Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum totstandkoming |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Tractatenblad 2026, 73 | Verdrag |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum totstandkoming |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Tractatenblad 2026, 73 | Verdrag |
26 (2025) Nr. 1
Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds (met Bijlagen en Protocol);
Brussel, 24 oktober 2025
Voor een overzicht van de verdragsgegevens, zie verdragsnummer 013618 in de Verdragenbank.
Het Koninkrijk België,
de Republiek Bulgarije,
de Tsjechische Republiek,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Republiek Estland,
Ierland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
de Republiek Kroatië,
de Italiaanse Republiek,
de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland,
de Republiek Litouwen,
het Groothertogdom Luxemburg,
Hongarije,
de Republiek Malta,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Republiek Polen,
de Portugese Republiek,
Roemenië,
de Republiek Slovenië,
de Slowaakse Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,
en
de Europese Unie,
enerzijds,
en de Republiek Oezbekistan,
anderzijds,
hierna gezamenlijk „de Partijen” genoemd,
Gezien hun sterke banden en hun gemeenschappelijke waarden,
Gezien hun wens om de tot wederzijds voordeel strekkende samenwerking te versterken die is aangegaan met de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, ondertekend in Florence op 21 juni 1996,
Gezien hun wens om hun betrekkingen naar een hoger niveau te tillen om rekening te houden met de nieuwe politieke en economische realiteit en de voortgang van hun partnerschap,
Uiting gevend aan hun gemeenschappelijke voornemen om hun samenwerking inzake bilaterale, regionale en internationale kwesties van wederzijds belang op alle niveaus te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren,
Opnieuw bevestigend dat zij vastbesloten zijn de bevordering, bescherming en uitvoering van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur te versterken,
Bevestigend dat zij gehecht zijn aan de beginselen die zijn neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties (hierna het „Handvest van de VN” genoemd), de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, aangenomen bij Resolutie A/RES/217 (III) A van de Algemene Vergadering van de VN op 10 december 1948, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (hierna „OVSE” genoemd), met name de Slotakte van Helsinki die op 1 augustus 1975 is aangenomen tijdens de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa (hierna de „Slotakte van Helsinki van de OVSE” genoemd), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, aangenomen bij Resolutie 2200A (XXI) van de Algemene Vergadering van de VN op 16 december 1966, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, aangenomen bij Resolutie 2200A (XXI) van de Algemene Vergadering van de VN op 16 december 1966, alsmede andere universele beginselen en normen van het internationale recht,
Herhalend dat zij vastbesloten zijn de internationale vrede en veiligheid actief te bevorderen en zich in te zetten voor effectief multilateralisme en de vreedzame regeling van geschillen, met name door samen te werken in het kader van de VN en de OVSE,
Gezien hun wens om de regelmatige politieke dialoog over bilaterale en internationale vraagstukken van wederzijds belang verder te ontwikkelen,
Gezien hun gehechtheid aan internationale verplichtingen ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor,
Gezien hun toezegging om de samenwerking op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid te versterken, onder meer bij de bestrijding van corruptie,
Gezien hun engagement om via hun samenwerking bij te dragen tot duurzame politieke, sociaal-economische en institutionele ontwikkeling,
Overwegende dat zij bereid zijn hun economische betrekkingen te versterken op basis van de beginselen van een vrijemarkteconomie en een klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor de uitbreiding van de bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen en van wederzijds tot voordeel strekkende connectiviteit,
Ondersteunende de prestaties en inspanningen van de Republiek Oezbekistan om het ondernemingsklimaat te verbeteren, corruptie te bestrijden en economische groei en werkgelegenheid te creëren,
Bepleitend de toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de Wereldhandelsorganisatie (hierna „WTO” genoemd) en de transparante en niet-discriminerende uitvoering van rechten en verplichtingen in het kader van de WTO, en bevestigend het voornemen van de Europese Unie om in dit proces technische bijstand te verlenen, onder meer op het gebied van de certificering van normen en standaarden, wetgeving inzake de bescherming van intellectuele eigendom en rechtshandhavingspraktijken,
Gezien hun gehechtheid aan het beginsel van duurzame ontwikkeling en hun engagement om samen te werken om de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN te verwezenlijken,
Gezien hun toezegging om ecologische duurzaamheid en milieubescherming te waarborgen, onder meer door grensoverschrijdende samenwerking en te werken aan de uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn en de samenwerking op alle gebieden van klimaatactie te versterken overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake de klimaatverandering, aangenomen op 12 december 2015 (hierna de „Overeenkomst van Parijs inzake de klimaatverandering” genoemd),
Erkennende dat alle samenwerking inzake het vreedzame gebruik van kernenergie tussen de Partijen bij deze Overeenkomst valt onder de Overeenkomst betreffende samenwerking inzake het vreedzame gebruik van kernenergie tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de regering van de Republiek Oezbekistan, die op 6 oktober 2003 in Brussel is ondertekend, en niet onder deze Overeenkomst valt,
Overwegende hun wens om de samenwerking en uitwisseling op het gebied van wetenschap en technologie, innovatie en onderwijs, cultuur en sport uit te breiden,
Gezien hun engagement om grensoverschrijdende en regionale samenwerking te bevorderen,
Wijzende op het feit dat, als de Partijen in het kader van deze Overeenkomst specifieke overeenkomsten sluiten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, die door de Europese Unie zijn gesloten krachtens titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, de bepalingen van dergelijke toekomstige overeenkomsten niet bindend zijn voor Ierland, tenzij de Europese Unie, samen met Ierland wat betreft zijn respectieve eerdere bilaterale betrekkingen, de Republiek Oezbekistan ervan in kennis stelt dat Ierland gebonden is door dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU is gehecht; evenzo wijzende op het feit dat latere interne maatregelen van de Europese Unie die met het oog op de uitvoering van deze Overeenkomst op grond van titel V van het derde deel van het VWEU worden genomen, niet bindend zijn voor Ierland, tenzij Ierland zijn wens te kennen heeft gegeven deel te nemen aan die maatregelen of die te aanvaarden overeenkomstig Protocol nr. 21; en voorts nota nemend van het feit dat dergelijke toekomstige overeenkomsten of dergelijke latere interne maatregelen van de Europese Unie zouden komen te vallen onder Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken dat gehecht is aan voornoemde Verdragen,
zijn het volgende overeengekomen:
1. Bij deze Overeenkomst worden een versterkt partnerschap en nauwere samenwerking tussen de Partijen tot stand gebracht op basis van gedeelde waarden, gemeenschappelijke belangen en de ambitie om hun betrekkingen op alle toepassingsgebieden te versterken, tot wederzijds voordeel.
2. Dit partnerschap en deze samenwerking is een proces tussen de Partijen dat bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, vrede, stabiliteit en veiligheid, door middel van meer convergentie op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid, doeltreffende politieke en economische samenwerking en multilateralisme.
1. De eerbiediging van de democratische beginselen, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals met name vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Handvest van de VN, de Slotakte van Helsinki van de OVSE en andere internationale mensenrechteninstrumenten ter zake waarbij zij partij zijn, ligt ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van beide Partijen en is een essentieel element van deze Overeenkomst.
2. De Partijen bevestigen hun gehechtheid aan de internationale arbeidsnormen overeenkomstig de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna de „IAO” genoemd) waarbij zij partij zijn of kunnen worden.
3. De Partijen bevestigen opnieuw hun eerbiediging van de beginselen van goed bestuur, met inbegrip van de bestrijding van corruptie op alle niveaus.
4. De Partijen bevestigen hun gehechtheid aan de beginselen van een vrijemarkteconomie, het bevorderen van duurzame ontwikkeling en de strijd tegen de klimaatverandering.
5. De Partijen verbinden zich tot de bestrijding van de verschillende vormen van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en terrorisme en de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, en tot effectief multilateralisme.
6. De Partijen voeren deze Overeenkomst uit op basis van gedeelde waarden, de beginselen van gelijkwaardige dialoog, wederzijds vertrouwen, respect en voordeel, regionale samenwerking, effectief multilateralisme en eerbiediging van hun internationale verplichtingen die met name voortvloeien uit hun lidmaatschap van de VN en de OVSE.
De Partijen ontwikkelen een doeltreffende politieke dialoog op alle gebieden van wederzijds belang, met inbegrip van het buitenlands en veiligheidsbeleid en interne hervormingen. De doelstellingen van de politieke dialoog zijn:
a. de doeltreffendheid van de politieke samenwerking en convergentie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid te vergroten en vrede en regionale en internationale stabiliteit en veiligheid op basis van effectief multilateralisme te bevorderen, in stand te houden en te versterken;
b. duurzame politieke, sociaal-economische en institutionele ontwikkeling te versterken;
c. de eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te versterken en de samenwerking op deze gebieden te intensiveren;
d. de dialoog te ontwikkelen en de samenwerking te verdiepen op het gebied van veiligheid en defensie;
e. de vreedzame oplossing van geschillen alsook de beginselen van territoriale integriteit, onschendbaarheid van grenzen, soevereiniteit en onafhankelijkheid te bevorderen; en
f. de voorwaarden voor regionale samenwerking verder te verbeteren.
De Partijen versterken de dialoog en samenwerking met als doel:
a. de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechtsstaat te waarborgen en de stabiliteit, doeltreffendheid en verantwoordingsplicht van de democratische instellingen verder te versterken;
b. de inspanningen voor de uitvoering van hervormingen van de wetgeving en de rechterlijke macht te ondersteunen om de doeltreffende werking van de instellingen op het gebied van rechtshandhaving en justitie, de toegang tot de rechtsgang en het recht op een eerlijk proces en de onafhankelijkheid, verantwoordingsplicht en efficiëntie van het justitiële stelsel te waarborgen, en de procedurele waarborgen in strafzaken en de rechten van slachtoffers en getuigen te versterken;
c. e-governance te bevorderen en vorderingen te maken bij de hervorming van het openbaar bestuur met het oog op de totstandbrenging van een verantwoordingsplichtig, efficiënt en transparant bestuur op alle niveaus;
d. steun te verlenen om de verkiezingsprocessen en de capaciteit van kiescommissies te versterken; en
e. te zorgen voor doeltreffendheid in de strijd tegen corruptie op alle niveaus.
De Partijen werken samen bij de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en versterken de dialoog en de samenwerking met als doel:
a. de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die behoren tot etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden en kwetsbare groepen, zoals personen met een handicap, te waarborgen en te bevorderen, alsmede geweld en alle vormen van discriminatie te bestrijden;
b. de bescherming van kinderen tegen geweld, uitbuiting en misbruik te waarborgen en te bevorderen;
c. de bescherming en bevordering van mensenrechten en fundamentele vrijheden, zowel burgerrechten en politieke rechten als economische, sociale en culturele rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting en van de media, de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, vrijwaring van foltering en mishandeling, en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te waarborgen;
d. de economische, sociale en culturele rechten en de effectieve handhaving van arbeidsnormen overeenkomstig de IAO-verdragen waarbij zij partij zijn of kunnen worden, te bevorderen;
e. geweld tegen vrouwen en meisjes uit te bannen en te zorgen voor gendergelijkheid, waaronder betekenisvolle participatie en empowerment van vrouwen en meisjes;
f. de nationale mensenrechteninstellingen te versterken, onder meer via hun zinvolle participatie in de besluitvormingsprocessen; en
g. de samenwerking binnen de mensenrechteninstanties en de speciale procedures van de Verenigde Naties te versterken, met inbegrip van een doeltreffende uitvoering van hun aanbevelingen.
De Partijen werken samen om een stimulerende omgeving voor het maatschappelijk middenveld en zijn rol in de economische, sociale en politieke ontwikkeling van een open democratische samenleving te versterken, met name door:
a. de capaciteit, onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht van maatschappelijke organisaties te versterken;
b. de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij wetgevings- en beleidsvormingsprocessen te bevorderen door een open, transparante en regelmatige dialoog tot stand te brengen tussen overheidsinstellingen enerzijds en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld anderzijds;
c. de contacten en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen alle maatschappelijke sectoren in de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan te intensiveren; en
d. de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de betrekkingen tussen de Partijen en bij de uitvoering van deze Overeenkomst te garanderen.
1. De Partijen bevestigen opnieuw hun gehechtheid aan de universele beginselen en normen van het internationale recht, zoals onder meer neergelegd in het Handvest van de VN en de Slotakte van Helsinki van de OVSE, waaronder de beginselen van: soevereine gelijkheid en eerbied voor de inherent met soevereiniteit verbonden rechten; het zich onthouden van dreiging met of gebruik van geweld; de onschendbaarheid van grenzen; de territoriale integriteit van staten; de vreedzame beslechting van geschillen; niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden; eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging; gelijke rechten en zelfbeschikking van volken; samenwerking tussen landen; en het te goeder trouw nakomen van verplichtingen krachtens het internationale recht.
2. De Partijen intensiveren hun dialoog en samenwerking op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van aspecten van het veiligheids- en defensiebeleid, en behandelen met name kwesties als conflictpreventie en versterkte en doeltreffende crisisbeheersing, risicobeperking, cyberbeveiliging, de efficiënte werking van de veiligheidssector, regionale stabiliteit, ontwapening, non-proliferatie, wapenbeheersing en uitvoercontrole.
1. De Partijen verklaren opnieuw dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap in haar geheel aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat op de doeltreffende vervolging ervan moet worden toegezien door middel van maatregelen op nationaal niveau en betere internationale samenwerking.
2. De Partijen zijn van oordeel dat de oprichting en werking van het Internationaal Strafhof en andere multilaterale structuren bijdragen tot de bevordering van de internationale vrede en gerechtigheid. De Partijen werken op dit gebied samen, onder meer door middel van een dialoog.
3. De Partijen werken samen aan een dialoog over vraagstukken met betrekking tot genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, door gebruik te maken van de toepasselijke bilaterale en multilaterale kaders.
De Partijen werken samen op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheer om een klimaat van vrede en stabiliteit tot stand te brengen.
1. De Partijen intensiveren hun gezamenlijke inspanningen om de voorwaarden te verbeteren voor verdere regionale samenwerking op belangrijke gebieden zoals duurzaam beheer van grensoverschrijdende water-, minerale en energiebronnen, grensbeheer dat legitieme grensoverschrijdende stromen van personen en goederen vergemakkelijkt, duurzame connectiviteit, betrekkingen van goed nabuurschap en democratische en duurzame ontwikkeling, en aldus bij te dragen tot stabiliteit en veiligheid in Centraal-Azië. De Partijen streven ernaar conflicten vreedzaam op te lossen.
2. De in lid 1 bedoelde inspanningen stroken met de doelstelling van handhaving van de internationale vrede en veiligheid, zoals vastgelegd in het Handvest van de VN, de Slotakte van Helsinki van de OVSE en andere multilaterale instrumenten ter zake die de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan onderschrijven.
1. De Partijen zijn van mening dat de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een van de ernstigste bedreigingen van de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.
2. De Partijen werken samen en dragen bij tot de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door volledige naleving en uitvoering van hun respectieve verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere internationale instrumenten ter zake waarbij zij partij zijn. De Partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel onderdeel van deze Overeenkomst vormt.
3. De Partijen werken voorts samen en dragen bij aan de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:
a. maatregelen te nemen die zijn gericht op de ondertekening of de ratificatie van alle andere internationale instrumenten ter zake of op aansluiting daarbij, al naargelang het geval, en op de volledige uitvoering daarvan;
b. een doeltreffend nationaal uitvoercontrolesysteem in te stellen, gericht op zowel de uitvoer als de doorvoer van goederen die verband houden met massavernietigingswapens, waaronder controle op het eindgebruik van technologieën voor tweeërlei gebruik in het kader van massavernietigingswapens, en door doeltreffende sancties op te leggen in het geval van overtreding van de uitvoercontroles.
4. De Partijen stellen een regelmatige dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.
1. De Partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, alsook de buitensporige accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.
2. De Partijen zullen hun verplichtingen met betrekking tot de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor nakomen en volledig uitvoeren, overeenkomstig de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten, dat op 20 juli 2001 is aangenomen, en de internationale verdragen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn.
3. De Partijen erkennen het belang van interne controlesystemen voor de overdracht van conventionele wapens overeenkomstig de geldende internationale normen waaraan de Partijen zijn gebonden. De Partijen onderkennen dat het van belang is die controles op verantwoordelijke wijze toe te passen en aldus bij te dragen tot de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, en tot het verminderen van menselijk leed, en te helpen voorkomen dat conventionele wapens op de illegale markt belanden.
4. De Partijen bevorderen samenwerking en coördinatie, complementariteit en gezamenlijke acties bij het opstellen of verbeteren van de regelgeving voor de internationale handel in conventionele wapens, en bij het voorkomen, bestrijden en uitroeien van de illegale wapenhandel, onder meer door het voeren van een regelmatige dialoog.
1. De Partijen erkennen het belang van het waarborgen en bevorderen van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens.
2. De Partijen werken samen om een hoog beschermingsniveau en doeltreffende handhaving van de in lid 1 bedoelde rechten te waarborgen, onder meer in het kader van rechtshandhavingsinstanties, ter voorkoming en bestrijding van internationaal terrorisme en andere grensoverschrijdende misdrijven.
3. De Partijen erkennen dat het waarborgen van de bescherming van persoonsgegevens een van de fundamentele factoren is voor de verdere ontwikkeling van economische en handelsbetrekkingen en voor het vertrouwen van burgers in de digitale economie.
4. De samenwerking tussen de Partijen omvat praktische bijstand bij de harmonisatie van hun respectieve wetgeving op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, rekening houdend met de rechtsinstrumenten en normen van de Europese Unie en die op internationaal vlak, waaronder het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het Aanvullend Protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens betreffende toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdende gegevensstromen, alsmede samenwerking bij de handhaving van de voorschriften inzake gegevensbescherming.
1. De Partijen bevestigen opnieuw het belang van de totstandbrenging van een brede dialoog over alle vraagstukken in verband met migratie, met inbegrip van reguliere migratie overeenkomstig de nationale bevoegdheden en die van de Europese Unie, de diepere oorzaken van irreguliere migratie, internationale bescherming en de preventie en bestrijding van irreguliere migratie, migrantensmokkel en mensenhandel.
2. Op basis van een specifieke analyse van de behoeften, die plaatsvindt via onderling overleg tussen de Partijen, werken de Partijen samen overeenkomstig hun desbetreffende wetgeving. De samenwerking richt zich met name op het volgende:
a. het aanpakken van de diepere oorzaken van irreguliere migratie;
b. de ontwikkeling en uitvoering van nationale wetgeving en praktijken op het gebied van internationale bescherming overeenkomstig universele beginselen en normen, en het waarborgen van de naleving van het beginsel van „non-refoulement”;
c. het erkennen van het belang van de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten, die op 19 september 2016 is aangenomen bij Resolutie A/RES/71/1 van de Algemene Vergadering van de VN, en het versterken van de internationale en regionale samenwerking, in het kader van de Verenigde Naties en relevante regionale fora;
d. de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale buitenlandse ingezetenen, onderwijs en opleiding en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat;
e. de opzet van een doelmatige en preventieve aanpak van irreguliere migratie, smokkel van migranten en mensenhandel, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, die op 8 januari 2001 is aangenomen bij Resolutie A/RES/55/25 van de Algemene Vergadering van de VN, en de protocollen daarbij die voor de Partijen in werking zijn getreden, onder meer door netwerken van smokkelaars te bestrijden, criminele organisaties die betrokken zijn bij mensenhandel te ontwrichten en de slachtoffers van mensenhandel te beschermen;
f. kwesties als de organisatie, opleiding, beste praktijken en andere operationele maatregelen om migratiegerelateerde uitdagingen aan te pakken, met name irreguliere migratie, de beveiliging van documenten, visumbeleid om de mobiliteit van burgers te vergemakkelijken, en grensbeheer en informatiesystemen over migratie; en
g. kwesties met betrekking tot arbeidsactiviteiten en de bescherming van de rechten van legale migranten en hun gezinsleden in overeenstemming met internationale normen.
1. In het kader van hun samenwerking ter voorkoming en bestrijding van irreguliere migratie komen de Partijen het volgende overeen:
a. de Republiek Oezbekistan neemt al haar onderdanen die niet of niet langer aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van een lidstaat voldoen, op verzoek van die lidstaat zonder onnodige vertraging over;
b. elke lidstaat neemt al zijn onderdanen die niet of niet langer aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van de Republiek Oezbekistan voldoen, op verzoek van laatstgenoemde zonder onnodige vertraging over; en
c. de lidstaten en de Republiek Oezbekistan verstrekken hun onderdanen daartoe passende reisdocumenten binnen dertig dagen na de datum van indiening, ook langs elektronische weg, van het overnameverzoek van de verzoekende Partij, opgesteld overeenkomstig het model in bijlage 3 (zo mogelijk met inbegrip van documenten waaruit het staatsburgerschap blijkt).
Wanneer het reisdocument niet binnen deze termijn is afgegeven, kunnen de Partijen gebruikmaken van het „Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen” dat is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EU) 2016/1953 van het Europees Parlement en de Raad1), of van een soortgelijk reisdocument van de Republiek Oezbekistan.
Wanneer een over te nemen persoon geen documenten of andere bewijzen van nationaliteit bezit, biedt de bevoegde diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van de betrokken lidstaat of van de Republiek Oezbekistan op verzoek van de Republiek Oezbekistan of van de betrokken lidstaat volledige samenwerking om de nationaliteit van de over te nemen persoon vast te stellen.
2. De Partijen kunnen mogelijke onderhandelingen openen over:
a. een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan waarin specifieke overnameprocedures en -verplichtingen voor de lidstaten en de Republiek Oezbekistan zijn vastgelegd;
b. een overeenkomst inzake versoepeling van de visumplicht voor burgers van de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan.
1. De Partijen werken samen ter voorkoming en met het oog op de doeltreffende bestrijding van het gebruik van hun financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
2. Daartoe wisselen zij informatie uit in het kader van hun respectieve wetgeving en werken zij samen om te zorgen voor de doeltreffende en volledige uitvoering van de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (hierna „FATF” genoemd) en andere normen die zijn vastgesteld door de desbetreffende internationale organen die op dit gebied actief zijn. Dergelijke samenwerking kan zich onder meer uitstrekken tot de identificatie, opsporing, inbeslagname, confiscatie en terugvordering van vermogensbestanddelen of gelden die uit criminele activiteiten zijn verkregen. Voor deze informatie-uitwisseling maken de Partijen gebruik van veilige en betrouwbare kanalen, zoals die welke zijn beschreven in het handvest van de Egmontgroep van financiële-inlichtingeneenheden en de beginselen van de Egmontgroep van financiële-inlichtingeneenheden voor informatie-uitwisseling tussen financiële-inlichtingeneenheden.
1. De Partijen werken samen om te zorgen voor een evenwichtige, empirisch onderbouwde en geïntegreerde aanpak van illegale drugs en van nieuwe psychoactieve stoffen.
2. Het beleid en de maatregelen met betrekking tot drugs zijn gericht op het versterken van de structuren om illegale drugs te voorkomen en aan te pakken, het aanbod van, de handel in en de vraag naar illegale drugs te beperken en de gevolgen voor de gezondheid alsook de maatschappelijke consequenties van het gebruik van illegale drugs aan te pakken met het oog op beperking van schade. De Partijen werken samen om misbruik van chemische precursoren voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope en nieuwe psychoactieve stoffen te voorkomen.
3. De Partijen komen overeen welke samenwerkingsmethoden nodig zijn om de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken. De maatregelen worden gebaseerd op gezamenlijk overeengekomen beginselen die zijn vastgelegd in VN-overeenkomsten inzake drugsbestrijding en andere internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn.
1. De Partijen werken samen aan de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminele en illegale activiteiten, met inbegrip van transnationale activiteiten, zoals:
a. migrantensmokkel;
b. mensenhandel;
c. smokkel van en illegale handel in vuurwapens, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens;
d. smokkel van en illegale handel in drugs, psychotrope stoffen en precursoren;
e. smokkel van en illegale handel in goederen;
f. illegale economische en financiële activiteiten zoals namaak, parallelimport en inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, fiscale fraude en fraude bij openbare aanbestedingen;
g. verduistering van middelen van door internationale donoren gefinancierde projecten;
h. alle vormen van corruptie, zowel in de openbare als in de particuliere sector;
i. het vervalsen van documenten en het afleggen van onjuiste verklaringen; en
j. cybercriminaliteit.
2. De Partijen versterken de bilaterale, regionale en internationale samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties. De Partijen passen de relevante internationale normen doeltreffend toe, met name die welke zijn neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van 2000, dat op 8 januari 2001 is aangenomen bij Resolutie A/RES/55/25 van de Algemene Vergadering van de VN, en de protocollen daarbij waarbij zij partij zijn.
3. De Partijen werken samen bij het voorkomen en bestrijden van corruptie in overeenstemming met de relevante internationale normen, met name die welke zijn neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, dat op 31 oktober 2003 is aangenomen bij Resolutie A/RES/58/4 van de Algemene Vergadering van de VN, en de aanbevelingen die voortvloeien uit beoordelingen van dit verdrag.
1. De Partijen bevestigen opnieuw het belang van de strijd tegen en het voorkomen van terrorisme en komen overeen samen te werken op bilateraal, regionaal en internationaal niveau om terrorisme in al zijn vormen en uitingen te voorkomen en te bestrijden.
2. De Partijen zijn het erover eens dat het essentieel is dat terrorisme wordt bestreden met volledige eerbiediging van de rechtsstaat en in strikte overeenstemming met het internationale recht, met inbegrip van het internationale humanitair recht, de beginselen van het Handvest van de VN, en alle toepasselijke internationale instrumenten die verband houden met terrorismebestrijding en mensenrechten waarbij zij partij zijn.
3. De Partijen benadrukken het belang van de universele ratificatie en uitvoering van alle relevante VN-verdragen die verband houden met terrorismebestrijding. De Partijen komen overeen de dialoog over het ontwerp voor een Alomvattend Verdrag betreffende internationaal terrorisme te bevorderen en samen te werken bij de uitvoering van de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties, die op 8 september 2006 is aangenomen bij Resolutie A/RES/60/288 van de Algemene Vergadering van de VN, alsmede van alle relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad.
4. De Partijen bevestigen opnieuw het belang van een aanpak van de strijd tegen terrorisme op basis van rechtshandhaving en rechtspraak, en komen overeen samen te werken bij de voorkoming en bestrijding van terrorisme, met name door:
a. informatie uit te wisselen over terroristische groepen en personen en de hen ondersteunende netwerken, overeenkomstig het nationale en internationale recht, onder meer ten aanzien van gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
b. ervaringen uit te wisselen inzake middelen en methoden inzake de voorkoming en bestrijding van terrorisme en de technische aspecten ervan, en inzake opleiding, in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving;
c. standpunten uit te wisselen inzake radicalisering en rekrutering en manieren om radicalisering tegen te gaan en deradicalisering en rehabilitatie te bevorderen;
d. standpunten en ervaringen uit te wisselen met betrekking tot grensoverschrijdend verkeer en reizen van terrorismeverdachten en met betrekking tot terroristische dreigingen;
e. beste werkwijzen te delen ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten bij de strijd tegen terrorisme, in het bijzonder met betrekking tot strafrechtelijke procedures;
f. ervoor te zorgen dat terroristische misdrijven strafbaar worden gesteld en maatregelen te nemen om de financiering van terrorisme tegen te gaan; en
g. maatregelen te nemen tegen de dreiging van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair terrorisme en de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen worden verworven, overgedragen en gebruikt voor terroristische doeleinden en dat illegale handelingen worden verricht tegen risicovolle chemische, biologische, radiologische en nucleaire faciliteiten.
5. De samenwerking is gebaseerd op de relevante beschikbare beoordelingen, in wederzijds overleg tussen de Partijen.
1. De Partijen versterken de bestaande samenwerking op het gebied van wederzijdse rechtshulp en uitlevering op basis van internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn. De Partijen versterken de bestaande mechanismen en overwegen in voorkomend geval de ontwikkeling van nieuwe mechanismen om de internationale samenwerking op dit gebied te vergemakkelijken.
2. De Partijen ontwikkelen justitiële samenwerking inzake wederzijdse rechtshulp in burgerlijke, handels- en strafzaken, met name door het onderhandelen over, het sluiten en het uitvoeren van bilaterale overeenkomsten en multilaterale verdragen inzake justitiële samenwerking in strafzaken en multilaterale verdragen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.
De Republiek Oezbekistan aanvaardt dat de diplomatieke en consulaire autoriteiten van elk lidstaat die een permanente vertegenwoordiging in de Republiek Oezbekistan heeft, bescherming kunnen bieden aan alle onderdanen van een lidstaat die niet over een permanente vertegenwoordiging in de Republiek Oezbekistan beschikt die in staat is om in een concreet geval doeltreffend consulaire bescherming te bieden, op dezelfde voorwaarden als aan de onderdanen van de betrokken lidstaat.
De doelstellingen van deze titel zijn:
a. de uitbreiding, diversificatie en facilitatie van de handel tussen de Partijen, met name door middel van bepalingen inzake het vergemakkelijken van douaneprocedures en handel, het wegwerken van technische handelsbelemmeringen en belemmeringen in verband met sanitaire en fytosanitaire maatregelen, met behoud van het recht van elke Partij om wetgeving vast te stellen teneinde doelstellingen van overheidsbeleid te verwezenlijken;
b. de facilitatie van de handel in diensten en investeringen tussen de Partijen, onder meer door middel van de vrije overdracht van lopende betalingen en de facilitatie van het kapitaalverkeer;
c. de doeltreffende wederzijdse openstelling van de markten voor overheidsopdrachten van de Partijen;
d. de bevordering van innovatie en creativiteit door te zorgen voor een toereikende en doeltreffende bescherming van alle intellectuele-eigendomsrechten;
e. de bevordering van voorwaarden die onvervalste mededinging bij de economische activiteiten van de Partijen bevorderen, met name wat betreft de onderlinge handel en investeringen;
f. de ontwikkeling van de internationale handel op een wijze die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied;
g. de instelling van een doeltreffende, eerlijke en voorspelbare geschillenbeslechtingsregeling om geschillen over de uitlegging en toepassing van deze titel op te lossen.
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
de Overeenkomst inzake de landbouw, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
kalenderdagen, met inbegrip van weekend- en feestdagen;
het Verdrag inzake het Energiehandvest, ondertekend te Lissabon op 17 december 1994;
geldend op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst;
de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten, die is opgenomen in bijlage 1B bij de WTO-Overeenkomst;
elke maatregel, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit of administratieve handeling of in enige andere vorm2);
maatregelen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd door3):
i. centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten; en
ii. niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;
een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
de te Kyoto op 18 mei 1973 tot stand gekomen Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures;
de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
een land of grondgebied gelegen buiten het geografische toepassingsgebied van de onderhavige Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;
de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-Overeenkomst;
het te Wenen op 23 mei 1969 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht;
de te Arusha, Tanzania, op 7 juli 1993 tot stand gekomen verklaring van de Internationale Douaneraad betreffende integriteit bij de douane;
de op 15 april 1994 tot stand gekomen Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie;
de Wereldhandelsorganisatie.
1. De Partijen bevestigen hun wederzijdse rechten en verplichtingen uit hoofde van de internationale overeenkomsten waarbij zij allebei partij zijn.
2. Niets in deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat een Partij verplicht wordt te handelen op een wijze die in strijd is met haar verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst.
1. Elke verwijzing in deze titel naar wet- en regelgeving, hetzij in het algemeen, hetzij door verwijzing naar specifieke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of richtlijnen, wordt uitgelegd als een verwijzing naar de wet- en regelgeving met inbegrip van de wijzigingen ervan, tenzij anders is aangegeven.
2. Elke verwijzing of opneming door middel van een verwijzing in deze titel naar andere overeenkomsten of rechtsinstrumenten, geheel of gedeeltelijk, wordt, tenzij anders aangegeven, zodanig uitgelegd dat zij het volgende omvat:
a. de bijbehorende bijlagen, protocollen, voetnoten, aantekeningen en toelichtingen; en
b. de vervolgovereenkomsten waarbij de Partijen partij zijn, of de wijzigingen die bindend zijn voor de Partijen, tenzij de verwijzing bestaande rechten bevestigt.
Een Partij voorziet in haar interne recht niet in een recht om tegen de andere Partij in rechte op te treden op grond van het feit dat een maatregel van de andere Partij onverenigbaar is met deze Overeenkomst.
1. Wanneer de Samenwerkingsraad taken uitvoert die hem op grond van deze titel zijn toegekend, bestaat hij uit vertegenwoordigers van de Partijen met verantwoordelijkheid voor handelsgerelateerde aangelegenheden, overeenkomstig de respectieve rechtskaders van de Partijen, of uit de door hen aangewezen personen.
2. De Samenwerkingsraad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken:
a. heeft de bevoegdheid om besluiten vast te stellen tot actualisering of wijziging van het volgende op basis van wederzijdse instemming, met inachtneming van de voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen waarin hun wetgeving voorziet:
i. de bijlagen 5-A, 5-B, 5-C en 5-D;
ii. bijlage 6;
iii. de bijlagen 7-A, 7-B en 7-C;
iv. bijlage 9;
v. de bijlagen 14-A en 14-B;
vi. het protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken (hierna het „protocol” genoemd”);
b. kan besluiten vaststellen tot uitlegging van deze titel;
c. kan, in aanvulling op de subcomités die zijn ingesteld in deze titel, subcomités instellen die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de Partijen, en deze binnen de grenzen van zijn eigen bevoegdheid taken toewijzen, en tevens de aan het ingestelde subcomité toegewezen taken wijzigen of dit comité opheffen.
3. De in lid 2, punt a), bedoelde wijzigingen worden bekrachtigd door een uitwisseling van diplomatieke nota’s tussen de Partijen en treden in werking na ontvangst van de laatste diplomatieke nota, tenzij de Partijen anders overeenkomen.
4. De Samenwerkingsraad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken neemt besluiten en doet passende aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving.
5. Wanneer geen vergaderingen van de Samenwerkingsraad beschikbaar zijn, kunnen de in lid 2 bedoelde besluiten via de schriftelijke procedure worden genomen.
1. Wanneer het Samenwerkingscomité taken uitvoert die hem bij deze titel zijn toegekend, bestaat hij uit vertegenwoordigers van de Partijen met verantwoordelijkheid voor handelsgerelateerde aangelegenheden of uit de door hen aangewezen personen.
2. Het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken heeft met name de volgende taken:
a. de Samenwerkingsraad bijstand verlenen bij de uitvoering van zijn taken met betrekking tot handelsgerelateerde aangelegenheden;
b. toezien op de correcte uitvoering en toepassing van deze titel; in dit verband, en onverminderd de in hoofdstuk 14 vastgestelde rechten, kan elke Partij kwesties in verband met de toepassing of de uitlegging van deze titel ter bespreking naar het Samenwerkingscomité verwijzen;
c. indien nodig toezien op de verdere ontwikkeling van deze titel en de met de toepassing ervan behaalde resultaten evalueren;
d. zoeken naar passende manieren om problemen te voorkomen en op te lossen, die kunnen ontstaan op gebieden die onder deze titel vallen; en
e. toezien op de werkzaamheden van de krachtens deze titel ingestelde subcomités.
3. Bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van lid 2 van dit artikel kan het Samenwerkingscomité voorstellen doen tot vaststelling van wijzigingen als bedoeld in artikel 27, lid 2, punt a), of uitleggingen geven als bedoeld in artikel 27, lid 2, punt b), wanneer geen vergaderingen van de Samenwerkingsraad plaatsvinden.
4. Het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken stelt besluiten vast en doet passende aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving.
1. Binnen 60 dagen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst benoemt elke Partij een coördinator voor deze titel en stellen de Partijen elkaar in kennis van de contactgegevens.
2. De coördinatoren stellen gezamenlijk de agenda op voor de vergaderingen van de Samenwerkingsraad en het Samenwerkingscomité overeenkomstig dit hoofdstuk, treffen alle overige nodige voorbereidingen en geven, waar van toepassing, vervolg aan de besluiten van deze organen.
1. De subcomités bestaan uit vertegenwoordigers van de Europese Unie, enerzijds, en van de Republiek Oezbekistan, anderzijds.
2. De subcomités komen binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst bijeen, en vervolgens eenmaal per jaar of op verzoek van een Partij of van het Samenwerkingscomité, op een passend niveau. Vergaderingen kunnen ook op afstand worden gehouden via elk voor de Partijen beschikbaar technologisch hulpmiddel. Vergaderingen in persoon worden beurtelings in Brussel en in Tashkent gehouden.
3. De subcomités worden gezamenlijk voorgezeten door de vertegenwoordigers van beide Partijen.
Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen van een Partij.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de procedure om van een consul van de Partij van invoer op het grondgebied van de Partij van uitvoer, of op het grondgebied van een derde, een consulaire factuur of een consulair visum voor een handelsfactuur, oorsprongscertificaat, manifest, aangifte ten uitvoer door de verlader, of enig ander douanedocument in verband met de invoer van een goed te verkrijgen;
alle soorten rechten of heffingen die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:
i. heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 34 worden opgelegd;
ii. antidumping-, bijzondere vrijwarings-, compenserende of vrijwaringsrechten die worden toegepast overeenkomstig respectievelijk de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst, de Overeenkomst inzake de landbouw, de SCM-Overeenkomst of de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen; en
iii. alle vergoedingen of andere heffingen die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer en waarvan de hoogte beperkt is tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten;
administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de uitvoer uit het douanegebied van de Partij van uitvoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd;
een binnenlands goed in de zin van de GATT 1994;
het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, met inbegrip van alle aantekeningen daarbij en amendementen daarop zoals ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie;
administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de invoer in het douanegebied van de Partij van invoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie(s) een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd;
elke bewerkingshandeling ten aanzien van goederen die ten doel heeft een gebrekkige werking of materiële schade te herstellen zodat de oorspronkelijke functie ervan wordt hersteld of ervoor te zorgen dat de goederen aan de technische voorschriften voor gebruik ervan voldoen, zonder welke handeling de goederen niet meer op de normale wijze kunnen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn bestemd. De reparatie van goederen omvat het herstel en onderhoud, maar omvat geen handelingen of bewerkingen waardoor:
i. de wezenlijke kenmerken van een goed teniet worden gedaan, of een nieuw of commercieel verschillend goed ontstaat;
ii. een onafgewerkt goed in een afgewerkt goed wordt getransformeerd; of
iii. de technische prestaties van een goed worden verbeterd of vergroot.
1. Elke Partij past op de goederen van de andere Partij de meestbegunstigingsbehandeling toe overeenkomstig artikel I van de GATT 1994, die mutatis mutandis in deze Overeenkomst is opgenomen en hiervan integrerend deel uitmaakt.
2. Lid 1 is niet van toepassing op goederen van een derde land waaraan een Partij preferentiële behandeling heeft toegekend overeenkomstig de GATT 1994.
1. Elke Partij behandelt de goederen van de andere Partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in de onderhavige Overeenkomst opgenomen en maken zij hiervan integrerend deel uit.
2. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt dit artikel met betrekking tot tabaksproducten, alcoholhoudende dranken en witte suiker zonder toegevoegde aroma’s of kleurstoffen van toepassing tien jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst of, indien dit eerder is, op de datum waarop de Republiek Oezbekistan lid wordt van de WTO.
De Partijen voeren geen verboden of beperkingen in en handhaven die evenmin ter zake van de invoer van een goed van de andere Partij of van de uitvoer of verkoop voor uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere Partij is bestemd, tenzij dat in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in de onderhavige Overeenkomst opgenomen en maken zij hiervan integrerend deel uit.
1. In het belang van de ontwikkeling van hun handelspartnerschap en om hun handelsmogelijkheden verder te verbeteren, streven de Partijen ernaar geen nieuwe rechten, belastingen of andere heffingen van welke aard ook ter zake van of in verband met de uitvoer van een goed naar de andere Partij in te voeren, en evenmin interne belastingen of andere heffingen op goederen die naar de andere Partij worden uitgevoerd die hoger zijn dan de belasting of heffing die op soortgelijke voor binnenlands verbruik bestemde goederen zou worden geheven, of enige andere maatregel van gelijke werking.
2. Wanneer een Partij haar uitvoer naar een andere derde partij een gunstiger behandeling toekent inzake uitvoerrechten, belastingen of andere heffingen, kent die Partij dezelfde behandeling toe aan uitvoer die voor de andere Partij bestemd is.
3. In uitzonderlijke omstandigheden kan een Partij een in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregel toepassen ten aanzien van de andere Partij. De Partij die een dergelijke maatregel toepast, publiceert 60 dagen vóór de inwerkingtreding van die maatregel op haar officiële website relevante informatie, met inbegrip van de verwachte toepassingsduur.
De Partijen komen overeen informatie en goede praktijken uit te wisselen over controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan op het gebied van uitvoercontroles.
1. Retributies en andere heffingen die door een Partij worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van een goed van de andere Partij blijven beperkt tot het bedrag bij benadering van de kosten van de verleende diensten en mogen geen indirecte bescherming van binnenlandse goederen of een belasting op de in- of uitvoer voor fiscale doeleinden beogen.
2. Elke Partij maakt onverwijld alle retributies en heffingen die zij in verband met de invoer of de uitvoer aanrekent, bekend op zodanige wijze dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen.
3. Geen van de Partijen legt in verband met de invoer van goederen van de andere Partij consulaire formaliteiten, waaronder retributies en heffingen, op.
1. Geen van beide Partijen past een douanerecht toe op goederen die, ongeacht de oorsprong ervan, het douanegebied van de Partij opnieuw binnenkomen nadat die goederen tijdelijk uit haar douanegebied naar het douanegebied van de andere Partij zijn uitgevoerd voor reparatie.
2. Lid 1 is niet van toepassing op goederen die in een douane-entrepot, in vrijhandelszones of met een soortgelijke status zijn ingevoerd, vervolgens worden uitgevoerd ter reparatie en niet opnieuw worden ingevoerd in een douane-entrepot, in vrijhandelszones of met een soortgelijke status.
3. Geen van beide Partijen past douanerechten toe op goederen, ongeacht de oorsprong ervan, die ter reparatie tijdelijk uit het douanegebied van de andere Partij worden ingevoerd.
