10 (2026) Nr. 2

A. TITEL

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek India inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken;

’s-Gravenhage, 15 mei 2026

Voor een overzicht van de verdragsgegevens, zie verdragsnummer 013571 in de Verdragenbank.

C. VERTALING


Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek India inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

Preambule

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Republiek India, hierna te noemen de “verdragsluitende partijen”,

Overwegend het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen;

Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van milieu, volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen;

Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt;

Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving;

Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen;

Gelet op de relevante internationale verdragen en aanbevelingen van de Werelddouaneorganisatie waarin wederzijdse administratieve bijstand tussen douaneadministraties wordt aangemoedigd en de relevante artikelen van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie van de Wereldhandelsorganisatie;

Gelet op het brede scala aan internationale overeenkomsten die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

a. „douaneadministratie”:
  • wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving;

  • wat de Republiek India betreft, de Central Board of Indirect Taxes and Customs (Centrale Raad voor indirecte belastingen en douane);

b. „douanerechten”:

alle rechten, belastingen of heffingen die geheven worden alsmede elke restitutie van vergoedingen of exportsubsidies die gevorderd wordt op de grondgebieden van de verdragsluitende partijen bij toepassing van de douanewetgeving, maar met uitzondering van heffingen voor verleende diensten;

c. „douanewetgeving”:

alle wettelijke en administratieve bepalingen die door een van de douaneadministraties worden toegepast of gehandhaafd in verband met de invoer, uitvoer, overslag, doorvoer, opslag en het vervoer van goederen, met inbegrip van wettelijke en administratieve bepalingen met betrekking tot verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen;

d. „inbreuk op de douanewetgeving”:

elke schending of poging tot schending van de douanewetgeving;

e. „informatie”:

alle gegevens, al dan niet bewerkt of geanalyseerd, en documenten, rapporten en andere mededelingen ongeacht in welke vorm, met inbegrip van de elektronische vorm, of gewaarmerkte of gelegaliseerde afschriften daarvan;

f. „internationale logistieke keten”:

alle processen die van toepassing zijn bij het grensoverschrijdend verkeer van goederen van de plaats van herkomst naar de uiteindelijke plaats van bestemming;

g. „functionaris”:

elke douaneambtenaar of andere regeringsambtenaar aangewezen door een van de douaneadministraties;

h. „persoon”:

zowel natuurlijke als rechtspersonen, tenzij de context anders vereist;

i. „persoonsgegevens”:

alle gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

j. „aangezochte administratie”:

de douaneadministratie die om bijstand in douanezaken wordt verzocht;

k. „verzoekende administratie”:

de douaneadministratie die om bijstand in douanezaken verzoekt;

l. „aangezochte partij”:

de verdragsluitende partij wier douaneadministratie om bijstand in douanezaken wordt verzocht;

m. „verzoekende partij”:

de verdragsluitende partij wier douaneadministratie om bijstand in douanezaken verzoekt.

HOOFDSTUK II REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG

Artikel 2 Reikwijdte van het Verdrag
  • 1. De verdragsluitende partijen verlenen elkaar door tussenkomst van hun douaneadministraties administratieve bijstand onder de in dit Verdrag genoemde voorwaarden ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving, met het oog op het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op die wetgeving, teneinde de veiligheid van de internationale logistieke keten te waarborgen en hun risicomanagementsystemen te verbeteren.

  • 2. Alle bijstand uit hoofde van dit Verdrag door een verdragsluitende partij wordt verleend in overeenstemming met haar wettelijke en administratieve bepalingen en binnen de grenzen van de bevoegdheden en beschikbare middelen van haar douaneadministratie.

  • 3. Dit Verdrag laat onverlet de verplichtingen van het Koninkrijk der Nederlanden ingevolge de wetgeving van de Europese Unie inzake zijn huidige en toekomstige verplichtingen als lidstaat van de Europese Unie en alle wetgeving die is vastgesteld om die verplichtingen na te komen, alsmede zijn huidige en toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie.

