden in het water aangebracht;
  • e.
    de minimale waterdiepte onder een brug komt overeen met de diepte van de betreffende watergang zoals in de legger van watergangen is opgenomen;
  • f.
    brughoofden mogen de stabiliteit van de oevers niet aantasten;
  • g.
    op de oeverlijn onder de brug en twee meter ter weerszijden van de brug wordt een deugdelijke grondkering aangebracht zodat geen grond in het water kan geraken;
  • h.
    de doorstroming van het water wordt door de brug niet verstoord. Daartoe wordt drijvend vuil e.d. regelmatig door de melder/eigenaar van de brug verwijderd;
  • i.
    bruggen worden niet binnen een afstand van 10 meter van een ander kunstwerk (bijvoorbeeld een brug, dam met duiker of stuw) aangebracht;
  • j.
    de oppervlakte te dempen water voor de aanleg van de eventuele landhoofden in de Krimpenerwaard is niet groter dan 60 m². Bij een groter te dempen oppervlak dient het verlies aan waterberging in zijn geheel te worden gecompenseerd;
  • k.
    wanneer bruggen dienen ter ontsluiting naar de openbare weg dient hiervoor toestemming te worden gevraagd aan de wegbeheerder.
  • l.
    het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam onder en tot 5 meter ter weerszijden van de brug door en op kosten van de houder van de brug wordt gedaan (ook als deze verplichting zich buiten de eigen perceelgrenzen uitstrekt).
Artikel 7.2 Melding
Degene die een brug over een oppervlaktewaterlichaam met de functie hoofdwatergang plaatst, meldt dit overeenkomstig artikel 3.1 van deze Algemene regels.
Naar boven