De Partijen verlenen elkaar ontheffing van invoerheffingen en -rechten op tijdelijk ingevoerde goederen, in de gevallen en overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld in voor hen bindende internationale overeenkomsten op dit gebied. Deze ontheffing wordt verleend overeenkomstig de wettelijke bepalingen van elke Partij.
1. Artikel V van de GATT 1994 wordt in deze Overeenkomst opgenomen en maakt hiervan integrerend deel uit.
2. De Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om de doorvoer van energiegoederen te vergemakkelijken, overeenkomstig het beginsel van vrije doorvoer en artikel 7 van het Energiehandvestverdrag.
1. Wanneer de Republiek Oezbekistan bij de invoer van goederen uit de Europese Unie een oorsprongsaanduiding verlangt, aanvaardt zij de oorsprongsaanduiding „Made in EU” of het equivalent daarvan in een taal overeenkomstig de vereisten inzake oorsprongsaanduiding van de Republiek Oezbekistan, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor oorsprongsaanduidingen van de lidstaten.
2. Voor de toepassing van de oorsprongsaanduiding „Made in EU” behandelt de Republiek Oezbekistan de Europese Unie als één grondgebied.
1. Elke Partij stelt invoervergunningsprocedures vast en beheert deze overeenkomstig de artikelen 1, 2 en 3 van de WTO-Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. Daartoe worden de artikelen 1, 2 en 3 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken zij hiervan integrerend deel uit.
2. Een Partij die uitvoervergunningsprocedures instelt of bestaande uitvoervergunningsprocedure wijzigt, stelt de andere Partij daarvan binnen 90 dagen na de bekendmaking van die wijzigingen in kennis. De kennisgeving bevat de inlichtingen die worden genoemd in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. Een Partij wordt geacht aan dit artikel te voldoen indien zij de in artikel 4 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen bedoelde Commissie invoervergunningen in kennis heeft gesteld van de desbetreffende invoervergunningsprocedure of de wijzigingen daarvan, met inbegrip van de in artikel 5, lid 2, van die overeenkomst bedoelde inlichtingen. Voor de Republiek Oezbekistan geldt de verplichting tot kennisgeving aan de Commissie invoervergunningen vanaf de datum waarop de Republiek Oezbekistan lid wordt van de WTO.
3. Op verzoek van een Partij verstrekt de andere Partij onverwijld alle relevante informatie, waaronder de in artikel 5, lid 2, van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen bedoelde inlichtingen, met betrekking tot elke invoervergunningsprocedure die zij voornemens is vast te stellen, die zij heeft vastgesteld of die zij handhaaft, of wijzigingen van bestaande vergunningsprocedures.
1. Elke Partij maakt nieuwe uitvoervergunningsprocedures of enige wijziging van een bestaande uitvoervergunningsprocedure op zodanige wijze bekend dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen. Deze bekendmaking vindt, voor zover uitvoerbaar, plaats uiterlijk 45 dagen voordat een nieuwe uitvoervergunningsprocedure of een wijziging van een bestaande procedure voor uitvoervergunningen van kracht wordt, en in elk geval uiterlijk op de datum waarop een dergelijke procedure of wijziging van kracht wordt.
2. De bekendmaking van uitvoervergunningsprocedures omvat de volgende informatie:
a. de tekst van de uitvoervergunningsprocedures of wijzigingen daarin;
b. de goederen die het voorwerp zijn van elke uitvoervergunningsprocedure;
c. voor elke procedure, een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een uitvoervergunning en alle criteria waaraan een aanvrager moet voldoen om een uitvoervergunning te kunnen aanvragen, zoals het bezitten van een activiteitenvergunning, het opzetten of handhaven van een investering of het actief zijn via een bepaalde vorm van vestiging op het grondgebied van een Partij;
d. een contactpunt of contactpunten waar belanghebbenden nadere inlichtingen kunnen verkrijgen over de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitvoervergunning;
e. de administratieve instantie(s) waarbij een aanvraag of andere relevante documenten moeten worden ingediend;
f. een beschrijving van alle maatregelen waaraan de uitvoervergunningsprocedure uitvoering beoogt te geven;
g. de periode waarin elke uitvoervergunningsprocedure van kracht zal zijn, tenzij de procedure van kracht blijft tot de intrekking of herziening ervan in een nieuwe bekendmaking;
h. als de Partij voornemens is van een uitvoervergunningsprocedure gebruik te maken voor het beheer van een uitvoercontingent, de totale omvang, en indien van toepassing, de waarde van het contingent alsmede de openings- en sluitingsdata van het contingent; en
i. alle vrijstellingen van of uitzonderingen op het vereiste een uitvoervergunning te verkrijgen, hoe die vrijstellingen of uitzonderingen kunnen worden aangevraagd of gebruikt, en de criteria voor het verlenen of toekennen ervan.
3. Binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst stelt elke Partij de andere Partij in kennis van haar bestaande uitvoervergunningsprocedures. Een Partij die een nieuwe uitvoervergunningsprocedure vaststelt of een bestaande uitvoervergunningsprocedure wijzigt, stelt de andere Partij daarvan binnen 90 dagen na de bekendmaking van de procedure of de wijziging in kennis. De kennisgeving omvat een verwijzing naar de bron of bronnen waar de op grond van lid 2 vereiste informatie wordt bekendgemaakt en, indien van toepassing, het adres van de desbetreffende officiële website.
De samenwerking met betrekking tot de handel in kernmateriaal wordt geregeld bij de Overeenkomst betreffende samenwerking op het gebied van het vreedzame gebruik van kernenergie tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de regering van de Republiek Oezbekistan5), gedaan te Brussel op 6 oktober 2003.
1. De volgende teksten worden mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken hiervan integrerend deel uit:
a. artikel XIX van de GATT 1994;
b. de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen;
c. artikel VI van de GATT 1994;
d. de Antidumpingovereenkomst; en
e. de SCM-Overeenkomst.
2. Hoofdstuk 14 van titel IV van deze Overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van dit hoofdstuk.
1. De Partijen passen handelsbeschermingsinstrumenten (antidumping-, antisubsidie- en multilaterale vrijwaringsmaatregelen) toe met volledige inachtneming van de desbetreffende WTO-voorschriften en op basis van een eerlijk en transparant systeem.
Multilaterale vrijwaringsmaatregelen
2. De Partij die een vrijwaringsonderzoek opent, stelt de andere Partij, indien deze laatste daarbij een aanmerkelijk economisch belang heeft, van die opening in kennis.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt een Partij geacht een aanmerkelijk economisch belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de drie jaar voorafgaande aan de datum waarop het vrijwaringsonderzoek is geopend, tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde product behoorde.
4. Onverminderd de leden 2, 3 en 5 geeft de Partij die een vrijwaringsonderzoek opent en voornemens is vrijwaringsmaatregelen toe te passen, op verzoek van de andere Partij:
a. de andere Partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie die tot de opening van het vrijwaringsonderzoek en de instelling van vrijwaringsmaatregelen heeft geleid, waaronder, indien van toepassing, informatie over de opening van een vrijwaringsonderzoek, over de voorlopige bevindingen en over de definitieve bevindingen van het onderzoek; en
b. de andere Partij de mogelijkheid tot overleg.
5. Bij de keuze van maatregelen op grond van dit artikel streven de Partijen ernaar voorrang te geven aan maatregelen die de bilaterale handel het minst verstoren.
Antidumpingrechten en compenserende maatregelen
6. De Partijen geven onmiddellijk na de instelling van voorlopige maatregelen en vóór de definitieve vaststelling, volledig en duidelijk kennis van de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de SCM-Overeenkomst. De kennisgevingen worden schriftelijk gedaan en belanghebbenden wordt voldoende tijd gegund om hun opmerkingen over deze belangrijkste feiten en overwegingen te maken.
7. Elke belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord om zijn standpunt kenbaar te maken tijdens antidumping- en antisubsidieonderzoeken, mits dit het verloop van de onderzoeken niet onnodig vertraagt.
Tijdens antidumping- en antisubsidieonderzoeken hebben de binnenlandse industrie, de consumenten, de gebruikers en de importeurs het recht relevante informatie en gegevens te verstrekken die door de onderzoekende autoriteiten in overweging worden genomen overeenkomstig de relevante binnenlandse procedureregels.
Regel van het laagste recht
Indien een Partij besluit een antidumpingrecht in te stellen, mag dit recht niet hoger zijn dan de dumpingmarge, maar het mag in principe lager zijn dan deze marge wanneer door een lager recht de schade voor de binnenlandse industrie kan worden opgeheven.
1. De Partijen intensiveren hun samenwerking op douanegebied met het oog op de waarborging van een transparant handelsklimaat, handelsfacilitering, bevordering van de continuïteit van de toeleveringsketen en van de consumentenveiligheid, het tegenhouden van goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt, en bestrijding van smokkel en andere inbreuken op de douanewetgeving.
2. Om de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken, en binnen de grenzen van de beschikbare middelen, werken de Partijen samen met als doel, onder meer:
a. de douanewetgeving te verbeteren en de douaneprocedures te harmoniseren en te vereenvoudigen, in overeenstemming met internationale verdragen en normen op het gebied van douane en handelsbevordering, zoals die ontwikkeld door de Europese Unie (met inbegrip van de blauwdrukken voor de douane), de WTO en de Werelddouaneorganisatie (met name de Herziene overeenkomst van Kyoto);
b. moderne douanesystemen op te zetten, waaronder moderne technologieën voor de afhandeling van douaneformaliteiten; regelingen voor geautoriseerde marktdeelnemers; geautomatiseerde op risico gebaseerde analyses en controles; vereenvoudigde procedures voor de vrijgave van goederen; controle achteraf; transparante vaststelling van de douanewaarde en regelingen voor partnerschappen tussen de douane en ondernemingen;
c. de hoogste integriteitsnormen op het gebied van douane te bevorderen, met name aan de grens, door de toepassing van maatregelen die in overeenstemming zijn met de beginselen die zijn vervat in de Verklaring van Arusha van de Werelddouaneorganisatie;
d. beste praktijken uit te wisselen en opleiding en technische ondersteuning te verlenen voor planning en capaciteitsopbouw en voor het waarborgen van de hoogste integriteitsnormen;
e. waar passend informatie en gegevens uit te wisselen, met inachtneming van de regels van de Partijen inzake de vertrouwelijkheid van informatie en de bescherming van persoonsgegevens;
f. deel te nemen aan gecoördineerde douaneacties tussen hun douaneautoriteiten;
g. waar nodig en passend over te gaan tot wederzijdse erkenning van programma’s inzake geautoriseerde marktdeelnemers en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering;
h. waar nodig en passend koppeling van de respectieve douanedoorvoerregelingen.
De Partijen verlenen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden overeenkomstig het protocol.
De in bijlage 1A van de WTO-Overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 is bij de handel tussen de Partijen van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde van goederen en wordt mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen.
Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen door onnodige technische handelsbelemmeringen te voorkomen, op te sporen en weg te nemen.
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, aanneming en toepassing van alle normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de TBT-Overeenkomst, die de handel in goederen tussen de Partijen kunnen beïnvloeden.
2. Onverminderd lid 1 is dit hoofdstuk niet van toepassing op:
a. aankoopspecificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld om te voorzien in de productie- of verbruiksbehoeften van die organen; of
b. sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst, die vallen onder hoofdstuk 6 van deze Overeenkomst.
1. De artikelen 2.1 tot en met 2.8, 2.11, 2.12, 3.1, 3.4, 3.5, 4, 5.1 tot en met 5.5, 5.8, 5.9, 6, 7.1, 7.4, 7.5, 8, 9 en de bijlagen 1 en 3 bij de TBT-Overeenkomst worden in deze Overeenkomst opgenomen en maken er deel van uit.
2. De Republiek Oezbekistan voltooit binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst de aanpassing van haar normalisatiesysteem aan de TBT-Overeenkomst, met name aan de Praktijkrichtlijn, met inbegrip van het vrijwillige karakter van normen als gedefinieerd in de TBT-Overeenkomst.
3. Verwijzingen naar „deze Overeenkomst” in de TBT-Overeenkomst, zoals opgenomen in deze Overeenkomst, moeten waar nodig worden gelezen als verwijzingen naar deze Overeenkomst.
4. De term „leden” in de bepalingen van de TBT-Overeenkomst die in deze Overeenkomst zijn opgenomen, moet worden gelezen als de Partijen bij deze Overeenkomst bedoelend.
1. Elke Partij onderwerpt voorgenomen technische voorschriften overeenkomstig haar respectieve regels en procedures aan een effectbeoordeling op regelgevingsgebied.
2. Elke Partij beoordeelt de beschikbare regelgevings- en niet-regelgevingsalternatieven voor het voorgestelde technisch voorschrift waarmee de legitieme doelstellingen van de Partij kunnen worden bereikt, overeenkomstig artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst.
3. Elke Partij gebruikt de internationale normen ter zake als basis voor haar technische voorschriften, tenzij de Partij die het technisch voorschrift ontwikkelt, kan aantonen dat die internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de beoogde legitieme doelstellingen.
4. Internationale normen die zijn ontwikkeld door de in bijlage 5-A vermelde organisaties, worden beschouwd als de relevante internationale normen in de zin van de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst, voor zover deze organisaties bij de ontwikkeling daarvan de beginselen en procedures in acht hebben genomen die zijn neergelegd in het Besluit van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst.
5. Op verzoek van een van de Partijen overweegt het Samenwerkingscomité de lijst in bijlage 5-A bij te werken.
6. Indien een Partij geen internationale normen als basis voor haar technische voorschriften heeft gebruikt, stelt zij op verzoek van de andere Partij elke substantiële afwijking van de toepasselijke internationale normen vast en licht zij toe waarom die normen ongeschikt of ondoeltreffend zijn geacht voor het nagestreefde doel, en verstrekt zij het wetenschappelijke of technische bewijsmateriaal waarop deze beoordeling is gebaseerd.
7. Ingevolge de artikelen 2.3 en 2.4 van de TBT-Overeenkomst evalueert elke Partij haar technische voorschriften met het oog op grotere convergentie ervan met de ter zake geldende internationale normen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met nieuwe ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen of veranderingen in de omstandigheden die tot afwijkingen van die internationale normen hebben geleid.
8. Bij de ontwikkeling van technische voorschriften die een aanzienlijk effect op het handelsverkeer kunnen hebben, zorgt elke Partij er overeenkomstig haar regels en procedures voor dat er procedures bestaan die personen van de Partijen in staat stellen via een openbare raadplegingsprocedure input te leveren, behalve wanneer zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen. Elke Partij staat personen van de andere Partij toe aan die raadpleging deel te nemen onder voorwaarden die niet ongunstiger zijn dan die welke voor haar eigen personen gelden, en maakt de resultaten van die raadplegingsprocedure openbaar.
1. Teneinde normen op een zo breed mogelijke grondslag te harmoniseren, moedigt elke Partij de normalisatie-instellingen op haar grondgebied, alsmede de regionale normalisatie-instellingen waarvan een Partij of de normalisatie-instellingen op haar grondgebied lid zijn, ertoe aan:
a. binnen hun mogelijkheden mee te werken aan de opstelling van internationale normen door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen;
b. de toepasselijke internationale normen te gebruiken als grondslag voor de normen die zij formuleren, behalve wanneer dergelijke internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn, bijvoorbeeld omdat zij een ontoereikend beschermingsniveau voor mensenlevens en de gezondheid van de mens bieden of wegens fundamentele klimatologische of geografische omstandigheden of fundamentele technologische problemen;
c. doublures of overlappingen met de werkzaamheden van de internationale normalisatie-instellingen te voorkomen;
d. niet op de toepasselijke internationale normen gebaseerde nationale en regionale normen regelmatig te evalueren, teneinde de convergentie ervan met dergelijke internationale normen te verbeteren;
e. bij internationale normalisatieactiviteiten samen te werken met de betrokken normalisatie-instellingen van de andere Partij. Die samenwerking kan plaatsvinden binnen de internationale normalisatie-instellingen of op regionaal niveau; en
f. de bilaterale samenwerking tussen hen en de normalisatie-instellingen van de andere Partij te bevorderen.
2. De Partijen wisselen informatie uit over:
a. hun gebruik van normen ter ondersteuning van technische voorschriften; en
b. hun respectieve normalisatieprocessen, en de mate waarin zij internationale, regionale of sub-regionale normen als basis voor hun nationale normen hanteren.
3. Wanneer normen door opname of verwijzing in een ontwerp van een technisch voorschrift of in een conformiteitsbeoordelingsprocedure verplicht worden gesteld, moet worden voldaan aan de transparantieverplichtingen van artikel 59.
1. De in artikel 55 vastgestelde bepalingen betreffende de opstelling, aanneming en toepassing van technische voorschriften zijn mutatis mutandis op conformiteitsbeoordelingsprocedures van toepassing.
2. Indien een Partij een conformiteitsbeoordeling verlangt als een positieve garantie dat een product in overeenstemming met een technisch voorschrift is:
a. selecteert zij conformiteitsbeoordelingsprocedures die evenredig zijn aan de betrokken risico’s, zoals bepaald op basis van een risicobeoordeling;
b. beschouwt zij het gebruik van de conformiteitsverklaring van de leverancier, d.w.z. een door de fabrikant op eigen verantwoordelijkheid en zonder verplichte beoordeling door een derde partij afgegeven conformiteitsverklaring, als een van de opties om aan te tonen dat aan de voorschriften wordt voldaan; en
c. verstrekt zij de andere Partij op verzoek informatie over de criteria die worden gebruikt om de conformiteitsbeoordelingsprocedures voor specifieke producten te selecteren.
3. Indien een Partij een conformiteitsbeoordeling door een derde verlangt als positieve garantie dat een product in overeenstemming met een technisch voorschrift is, en zij die taak niet aan een overheidsinstantie heeft voorbehouden als bedoeld in lid 5, dan:
a. maakt zij bij voorkeur gebruik van accreditatie voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties;
b. maakt zij optimaal gebruik van internationale normen voor accreditatie en conformiteitsbeoordeling, alsook van internationale overeenkomsten waarbij de accreditatie-instanties van de Partijen betrokken zijn, bijvoorbeeld via de mechanismen van de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) en het International Accreditation Forum (IAF);
c. sluit zij zich aan bij of, naargelang het geval, moedigt zij haar conformiteitsbeoordelingsinstanties aan zich aan te sluiten bij alle desbetreffende internationale overeenkomsten of regelingen voor harmonisatie of bevordering van de aanvaarding van conformiteitsbeoordelingsresultaten;
d. ziet zij erop toe dat marktdeelnemers een keuze hebben tussen de door de autoriteiten van een Partij voor een bepaald product of een reeks producten aangewezen conformiteitsbeoordelingsinstanties;
e. ziet zij erop toe dat conformiteitsbeoordelingsinstanties onafhankelijk zijn van fabrikanten, importeurs en marktdeelnemers in het algemeen, en dat er tussen accreditatie-instanties en conformiteitsbeoordelingsinstanties geen sprake is van belangenconflicten;
f. staat zij conformiteitsbeoordelingsinstanties toe om onderaannemers in te schakelen voor het uitvoeren van proeven of het verrichten van inspecties in verband met de conformiteitsbeoordeling, waaronder ook onderaannemers die zijn gevestigd op het grondgebied van de andere Partij; en
g. maakt zij op één website een lijst bekend van de instanties die zij heeft aangewezen om dergelijke conformiteitsbeoordelingen uit te voeren alsook de relevante informatie over de reikwijdte van de aanwijzing van elk van die instanties.
4. Lid 3, punt f), wordt niet zo uitgelegd dat het een Partij verbiedt om van onderaannemers te vereisen dat zij voldoen aan dezelfde eisen als die waaraan de conformiteitsbeoordelingsinstantie zelf voldoet om de in dat punt bedoelde tests of controles uit te voeren.
5. Niets in dit artikel belet een Partij te eisen dat de conformiteitsbeoordeling voor specifieke producten door haar specifieke overheidsinstanties wordt uitgevoerd. In dergelijke gevallen doet de Partij het volgende:
a. zij beperkt de conformiteitsbeoordelingsvergoedingen tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en licht, op verzoek van een aanvrager van een conformiteitsbeoordeling, toe hoe eventuele vergoedingen die zij voor een dergelijke conformiteitsbeoordeling aanrekent, beperkt blijven tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten; en
b. zij maakt de vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling openbaar.
6. Onverminderd de leden 2 tot en met 5 aanvaarden de Partijen een conformiteitsverklaring van de leverancier als bewijs van naleving van de bestaande technische voorschriften voor de gebieden en overeenkomstig de praktische regelingen die in bijlage 5-B zijn vermeld.
1. De Partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectievelijke systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectievelijke markten te vergemakkelijken. Daartoe streven de Partijen ernaar samenwerkingsmechanismen en -initiatieven op regelgevingsgebied in kaart te brengen en te ontwikkelen die geschikt zijn voor de specifieke onderwerpen of sectoren, met inbegrip van:
a. de uitwisseling van informatie en ervaringen over het opstellen en de toepassing van hun respectievelijke technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
b. de samenwerking tot de mogelijke convergentie of aanpassing van de technische regelgeving en de conformiteitsbeoordelingsprocedures;
c. de aanmoediging van samenwerking tussen hun respectievelijke organisaties voor metrologie, normalisatie, conformiteitsbeoordeling en accreditatie; en
d. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de bevoegde regionale en multilaterale fora die verband houden met normen, technische voorschriften, conformiteitsbeoordelingsprocedures en accreditatie.
2. Ter bevordering van de onderlinge handel:
a. trachten de Partijen de verschillen te verkleinen die tussen hen bestaan met betrekking tot technische voorschriften, metrologie, normalisatie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, onder andere door de toepassing van internationaal overeengekomen instrumenten op dit gebied aan te moedigen;
b. bevorderen de Partijen het gebruik van accreditatie, overeenkomstig de internationale regelgeving, ter ondersteuning van de evaluatie van de technische competentie van de conformiteitsbeoordelingsorganen en hun activiteiten; en
c. stimuleren de Partijen de Republiek Oezbekistan en haar relevante nationale instanties deel te nemen aan en waar mogelijk lid te worden van Europese en internationale organisaties die zich bezighouden met normen, conformiteitsbeoordeling, accreditatie, metrologie en daarmee samenhangende taken.
3. De Partijen streven ernaar een proces op te starten en te handhaven voor een effectieve geleidelijke aanpassing van de technische regelgeving, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures van de Republiek Oezbekistan aan die van de Europese Unie.
4. Voor gebieden waarop deze aanpassing is voltooid, kunnen de Partijen onderhandelingen openen over overeenkomsten inzake conformiteitsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten.
1. Bij de ontwikkeling van technische voorschriften die een aanzienlijk effect op het handelsverkeer kunnen hebben, biedt elke Partij, na de bekendmaking van de voorgestelde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, de andere Partij een periode van ten minste zestig dagen waarin deze schriftelijke opmerkingen kan indienen, tenzij er zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen. Een Partij neemt redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn om schriftelijke opmerkingen in te dienen, in welwillende overweging.
2. Indien een Partij van de andere Partij schriftelijke opmerkingen over een voorstel voor een technisch voorschrift of voor een conformiteitsbeoordelingsprocedure ontvangt, dan:
a. bespreekt zij, op verzoek van de andere Partij, de schriftelijke opmerkingen met de medewerking van haar eigen bevoegde regelgevende instantie, op een tijdstip waarop daarmee rekening kan worden gehouden; en
b. antwoordt zij uiterlijk op de dag van de bekendmaking van het technisch voorschrift of de conformiteitsbeoordelingsprocedure schriftelijk op de opmerkingen.
3. Elke Partij verstrekt de andere Partij desgevraagd nadere informatie over het doel van, de rechtsgrondslag en de ratio voor een technisch voorschrift dat of een conformiteitsbeoordelingsprocedure die zij heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen.
4. Elke Partij ziet erop toe dat de door haar aangenomen technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures op een website worden gepubliceerd en kosteloos toegankelijk zijn.
5. Elke Partij verstrekt informatie over de aanneming en de inwerkingtreding van het technische voorschrift en de conformiteitsbeoordelingsprocedure en de aangenomen definitieve tekst.
6. Elke Partij voorziet in een redelijke termijn tussen de bekendmaking van technische voorschriften en de inwerkingtreding ervan zodat de marktdeelnemers van de andere Partij zich kunnen aanpassen. Onder „redelijke termijn” wordt verstaan: een periode van ten minste zes maanden, behalve in gevallen waarin dit een ondoeltreffend middel zou zijn om de nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken.
1. Elke Partij bevestigt dat haar technische voorschriften die onder meer of uitsluitend betrekking hebben op markerings- of etiketteringsvoorschriften, de beginselen van artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst in acht nemen.
2. Indien een Partij voorschrijft dat producten van een markering of etiket moeten worden voorzien, geldt het volgende:
a. zij verlangt uitsluitend informatie die van belang is voor de consumenten of de gebruikers van het product of die aangeeft dat het product voldoet aan de verplichte technische vereisten;
b. zij verlangt geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering van de etiketten of markeringen van producten, en evenmin betaling van een vergoeding, als voorwaarde voor het in de handel brengen van producten die anderszins in overeenstemming zijn met haar bindende technische voorschriften, tenzij zulks noodzakelijk is gezien de legitieme doelstellingen als bedoeld in artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst;
c. indien zij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, kent zij een dergelijk nummer zonder onnodige vertraging en op niet-discriminerende grondslag toe aan de marktdeelnemers van de andere Partij;
d. tenzij de onderstaande elementen misleidend, tegenstrijdig of verwarrend zijn ten opzichte van de informatie die in de Partij van invoer van de goederen moet worden verstrekt, staat die Partij toe dat:
i. informatie in meer talen dan alleen de taal die door de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;
ii. internationaal aanvaarde nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of afbeeldingen worden gebruikt, en
iii. meer informatie dan die welke door de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;
e. zij aanvaardt dat aanvullende etikettering of correcties van de etikettering plaatsvinden in douane-entrepots of andere aangewezen ruimten in het land van invoer, tenzij deze etikettering om redenen van volksgezondheid en openbare veiligheid door de wetgeving van de Partijen wordt voorgeschreven; en
f. zij streeft ernaar etiketten te aanvaarden die kunnen worden aangebracht op bestaande etiketten of markerings- of etiketteringsinformatie te aanvaarden die is opgenomen in de begeleidende documentatie in plaats van op of aan het product zelf aangebracht.
3. Punt e) van lid 2 is van toepassing tot de datum van toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO.
1. De Partijen erkennen het belang van samenwerking inzake markttoezicht, naleving en veiligheid van non-foodproducten voor de bevordering van de handel en de bescherming van consumenten en andere gebruikers, en het belang van het opbouwen van wederzijds vertrouwen op basis van gedeelde informatie.
2. Om de onafhankelijke en onpartijdige werking van het markttoezicht te waarborgen, zien de Partijen erop toe dat:
a. markttoezichtfuncties en conformiteitsbeoordelingsfuncties van elkaar zijn gescheiden; en
b. dat er geen sprake is van belangen die de onpartijdigheid van markttoezichtautoriteiten bij de verrichting van hun controle of toezicht op marktdeelnemers in het gedrang kunnen brengen.
3. De Partijen kunnen samenwerken en informatie uitwisselen op het gebied van markttoezicht, naleving en veiligheid van non-foodproducten, hetgeen met name het volgende kan omvatten:
a. markttoezicht, en handhavingsactiviteiten en -maatregelen;
b. methoden voor risicobeoordeling en productbeproeving;
c. gecoördineerde terugroepacties voor producten of andere vergelijkbare acties;
d. wetenschappelijke, technische en regelgevingsaangelegenheden, om de veiligheid en conformiteit van non-foodproducten te verbeteren;
e. nieuwe kwesties die van groot belang zijn op het gebied van gezondheid en veiligheid;
f. met normalisatie verband houdende activiteiten; en
g. uitwisseling van ambtenaren.
4. De Europese Unie kan de Republiek Oezbekistan geselecteerde informatie uit haar systeem voor snelle uitwisseling van informatie over consumentenproducten verstrekken als bedoeld in Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad6) of de rechtshandeling ter opvolging daarvan, en de Republiek Oezbekistan kan de Europese Unie relevante informatie verstrekken over de veiligheid van non-foodconsumentenproducten en over preventieve, beperkende en corrigerende maatregelen die het heeft genomen met betrekking tot in de desbetreffende wetgeving van de Republiek Oezbekistan bedoelde consumentenproducten. De uitwisseling van informatie kan als volgt plaatsvinden:
a. ad hoc, in naar behoren gemotiveerde gevallen, met uitzondering van persoonsgegevens; of
b. stelselmatig, op basis van een regeling die door het Samenwerkingscomité in bijlage 5-C kan worden vastgesteld.
5. Het Samenwerkingscomité kan in bijlage 5-D een regeling vaststellen voor de regelmatige uitwisseling, ook langs elektronische weg, van informatie betreffende andere dan de door lid 4 bestreken informatie met betrekking tot niet-conforme non-foodproducten.
6. De Partijen gebruiken de krachtens de leden 3, 4 en 5 verkregen informatie uitsluitend ter bescherming van consumenten, de gezondheid, de veiligheid of het milieu.
7. Elke Partij behandelt de op grond van de leden 3, 4 en 5 verkregen informatie als vertrouwelijk.
8. De in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen bepalen nader welke soort informatie wordt uitgewisseld en wat de praktische regelingen zijn voor de uitwisseling en de toepassing van voorschriften inzake vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens. Het Samenwerkingscomité is bevoegd besluiten vast te stellen tot vaststelling of wijziging van de regelingen in de bijlagen 5-C en 5-D.
9. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „markttoezicht” verstaan: activiteiten die plaatsvinden en maatregelen die worden genomen door overheidsinstanties, met inbegrip van activiteiten die plaatsvinden en maatregelen die in samenwerking met marktdeelnemers worden genomen, op de grondslag van procedures van een Partij, om die Partij in staat te stellen de veiligheid van producten of de conformiteit van producten aan de vereisten van haar wet- en regelgeving te monitoren of aan te pakken. Voor de Republiek Oezbekistan wordt onder „marktdeelnemer” verstaan: fabrikant, gemachtigde, importeur of verkoper.
1. Indien een Partij van oordeel is dat een ontwerp of voorstel voor een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure van de andere Partij aanzienlijke nadelige gevolgen kan hebben voor de handel tussen de Partijen, kan die Partij om overleg met de andere Partij daarover verzoeken. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan, onder vermelding van:
a. de maatregel in kwestie;
b. de bepalingen van dit hoofdstuk waarop de bezorgdheid betrekking heeft; en
c. de redenen voor het verzoek, met inbegrip van een beschrijving van de punten van zorg van de verzoekende Partij ten aanzien van de maatregel.
2. Een Partij dient haar verzoek in bij de TBT-coördinator van de andere Partij.
3. Op verzoek van een van de Partijen komen de Partijen binnen 60 dagen na de datum van het verzoek bijeen om de in het verzoek aan de orde gestelde bezwaren persoonlijk of via video- of teleconferentie te bespreken en trachten zij de kwestie zo spoedig mogelijk op te lossen. Indien de verzoekende Partij van mening is dat de zaak dringend is, kan zij verzoeken dat de vergadering binnen een kortere termijn plaatsvindt. In dergelijke gevallen neemt de antwoordende Partij een dergelijk verzoek in welwillende overweging.
4. Een Partij kan om overleg met de andere Partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij de TBT-coördinator van de andere Partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. De Partijen stellen alles in het werk om de aangelegenheid op een voor beide Partijen bevredigende manier op te lossen.
5. Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van hoofdstuk 14 onverlet.
1. Elke Partij benoemt een TBT-coördinator en stelt de andere Partij in kennis van de contactgegevens van die coördinator en van eventuele wijzigingen daarvan. De TBT-coördinatoren werken nauw samen om de uitvoering van dit hoofdstuk en de samenwerking tussen de Partijen bij alle aangelegenheden die met de TBT-Overeenkomst verband houden, te faciliteren.
2. De taken van elke TBT-coördinator omvatten:
a. de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk opvolgen, met inbegrip van kwesties in verband met de ontwikkeling, aanneming, toepassing of handhaving van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
b. contacten onderhouden met de TBT-coördinator van de andere Partij over initiatieven van de Partijen ter versterking van de samenwerking bij de ontwikkeling en verbetering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
c. overeenkomstig artikel 62 er in voorkomend geval voor zorg te dragen dat technisch overleg tot stand komt; en
d. informatie uit te wisselen over ontwikkelingen in niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora in verband met normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures.
3. De TBT-coördinatoren communiceren met elkaar via enigerlei overeengekomen methode die geschikt is voor de uitvoering van hun taken.
Wat de Republiek Oezbekistan betreft, worden artikel 55, lid 3, artikel 55, leden 6 en 7, artikel 56, lid 1, punten b), en c), artikel 57, lid 3, punten b), en d), artikel 57, lid 5, en bijlage 5-B vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
Dit hoofdstuk heeft tot doel de beginselen vast te stellen die van toepassing zijn op sanitaire en fytosanitaire maatregelen, zoals gedefinieerd in de SPS-Overeenkomst van de WTO, met inbegrip van de gezondheid van dieren en planten en de voedselveiligheid, in het handelsverkeer tussen de Partijen, alsmede samen te werken op het gebied van dierenwelzijn, antimicrobiële resistentie en duurzame voedselsystemen. De Partijen passen de in dit hoofdstuk neergelegde beginselen toe op een wijze die de handel faciliteert en voorkomt dat ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen tussen hen ontstaan, en die tegelijkertijd het beschermingsniveau van elke Partij op het gebied van het leven of de gezondheid van mensen, dieren en planten garandeert.
1. De Partijen zorgen ervoor dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen worden ontwikkeld en toegepast op basis van de beginselen van evenredigheid, transparantie, non-discriminatie en wetenschappelijke rechtvaardiging, en rekening houdend met de internationale normen: het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, ondertekend te Rome op 6 december 1951 (hierna „IPPC” genoemd), de Wereldorganisatie voor diergezondheid (hierna „WOAH” genoemd) en de Codex Alimentarius-Commissie (hierna de „Codex Alimentarius” genoemd).
2. Elke Partij ziet erop toe dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen niet leiden tot een willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen het eigen grondgebied en dat van de andere Partij bij gelijke of gelijkaardige omstandigheden. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen mogen niet worden toegepast op een manier die een verkapte beperking van het handelsverkeer tussen de Partijen zou inhouden.
3. Elke Partij zorgt ervoor dat maatregelen, procedures of controles op sanitair en fytosanitair gebied naar behoren worden uitgevoerd en dat verzoeken om informatie die van een bevoegde autoriteit van de andere Partij worden ontvangen, onverwijld worden behandeld en dat ingevoerde producten daarbij even gunstig worden behandeld als binnenlandse producten.
1. De invoervereisten van elke Partij worden gebaseerd op de beginselen van de Codex Alimentarius, de WOAH en het IPPC en de desbetreffende normen, tenzij de invoervereisten stoelen op een wetenschappelijk verantwoorde risico-evaluatie die in overeenstemming met de toepasselijke internationale voorschriften van de SPS-Overeenkomst is uitgevoerd.
2. De invoervereisten van de Partij van invoer gelden voor het hele grondgebied van de Partij van uitvoer, evenals de officiële sanitaire en fytosanitaire certificaten die vereist kunnen zijn voor de handel tussen de Partijen in landbouwproducten, met inbegrip van planten en plantaardige producten, onder voorbehoud van artikel 69.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden officiële sanitaire en fytosanitaire certificaten gedefinieerd als door de Partij van uitvoer afgegeven documenten die garanderen dat de producten waarop zij betrekking hebben, voldoen aan de in de wetgeving van de Partij van invoer vastgestelde invoervereisten.
1. Indien de Partij van uitvoer hierom verzoekt, en mits de Partij van invoer een gunstige beoordeling afgeeft, erkennen de Partijen overeenkomstig de geldende internationale procedures de gelijkwaardigheid van een bepaalde maatregel of groep maatregelen of systemen die algemeen dan wel op een sector of een deel van een sector van toepassing zijn.
2. De erkenning van gelijkwaardigheid wordt vastgesteld door het Samenwerkingscomité en opgenomen in bijlage 6.
1. De Partijen aanvaarden het concept van ziekte- en plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen overeenkomstig de SPS-Overeenkomst en de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex Alimentarius, de WOAH en het IPPC.
2. Bij de vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen, wordt rekening gehouden met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.
3. De Partij van invoer baseert de sanitaire en fytosanitaire maatregelen die zij toepast op de Partij van uitvoer waarvan het grondgebied door een plaag of ziekte wordt getroffen, op het zoneringsbesluit van de Partij van uitvoer, mits de Partij van invoer de zekerheid heeft dat het passende beschermingsniveau wordt bereikt.
1. Inspecties en audits die door de Partij van invoer worden uitgevoerd op het grondgebied van de Partij van uitvoer om de inspectie- en certificatiesystemen van deze Partij te toetsen, vinden plaats overeenkomstig de desbetreffende normen, richtsnoeren en aanbevelingen van het IPPC, de WOAH en de Codex Alimentarius. Aanvullende inspecties die deel uitmaken van een audit van inspectie- en certificeringssystemen kunnen te allen tijde worden gericht op specifieke exportfaciliteiten en fabrikanten.
2. Indien de Partij van invoer genoegen neemt met de resultaten van de in lid 1 bedoelde inspecties en audits en een lijst bijhoudt van erkende inrichtingen of voorzieningen voor de invoer van dieren of dierlijke producten, erkent zij zonder voorafgaande inspectie inrichtingen op het grondgebied van de Partij van uitvoer, indien de Partij van uitvoer daarom heeft verzocht en haar verzoek vergezeld gaat van de door de Partij van invoer gespecificeerde adequate garanties.
3. Elke Partij baseert haar aanvaarding van garanties op:
a. de evaluatie van de bevoegde autoriteit en haar capaciteit om de exporteurs te controleren;
b. de schriftelijke garantie van de bevoegde autoriteit dat door de Partij van uitvoer aan de minimumeisen van de Partij van invoer is voldaan.
4. Waar mogelijk stelt de Partij van invoer de andere Partij in kennis van elk niet-conform product en van de grond van niet-conformiteit, en verstrekt zij alle relevante informatie over de gronden van niet-conformiteit.
5. De kosten van de inspecties en audits worden gedragen door de Partij die de inspectie en de audit overeenkomstig haar interne procedures uitvoert.
1. Indien uit de invoercontroles blijkt dat niet aan de toepasselijke invoervereisten is voldaan, dan worden de maatregelen van de Partij van invoer gebaseerd op een beoordeling van het betrokken risico en beperken zij de handel niet meer dan nodig is om een adequaat niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming in de partij van invoer te verwezenlijken.
2. Waar mogelijk stelt de Partij van invoer de importeur of zijn vertegenwoordiger in kennis van elke niet-conforme zending en van de grond van niet-conformiteit, en biedt zij hun de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen of beroep in te stellen tegen het besluit. De Partij van invoer neemt alle relevante informatie in overweging die ter onderbouwing van het bezwaar of beroep is ingediend.
3. Een Partij kan vergoedingen vragen voor grenscontroles. Dergelijke vergoedingen mogen niet hoger zijn dan het bedrag dat nodig is ter dekking van de daadwerkelijk gemaakte kosten.
1. De Partijen bespreken en wisselen informatie uit over bestaande sanitaire en fytosanitaire maatregelen en maatregelen met betrekking tot dierenwelzijn en de ontwikkeling en uitvoering van dergelijke maatregelen. Bij dergelijke besprekingen en uitwisselingen worden waar nodig de SPS-Overeenkomst en de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van het IPPC, de WOAH en de Codex Alimentarius in acht genomen.
2. De Partijen werken samen inzake kwesties die verband houden met voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn, plantengezondheid en antimicrobiële resistentie, door de uitwisseling van informatie, deskundigheid en ervaringen, met als doel capaciteit op deze gebieden op te bouwen. Dergelijke samenwerking kan technische bijstand omvatten. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de opsporing en bestrijding van dier- en plantenziekten en de verbetering van risicoanalysesystemen. Het Samenwerkingscomité kan daartoe een programma voor technische bijstand goedkeuren.
3. De Partijen zetten, wanneer een van hen daarom vraagt, een passende dialoog op om sanitaire en fytosanitaire vraagstukken en andere onder dit hoofdstuk vallende dringende vraagstukken te onderzoeken. Het Samenwerkingscomité kan regels vaststellen voor het voeren van die dialoog.
4. De Partijen wijzen contactpunten aan voor de communicatie over zaken die onder dit hoofdstuk vallen en houden de lijst van contactpunten regelmatig actueel.
Elke Partij:
a. streeft naar transparantie met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn en in het bijzonder met betrekking tot de sanitaire en fytosanitaire voorschriften die gelden voor invoer van de andere Partij;
b. deelt op verzoek van de andere Partij onverwijld de vereisten mee die voor de invoer van specifieke producten van toepassing zijn en geeft aan of een risicobeoordeling nodig is;
c. stelt het contactpunt van de andere Partij onverwijld per post, fax of e-mail in kennis van ernstige of significante risico’s voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, daaronder begrepen noodsituaties in de levensmiddelensector, met betrekking tot tussen de Partijen verhandelde goederen.
De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:
a. de productie en commercialisering van innovatieve en creatieve producten en diensten tussen de Partijen te vergemakkelijken en zo bij te dragen tot een duurzamere en meer inclusieve economie voor de Partijen;
b. de handel tussen de Partijen te faciliteren en te regelen en verstoringen en belemmeringen van dergelijke handel te verminderen; en
c. het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.
1. De Partijen voeren de internationale verdragen uit op het gebied van intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn. De TRIPS-Overeenkomst in bijlage 1C bij de WTO-Overeenkomst wordt mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maakt er deel van uit. Dit hoofdstuk vormt een aanvulling op en specificatie van de rechten en verplichtingen van elke Partij uit hoofde van internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt met „intellectuele-eigendomsrechten” bedoeld: alle categorieën intellectuele eigendom als bedoeld in de artikelen 78 tot en met 120 van dit hoofdstuk en in deel II, afdelingen 1 tot en met 7, van de TRIPS-Overeenkomst.
3. De bescherming van intellectuele-eigendomsrechten omvat ook de bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, herzien te Stockholm op 14 juli 1967 (hierna „het Verdrag van Parijs” genoemd).
4. Dit hoofdstuk belet de Partijen niet om in bepalingen van hun wetgeving strengere normen inzake de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten toe te passen, mits die verenigbaar zijn met dit hoofdstuk.