  • 4. Dit Verdrag heeft betrekking op de wederzijdse administratieve bijstand tussen de verdragsluitende partijen en is niet bedoeld van invloed te zijn op wederzijdse rechtshulpverdragen tussen hen. Indien wederzijdse bijstand moet worden verleend door andere autoriteiten van de aangezochte partij zal de aangezochte administratie deze autoriteiten en waar bekend het desbetreffende verdrag dat of de desbetreffende regeling die van toepassing is, vermelden.

  • 5. Personen kunnen aan de bepalingen van dit Verdrag niet het recht ontlenen de uitvoering van een verzoek om bijstand te doen beletten.

HOOFDSTUK III INFORMATIE

Artikel 3 Informatie voor de toepassing en handhaving van de douanewetgeving
  • 1. De douaneadministraties verstrekken elkaar, op verzoek of uit eigen beweging, informatie ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving met het oog op het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op die wetgeving, alsmede om de veiligheid van de internationale logistieke keten te waarborgen. Deze informatie kan betrekking hebben op:

    • a. nieuwe douanewetshandhavingstechnieken die hun doeltreffendheid hebben bewezen;

    • b. nieuwe trends, middelen of werkwijzen bij het maken van inbreuken op de douanewetgeving;

    • c. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van inbreuken op de douanewetgeving, alsmede de voor deze goederen toegepaste vervoer- en opslagmethoden;

    • d. personen van wie bekend is dat zij een inbreuk op de douanewetgeving hebben gemaakt of van wie wordt vermoed dat zij een inbreuk op de douanewetgeving gaan maken;

    • e. alle andere gegevens die de douaneadministraties van nut kunnen zijn bij de risicobeoordeling voor controle- en facilitatiedoeleinden;

    • f. douanewetgeving en -regelingen die van toepassing zijn in de aangezochte partij.

  • 2. Op verzoek verstrekt de aangezochte administratie de verzoekende administratie alle beschikbare informatie die betrekking heeft op gevallen waarin de laatste reden heeft te twijfelen aan de informatie verstrekt door de betreffende persoon in een zaak die verband houdt met de toepassing van de douanewetgeving.

Artikel 4 Informatie met betrekking tot inbreuken op de douanewetgeving
  • 1. De douaneadministratie van een verdragsluitende partij verstrekt, op verzoek of uit eigen beweging, informatie aan de douaneadministratie van de andere verdragsluitende partij over voorgenomen, lopende of voltooide activiteiten die een inbreuk op de douanewetgeving op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij lijken te vormen.

  • 2. In gevallen die aanzienlijke schade voor de economie, volksgezondheid, openbare orde, met inbegrip van de veiligheid van de internationale logistieke keten, of voor andere vitale belangen van een verdragsluitende partij met zich kunnen meebrengen, verstrekt de douaneadministratie van de andere verdragsluitende partij, waar mogelijk, uit eigen beweging en onverwijld zulke informatie.

Artikel 5 Informatie over de rechtmatigheid van de invoer of uitvoer van goederen

Op verzoek stelt de aangezochte administratie de verzoekende administratie op de hoogte van:

  • a. het feit of goederen die werden uitgevoerd uit het grondgebied van de verzoekende partij op rechtmatige wijze zijn ingevoerd in het grondgebied van de aangezochte partij en onder welke douaneregeling de goederen eventueel zijn geplaatst;

  • b. het feit of goederen die zijn ingevoerd in het grondgebied van de verzoekende partij op rechtmatige wijze werden uitgevoerd uit het grondgebied van de aangezochte partij.

Artikel 6 Automatisch verstrekken van informatie

De douaneadministraties kunnen elkaar, door middel van een wederzijdse regeling overeenkomstig artikel 19 van dit Verdrag, automatisch informatie die onder dit Verdrag valt verstrekken.

Artikel 7 Vooraf verstrekken van informatie

De douaneadministraties kunnen elkaar, door middel van een wederzijdse regeling overeenkomstig artikel 19 van dit Verdrag, specifieke informatie verstrekken voorafgaand aan de aankomst van zendingen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.