1. Elke Partij voorziet in een regeling voor de nationale of regionale uitputting van intellectuele-eigendomsrechten.
2. Op het gebied van auteursrecht en naburige rechten geldt de uitputting van rechten alleen voor de verspreiding onder het publiek van het origineel van werken of ander beschermd materiaal of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins.
1. Met betrekking tot de intellectuele-eigendomsrechten die onder dit hoofdstuk vallen, behandelt elke Partij de onderdanen van de andere Partij niet minder gunstig dan haar eigen onderdanen wat betreft de bescherming7) van intellectuele-eigendomsrechten, met inachtneming van de uitzonderingen waarin reeds is voorzien in:
a. het Verdrag van Parijs;
b. de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (hierna „de Berner Conventie” genoemd), herzien te Parijs op 24 juli 1971 en gewijzigd op 28 september 1979;
c. het te Rome op 26 oktober 1961 tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerend kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (hierna „het Verdrag van Rome” genoemd); of
d. het Verdrag betreffende de bescherming van de intellectuele eigendom inzake geïntegreerde schakelingen, aangenomen te Washington op 26 mei 1989.
Ten aanzien van uitvoerend kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties geldt de in de eerste alinea bedoelde verplichting enkel voor de rechten waarin deze Overeenkomst voorziet.
2. Een Partij kan gebruikmaken van de op grond van lid 1 toegestane uitzonderingen met betrekking tot haar gerechtelijke en administratieve procedures, waaronder de verplichting voor een onderdaan van de andere Partij om op haar grondgebied domicilie te kiezen of daar een gemachtigde aan te wijzen, indien die uitzonderingen:
a. noodzakelijk zijn om de naleving te waarborgen van wetten of voorschriften van de Partij die niet strijdig zijn met dit hoofdstuk; en
b. niet worden toegepast op een wijze die een verkapte beperking van de handel zou vormen.
3. Lid 1 is niet van toepassing op procedures waarin wordt voorzien in multilaterale overeenkomsten die onder auspiciën van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (hierna „WIPO” genoemd) zijn gesloten met betrekking tot de verwerving of handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.
1. Elke Partij houdt zich aan:
a. het WIPO-verdrag inzake auteursrecht (WCT), aangenomen te Genève op 20 december 1996;
b. het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (WPPT), aangenomen te Genève op 20 december 1996; en
c. het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, aangenomen te Marrakesh op 28 juni 2013.
2. Elke Partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om het Verdrag van Peking inzake audiovisuele uitvoeringen, dat op 24 juni 2012 te Peking is aangenomen, te ratificeren of ertoe toe te treden.
Elke Partij bepaalt dat auteurs het exclusieve recht hebben om het volgende toe te staan of te verbieden:
a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun werken, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
b. elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;
c. het al dan niet draadloos meedelen van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; en
d. de commerciële verhuur aan het publiek van originelen of kopieën van hun werken.
Elke Partij bepaalt dat uitvoerende kunstenaars het exclusieve recht hebben om het volgende toe te staan of te verbieden:
a. de vastlegging8) van hun uitvoeringen;
b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitvoeringen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
c. de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitvoeringen, door verkoop of anderszins;
d. de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitvoeringen aan het publiek via de kabel of draadloos, op zodanige wijze dat die voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn;
e. de draadloze uitzending en de mededeling van hun uitvoeringen aan het publiek, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of op basis van een vastlegging is gemaakt; en
f. de commerciële verhuur aan het publiek van de vastlegging van hun uitvoeringen.
Elke Partij bepaalt dat producenten van fonogrammen het exclusieve recht hebben om het volgende toe te staan of te verbieden:
a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun fonogrammen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;
b. de distributie onder het publiek van hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;
c. het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van hun fonogrammen aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; en
d. de commerciële verhuur van hun fonogrammen aan het publiek.
Elke Partij bepaalt dat omroeporganisaties het exclusieve recht hebben om het volgende toe te staan of te verbieden:
a. de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen;
b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen;
c. het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, met inbegrip van uitzendingen per kabel of satelliet, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn;
d. de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitzendingen, met inbegrip van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, met inbegrip van uitzendingen per kabel of satelliet; en
e. de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.
1. Elke Partij bepaalt dat uitvoerende kunstenaars, en producenten van fonogrammen, recht hebben op één enkele billijke vergoeding die door de gebruiker moet worden betaald, wanneer een voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogram of reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending of mededeling aan het publiek.
2. Elke Partij ziet erop toe dat de in lid 1 bedoelde enkele billijke vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Elke Partij kan de voorwaarden bepalen overeenkomstig welke uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen de enkele billijke vergoeding verdelen wanneer hierover tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van een fonogram geen overeenstemming is bereikt.
1. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt dit artikel drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
2. De rechten van de auteur van een werk gelden gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na diens overlijden, ongeacht de datum waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.
3. De beschermingsduur voor een muziekwerk met tekst bedraagt 70 jaar na het overlijden van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk, indien tekst en muziek specifiek voor dat muziekwerk met tekst zijn geschreven.
4. Ingeval van een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk wordt de in lid 1 vastgestelde termijn berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur.
5. Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien evenwel het door de auteur aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat of de auteur zijn identiteit tijdens de in de eerste zin aangegeven termijn openbaart, geldt de in lid 1 vastgestelde termijn.
6. De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt 70 jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen:
a. de hoofdregisseur;
b. de scenarioschrijver;
c. de auteur van de dialogen; en
d. de componist van de muziek die specifiek voor gebruik in het cinematografische of audiovisuele werk is gemaakt.
7. De rechten van omroeporganisaties vervallen 50 jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.
8. De rechten van uitvoerend kunstenaars vervallen niet eerder dan 50 jaar na de datum van de vastlegging van de uitvoering.
9. De rechten van producenten van fonogrammen vervallen niet eerder dan 50 jaar na de vastlegging of, indien het fonogram binnen die termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, 70 jaar na die publicatie. Indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, maar binnen die termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is meegedeeld, bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar vanaf die mededeling. Elke Partij kan doeltreffende maatregelen vaststellen om ervoor te zorgen dat de winst die wordt gegenereerd in de 20 jaar van bescherming na de eerste 50 jaar, eerlijk wordt verdeeld tussen de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen.
10. De in dit artikel bepaalde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.
11. Elke Partij kan voorzien in langere beschermingstermijnen dan die waarin dit artikel voorziet.
1. Elke Partij stelt ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk werk van grafische of beeldende kunst een volgrecht in, dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het werk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht, een op de verkoopprijs berekend recht te ontvangen.
2. Het in lid 1 bedoelde recht is van toepassing op elke doorverkoop waarbij actoren uit de professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen, kunstgalerijen of andere kunsthandelaren, betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon.
3. Elke Partij kan bepalen dat het in lid 1 bedoelde recht niet van toepassing is op een doorverkoop waarbij de verkoper het recht minder dan drie jaar vóór de doorverkoop heeft verkregen van de kunstenaar zelf en de doorverkoopprijs niet meer dan een bepaald minimumbedrag bedraagt.
4. De procedure voor de inning van de vergoeding en de bedragen ervan wordt bepaald door het recht van elke Partij.
1. De Partijen streven ernaar de samenwerking tussen hun organisaties voor collectief beheer te bevorderen teneinde de beschikbaarheid van werken en ander beschermd materiaal op het grondgebied van de Partijen en de overdracht van inkomsten uit rechten tussen de respectieve organisaties voor collectief beheer voor het gebruik van dergelijke werken of ander beschermd materiaal te bevorderen.
2. De Partijen bevorderen de transparantie van organisaties voor collectief beheer, met name wat betreft door hen geïnde inkomsten uit rechten, inhoudingen die zij toepassen op door hen geïnde inkomsten uit rechten, het gebruik van de geïnde inkomsten uit rechten, het distributiebeleid en hun repertoire.
3. Elke Partij zorgt ervoor dat op haar grondgebied gevestigde organisaties voor collectief beheer die door middel van een vertegenwoordigingsovereenkomst een andere op het grondgebied van de andere Partij gevestigde organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigen, worden aangemoedigd tijdig, regelmatig en zorgvuldig de aan de vertegenwoordigde organisaties voor collectief beheer verschuldigde bedragen te betalen en de vertegenwoordigde organisatie voor collectief beheer informatie te verstrekken over het namens haar geïnde bedrag aan inkomsten uit rechten en over eventuele inhoudingen op die inkomsten.
Elke Partij beperkt de beperkingen van en de uitzonderingen op de in de artikelen 79 tot en met 82 bedoelde rechten tot bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met de normale exploitatie van het werk of ander materiaal en die de rechtmatige belangen van de rechthebbenden niet op onredelijke wijze schaden.
1. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt dit artikel drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
2. Elke Partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt.
3. Elke Partij voorziet in een adequate rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:
a. gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen;
b. buiten de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen een commercieel doel van slechts beperkt belang dienen; of
c. in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn dan wel verricht worden met het doel de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken.
4. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder „technische voorzieningen” verstaan: technologie, toestellen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander beschermd materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig de nationale wetgeving. Technische voorzieningen worden geacht „doeltreffend” te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de houders van het recht door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals versleuteling, codering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming biedt.
5. Niettegenstaande de in lid 1 bedoelde rechtsbescherming en bij gebreke aan vrijwillige maatregelen door de houders van het recht kan elke Partij passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de adequate rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen waarin dit artikel voorziet, niet belet dat begunstigden van overeenkomstig artikel 87 vastgestelde uitzonderingen of beperkingen van dergelijke uitzonderingen of beperkingen gebruik kunnen maken.
1. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt dit artikel drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
2. Elke Partij voorziet in adequate rechtsbescherming tegen eenieder die bewust zonder toestemming een van de volgende handelingen verricht, indien die persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht waarin de nationale wetgeving voorziet, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, faciliteert of verbergt:
a. de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten; en
b. de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander krachtens deze onderafdeling beschermd materiaal, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „informatie over het beheer van rechten” verstaan: alle door de houders van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of het andere materiaal bedoeld in dit artikel, dan wel van de auteur of een andere rechthebbende, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of het andere materiaal, alsook de cijfers of codes waarin die informatie vervat ligt.
4. Lid 2 is van toepassing wanneer bestanddelen van die informatie zijn verbonden met een kopie, of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal bedoeld in dit artikel.
1. Elke Partij:
a. voldoet aan het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, aangenomen te Madrid op 27 juni 1989, zoals gewijzigd op 3 oktober 2006 en 12 november 2007;
b. handhaaft een systeem voor de classificatie van merken dat in overeenstemming is met de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals gewijzigd op 28 september 1979; en
c. stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om toe te treden tot het te Singapore op 27 maart 2006 tot stand gekomen Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht.
Merken kunnen worden gevormd door alle tekens, in het bijzonder woorden, waaronder namen van personen, of tekeningen, letters, cijfers, kleuren, vormen van waren of verpakkingen van waren, of geluiden, mits deze:
a. de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen; en
b. in het respectieve merkenregister van elke Partij kunnen worden weergegeven op een wijze die de bevoegde autoriteiten en het publiek in staat stelt het voorwerp van de aan de houder ervan verleende bescherming duidelijk en nauwkeurig vast te stellen.
1. Het ingeschreven merk geeft de houder een uitsluitend recht. Dat recht verleent de merkhouder het recht iedere derde die niet zijn toestemming daartoe heeft verkregen, het gebruik van elk teken in het handelsverkeer te beletten:
a. wanneer dat teken identiek is met het ingeschreven handelsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het handelsmerk is ingeschreven;
b. wanneer dat gelijk is aan of overeenstemt met het ingeschreven merk en gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het ingeschreven merk.
2. De Partijen gaan een dialoog aan om ervoor te zorgen dat de Republiek Oezbekistan wettelijke maatregelen vaststelt die in overeenstemming zijn met het recht van de Unie, zodat de houder van een geregistreerd handelsmerk het recht heeft derden te verhinderen om in het handelsverkeer waren binnen te brengen in de Partij waar het handelsmerk is ingeschreven zonder dat deze daar in het vrije verkeer worden gebracht.
1. Elke Partij voorziet in een systeem voor de inschrijving van merken waarbij elke definitieve negatieve beslissing van het betrokken merkenbureau, met inbegrip van gedeeltelijke weigeringen, schriftelijk aan de betrokken partij wordt meegedeeld, naar behoren wordt gemotiveerd en vatbaar is voor beroep.
2. Elke Partij voorziet in de mogelijkheid voor derden om zich tegen aanvragen voor of inschrijvingen van merken, naargelang het geval, te verzetten. Een dergelijke verzetprocedure is contradictoir.
3. Elke Partij voorziet in een openbaar toegankelijke elektronische databank voor aanvragen voor en de inschrijving van handelsmerken.
Om uitvoering te geven aan de bescherming van algemeen bekende handelsmerken als bedoeld in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en artikel 16, leden 2 en 3, van de TRIPS-Overeenkomst, geeft elke Partij toepassing aan de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de WIPO tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten van 20 tot en met 29 september 1999.
1. Elke Partij voorziet in beperkte uitzonderingen op de aan een merk verbonden rechten, zoals het eerlijk gebruik van beschrijvende termen, inclusief geografische aanduidingen, en kan voorzien in andere beperkte uitzonderingen, mits daarbij rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houder van het merk en van derden.
2. Een handelsmerk verleent de houder niet het recht een derde te verbieden om in het handelsverkeer de volgende elementen te gebruiken, voor zover sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel:
a. de naam of het adres van de derde, indien het om een natuurlijke persoon gaat;
b. tekens of aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten; en
c. het merk, wanneer dat nodig is om de bestemming van een waar of dienst, met name als accessoire of onderdeel, aan te geven.
3. Het handelsmerk verleent de houder niet het recht een derde te verbieden om in het handelsverkeer gebruik te maken van een ouder recht van slechts plaatselijke betekenis binnen de grenzen van het grondgebied waarin het erkend wordt, wanneer dat recht erkend is door de wetgeving van de betrokken Partij.
1. De Partijen zorgen ervoor dat een handelsmerk kan komen te vervallen wanneer het merk in een ononderbroken periode van ten minste drie jaar niet normaal op het desbetreffende grondgebied is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is en er geen geldige reden is voor niet-gebruik ervan.
2. Vervallenverklaring van een handelsmerk kan niet worden gevorderd wanneer het merk in de periode tussen het verstrijken van een periode van ten minste drie jaar en de instelling van de vordering tot vervallenverklaring, voor het eerst of opnieuw normaal is gebruikt.
3. Begin van gebruik of hernieuwd gebruik binnen drie maanden vóór de instelling van de vordering tot vervallenverklaring, met dien verstande dat de periode van drie maanden ten vroegste na het verstrijken van de ononderbroken periode van ten minste drie jaar van het niet gebruiken is ingegaan, wordt echter niet in aanmerking genomen indien de voorbereiding voor het begin van gebruik of het hernieuwd gebruik pas getroffen wordt nadat de merkhouder er kennis van heeft gekregen dat de vordering tot vervallenverklaring kan worden ingesteld.
4. Een handelsmerk kan eveneens vervallen worden verklaard wanneer het, na de datum waarop het is ingeschreven:
a. door toedoen of nalaten van de merkhouder de in de handel gebruikelijke benaming is geworden van een waar of dienst waarvoor het is ingeschreven;
b. als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder of met zijn toestemming, voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is, het publiek kan misleiden, met name over de soort, de kwaliteit of plaats van herkomst van die waren of diensten.
De Europese Unie voldoet aan haar verbintenissen uit hoofde van de Akte van Genève bij de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid, die op 2 juli 1999 is aangenomen, en de Republiek Oezbekistan levert alle redelijke inspanningen om de Akte van Genève te ratificeren of ertoe toe te treden.
1. Elke Partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk gecreëerde modellen die nieuw en oorspronkelijk zijn. In deze bescherming wordt voorzien door registratie die de houder van het recht uitsluitende rechten overeenkomstig het bepaalde in deze onderafdeling verleent. Voor de toepassing van dit artikel kan een Partij een tekening die of model dat een eigen karakter heeft, als oorspronkelijk beschouwen.
2. De houder van een ingeschreven model heeft het recht derden die daartoe geen toestemming van de houder hebben, ten minste te beletten het voortbrengsel dat het ingeschreven model draagt en belichaamt, te vervaardigen, te koop aan te bieden, te verkopen, in te voeren, in voorraad te hebben of te gebruiken, in gevallen waarin die handelingen voor commerciële doeleinden worden verricht.
3. Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw en oorspronkelijk te zijn:
a. voorzover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; en
b. voor zover die zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en oorspronkelijkheid voldoen.
4. Onder „normaal gebruik” in de zin van lid 3, punt a), wordt verstaan: het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.
Elke Partij ziet erop toe dat een model wordt beschermd voor een periode van ten minste 5 jaar vanaf de datum van indiening van de aanvraag en dat de houder van het recht het recht heeft de beschermingstermijn met een of meer perioden van 5 jaar te verlengen, tot een totale duur van ten minste 15 jaar vanaf de datum van indiening.
1. Elke Partij kan beperkte uitzonderingen op de bescherming van modellen vaststellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.
2. De bescherming van modellen strekt zich niet uit tot modellen waarvoor uitsluitend technische of functionele overwegingen bepalend zijn. Een model geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.
3. Een model dat met de openbare orde of de goede zeden strijdig is, is niet vatbaar voor bescherming door een modelrecht.
4. In afwijking van lid 2 van dit artikel kan een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de in artikel 99, lid 1, gestelde voorwaarden als model worden beschermd.
Elke Partij zorgt ervoor dat een model vanaf de datum waarop het model is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, in aanmerking komt voor bescherming uit hoofde van haar auteursrechtwetgeving. De mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte, worden door elke Partij vastgesteld.
1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder „geografische aanduiding” verstaan: een geografische aanduiding als gedefinieerd in artikel 22, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst, met dien verstande dat dit ook „oorsprongsbenamingen” omvat.
2. Deze onderafdeling is van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen die hun oorsprong hebben in het grondgebied van de Partijen.
3. Geografische aanduidingen van een Partij die door de andere Partij moeten worden beschermd, vallen enkel onder deze onderafdeling indien zij binnen het toepassingsgebied van de in artikel 104 bedoelde wetgeving vallen.
1. De in afdeling A van bijlage 7-A genoemde wetgeving van de Republiek Oezbekistan bevat uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst de in afdeling B van bijlage 7-A genoemde elementen voor de registratie van en de controle op geografische aanduidingen.
2. Na bestudering van de in bijlage 7-A, afdeling A, genoemde wetgeving van de Europese Unie concludeert de Republiek Oezbekistan dat die wetgeving de in bijlage 7-A, afdeling B, genoemde elementen bevat voor de registratie van en de controle op geografische aanduidingen.
3. Na afloop van een bezwaarprocedure overeenkomstig de in bijlage 7-B opgenomen criteria en van een onderzoek van de in bijlage 7-C, afdeling A, genoemde geografische aanduidingen van in de Republiek Oezbekistan te beschermen producten uit de Europese Unie die door de Europese Unie zijn geregistreerd uit hoofde van de in lid 2 bedoelde wetgeving, beschermt de Republiek Oezbekistan die geografische aanduidingen volgens het in deze onderafdeling vastgestelde beschermingsniveau.
4. Lid 3 wordt van toepassing vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst. Tijdens die overgangsperiode van vijf jaar neemt de Republiek Oezbekistan alle aanvullende maatregelen en beschermt zij de in bijlage 7-C, afdeling A, genoemde geografische aanduidingen voor producten uit de Europese Unie op het in haar nationale wetgeving vastgestelde niveau. Tijdens de overgangsperiode wordt het geboden beschermingsniveau niet verlaagd.
5. Na afloop van een bezwaarprocedure overeenkomstig de in bijlage 7-B opgenomen criteria en van een onderzoek van de in deel B van bijlage 7-C vermelde geografische aanduidingen van producten uit de Republiek Oezbekistan die door de Republiek Oezbekistan zijn geregistreerd uit hoofde van de in lid 1 bedoelde wetgeving, beschermt de Europese Unie die geografische aanduidingen volgens het in deze onderafdeling vastgestelde beschermingsniveau.
Overeenkomstig artikel 136 kunnen de Partijen de lijst van te beschermen geografische aanduidingen in bijlage 7-C wijzigen. Nieuwe geografische aanduidingen worden toegevoegd na afloop van de bezwaarprocedure en van het onderzoek ervan als bedoeld in artikel 104, lid 3 of 4.
1. De in bijlage 7-C opgenomen geografische aanduidingen, evenals de geografische aanduidingen die overeenkomstig artikel 105 worden toegevoegd, worden beschermd tegen:
a. elk direct of indirect commercieel gebruik van een beschermde benaming, ook in gevallen waarin het product als ingrediënt wordt gebruikt:
i. voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de beschermde benaming; of
ii. wanneer hierbij van de faam van een geografische aanduiding wordt geprofiteerd;
b. elk misbruik, elke nabootsing of elke voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde naam is vertaald, getranscribeerd, getranslitereerd of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „methode”, „op de wijze van”, „imitatie”, „smaak”, „zoals” en dergelijke, ook in gevallen waarin die producten als ingrediënt worden gebruikt;
c. elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, reclamemateriaal of documenten voor het betrokken product, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product, ook in gevallen waarin die producten als ingrediënt worden gebruikt; en
d. andere praktijken die de consument kunnen misleiden aangaande de werkelijke oorsprong van het product.
2. De in bijlage 7-C genoemde geografische aanduidingen worden op het grondgebied van de Partijen geen soortnamen.
3. Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst verplicht een Partij ertoe geografische aanduidingen van de andere Partij te beschermen, indien die aanduidingen in het land van oorsprong niet of niet langer beschermd zijn. De Partijen stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding op het grondgebied van die Partij van oorsprong niet langer wordt beschermd. Een dergelijke kennisgeving vindt plaats overeenkomstig artikel 136.
4. Deze Overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer die naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.
1. Een uit hoofde van deze Overeenkomst beschermde benaming mag worden gebruikt door elke marktdeelnemer die een product in de handel brengt dat aan de desbetreffende specificatie voldoet.
2. Zodra een geografische aanduiding krachtens deze Overeenkomst wordt beschermd, mag het gebruik van deze beschermde benaming niet afhankelijk worden gesteld van registratie van de gebruikers of andere kosten.
1. Wanneer een geografische aanduiding uit hoofde van deze Overeenkomst wordt beschermd, weigeren de Partijen de inschrijving van een handelsmerk waarvan het gebruik in strijd zou zijn met artikel 106, lid 1, op voorwaarde dat een aanvraag tot inschrijving van het handelsmerk wordt ingediend na de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming van de geografische aanduiding op het grondgebied van de betrokken Partij.
2. Handelsmerken die in strijd met lid 1 zijn ingeschreven, worden ongeldig verklaard.
3. Voor de in artikel 104 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming als bedoeld in lid 1 van dit artikel, de datum van toezending aan de andere Partij van een aanvraag tot bescherming van een geografische aanduiding.
4. Voor de in artikel 105 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming als bedoeld in lid 1 van dit artikel, de datum van toezending aan de andere Partij van een aanvraag tot bescherming van een geografische aanduiding.
5. Onverminderd lid 7 van dit artikel beschermen de Partijen geografische aanduidingen ook wanneer er een ouder handelsmerk bestaat. Onder een „ouder handelsmerk” wordt verstaan: een handelsmerk waarvan het gebruik strijdig is met artikel 106, lid 1, en dat vóór de datum waarop de aanvraag voor bescherming van de geografische aanduiding door de andere Partij in het kader van deze Overeenkomst wordt ingediend, is aangevraagd of ingeschreven of waarvoor, mits de betrokken wetgeving in deze mogelijkheid voorziet, rechten zijn verworven door gebruik, te goeder trouw, op het grondgebied van een van de Partijen.
6. Een ouder handelsmerk mag verder worden gebruikt en vernieuwd, niettegenstaande de bescherming van de geografische aanduiding, mits er geen redenen zijn voor nietig- of vervallenverklaring op grond van de handelsmerkwetgeving van de Partijen. In dergelijke gevallen is het gebruik van de beschermde geografische aanduiding en het gebruik van de desbetreffende handelsmerken toegestaan.
7. Van een Partij wordt niet verlangd dat zij uit hoofde van deze Overeenkomst een naam beschermt als geografische aanduiding indien die naam, gezien de faam en bekendheid van een handelsmerk en de duur van de periode waarin dat merk reeds in gebruik is, de consument zou kunnen misleiden met betrekking tot de werkelijke identiteit van het product.
De Partijen handhaven de bescherming waarin de artikelen 104 tot en met 108 voorzien, door middel van passende administratieve en rechterlijke maatregelen, inclusief tijdens douanecontroles door hun overheidsdiensten, om het onrechtmatige gebruik van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding te voorkomen of te beëindigen. Ook handhaven zij die rechten op verzoek van een belanghebbende.
1. Deze Overeenkomst is van toepassing onverminderd de rechten en verplichtingen die elke Partij mogelijk heeft uit hoofde van de WTO-Overeenkomst.
2. Van een Partij wordt niet verlangd dat zij uit hoofde van deze Overeenkomst een naam beschermt als geografische aanduiding indien die naam in tegenstrijd is met de naam van een planten- of dierenras en de consument daardoor zou kunnen worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het product.
3. Een gelijkluidende benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn uit een ander grondgebied, wordt niet beschermd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats betreft waaruit het betrokken product feitelijk van oorsprong is. Onverminderd artikel 23 van de TRIPS-Overeenkomst bepalen de Partijen onderling de praktische gebruiksvoorwaarden om geheel of gedeeltelijk gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid.
4. Wanneer een Partij in het kader van onderhandelingen met een derde voorstelt om een geografische aanduiding van die derde te beschermen die geheel of gedeeltelijk gelijkluidend is met een uit hoofde van deze Overeenkomst beschermde geografische aanduiding van de andere Partij, stelt zij de andere Partij van dit voornemen in kennis en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de geografische benaming van de derde van kracht wordt.
5. Vragen die rijzen met betrekking tot de productspecificaties van geregistreerde geografische aanduidingen, worden door het bij artikel 136 opgerichte subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten behandeld.
6. De bescherming van uit hoofde van deze Overeenkomst beschermde geografische aanduidingen kan alleen worden ingetrokken door de Partij waaruit het product van oorsprong is.
7. Voor zover in deze Overeenkomst wordt verwezen naar een productspecificatie, wordt hieronder verstaan een specificatie die door de autoriteiten van de Partij op het grondgebied waaruit het product van oorsprong is, is goedgekeurd, met inbegrip van eveneens goedgekeurde wijzigingen.
Elke Partij ziet erop toe dat de procedures waarin het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking inzake octrooien voorziet, op haar grondgebied beschikbaar zijn.
1. De Partijen erkennen het belang van de verklaring over de TRIPS-Overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 te Doha is aangenomen door de Ministeriële Conferentie van de WTO (hierna de „Verklaring van Doha” genoemd). Bij de uitlegging en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling waarborgen de Partijen de consistentie met de Verklaring van Doha.
2. Elke Partij geeft uitvoering aan artikel 31 bis van de TRIPS-Overeenkomst, de bijlage bij de TRIPS-Overeenkomst en het aanhangsel van de bijlage bij de TRIPS-Overeenkomst, die op 23 januari 2017 in werking zijn getreden.
1. De Partijen erkennen dat geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen die op hun respectieve grondgebied door een octrooi worden beschermd, aan een administratieve vergunningsprocedure kunnen worden onderworpen voordat zij er in de handel mogen worden gebracht. De Partijen erkennen dat de termijn tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de eerste vergunning om het product op hun respectievelijk grondgebied in de handel te brengen, zoals voor dat doel in hun respectieve wetgeving omschreven, de termijn van daadwerkelijke bescherming uit hoofde van het octrooi kan bekorten.
2. Elke Partij zorgt voor een verdere periode van bescherming voor geneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen die door een octrooi worden beschermd en die aan een administratieve vergunningsprocedure waren onderworpen, waarbij die periode gelijk moet zijn aan de in lid 1, tweede volzin, bedoelde periode. Deze verdere periode kan worden verminderd met een periode van maximaal vijf jaar.
3. De duur van de verdere periode van bescherming bedraagt niet meer dan vijf jaar9).
1. Wanneer zij haar verplichting tot naleving van de Trips-Overeenkomst vervult, en met name artikel 39, leden 1 en 2, van die overeenkomst, voorziet elke Partij in passende civielrechtelijke procedures en maatregelen zodat de houder van een bedrijfsgeheim het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt in strijd met eerlijke handelsgebruiken, kan voorkomen en er schadeloosstelling voor kan krijgen.
2. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
informatie die:
i. geheim is in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk algemeen toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
ii. handelswaarde bezit omdat zij geheim is; en
iii. door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen om die geheim te houden;
iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt.
3. Voor de toepassing van deze onderafdeling worden ten minste de volgende activiteiten beschouwd als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:
a. het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de instemming van de houder van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt door ongeoorloofde toegang tot, toe-eigening of vermenigvuldiging van documenten, voorwerpen, materialen, stoffen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;
b. het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt, zonder de instemming van de houder van het bedrijfsgeheim, door een persoon die blijkt te voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
i. het bedrijfsgeheim te hebben verworven op een manier als bedoeld in punt a);
ii. inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim; of
iii. inbreuk te plegen op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim; en
c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim door een persoon die op het tijdstip van het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere persoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte in de zin van punt b).
4. Niets in deze onderafdeling mag aldus worden uitgelegd dat het een Partij ertoe verplicht een van de volgende activiteiten te beschouwen als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:
a. de onafhankelijke ontdekking of het onafhankelijk ontwerp;
b. het nabouwen van een product door een persoon die er rechtmatig in het bezit van is en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van de relevante informatie te beperken;
c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van informatie die is vereist of toegestaan door de wetgeving van een Partij; en
d. het gebruik door werknemers van ervaringen en vaardigheden die zij op eerlijke wijze tijdens de normale uitoefening van hun functie hebben opgedaan.
5. Geen van de bepalingen van deze onderafdeling mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat zij een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en informatie, met inbegrip van de mediavrijheid zoals die wordt beschermd overeenkomstig de wet- en regelgeving van een Partij.
1. Elke Partij zorgt ervoor dat eenieder die deelneemt aan civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 115, of die toegang heeft tot documenten die deel uitmaken van die gerechtelijke procedures, een bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim niet mag gebruiken of openbaar maken, voor zover de bevoegde rechterlijke instanties dat bedrijfsgeheim als reactie op een voldoende verantwoorde aanvraag van een belanghebbende hebben aangemerkt als vertrouwelijk en waarop zij zijn geattendeerd door dergelijke deelname of toegang.
2. In civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 115 zorgt elke Partij ervoor dat haar gerechtelijke autoriteiten ten minste de bevoegdheid hebben om:
a. in overeenstemming met hun respectieve wet- en regelgeving voorlopige maatregelen te gelasten om het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim op een wijze die strijdig is met eerlijke handelspraktijken, te voorkomen;
b. dwangmiddelen in te stellen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen;
c. aan eenieder die wist of had moeten weten dat een bedrijfsgeheim werd verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, in overeenstemming met haar respectieve wet- en regelgeving een passende schadevergoeding op te leggen, te betalen aan de houder van het bedrijfsgeheim, ter compensatie van de werkelijke schade die deze wegens het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden;
d. specifieke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid te garanderen van elk bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat in een civielrechtelijke procedure in verband met het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, wordt overgelegd. Dergelijke specifieke maatregelen kunnen overeenkomstig het recht van de Partij de mogelijkheid omvatten om:
i. geheel of gedeeltelijk de toegang tot bepaalde documenten te beperken;
ii. de toegang tot hoorzittingen en hun respectieve opnamen of transcripties te beperken; en
iii. een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van een vonnis waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten, zijn verwijderd of aangepast; en
e) sancties op te leggen aan elke persoon die deelneemt aan de gerechtelijke procedure en die nalaat of weigert gevolg te geven aan rechterlijke bevelen betreffende de bescherming van het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim.
3. Van geen van de Partijen wordt verlangd dat zij instaan voor de civielrechtelijke procedures en maatregelen als bedoeld in artikel 115, indien de activiteit in strijd met eerlijke handelsgebruiken geschiedt, overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving van een Partij, met de bedoeling een fout, wangedrag of illegale activiteiten te onthullen, of om een rechtmatig belang te beschermen dat door de wet is erkend.
1. Elke Partij beschermt commercieel vertrouwelijke informatie die is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel tegen openbaarmaking aan derden, tenzij maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik of openbaarmaking noodzakelijk is voor een hoger openbaar belang.
2. Elke Partij zorgt ervoor dat de autoriteit die verantwoordelijk is voor het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen gedurende een periode van ten minste zes jaar vanaf de datum van een eerste vergunning voor het in de handel brengen in de betrokken Partij, geen volgende aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen aanvaardt die verwijzen naar de resultaten van preklinische of klinische proeven die in de aanvraag voor de eerste vergunning voor het in de handel brengen zijn ingediend, zonder uitdrukkelijke toestemming van de houder van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, tenzij internationale overeenkomsten waarbij zowel de Europese Unie als de Republiek Oezbekistan partij zijn anders bepalen. Deze regel is van toepassing ongeacht of de in lid 1 of 2 bedoelde informatie al dan niet openbaar is gemaakt.
3. Dit artikel doet geen afbreuk aan aanvullende beschermingstermijnen waarin elke Partij in haar wetgeving kan voorzien.
4. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt dit artikel twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
1. Elke Partij kent een tijdelijk recht toe aan de eigenaar van een test- of studieverslag dat voor het eerst is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel. Gedurende die periode wordt het test- of studieverslag niet gebruikt ten behoeve van een andere persoon die een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel tracht te verkrijgen, tenzij is bewezen dat de eerste eigenaar hiermee uitdrukkelijk instemt. Dit recht wordt in dit artikel gegevensbescherming genoemd.
2. Het test- of studieverslag dat voor de vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel wordt ingediend, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. het is noodzakelijk voor de toelating of een wijziging van de toelating om toepassing op een ander gewas mogelijk te maken; en
b. het is in overeenstemming verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken.
3. De gegevensbescherming geldt voor een termijn van ten minste tien jaar vanaf de verlening van de eerste vergunning door de bevoegde autoriteit op het grondgebied van die Partij. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico kan de termijn worden verlengd tot 13 jaar.
4. De termijn voor de gegevensbescherming wordt met drie maanden verlengd bij elke verlenging van de vergunning voor beperkte toepassingen indien die vergunningen door de houder van de vergunning uiterlijk vijf jaar na de datum van de eerste vergunning worden aangevraagd. De totale gegevensbeschermingsperiode bedraagt ten hoogste 13 jaar. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico mag de totale termijn voor gegevensbescherming in geen geval meer dan 15 jaar bedragen.
5. Een test- of studieverslag wordt eveneens beschermd wanneer het voor de verlenging of de herziening van een vergunning noodzakelijk was. In die gevallen bedraagt de termijn voor gegevensbescherming 30 maanden.
6. Niettegenstaande de leden 3, 4 en 5 houdt de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen, geen rekening met de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie voor daarop volgende vergunningen voor het in de handel brengen, ongeacht of die informatie voor het publiek beschikbaar is gesteld.
7. Elke Partij stelt maatregelen vast om de aanvrager en houders van eerdere vergunningen die op de respectieve grondgebieden van de Partijen zijn gevestigd, ertoe te verplichten geheime informatie te delen, om herhaling van proeven op gewervelde dieren te voorkomen.
8. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt dit artikel twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
Elke Partij beschermt kwekersrechten overeenkomstig het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten, aangenomen door de Diplomatieke Conferentie op 2 december 1961 (hierna het „UPOV-Verdrag” genoemd), zoals laatstelijk herzien in Genève op 19 maart 1991, met inbegrip van de facultatieve uitzondering op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15, lid 2, van het UPOV-Verdrag. De Partijen werken samen om die rechten te bevorderen en te handhaven.
1. Elke Partij bevestigt opnieuw haar verbintenis tot naleving van deel III van de TRIPS-Overeenkomst en voorziet in de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die nodig zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen.
Voor de toepassing van deze afdeling omvat de term „intellectuele-eigendomsrechten” niet de onder afdeling 2, onderafdeling 6, vallende rechten.
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
a. zijn eerlijk en billijk;
b. zijn niet onnodig ingewikkeld of kostbaar en houden geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen in;
c. zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend; en
d. worden zodanig toegepast dat geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer worden gecreëerd en wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van die maatregelen, procedures en rechtsmiddelen.
Elke Partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPS-Overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
a. houders van intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig het toepasselijke recht;
b. alle andere personen die gemachtigd zijn intellectuele-eigendomsrechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving;
c. instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en overeenkomstig het toepasselijke recht;
d. beroepsorganisaties die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving.
1. Elke Partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van de stelling van die partij dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. Bij het gelasten van tussentijdse of voorlopige maatregelen houden de rechterlijke instanties rekening met de rechtmatige belangen van de vermeende inbreukmaker.
2. Tot die maatregelen kunnen behoren de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de litigieuze goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten.
3. Elke Partij treft de nodige maatregelen teneinde de bevoegde rechterlijke instanties in staat te stellen om, in geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, in voorkomend geval, op verzoek van een partij overlegging te kunnen gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich in de hand van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
1. Elk van beide Partijen ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van civiele procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser kunnen gelasten dat de inbreukmaker of iedere andere persoon die partij of getuige bij het geschil is, informatie verstrekt over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen.
2. Voor de toepassing van lid 1 betekent „iedere andere persoon” een persoon die:
a. de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben;
b. de inbreukmakende diensten op commerciële schaal blijkt te gebruiken;
c. op commerciële schaal diensten blijkt te verlenen die bij inbreukmakende activiteiten worden gebruikt; of
d. door een in punt a), b), of c), van dit lid bedoelde persoon is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de vervaardiging of de distributie van de goederen of bij het verlenen van de diensten.
3. De in lid 1 bedoelde informatie omvat, naargelang het geval:
a. de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren; en
b. informatie over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, en over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.
4. De leden 1 en 2 gelden onverminderd de wetgeving van een Partij waarbij:
a. de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;
b. het gebruik van de op grond van dit artikel meegedeelde informatie in civiele zaken wordt geregeld;
c. de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;
d. de mogelijkheid wordt geboden te weigeren informatie te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zou dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of
e. de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.
1. Elke Partij ziet erop toe dat haar rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen tegen de vermeende inbreukmaker dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien het recht van die Partij hierin voorziet op straffe van een dwangsom, tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. Onder dezelfde voorwaarden kan ook een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon van wie de diensten, met inbegrip van internetdiensten, door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.
2. Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagname of afgifte te gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.
3. Elke Partij bepaalt dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, haar rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten.
1. Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de vernietiging of op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. In voorkomend geval kunnen de rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van hoofdzakelijk voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen gebruikte materialen en werktuigen.
2. De rechterlijke instanties van elke Partij hebben de bevoegdheid te gelasten dat de in lid 1 bedoelde corrigerende maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
3. Bij de behandeling van een verzoek om corrigerende maatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen en met de belangen van derden.
4. Ten aanzien van de Republiek Oezbekistan wordt lid 1 drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.
Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, een bevel tot staking van de inbreuk tegen een inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, kunnen uitvaardigen.
Elke Partij kan bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van de persoon aan wie de in artikel 125 of artikel 126 vervatte maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van die artikelen niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, uitvoering van de maatregelen hem onevenredige schade zou berokkenen en geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.
1. Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde partij, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden.
2. Elke Partij ziet erop toe dat wanneer de rechterlijke instanties de in lid 1 bedoelde schadevergoeding vaststellen:
a. zij rekening houden met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of
b. zij als alternatief voor punt a) in voorkomend geval de schadevergoeding kunnen vaststellen als een vast bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.
3. De Partijen kunnen ten behoeve van de benadeelde partij bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk maakte.
Elke Partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.
Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het ophangen en volledig of gedeeltelijk publiceren van de uitspraak.
De Partijen erkennen dat voor de toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:
a. het voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, volstaat dat zijn naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd; en
b. punt a) van overeenkomstige toepassing is op de houder van een naburig recht met betrekking tot zijn beschermde materiaal.
Voor zover een civiele corrigerende maatregel kan worden gelast als gevolg van een administratieve bodemprocedure, is deze procedure in overeenstemming met beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan de beginselen die zijn neergelegd in de relevante bepalingen van deze afdeling.
1. Met betrekking tot goederen die onder douanetoezicht staan, stelt elke Partij procedures in of handhaaft deze, op grond waarvan een houder van een recht bij de douaneautoriteiten een verzoek kan indienen tot schorsing van de vrijgave van of tot vasthouding van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een merk, op auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, tekeningen of modellen van nijverheid, topografieën van geïntegreerde schakelingen en kwekersrechten (hierna „verdachte goederen” genoemd).
2. Elke Partij beschikt over elektronische systemen voor het beheer van de inwilliging of registratie van verzoeken door haar douaneautoriteiten.
3. Wanneer een Partij een vergoeding in rekening brengt voor de administratieve kosten die voortvloeien uit de inwilliging of registratie van verzoeken, staat die vergoeding in verhouding tot de verleende dienst en de gemaakte kosten.
4. Elke Partij zorgt ervoor dat haar douaneautoriteiten binnen een redelijke termijn beslissen over de inwilliging of registratie van een verzoek.
5. Elke Partij kan bepalen dat de in lid 1 bedoelde aanvragen van toepassing zijn op meervoudige zendingen.
6. Elke Partij ziet erop toe dat haar douaneautoriteiten met betrekking tot goederen die onder douanetoezicht staan, op eigen initiatief de vrijgave van verdachte goederen kunnen opschorten of verdachte goederen kunnen vasthouden.
7. Elke Partij zorgt ervoor dat haar douaneautoriteiten, naast andere eventueel noodzakelijke identificatiemethoden, risicoanalyse gebruiken om verdachte goederen te identificeren.
8. Een Partij kan procedures vaststellen of handhaven krachtens welke haar bevoegde autoriteiten binnen een redelijke termijn na de inleiding van de procedures van de leden 1 en 5 kunnen bepalen of de verdachte goederen inbreuk maken. In dat geval hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om, nadat is vastgesteld dat er een inbreuk is, de vernietiging van de goederen te gelasten. Een Partij kan beschikken over procedures voor de vernietiging van verdachte goederen zonder een vaststelling van een inbreuk, voor zover de betrokken personen instemmen met of zich niet verzetten tegen de vernietiging van de goederen.
9. Het is elke Partij toegestaan over procedures te beschikken voor de snelle vernietiging van nagemaakte merkartikelen en door piraterij verkregen goederen die in post- of expreskoerierszendingen worden verzonden.
10. Elke Partij kan besluiten dit artikel niet toe te passen op de invoer van goederen die door of met toestemming van de rechthebbenden in een ander land in de handel zijn gebracht. Een Partij kan goederen van niet-commerciële aard die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, van de toepassing van dit artikel uitsluiten.
11. Elke Partij ziet erop toe dat haar douaneautoriteiten een regelmatige dialoog aangaan en de samenwerking bevorderen met de desbetreffende belanghebbenden en met andere instanties die betrokken zijn bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.
12. De Partijen komen overeen samen te werken op het gebied van de internationale handel in verdachte goederen. De Partijen komen met name overeen informatie uit te wisselen over de handel in verdachte goederen die gevolgen heeft voor de andere Partij.
13. Onverminderd andere vormen van samenwerking is het protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken van toepassing op inbreuken op de wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten voor de handhaving waarvan de douaneautoriteiten overeenkomstig dit artikel bevoegd zijn.
14. Het in artikel 136 bedoelde subcomité is verantwoordelijk voor de goede werking en uitvoering van dit artikel, met name wat betreft de samenwerking tussen de Partijen.
15. Bij de uitvoering van maatregelen aan de grens ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douaneautoriteiten, ongeacht of zij onder deze onderafdeling vallen, zorgen de Partijen voor overeenstemming met artikel V van de GATT 1994 en artikel 41 en deel III, afdeling 4, van de TRIPS-Overeenkomst.
1. De Partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk. De Partijen maken met betrekking tot samenwerking bij de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten onder meer gebruik van de volgende praktische regelingen.
2. De samenwerking betreft, maar is niet beperkt tot, de volgende activiteiten:
a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om die te beschermen en te handhaven;
b. uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen over de vooruitgang op wetgevingsgebied;
c. uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
d. uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke autoriteiten;
e. coördinatie, ook met andere landen, ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen;
f. technische bijstand, capaciteitsopbouw; uitwisseling en opleiding van personeel;
g. bescherming en verdediging van intellectuele-eigendomsrechten en verspreiding van informatie hierover, onder meer in het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld;
h. voorlichting van consumenten en houders van een recht; uitbreiding van institutionele samenwerking, met name tussen bureaus voor intellectuele eigendom;
i. bevordering van de voorlichting en bewustmaking van het grote publiek over het beleid inzake de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
j. bevordering van de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door publiek-private samenwerking waarbij kleine en middelgrote ondernemingen betrokken zijn; en
k. formulering van doeltreffende strategieën om te bepalen wat de doelgroepen zijn en van communicatieprogramma’s om het bewustzijn van de consument en de media te verbeteren over de impact van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.
3. Elke Partij kan de productspecificaties of een samenvatting daarvan alsmede de contactpunten voor de controle op en het beheer van op grond van onderafdeling 4 beschermde geografische aanduidingen uit de andere Partij, openbaar maken.
4. De Partijen houden rechtstreeks of via het in artikel 136 bedoelde subcomité contact over alle aangelegenheden in verband met de uitvoering en werking van deze afdeling.
Elke Partij streeft ernaar vrijwillige initiatieven van belanghebbenden om inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten terug te dringen, ook online en op andere marktplaatsen, te faciliteren, waarbij de nadruk ligt op concrete problemen en praktische oplossingen worden gezocht die realistisch, evenwichtig, proportioneel en billijk zijn voor alle betrokkenen, onder meer als volgt:
a. elke Partij streeft ernaar belanghebbenden op haar grondgebied consensueel bijeen te roepen om vrijwillige initiatieven te faciliteren om oplossingen te vinden om inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten terug te dringen en geschillen op te lossen met betrekking tot de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;
b. de Partijen streven ernaar onderling informatie uit te wisselen over inspanningen om vrijwillige initiatieven van belanghebbenden op hun respectievelijk grondgebied te faciliteren; en
c. de Partijen streven ernaar een open dialoog en samenwerking tussen de belanghebbenden van de Partijen te bevorderen en die belanghebbenden aan te moedigen gezamenlijk oplossingen te vinden en geschillen over de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op te lossen en inbreuken terug te dringen.
1. De Partijen stellen een subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten in dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en van de Republiek Oezbekistan, en dat tot taak heeft toezicht te houden op de toepassing van dit hoofdstuk en de samenwerking tussen de Partijen en de dialoog over intellectuele-eigendomsrechten te intensiveren.
2. Het subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten komt bijeen op verzoek van een van beide Partijen, afwisselend in de Europese Unie en in de Republiek Oezbekistan, op een tijdstip, plaats en wijze (waaronder eventueel per videoconferentie) die onderling door de Partijen worden bepaald, maar uiterlijk binnen 90 dagen na indiening van het verzoek.
3. Het subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten bevordert de uitvoering van dit hoofdstuk en de samenwerking tussen de Partijen bij alle aangelegenheden die verband houden met intellectuele eigendom. Het is met name verantwoordelijk voor de wijziging van:
a. afdeling A van bijlage 7-A met betrekking tot de verwijzingen naar het recht dat van toepassing is in de Partijen;
b. afdeling B van bijlage 7-A wat betreft de elementen voor de registratie en controle van geografische aanduidingen;
c. bijlage 7-B met betrekking tot de criteria die in de bezwaarprocedure moeten worden opgenomen; en
d. bijlage 7-C met betrekking tot geografische aanduidingen.
De Partijen erkennen het belang van vrije en onvervalste mededinging voor hun handels- en investeringsbetrekkingen. De Partijen erkennen dat concurrentieverstorende praktijken en overheidsmaatregelen de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.
Elke Partij past dit hoofdstuk toe op alle openbare en particuliere ondernemingen.
Elke Partij stelt mededingingsrecht vast of handhaaft dat, dat geldt voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie10) en dat op doeltreffende wijze de volgende praktijken aanpakt:
a. horizontale en verticale overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;
b. misbruik van een machtspositie door een of meer ondernemingen; en
c. concentraties van ondernemingen die doeltreffende mededinging aanzienlijk zouden hinderen, meer bepaald als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie.
De toepassing van het mededingingsrecht door een Partij mag ondernemingen niet belemmeren in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de aan hen opgedragen bijzondere taken van algemeen belang. Uitzonderingen op het mededingingsrecht van een Partij moeten beperkt blijven tot taken van algemeen belang en tot hetgeen noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling van het overheidsbeleid en moeten transparant zijn.
1. Elke Partij richt een functioneel onafhankelijke autoriteit op en houdt die in stand, die verantwoordelijk is voor en naar behoren is uitgerust met de bevoegdheden en middelen die nodig zijn om de volledige toepassing en effectieve handhaving van haar mededingingsrecht te waarborgen.
2. Elke Partij past haar mededingingsrecht op transparante wijze toe, met inachtneming van de beginselen van procedurele billijkheid, met inbegrip van de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen, met name het recht om te worden gehoord en het recht op rechterlijke toetsing.
1. De Partijen erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is de samenwerking op het gebied van het mededingingsbeleid en de handhaving te bevorderen.
2. Om die samenwerking te vergemakkelijken, kunnen de mededingingsautoriteiten van de Partijen informatie uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels van de respectieve wetgeving van de Partijen.
3. De mededingingsautoriteiten van de Partijen streven ernaar om, waar mogelijk en passend, hun handhavingsactiviteiten met betrekking tot dezelfde of verwante zaken te coördineren.
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een „subsidie” verstaan: een maatregel die voldoet aan de in artikel 1, lid 1, punt 1), van de SCM-Overeenkomst genoemde voorwaarden, ongeacht of zij wordt verleend aan een onderneming die goederen produceert of diensten verricht11).
2. Deze afdeling is van toepassing op subsidies die specifiek zijn in de zin van artikel 2 van de SCM-Overeenkomst. Een subsidie waarop het bepaalde in artikel 148 van deze Overeenkomst van toepassing is, wordt geacht specifiek te zijn.
3. De bepalingen van deze afdeling mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij ondernemingen belemmeren in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de aan hen opgedragen bijzondere taken van algemeen belang. Uitzonderingen op de regels van deze afdeling moeten beperkt blijven tot taken van algemeen belang en tot hetgeen noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling van het overheidsbeleid en moeten transparant zijn.
4. Artikel 146 van deze Overeenkomst is niet van toepassing op subsidies in verband met de handel in goederen die onder bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw vallen.
5. De artikelen 146 en 147 zijn niet van toepassing op de audiovisuele sector en de toeristische sector.
1. Elke Partij maakt met betrekking tot een op haar grondgebied verleende of in stand gehouden subsidie de volgende informatie openbaar:
a. de rechtsgrondslag en het oogmerk van de subsidie;
b. de vorm van de subsidie;
c. indien mogelijk, het totale bedrag of het jaarlijkse bedrag dat voor de subsidie is begroot en de naam van de ontvanger van de subsidie;
2. Een Partij kan aan lid 1 voldoen door:
a. het indienen van een kennisgeving overeenkomstig artikel 25 van de SCM-Overeenkomst, die ten minste om de twee jaar wordt gedaan;
b. het indienen van een kennisgeving overeenkomstig artikel 18 van de Overeenkomst inzake de landbouw; of12),
c. ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde informatie uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd verleend of gehandhaafd, door haarzelf of namens haar op een voor het publiek toegankelijke website wordt gepubliceerd.
1. Indien een Partij van oordeel is dat een subsidie haar belangen op het gebied van handels- of investeringsliberalisering ongunstig beïnvloedt of dreigt te beïnvloeden, kan zij haar bezorgdheid schriftelijk kenbaar maken aan de andere Partij en om nadere informatie over de kwestie verzoeken.
2. Het in lid 1 bedoelde verzoek bevat een toelichting over de wijze waarop de subsidie de belangen op het gebied van handels- of investeringsliberalisering van de verzoekende Partij ongunstig kan beïnvloeden. De verzoekende Partij kan de volgende informatie over de subsidie inwinnen:
a. de rechtsgrondslag en het oogmerk van de subsidie;
b. de vorm van de subsidie;
c. het tijdstip en de duur van de subsidie en alle andere daarvoor geldende termijnen;
d. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidie;
e. indien mogelijk, het totale bedrag of het jaarlijkse bedrag dat voor de subsidie is begroot en de naam van de ontvanger van de subsidie;
f. alle andere gegevens aan de hand waarvan de mogelijke nadelige gevolgen van de subsidie kunnen worden beoordeeld.
3. De aangezochte Partij verstrekt de informatie schriftelijk, uiterlijk zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek. Indien de aangezochte Partij de gevraagde informatie niet verstrekt, licht zij het ontbreken van die informatie toe in haar schriftelijk antwoord.
4. Na ontvangst van de gevraagde informatie kan de verzoekende Partij om overleg over de aangelegenheid verzoeken. Het overleg tussen de Partijen over de punten van zorg geschiedt binnen zestig dagen na het verzoek om overleg.
5. Elke Partij streeft ernaar om de aangelegenheid op een voor beide Partijen bevredigende wijze op te lossen.
1. Voor zover een subsidie het handelsverkeer of de investeringen van de andere Partij ongunstig beïnvloedt, streeft elke Partij ernaar subsidies afhankelijk te stellen van de volgende voorwaarden:
a. subsidies waarbij een overheid schulden of verplichtingen van bepaalde ondernemingen garandeert, zijn toegestaan mits het bedrag van die schulden of verplichtingen of de duur van die garantie worden beperkt; en
b. subsidies aan insolvente of noodlijdende ondernemingen zijn toegestaan, mits:
i. een geloofwaardig herstructureringsplan bestaat, dat is gebaseerd op realistische veronderstellingen, teneinde de levensvatbaarheid op lange termijn van de insolvente of noodlijdende onderneming binnen een redelijke termijn te herstellen; of
ii. de onderneming bijdraagt aan de herstructureringskosten; kleine en middelgrote ondernemingen zijn niet verplicht bij te dragen aan de kosten van de herstructurering.
2. Lid 1, punt b), is niet van toepassing op subsidies die aan ondernemingen worden verstrekt als tijdelijke liquiditeitssteun in de vorm van leninggaranties of leningen gedurende de periode die nodig is om een herstructureringsplan op te stellen. Dergelijke tijdelijke liquiditeitssteun is beperkt tot het bedrag dat nodig is om de onderneming alleen in bedrijf te houden.
3. Subsidies om ervoor te zorgen dat een onderneming zich op een ordelijke manier uit de markt terugtrekt, zijn toegestaan.
4. Dit artikel is niet van toepassing op subsidies waarvan de gecumuleerde bedragen of begrotingen minder dan 500 000 EUR per onderneming bedragen over een periode van drie opeenvolgende jaren.
Vanaf de toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO zijn, behoudens het bepaalde in de Overeenkomst inzake de landbouw, de volgende subsidies voor industrieproducten verboden:
a. subsidies die, rechtens of feitelijk,13) uitsluitend of als een van meerdere andere voorwaarden afhankelijk zijn van exportprestaties; en
b. subsidies die uitsluitend of onder meer afhankelijk zijn van het gebruik van binnenlandse in plaats van dat van ingevoerde goederen.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
de Regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna „OESO”genoemd), of een opvolger daarvan, ongeacht of die is ontwikkeld in het kader van de OESO, die is aanvaard door ten minste twaalf oorspronkelijke leden van de WTO die op 1 januari 1979 deelnamen aan de Regeling;
activiteiten die resulteren in de productie van een goed of de verlening van een dienst die zullen worden verkocht in hoeveelheden en tegen prijzen die door een onderneming worden bepaald en die worden verricht met een winstoogmerk14);
prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere voorwaarden van aankoop of verkoop, of andere factoren waarmee normaal rekening zou worden gehouden bij commerciële beslissingen van een particuliere onderneming die in de relevante sector of industrie werkt overeenkomstig de beginselen van de markteconomie;
een monopolie instellen of toestaan, of de werkingssfeer van een monopolie uitbreiden teneinde een nieuw goed of een nieuwe dienst daaronder te laten vallen;
een entiteit, met inbegrip van een consortium of een overheidsorgaan, die op de relevante markt op het grondgebied van een Partij is aangewezen als enige aanbieder of enige koper van een goed of dienst; een entiteit waaraan exclusieve intellectuele-eigendomsrechten zijn verleend, valt echter niet onder dat begrip om de loutere reden dat haar dergelijke rechten zijn verleend;
een openbare of particuliere onderneming waaraan een Partij in rechte of in feite bijzondere rechten of voorrechten heeft toegekend door het aantal ondernemingen dat een vergunning heeft om een goed of een dienst te leveren, aan te wijzen of tot twee of meer te beperken, anders dan overeenkomstig objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria, op een wijze die het vermogen van andere ondernemingen om hetzelfde goed of dezelfde dienst in hetzelfde geografische gebied onder in wezen gelijkwaardige voorwaarden te leveren, wezenlijk aantast;
een dienst die wordt verleend in de uitoefening van overheidsgezag zoals gedefinieerd in de GATS, waaronder, in voorkomend geval, in de bijlage betreffende financiële diensten bij de GATS; en
een onderneming met betrekking tot welke een Partij:
a. rechtstreeks meer dan 50 procent van het aandelenkapitaal in handen heeft;
b. de uitoefening van meer dan 50 procent van de stemrechten rechtstreeks controleert of anderszins een gelijkwaardig niveau van zeggenschap uitoefent door middel van stemrechten;
c. bevoegd is om de meerderheid van de leden van de raad van bestuur of een gelijkwaardig bestuursorgaan te benoemen; of
d. bevoegd is om zeggenschap15) over de onderneming uit te oefenen.
1. Deze afdeling is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, en aangewezen monopolies die een commerciële activiteit verrichten. Wanneer dergelijke ondernemingen of monopolies zowel commerciële als niet-commerciële activiteiten verrichten, vallen alleen de commerciële activiteiten onder deze afdeling.
2. Deze afdeling is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies op alle bestuursniveaus.
3. Deze afdeling is niet van toepassing op staatsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies wanneer zij optreden als aanbestedende diensten die vallen onder de bijlagen van een Partij bij aanhangsel I bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, gegeven te Marrakesh op 15 april 1994, die is opgenomen in bijlage 4 bij de WTO-Overeenkomst16), of onder bijlage 9 bij deze Overeenkomst, indien die aanbesteding geschiedt voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op de commerciële wederverkoop van de aangekochte goederen of diensten of met het oog op het gebruik van de goederen of diensten die zijn aangeschaft bij de levering van een goed of dienst voor commerciële verkoop.
4. Deze afdeling is niet van toepassing op een dienst die wordt verleend in de uitoefening van overheidsgezag.
5. Artikel 154 is niet van toepassing op de financiële diensten die een overheidsonderneming verleent in opdracht van de overheid, indien die verlening van financiële diensten:
a. de uitvoer of invoer ondersteunt, mits die diensten:
i. niet beogen commerciële financiering te vervangen; of
ii. worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt;
b. particuliere investeringen buiten het grondgebied van de Partij ondersteunt, mits die diensten:
i. niet beogen commerciële financiering te vervangen; of
ii. worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt; of
c. worden aangeboden tegen voorwaarden die stroken met de Regeling, mits zij binnen het toepassingsgebied van de Regeling vallen.
6. Artikel 154 is niet van toepassing op de dienstensectoren die buiten het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen, zoals bepaald in hoofdstuk 12.
7. Onverminderd artikel 190 is artikel 154 niet van toepassing op de aan- en verkoop van goederen en diensten door een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie van een Partij in de sectoren die onder de in bijlage 12-D of de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en de bijlagen 12-A, 12-B en 12-C opgenomen voorbehouden vallen.
1. De leden 1 tot en met 3 van artikel XVII van de GATT 1994, het Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de GATT 1994 en de leden 1, 2 en 5 van artikel VIII van de GATS worden mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken hiervan integrerend deel uit.
2. Dit artikel is van toepassing vanaf de datum van toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO of, indien dit eerder is, zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
1. Onverminderd de rechten en verplichtingen van elke Partij uit hoofde van deze afdeling, belet geen van de bepalingen van deze afdeling dat een Partij een overheidsonderneming opricht of in stand houdt, een onderneming bijzondere rechten of voorrechten toekent of een monopolie aanwijst.
2. Geen van de Partijen verplicht of spoort een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie aan te handelen op een wijze die niet strookt met deze afdeling.
1. Elke Partij ziet erop toe dat haar overheidsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies, wanneer zij commerciële activiteiten verrichten bij de aankoop of verkoop van goederen of diensten, handelen in overeenstemming met commerciële overwegingen, behalve om te voldoen aan voorwaarden van hun openbare-dienstopdracht die niet onverenigbaar zijn met lid 2.
2. Elke Partij zorgt ervoor dat haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies bij het verrichten van commerciële activiteiten:
a. bij het aankopen van een goed of dienst:
i. aan goederen of diensten die door een onderneming van de andere Partij worden aangeboden, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan welke zij aan soortgelijke goederen of diensten die door ondernemingen van de Partij worden aangeboden, toekennen;
ii. aan goederen of diensten die worden aangeboden door ondernemingen die investeringen van investeerders uit de andere Partij zijn, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan welke zij toekennen aan soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door ondernemingen die investeringen van investeerders uit de Partij op de relevante markt van de Partij zijn; en
b. bij het verkopen van een goed of dienst:
i. aan een onderneming van de andere Partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan welke zij aan ondernemingen van de Partij toekennen; en
ii. aan ondernemingen die investeringen van investeerders uit de andere Partij zijn, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan welke zij toekennen aan ondernemingen die investeringen van investeerders van de Partij op de relevante markt van de Partij zijn.
3. De leden 1 en 2 beletten een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of een aangewezen monopolie niet om:
a. goederen of diensten te kopen of aan te bieden op verschillende voorwaarden, ook wat betreft prijs, mits die verschillende voorwaarden of die weigering berusten op commerciële overwegingen; of
b. te weigeren goederen of diensten te kopen of aan te bieden, mits die verschillende voorwaarden of die weigering berusten op commerciële overwegingen.
4. Dit artikel wordt van toepassing acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
1. Elke Partij maakt optimaal gebruik van de relevante internationale normen, waaronder de richtsnoeren van de OESO betreffende corporate governance in overheidsondernemingen.
2. Elke Partij zorgt ervoor dat een regelgevende instantie of andere instantie met een regelgevende functie die zij opricht of in stand houdt:
a. onafhankelijk is van en geen verantwoording verschuldigd is aan enige onderneming die door dat orgaan wordt gereglementeerd; en
b. onpartijdig handelt17) ten aanzien van alle ondernemingen die zij reguleert, met inbegrip van staatsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, en aangewezen monopolies18).
3. Onverminderd hun voorbehoud in bijlagen 12-A, 12-B, 12-C en 12-D past elke Partij haar wet- en regelgeving inzake overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies toe op een samenhangende en niet-discriminerende wijze.
1. Een Partij die van oordeel is dat haar belangen uit hoofde van deze afdeling worden aangetast door de commerciële activiteiten van een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of een aangewezen monopolie (hierna in dit artikel „de entiteit” genoemd) van de andere Partij kan de andere Partij schriftelijk verzoeken overeenkomstig lid 2 informatie te verstrekken over de commerciële activiteiten van de entiteit in verband met de uitvoering van deze afdeling.
2. De aangezochte Partij verstrekt de volgende informatie, mits in het verzoek wordt toegelicht hoe de activiteiten van de entiteit de belangen van de verzoekende Partij uit hoofde van deze afdeling kunnen aantasten en wordt vermeld welke van de volgende gegevens zouden moeten worden verstrekt:
a. de eigendomsstructuur en de stemverhoudingen van de entiteit, het percentage van de aandelen van de entiteit dat de aangezochte Partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies samen bezitten, en het percentage van de stemrechten dat zij daarvan samen in handen hebben;
b. een beschrijving van de eventuele preferente of bijzondere aandelen of bijzondere stemrechten of andere rechten waarover de aangezochte Partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies beschikken, wanneer die rechten verschillen van de rechten die verbonden zijn aan de gewone aandelen van de entiteit;
c. een beschrijving van de organisatiestructuur van de entiteit en de samenstelling van de raad van bestuur ervan of van een ander gelijkwaardig orgaan van de entiteit;
d. een beschrijving van de overheidsdiensten of -instanties die belast zijn met de reglementering van of het toezicht op de entiteit, een beschrijving van de rapportagevereisten die haar door die diensten of instanties worden opgelegd, en de rechten en praktijken van die diensten of instanties met betrekking tot de benoeming, het ontslag of de bezoldiging van het hoger leidinggevend personeel en de leden van de raad van bestuur of een ander gelijkwaardig bestuursorgaan van de entiteit;
e. de jaarlijkse inkomsten en de totale activa van de entiteit gedurende de meest recente periode van drie jaar waarvoor informatie beschikbaar is;
f. eventuele vrijstellingen, immuniteiten en daarmee samenhangende maatregelen waarvoor de entiteit uit hoofde van de wet- en regelgeving van de aangezochte Partij in aanmerking komt; en
g. elke aanvullende informatie over de entiteit die publiekelijk beschikbaar is, met inbegrip van de jaarlijkse financiële verslagen en audits door een derde.
3. De leden 1 en 2 verplichten een Partij niet tot het verstrekken van vertrouwelijke informatie waarvan de bekendmaking onverenigbaar zou zijn met haar wet- en regelgeving, de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang, of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van bepaalde ondernemingen.
4. Indien de aangezochte Partij niet over de gevraagde informatie beschikt, deelt zij de andere Partij die om de informatie heeft verzocht de redenen daarvoor schriftelijk mee.
5. Dit artikel is niet van toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
goederen of diensten die in de regel in de handel worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden;
een dienst die gericht is op de uitvoering, ongeacht op welke wijze, van bouwwerkzaamheden of civieltechnische werken in de zin van afdeling 51 van de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties („CPC”);
een zich herhalend proces waarbij leveranciers langs elektronische weg nieuwe prijzen of nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving opgeven, waardoor een rangorde van de inschrijvingen tot stand komt of de rangorde wordt gewijzigd;
bij wijze van een informatie-eenheid die is uitgedrukt in woorden of cijfers en die kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens doorgegeven. De term „schriftelijk” kan ook betrekking hebben op elektronisch doorgegeven en opgeslagen informatie;
methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende entiteit contact zoekt met een leverancier of leveranciers van zijn keuze;
een wet, voorschrift, procedure, administratief richtsnoer of praktijk, dan wel een handeling van een aanbestedende dienst betreffende een onder deze Overeenkomst vallende overheidsopdracht;
lijst van leveranciers die volgens een aanbestedende entiteit voldoen aan de voorwaarden om op die lijst te worden geplaatst en van wie de aanbestedende entiteit meer dan eens gebruik denkt te maken;
een publicatie van een aanbestedende entiteit waarbij belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een verzoek om deelname in te dienen of in te schrijven, of beide;
een voorwaarde of verbintenis die de plaatselijke ontwikkeling aanmoedigt of de betalingsbalans van een Partij verbetert, bijvoorbeeld betreffende het gebruik van binnenlandse producten, het in licentie geven van technologie, investeringen, compenserende handel of vergelijkbare maatregelen of vereisten;
methode van aanbesteding waarbij alle belangstellende leveranciers kunnen inschrijven;
een entiteit die onder afdeling 1, 2 of 3 van bijlage 9 valt;
een leverancier die door een aanbestedende entiteit is erkend als leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet;
methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende entiteit uitsluitend erkende leveranciers tot inschrijven uitnodigt;
ook diensten in verband met de bouw, tenzij anders bepaald;
een door een erkende instantie goedgekeurd document dat voor algemeen en herhaald gebruik bestemde regels, richtsnoeren of kenmerken voor producten of diensten of daarmee verband houdende processen en productiemethoden bevat, waarvan de naleving niet verplicht is, en dat ook geheel of ten dele betrekking kan hebben op terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een product, dienst, proces of productiemethode;
een persoon of groep personen die goederen of diensten levert of kan leveren; en
een vereiste in een aanbestedingsprocedure waarin:
i. de kenmerken van de aan te schaffen goederen of diensten worden omschreven, zoals kwaliteit, prestaties, veiligheid en afmetingen, dan wel de processen en methoden voor productie of levering; of
ii. terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een product of dienst, worden omschreven.
Toepassing van de Overeenkomst
1. Dit hoofdstuk wordt van toepassing tien jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle maatregelen die betrekking hebben op onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, ongeacht of deze geheel of gedeeltelijk elektronisch worden aanbesteed.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „onder dit hoofdstuk vallende opdrachten” verstaan: opdrachten betreffende de aanschaf voor overheidsdoeleinden:
a. van goederen, diensten of een combinatie daarvan:
i. zoals gespecificeerd in bijlage 9; en
ii. die niet worden aangeschaft met het oog op commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop of wederverkoop;
b. met welke contractuele middelen dan ook, waaronder: koop, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie;
c. waarvan de waarde, zoals geraamd overeenkomstig de leden 6 tot en met 8, op het tijdstip van bekendmaking van een bericht van aanbesteding overeenkomstig artikel 162, gelijk is aan of meer bedraagt dan de desbetreffende drempelwaarde die vermeld is in bijlage 9;
d. door een aanbestedende dienst; en
e. die niet anderszins van het toepassingsgebied zijn uitgesloten in lid 3 of bijlage 9.
4. Tenzij anders bepaald in bijlage 9, is dit hoofdstuk niet van toepassing op:
a. de verwerving of huur van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende goederen of de rechten daarop;
b. niet-contractuele overeenkomsten of enige vorm van bijstand die een Partij verleent, met inbegrip van samenwerkingsovereenkomsten, subsidies, leningen, kapitaalinjecties, garanties en fiscale stimuleringsmaatregelen;
c. de aanschaf of verwerving van belastingadviesdiensten of bewaardiensten, vereffenings- en managementdiensten voor gereglementeerde financiële instellingen of diensten in verband met de verkoop, aflossing en distributie van de overheidsschuld, met inbegrip van leningen, staatsobligaties, bankbiljetten en andere effecten;
d. arbeidsovereenkomsten voor werk bij de overheid;
e. opdrachten die worden aanbesteed:
i. met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen;
ii. uit hoofde van een bijzondere procedure of voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende de legering van strijdkrachten of betreffende de gezamenlijke uitvoering van een project door de ondertekenende landen; of
iii. uit hoofde van een bijzondere procedure of voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met dit hoofdstuk.
5. Elke Partij verstrekt in de haar betreffende onderafdelingen van bijlage 9 de volgende informatie:
a. in afdeling 1: de entiteiten van de centrale overheid waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen;
b. in afdeling 2: de entiteiten van lagere overheden waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen;
c. in afdeling 3: alle overige entiteiten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen;
d. in afdeling 4: de goederen die onder dit hoofdstuk vallen;
e. in afdeling 5: de diensten, andere dan diensten in verband met de bouw, die onder dit hoofdstuk vallen;
f. in afdeling 6: de diensten in verband met de bouw die onder dit hoofdstuk vallen; en
g. in afdeling 7: algemene aantekeningen;
h. in afdeling 8: de media waarin elke Partij haar aankondigingen van overheidsopdrachten, gunningsberichten en andere informatie met betrekking tot haar systeem voor overheidsopdrachten publiceert.
6. Indien een aanbestedende dienst, in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht, van een niet in bijlage 9 genoemde persoon verlangt dat zij opdrachten aanbesteedt met inachtneming van bijzondere voorschriften, dan is artikel 160 mutatis mutandis van toepassing op die voorschriften.
Ramen van de waarde
7. Bij het ramen van de waarde van een opdracht om te bepalen of deze onder dit hoofdstuk valt:
a. mag een aanbestedende dienst de opdracht niet in afzonderlijke opdrachten verdelen of een bijzondere methode voor het ramen van de waarde van de opdracht kiezen of gebruiken om deze geheel of gedeeltelijk buiten de toepassing van dit hoofdstuk te doen vallen; en
b. moet een aanbestedende dienst uitgaan van de geraamde maximale totale waarde van de opdracht over de gehele looptijd daarvan, ongeacht of de opdracht aan een of meer leveranciers is gegund, waarbij rekening wordt gehouden met alle vormen van vergoeding, met inbegrip van:
i. premies, honoraria, provisies, commissielonen en rente; en
ii. indien de aanbesteding de mogelijkheid van opties biedt, de totale waarde van zulke opties.
8. Indien een bepaald vereiste met betrekking tot een aanbesteding aanleiding geeft tot het plaatsen van meer dan één opdracht of tot het plaatsen van de opdracht in afzonderlijke percelen („herhalingsopdrachten”), moet de berekening van de geschatte maximale totale waarde gebaseerd zijn op:
a. de waarde van herhalingsopdrachten betreffende soortgelijke goederen of diensten in de voorafgaande periode van twaalf maanden of het voorafgaande boekjaar van de aanbestedende dienst, indien mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de volgende twaalf maanden van de goederen of diensten; of
b. de geraamde waarde van herhalingsopdrachten betreffende soortgelijke goederen of diensten die zullen worden gegund in de periode van 12 maanden volgende op de eerste opdracht of het boekjaar van de aanbestedende dienst.
9. In geval van een aanbesteding door middel van huur of huurkoop van een goed of dienst van een aanbesteding waarvoor geen totale prijs is opgegeven, wordt de waarde op de volgende grondslag bepaald:
a. bij opdrachten met een vastgestelde looptijd:
i. de totale geraamde maximale waarde voor de looptijd van de opdracht indien de looptijd daarvan ten hoogste twaalf maanden bedraagt; of
ii. indien de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt, de totale geraamde maximale waarde, met inbegrip van de geraamde restwaarde;
b. het geraamde maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met 48; en
c. wanneer het onduidelijk is of de opdracht een vaste looptijd heeft dan wel voor onbepaalde tijd is, wordt het bepaalde in punt b) toegepast.
1. Geen van de bepalingen van dit hoofdstuk kan worden uitgelegd als een beletsel voor een Partij om maatregelen te nemen of informatie niet te verstrekken indien zij dit nodig acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen met betrekking tot:
a. de aanschaf van wapens, munitie of oorlogsmaterieel;
b. aanschaf die onmisbaar is voor de nationale veiligheid; of
c. aanschaf voor nationale defensiedoeleinden.
2. Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij in gelijke omstandigheden een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen dan wel een verkapte beperking van het internationale handelsverkeer vormen, wordt geen enkele bepaling in dit hoofdstuk uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een Partij van maatregelen die:
a. noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare zeden, orde of veiligheid;
b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten;
c. noodzakelijk zijn ter bescherming van intellectuele eigendom; of
d. betrekking hebben op goederen of diensten van mensen met een handicap, liefdadigheidsinstellingen of gevangenisarbeid.
Non-discriminatie
1. Ten aanzien van alle maatregelen betreffende de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten behandelt elke Partij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, goederen en diensten uit de andere Partij en aanbieders uit de andere Partij die die goederen of diensten aanbieden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk niet minder gunstig dan zij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, interne goederen, diensten en aanbieders behandelt.
2. Ten aanzien van alle maatregelen betreffende de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten ziet een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende entiteiten, erop toe dat:
a. een plaatselijk gevestigde leverancier niet minder gunstig wordt behandeld dan een andere plaatselijk gevestigde leverancier op grond van de mate waarin het kapitaal ervan of de zeggenschap erover in buitenlandse handen is; of
b. een plaatselijk gevestigde leverancier niet wordt gediscrimineerd op grond van het feit dat de door die leverancier voor een bepaalde opdracht aangeboden goederen of diensten afkomstig zijn uit de andere Partij.
Gebruik van elektronische middelen
3. Wanneer een onder dit hoofdstuk vallende opdracht wordt aanbesteed met elektronische middelen:
a. zorgt de aanbestedende dienst ervoor dat voor de aanbesteding, waaronder ook voor de authenticatie en encryptie van informatie, informatietechnologiesystemen en software worden gebruikt die algemeen beschikbaar zijn en interoperabel met andere algemeen beschikbare informatietechnologiesystemen en software;
b. hanteert de aanbestedende dienst mechanismen die de integriteit van verzoeken om deelname en van inschrijvingen waarborgen, onder meer door het tijdstip van ontvangst te registreren en ongeoorloofde toegang te voorkomen; en
c. gebruikt de aanbestedende dienst elektronische informatie- en communicatiemiddelen voor de bekendmaking van aankondigingen en aanbestedingsstukken in aanbestedingsprocedures en, voor zover mogelijk, voor de indiening van inschrijvingen.
Verloop van de aanbesteding
4. Een aanbestedende entiteit ziet erop toe dat onder dit hoofdstuk vallende opdrachten worden aanbesteed op een transparante en onpartijdige wijze:
a. die in overeenstemming is met dit hoofdstuk, waarbij gebruik wordt gemaakt van methoden als openbare aanbesteding, aanbesteding met voorafgaande selectie en onderhandse aanbesteding;
b. waarbij belangenconflicten worden vermeden; en
c. waarbij corruptie wordt voorkomen.
Oorsprongsregels
5. Met betrekking tot onder dit hoofdstuk vallende opdrachten mag een Partij op uit de andere Partij ingevoerde goederen of uit de andere Partij verleende diensten geen oorsprongsregels toepassen die afwijken van de oorsprongsregels die zij op dat moment op de invoer van dezelfde goederen of de verlening van dezelfde diensten uit de Partij in het normale handelsverkeer toepast.
Compensaties
6. Met betrekking tot onder dit hoofdstuk vallende opdrachten mogen de Partijen en hun aanbestedende diensten geen compensatie vragen, in aanmerking nemen, opleggen of afdwingen.
Maatregelen die niet specifiek betrekking hebben op overheidsopdrachten
7. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:
a. douanerechten en heffingen van welke aard ook die bij invoer of in verband met invoer worden geïnd;
b. de wijze van inning van deze rechten en heffingen; en
c. andere invoerregelingen en -formaliteiten, noch op maatregelen die gevolgen hebben voor de handel in diensten, andere dan maatregelen betreffende onder dit hoofdstuk vallende opdrachten.
Maatregelen ter bestrijding van corruptie
8. Elke Partij zorgt ervoor dat zij over passende maatregelen beschikt om corruptie bij overheidsopdrachten aan te pakken. Die maatregelen kunnen procedures omvatten om leveranciers waarvan door de rechterlijke instanties van de Partij in laatste aanleg werd vastgesteld dat zij betrokken waren bij fraude of andere onwettige handelingen met betrekking tot overheidsopdrachten op het grondgebied van die Partij, voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde periode niet in aanmerking te laten komen voor deelneming aan aanbestedingen van die Partij. Elke Partij zorgt er ook voor dat zij beschikt over beleid en procedures om mogelijke belangenconflicten namens personen die betrokken zijn bij of invloed hebben op aanbestedingen, zoveel mogelijk uit te sluiten of te beheersen.
1. Elke Partij:
a. publiceert onverwijld alle wetgeving, regelgeving, gerechtelijke uitspraken, algemene administratieve beschikkingen en standaardclausules die bij wet- of regelgeving verplicht zijn gesteld en door verwijzing zijn opgenomen in berichten van aanbesteding, aanbestedingsdossiers en procedures inzake onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten, alsmede alle wijzigingen daarvan, in officieel daartoe aangewezen elektronische of gedrukte media die op ruime schaal worden verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek; en
b. verstrekt desgevraagd een uitleg van de in punt a) bedoelde informatie aan de andere Partij.
2. Elke Partij vermeldt in afdeling 8 van bijlage 9:
a. de elektronische of gedrukte media waarin de Partij de in lid 1 bedoelde informatie publiceert;
b. de elektronische of gedrukte media waarin de Partij de bij de artikelen 162, 164 en 171 vereiste berichten publiceert; en
c. de website(s) waarop de Partij de in artikel 171, lid 2, bedoelde berichten over de gunning van een opdracht publiceert.
3. Elke Partij stelt het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken onverwijld in kennis van elke wijziging van de in afdeling 8 van bijlage 9 vermelde informatiemiddelen.
Bericht van aanbesteding
1. Voor elke onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht publiceert de aanbestedende dienst, behalve in de in artikel 168 beschreven omstandigheden, een bericht van aanbesteding.
Alle kennisgevingen (berichten van aanbesteding, het samenvattende bericht en het bericht van geplande aanbesteding) zijn kosteloos rechtstreeks en langs elektronische weg toegankelijk via één enkel online toegangspunt. Voorts kunnen de berichten ook worden gepubliceerd in een geschikte gedrukte vorm die op ruime schaal wordt verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijft voor het publiek, ten minste totdat de in het bericht aangegeven termijn is verstreken.
Elke Partij vermeldt de daartoe bestemde gedrukte en elektronische media in afdeling 8 van bijlage 9.
2. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, worden in alle berichten van aanbesteding de volgende gegevens opgenomen:
a. de naam en het adres van de aanbestedende dienst en andere informatie die nodig is om contact met de aanbestedende dienst op te nemen en alle relevante documentatie in verband met de opdracht te verkrijgen, alsmede de eventuele kosten en betalingsvoorwaarden;
b. een omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de aard en de hoeveelheid van de goederen of diensten die worden aanbesteed, ofwel een raming van de hoeveelheid, indien de hoeveelheid niet exact bekend is;
c. voor herhalingsopdrachten zo mogelijk een raming van de timing voor de volgende berichten van aanbesteding;
d. een beschrijving van eventuele facultatieve onderdelen;
e. de termijnen voor de levering van goederen of diensten, of de looptijd van de opdracht;
f. de te gebruiken aanbestedingsprocedure, met vermelding of daarbij gebruik zal worden gemaakt van onderhandelingen of elektronische veilingen;
g. indien van toepassing het adres en de eventuele termijn voor de indiening van verzoeken om deelname aan de aanbesteding;
h. het adres en de uiterste datum voor de indiening van inschrijvingen;
i. de taal of talen waarin inschrijvingen of verzoeken om deelname mogen worden ingediend, indien zij mogen worden ingediend in een andere taal dan een officiële taal van de Partij waartoe de aanbestedende dienst behoort;
j. een lijst en korte omschrijving van de voorwaarden voor de deelname van leveranciers, waaronder de eventuele verplichte verstrekking van specifieke documenten of certificaten in verband met de opdracht, tenzij deze vereisten zijn opgenomen in het aanbestedingsdossier dat aan alle belangstellende leveranciers ter beschikking wordt gesteld op hetzelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding;
k. indien de aanbestedende dienst voornemens is overeenkomstig artikel 164 een beperkt aantal erkende leveranciers uit te nodigen in te schrijven: de criteria aan de hand waarvan zij zullen worden gekozen en eventuele beperkingen van het aantal erkende leveranciers dat mag inschrijven; en
l. een vermelding dat de opdracht onder dit hoofdstuk valt.
Samenvatting
3. Voor iedere voorgenomen aanbesteding publiceert de aanbestedende entiteit in het Engels, op hetzelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding, een gemakkelijk toegankelijke samenvatting. Deze samenvatting bevat ten minste de volgende informatie:
a. de inhoud van de opdracht;
b. de uiterste datum voor de indiening van inschrijvingen en in voorkomend geval de uiterste datum voor de indiening van verzoeken om deelname aan de aanbesteding of aanvragen tot plaatsing op de lijst voor veelvuldig gebruik; en
c. het adres waar documenten met betrekking tot de aanbesteding kunnen worden opgevraagd.
Aankondiging van geplande aanbestedingen
4. De aanbestedende entiteiten worden aangemoedigd hun aanbestedingsplannen zo vroeg mogelijk in elk begrotingsjaar bekend te maken („aankondiging van geplande aanbestedingen”) in de passende elektronische en, indien beschikbaar, gedrukte media die in afdeling 8 worden vermeld. De aankondiging van geplande aanbestedingen wordt ook bekendgemaakt op het in afdeling 8 vermelde centrale toegangspunt. De aankondiging van geplande aanbestedingen moet de inhoud van de opdracht en de geplande datum van publicatie van het bericht van aanbesteding bevatten.