HOOFDSTUK IV BIJZONDERE VORMEN VAN BIJSTAND

Artikel 8 Toezicht en informatie
  • 1. Op verzoek neemt de aangezochte administratie de noodzakelijke stappen om toezicht te houden op en informatie te verstrekken over:

    • a. goederen in vervoer of in opslag waarvan bekend is dat zij gebruikt zijn of waarvan het vermoeden bestaat dat zij gebruikt worden voor het maken van een inbreuk op de douanewetgeving op het grondgebied van de verzoekende partij;

    • b. vervoermiddelen waarvan bekend is dat ze gebruikt zijn of waarvan het vermoeden bestaat dat ze gebruikt worden voor het maken van een inbreuk op de douanewetgeving op het grondgebied van de verzoekende partij;

    • c. panden op het grondgebied van de aangezochte partij waarvan bekend is dat zij gebruikt zijn of waarvan het vermoeden bestaat dat zij gebruikt worden in verband met het maken van een inbreuk op de douanewetgeving op het grondgebied van de verzoekende partij;

    • d. personen van wie bekend is dat zij een inbreuk op de douanewetgeving hebben gemaakt of van wie het vermoeden bestaat dat zij op het punt staan een inbreuk te maken op de douanewetgeving op het grondgebied van de verzoekende partij, in het bijzonder diegenen die het grondgebied van de aangezochte partij betreden en verlaten.

  • 2. De douaneadministratie van een verdragsluitende partij kan dergelijk toezicht houden en uit eigen beweging dergelijke informatie aan de douaneadministratie van de andere verdragsluitende partij verstrekken indien zij redenen heeft om aan te nemen dat voorgenomen, lopende of voltooide activiteiten een inbreuk op de douanewetgeving op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij lijken te vormen.

Artikel 9 Deskundigen en getuigen

De aangezochte administratie kan, op verzoek, functionarissen machtigen ter zake van de uitvoering van de douanewetgeving als deskundige of getuige te verschijnen voor een rechtscollege op het grondgebied van de verzoekende partij.

Artikel 10 Technische samenwerking
  • 1. De douaneadministraties van de verdragsluitende partijen kunnen met elkaar samenwerken bij onder andere de volgende zaken:

    • a. de uitwisseling van douaneambtenaren of deskundigen wanneer dat wederzijds bevorderlijk is voor het begrijpen van elkaars douanetechnieken;

    • b. de uitwisseling van informatie en ervaringen met betrekking tot het gebruik van onderscheppings- en detectieapparatuur;

    • c. de uitwisseling van vakmatige, wetenschappelijke en technische gegevens met betrekking tot douanewetgeving en procedures;

    • d. de uitwisseling van informatie om de vereenvoudiging en harmonisatie van hun douaneprocedures te bevorderen.

  • 2. Niettegenstaande het eerste lid van dit artikel stelt de aangezochte administratie, indien zij niet in staat is de verzochte bijstand aan de verzoekende administratie te verlenen, de verzoekende administratie in kennis van de redenen voor deze onmogelijkheid.

HOOFDSTUK V TOEZENDING VAN VERZOEKEN

Artikel 11 Toezending van verzoeken
  • 1. Verzoeken om bijstand uit hoofde van dit Verdrag worden rechtstreeks aan de douaneadministratie van de andere verdragsluitende partij gericht.

  • 2. Verzoeken worden schriftelijk of elektronisch gedaan en gaan vergezeld van alle informatie die voor de inwilliging van het verzoek nuttig wordt geacht. De aangezochte administratie kan schriftelijke bevestiging van elektronische verzoeken verlangen. Wanneer de omstandigheden dit vereisen, kunnen verzoeken mondeling worden gedaan. Dergelijke verzoeken worden zo spoedig mogelijk hetzij schriftelijk, hetzij, indien beide douaneadministraties daarmee instemmen, elektronisch bevestigd.

  • 3. Verzoeken worden gedaan in de Engelse taal. Alle niet-Engelstalige documenten die bij de verzoeken worden gevoegd worden, voor zover nodig, in het Engels vertaald.

  • 4. Verzoeken ingevolge het eerste lid van dit artikel bevatten de volgende gegevens:

    • a. het onderwerp van en de reden voor het verzoek, alsmede de aard van de verzochte bijstand;

    • b. een korte beschrijving van de desbetreffende zaak en van de wettelijke en administratieve bepalingen die erop van toepassing zijn;

    • c. de namen en adressen van de personen op wie het verzoek betrekking heeft, indien bekend.

  • 5. Wanneer de verzoekende administratie verlangt dat een bepaalde procedure of methode gevolgd wordt, zal de aangezochte administratie aan een dergelijk verzoek voldoen met inachtneming van haar nationale wettelijke en administratieve bepalingen.

  • 6. Om originele documenten wordt slechts verzocht in gevallen waarin niet met afschriften kan worden volstaan en deze wordt zo spoedig mogelijk teruggezonden. De rechten van de aangezochte administratie of van derden ter zake blijven onverlet.

HOOFDSTUK VI UITVOERING VAN VERZOEKEN

Artikel 12 Vergaren van informatie
  • 1. Indien de aangezochte administratie niet over de gevraagde informatie beschikt, stelt zij een onderzoek in om die informatie te vergaren.

  • 2. Elk onderzoek ingevolge het eerste lid van dit artikel kan mede het vastleggen van verklaringen omvatten van personen van wie informatie wordt verlangd in verband met een inbreuk op de douanewetgeving en van betrokken getuigen en deskundigen, voor zover toegestaan door de nationale wetgeving van de aangezochte partij.

  • 3. Indien de aangezochte administratie niet de bevoegde autoriteit is om een onderzoek in te stellen om de verzochte informatie te vergaren, kan zij, naast het aanwijzen van de bevoegde autoriteit, het verzoek aan die autoriteit doorzenden.

Artikel 13 Aanwezigheid van functionarissen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij

Door de verzoekende administratie aangewezen functionarissen kunnen, met instemming van de aangezochte administratie en onder voorwaarden die laatstgenoemde hieraan kan verbinden, ten behoeve van onderzoek naar een inbreuk op de douanewetgeving, op verzoek:

  • a. ten kantore van de aangezochte administratie documenten en alle andere informatie met betrekking tot die inbreuk op de douanewetgeving onderzoeken en daarvan afschriften verkrijgen;

  • b. aanwezig zijn bij een door de aangezochte administratie geleid onderzoek op het grondgebied van de aangezochte partij dat van belang is voor de verzoekende administratie; deze functionarissen zullen uitsluitend een adviserende rol hebben.

Artikel 14 Aanwezigheid van functionarissen van de verzoekende verdragsluitende partij op uitnodiging van de aangezochte administratie

Indien de aangezochte administratie het wenselijk acht dat functionarissen van de verzoekende partij aanwezig zijn wanneer, overeenkomstig een verzoek, bijstandsmaatregelen worden uitgevoerd, kan zij de verzoekende partij uitnodigen daartoe functionarissen ter beschikking te stellen, met inachtneming van alle door haar daaraan verbonden voorwaarden.

Artikel 15 Bepalingen ten aanzien van bezoekende functionarissen
  • 1. Indien functionarissen van de ene verdragsluitende partij aanwezig zijn op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij uit hoofde van dit Verdrag, dienen zij te allen tijde in staat te zijn hun identiteit en officiële hoedanigheid aan te tonen.

  • 2. Functionarissen van de ene verdragsluitende partij genieten, gedurende hun verblijf uit hoofde van dit Verdrag op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, de bescherming die wordt toegekend aan douaneambtenaren van de andere verdragsluitende partij voor zover dit uit hoofde van de wettelijke en administratieve bepalingen van die verdragsluitende partij mogelijk is en zij zijn verantwoordelijk voor de strafbare feiten die zij eventueel begaan.