5. Aanbestedende diensten die vermeld zijn in de afdelingen 2 of 3 kunnen de aankondiging van geplande aanbestedingen als bericht van aanbesteding gebruiken, mits de aankondiging zoveel mogelijk van de in lid 3 bedoelde informatie bevat waarover de aanbestedende dienst beschikt, alsmede een verklaring dat leveranciers hun belangstelling voor de opdracht bij de aanbestedende dienst bekend kunnen maken.
1. Een aanbestedende dienst beperkt de voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat een leverancier over de juridische en financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden beschikt om de desbetreffende opdracht uit te voeren.
2. Bij de vaststelling van de voorwaarden voor deelname mag een aanbestedende entiteit:
a. de deelname van een leverancier aan een aanbesteding niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat aan de betrokken leverancier reeds eerder een of meer opdrachten zijn gegund door een aanbestedende entiteit van een Partij, maar zij kan desbetreffende eerdere werkervaring verlangen wanneer deze van wezenlijk belang is om aan de eisen van de opdracht te kunnen voldoen; en
b. niet als voorwaarde stellen dat de leverancier reeds werkervaring heeft opgedaan op het grondgebied van de Partij, maar zij kan indien nodig verlangen dat de inschrijver aantoont dat hij eerdere werkervaring heeft opgedaan in specifieke klimatologische en topografische omstandigheden.
3. Bij de beoordeling of een leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet:
a. evalueert de aanbestedende entiteit de financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden van de leverancier aan de hand van diens zakelijke activiteiten op en buiten het grondgebied van de Partij waartoe de aanbestedende entiteit behoort; en
b. baseert de aanbestedende entiteit zich bij deze beoordeling op de voorwaarden die zij vooraf in berichten van aanbesteding of het aanbestedingsdossier heeft gespecificeerd.
4. Een Partij en haar aanbestedende entiteiten kunnen, indien zij over bewijs beschikken, een aanbieder uitsluiten op gronden zoals:
a. faillissement;
b. valse verklaringen;
c. aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke eis of verplichting in het kader van een eerdere opdracht of eerdere opdrachten;
d. definitieve veroordelingen wegens een ernstig misdrijf of andere strafbare feiten;
e. fouten bij de beroepsuitoefening of een handelen of nalaten dat een nadelige invloed heeft op de commerciële integriteit van de leverancier;
f. het verzuimen om belastingen te betalen; of
g. het feit dat de leverancier overeenkomstig artikel 160, lid 9, van deelname is uitgesloten.
Registratiesystemen en erkenningsprocedures
1. Een Partij en haar aanbestedende diensten kunnen een systeem aanhouden voor de registratie van leveranciers in het kader waarvan belangstellende leveranciers zich moeten laten registreren en bepaalde informatie moeten verstrekken. In een dergelijk geval ziet de Partij erop toe dat belangstellende leveranciers toegang hebben tot informatie over het registratiesysteem en dat zij te allen tijde om registratie kunnen verzoeken. De aanbestedende entiteit of andere autoriteit die verantwoordelijk is voor het systeem voor de registratie van leveranciers stelt de belangstellende leveranciers binnen een redelijke termijn in kennis van het besluit om hun verzoek in te willigen of af te wijzen. Indien het verzoek wordt afgewezen, wordt het besluit naar behoren met redenen omkleed.
2. Elke Partij zorgt ervoor dat:
a. haar aanbestedende entiteiten zich inspannen om verschillen in hun erkenningsprocedures tot een minimum te beperken; en
b. indien haar aanbestedende diensten registratiesystemen aanhouden, zij zich inspannen om verschillen in hun registratiesystemen tot een minimum te beperken.
3. Een Partij en haar aanbestedende diensten mogen geen registratiesysteem of erkenningsprocedure vaststellen of toepassen met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de deelname van leveranciers uit de andere Partij aan de aanbesteding ontstaan.
Aanbesteding met voorafgaande selectie
4. Indien een aanbestedende entiteit een opdracht wil aanbesteden met voorafgaande selectie:
a. neemt zij in het bericht van aanbesteding ten minste de in artikel 162, lid 3, punten a), b), f), g), j), k), en l), vermelde informatie op en nodigt zij leveranciers uit een verzoek om deelname in te dienen; en
b. verstrekt zij bij aanvang van de inschrijvingstermijn ten minste de in artikel 162, lid 3, punten c), d), e), h), en i), bedoelde informatie aan de erkende leveranciers die zij overeenkomstig artikel 166, lid 3, punt b), inlicht.
5. De aanbestedende entiteit staat alle erkende leveranciers toe om aan een bepaalde aanbesteding deel te nemen, tenzij de aanbestedende entiteit in het bericht van aanbesteding vermeldt dat het aantal leveranciers dat tot de aanbesteding wordt toegelaten beperkt is en daarbij de criteria voor de selectie van dit beperkte aantal leveranciers opgeeft. Een uitnodiging tot het indienen van inschrijvingen wordt gericht tot het aantal leveranciers dat nodig is om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen.
6. Indien het aanbestedingsdossier niet vanaf de datum van publicatie van het in lid 4 bedoelde bericht publiek beschikbaar is gemaakt, ziet de aanbestedende entiteit erop toe dat het dossier voor alle overeenkomstig lid 5 geselecteerde erkende aanbieders op hetzelfde tijdstip beschikbaar komt.
Lijsten voor veelvuldig gebruik
7. Een aanbestedende entiteit mag een lijst voor veelvuldig gebruik van leveranciers aanhouden op voorwaarde dat een bericht waarbij belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een aanvraag tot plaatsing op de lijst in te dienen:
a. jaarlijks wordt gepubliceerd; en
b. in geval van elektronische publicatie permanent beschikbaar wordt gesteld, in de daartoe bestemde media als vermeld in afdeling 8.
8. In het in lid 7 bedoelde bericht worden de volgende gegevens opgenomen:
a. een omschrijving van de goederen en diensten, of de categorieën goederen en diensten, waarvoor de lijst kan worden gebruikt;
b. de voorwaarden voor deelname waaraan leveranciers moeten voldoen om op de lijst te worden geplaatst en de methoden die de aanbestedende entiteit zal gebruiken om te controleren of een leverancier aan de voorwaarden voldoet;
c. de naam en het adres van de aanbestedende entiteit en andere informatie die nodig is om contact met haar op te nemen en alle relevante documentatie in verband met de lijst te verkrijgen;
d. de geldigheidsduur van de lijst en de wijze waarop die wordt verlengd of beëindigd, of wanneer er geen geldigheidsduur is voorzien, een aanwijzing over de wijze waarop de beëindiging van het gebruik van de lijst wordt meegedeeld; en
e. een vermelding dat de lijst kan worden gebruikt voor opdrachten die onder dit hoofdstuk vallen.
9. In afwijking van lid 7 is het toegestaan dat een aanbestedende entiteit, indien zij een lijst voor veelvuldig gebruik met een geldigheidsduur van drie jaar of minder aanhoudt, het in dat lid bedoelde bericht slechts eenmaal, bij aanvang van de geldigheidsduur van de lijst, publiceert, mits:
a. in het bericht wordt vermeld wat de geldigheidsduur is en dat tijdens die periode geen verdere berichten zullen worden gepubliceerd; en
b. het bericht elektronisch wordt gepubliceerd en gedurende de geldigheidsduur ervan permanent beschikbaar wordt gesteld.
10. Een aanbestedende entiteit staat leveranciers toe te allen tijde een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen en plaatst alle erkende leveranciers binnen redelijk korte tijd op die lijst.
11. Indien een leverancier die niet op een lijst voor veelvuldig gebruik is geplaatst, een verzoek indient om deelname aan een aanbesteding waarbij een lijst voor veelvuldig gebruik wordt gehanteerd, tezamen met alle vereiste documenten, binnen de in artikel 166, lid 2, bepaalde termijn, onderzoekt de aanbestedende entiteit het verzoek. De aanbestedende entiteit sluit de aanbieder niet uit van beoordeling in het kader van de opdracht op grond dat zij onvoldoende tijd heeft om het verzoek te onderzoeken, tenzij zij, in uitzonderlijke gevallen, wegens de complexiteit van de aanbesteding het onderzoek van het verzoek niet kan afronden binnen de voor de indiening van inschrijvingen gestelde termijn.
Entiteiten vermeld in de afdelingen 2 en 3
12. Aanbestedende entiteiten die onder de afdelingen 2 en 3 van bijlage 9 vallen, kunnen een bericht waarbij leveranciers worden uitgenodigd een aanvraag tot opname op de lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen, gebruiken als bericht van aanbesteding, mits:
a. het bericht wordt gepubliceerd overeenkomstig lid 7 van dit artikel, en de in lid 8 van dit artikel vermelde informatie en alle in artikel 162, lid 3, bedoelde informatie die beschikbaar is bevat, alsmede een verklaring dat het bericht als bericht van aanbesteding geldt of dat alleen de leveranciers op de lijst voor veelvuldig gebruik verdere berichten van aanbesteding waarop de lijst voor veelvuldig gebruik betrekking heeft zullen ontvangen; en
b. de aanbestedende entiteit aan leveranciers die bij haar belangstelling hebben geuit voor een bepaalde opdracht, onverwijld voldoende informatie verstrekt aan de hand waarvan de leverancier kan beoordelen in hoeverre de opdracht voor hem relevant is, alsmede alle overige in artikel 162, lid 3, voorgeschreven informatie, voor zover beschikbaar.
13. Een onder de afdelingen 2 en 3 van bijlage 9 vallende aanbestedende entiteit mag aanbieders die overeenkomstig lid 10 een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend, toestaan in te schrijven voor een bepaalde opdracht, indien de aanbestedende entiteit voldoende tijd heeft om te onderzoeken of de aanbieder aan de voorwaarden voor deelname voldoet.
14. Een aanbestedende entiteit stelt leveranciers die een verzoek tot deelname aan een aanbesteding of een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend, onverwijld in kennis van hun besluit inzake dat verzoek of die aanvraag.
15. Wanneer een aanbestedende entiteit een verzoek van een leverancier om deelname aan een aanbesteding of een aanvraag van een leverancier tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik afwijst, de erkenning van een leverancier intrekt of een leverancier van een lijst voor veelvuldig gebruik schrapt, stelt zij de leverancier daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij de leverancier desgevraagd onverwijld een schriftelijke motivering van haar besluit.
Technische specificaties
1. Aanbestedende entiteiten mogen geen technische specificaties op- of vaststellen of toepassen of conformiteitsbeoordelingsprocedures voorschrijven met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de handel tussen de partijen ontstaan.
2. Bij het voorschrijven van de technische specificaties van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, zal de aanbestedende entiteit in voorkomend geval:
a. de technische specificaties bepalen aan de hand van prestatie-eisen of functionele eisen en niet aan de hand van descriptieve of ontwerpkenmerken; en
b. voor de technische specificatie uitgaan van internationale normen die door de Partij zijn erkend; en anders van nationale technische voorschriften, erkende nationale normen of bouwvoorschriften.
3. Indien in de technische specificaties descriptieve of ontwerpkenmerken worden genoemd, geeft de aanbestedende entiteit in voorkomend geval aan dat inschrijvingen voor gelijkwaardige goederen of diensten die aantoonbaar aan de voorwaarden van de opdracht voldoen, eveneens in aanmerking komen, door in het aanbestedingsdossier woorden als „of gelijkwaardig” op te nemen.
4. Aanbestedende entiteiten schrijven geen technische specificaties voor waarin vereisten inzake of verwijzingen naar bepaalde handelsmerken of handelsnamen, octrooien, auteursrechten, designs of typen, of naar een bepaalde oorsprong, producent of leverancier zijn opgenomen, tenzij er geen andere voldoende nauwkeurige of begrijpelijke manier is om de voorwaarden van de opdracht te beschrijven, en op voorwaarde dat termen zoals „of gelijkwaardig” in het aanbestedingsdossier zijn opgenomen.
5. Een aanbestedende entiteit vraagt of aanvaardt van personen die een commercieel belang bij de aanbesteding kunnen hebben geen advies dat kan worden gebruikt bij de opstelling of de vaststelling van een technische specificatie voor een specifieke opdracht, wanneer dat advies tot gevolg kan hebben dat mededinging wordt uitgesloten.
6. Ter verduidelijking: een Partij en haar aanbestedende entiteiten mogen technische specificaties opstellen, vaststellen of toepassen om het behoud van natuurlijke hulpbronnen of de bescherming van het milieu te bevorderen, mits dit geschiedt in overeenstemming met dit artikel.
Een Partij kan:
a. aanbestedende diensten toestaan gedurende de gehele aanbestedingsprocedure rekening te houden met milieu- en sociale overwegingen, mits die niet-discriminerend zijn en verband houden met het voorwerp van de opdracht; en
b. passende maatregelen nemen om de naleving van haar verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht te waarborgen, met inbegrip van de verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk 10.
Aanbestedingsdossier
7. De aanbestedende entiteit stelt leveranciers een aanbestedingsdossier ter beschikking met alle informatie die zij nodig hebben om geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen. Tenzij deze informatie reeds in het bericht van aanbesteding is opgenomen, bevat het aanbestedingsdossier alle onderstaande gegevens:
a. een omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de aard en de hoeveelheid van de goederen of diensten die worden aanbesteed, ofwel een raming van de hoeveelheid indien deze niet exact bekend is, alsmede alle eventuele vereisten waaraan moet zijn voldaan, met inbegrip van eventuele technische specificaties, certificering met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling, plannen, tekeningen of instructiemateriaal;
b. alle eventuele voorwaarden voor de deelname van leveranciers, met inbegrip van een lijst met informatie en documenten die de leveranciers in verband met die voorwaarden voor deelname moeten verstrekken;
c. alle beoordelingscriteria die de aanbestedende entiteit bij de gunning van de opdracht zal toepassen, alsmede, tenzij de prijs het enige criterium is, het relatieve gewicht van elk van deze criteria;
d. wanneer de aanbestedende entiteit een opdracht aanbesteedt langs elektronische weg: alle authenticatie- en encryptievereisten, of andere vereisten inzake de indiening van informatie langs elektronische weg;
e. wanneer de aanbestedende entiteit een elektronische veiling organiseert: de regels, met inbegrip van de vaststelling van met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving, op grond waarvan de veiling zal worden gehouden;
f. indien de inschrijvingen in het openbaar worden geopend: de datum en het tijdstip waarop en de plaats waar de inschrijvingen zullen worden geopend en de personen die daarbij in voorkomend geval aanwezig mogen zijn;
g. alle andere voorwaarden, zoals betalingsvoorwaarden of eventuele beperkingen op de wijze waarop inschrijvingen kunnen worden ingediend, bijvoorbeeld op papier of op elektronische wijze; en
h. de data voor de levering van de goederen of diensten.
8. Bij de vaststelling van een datum voor de levering van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, houdt de aanbestedende entiteit rekening met factoren zoals de complexiteit van de opdracht, de omvang van de verwachte onderaanneming en de tijd die realistisch gesproken nodig is voor de productie, het uit voorraad halen en het vervoer van goederen uit de plaats vanuit welke zij worden geleverd of voor het verlenen van diensten.
9. De in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria kunnen onder meer de prijs en andere kostenfactoren, de kwaliteit, de technische waarde, de milieukenmerken en de leveringsvoorwaarden omvatten.
10. De aanbestedende dienst:
a. stelt onverwijld het aanbestedingsdossier ter beschikking om ervoor te zorgen dat belangstellende leveranciers voldoende tijd hebben om een geldige inschrijving in te dienen;
b. verstrekt desgevraagd onverwijld het aanbestedingsdossier aan alle belangstellende leveranciers; en
c. beantwoordt onverwijld elk redelijk verzoek om relevante informatie van een belangstellende of deelnemende leverancier, mits dergelijke informatie die leverancier niet bevoordeelt ten opzichte van andere leveranciers.
Wijzigingen
11. Indien een aanbestedende entiteit de criteria of vereisten wijzigt die in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier dat aan de deelnemende leveranciers is verstrekt, zijn vermeld, of een bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier wijzigt of opnieuw publiceert, geeft zij schriftelijk kennis van alle wijzigingen of verstrekt zij een gewijzigd of nieuw bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier:
a. aan alle leveranciers die op het tijdstip dat de informatie gewijzigd of opnieuw gepubliceerd wordt aan de procedure deelnemen, indien deze bekend zijn bij de aanbestedende entiteit, en in alle andere gevallen, en dit op dezelfde wijze als de oorspronkelijke informatie; en
b. op een zodanig tijdstip dat de leveranciers voldoende tijd hebben om hun inschrijving te wijzigen en opnieuw in te dienen.
1. Aanbestedende entiteiten geven, overeenkomstig hun eigen redelijke behoeften, de leveranciers voldoende tijd om verzoeken om deelname en geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals:
a. de aard en de complexiteit van de opdracht;
b. de omvang van de verwachte onderaanneming; en
c. de tijd die nodig is voor de verzending van inschrijvingen uit het buitenland en het eigen land indien geen gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen.
Deze termijnen en eventuele verlengingen ervan moeten voor alle belangstellende of deelnemende aanbieders gelijk zijn.
2. Wanneer een aanbestedende entiteit een opdracht aanbesteedt met voorafgaande selectie, mag de termijn voor de indiening van verzoeken om deelname in beginsel niet minder dan 25 dagen vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding bedragen. Indien als gevolg van een door de aanbestedende entiteit naar behoren gemotiveerde urgente situatie een dergelijke termijn onhaalbaar is, mag deze worden verkort tot ten minste tien dagen.
3. Tenzij de leden 4, 5, 7 en 8 van toepassing zijn, mag de termijn voor de indiening van inschrijvingen niet minder bedragen dan 40 dagen vanaf de datum waarop:
a. in het geval van openbare aanbesteding, het bericht van aanbesteding is gepubliceerd; of
b. in het geval van aanbesteding met voorafgaande selectie, de aanbestedende entiteit de leveranciers heeft meegedeeld dat zij worden uitgenodigd in te schrijven, ongeacht of op een lijst voor veelvuldig gebruik beroep wordt gedaan.
4. Een aanbestedende entiteit mag de bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen verkorten tot ten minste 20 dagen, indien:
a. de aanbestedende entiteit overeenkomstig artikel 162, lid 4, ten minste 40 dagen, maar niet meer dan twaalf maanden vóór de publicatie van het bericht van aanbesteding, een aankondiging van geplande aanbesteding heeft gepubliceerd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
i. een omschrijving van de opdracht;
ii. bij benadering de termijnen voor de indiening van inschrijvingen of verzoeken om deelname;
iii. een verklaring dat de belangstellende leveranciers hun belangstelling voor de opdracht aan de aanbestedende entiteit kenbaar moeten maken;
iv. het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd; en
v. alle informatie die overeenkomstig artikel 162, lid 2, voor het bericht van aanbesteding vereist is en beschikbaar is;
b. zij, in het geval van herhalingsopdrachten, in een eerste bericht van aanbesteding aangeeft dat in volgende berichten termijnen voor inschrijving zullen worden gehanteerd; of
c. de in lid 3 genoemde termijn als gevolg van een door de aanbestedende entiteit naar behoren gemotiveerde urgente situatie onhaalbaar is.
5. Een aanbestedende entiteit mag de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen met vijf dagen verkorten in elk van de volgende omstandigheden:
a. het bericht van aanbesteding wordt elektronisch gepubliceerd;
b. het volledige aanbestedingsdossier is elektronisch beschikbaar vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding; en
c. de aanbestedende entiteit aanvaardt elektronische inschrijvingen.
6. De toepassing van lid 5 in combinatie met lid 4 mag er in geen geval toe leiden dat de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen wordt verkort tot minder dan tien dagen te rekenen vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding.
7. In afwijking van andere bepalingen van dit artikel mag een aanbestedende entiteit, indien zij handelsgoederen of -diensten of een combinatie daarvan aanschaft, de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen verkorten tot ten minste 13 dagen, op voorwaarde dat deze aanbestedende entiteit op hetzelfde tijdstip elektronisch zowel het bericht van aanbesteding als het aanbestedingsdossier publiceert. Wanneer de aanbestedende entiteit bovendien elektronische inschrijvingen voor handelsgoederen of -diensten aanvaardt, mag zij de in lid 3 bedoelde termijn verkorten tot ten minste tien dagen.
8. Indien een onder de afdelingen 2 of 3 van bijlage 9 vallende aanbestedende entiteit alle of een beperkt aantal erkende leveranciers heeft geselecteerd, kan de termijn voor de indiening van een inschrijving in onderling overleg tussen de aanbestedende entiteit en de geselecteerde leveranciers worden vastgesteld. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient de termijn ten minste tien dagen te bedragen.
1. Een Partij kan bepalen dat haar aanbestedende entiteiten onderhandelingen met aanbieders kunnen voeren:
a. indien de aanbestedende entiteit in het volgens artikel 162, lid 2, vereiste bericht van aanbesteding haar voornemen tot het voeren van onderhandelingen te kennen heeft gegeven; of
b. indien bij de beoordeling blijkt dat geen van de inschrijvingen duidelijk de gunstigste is volgens de specifieke beoordelingscriteria die in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier zijn vermeld.
2. De aanbestedende entiteit:
a. zorgt ervoor dat iedere uitsluiting van leveranciers tijdens onderhandelingen plaatsvindt overeenkomstig de in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria; en
b. stelt, wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, voor de resterende deelnemers een voor iedereen gelijke termijn vast om een nieuwe of herziene inschrijving in te dienen.
1. Mits zij deze bepaling niet toepassen met het oogmerk de mededinging tussen aanbieders te verhinderen of op een wijze waardoor aanbieders van de andere Partij worden gediscrimineerd of interne aanbieders worden beschermd, kunnen aanbestedende entiteiten gebruikmaken van onderhandse aanbesteding en besluiten om de artikelen 162 tot en met 164, artikel 165, leden 7 tot en met 11, en de artikelen 166, 167, 169 en 170 niet toe te passen, maar uitsluitend in de volgende omstandigheden:
a. op voorwaarde dat de vereisten van het aanbestedingsdossier niet wezenlijk worden gewijzigd, wanneer:
i. geen inschrijvingen zijn ingediend of geen leveranciers om deelname hebben verzocht;
ii. geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële eisen van het aanbestedingsdossier voldoen;
iii. geen leveranciers aan de voorwaarden voor deelname voldoen; of
iv. de ingediende inschrijvingen onderling zijn afgestemd;
b. wanneer de goederen of diensten slechts door een bepaalde leverancier kunnen worden geleverd en er geen redelijk alternatief of substituut bestaat om een van de volgende redenen:
i. de opdracht betreft een kunstwerk;
ii. de bescherming van octrooien, auteursrechten of andere exclusieve rechten; of
iii. de afwezigheid van concurrentie om technische redenen;
c. voor aanvullende leveringen, door de oorspronkelijke aanbieder, van goederen of diensten die niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen, indien verandering van aanbieder voor de aanvullende goederen of diensten:
i. niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd; en
ii. tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen zou leiden voor de aanbestedende entiteit;
d. in strikt noodzakelijke gevallen, wanneer de goederen of diensten om uiterst dringende redenen, wegens gebeurtenissen die door de aanbestedende entiteit niet konden worden voorzien, niet tijdig kunnen worden verkregen door middel van openbare aanbesteding of aanbesteding met voorafgaande selectie;
e. voor goederen die op een grondstoffenmarkt worden aangekocht;
f. wanneer een aanbestedende entiteit een prototype of een nieuw goed of een nieuwe dienst aanschaft die op haar verzoek tijdens de uitvoering van een specifieke opdracht inzake onderzoek, proefneming, studie of oorspronkelijke ontwikkeling ten behoeve van die opdracht is ontwikkeld. De originele ontwikkeling van een nieuw goed of een nieuwe dienst kan een beperkte productie of levering omvatten om de resultaten van veldproeven te incorporeren en aan te tonen dat het goed of de dienst geschikt is voor productie of levering in grotere hoeveelheden volgens aanvaardbare kwaliteitsnormen, maar omvat geen serieproductie of levering om commerciële levensvatbaarheid te bereiken of onderzoeks- en ontwikkelingskosten te recupereren;
g. voor aankopen onder uitzonderlijk voordelige voorwaarden die alleen op zeer korte termijn ontstaan in het geval van ongebruikelijke verkopen, zoals bij liquidatie, curatele of faillissement, maar niet bij normale aankopen bij normale leveranciers; of
h. wanneer opdrachten worden gegund aan de winnaar van een ontwerpwedstrijd, mits:
i. de wedstrijd is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van dit hoofdstuk, met name met betrekking tot de publicatie van een bericht van aanbesteding; en
ii. de deelnemers worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de winnaar.
2. De aanbestedende entiteit stelt een schriftelijk verslag op over elke opdracht die in het kader van lid 1 wordt gegund. Dit verslag vermeldt de naam van de aanbestedende entiteit, de waarde en de aard van de aangeschafte goederen of diensten, en bevat tevens een verklaring met daarin een vermelding van de in lid 1 beschreven omstandigheden en voorwaarden die de onderhandse aanbestedingsprocedure rechtvaardigden.
Indien een aanbestedende entiteit een onder dit hoofdstuk vallende opdracht wil aanbesteden met een elektronische veiling, stelt zij, alvorens de elektronische veiling te openen, ieder deelnemer in kennis van:
a. de methode voor automatische beoordeling, met inbegrip van de wiskundige formule, gebaseerd op de in het aanbestedingsdossier opgenomen beoordelingscriteria, die gebruikt wordt om automatisch de rangorde vast te stellen of te wijzigen tijdens de veiling;
b. de resultaten van een eventuele eerste beoordeling van de onderdelen van zijn inschrijving, indien de opdracht wordt gegund aan de indiener van de voordeligste inschrijving; en
c. alle andere relevante informatie over de uitvoering van de veiling.
Behandeling van inschrijvingen
1. De aanbestedende entiteit neemt bij het ontvangen, openen en behandelen van inschrijvingen procedures in acht die garanderen dat de aanbestedingsprocedure eerlijk en onpartijdig verloopt en de inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld.
2. Indien een inschrijving door de aanbestedende entiteit pas na het verstrijken van de vastgestelde termijn wordt ontvangen, mag de betrokken leverancier daarvan geen nadelige gevolgen ondervinden indien de vertraging uitsluitend te wijten is aan onjuiste afhandeling door de aanbestedende entiteit.
3. Indien de aanbestedende entiteit een leverancier de gelegenheid biedt om tussen de opening van de inschrijvingen en de gunning van de opdracht onbedoelde vormfouten te corrigeren, biedt de aanbestedende entiteit alle deelnemende leveranciers daartoe de gelegenheid.
Gunning van opdrachten
4. Om voor gunning in aanmerking te komen, moet een inschrijving schriftelijk worden ingediend, bij de opening voldoen aan de essentiële vereisten die in de berichten betreffende de aanbesteding en het aanbestedingsdossier zijn opgenomen, en afkomstig zijn van een leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet.
5. Tenzij de aanbestedende entiteit besluit dat het niet in het algemeen belang is de opdracht te gunnen, wordt deze gegund aan de leverancier die volgens de bevindingen van de aanbestedende entiteit de voorwaarden van de opdracht kan vervullen en van wie de inschrijving, uitsluitend beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria in de berichten van aanbesteding en het aanbestedingsdossier:
a. de voordeligste is; of
b. indien de prijs het enige criterium is, de laagste prijs biedt.
6. Indien de aanbestedende entiteit een inschrijving ontvangt met een prijs die in verhouding tot de andere inschrijvingen abnormaal laag is, kan zij inlichtingen inwinnen bij de leverancier om zich ervan te vergewissen dat deze aan de voorwaarden voor deelname voldoet en de opdracht volgens de gestelde voorwaarden kan uitvoeren. De aanbestedende entiteit kan ook nagaan of de leverancier subsidies heeft ontvangen. In dat geval kan de inschrijving alleen om die reden worden afgewezen, tenzij de leverancier binnen een door de aanbestedende entiteit vastgestelde toereikende termijn kan aantonen dat de subsidie is verleend met inachtneming van de in deze Overeenkomst vastgestelde regels inzake subsidies.
7. De aanbestedende entiteit mag geen gebruikmaken van opties, geen aanbesteding annuleren en geen gegunde opdrachten wijzigen op een wijze die in strijd is met haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.
8. Elke Partij voorziet in de regel in een status-quoperiode tussen de gunning en de sluiting van een overeenkomst, zodat afgewezen inschrijvers voldoende tijd krijgen om het gunningsbesluit te herzien en aan te vechten.
Aan leveranciers verstrekte informatie
1. Aanbestedende entiteiten stellen de deelnemende aanbieders onverwijld in kennis van besluiten aangaande de gunning van een opdracht en doen dat op verzoek van een aanbieder schriftelijk. Met inachtneming van artikel 172, leden 2 en 3, stelt de aanbestedende entiteit een afgewezen leverancier op diens verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing van zijn inschrijving en van de relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen leverancier.
Publicatie van informatie over de gunning
2. Uiterlijk 72 dagen na de gunning van een opdracht die onder dit hoofdstuk valt, publiceert de aanbestedende entiteit een bericht in het geëigende gedrukte of elektronische medium als vermeld in afdeling 8 van bijlage 9 bij deze Overeenkomst. Indien alleen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch medium, dient de informatie gedurende een redelijke termijn gemakkelijk toegankelijk te blijven. Het bericht bevat ten minste de volgende gegevens:
a. een beschrijving van de aangeschafte goederen of diensten;
b. de naam en het adres van de aanbestedende entiteit;
c. de naam en het adres van de leverancier aan wie de opdracht is gegund;
d. de waarde van de geselecteerde inschrijving of de hoogste en de laagste inschrijving die bij de gunning van de opdracht in aanmerking zijn genomen;
e. de datum van toekenning; en
f. de gebruikte aanbestedingsmethode, en, in geval van onderhandse aanbesteding overeenkomstig artikel 168, een beschrijving van de omstandigheden die deze procedure rechtvaardigden.
Bewaren van documentatie, verslagen en elektronische traceerbaarheid
3. Een aanbestedende entiteit bewaart gedurende ten minste drie jaar vanaf de datum waarop zij een opdracht gunt:
a. de documentatie en verslagen betreffende aanbestedingsprocedures en gunningen in verband met opdrachten die onder dit hoofdstuk vallen, met inbegrip van de uit hoofde van artikel 168, lid 2, vereiste verslagen; en
b. gegevens die waarborgen dat het verloop van de onder deze Overeenkomst vallende opdrachten elektronisch naar behoren traceerbaar is.
Verstrekking van informatie aan Partijen
1. Op verzoek van de andere Partij, verstrekt een Partij onverwijld alle informatie die nodig is om te bepalen of de aanbesteding eerlijk, onpartijdig en overeenkomstig dit hoofdstuk is verlopen, met inbegrip van informatie over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen aanbieder. Wanneer het bekendmaken van de informatie de mededinging bij latere aanbestedingen zou verstoren, wordt deze informatie door de Partij die haar ontvangt pas aan een leverancier vrijgegeven na overleg met en instemming van de Partij die de informatie heeft verstrekt.
Niet-bekendmaking van informatie
2. Niettegenstaande de overige bepalingen van dit hoofdstuk verstrekken een Partij en haar aanbestedende diensten geen informatie aan een bepaalde leverancier die de eerlijke mededinging tussen leveranciers kan verstoren.
3. Niets in dit hoofdstuk mag zodanig worden uitgelegd dat een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, autoriteiten en toetsingsinstanties, verplicht wordt vertrouwelijke informatie openbaar te maken indien openbaarmaking:
a. de rechtshandhaving zou belemmeren;
b. de eerlijke mededinging tussen leveranciers zou kunnen verstoren;
c. de legitieme handelsbelangen van bepaalde personen, met inbegrip van de bescherming van intellectuele eigendom, zou schaden; of
d. anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang.
Uitwisseling van statistieken
4. Elke Partij stelt de andere Partij jaarlijks bilaterale statistieken over overheidsopdrachten ter beschikking.
1. Elke Partij voorziet in een snelle, doeltreffende, transparante en niet-discriminerende procedure voor administratieve of rechterlijke toetsing, waarmee een leverancier die belang heeft of heeft gehad bij een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht:
a. rechtstreeks beroep kan instellen tegen een inbreuk op dit hoofdstuk die zich voordoet in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht; of
b. indien de leverancier volgens de wetgeving van die Partij niet rechtstreeks beroep kan instellen tegen een inbreuk op dit hoofdstuk, niet-nakoming van de maatregelen die de Partij ter uitvoering van dit hoofdstuk heeft ingesteld, kan aanvechten;
De procedurele regels voor alle uit hoofde van dit lid ingestelde bezwaar- en beroepsprocedures worden op schrift gesteld en openbaar gemaakt.
2. Indien een leverancier in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende opdracht waarbij hij een belang heeft of heeft gehad, een klacht indient wegens schending of niet-naleving als bedoeld in lid 1, moedigt de Partij waartoe de aanbestedende entiteit behoort, de entiteit en de leverancier aan het geschil door overleg te beslechten. De aanbestedende entiteit neemt dergelijke klachten tijdig en onbevooroordeeld in beraad op een wijze die geen afbreuk doet aan de deelname van de leverancier aan lopende of toekomstige aanbestedingen of aan diens recht om door middel van de procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing corrigerende maatregelen te vragen.
3. Elke leverancier krijgt voldoende tijd om een bezwaar of beroep voor te bereiden en in te stellen; deze termijn bedraagt ten minste tien dagen vanaf het tijdstip waarop de grond voor het bezwaar of beroep voor de leverancier bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had moeten worden.
4. Elke Partij stelt ten minste een onpartijdige en van de aanbestedende entiteiten onafhankelijke bestuurlijke of rechterlijke instantie in of wijst deze aan om de bezwaren of beroepen van leveranciers in verband met onder dit hoofdstuk vallende opdrachten te ontvangen en beoordelen.
5. Indien een beroep in eerste aanleg wordt beoordeeld door een andere dan één van de in lid 4 bedoelde autoriteiten, ziet de Partij erop toe dat de aanbieder tegen de oorspronkelijke beslissing beroep kan instellen bij een onpartijdige bestuurlijke of rechterlijke instantie die onafhankelijk is van de aanbestedende entiteit die de aanbesteding heeft uitgeschreven waarop het beroep betrekking heeft.
6. Elke Partij ziet erop toe dat, wanneer de krachtens lid 4 ingestelde of aangewezen instantie geen rechterlijke instantie is, de beslissing ervan is onderworpen aan rechterlijke toetsing of dat de regels inzake procesvoering bepalen dat:
a. de aanbestedende entiteit schriftelijk op het beroep reageert en alle relevante documenten aan de toetsingsinstantie ter beschikking stelt;
b. de partijen bij de procedure het recht hebben te worden gehoord alvorens de toetsingsinstantie een beslissing neemt over het bezwaar of beroep;
c. de partijen bij de procedure het recht hebben zich te laten vertegenwoordigen en vergezellen;
d. de partijen bij de procedure toegang hebben tot alle zittingen in het kader van de procedure;
e. de partijen het recht hebben te verzoeken dat de zittingen in het openbaar plaatsvinden en dat getuigen deze mogen bijwonen; en
f. de toetsingsinstantie haar beslissingen of aanbevelingen tijdig schriftelijk vaststelt en de grondslag van elke beslissing of aanbeveling daarbij toelicht.
7. Elke Partij stelt procedures in, of handhaaft deze, die voorzien in:
a. snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de leverancier om aan de aanbesteding deel te nemen in stand houden. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot schorsing van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met doorslaggevende negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. Een beslissing om niet op te treden wordt schriftelijk gemotiveerd; en
b. corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade, indien de beroepsinstantie heeft bepaald dat inbreuk of niet-nakoming als bedoeld in lid 1 heeft plaatsgevonden; deze corrigerende maatregelen of compensatie kunnen beperkt blijven tot de voor het opstellen van de inschrijving en/of het indienen van het bezwaar of beroep gemaakte kosten.
1. Een Partij kan voorstellen bijlage 9 te wijzigen of te rectificeren wat betreft de bepalingen inzake haar onder dit hoofdstuk vallende opdrachten.
Wijzigingen
2. Een Partij die voornemens is een wijziging van bijlage 9 voor te stellen:
a. stelt de andere Partij daarvan schriftelijk in kennis; en
b. doet in die kennisgeving een voorstel voor passende compenserende aanpassingen voor de andere Partij om het toepassingsgebied op een niveau te houden dat vergelijkbaar is met dat van vóór de wijziging.
3. Niettegenstaande lid 2, punt b), hoeft een Partij geen compenserende aanpassingen aan te bieden indien de wijziging betrekking heeft op een aanbestedende entiteit ten aanzien waarvan de Partij haar zeggenschap of invloed daadwerkelijk heeft beëindigd.
4. De andere Partij kan binnen 45 dagen na ontvangst van de in lid 2, punt a), bedoelde kennisgeving schriftelijk bezwaar maken indien zij betwist dat:
a. een overeenkomstig lid 2, punt b), voorgestelde aanpassing voldoende is om het overeengekomen toepassingsgebied op een vergelijkbaar niveau te houden; of
b. de wijziging betrekking heeft op een entiteit ten aanzien waarvan de Partij haar zeggenschap of invloed daadwerkelijk heeft beëindigd overeenkomstig lid 3.
Als de andere Partij binnen de gestelde termijn geen bezwaar heeft ingediend, wordt zij geacht de aanpassing of wijziging te hebben aanvaard.
Rectificaties
5. De volgende wijzigingen van bijlage 9 worden beschouwd als een rectificatie van louter formele aard, mits zij geen invloed hebben op het wederzijds overeengekomen toepassingsgebied waarin dit hoofdstuk voorziet:
a. een verandering van de naam van een aanbestedende entiteit;
b. een fusie van twee of meer in bijlage 9 genoemde aanbestedende entiteiten; en
c. de splitsing van een in bijlage 9 genoemde aanbestedende entiteit in twee of meer aanbestedende entiteiten die worden toegevoegd aan de in bijlage 9 genoemde lijst van aanbestedende entiteiten.
De Partij die een dergelijke zuiver formele rectificatie verricht, is niet verplicht te voorzien in compenserende aanpassingen.
6. Elke Partij stelt de andere Partij om de twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst in kennis van de voorgestelde rectificaties van bijlage 9.
7. Een Partij kan bij de andere Partij binnen 45 dagen na ontvangst van de kennisgeving een bezwaar tegen een voorgestelde rectificatie indienen. Bij het indienen van het bezwaar moeten de redenen worden vermeld waarom de voorgestelde rectificatie niet in overeenstemming zou zijn met lid 5 en moet worden beschreven welk effect de voorgestelde rectificatie zou hebben op het overeengekomen toepassingsgebied. Als een bezwaar niet binnen 45 dagen na ontvangst van de in lid 6 bedoelde kennisgeving schriftelijk is ingediend, wordt de andere Partij geacht met de voorgestelde rectificatie in te stemmen. De andere Partij kan schriftelijk verzoeken om meer tijd voor het analyseren van de voorgestelde rectificaties indien de voorgestelde wijzigingen verdere verificatie van de informatie of aanvullende verduidelijkingen van de voorstellende Partij vereisen.
Overleg en geschillenbeslechting
8. Indien de andere Partij bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of rectificatie, trachten de Partijen de kwestie door middel van overleg op te lossen. Indien de Partijen niet binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaar tot overeenstemming komen, kan de Partij die bijlage 9 wil wijzigen of rectificeren, verzoeken de geschillenbeslechtingsprocedure uit hoofde van deze titel toe te passen op het geschil.
Op verzoek van een Partij behandelt het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken aangelegenheden die verband houden met de uitvoering en de werking van dit hoofdstuk, zoals:
a. de wijziging, rectificatie of aanpassing van bijlage 9;
b. aangelegenheden met betrekking tot de werking van dit hoofdstuk;
c. alle andere aangelegenheden met betrekking tot overheidsopdrachten.
1. De Partijen herinneren aan Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling van 1992, de IAO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk van 1998, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk van 2006, de IAO-verklaring betreffende de sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN van 2015 met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling.
2. De Partijen erkennen dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten van duurzame ontwikkeling zijn. De Partijen bevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel of investeringen op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, zoals met name uitgedrukt in hun multilaterale verbintenissen op het gebied van arbeid en milieu.
1. De Partijen erkennen het recht van elke Partij om haar beleid en prioriteiten op het gebied van duurzame ontwikkeling te bepalen, om de niveaus van binnenlandse milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen die zij passend acht, en om haar relevante wetgeving en beleidsmaatregelen dienovereenkomstig vast te stellen of te wijzigen. Die wetgeving en beleidsmaatregelen moeten in overeenstemming zijn met de verbintenissen van elke Partij ten aanzien van de in artikel 178 bedoelde internationaal erkende overeenkomsten en normen.
2. Elke Partij streeft ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid ter zake een hoog niveau van milieu- en arbeidsbescherming bieden en stimuleren.
3. De Partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun respectieve milieu- of arbeidswetgeving en -normen voorzien, af te zwakken of te verminderen.
4. Een Partij streeft er niet naar handel of investeringen aan te moedigen door afstand te doen van of af te wijken van haar milieu- en arbeidsrecht of, door een voortdurend of herhaaldelijk handelen of nalaten, haar milieu- of arbeidsrecht niet doeltreffend te handhaven.
1. De Partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling met betrekking tot het milieu en de waarde van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, als essentiële elementen van duurzame ontwikkeling.
2. In dit verband, en rekening houdend met de artikelen 290 tot en met 295, legt elke Partij de multilaterale milieuovereenkomsten die zij heeft geratificeerd doeltreffende ten uitvoer, met inbegrip van de Overeenkomst van Parijs van 2015 inzake de klimaatverandering en het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake de klimaatverandering dat op 9 mei 1992 in New York is gesloten.
3. Met inachtneming van artikel 314 past elke Partij de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen zoals gedefinieerd in de fundamentele IAO-verdragen en de andere IAO-verdragen die de Republiek Oezbekistan respectievelijk de lidstaten hebben geratificeerd, doeltreffend ten uitvoer. De Partijen streven naar ratificatie van andere verdragen en protocollen die door de IAO als actueel zijn aangemerkt. Elke Partij stelt maatregelen en beleid met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk vast en voert deze uit en houdt een doeltreffend arbeidsinspectiesysteem in stand, in overeenstemming met de relevante IAO-verdragen waarbij zij Partij is of kan worden.