HOOFDSTUK VII GEBRUIK, VERTROUWELIJKHEID EN BESCHERMING VAN INFORMATIE

Artikel 16 Gebruik van informatie, vertrouwelijkheid en bescherming van informatie
  • 1. Alle informatie of documenten die uit hoofde van dit Verdrag zijn ontvangen, mogen worden gebruikt in administratieve en gerechtelijke procedures die binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen.

  • 2. Niettegenstaande het eerste lid van dit artikel kan de douaneadministratie die de informatie heeft verstrekt, op verzoek, haar goedkeuring hechten aan het gebruik ervan door andere autoriteiten of voor andere doeleinden, met inachtneming van alle door haar daaraan verbonden voorwaarden. Dergelijk gebruik dient in overeenstemming te zijn met de wettelijke en administratieve bepalingen van de verdragsluitende partij die de informatie wil gebruiken. Het gebruik van informatie voor andere doeleinden omvat het gebruik bij strafrechtelijk onderzoek, strafrechtelijke vervolging of strafrechtelijke procedures.

  • 3. Op uit hoofde van dit Verdrag ontvangen informatie is ten minste hetzelfde vertrouwelijkheids- en beschermingsniveau van toepassing als op soortgelijke informatie van toepassing is krachtens de nationale wettelijke en administratieve bepalingen van de verdragsluitende partij waar zij wordt ontvangen.

  • 4. Op uit hoofde van dit Verdrag uitgewisselde persoonsgegevens is een beschermingsniveau van toepassing dat ten minste gelijk is aan het beschermingsniveau voor persoonsgegevens dat gehanteerd wordt in de nationale wettelijke of administratieve bepalingen van de verdragsluitende partij wier douaneadministratie deze persoonsgegevens heeft verstrekt.

  • 5. De verdragsluitende partijen verschaffen elkaar alle wetgeving die van belang is voor dit artikel. Persoonsgegevens worden pas uitgewisseld nadat de wetgeving is ontvangen. Wanneer de wetgeving wordt gewijzigd stellen beide partijen elkaar onverwijld in kennis van de wijzigingen.

  • 6. De uitwisseling van persoonsgegevens uit hoofde van dit Verdrag geschiedt in overeenstemming met de wettelijke en administratieve bepalingen van beide verdragsluitende partijen en is onderworpen aan het volgende:

    • a. De douaneadministraties van de verdragsluitende partijen waarborgen dat de persoonsgegevens op rechtmatige en transparante wijze worden vergaard en uitsluitend worden gebruikt voor het specifieke doel waarvoor zij worden geleverd, in overeenstemming met de door de aangezochte administratie gestelde voorwaarden;

    • b. Persoonsgegevens worden slechts verstrekt aan de bevoegde douaneautoriteiten van de verdragsluitende partijen. Toezending ervan aan andere autoriteiten mag alleen plaatsvinden met voorafgaande toestemming van de aangezochte administratie;

    • c. Persoonsgegevens die zijn verstrekt uit hoofde van dit Verdrag worden niet langer bewaard dan nodig is voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt;

    • d. Indien verstrekte persoonsgegevens onjuist blijken te zijn of niet hadden mogen worden uitgewisseld, wordt daarvan onmiddellijk kennisgeving gedaan. De douaneadministratie die dergelijke gegevens heeft ontvangen zal deze onverwijld wissen of rectificeren;

    • e. De douaneadministraties registreren de toezending of ontvangst van persoonsgegevens die uit hoofde van dit Verdrag worden uitgewisseld;

    • f. De douaneadministraties nemen de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen om de veiligheid van de persoonsgegevens te waarborgen, waaronder bescherming tegen onopzettelijke of ongeoorloofde vernietiging, verlies of wijziging, en bescherming tegen ongeoorloofde openbaarmaking of toegang;

    • g. Elke verdragsluitende partij waarborgt dat iedere natuurlijke persoon die van mening is dat de verdragsluitende partij heeft nagelaten aan dit artikel te voldoen, of dat hun persoonsgegevens zijn geschonden, toegang tot de rechter heeft in overeenstemming met haar nationale beroeps- en geschillenbeslechtingsprocedures op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving inzake gegevensbescherming;

    • h. Elke douaneadministratie waarborgt dat zij over passende maatregelen beschikt om zonder onnodige vertraging te reageren op vragen en verzoeken die zij van een natuurlijke persoon ontvangt in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens uit hoofde van dit Verdrag, met inachtneming van de wettelijke verplichting van de verdragsluitende partij om vertrouwelijke informatie niet openbaar te maken uit hoofde van het beroepsgeheim, andere wettelijke verplichtingen of de bescherming van het openbaar belang;

    • i. Elke verdragsluitende partij draagt zorg dat een aangewezen autoriteit elke klacht die door een natuurlijke persoon wordt ingediend, onderzoekt om vast te stellen of de verwerking van de persoonsgegevens van die natuurlijke persoon door de verdragsluitende partij een inbreuk vormt op de wetten en voorschriften van die verdragsluitende partij of op een van de in dit Verdrag vervatte vereisten.

HOOFDSTUK VIII WEIGERINGSGRONDEN

Artikel 17 Weigeringsgronden
  • 1. Indien de bijstand waar uit hoofde van dit Verdrag om wordt verzocht een inbreuk zou kunnen vormen op de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of een ander wezenlijk nationaal belang van de aangezochte partij, of rechtmatige handels- of beroepsbelangen zou kunnen schaden, kan deze bijstand door die verdragsluitende partij worden geweigerd of worden verstrekt onder de voorwaarden die zij kan stellen.

  • 2. Indien de verzoekende administratie niet in staat zou zijn een soortgelijk verzoek van de aangezochte administratie in te willigen, wijst zij daarop in haar verzoek. Inwilliging van een dergelijk verzoek wordt overgelaten aan het oordeel van de aangezochte administratie.

  • 3. De bijstand kan worden uitgesteld indien er gronden zijn om aan te nemen dat een lopend onderzoek of een lopende vervolging of procedure hiermee wordt doorkruist. In een dergelijk geval pleegt de aangezochte administratie overleg met de verzoekende administratie om te bepalen of de bijstand kan worden verleend onder de voorwaarden die de aangezochte administratie verlangt.

  • 4. Indien de aangezochte administratie van mening is dat de inspanningen die moeten worden verricht om aan een verzoek te voldoen duidelijk niet in verhouding staan tot het beoogde nut voor de verzoekende administratie, kan zij de gevraagde bijstand weigeren.

  • 5. De aangezochte administratie die de bijstand weigert of uitstelt, stelt de verzoekende administratie daarvan onverwijld in kennis. De weigering of het uitstel wordt met redenen omkleed.

HOOFDSTUK IX KOSTEN

Artikel 18 Kosten
  • 1. Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel zien de verdragsluitende partijen af van alle vorderingen tot vergoeding van ter uitvoering van dit Verdrag gemaakte kosten.

  • 2. Bedragen en vergoedingen betaald aan deskundigen en getuigen, alsook de kosten van vertalers en tolken die niet in dienst zijn van de regering, worden gedragen door de verzoekende partij.

  • 3. Indien met de uitvoering van het verzoek aanmerkelijke kosten of kosten van buitengewone aard zullen zijn gemoeid, plegen de verdragsluitende partijen overleg om de voorwaarden te bepalen waaronder het verzoek zal worden uitgevoerd, alsmede de wijze waarop de kosten worden gedragen.

HOOFDSTUK X UITVOERING EN TOEPASSING VAN HET VERDRAG

Artikel 19 Uitvoering en toepassing van het Verdrag

De verdragsluitende partijen zijn, via hun douaneadministraties, verantwoordelijk voor de uitvoering van het Verdrag. Zij zullen, onder andere:

  • a. contactpunten aanwijzen om de goede werking van het Verdrag te waarborgen;

  • b. de douaneambtenaren die belast zijn met het onderzoek of de bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving in staat stellen rechtstreeks met elkaar te communiceren; en

  • c. gezamenlijk besluiten over nadere regelingen om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken;

  • d. ernaar streven eventuele problemen of vragen naar aanleiding van de interpretatie of toepassing van dit Verdrag op te lossen.