1. De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling te vergroten. Dienovereenkomstig bevorderen zij maatschappelijk verantwoord ondernemen/verantwoorde bedrijfsvoering, handel en investeringen in milieugoederen en -diensten, en het gebruik van duurzaamheidsregelingen, zoals eerlijke en ethische handel en milieukeurmerken.
2. De Partijen wisselen informatie uit en delen ervaringen over hun werkzaamheden ter bevordering van de samenhang en de wederzijdse versterking van handels-, milieu- en sociale doelstellingen, en zij versterken de dialoog en de samenwerking op het gebied van duurzame-ontwikkelingsvraagstukken die zich in het kader van handelsbetrekkingen voordoen.
3. Bij deze dialoog en samenwerking worden de belanghebbenden betrokken, met name de sociale partners, evenals andere maatschappelijke organisaties, in het kader van de op grond van artikel 341 ingestelde maatschappelijke samenwerking.
De artikelen 250 tot en met 254 zijn niet van toepassing op geschillen die onder dit hoofdstuk vallen. Nadat het arbitragepanel zijn eindverslag heeft opgesteld overeenkomstig de artikelen 248 en 249, bespreken de Partijen de passende maatregelen die zij zullen nemen, waarbij zij rekening houden met dit verslag. Het Samenwerkingscomité ziet toe op de uitvoering van dergelijke maatregelen en blijft de zaak volgen, onder andere door middel van het in artikel 179, lid 3, bedoelde mechanisme.
In het besef van de gevolgen die hun respectieve regelgevingskader voor de onderlinge handel en investeringen kan hebben, streven de Partijen naar een voorspelbaar regelgevingskader en efficiënte procedures voor de marktdeelnemers, in het bijzonder voor de kleine en middelgrote ondernemingen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
een besluit met rechtsgevolgen dat of een handeling of maatregel met rechtsgevolgen die in een individueel geval op een specifieke persoon, een specifiek goed of een specifieke dienst van toepassing is; hieronder wordt ook verstaan het verzuim om een dergelijk besluit of een dergelijke handeling of maatregel vast te stellen zoals vastgelegd in de wetgeving van een Partij;
iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die door een maatregel van algemene strekking kan worden geraakt; en
de in het recht van een Partij neergelegde wet- en regelgeving, procedures, administratieve besluiten en gerechtelijke uitspraken van algemene strekking die betrekking hebben op een onder deze titel vallende kwestie.
Elke Partij ziet erop toe dat een maatregel van algemene strekking met betrekking tot alle aangelegenheden die onder deze titel vallen:
a. snel en gemakkelijk gepubliceerd wordt via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar is, langs elektronische weg, of anderszins beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat ieder zich ermee vertrouwd kan maken;
b. een toelichting bevat ten aanzien van het doel en de motivering ervan; en
c. voldoende tijd laat tussen de publicatie en de inwerkingtreding van wet- en regelgeving, tenminste als dit de lasten voor de marktdeelnemers verhoogt, behalve wanneer dit vanwege spoedeisendheid niet mogelijk is. Dit punt is niet van toepassing op gerechtelijke of administratieve uitspraken.
1. Elke Partij voert passende mechanismen in of handhaaft deze om vragen van eenieder over wetten of verordeningen te beantwoorden met betrekking tot aangelegenheden die onder deze titel vallen.
2. Op verzoek van een Partij verstrekt de andere Partij onverwijld informatie en beantwoordt zij vragen over wet- of regelgeving, ongeacht of deze van kracht is of wordt ontwikkeld, met betrekking tot kwesties die onder deze titel vallen.
1. Elke Partij voert op objectieve, onpartijdige en redelijke wijze alle maatregelen van algemene strekking uit met betrekking tot alle aangelegenheden die onder deze titel vallen.
2. Bij de toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen op specifieke personen, goederen of diensten van de andere Partij in individuele gevallen:
a. streeft elke Partij ernaar personen voor wie een administratieve procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en overeenkomstig haar wet- en regelgeving in kennis te stellen van de inleiding van een procedure met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van de vraagstukken in kwestie; en
b. biedt zij die personen een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter onderbouwing van hun standpunten naar voren te brengen voordat een definitief administratief besluit wordt vastgesteld, voor zover de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dat toelaten.
1. Elke Partij voert rechterlijke, arbitrale of administratieve instanties of procedures in, of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van administratieve besluiten met betrekking tot aangelegenheden waarop deze titel van toepassing is. Elke Partij zorgt ervoor dat haar beroeps- en toetsingsprocedures op niet-discriminerende en onpartijdige wijze worden uitgevoerd door haar rechterlijke instanties. Die instanties zijn onpartijdig en onafhankelijk van de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving, en hebben geen belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.
2. Elke Partij zorgt ervoor dat de Partijen bij de in lid 1 bedoelde procedures het recht krijgen op:
a. een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te staven of te verdedigen; en
b. een besluit dat is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de wet dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde relevante dossier.
3. Het in lid 2, punt b), bedoelde besluit wordt, behoudens beroep of nadere toetsing overeenkomstig haar wetgeving, uitgevoerd door de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving.
Dit hoofdstuk geldt onverminderd de specifieke voorschriften die in andere hoofdstukken van deze titel zijn vastgesteld.
1. De Partijen bevestigen hun streven om een beter klimaat te scheppen voor de ontwikkeling van de investeringen en handel tussen hen, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast ter verbetering van de wederzijdse voorwaarden voor investeringen en de handel in diensten.
2. De Partijen bevestigen hun recht om voor hun respectieve grondgebied regelgeving toe te passen en nieuwe regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals bescherming van de volksgezondheid, sociale diensten, openbaar onderwijs, veiligheid, milieu, met inbegrip van de klimaatverandering, openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, en de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid.
3. Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen van een Partij die toegang tot de arbeidsmarkt van een andere Partij zoeken, noch op maatregelen inzake nationaliteit of staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.
4. Niets in dit hoofdstuk belet een Partij maatregelen toe te passen ter regulering van de toelating van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, waaronder maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen en het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over die grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen19) die de andere Partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, daardoor teniet worden gedaan of uitgehold.
5. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op enige maatregel van een Partij met betrekking tot opdrachten van een regering of overheidsinstantie voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten „onder deze Overeenkomst vallende opdrachten” zijn in de zin van hoofdstuk 9.
6. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door de Partijen verstrekte subsidies of toelagen, met inbegrip van leningen en garanties die door de overheid worden gesteund, en verzekeringen.
7. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a. luchtdiensten of daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van luchtvervoerdiensten20), andere dan:
i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen;
ii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);
iii. grondafhandelingsdiensten; en
iv. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;
b. audiovisuele diensten;
c. binnenscheepvaart; en
d. nationale cabotage in het zeevervoer21).
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
alle werkzaamheden aan een uit de dienst genomen vliegtuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het zogenaamde lijnonderhoud;
activiteiten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden verricht, of diensten die op dezelfde basis worden verleend;
dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en regels daarvoor, met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoerbewijzen kunnen worden uitgegeven;
een onderneming die zich op het grondgebied van een Partij bevindt en die overeenkomstig punt h) door een rechtspersoon uit de andere Partij in overeenstemming met het toepasselijke recht reeds is opgericht, ongeacht of deze reeds op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst is opgericht of daarna is opgericht;
het verlenen van een dienst:
i. vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; of
ii. op het grondgebied van een Partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst van de andere Partij;
elke activiteit van industriële, commerciële of professionele aard en elke activiteit van ambachtslieden, met inbegrip van het verlenen van diensten, met uitzondering van activiteiten verricht in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;
een rechtspersoon, een filiaal of een vertegenwoordiging van een rechtspersoon;
het oprichten of verwerven van een rechtspersoon, onder meer door deelneming in het kapitaal, of de oprichting van een filiaal of vertegenwoordiging van een rechtspersoon op het grondgebied van een Partij, teneinde duurzame economische banden tot stand te brengen of te handhaven;
geldend op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst;
de verlening op een luchthaven, op basis van een vast tarief of een contract, van de volgende diensten: vertegenwoordiging van, beheer van en toezicht op een luchtvaartmaatschappij; passagiersafhandeling; bagageafhandeling; platformdiensten; catering; luchtvracht- en -postafhandeling; brandstofvoorziening van luchtvaartuigen; onderhoud en schoonmaak van luchtvaartuigen; vervoer op de grond; vluchtuitvoeringen, bemanningsadministratie en vluchtplanning; grondafhandelingsdiensten omvatten niet de volgende diensten: zelfafhandeling; beveiliging; reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen; of het beheer of de exploitatie van essentiële gecentraliseerde luchthaveninfrastructuur, zoals ontijzingsinstallaties, brandstofdistributiesystemen, bagageafhandelingssystemen of vaste interne luchthaventransportsystemen;
een juridische entiteit, naar het toepasselijke recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
i. voor de Europese Unie:
A. een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd naar het recht van de Europese Unie of van ten minste één van haar lidstaten en die daadwerkelijke zakelijke transacties23) op het grondgebied van de Europese Unie verricht; en
B. een buiten de Europese Unie gevestigde scheepvaartmaatschappij die onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon van een lidstaat, waarvan de schepen in een lidstaat zijn geregistreerd en de vlag van die lidstaat voeren;
ii. voor de Republiek Oezbekistan:
A. een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd naar het recht van de Republiek Oezbekistan en die daadwerkelijke zakelijke transacties op het grondgebied van de Republiek Oezbekistan verricht; en
B. een buiten de Republiek Oezbekistan gevestigde scheepvaartmaatschappij die onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon van de Republiek Oezbekistan, waarvan de schepen in Republiek Oezbekistan zijn geregistreerd en de vlag van Republiek Oezbekistan voeren;
maatregelen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd door24):
i. centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten; en
ii. niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;
i. voor de Europese Unie, een persoon met de nationaliteit van een van de lidstaten overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat25); en
ii. voor de Republiek Oezbekistan, een onderdaan van de Republiek Oezbekistan overeenkomstig het recht van de Republiek Oezbekistan;
de uitbating, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en het verkopen of een andere vorm van beschikken over een onderneming;
de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij haar luchtvervoerdiensten vrij te verkopen en op de markt te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie, maar met uitzondering van de tarifering van luchtvervoerdiensten en de toepasselijke voorwaarden;
elke dienst in enige sector, behalve diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;
elke persoon die een dienst aanbiedt of verleent.
1. Onverminderd andere bepalingen van dit hoofdstuk mag van een Partij niet worden verlangd dat zij met betrekking tot de sectoren of maatregelen die onder de GATS vallen, een gunstiger behandeling verleent dan die welke zij krachtens de GATS en met betrekking tot ongeacht welke dienstensector, dienstensubsector en wijze van dienstverlening moet verlenen. Dit lid is van toepassing met ingang van de dag één maand vóór de datum van inwerkingtreding van elk van de desbetreffende verplichtingen van een Partij in het kader van de GATS.
2. Ter verduidelijking: voor diensten geldt dat de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie, inclusief de voorbehouden en de bijlage daarbij betreffende vrijstellingen van de toepassing van artikel II (meestbegunstigingsvrijstellingen), in deze Overeenkomst worden opgenomen en hiervan integrerend deel uitmaken.
3. Ter verduidelijking: vóór de toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO is de lijst van specifieke verbintenissen van de Republiek Oezbekistan, met inbegrip van de voorbehouden, de lijst die is opgenomen in de bijlagen 12-B, 12-C en 12-D.
De op grond van dit hoofdstuk toegekende behandeling is niet van toepassing op de behandeling die een Partij toekent krachtens een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel (met inbegrip van vestiging op het gebied van diensten) die voldoet aan de criteria van de artikelen V en V bis van de GATS, of een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van vestiging voor andere economische activiteiten die ten aanzien van die activiteiten aan dezelfde criteria voldoet.
1. Een Partij reageert onverwijld op alle verzoeken van de andere Partij om specifieke informatie over elke door haar getroffen maatregel van algemene strekking, met inbegrip van normen en criteria voor het verlenen van vergunningen aan en de certificering van investeerders en dienstverleners en informatie over welke regelgevende of andere instantie over zulke normen en criteria dient te worden geraadpleegd of internationale overeenkomsten die betrekking hebben op of gevolgen hebben voor aangelegenheden die onder dit hoofdstuk vallen. Elke Partij richt een of meer informatiepunten op en deelt de contactgegevens daarvan mee aan de andere Partij. Deze informatiepunten verstrekken investeerders en dienstverleners van de andere Partij op verzoek specifieke informatie over al deze aangelegenheden.
2. Elke Partij maakt onverwijld alle maatregelen van algemene strekking bekend die betrekking hebben op of gevolgen hebben voor de werking van dit hoofdstuk. Wanneer een dergelijke bekendmaking niet praktisch is, wordt de informatie over dergelijke maatregelen anderszins openbaar gemaakt.
3. Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst verplicht een Partij tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins strijdig zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.
Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een Partij die gevolgen hebben voor vestiging of exploitatie op haar grondgebied met het oog op de uitoefening van economische activiteiten door:
a. rechtspersonen uit de andere Partij; en
b. onder de Overeenkomst vallende ondernemingen.
1. Onverminderd de voorbehouden in bijlage 12-A bij deze Overeenkomst en de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en in bijlage 12-B bij deze Overeenkomst, behandelt elke Partij rechtspersonen uit de andere Partij en onder deze Overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan rechtspersonen uit een derde land en hun ondernemingen in soortgelijke situaties, wat vestiging en exploitatie op haar grondgebied betreft.
2. Onverminderd de voorbehouden in bijlage 12-A bij deze Overeenkomst en de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en in bijlage 12-B bij deze Overeenkomst, behandelt elke Partij rechtspersonen uit de andere Partij en onder deze Overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan haar eigen rechtspersonen en hun ondernemingen in soortgelijke situaties, wat vestiging en exploitatie op haar grondgebied betreft.
3. Onder de uit hoofde van lid 2 toegekende behandeling wordt verstaan:
a. ten aanzien van een regionaal of lokaal overheidsniveau van de Republiek Oezbekistan, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling welke dat overheidsniveau in soortgelijke situaties toekent aan rechtspersonen uit de Republiek Oezbekistan en hun ondernemingen op zijn grondgebied; en
b. ten aanzien van een overheid van of in een lidstaat, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die die overheid in soortgelijke situaties toekent aan rechtspersonen uit die lidstaat en hun ondernemingen op haar grondgebied.
4. Dit artikel wordt niet uitgelegd als een verplichting voor een Partij om het voordeel van een behandeling uit te breiden tot rechtspersonen uit de andere Partij en onder deze Overeenkomst vallende ondernemingen, indien dat voordeel het resultaat is van:
a. een internationale overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingheffing of een andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing; of
b. maatregelen die voorzien in de erkenning, met inbegrip van de normen of criteria voor het toestaan, verlenen of certificeren van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of van prudentiële maatregelen als bedoeld in punt 3 van de GATS-bijlage betreffende financiële diensten.
5. Ter verduidelijking: de in lid 1 genoemde behandeling heeft geen betrekking op procedures voor de beslechting van geschillen waarin andere internationale overeenkomsten voorzien.
6. Ter verduidelijking: materiële bepalingen in andere internationale overeenkomsten die door een Partij met een derde land zijn gesloten, vormen als zodanig niet de in lid 1 bedoelde behandeling. Maatregelen van een Partij op grond van die bepalingen26) kunnen een dergelijke behandeling vormen en derhalve aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel.
Onverminderd de voorbehouden in bijlage 12-A en de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en in bijlage 12-B, mag een Partij een onder de Overeenkomst vallende onderneming niet verplichten personen van een bepaalde nationaliteit te benoemen als leidinggevenden of managers, of als leden van de raad van bestuur.
Een Partij kan de voordelen van deze afdeling weigeren aan een rechtspersoon uit de andere Partij of met betrekking tot een onder de Overeenkomst vallende onderneming, indien de weigerende Partij maatregelen vaststelt of handhaaft in verband met de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de mensenrechten, die:
a. transacties met die rechtspersoon of met de onder de Overeenkomst vallende onderneming verbieden; of
b. zouden worden geschonden of omzeild indien de voordelen van deze afdeling aan die rechtspersoon of onder de Overeenkomst vallende onderneming zouden worden toegekend, ook wanneer de maatregelen transacties verbieden met een persoon die eigenaar is van of zeggenschap heeft over die rechtspersoon of onderneming.
Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een Partij die gevolgen hebben voor de grensoverschrijdende handel in diensten door dienstverleners uit de andere Partij.
1. Onverminderd artikel 190, in de sectoren waarvoor verbintenissen zijn opgenomen in de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en in bijlage 12-C bij deze Overeenkomst, behandelt elke Partij diensten en dienstverleners uit de andere Partij niet minder gunstig dan haar eigen diensten en dienstverleners in soortgelijke situaties.
2. Een Partij kan aan de vereiste in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere Partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.
3. Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit de betrokken Partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere Partij.
4. Niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een Partij verplicht is tot compensatie van mededingingsnadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.
1. De Partijen streven ernaar, in overeenstemming met deze afdeling, de nodige stappen te ondernemen om geleidelijk meer grensoverschrijdende handel in diensten mogelijk te maken, rekening houdend met de ontwikkeling van de dienstensectoren in de Partijen.
2. Het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken doet aanbevelingen voor de uitvoering van lid 1.
3. De Partijen streven ernaar geen maatregelen vast te stellen die de voorwaarden voor grensoverschrijdende handel in diensten beperken ten opzichte van de situatie vóór de datum van ondertekening van deze Overeenkomst.
Een Partij kan de voordelen van deze afdeling weigeren aan een dienstverlener uit de andere Partij, indien de weigerende Partij maatregelen vaststelt of handhaaft in verband met de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de mensenrechten, die:
a. transacties met die dienstverlener verbieden; of
b. zouden worden geschonden of omzeild indien de voordelen van deze afdeling aan die dienstverlener zouden worden toegekend, ook wanneer de maatregelen transacties verbieden met een persoon die eigenaar is van of zeggenschap heeft over deze dienstverlener.
1. Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een Partij die gevolgen hebben voor het verlenen van diensten door de toegang tot en het tijdelijke verblijf op haar grondgebied van natuurlijke personen uit de andere Partij die onder de volgende categorieën vallen:
a. zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden;
b. dienstverleners op contractbasis; en
c. binnen een onderneming overgeplaatste personen.
2. Voor zover in deze afdeling geen verbintenissen zijn aangegaan, blijven alle voorschriften van de wetgeving van een Partij met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen van toepassing, met inbegrip van de voorschriften betreffende de verblijfsduur.
3. Niettegenstaande de bepalingen van deze afdeling blijven alle voorschriften in de wetgeving van een Partij met betrekking tot arbeid en sociale zekerheid van toepassing, met inbegrip van de voorschriften inzake minimumlonen en collectieve arbeidsovereenkomsten.
4. Verbintenissen inzake de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden zijn niet van toepassing in gevallen waarin het de bedoeling of het gevolg van hun toegang en tijdelijke verblijf is in te grijpen in, of op andere wijze invloed uit te oefenen op het resultaat van arbeids- of managementgeschillen of -onderhandelingen, of de indienstneming van natuurlijke personen die bij dat geschil betrokken zijn.
5. In deze afdeling wordt verstaan onder:
natuurlijke personen die een hoge functie bekleden binnen een rechtspersoon uit een Partij en die:
i. verantwoordelijk zijn voor de oprichting van een onderneming van een dergelijke rechtspersoon op het grondgebied van de andere Partij;
ii. geen diensten aanbieden of verrichten, noch een andere economische activiteit uitoefenen dan die welke noodzakelijk is voor de vestiging van die onderneming; en
iii. geen beloning ontvangen uit een in de andere Partij gevestigde bron;
natuurlijke persoon die in dienst is van een rechtspersoon van een Partij. anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening, die niet op het grondgebied van de andere Partij is gevestigd en een bonafide dienstencontract27) heeft gesloten voor het verlenen van diensten aan een eindverbruiker in de andere Partij waarvoor de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers28) vereist is, die:
i. gedurende een periode van ten minste één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum van hun aanvraag voor toegang en tijdelijk verblijf dergelijke diensten als werknemers van de rechtspersoon hebben aangeboden;
ii. op die datum in het bezit zijn van:
A. ten minste drie jaar beroepservaring, voor natuurlijke personen uit de Europese Unie, en ten minste vijf jaar voor natuurlijke personen uit de Republiek Oezbekistan, in de betrokken activiteit29);
B. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt30); en
C. de beroepskwalificaties die wettelijk vereist zijn om die activiteit in de andere Partij uit te oefenen; en
iii. geen beloning ontvangen uit een in de andere Partij gevestigde bron;
natuurlijke personen die:
i. gedurende een periode van ten minste één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum van hun aanvraag voor toegang tot en tijdelijk verblijf in de andere Partij in dienst of partner van een rechtspersoon van een Partij of haar filiaal zijn geweest;
ii. op het moment van de aanvraag buiten het grondgebied van de andere Partij verblijven;
iii. tijdelijk wordt overgeplaatst naar een onderneming van de rechtspersoon op het grondgebied van de andere Partij31) die lid is van dezelfde groep als de oorspronkelijke rechtspersoon of het oorspronkelijke filiaal, met inbegrip van een vertegenwoordiging, dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap ervan; en
iv. voor de Europese Unie, behoren tot de volgende categorieën:
A. „leidinggevenden”: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming32) in de andere Partij, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of aandeelhouders van de onderneming of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder personen die:
1. leiding geven aan een onderneming of een afdeling of onderafdeling daarvan;
2. toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren; en
3. bevoegd zijn voor het aanbevelen van de indienstneming of van het ontslag van werknemers dan wel van ander optreden in het kader van het personeelsbeleid; of
B. „specialisten”: personen die beschikken over gespecialiseerde kennis die essentieel is voor de activiteiten, technieken of het management van de onderneming, die niet alleen moet worden beoordeeld met betrekking tot de specifieke kennis van de onderneming, maar ook met betrekking tot de vraag of de persoon over een hoog kwalificatieniveau beschikt, met inbegrip van voldoende beroepservaring met een soort werk of activiteit waarvoor specifieke technische kennis vereist is, met inbegrip van het eventuele lidmaatschap van een erkend beroep; of
v. voor de Republiek Oezbekistan, hun werkzaamheden verrichten op het grondgebied van die Partij, geen onderdaan zijn van de Republiek Oezbekistan en aan de volgende minimumcriteria voldoen:
A. een voor het uitgeoefende beroep relevant hoger onderwijs hebben voltooid;
B. beschikken over ten minste 5 jaar ervaring op het beoogde werkterrein; en
C. een jaarsalaris (bezoldiging) in de Republiek Oezbekistan van niet minder dan het equivalent van 22 000 SDR.
1. In de sectoren, subsectoren en activiteiten die zijn opgenomen in de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie of in bijlage 12-B bij deze Overeenkomst en behoudens de daarin vermelde voorbehouden33):
a. staat een Partij het volgende toe:
i. de toegang en het tijdelijke verblijf van binnen een onderneming overgeplaatste personen en zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden; en
ii. de tewerkstelling op haar grondgebied van binnen een onderneming overgeplaatste personen uit de andere Partij; en
b. een Partij mag, op basis van een territoriale onderverdeling of op basis van haar gehele grondgebied, geen beperkingen handhaven of vaststellen met betrekking tot het totale aantal natuurlijke personen dat een onderneming als binnen een onderneming overgeplaatste personen en zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden in een specifieke sector in dienst mag nemen, in de vorm van numerieke quota, of onderzoeken naar de economische behoefte, of discriminerende beperkingen.
2. De toegestane verblijfsduur bedraagt maximaal drie jaar voor binnen een onderneming overgeplaatste personen en maximaal 90 dagen34) voor zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden.
1. In de sectoren, subsectoren en activiteiten die zijn opgenomen in de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie of in bijlage 12-D bij deze Overeenkomst mag een Partij, behoudens de daarin vermelde voorbehouden35), geen beperkingen vaststellen of handhaven ten aanzien van het totale aantal dienstverleners op contractbasis van de andere Partij dat tijdelijk toegang heeft gekregen, in de vorm van numerieke quota of een onderzoek naar de economische behoefte, of van discriminerende beperkingen.
2. De uit hoofde van dit artikel verleende toegang betreft uitsluitend de dienst waarop het contract betrekking heeft en geeft geen recht op het voeren van de beroepstitel van de Partij waar de dienst wordt verleend.
3. Het aantal personen waarop het dienstencontract betrekking heeft, mag niet groter zijn dan nodig is om het contract uit te voeren, zoals mogelijk vereist door de wetgeving van de Partij waar de dienst wordt verleend.
4. De toegestane duur van het verblijf bedraagt in totaal ten hoogste drie maanden gedurende een periode van twaalf maanden, dan wel de duur van het contract indien dit korter is.
1. Elke Partij maakt informatie openbaar over relevante maatregelen met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen uit de andere Partij, als bedoeld in artikel 201, lid 1.
2. De in lid 1 bedoelde informatie omvat, voor zover mogelijk, onder meer de volgende informatie met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen:
a. toegangsvoorwaarden;
b. een indicatieve lijst van documenten die vereist kunnen zijn om te controleren of aan de voorwaarden is voldaan;
c. de indicatieve verwerkingstijd;
d. toepasselijke vergoedingen;
e. bezwaar- en beroepsprocedures, indien van toepassing; en
f. relevante wetgeving van algemene strekking met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen.
1. Deze afdeling is alleen van toepassing op sectoren waarvoor verbintenissen zijn opgenomen in bijlage 12-A bij deze Overeenkomst, de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en de bijlagen 12-B, 12-C en 12-D bij deze Overeenkomst, met betrekking tot vergunningsvereisten en -procedures, kwalificatievereisten en procedures die gevolgen hebben voor:
a. grensoverschrijdende handel in diensten;
b. vestiging of exploitatie; of
c. de verlening van een dienst via de aanwezigheid van een natuurlijke persoon van een Partij op het grondgebied van de andere Partij zoals bedoeld in artikel 201.
2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit of niet-gouvernementele organisatie die door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden uitoefent, een besluit mag nemen over de afgifte van een vergunning voor het verlenen van een dienst, ook als dat vestiging inhoudt, of over de afgifte van een vergunning om een onderneming te vestigen teneinde een andere economische activiteit dan dienstverlening uit te oefenen;
administratieve of procedureregels waaraan een persoon die verzoekt om een vergunning voor het verrichten van de in lid 1, punten a) tot en met c), bedoelde activiteiten, inclusief de wijziging of verlenging van een vergunning, moet voldoen om aan te tonen dat die persoon voldoet aan de vergunningsvereisten;
andere materiële eisen dan kwalificatievereisten, waaraan een persoon moet voldoen om een vergunning voor het verrichten van de in lid 1, punten a) tot en met c), bedoelde activiteiten te verkrijgen, te wijzigen of te verlengen;
administratieve of procedureregels waaraan een natuurlijke persoon moet voldoen om aan te tonen dat is voldaan aan de kwalificatievereisten om een vergunning voor het verlenen van een dienst te kunnen krijgen; en
materiële eisen met betrekking tot de competentie van een natuurlijke persoon om een dienst te verlenen, die moeten worden aangetoond om een vergunning voor het verlenen van een dienst te kunnen krijgen.
1. Elke Partij draagt er zorg voor dat maatregelen inzake vergunningsvereisten en -procedures en kwalificatievereisten en -procedures gebaseerd zijn op criteria die de bevoegde autoriteiten beletten hun beoordelingsbevoegdheid op een willekeurige wijze uit te oefenen. Die criteria moeten vooraf worden vastgesteld, duidelijk, ondubbelzinnig, objectief en transparant zijn en toegankelijk zijn voor het publiek en belanghebbenden.
2. De bevoegde autoriteit verleent een vergunning zodra naar aanleiding van een deugdelijk onderzoek is vastgesteld dat de aanvrager aan de voorwaarden voor verkrijging ervan voldoet.
3. Elk van beide Partijen houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in stand waarmee op verzoek van een betrokken dienstverlener of rechtspersoon van de andere Partij administratieve besluiten met betrekking tot vestiging, grensoverschrijdende handel in diensten of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden onverwijld kunnen worden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, door passende maatregelen kunnen worden rechtgezet. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van het orgaan dat bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, ziet elke Partij erop toe dat de procedures daadwerkelijk in een objectief en onpartijdig onderzoek voorzien.
4. Indien het aantal voor een bepaalde activiteit beschikbare vergunningen beperkt is vanwege de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de gebrekkige technische capaciteit, zorgt elke Partij ten aanzien van potentiële kandidaten voor een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van in het bijzonder een passende bekendmaking wat de aanvang, het verloop en de afronding van de procedure betreft. Bij de vaststelling van de regels voor de selectieprocedure kan elke Partij rekening houden met legitieme beleidsdoelstellingen, waaronder overwegingen op het gebied van gezondheid, veiligheid, milieubescherming en het behoud van cultureel erfgoed.
1. Vergunnings- en kwalificatieprocedures en -formaliteiten moeten helder zijn, van tevoren worden bekendgemaakt en mogen op zichzelf geen beperking vormen ten aanzien van de verlening van een dienst of de verrichting van enige andere economische activiteit. Elke Partij streeft ernaar deze procedures en formaliteiten zo eenvoudig mogelijk te houden, en mag de verlening van de dienst of de verrichting van enige andere economische activiteit niet onnodig bemoeilijken of vertragen. Eventuele vergoedingen voor vergunningen36) moeten redelijk en transparant zijn en mogen op zich geen belemmering vormen voor de verrichting van de betrokken dienst of van de betrokken economische activiteit.
2. Elke Partij ziet erop toe dat de procedures die de bevoegde autoriteit volgt en de besluiten die zij neemt onpartijdig zijn ten aanzien van alle aanvragers. De bevoegde autoriteit moet bij haar besluitvorming onafhankelijk zijn en geen verantwoording verschuldigd zijn aan de verleners van de diensten of de personen die de economische activiteiten uitoefenen waarvoor de vergunning vereist is.
3. Indien voor aanvragen een specifieke termijn bestaat, moet een aanvrager voor het indienen van een aanvraag over een redelijke termijn beschikken. De bevoegde autoriteit behandelt een aanvraag zonder onnodige vertraging. Indien mogelijk worden aanvragen in elektronische vorm geaccepteerd onder dezelfde voorwaarden inzake echtheid als papieren aanvragen.
4. Elke Partij ziet erop toe dat de behandeling van een aanvraag, met inbegrip van het definitieve besluit, wordt voltooid binnen een redelijke termijn na de indiening van een volledige aanvraag. Elke Partij streeft ernaar een indicatief tijdschema voor de behandeling van aanvragen vast te stellen en openbaar te maken.
5. Op verzoek van de aanvrager verstrekt de bevoegde instantie onverwijld inlichtingen over de status van de aanvraag.
6. De bevoegde autoriteit stelt binnen een redelijke termijn na ontvangst van een aanvraag dienaar haar oordeel onvolledig is, de aanvrager daarvan in kennis, vermeldt, voor zover dit haalbaar is, welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te vervolledigen en biedt de mogelijkheid om tekortkomingen te corrigeren.
7. De bevoegde autoriteit aanvaardt, waar mogelijk, gewaarmerkte kopieën in plaats van originele documenten.
8. Indien de bevoegde instantie een aanvraag afwijst, wordt dat de aanvrager schriftelijk zonder onnodige vertraging meegedeeld. Zij stelt de aanvrager desgevraagd ook in kennis van de redenen voor de afwijzing van de aanvraag en van de termijn waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld. Een aanvrager moet binnen een redelijke termijn opnieuw een aanvraag kunnen indienen.
9. Elke Partij zorgt ervoor dat zodra een vergunning is verleend, zij overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden zo spoedig mogelijk in werking treedt.
BESTELDIENSTEN
1. Deze afdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor de verlening van besteldiensten waarvoor verbintenissen zijn opgenomen in bijlage 12-A bij deze Overeenkomst, de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en de bijlagen 12-B, 12-C en 12-D bij deze Overeenkomst.
2. In deze afdeling wordt verstaan onder:
postdiensten, expresbesteldiensten of exprespostdiensten die de volgende activiteiten omvatten: het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen;
het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen tegen verhoogde snelheid en met een grotere betrouwbaarheid, waarbij elementen met toegevoegde waarde inbegrepen kunnen zijn, zoals ophaling vanaf het punt van herkomst, persoonlijke bezorging aan de geadresseerde, tracering, mogelijkheid om de bestemming en de geadresseerde in doorvoer te veranderen of ontvangstbevestiging;
internationale expresbesteldiensten die worden verleend via het samenwerkingsverband EMS, de vrijwillige vereniging van aangewezen postexploitanten in het kader van de Wereldpostunie;
een machtiging die een regelgevende instantie van een Partij aan een leverancier van besteldiensten kan verlenen voor het recht om postdiensten, expresbesteldiensten of exprespostdiensten te verrichten;
een zending tot 31,5 kg, geadresseerd in de definitieve vorm waarin zij moet worden vervoerd door een aanbieder van besteldiensten, met inbegrip van zendingen zoals brieven of pakketten;
het exclusieve recht om op grond van een wetgevingsmaatregel bepaalde besteldiensten te verlenen op het grondgebied van die Partij of een onderverdeling daarvan; en
de permanente levering van een besteldienst van een bepaalde kwaliteit op alle punten op het grondgebied van een Partij of een onderverdeling daarvan aan alle klanten tegen betaalbare prijzen.
1. Elke Partij heeft het recht vast te stellen welk soort universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven en te beslissen over het toepassingsgebied en de uitvoering ervan. Elke universeledienstverplichting wordt op transparante, niet-discriminerende en neutrale wijze ten aanzien van alle aan de verplichting onderworpen leveranciers beheerd.
2. Indien een Partij verlangt dat inkomende exprespostdiensten worden verleend in het kader van een universele dienst, verleent zij die dienst geen voorkeursbehandeling ten opzichte van andere internationale expresbesteldiensten.
Een Partij mag geen vergoedingen of andere kosten in rekening brengen voor de levering van een besteldienst die geen universele dienst is met het oog op de financiering van de levering van een universele dienst37).
Elke Partij garandeert dat een verstrekker van besteldiensten die met een universeledienstverplichting belast is of een postmonopolie heeft, geen marktverstorende praktijken opzet.
1. Indien een Partij een vergunning voor het verlenen van besteldiensten vereist, maakt zij het volgende openbaar:
a. alle vergunningsvereisten en de periode die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen; en
b. de voorwaarden van de vergunning.
2. De procedures, verplichtingen en vereisten van een vergunning moeten transparant, niet-discriminerend en op objectieve criteria gebaseerd zijn.
3. Indien een bevoegde autoriteit een vergunningsaanvraag afwijst, stelt zij de aanvrager schriftelijk in kennis van de redenen voor de afwijzing. Elke Partij legt een procedure vast voor het instellen van beroep bij een onafhankelijke instantie die ter beschikking staat voor de aanvragers aan wie een vergunningsaanvraag werd geweigerd. Deze onafhankelijke instantie kan een rechtbank zijn.
1. Elke Partij richt een regelgevende instantie op of houdt die in stand, die juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk is van alle aanbieders van besteldiensten. Indien een Partij eigenaar is van of zeggenschap heeft over een dienstverlener die elektronische-communicatienetwerken exploiteert of elektronische-communicatiediensten verleent, zorgt die Partij voor een werkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met de eigendom of de zeggenschap verband houdende activiteiten.
2. De toezichthoudende instanties voeren hun taken op transparante en tijdige wijze uit en beschikken over voldoende financiële en personele middelen om de hun toegewezen taken uit te voeren. Hun beslissingen zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.
Deze afdeling bevat beginselen van het regelgevingskader waaruit gevolgen voortvloeien voor telecommunicatienetwerken en -diensten waarvoor verbintenissen zijn opgenomen in bijlage 12-A bij deze Overeenkomst, de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en de bijlagen 12-B, 12-C en 12-D bij deze Overeenkomst.
Voor de toepassing van deze afdeling gelden de volgende definities:
diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten die verband houden met een telecommunicatienetwerk of -dienst die de levering van diensten via dat netwerk of die dienst mogelijk maken of ondersteunen of daartoe het potentieel hebben;
faciliteiten van een openbaar telecommunicatienetwerk of openbare telecommunicatiedienst die:
i. uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door een enkele of een beperkt aantal leveranciers; en
ii. niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen met het oog op het verlenen van een dienst;
de koppeling van openbare telecommunicatienetwerken die door dezelfde of verschillende aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten worden gebruikt om de gebruikers van een leverancier in staat te stellen te communiceren met gebruikers van dezelfde of een andere leverancier of om toegang te krijgen tot diensten die door een andere leverancier worden aangeboden. Diensten kunnen worden verleend door de betrokken leveranciers of door een andere leverancier die toegang heeft tot het netwerk;
telecommunicatiediensten of -faciliteiten, met inbegrip van virtuele diensten, die capaciteit reserveren voor specifiek gebruik door of beschikbaarheid voor een gebruiker tussen twee of meer aangewezen punten;
een aanbieder van telecommunicatienetwerken of -diensten die, gelet op de prijs en het aanbod, de voorwaarden voor deelneming aan een relevante markt voor telecommunicatienetwerken of -diensten wezenlijk kan beïnvloeden als gevolg van zeggenschap over essentiële faciliteiten of het gebruik van zijn positie op die markt;
een voorziening of uitrusting die wordt gebruikt voor het leveren van een telecommunicatiedienst, met inbegrip van kenmerken, functies en mogelijkheden die door middel van die faciliteit of uitrusting worden geleverd;
elk telecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten tussen netwerkaansluitpunten;
elke telecommunicatiedienst die in het algemeen aan het publiek wordt aangeboden;
de transmissie en ontvangst van signalen via elektromagnetische middelen;
de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, met inbegrip van netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen en te ontvangen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen;
de instantie(s) die door een Partij belast is (zijn) met de regulering van onder deze hoofdstuk vallende telecommunicatienetwerken en -diensten;
een dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in de transmissie en ontvangst van signalen, met inbegrip van omroepsignalen, via telecommunicatienetwerken, met inbegrip van die welke voor omroep worden gebruikt, maar geen dienst waarbij met behulp van telecommunicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd;
het minimale pakket aan diensten van een bepaalde kwaliteit dat op het grondgebied van een Partij of een onderverdeling daarvan tegen een betaalbare prijs beschikbaar moet worden gesteld voor alle gebruikers of voor een deel van de gebruikers, ongeacht hun geografische locatie; en
elke persoon die gebruikmaakt van een openbare telecommunicatiedienst.
1. Elke Partij richt een regelgevende autoriteit voor telecommunicatie op of houdt die in stand die:
a. juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk is van elke leverancier van telecommunicatienetwerken, telecommunicatiediensten of telecommunicatieapparatuur;
b. gebruikmaakt van procedures en beslissingen uitvaardigt die onpartijdig zijn ten aanzien van alle marktdeelnemers;
c. onafhankelijk handelt en geen instructies vraagt of aanvaardt van andere instanties met betrekking tot de uitoefening van de taken die haar bij wet zijn opgedragen om de verplichtingen van de artikelen 218 tot en met 220, 222 en 223 te handhaven;
d. over de regelgevende bevoegdheid en over voldoende financiële en personele middelen beschikt om die taken uit te voeren;
e. de bevoegdheid heeft ervoor te zorgen dat aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten haar, op verzoek, onverwijld alle informatie, met inbegrip van financiële informatie, verstrekken die nodig is om deze taken uit te voeren;
f. alle gevraagde informatie die is ontvangen op grond van een verzoek uit hoofde van punt e) behandelt in overeenstemming met de vereisten van vertrouwelijkheid; en
g. haar bevoegdheden op transparante en tijdige wijze uitoefent.
2. Elke Partij ziet erop toe dat de taken van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie in een gemakkelijk toegankelijke en duidelijke vorm openbaar worden gemaakt, met name wanneer die taken aan meer dan één instantie zijn toegewezen.
3. Een Partij die de eigendom van of de zeggenschap over aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten behoudt, streeft ernaar te zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.
4. Elke Partij ziet erop toe dat een gebruiker of leverancier van telecommunicatienetwerken of -diensten die gevolgen ondervindt van een besluit van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie, beroep kan instellen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van zowel de regelgevende autoriteit als de andere betrokken partijen. In afwachting van de uitkomst van het beroep blijft de beslissing gehandhaafd, tenzij overeenkomstig het recht van de Partij voorlopige maatregelen worden verleend.
1. Indien een Partij een vergunning vereist voor de verstrekking van telecommunicatienetwerken of -diensten, maakt zij openbaar voor welke soorten diensten een vergunning vereist is, alsmede alle vergunningscriteria, toepasselijke procedures en voorwaarden die in het algemeen met de desbetreffende vergunning verband houden.
2. Indien een Partij een formeel vergunningsbesluit verlangt, vermeldt zij een redelijke termijn die normaliter nodig is om een dergelijk besluit te verkrijgen en deelt zij dit op transparante wijze mee. Zij tracht ervoor te zorgen dat het besluit binnen de gestelde termijn wordt genomen.
3. Alle vergunningscriteria en toepasselijke procedures moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. Alle verplichtingen en voorwaarden die aan een vergunning worden opgelegd of daaraan verbonden zijn, moeten transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn en verband houden met de aangeboden diensten.
4. Elke Partij ziet erop toe dat een aanvrager schriftelijk de redenen ontvangt voor de weigering of intrekking van een vergunning of voor het opleggen van specifieke voorwaarden aan de aanbieder. In dergelijke gevallen heeft een aanvrager het recht beroep in te stellen bij een beroepsinstantie.
5. De aan leveranciers opgelegde administratieve vergoedingen moeten redelijk, transparant en niet-discriminerend zijn.
Elke Partij ziet erop toe dat een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten het recht en, wanneer een andere aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten daarom verzoekt, de plicht heeft om te onderhandelen over interconnectie met het oog op het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.
1. Elke Partij ziet erop toe dat alle door een rechtspersoon van de andere Partij gevestigde ondernemingen of dienstverleners uit de andere Partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden38) toegang krijgen tot en gebruik kunnen maken van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten. Deze verplichting wordt, onder meer, door toepassing van de leden 2 tot en met 5 uitgevoerd.