Artikel 20 Gezamenlijk Comité voor douanesamenwerking
  • 1. Gestreefd wordt naar de oprichting van een Gezamenlijk Comité voor douanesamenwerking, bestaande uit een gelijk aantal functionarissen van en voorgedragen door de verdragsluitende partijen. Het comité komt bijeen op een plaats en tijd en met een agenda die vooraf door de verdragsluitende partijen gezamenlijk overeen kan worden gekomen.

  • 2. Het Gezamenlijk Comité voor douanesamenwerking houdt zich onder andere bezig met:

    • a. het toezicht op de goede werking van het Verdrag;

    • b. het onderzoeken van alle kwesties die voortvloeien uit de toepassing ervan;

    • c. het nemen van maatregelen die nodig zijn voor douanesamenwerking in overeenstemming met de doelstellingen van dit Verdrag;

    • d. het uitwisselen van gedachten over punten van gemeenschappelijk belang voor douanesamenwerking, met inbegrip van toekomstige maatregelen en de middelen daarvoor;

    • e. het aanbevelen van oplossingen die gericht zijn op het bereiken van de doelstellingen van dit Verdrag.

  • 3. Het Gezamenlijk Comité voor douanesamenwerking stelt zijn eigen reglement van orde vast.

HOOFDSTUK XI TERRITORIALE TOEPASSING

Artikel 21 Territoriale toepassing
  • 1. Wat de Republiek India betreft, is dit Verdrag van toepassing op haar grondgebied.

  • 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op:

    • a. zijn grondgebied in Europa en het Caribisch deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba);

    • b. Aruba;

    • c. Curaçao;

    • d. Sint Maarten.

  • 3. Niettegenstaande het tweede lid van dit artikel is, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, het derde lid van artikel 2 uitsluitend van toepassing op zijn grondgebied in Europa.

HOOFDSTUK XII REGELING VAN GESCHILLEN

Artikel 22 Regeling van geschillen
  • 1. De douaneadministraties streven ernaar geschillen of andere problemen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag in onderlinge overeenstemming op te lossen.

  • 2. Geschillen of problemen waarvoor geen oplossing wordt gevonden, worden door de verdragsluitende partijen langs diplomatieke weg geregeld.

HOOFDSTUK XIII SLOTBEPALINGEN

Artikel 23 Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop beide verdragsluitende partijen elkaar er langs diplomatieke weg schriftelijk van in kennis hebben gesteld dat hun respectieve grondwettelijke of nationale vereisten voor de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn voltooid.

Artikel 24 Herziening en wijzigingen
  • 1. Op verzoek komen de verdragsluitende partijen bijeen om dit Verdrag te herzien.

  • 2. Wijzigingen of aanpassingen van dit Verdrag worden gedaan met wederzijdse schriftelijke instemming van de verdragsluitende partijen en treden in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 23.

Artikel 25 Duur en beëindiging
  • 1. Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht. Elk van beide verdragsluitende partijen kan het ten aanzien van het gehele Koninkrijk der Nederlanden of ten aanzien van elk afzonderlijk deel van het Koninkrijk der Nederlanden te allen tijde bij kennisgeving langs diplomatieke weg beëindigen.

  • 2. Dit Verdrag eindigt drie maanden na de datum van ontvangst van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving door de andere verdragsluitende partij. Lopende verzoeken om bijstand op het tijdstip van beëindiging worden echter voortgezet in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te ‘s-Gravenhage op 15 mei 2026, in tweevoud, alleen in de Engelse taal.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, NOOR SANDERS

For the Government of the Republic of India, KUMAR TUHIN


Uitgegeven de zeventiende juli 2026.

De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. BERENDSEN

Naar boven