2. Elke Partij ziet erop toe dat alle door een rechtspersoon van de andere Partij gevestigde ondernemingen of dienstverleners uit de andere Partij toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van alle openbare telecommunicatienetwerken of -diensten die binnen of over haar grenzen worden aangeboden, met inbegrip van particuliere huurlijnen, en zorgt er daartoe, onverminderd lid 5, voor dat het dergelijke ondernemingen en leveranciers is toegestaan om:
a. eind- of andere apparatuur die met het openbare telecommunicatienetwerk verbonden is en die nodig is om hun diensten te verlenen, te kopen of huren, en aan dat netwerk te koppelen;
b. interconnectie tot stand te brengen tussen particuliere geleasede of in eigendom zijnde lijnen en openbare telecommunicatienetwerken of lijnen die worden geleased of eigendom zijn van een andere onderneming of dienstverlener; en
c. exploitatieprotocollen van hun keuze te gebruiken, andere dan die welke noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de telecommunicatienetwerken en -diensten beschikbaar zijn voor het algemene publiek.
3. Elke Partij ziet erop toe dat door een rechtspersoon van de andere Partij gevestigde ondernemingen of dienstverleners uit de andere Partij openbare telecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gebruiken voor het verkeer van informatie op haar grondgebied en over haar grenzen heen, daarbij inbegrepen de interne bedrijfscommunicatie van die dienstverleners, en voor toegang tot informatie in gegevensbestanden of tot informatie die op andere wijze in machine-leesbare vorm is opgeslagen op het grondgebied van een van de Partijen.
4. Niettegenstaande het bepaalde in lid 3 kan een Partij de nodige maatregelen nemen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van de communicatie te waarborgen, mits die maatregelen niet worden toegepast op een wijze die hetzij een verkapte beperking van de handel in diensten, hetzij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie vormt, hetzij de voordelen uit hoofde van dit hoofdstuk tenietdoet of uitholt.
5. Elke Partij ziet erop toe dat voor de toegang tot, of het gebruik van, openbare telecommunicatienetwerken of -diensten uitsluitend voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn:
a. ter vrijwaring van de verantwoordelijkheid als openbare instantie van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten en met name hun bevoegdheid hun diensten aan het algemene publiek ter beschikking te stellen; of
b. ter bescherming van de technische integriteit van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.
6. Dit artikel wordt van toepassing vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst, of, indien dit eerder is, vanaf de datum van toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO.
1. Elke Partij ziet erop toe dat de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie, in geval van een geschil tussen aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten in verband met rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze afdeling, en op verzoek van een bij het geschil betrokken partij, binnen een redelijke termijn een bindend besluit neemt om het geschil op te lossen.
2. De beslissing van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens. De betrokken partijen wordt een volledige verklaring verstrekt over de redenen waarop de beslissing is gebaseerd en zij hebben het recht beroep aan te tekenen als bedoeld in artikel 217, lid 4.
3. De procedure van de leden 1 en 2 laat het recht van de betrokken partijen om bij een rechterlijke instantie een procedure in te leiden, onverlet.
Elke Partij neemt of handhaaft passende maatregelen om te voorkomen dat aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten, die, alleen of samen met anderen, grote aanbieders zijn, overgaan tot concurrentiebeperkende praktijken of die voortzetten. In dit verband wordt onder concurrentiebeperkende praktijken met name het volgende verstaan:
a. het op mededingingsbeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring;
b. het op mededingingsverstorende wijze gebruiken van informatie van concurrenten; en
c. het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die deze dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.
1. Elke Partij ziet erop toe dat grote aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten interconnectie aanbieden op elk technisch haalbaar punt in het netwerk. Die interconnectie moet worden geleverd:
a. onder niet-discriminatoire voorwaarden, onder meer wat betreft tarieven, technische normen, specificaties, kwaliteit en onderhoud, en met een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten van een dergelijke grote aanbieder, voor soortgelijke diensten van dochterondernemingen of gelieerde ondernemingen;
b. binnen een redelijke termijn, op voorwaarden, onder meer wat betreft tarieven, technische normen, specificaties, kwaliteit en onderhoud, die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat de aanbieder niet hoeft te betalen voor netwerkonderdelen of -faciliteiten die hij voor de levering van zijn diensten niet nodig heeft; en
c. op verzoek via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.
2. De procedures voor interconnectie met een grote aanbieder worden algemeen bekendgemaakt.
3. Grote aanbieders maken hun interconnectieovereenkomsten of hun referentie-aanbiedingen voor interconnectie, in voorkomend geval, algemeen bekend.
1. Elke Partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied hun essentiële faciliteiten tegen redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden ter beschikking stellen van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten met het oog op het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten, wanneer dat noodzakelijk is om daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen.
2. Wanneer een besluit van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie vereist is om naleving van lid 1 te waarborgen:
a. moet een dergelijk besluit worden gerechtvaardigd op basis van de vastgestelde feiten en de beoordeling van de markt door de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie;
b. is de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie bevoegd om:
i. te bepalen welke essentiële faciliteiten een grote aanbieder beschikbaar moet stellen; en
ii. een grote aanbieder te verplichten om op ongebundelde basis toegang te verlenen tot zijn netwerkelementen die essentiële faciliteiten zijn.
1. Elke Partij ziet erop toe dat de toewijzing en verlening van gebruiksrechten voor schaarse middelen, met inbegrip van radiospectrum, nummers en doorgangsrechten, geschiedt op een open, objectieve, tijdige, transparante, niet-discriminerende en evenredige wijze en met inachtneming van doelstellingen van algemeen belang. De procedures en de aan gebruiksrechten verbonden voorwaarden en verplichtingen zijn gebaseerd op objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.
2. Het huidige gebruik van toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van radiospectra die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.
1. Elke Partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven en te beslissen over het toepassingsgebied en de uitvoering ervan.
2. Elke Partij beheert de universeledienstverplichtingen op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze, die neutraal is ten aanzien van de mededinging en niet belastender is dan nodig is voor het soort universele dienst dat door de Partij is gedefinieerd.
3. Wanneer een Partij besluit een aanbieder van een universele dienst aan te wijzen, ziet zij erop toe dat de procedures voor de aanwijzing van aanbieders van universele diensten openstaan voor alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten. De aanwijzing geschiedt door middel van een efficiënt, transparant en niet-discriminerend mechanisme.
4. Wanneer een Partij besluit de aanbieders van de universele diensten te compenseren, ziet zij erop toe dat die compensatie niet hoger is dan de nettokosten die door de universeledienstverplichting worden veroorzaakt.
1. Elke Partij ziet erop toe dat aanbieders die bij onderhandelingen over regelingen op grond van de artikelen 219, 220, 223 en 224 informatie van een andere aanbieder ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die is verstrekt, en de vertrouwelijkheid van de doorgegeven of opgeslagen informatie te allen tijde eerbiedigen.
2. Elke Partij waarborgt de vertrouwelijkheid van de communicatie en daarmee verband houdende verkeersgegevens die bij het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten worden doorgegeven, met dien verstande dat de daartoe genomen maatregelen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de handel in diensten vormen.
1. Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op de verlening van financiële diensten waarvoor verbintenissen zijn opgenomen in bijlage 12-A bij deze Overeenkomst, de GATS-lijsten van specifieke verbintenissen van de Europese Unie en de bijlagen 12-B, 12-C en 12-D bij deze Overeenkomst.
2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „activiteiten verricht of diensten verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag” als bedoeld in artikel 189, punt b), verstaan:
a. activiteiten van een centrale bank, monetaire autoriteit of enige andere overheidsinstantie om monetair of wisselkoersbeleid uit te voeren;
b. activiteiten in het kader van een wettelijk systeem van sociale zekerheid of algemene ouderdomsvoorziening; en
c. andere activiteiten die door een overheidsinstantie worden verricht voor rekening of met de garantie of met gebruikmaking van de financiële middelen van de Partij of haar overheidsinstanties.
3. Met het oog op de toepassing van artikel 189, punt q): indien een Partij toestaat dat een van de in lid 2, punten b), of c), van dit artikel bedoelde activiteiten door haar verleners van financiële diensten in concurrentie met een overheidsinstantie of een verlener van financiële diensten wordt uitgevoerd, omvatten „diensten” die activiteiten.
4. Artikel 189, punt b), is niet van toepassing op diensten die onder deze afdeling vallen.
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
elke dienst van financiële aard die door een aanbieder van financiële diensten van een Partij wordt verleend en de volgende activiteiten omvat:
i. verzekeringen en aanverwante diensten:
A. directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):
1. levensverzekering;
2. schadeverzekering;
B. herverzekering en retrocessie;
C. verzekeringsbemiddeling, zoals makelaardij en agentschap; en
D. ondersteunende diensten in de verzekeringssector, zoals diensten van adviseurs en actuarissen en diensten in verband met risicobeoordeling en de afwikkeling van claims;
ii. bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):
A. aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;
B. alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;
C. financiële lease;
D. alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;
E. garanties en verbintenissen;
F. transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten op de beurs, buiten de beurs of anderszins, ten aanzien van:
1. geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);
2. deviezen;
3. derivaten, zoals futures en opties;
4. wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;
5. verhandelbare effecten;
6. andere verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;
G. deelneming in emissies van diverse soorten effecten, met inbegrip van het garanderen en plaatsen van effecten als agent (openbaar of particulier) en het verlenen van daarmede verband houdende diensten;
H. geldmakelaarsdiensten;
I. beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;
J. betalings- en compensatiediensten voor financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare stukken;
K. verstrekking en doorgifte van financiële informatie en verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software; en
L. advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder de bovenstaande punten A) tot en met K) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnamen, bedrijfsreorganisaties en -strategieën;
een persoon uit een Partij die financiële diensten aanbiedt of verleent, met uitzondering van overheidsinstanties;
i. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een Partij, of een instantie die eigendom is van een Partij of onder zeggenschap staat van een Partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van entiteiten die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis; of
ii. een particuliere instantie, wanneer die taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld;
elk niet-gouvernementeel orgaan, met inbegrip van effecten- of termijnbeurzen of effecten- of termijnmarkten, verrekenkantoren, andere organisaties of verenigingen dat op grond van de wetgeving of een delegatie van de centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten een regulerende of toezichthoudende bevoegdheid uitoefent ten aanzien van verleners van financiële diensten, waar van toepassing.
1. Niets in deze Overeenkomst staat eraan in de weg dat een Partij prudentiële maatregelen vaststelt of handhaaft, zoals:
a. de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is;
b. het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem van een Partij.
2. In gevallen waarin dergelijke maatregelen niet in overeenstemming met deze Overeenkomst zijn, mogen zij niet worden gebruikt als middel om de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verbintenissen of verplichtingen van een Partij te ontwijken.
3. Niets in deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat het een Partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de rekeningen van individuele consumenten, dan wel vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit is van overheidsinstanties.
De Partijen streven ernaar dat internationaal overeengekomen normen voor regelgeving en toezicht, voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en voor de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking in de financiëledienstensector op hun grondgebied worden uitgevoerd en toegepast. Dergelijke internationaal overeengekomen normen zijn onder meer die welke zijn vastgesteld door het Bazels Comité voor Bankentoezicht (BCBS), met name het „Core Principle for Effective Banking Supervision” daarvan, de International Association of Insurance Supervisors (IAIS), met name de „Insurance Core Principles” daarvan, de International Organisation of Securities Commissions (IOSCO), in het bijzonder de „Objectives and Principles of Securities Regulation” daarvan, de FATF, en het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden van de OESO.
Wanneer een Partij lidmaatschap van, deelname aan of toegang tot een zelfregulerende organisatie vereist opdat verleners van financiële diensten uit de andere Partij financiële diensten op haar grondgebied kunnen verlenen, zorgt die Partij ervoor dat in artikel 194 omschreven verplichtingen door die zelfregulerende organisatie worden nageleefd.
Onder de voorwaarden die de nationale behandeling toelaat, verschaft elke Partij aan op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere Partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van openbare entiteiten, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel verleent geen toegang tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van de Partij.
1. Dit artikel bevat de beginselen voor de liberalisering van diensten met betrekking tot internationaal zeevervoer.
2. Voor de toepassing van deze afdeling omvat „internationaal zeevervoer” multimodaal vervoer van deur tot deur, zijnde het vervoer van goederen met behulp van meer dan één wijze van vervoer dat ten dele over zee plaatsvindt, met één enkel vervoersdocument, en in verband daarmee ook het recht voor internationale zeevervoerders rechtstreeks contracten te sluiten met aanbieders van andere wijzen van vervoer.
3. Met betrekking tot de in lid 4 genoemde activiteiten die door scheepvaartmaatschappijen worden ondernomen voor diensten in verband met internationaal zeevervoer, staat elke Partij aan de rechtspersonen van de andere Partij toe om op haar grondgebied een vestiging te hebben in de vorm van dochterondernemingen of filialen, onder voorwaarden van vestiging en exploitatie die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen rechtspersonen of aan dochterondernemingen of filialen van rechtspersonen uit derde landen toekent, indien deze laatste gunstiger zijn.
4. De activiteiten waarop lid 3 betrekking heeft, zijn onder andere:
a. het op de markt brengen en de verkoop van maritieme vervoersdiensten en aanverwante diensten door rechtstreekse contacten met klanten, van prijsopgave tot facturering;
b. aankoop en wederverkoop van alle vervoersdiensten en aanverwante diensten, met inbegrip van diensten, met betrekking tot het vervoer over binnenwateren, die voor een intermodale dienstverlening vereist zijn;
c. voorbereiding van documentatie betreffende vervoersdocumenten, douanedocumenten of andere documenten in verband met de oorsprong en de aard van de vervoerde goederen;
d. het verschaffen van handelsinformatie op iedere mogelijke wijze, onder meer door middel van geautomatiseerde informatiesystemen en systemen voor elektronische gegevensuitwisseling, met inachtneming van alle niet-discriminatoire beperkingen op het telecommunicatieverkeer;
e. het sluiten van enigerlei handelsovereenkomst met andere scheepvaartmaatschappijen; en
f. het optreden namens rechtspersonen, onder andere door het organiseren van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht.
5. Gezien het huidige niveau van de liberalisering tussen de Partijen op het gebied van het internationale zeevervoer:
a. past elke Partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten op commerciële en niet-discriminerende grondslag toe; en
b. kent elke Partij aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere Partij, of worden geëxploiteerd door dienstverleners uit de andere Partij, een niet minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen of aan die van een derde land toekent indien deze behandeling gunstiger is, voor, onder meer, de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en havendiensten, het gebruik van hulpdiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.
6. Bij de toepassing van de in dit artikel beschreven beginselen geldt het volgende:
a. de Partijen mogen in toekomstige overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen opnemen met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en moeten dergelijke vrachtverdelingsregelingen wanneer zij in vroegere overeenkomsten voorkomen, binnen een redelijke termijn beëindigen; en
b. de Partijen heffen alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen vormen of een discriminerend effect kunnen hebben op het vrij verrichten van internationale zeevervoersdiensten, en zij zien af van invoering ervan.
7. Elke Partij geeft verleners van internationale zeevervoersdiensten uit de andere Partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot de volgende havendiensten: loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophalen en verwerking van afval en ballastwater, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren, alsmede diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen.
1. Onverminderd de overige bepalingen van deze Overeenkomst staat elke Partij alle betalingen en overmakingen in verband met transacties op de lopende rekening van de betalingsbalans toe die onder het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen, in een vrij converteerbare valuta39) en overeenkomstig de Statuten van het Internationale Monetaire Fonds die op 22 juli 1944 op de Monetaire en financiële conferentie van de Verenigde Naties zijn aangenomen, in voorkomend geval.
2. Onverminderd de andere bepalingen van deze Overeenkomst stemt elke Partij met betrekking tot de transacties op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans in met het vrije verkeer van kapitaal dat verband houdt met directe investeringen die in overeenstemming met de op haar grondgebied geldende wetgeving en hoofdstuk 12 zijn gedaan, met inbegrip van de liquidatie of repatriëring van deze investeringen en van alle opbrengsten daarvan.
3. Onverminderd hetgeen elders in deze Overeenkomst is bepaald, voeren de Partijen geen nieuwe beperkingen in ten aanzien van de valutatransacties in het kader van het kapitaalverkeer en de daarmee verband houdende lopende betalingen tussen ingezetenen van de Europese Unie en van de Republiek Oezbekistan en brengen zij in de bestaande regelingen geen verdere beperkingen aan.
4. De Partijen treden met elkaar in overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken om handel en investeringen te bevorderen.
1. Artikel 234, leden 1, 2, en 3, mag niet worden uitgelegd als beletsel voor een Partij om toepassing te geven aan haar wet- en regelgeving betreffende:
a. faillissement, insolventie of crediteurenbescherming;
b. de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van effecten, futures, opties en andere financiële instrumenten;
c. de financiële verslaglegging of registratie van kapitaalbewegingen, betalingen of overdrachten, indien noodzakelijk ter ondersteuning van de met de rechtshandhaving of financiële regelgeving belaste instanties;
d. overtredingen of misdrijven, misleidende of frauduleuze praktijken;
e. waarborgen dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken in gerechtelijke of administratieve procedures; of
f. socialezekerheidsregelingen, wettelijke pensioenregelingen of verplichte spaarregelingen.
2. De in lid 1 bedoelde wet- en regelgeving mag niet willekeurig of discriminerend worden toegepast, noch anderszins een verkapte beperking van kapitaalstromen, betalingen of overmakingen vormen.
1. In uitzonderlijke omstandigheden bij ernstige moeilijkheden, of dreigende ernstige moeilijkheden, voor de werking van de economische en monetaire unie van de Europese Unie, of voor de werking van het monetaire of wisselkoersbeleid in het geval van de lidstaten die niet aan de euro deelnemen en van de Republiek Oezbekistan, kunnen de Europese Unie, haar lidstaten of de Republiek Oezbekistan voor een periode van ten hoogste zes maanden vrijwaringsmaatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot het kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen.
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is.
1. Als een Partij ernstige moeilijkheden ondervindt of dreigt te ondervinden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, kan zij beperkende maatregelen vaststellen of handhaven ten aanzien van het kapitaalverkeer, betalingen of overmakingen40).
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen:
a. zijn in overeenstemming met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, waar van toepassing;
b. mogen niet verder gaan dan gezien de in lid 1 beschreven omstandigheden noodzakelijk is;
c. zijn tijdelijk en worden geleidelijk opgeheven naarmate de in lid 1 omschreven situatie verbetert;
d. moeten onnodig nadeel aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere Partij vermijden;
e. zijn niet-discriminerend ten opzichte van derde landen in vergelijkbare situaties.
3. Ten aanzien van de handel in goederen kan elke Partij beperkende maatregelen instellen ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de GATT 1994 en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994.
4. Ten aanzien van de handel in diensten kan elke Partij beperkende maatregelen instellen ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel XII van de GATS.
5. Een Partij die in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen handhaaft of heeft genomen, stelt de andere Partij daarvan onverwijld in kennis.
6. Indien op grond van dit artikel beperkingen worden ingesteld of gehandhaafd, voeren de Partijen hierover onverwijld overleg in het Samenwerkingscomité, tenzij in andere fora overleg plaatsvindt. Tijdens het overleg worden de problemen op het gebied van de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie die tot de respectievelijke maatregelen hebben geleid, beoordeeld, rekening houdend met onder meer de volgende factoren:
a. de aard en omvang van de betalingsbalansmoeilijkheden of de moeilijkheden met betrekking tot de buitenlandse financiële positie;
b. de buitenlandse economische positie en handelssituatie; en
c. andere corrigerende maatregelen die kunnen worden genomen.
7. Het in lid 6 bedoelde overleg betreft de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 1 en 2. Alle eventueel beschikbare relevante bevindingen van statistische of feitelijke aard die van het Internationaal Monetair Fonds afkomstig zijn, worden aanvaard en bij de conclusies wordt rekening gehouden met het oordeel van het Internationaal Monetair Fonds over de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie van de betrokken Partij.
Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme op te zetten om geschillen tussen de Partijen over de uitlegging en toepassing van deze titel te vermijden of te beslechten teneinde waar mogelijk tot een voor beide Partijen overeengekomen oplossing te komen.
Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op geschillen tussen de Partijen over de uitlegging en toepassing van deze titel (hierna „de bestreken bepalingen” genoemd).
1. De Partijen streven ernaar elk in artikel 239 bedoelde geschil op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
2. Een Partij verzoekt de andere Partij schriftelijk om overleg en geeft daarbij aan om welke maatregel het gaat en welke bestreken bepalingen zij van toepassing acht.
3. De Partij waaraan het verzoek om overleg wordt gericht, beantwoordt het verzoek spoedig, doch uiterlijk tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek. Het overleg wordt binnen 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek om overleg gehouden en vindt, tenzij de Partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek om overleg gericht is. Het overleg wordt 30 dagen na de datum van mededeling van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de Partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
4. Overleg over urgente aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke goederen of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, wordt binnen 15 dagen na de datum van mededeling van het verzoek om overleg geopend. Het overleg wordt 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de Partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.
5. Tijdens het overleg verstrekt elke Partij voldoende feitelijke informatie zodat een volledig onderzoek mogelijk is naar de wijze waarop de betrokken maatregel van invloed kan zijn op de toepassing van deze titel. Elke Partij streeft ernaar de deelname te garanderen van personeel van hun bevoegde overheidsinstanties die deskundig zijn op het gebied waarover het overleg plaatsvindt.
6. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de Partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van elk van de Partijen in latere procedures onverlet.
1. Een Partij die overeenkomstig artikel 240 om overleg heeft verzocht, kan om de instelling van een panel verzoeken indien:
a. de Partij waartegen de klacht gericht is niet binnen tien dagen na de datum van mededeling van het verzoek om overleg reageert;
b. het overleg niet binnen de in artikel 240, lid 3 of lid 4, vastgestelde termijnen plaatsvindt;
c. de Partijen overeenkomen geen overleg te voeren; of
d. het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt.
2. Een Partij die om de instelling van een panel verzoekt (hierna „de klagende Partij” genoemd), doet dit door middel van een schriftelijk verzoek aan de Partij waarvan wordt beweerd dat zij de bestreken bepalingen schendt (hierna „de verwerende Partij” genoemd) en, indien van toepassing, aan elk extern orgaan dat overeenkomstig lid 3 is belast (hierna „panelverzoek” genoemd). De klagende Partij vermeldt in haar panelverzoek om welke maatregel het gaat en legt uit hoe die maatregel een inbreuk op de bestreken bepalingen vormt, op een wijze die voldoende is om de rechtsgrondslag van de klacht duidelijk aan te tonen.
3. Het Samenwerkingscomité kan besluiten een extern orgaan te belasten met het beheer van de in dit hoofdstuk bedoelde geschillenbeslechtingsprocedures of met het verlenen van ondersteuning. Een dergelijk besluit heeft ook betrekking op de kosten die voortvloeien uit de toewijzing.
1. Een panel bestaat uit drie panelleden.
2. Uiterlijk 15 dagen na de datum van mededeling van het panelverzoek plegen de Partijen overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het panel.
3. Indien de Partijen binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het panel, benoemt elke Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn een panellid uit de op grond van artikel 243 voor die Partij opgestelde deellijst. Indien een Partij binnen de in lid 3 van dit artikel vastgestelde termijn geen panellid uit haar deellijst benoemt, wijst de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van de in lid 3 van dit artikel vastgestelde termijn door loting een panellid aan uit de deellijst van die Partij. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij kan die aanwijzing door loting van het panellid delegeren.
4. Indien de Partijen binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn geen overeenstemming bereiken over de voorzitter van het panel, wijst de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van die termijn door middel van loting de voorzitter van het panel aan uit de op grond van artikel 243 opgestelde deellijst van voorzitters. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij kan die aanwijzing door loting delegeren.
5. Het panel wordt geacht te zijn ingesteld 15 dagen nadat de drie geselecteerde panelleden hun benoeming overeenkomstig bijlage 14-A hebben aanvaard, tenzij de Partijen anders overeenkomen. Elke Partij maakt de datum van instelling van het panel onverwijld openbaar.
6. Indien een van de in artikel 243 bedoelde lijsten niet is opgesteld of niet voldoende namen bevat op het tijdstip waarop een verzoek overeenkomstig lid 3 of lid 4 van dit artikel wordt gedaan, worden de panelleden door middel van loting aangewezen uit de personen die door een Partij of beide Partijen formeel zijn voorgedragen overeenkomstig bijlage 14-A.
1. Het Samenwerkingscomité stelt uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst een lijst op van ten minste 15 personen die bereid en in staat zijn om als panellid op te treden. Die lijst bestaat uit drie deellijsten:
a. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de Europese Unie is opgesteld;
b. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de Republiek Oezbekistan is opgesteld; en
c. een deellijst van personen die geen onderdaan van een van de Partijen zijn en die als voorzitter van het panel zullen fungeren.
2. Elke deellijst bevat ten minste vijf personen. Het Samenwerkingscomité ziet erop toe dat elke lijst te allen tijde uit dat minimumaantal personen blijft bestaan.
3. Het Samenwerkingscomité kan aanvullende lijsten opstellen van personen met kennis van en ervaring in specifieke onder deze titel vallende sectoren. Met instemming van de Partijen worden die aanvullende lijsten gebruikt voor de samenstelling van het panel overeenkomstig de procedure van artikel 242.
1. Elk panellid moet:
a. beschikken over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht, internationale handel en andere onder deze titel vallende aangelegenheden;
b. onafhankelijk zijn van, geen banden hebben met en geen instructies ontvangen van een van de Partijen;
c. op persoonlijke titel optreden en geen instructies aanvaarden van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil; en
d. voldoen aan bijlage 14-B.
2. De voorzitter beschikt over ervaring in geschillenbeslechtingsprocedures.
3. Gezien het voorwerp van een specifiek geschil kunnen de Partijen overeenkomen af te wijken van de in punt a) van lid 1 genoemde vereisten.
Het panel:
a. verricht een objectieve beoordeling van de aan het panel voorgelegde aangelegenheid, met inbegrip van een objectieve beoordeling van de feiten van de zaak en de toepasselijkheid van en overeenstemming met de bestreken bepalingen;
b. vermeldt in zijn besluiten en verslagen de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de bestreken bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en conclusies van het panel ten grondslag liggen; en
c. pleegt regelmatig overleg met de Partijen en biedt passende kansen voor de ontwikkeling van een onderling overeengekomen oplossing.
1. Tenzij de Partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het panel anders overeenkomen, bestaat de taakomschrijving van het panel eruit de in het panelverzoek beschreven aangelegenheid te onderzoeken in het licht van de desbetreffende bepalingen van deze titel waarnaar de Partijen verwijzen, bevindingen te doen over de verenigbaarheid van de maatregel in kwestie met de in artikel 239 bedoelde bepalingen van deze titel en een verslag uit te brengen overeenkomstig de artikelen 248 en 249.
2. Indien de Partijen andere taken overeenkomen dan die bedoeld in lid 1, stellen zij het panel binnen de in lid 1 bedoelde termijn in kennis van de overeengekomen taakomschrijving.
1. Op verzoek van een Partij beslist het panel uiterlijk tien dagen na de datum waarop het is ingesteld, of de zaak dringend is.
2. Indien het panel beslist dat het geschil dringend is, zijn de in afdeling 3 van dit hoofdstuk vastgestelde toepasselijke termijnen de helft van de daarin voorgeschreven tijd, met uitzondering van de in de artikelen 242 en 246 bedoelde termijnen.
1. Het panel legt de Partijen binnen 90 dagen na de datum van instelling van het panel een tussentijds verslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn tussentijds verslag in geen geval later voorleggen dan 120 dagen na de datum waarop het is ingesteld.
2. Elke Partij kan het panel binnen tien dagen na de voorlegging ervan schriftelijk verzoeken om bepaalde aspecten van het tussentijds verslag te herzien. Een Partij kan binnen zes dagen na de indiening van het verzoek opmerkingen maken over het verzoek van de andere Partij.
3. Indien binnen de in lid 2 bedoelde termijn van geen van beide Partijen een schriftelijk verzoek om herziening van bepaalde aspecten van het tussentijds verslag is ontvangen, wordt het tussentijds verslag het eindverslag.
1. Het panel legt de Partijen binnen 120 dagen na de datum van instelling van het panel zijn eindverslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn eindverslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn eindverslag in geen geval later voorleggen dan 150 dagen na de datum waarop het is ingesteld.
2. In het eindverslag wordt elk schriftelijk verzoek van de Partijen met betrekking tot het tussentijds verslag als bedoeld in artikel 248, lid 1, besproken en wordt duidelijk ingegaan op de opmerkingen van Partijen.
1. Indien het panel tot de conclusie komt dat de maatregel in kwestie niet in overeenstemming is met de bestreken bepalingen, neemt de verwerende Partij alle maatregelen die nodig zijn om de bevindingen en conclusies van het eindverslag onverwijld op te volgen teneinde de bestreken bepalingen na te leven.
2. De verwerende Partij stelt de klagende Partij uiterlijk 30 dagen na de indiening van het eindverslag in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen of voornemens is te nemen om het eindverslag na te leven.
1. Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, stelt de verwerende Partij, uiterlijk 30 dagen na de datum van indiening van het eindverslag de klagende Partij in kennis van de duur van de redelijke termijn die zij nodig heeft voor die naleving. De Partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de duur van de redelijke termijn voor de naleving van het eindverslag.
2. Indien de Partijen het niet eens zijn over de duur van de redelijke termijn, kan de klagende Partij ten vroegste 20 dagen na de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving schriftelijk verzoeken dat het oorspronkelijke panel de duur van de redelijke termijn vaststelt. Het panel doet zijn besluit binnen 20 dagen na de datum van indiening van dat verzoek aan de Partijen toekomen.
3. De verwerende Partij deelt de klagende Partij uiterlijk één maand voor het verstrijken van de overeenkomstig lid 2 vastgestelde redelijke termijn schriftelijk mee hoe ver zij is gevorderd met de naleving van het eindverslag.
4. De Partijen kunnen overeenkomen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde redelijke termijn te verlengen.
1. Uiterlijk bij het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 251 stelt de verwerende Partij de klagende Partij in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om het eindverslag na te leven.
2. In geval van onenigheid tussen de Partijen over het bestaan van maatregelen om het eindverslag na te leven of over de verenigbaarheid ervan met de bestreken bepalingen, kan de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken een besluit over de zaak te nemen. In dat verzoek wordt vermeld om welke maatregel het gaat en wordt uitgelegd hoe die maatregel een inbreuk op de bestreken bepalingen vormt, op een wijze die voldoende is om de rechtsgrondslag van de klacht duidelijk aan te tonen. Het panel doet zijn besluit binnen 46 dagen na de datum van indiening van dat verzoek aan de Partijen toekomen.
1. Op verzoek van en na overleg met de klagende Partij dient de verwerende Partij een voorstel voor tijdelijke compensatie in indien:
a. de verwerende Partij de klagende Partij in kennis stelt van het feit dat het niet mogelijk is om het eindverslag na te leven; of
b. de verwerende Partij verzuimt binnen de in artikel 250 bedoelde termijn of vóór het verstrijken van de redelijke termijn kennis te geven van een maatregel die zij met het oog op naleving heeft getroffen; of
c. het panel oordeelt dat er geen maatregelen met het oog op naleving zijn getroffen of dat de met het oog op naleving getroffen maatregel niet in overeenstemming is met de bestreken bepalingen.
2. In elk van de in lid 1, punten a), b), en c), bedoelde situaties kan de klagende Partij de verwerende Partij schriftelijk ervan kennis geven dat zij voornemens is de toepassing van verplichtingen uit hoofde van de bestreken bepalingen te schorsen indien:
a. de klagende Partij besluit geen verzoek uit hoofde van lid 1 in te dienen; of
b. de klagende Partij een verzoek uit hoofde van lid 1 van dit artikel heeft ingediend en de Partijen binnen 20 dagen na het verstrijken van de in artikel 251 bedoelde redelijke termijn of de uitspraak van het panel uit hoofde van artikel 252, lid 2, niet tot overeenstemming over de tijdelijke compensatie komen.
3. In de kennisgeving wordt vermeld in welke mate de verplichtingen zullen worden geschorst.
4. De klagende Partij kan de verplichtingen tien dagen na de datum van indiening van de in lid 2 bedoelde kennisgeving schorsen, tenzij de verwerende Partij een schriftelijk verzoek op grond van lid 6 indient.
5. De mate van schorsing van verplichtingen mag niet hoger zijn dan de mate die overeenkomt met de door de schending veroorzaakte tenietdoening of uitholling.
6. Indien de verwerende Partij van oordeel is dat de aangegeven mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of uitholling door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel vóór het verstrijken van de in lid 4 genoemde termijn van tien dagen verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel beslist over het niveau van schorsing van verplichtingen binnen 30 dagen na de datum van dat verzoek aan de Partijen. De verplichtingen worden niet opgeschort totdat het panel een beslissing heeft genomen. De schorsing van verplichtingen moet in overeenstemming zijn met die beslissing.
7. De schorsing van verplichtingen of de in dit artikel bedoelde compensatie is tijdelijk en wordt niet toegepast nadat:
a. de Partijen overeenkomstig artikel 269 tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen;
b. de Partijen zijn overeengekomen dat de Partij waartegen de klacht gericht is, door de getroffen nalevingsmaatregel in overeenstemming is gebracht met de bestreken bepalingen; of
c. alle maatregelen tot naleving waarvan het panel heeft vastgesteld dat zij onverenigbaar zijn met de bestreken bepalingen, zijn ingetrokken of gewijzigd zodat de Partij waartegen de klacht gericht is, die bepalingen naleeft.
1. De verwerende Partij stelt de klagende Partij in kennis van elke nalevingsmaatregel die zij heeft genomen na de schorsing van verplichtingen of na de toepassing van tijdelijke compensatie, al naargelang het geval. Met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen beëindigt de klagende Partij de schorsing van verplichtingen binnen 30 dagen na de kennisgeving. In gevallen waarin compensatie is toegepast, en met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen, kan de verwerende Partij de toepassing van die compensatie beëindigen binnen 30 dagen nadat zij kennis heeft gegeven van de naleving.
2. Indien de Partijen binnen 30 dagen na de indiening van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan is kennisgegeven, ertoe leidt dat de verwerende Partij in overeenstemming met de bedoelde bepalingen handelt, verzoekt de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Het panel doet zijn besluit binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen. Indien het panel van oordeel is dat de genomen nalevingsmaatregel in overeenstemming is met de bestreken bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen of de compensatie, al naargelang het geval, beëindigd. In voorkomend geval past de klagende Partij de mate van opschorting van de verplichtingen of de mate van de compensatie aan in het licht van het besluit van het panel.
3. Indien de verwerende Partij van oordeel is dat de door de klagende Partij doorgevoerde mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of uitholling door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel neemt een beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek.
Indien een panellid tijdens geschillenbeslechtingsprocedures op grond van deze afdeling, niet kan deelnemen, zich terugtrekt of moet worden vervangen omdat het niet aan bijlage 14-B voldoet, is de procedure van artikel 242 van toepassing. De termijn voor het verslag of het besluit van het panel wordt verlengd met de tijd die nodig is voor de benoeming van het nieuwe panellid.
1. Op de panelprocedures zijn deze afdeling en bijlage 14-A van toepassing.
2. Alle zittingen van het panel zijn toegankelijk voor het publiek, tenzij in bijlage 14-A anders is bepaald.
1. Het panel schort zijn werkzaamheden te allen tijde gedurende een door de Partijen overeengekomen periode van ten hoogste twaalf opeenvolgende maanden op wanneer beide Partijen daarom verzoeken.
2. Het panel hervat zijn werkzaamheden vóór het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van beide Partijen of aan het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van een van de Partijen. De verzoekende Partij doet de andere Partij dienovereenkomstig een kennisgeving toekomen. Indien het panel zijn werkzaamheden aan het einde van de schorsingsperiode niet overeenkomstig dit lid hervat, vervalt de bevoegdheid van het panel en wordt de geschillenbeslechtingsprocedure beëindigd.
3. Indien de werkzaamheden van het panel worden opgeschort, worden de relevante termijnen in deze afdeling verlengd met hetzelfde aantal dagen als de opschorting van de werkzaamheden heeft geduurd.
1. Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel bij de Partijen relevante informatie inwinnen die zij noodzakelijk en passend acht. De Partijen antwoorden onverwijld en volledig op elk verzoek om dergelijke informatie van het panel.
2. Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel alle relevante informatie uit eender welke bron inwinnen die het passend acht. Het panel heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, in voorkomend geval met inachtneming van door de Partijen overeengekomen voorwaarden.
3. Het panel behandelt bijdragen als amicus curiae afkomstig van natuurlijke personen van een Partij of in een Partij gevestigde rechtspersonen overeenkomstig bijlage 14-A.
4. Alle informatie die het panel uit hoofde van dit artikel verkrijgt, wordt aan de Partijen bekendgemaakt en de Partijen kunnen opmerkingen over die informatie indienen.
1. Het panel legt de bestreken bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd.
2. Het panel houdt tevens rekening met de relevante interpretaties in de verslagen van WTO-panels en van de Beroepsinstantie die zijn goedgekeurd door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO.
3. De verslagen en besluiten van het panel mogen de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van deze Overeenkomst niet verruimen of beperken.
1. De beraadslagingen van het panel zijn vertrouwelijk. Het panel stelt alles in het werk om verslagen op te stellen en besluiten te treffen bij consensus. Indien dat niet mogelijk is, besluit het panel bij meerderheid van stemmen. In geen geval worden afzonderlijke adviezen van panelleden openbaar gemaakt.
2. De beslissingen en verslagen van het panel worden door de Partijen onvoorwaardelijk aanvaard. Zij scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke personen of rechtspersonen.
3. Elke Partij maakt de verslagen, beslissingen en opmerkingen van het panel openbaar, onder voorbehoud van de bescherming van vertrouwelijke informatie.
4. Het panel en de Partijen behandelen informatie die door een Partij aan het panel is verstrekt overeenkomstig bijlage 14-A als vertrouwelijk.
1. Indien er een geschil ontstaat betreffende een specifieke maatregel over een mogelijke inbreuk op de bestreken bepalingen en een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van een andere internationale overeenkomst waarbij beide Partijen partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst, kiest de Partij die de procedure inleidt, het forum om het geschil bij te leggen.
2. Zodra een Partij het forum heeft gekozen en de procedures voor de geschillenbeslechting uit hoofde van deze afdeling of uit hoofde van een andere internationale overeenkomst heeft ingeleid, stelt deze Partij met betrekking tot de specifieke maatregel als bedoeld in lid 1, niet ook een procedure in voor de geschillenbeslechting uit hoofde van een andere overeenkomst, tenzij het eerst gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen.
3. Voor de toepassing van dit artikel:
a. worden de procedures voor geschillenbeslechting krachtens deze afdeling geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij een panelverzoek heeft gedaan overeenkomstig artikel 241;
b. worden procedures voor geschillenbeslechting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij overeenkomstig artikel 6 van het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de geschillenbeslechting een panelverzoek indient; en
c. procedures voor geschillenbeslechting uit hoofde van enige andere overeenkomst worden geacht te zijn ingeleid overeenkomstig de relevante bepalingen van die internationale handelsovereenkomst.
4. Onverminderd lid 2 belet niets in deze Overeenkomst een Partij om de schorsing van verplichtingen die door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO of uit hoofde van de geschillenbeslechtingsprocedure van enige andere internationale handelsovereenkomst waarbij de Partijen bij het geschil partij zijn, is toegestaan, uit te voeren. De Partijen beroepen zich niet op de WTO-Overeenkomst, noch op enige andere internationale handelsovereenkomst tussen de Partijen om de andere Partij te beletten verplichtingen uit hoofde van deze afdeling te schorsen.
Het bemiddelingsmechanisme heeft tot doel te bevorderen dat door middel van een integrale en snelle procedure en met behulp van een bemiddelaar een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt.
1. Te allen tijde voor de aanvang van de bemiddelingsprocedure kan een Partij de andere Partij schriftelijk om informatie verzoeken over een maatregel die de handel of investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt. De Partij die het verzoek ontvangt, verstrekt binnen 20 dagen na ontvangst van het verzoek een schriftelijk antwoord met haar opmerkingen over de verzochte informatie.
2. Als de antwoordende Partij denkt dat zij niet binnen 20 dagen vanaf de ontvangst van het verzoek een antwoord kan geven, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld op de hoogte en deelt zij de redenen voor de vertraging mee, alsook een schatting van de kortst mogelijke termijn waarbinnen zij zal kunnen antwoorden.
3. Van een Partij wordt normaal gesproken verwacht dat zij vóór de inleiding van de bemiddelingsprocedure een verzoek om informatie indient overeenkomstig lid 1.
1. Een Partij kan te allen tijde verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot maatregelen van een Partij die de handel of investeringen tussen de Partijen nadelig beïnvloeden.
2. Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt schriftelijk bij de andere Partij ingediend. In het verzoek worden de bezwaren van de verzoekende Partij duidelijk en voldoende gedetailleerd uiteengezet en:
a. wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat;
b. wordt uiteengezet wat volgens de verzoekende Partij de negatieve gevolgen van de maatregel voor de handel of de investeringen tussen de Partijen zijn of zullen zijn; en
c. wordt toegelicht wat volgens de verzoekende Partij het verband tussen die gevolgen en de maatregel is.
3. De bemiddelingsprocedure kan slechts worden ingeleid met wederzijdse instemming van de Partijen, teneinde onderling overeengekomen oplossingen te onderzoeken en adviezen en voorstellen voor oplossingen van de bemiddelaar in overweging te nemen. De Partij waaraan het verzoek tot inleiding van een bemiddelingsprocedure is gericht, neemt het verzoek in welwillende overweging en doet de verzoekende Partij binnen 10 dagen na de datum van indiening haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing toekomen. Indien de Partij waaraan het verzoek is gericht, haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing niet binnen die termijn heeft ingediend, wordt het verzoek geacht te zijn afgewezen.
1. De Partijen streven ernaar binnen 10 dagen na de inleiding van de bemiddelingsprocedure overeenstemming te bereiken over een bemiddelaar.
2. Indien de Partijen binnen de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijn geen overeenstemming over de bemiddelaar kunnen bereiken, kan elke Partij de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij verzoeken een bemiddelingsprocedure aan te gaan om binnen vijf dagen na het verzoek de bemiddelaar door loting aan te wijzen uit de overeenkomstig artikel 243 opgestelde deellijst van voorzitters. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij kan die aanwijzing door loting van het panellid delegeren.
3. Indien de in artikel 243 bedoelde deellijst van voorzitters nog niet is opgesteld op het tijdstip waarop een verzoek overeenkomstig artikel 264 wordt ingediend, wordt de bemiddelaar door loting aangewezen uit de personen die door een Partij of door beide Partijen formeel voor die deellijst zijn voorgedragen.
4. De bemiddelaar mag geen onderdaan van een van de Partijen zijn of in dienst van een van de Partijen staan, tenzij de Partijen anders overeenkomen.
5. De bemiddelaar houdt zich aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B.
1. Binnen tien dagen na de aanstelling van de bemiddelaar verstrekt de Partij die de bemiddelingsprocedure heeft ingeleid, de bemiddelaar en de andere Partij een gedetailleerde schriftelijke beschrijving van haar bezwaren, met name wat betreft de werking van de maatregel in kwestie en de mogelijke nadelige gevolgen ervan voor het handelsverkeer of de investeringen tussen de Partijen. Binnen 20 dagen na de datum van indiening van deze beschrijving kan de andere Partij schriftelijke opmerkingen over deze beschrijving indienen. Elke Partij kan in haar beschrijving of opmerkingen alle informatie opnemen die zij relevant acht.
2. De bemiddelaar staat de Partijen op transparante wijze bij om duidelijkheid te scheppen over de betrokken maatregel en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. Hij kan met name bijeenkomsten tussen de Partijen organiseren, de Partijen gezamenlijk of afzonderlijk raadplegen, verzoeken om bijstand van of overleg plegen met deskundigen en belanghebbenden op het betrokken gebied alsmede aanvullende ondersteuning bieden waarom de Partijen hebben verzocht. Alvorens om bijstand van of overleg met relevante deskundigen of belanghebbenden te verzoeken, overlegt de bemiddelaar met de Partijen.
3. De bemiddelaar kan advies aanbieden en een oplossing voorstellen ter overweging door de Partijen. De Partijen kunnen de voorgestelde oplossing aanvaarden of afwijzen of een andere oplossing overeenkomen. De bemiddelaar geeft geen advies en maakt evenmin opmerkingen over de overeenstemming van de maatregel in kwestie met deze titel.
4. De bemiddelingsprocedure vindt plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek gericht is, of, in onderling overleg, op enige andere locatie of op enige andere wijze.
5. De Partijen streven ernaar binnen 60 dagen na de aanwijzing van de bemiddelaar tot een onderling overeengekomen oplossing te komen. Zolang geen definitieve overeenstemming is bereikt, kunnen de Partijen eventuele tussentijdse oplossingen overwegen, met name wanneer de maatregel betrekking heeft op bederfelijke goederen of seizoensgebonden goederen of diensten.
6. De onderling overeengekomen oplossing kan worden vastgesteld door middel van een besluit van het Samenwerkingscomité. Elke Partij kan een dergelijke oplossing afhankelijk maken van de voltooiing van de nodige interne procedures. Onderling overeengekomen oplossingen worden openbaar gemaakt. De openbaar gemaakte versie bevat geen informatie die door een Partij als vertrouwelijk is aangemerkt.
7. Op verzoek van een van de Partijen dient de bemiddelaar een ontwerpfeitenverslag in bij de Partijen, waarin het volgende wordt verstrekt:
a. een korte samenvatting van de betrokken maatregel;
b. de gevolgde procedure; en
c. indien van toepassing, alle onderling overeengekomen oplossingen, met inbegrip van mogelijke tussentijdse oplossingen.
8. De bemiddelaar biedt de Partijen 15 dagen de gelegenheid om hun opmerkingen over het ontwerpfeitenverslag in te dienen. Na bestudering van de opmerkingen van de Partijen dient de bemiddelaar bij de Partijen binnen 15 dagen een definitief feitenverslag in. Het definitieve feitenverslag mag geen uitlegging van deze titel bevatten.
9. De procedure wordt beëindigd:
a. door goedkeuring van een door de Partijen onderling overeengekomen oplossing, op de datum van goedkeuring ervan;
b. door onderlinge overeenstemming van de Partijen in de loop van de procedure, op de datum van die overeenstemming;
c. op de datum van de schriftelijke verklaring van de bemiddelaar, na overleg met de Partijen, waarin wordt aangegeven dat verdere bemiddelingsinspanningen geen nut hebben; of
d. door een schriftelijke verklaring van een Partij nadat mogelijke onderling overeengekomen oplossingen in de bemiddelingsprocedure zijn onderzocht en adviezen en voorgestelde oplossingen van de bemiddelaar in overweging zijn genomen, op de datum van die verklaring.
Tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen, zijn alle andere fasen van de bemiddelingsprocedure, met inbegrip van adviezen of voorgestelde oplossingen, vertrouwelijk. Elke Partij mag echter openbaar maken dat bemiddeling plaatsvindt.
1. De bemiddelingsprocedure laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de afdelingen 2 en 3 of van geschillenbeslechtingsprocedures uit hoofde van elke andere internationale overeenkomst onverlet.
2. In andere geschillenbeslechtingsprocedures in het kader van deze titel of enige andere internationale overeenkomst, beroepen de Partijen zich niet op de volgende zaken, noch voeren zij deze als bewijsmateriaal aan, en een panel houdt geen rekening met:
a. standpunten die de andere Partij in de loop van de bemiddelingsprocedure heeft ingenomen of informatie die uitsluitend overeenkomstig artikel 266, lid 2, is verzameld;
b. het feit dat de andere Partij zich bereid heeft verklaard een oplossing te aanvaarden voor de maatregel waarop de bemiddeling betrekking had; of
c. door de bemiddelaar gegeven adviezen of gedane voorstellen.
3. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, mogen bemiddelaars niet zitting nemen in een panel in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures uit hoofde van deze titel of enige andere internationale overeenkomst met betrekking tot dezelfde aangelegenheid waarin zij hebben bemiddeld.
1. De Partijen kunnen met betrekking tot een in artikel 239 bedoeld geschil te allen tijde tot een onderling overeengekomen oplossing komen.
2. Indien een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt tijdens de procedure bij het panel of tijdens een bemiddelingsprocedure, stellen de Partijen de voorzitter van het panel of de bemiddelaar gezamenlijk in kennis van de overeengekomen oplossing, naargelang het geval. Na die kennisgeving wordt de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure stopgezet.
3. Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de onderling overeengekomen oplossing binnen de overeengekomen termijn ten uitvoer te leggen.
4. Niet later dan bij afloop van de overeengekomen termijn stelt de uitvoerende Partij de andere Partij schriftelijk in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om de onderling overeengekomen oplossing uit te voeren.
1. Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen worden geteld in kalenderdagen vanaf de dag volgend op de handeling waarop zij betrekking hebben.
2. Elke in dit hoofdstuk gestelde termijn kan in onderling overleg tussen de Partijen worden gewijzigd.
3. Wat afdeling 3 betreft, kan het panel de Partijen te allen tijde voorstellen een in dit hoofdstuk vermelde termijn te wijzigen, met opgave van de redenen daarvoor.
1. Elke Partij draagt haar eigen kosten die voortvloeien uit deelname aan de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure.
2. De Partijen dragen gezamenlijk en elk voor een gelijk deel de kosten die voortvloeien uit organisatorische aangelegenheden, met inbegrip van de honoraria en de kosten van de panelleden en bemiddelaars.
3. Het Samenwerkingscomité kan een besluit vaststellen tot vaststelling van de parameters of andere details over de bezoldiging en de vergoeding van de kosten van panelleden en bemiddelaars, met inbegrip van eventuele kosten die in verband met de procedure kunnen worden gemaakt. In afwachting van een dergelijk besluit worden de bezoldiging en de vergoeding van de kosten van panelleden en bemiddelaars en van alle daarmee verband houdende kosten vastgesteld overeenkomstig punt 10 van bijlage 14-A.
Het Samenwerkingscomité kan de bijlagen 14-A en 14-B wijzigen.
1. Voor de toepassing van de hoofdstukken 2, 4, 8, en 12 worden artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit.
2. Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van de investeringen of de handel in diensten zouden vormen, wordt niets in hoofdstukken 8 en 12 uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een Partij van maatregelen:
a. ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde41);
b. ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
c. die noodzakelijk zijn om de naleving te waarborgen van wetten of voorschriften die niet strijdig zijn met deze Overeenkomst met inbegrip van wetten of voorschriften die betrekking hebben op:
i. het voorkomen van misleidende en frauduleuze praktijken;
ii. de gevolgen van een wanbetaling voor contracten;
iii. het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van het vertrouwelijke karakter van individuele dossiers en rekeningen; en
iv. veiligheid.
3. Ter verduidelijking: de Partijen zijn het er met betrekking tot de toepassing van de leden 1 en 2 over eens dat:
a. de in artikel XX, punt b), van GATT 1994 en in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde maatregelen milieumaatregelen omvatten, die noodzakelijk zijn om het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen;
b. artikel XX, punt g), van de GATT 1994 van toepassing is op maatregelen voor de instandhouding van levende en niet-levende niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen; en
c. maatregelen ter uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten gerechtvaardigd kunnen zijn uit hoofde van artikel XX, punt b), of g), van de GATT 1994 of uit hoofde van lid 2, punt b), van dit artikel.
4. Voordat een Partij maatregelen treft als bepaald in artikel XX, punten i), en j), van de GATT 1994, verstrekt zij de andere Partij alle relevante informatie teneinde een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Als binnen 30 dagen na het verstrekken van deze informatie geen overeenstemming wordt bereikt, kan de Partij die voornemens is de maatregelen te nemen, de voorgenomen maatregelen nemen. Indien door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de Partij die voornemens is de maatregelen te nemen, onverwijld de voorzorgsmaatregelen nemen die nodig zijn om de situatie aan te pakken. Die Partij stelt de andere Partij daarvan onverwijld in kennis.
1. Deze titel laat de rechten en verplichtingen van de Europese Unie, de lidstaten of de Republiek Oezbekistan uit hoofde van internationale belastingverdragen onverlet. In geval van strijdigheid tussen deze Overeenkomst en een internationaal belastingverdrag heeft dat internationale belastingverdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.
2. De artikelen 33 en 194 van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op voordelen die op grond van een internationaal belastingverdrag door een Partij zijn toegekend.
3. Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van handel en investeringen vormen, wordt geen van de bepalingen van deze titel uitgelegd als beletsel voor het vaststellen, handhaven of toepassen door een Partij van maatregelen die erop gericht zijn directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze op te leggen of te innen en die:
a. een onderscheid maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot waar zij ingezetene zijn of hun vestigingsplaats hebben of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd; of
b. ernaar streven belastingontwijking of -ontduiking te voorkomen op grond van internationale belastingverdragen of de interne belastingwetgeving.
4. Voor de toepassing van dit artikel:
de fiscale woonplaats; en
een verdrag inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of enige andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing en waarbij de Europese Unie of de lidstaten of de Republiek Oezbekistan partij zijn.
1. Geen van de bepalingen van deze titel kan zo worden uitgelegd dat een Partij verplicht wordt vertrouwelijke informatie beschikbaar te stellen waarvan openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen, behalve wanneer een panel dergelijke vertrouwelijke informatie opvraagt in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures als bedoeld in hoofdstuk 14. In dergelijke gevallen zijn de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 14 van toepassing op de behandeling van vertrouwelijke informatie.
2. Wanneer een Partij aan de andere Partij, onder meer via de organen die bij deze Overeenkomst zijn opgericht, informatie voorlegt die zij krachtens haar wetgeving als vertrouwelijk beschouwt, wordt die informatie door de andere Partij als vertrouwelijk behandeld, tenzij de Partij die de informatie voorlegt, anders besluit.
Als een verplichting in deze titel in wezen gelijkwaardig is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, wordt elke maatregel die is genomen in overeenstemming met een op grond van artikel IX van de WTO-Overeenkomst vastgestelde ontheffing, geacht in overeenstemming te zijn met de in wezen gelijkwaardige bepaling in deze Overeenkomst.
1. De Partijen werken samen aan economische hervormingen door het gezamenlijke inzicht in de economische situatie in de Republiek Oezbekistan en de Europese Unie en de formulering en uitvoering van het economische beleid te verbeteren.
2. De Republiek Oezbekistan neemt verdere stappen om een goed functionerende en duurzame markteconomie te ontwikkelen, met inbegrip van de verbetering van het investeringsklimaat en een grotere inclusie van de particuliere sector. De Partijen werken samen om een gezond macro-economisch beleid en een gezond beheer van de overheidsfinanciën te waarborgen die verenigbaar zijn met de fundamentele beginselen van doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht.
De Partijen nemen de volgende maatregelen:
a. zij wisselen ervaringen en beste praktijken uit met betrekking tot strategieën voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de bevordering van economische, sociale en culturele rechten;
b. zij wisselen informatie uit over macro-economische trends en beleid, alsmede over structurele hervormingen;
c. zij wisselen deskundigheid en optimale werkwijzen uit op gebieden als overheidsfinanciën, monetair en wisselkoersbeleid, beleid in de financiële sector en economische statistieken;
d. zij wisselen informatie en ervaringen uit over regionale economische integratie, met inbegrip van de werking van de Europese economische en monetaire unie; en
e. zij bekijken de stand van zaken van de bilaterale samenwerking op het gebied van economie, financiën en statistiek.
De Partijen werken samen op het gebied van robuuste systemen voor het beheer van de overheidsfinanciën, alsmede externe audit bij de overheid en interne financiële controle, met de volgende doelstellingen:
a. verdere versterking van de Rekenkamer als hoogste openbare instelling voor externe controle bij de overheid en interne financiële controle van de Republiek Oezbekistan wat betreft de financiële, organisatorische en operationele onafhankelijkheid en capaciteitsopbouw ervan overeenkomstig internationaal aanvaarde normen voor de externe audit (INTOSAI);
b. ondersteuning van de centrale harmonisatie-eenheid (afdeling begrotingssystematiek, beheer van kasmiddelen, financiële controle en interne audit) voor de verdere ontwikkeling van de interne financiële controle bij de overheid van de Republiek Oezbekistan en de versterking van haar bevoegdheden en status;
c. de verdere ontwikkeling en uitvoering van het systeem voor interne financiële controle bij de overheid, gebaseerd op het beginsel van verantwoordingsplicht van beheerders en met inbegrip van een functioneel onafhankelijke interne auditfunctie voor de gehele publieke sector, door middel van harmonisatie met algemeen aanvaarde internationale normen en methodologieën en met goede praktijken van de Europese Unie;
d. de ontwikkeling van een adequaat financieel inspectiesysteem ter aanvulling van de interne auditfunctie (zonder deze te overlappen);
e. doeltreffende samenwerking en coördinatie tussen de actoren die betrokken zijn bij financieel beheer en controle, audit en inspectie en de actoren voor begroting, financiën en boekhouding om de ontwikkeling van het bestuur te bevorderen; en
f. uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken op het gebied van beheer van overheidsfinanciën, externe audit bij de overheid en interne financiële controle.
De Partijen verbinden zich ertoe de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied toe te passen, waaronder de mondiale normen inzake transparantie en uitwisseling van informatie, billijke belastingheffing en de minimumnormen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving. De Partijen bevorderen goed bestuur in belastingzaken, versterken de internationale samenwerking op fiscaal gebied en vergemakkelijken het innen van belastinginkomsten.
1. De Partijen bevorderen de Europese en internationale normen en de harmonisatie van statistische methoden en praktijken, met inbegrip van het verzamelen en verspreiden van statistieken door middel van een professioneel onafhankelijk, duurzaam en efficiënt nationaal statistisch systeem.
2. De statistische samenwerking richt zich op de uitwisseling van kennis, de bevordering van goede praktijken en de naleving van de grondbeginselen van de officiële statistiek van de VN en de herziene Praktijkcode Europese statistieken die op 16 november 2017 door het Comité voor het Europees statistisch systeem is goedgekeurd.
De Partijen bevorderen duurzame connectiviteit in de regio en daarbuiten. Daartoe werken de Partijen samen op gebieden van gemeenschappelijk belang, teneinde connectiviteitsinitiatieven te bevorderen die economisch, budgettair, ecologisch en sociaal duurzaam zijn op de lange termijn en die overeenstemmen met internationaal overeengekomen regels en voorschriften.
1. De Partijen werken samen op het gebied van energie en de ontwikkeling van het vereiste wettelijke kader met als doel de invoering en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en energiezekerheid te bevorderen.
2. De samenwerking wordt gebaseerd op een breed partnerschap en wordt geleid door wederzijds belang, wederkerigheid, transparantie en voorspelbaarheid, in overeenstemming met de beginselen van de markteconomie en het Energiehandvestverdrag. De samenwerking is ook gericht op het bevorderen van regionale samenwerking op energiegebied, met bijzondere aandacht voor de integratie van de Centraal-Aziatische landen onderling en in internationale markten en corridors.
De samenwerking in de energiesector heeft onder meer betrekking op de volgende gebieden:
a. het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en energiezekerheid, en met name de betrouwbaarheid, veiligheid en duurzaamheid van de energievoorziening, met inbegrip van het waarborgen van de veiligheid van energiefaciliteiten en het verhogen van de energie-efficiëntie van de opwekkingscapaciteit, door het stimuleren van regionale samenwerking op energiegebied, met inbegrip van de totstandbrenging van regionale energiemarkten en het faciliteren van inter- en intraregionale energiehandel en -uitwisseling;
b. het uitvoeren van energiestrategieën en energiebeleid, de bespreking van vooruitzichten en scenario’s, onder andere met betrekking tot de situatie op de wereldmarkt voor energieproducten, alsmede de verbetering van het statistische registratiesysteem in de energiesector;
c. het scheppen van een aantrekkelijk en stabiel investeringsklimaat en het aanmoedigen van wederzijdse investeringen op niet-discriminerende basis in de energiesector;
d. effectieve uitwisselingen met de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en andere relevante internationale financiële instellingen en instrumenten op energiegebied;
e. wetenschappelijke en technische uitwisselingen voor de ontwikkeling van energietechnologieën, met bijzondere aandacht voor energie-efficiënte en milieuvriendelijke technologieën;
f. samenwerking in het kader van multilaterale energiefora, -initiatieven en -instanties; en
g. uitwisseling van kennis en ervaring en overdracht van technologie op het gebied van innovatie, onder andere met betrekking tot management en energietechnologieën en digitalisering in de energie-industrie, waaronder automatisering van verbruiksmonitoring en minimalisering van verliezen.
De samenwerking zal worden voortgezet, door onder meer:
a. hernieuwbare energiebronnen op economisch en ecologisch verantwoorde wijze in te voeren en te ontwikkelen, waaronder samenwerking inzake regelgeving, certificering en normalisatie en technologische ontwikkeling;
b. uitwisselingen tussen de instellingen, laboratoria en entiteiten uit de particuliere sector van de Partijen te faciliteren, met het oog op de toepassing van beste praktijken voor het creëren van de energie van de toekomst en de groene economie; en
c. het organiseren van gezamenlijke seminars, conferenties, opleidingsprogramma’s en regelmatige uitwisseling van wetenschappelijke en praktische informatie en open statistische data, alsmede van informatie over de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.
De samenwerking ter bevordering van energie-efficiëntie en -besparing, onder andere in de steenkoolsector en met betrekking tot het affakkelen van gas (en het gebruik van geassocieerd gas), in gebouwen, apparatuur en vervoer, wordt onder andere nagestreefd door middel van:
a. uitwisseling van informatie over beleid, wet- en regelgeving en actieplannen inzake energie-efficiëntie;
b. het faciliteren van de uitwisseling van ervaringen en kennis op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing;
c. het opzetten en uitvoeren van projecten, waaronder demonstratieprojecten, voor de introductie van innovatieve technologieën en oplossingen met betrekking tot energie-efficiëntie en energiebesparing; en
d. opleidingsprogramma’s en -cursussen op het gebied van energiezuinigheid met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel.
De samenwerking op het gebied van koolwaterstofenergie omvat onder andere de volgende gebieden:
a. modernisering en verbetering van bestaande en ontwikkeling van nieuwe energie-infrastructuur van gemeenschappelijk belang, overeenkomstig de beginselen van de markteconomie, die zich onder andere richt op diversifiëring van de energiebronnen, de leveranciers en de vervoersroutes en -wijzen, alsmede op het creëren van nieuwe opwekkingscapaciteit en op de integriteit, efficiëntie, veiligheid en beveiliging van energie-infrastructuur, waaronder op het gebied van elektriciteit;
b. ontwikkeling, door middel van hervorming van de regelgeving, van competitieve, transparante en niet-discriminerende energiemarkten volgens goede praktijken;
c. verbetering en versterking van de stabiliteit en continuïteit van de energiehandel op lange termijn, onder andere door de voorspelbaarheid en stabiliteit van de vraag naar energie te waarborgen, op niet-discriminerende basis en met minimale impact op en risico’s voor het milieu;
d. bevordering van een hoog niveau van milieubescherming en duurzame ontwikkeling van de energiesector, onder andere met betrekking tot extractie, raffinage, vervoer, distributie en verbruik; en
e. verbetering van de veiligheid van activiteiten met betrekking tot koolwaterstofexploratie en -productie door de uitwisseling van ervaring op het gebied van het voorkomen van ongelukken, analyse, respons en sanering na een ongeluk, en beste praktijken inzake aansprakelijkheid en juridische procedures in geval van een ramp.
De Partijen werken samen op het gebied van vervoer met de volgende doelstellingen:
a. het bevorderen van complementariteit tussen hun vervoersectoren;
b. het verbeteren van de connectiviteit van hun vervoersnetwerken en verbindingen tussen hun grondgebieden;
c. het bevorderen van de verbetering van de vervoersinfrastructuur en interoperabiliteit;
d. het bevorderen van efficiënt, veilig en betrouwbaar vervoer;
e. het verbeteren van het veiligheidsniveau van het vervoer;
f. het ontwikkelen van duurzame vervoerssystemen, met inbegrip van de economische, fiscale, milieu- en sociale aspecten daarvan; en
g. verbetering van het verkeer van personen en goederen, een vlottere doorstroming van het vervoer door het wegwerken van administratieve, technische en andere belemmeringen, ten behoeve van sterkere marktintegratie.
De samenwerking op het gebied van vervoer heeft onder meer betrekking op:
a. uitwisseling van de beste praktijken met betrekking tot vervoersbeleid;
b. informatie-uitwisseling en gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau, met inbegrip van de uitvoering van internationale overeenkomsten en verdragen waarbij de Partijen partij zijn;
c. uitwisseling van ervaringen met groene technologieën van vervoerssystemen, met inbegrip van de introductie van milieuvriendelijk vervoer;
d. uitwisseling van ervaringen met de digitalisering van het vervoers- en logistieke systeem en de invoering van interoperabele normen en technologieën bij het ontwerp, de aanleg en de vernieuwing van vervoersinfrastructuur;
e. bijstand met het oog op de toetreding van de Republiek Oezbekistan tot internationale multilaterale overeenkomsten en verdragen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake internationaal vervoer; en
f. vergemakkelijking van de mobiliteit van bestuurders van motorvoertuigen van beide Partijen die internationaal vervoer over de weg verrichten, overeenkomstig de geldende regels.
De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake milieuaangelegenheden en dragen zo bij tot duurzame ontwikkeling en goed bestuur op het gebied van milieubescherming.
1. De samenwerking is gericht op behoud, bescherming, verbetering en herstel van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de menselijke gezondheid, rationeel en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en bevordering van maatregelen op internationaal niveau voor het aanpakken van regionale of mondiale milieuproblemen, onder andere op het gebied van:
a. goed bestuur op milieugebied en horizontale kwesties, onder meer strategische planning, milieueffectbeoordeling en strategische effectbeoordeling, onderwijs en opleiding, systemen voor toezicht en milieu-informatie, inspectie en handhaving, milieu-aansprakelijkheid, bestrijding van milieumisdrijven, milieuherstel, grensoverschrijdende samenwerking, participatie en toegang van het publiek tot milieu-informatie, besluitvormingsprocedures en doeltreffende administratieve en gerechtelijke herzieningsprocedures;
b. de aanpak van de milieugevolgen van de opdroging van het Aralmeer, onder andere door regionale actie te stimuleren;
c. ontwikkeling van het milieumonitoringsysteem;
d. de vergroening van steden;
e. luchtkwaliteit;
f. waterkwaliteit en waterbeheer, met inbegrip van de beheersing van overstromingsrisico’s, waterschaarste en droogten;
g. beheer van hulpbronnen en afval;
h. hulpbronnenefficiëntie, groene en circulaire economie;
i. natuurbescherming, met inbegrip van bosbouw, aanwijzing van een netwerk van beschermde gebieden en behoud van de biodiversiteit;
j. industriële verontreiniging en industriële gevaren; en
k. beheer van chemicaliën.
2. De samenwerking is ook gericht op de integratie van het milieu in andere beleidsterreinen dan het milieubeleid, teneinde bij te dragen aan de uitvoering van de VN-agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling.
1. De Partijen intensiveren hun samenwerking op regionaal niveau en bij de uitvoering van relevante multilaterale milieuovereenkomsten.
2. De Partijen wisselen ervaringen uit over de integratie van milieu in andere sectoren, door op de in dit hoofdstuk bedoelde gebieden goede praktijken uit te wisselen, kennis en bekwaamheden te bevorderen en de opleiding en bewustmaking op het gebied van milieu te verbeteren.
3. De Partijen steunen de totstandkoming en ontwikkeling van samenwerking tussen wetenschappelijke instellingen die milieuactiviteiten verrichten en bevorderen met name de beginselen van de circulaire economie en het rationele en duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking ter bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake de klimaatverandering. Bij de samenwerking wordt rekening gehouden met de belangen van elke Partij op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, alsook met hun onderlinge afhankelijkheid tussen bilaterale en multilaterale verbintenissen op dat gebied.
Met de samenwerking worden maatregelen bevorderd op nationaal, regionaal en internationaal niveau, onder meer inzake:
a. matiging van de klimaatverandering;
b. aanpassing aan de klimaatverandering;
c. het voorkomen, minimaliseren en aanpakken van de negatieve gevolgen van de klimaatverandering;
d. markt- en niet-marktmechanismen voor de aanpak van de klimaatverandering;
e. de bevordering van nieuwe, innovatieve, veilige en duurzame koolstofarme en aanpassingstechnologieën;
f. de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs inzake de klimaatverandering;
g. de geleidelijke opname van klimaataspecten in het algemene en sectorale beleid; en
h. bewustmaking, voorlichting en opleiding.
1. De Partijen zorgen voor onder meer het volgende:
a. uitwisseling van informatie en deskundigheid;
b. uitvoering van gezamenlijke onderzoeksactiviteiten en uitwisseling van informatie over schonere en milieuvriendelijkere technologieën; en
c. de uitvoering van gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot multilaterale milieuovereenkomsten die door de Partijen zijn geratificeerd, zoals het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake de klimaatverandering van 1992 en de Overeenkomst van Parijs inzake de klimaatverandering.
2. De samenwerking omvat onder meer:
a. maatregelen ter vergroting van de capaciteit om doeltreffende klimaatactie te ondernemen;
b. de ontwikkeling van strategieën en actieplannen voor de afname van broeikasgasemissies op lange termijn;
c. de ontwikkeling van risico- en kwetsbaarheidsbeoordelingen in verband met de klimaatverandering;
d. de ontwikkeling van kennis en bestuurlijke capaciteit voor aanpassing en mitigatie;
e. de identificatie en ontwikkeling van aanpassingsprioriteiten en -maatregelen, met inbegrip van maatregelen om de klimaatverandering te integreren in ontwikkelingsinspanningen, -plannen, -beleid en -programma’s;
f. de uitvoering van langetermijnmaatregelen ter verzachting van de klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen;
g. maatregelen ter vermindering en beheersing van de risico’s in verband met klimaatgerelateerde rampen en maatregelen ter voorbereiding op noodsituaties;
h. maatregelen ter voorbereiding van de handel in koolstofemissierechten in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake de klimaatverandering;
i. maatregelen ter bevordering van technologieoverdracht;
j. maatregelen voor de geleidelijke opname van klimaataspecten in het sectorale beleid; en
k. maatregelen inzake de ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde gassen.
3. De Partijen bevorderen inter- en intraregionale samenwerking.
De Partijen streven ernaar hun samenwerking inzake het industrie- en ondernemingsbeleid te ontwikkelen en te versterken en verbeteren zo het ondernemingsklimaat voor alle marktdeelnemers, met bijzondere nadruk op kleine en middelgrote ondernemingen.
De samenwerking op het gebied van het industrie- en ondernemingsbeleid omvat:
a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken ter ondersteuning van het ondernemerschaps- en ontwikkelingsbeleid voor kleine en middelgrote ondernemingen;
b. de uitwisseling van informatie en goede praktijken inzake productiviteit en efficiëntie van het hulpbronnengebruik, met inbegrip van vermindering van het energieverbruik en schonere productie;
c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken om de maatschappelijke verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven en de industrie bij duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de rechten van de mens te versterken;
d. overheidssteun voor industriële sectoren, op basis van de WTO-vereisten en andere internationale regels die van toepassing zijn op de Partijen;
e. de uitwisseling van informatie en goede praktijken om de ontwikkeling van innovatiebeleid aan te moedigen door de commercialisering van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling (onder meer wat betreft instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven), de ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering;
f. het stimuleren van bedrijfsinitiatieven en industriële samenwerking tussen ondernemingen uit de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan;
g. de bevordering van een bedrijfsvriendelijker klimaat, met het oog op een groter groeipotentieel, meer handel en meer investeringsmogelijkheden; en
h. de totstandbrenging van nauwe contacten tussen ondernemers van de Partijen en het organiseren van handelsmissies, het houden van forums voor bedrijven, presentaties, rondetafelgesprekken en deelname aan tentoonstellingen en beurzen in de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan.
1. De Partijen erkennen dat voor een goed functionerende markteconomie met een voorspelbaar en transparant ondernemingsklimaat doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van vennootschapsrecht en corporate governance noodzakelijk zijn, alsook op het gebied van boekhouding en boekhoudkundige controle, en benadrukken het belang van convergentie van de regelgeving op dit gebied.
2. De Partijen werken samen op de volgende gebieden:
a. de uitwisseling van beste praktijken die ervoor zorgen dat informatie over de organisatie en vertegenwoordiging van geregistreerde ondernemingen beschikbaar is en kan worden geraadpleegd op een transparante en makkelijk toegankelijke manier;
b. verdere ontwikkeling van het beleid voor corporate governance, in overeenstemming met de internationale normen, met name die van de OESO;
c. de verdere uitvoering en consistente toepassing van de internationale standaarden voor financiële verslaglegging voor de geconsolideerde jaarrekeningen van beursgenoteerde vennootschappen;
d. boekhoudregels en financiële verslaglegging, ook met betrekking tot kleine en middelgrote ondernemingen;
e. de reglementering van en het toezicht op de beroepsactiviteiten van auditors; en
f. internationale controlenormen en gedragscodes zoals de gedragscode van de Internationale Federatie van Accountants; de samenwerking op dit gebied heeft tot doel het professionele niveau van auditors te verhogen door beroepsorganisaties, auditorganisaties en auditors de regels en gedragscodes te doen volgen.
1. De Partijen erkennen het belang van doeltreffende wetgeving en werkwijzen op het gebied van financiële diensten en kunnen samenwerken met het oog op:
a. betere regelgeving inzake financiële diensten;
b. het waarborgen van een doeltreffende en adequate bescherming van de rechten van investeerders en consumenten van financiële diensten, met name in de context van zich ontwikkelende effectenmarkten;
c. betere samenwerking tussen de verschillende actoren van het financiële stelsel, waaronder regelgevende en toezichthoudende instanties; en
d. bevordering van onafhankelijk en doeltreffend toezicht.
2. De Partijen streven ernaar de regelgeving beter af te stemmen op de erkende internationale normen voor gezonde financiële systemen.
De Partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving ten behoeve van burgers en bedrijven door de brede beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en door een betere kwaliteit van elektronische diensten tegen betaalbare prijzen, met name op het gebied van (elektronische) handel, gezondheid en onderwijs, alsmede overheid en bestuur in het algemeen. Met deze samenwerking wordt gestreefd naar de ontwikkeling van de concurrentie in en de openheid van de ICT-markten en naar meer investeringen in de sector.
De samenwerking richt zich onder meer op de volgende gebieden:
a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken over de uitvoering van nationale digitale strategieën op het gebied van informatietechnologieën, telecommunicatie, e-overheid en digitale economie, onder meer met initiatieven ter bevordering van breedbandtoegang, verbetering van de regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht en netwerkbeveiliging en de ontwikkeling van openbare onlinediensten; en
b. de uitwisseling van informatie, beste praktijken en ervaringen ter bevordering van de ontwikkeling van een omvattend regelgevingskader voor elektronische communicatie, met inbegrip van nationale regulerende instanties, ter bevordering van een beter gebruik van spectrummiddelen en van de interoperabiliteit van de elektronische communicatie-infrastructuur tussen de Partijen.
De Partijen bevorderen de samenwerking tussen regulerende instanties in de Europese Unie en in de Republiek Oezbekistan op het gebied van telecommunicatie, informatietechnologie, e-overheid en digitale economie.
De Partijen streven naar samenwerking op het gebied van toerisme, met het oog op de ontwikkeling van een concurrerende en duurzame toerisme-industrie als motor van economische groei, emancipatie, werkgelegenheid, onderwijs en uitwisselingen in de toeristische sector.
De samenwerking op het gebied van toerisme is gebaseerd op de volgende beginselen van duurzaam toerisme:
a. respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, in het bijzonder in plattelandsgebieden;
b. het belang van het behoud van het cultureel, historisch en natuurlijk erfgoed;
c. positieve interactie tussen toerisme en milieubehoud; en
d. de maatschappelijke verantwoordelijkheid van toerisme, ook met betrekking tot lokale gemeenschappen.
De samenwerking op het gebied van toerisme kan onder meer betrekking hebben op:
a. de uitwisseling van informatie en bedrijfspraktijken met betrekking tot statistieken, normen en investeringen in toerisme, innovatieve technologieën, nieuwe marktbehoeften en het gebruik van cultureel erfgoed voor toeristische doeleinden;
b. de bevordering van modellen voor de ontwikkeling van duurzaam en verantwoord toerisme en de uitwisseling van beste praktijken, ervaringen en kennis;
c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken op het gebied van opleiding en ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van toerisme; en
d. verbeterde contacten tussen particuliere en publieke belanghebbenden die verantwoordelijk zijn voor de toeristische sector en met belanghebbenden uit de gemeenschap in de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan.
De Partijen werken samen om de ontwikkeling van de landbouw en het platteland te bevorderen, met name door de uitwisseling van kennis en beste praktijken en de geleidelijke convergentie van beleid en wetgeving op de gebieden die voor beide Partijen van belang zijn.
De samenwerking tussen de Partijen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling heeft onder meer betrekking op:
a. het vergroten van het wederzijds begrip van het beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling;
b. de uitwisseling van beste praktijken ter versterking van de bestuurlijke capaciteit op centraal en lokaal niveau bij de planning, evaluatie en uitvoering van het beleid;
c. de bevordering van de modernisering en duurzaamheid van de landbouwproductie, met inbegrip van de modernisering van de methoden na de oogst;
d. het delen van kennis en beste praktijken in verband met het beleid inzake plattelandsontwikkeling, met het oog op de bevordering van het economische welzijn van plattelandsbewoners en de diversificatie van hun economische activiteiten;
e. het verbeteren van de concurrentiepositie van de landbouwsector, de efficiëntie en transparantie van de markten;
f. de bevordering van beleidsmaatregelen met betrekking tot kwaliteitsborging en controlemechanismen daarvoor, meer bepaald geografische aanduidingen en biologische landbouw;
g. de verspreiding van kennis en de bevordering van voorlichtingsdiensten aan landbouwproducenten;
h. de uitwisseling van ervaring in verband met het beleid inzake duurzame ontwikkeling van de agro-industrie en de verwerking en distributie van landbouwproducten;
i. de bevordering van de samenwerking tussen ondernemers in sectoren die voor beide Partijen van belang zijn; en
j. de bevordering van de handel in landbouwproducten.
De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake de mijnbouw en de productie van grondstoffen om het wederzijds begrip te bevorderen, het ondernemingsklimaat te verbeteren en informatie-uitwisseling en samenwerking inzake vraagstukken op andere gebieden dan het energiegebied te bevorderen, in het bijzonder wat betreft de veilige en duurzame exploratie en winning van metaalertsen en niet-metaalhoudende industriële mineralen.
De samenwerking op het gebied van mijnbouw en grondstoffen heeft onder meer betrekking op:
a. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de respectieve mijnbouw- en grondstoffensectoren van de Partijen;
b. de uitwisseling van informatie over kwesties in verband met grondstoffen met het oog op de bevordering van onderlinge uitwisselingen;
c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot de duurzame ontwikkeling van de mijnbouwsector, met inbegrip van de toepassing van schone technologieën in mijnbouwprocessen;
d. de uitwisseling van informatie en beste praktijken in verband met het behouden van de gezondheid en veiligheid van werknemers in de mijnbouw; en
e. samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie via bestaande financieringsinstrumenten om gezamenlijke wetenschappelijke en technologische initiatieven te ontwikkelen.
De Partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie op basis van gemeenschappelijke belangen, wederzijds voordeel en, waar mogelijk, wederkerigheid, overeenkomstig hun reglement van orde en bepalingen. De samenwerking is gericht op het bevorderen van sociale en economische ontwikkeling, het aanpakken van mondiale en regionale maatschappelijke uitdagingen, het bereiken van wetenschappelijke excellentie, het bevorderen van onderzoeksintegriteit en het versterken van de betrekkingen tussen de Partijen.
De samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie heeft onder meer betrekking op:
a. beleidsdialogen en de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot instrumenten ter ondersteuning van onderzoek en innovatie;
b. het vergemakkelijken van de toegang tot de respectieve onderzoeks- en innovatieprogramma’s, onderzoeksinfrastructuren en -faciliteiten, wetenschappelijke publicaties en wetenschappelijke gegevens van elke Partij;
c. het vergroten van de onderzoekscapaciteit van onderzoeksinstellingen en universiteiten in de Republiek Oezbekistan en, in voorkomend geval, het vergemakkelijken van de deelname van onderzoeksinstellingen van de Republiek Oezbekistan aan het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Europese Unie en de nationale initiatieven van de lidstaten;
d. het bevorderen van de samenwerking op het gebied van normvoorbereidend onderzoek en normalisatie;
e. de bevordering van netwerken en banden tussen instellingen voor hoger onderwijs, onderzoek en innovatie van beide Partijen;
f. het organiseren van opleidingsactiviteiten en mobiliteitsprogramma’s voor wetenschappers, onderzoekers en ander personeel dat betrokken is bij onderzoeks- en innovatieactiviteiten van beide Partijen, in coördinatie met hun respectieve programma’s in de sector hoger en beroepsonderwijs;
g. het bevorderen van gemeenschappelijke beginselen voor de eerlijke en billijke behandeling van intellectuele-eigendomsrechten in onderzoeks- en innovatieprojecten;
h. het bevorderen van de commercialisering van de resultaten van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten;
i. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven, de ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering;
j. het faciliteren van de toegang van nieuwe technologie tot de thuismarkten van de Partijen;
k. het ondersteunen van sociale en openbare innovatieprogramma’s die erop gericht zijn de sociale ontwikkeling van de regio’s en in het bijzonder de levenskwaliteit van burgers te verbeteren; en
l. het faciliteren, in het kader van de geldende wetgeving, van het vrije verkeer van onderzoekers, wetenschappers, deskundigen, studenten en ondernemers die deelnemen aan door deze Overeenkomst bestreken activiteiten en het grensoverschrijdende verkeer van goederen die voor dergelijke activiteiten worden gebruikt.
De Partijen bevorderen de volgende activiteiten waarbij overheidsorganisaties, openbare en particuliere onderzoekscentra, instellingen voor hoger onderwijs, innovatieagentschappen en -netwerken en andere belanghebbenden, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen, op vrijwillige basis zijn betrokken:
a. gezamenlijke acties voor onderzoek en innovatie, met inbegrip van thematische netwerken, op gebieden van gemeenschappelijk belang;
b. gezamenlijke initiatieven om meer bekendheid te geven aan programma’s voor wetenschap, technologie, innovatie en capaciteitsopbouw, en aan de mogelijkheden om aan elkaars programma’s deel te nemen;
c. gezamenlijke bijeenkomsten en workshops om informatie en beste praktijken uit te wisselen en gebieden voor gezamenlijk onderzoek aan te wijzen;
d. wederzijds erkende beoordeling en evaluatie van de samenwerking op het gebied van wetenschap en innovatie, en de verspreiding van de resultaten daarvan;
e. gezamenlijke inspanningen om de mobiliteit van studenten, onderzoekers en docenten op gebieden van gemeenschappelijk belang te vergroten; en
f. andere vormen van samenwerking voor onderzoek en innovatie, onder meer via regionale benaderingen en initiatieven van de Europese Unie, op basis van wederzijdse overeenstemming.
De Partijen erkennen het belang van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en streven daartoe naar samenwerking op het gebied van consumentenbeleid. Deze samenwerking omvat, voor zover mogelijk:
a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot hun respectieve kaders voor consumentenbescherming, onder meer over consumentenwetgeving, de veiligheid van consumentenproducten, verhaalmogelijkheden voor consumenten en de handhaving van consumentenwetgeving;
b. het bevorderen van de oprichting van onafhankelijke consumentenorganisaties en contacten tussen vertegenwoordigers van consumenten; en
c. de uitwisseling van informatie en de bevordering van gezamenlijke activiteiten tussen de consumentenorganisaties van beide Partijen, mits zij daarmee instemmen.
1. Rekening houdend met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en duurzameontwikkelingsdoel nr. 8 inzake volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk, erkennen de Partijen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen essentiële elementen van duurzame ontwikkeling zijn.
2. De Partijen versterken hun dialoog en samenwerking ter bevordering van de IAO-agenda voor waardig werk, het werkgelegenheidsbeleid, levens- en arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk, de sociale dialoog, sociale bescherming, sociale inclusie, gendergelijkheid en discriminatiebestrijding, en dragen aldus bij aan de bevordering van meer en betere banen, versterkte sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en een betere levenskwaliteit en levensstandaard.
3. De Partijen hebben als doel meer samenwerking op het gebied van waardig werk, werkgelegenheid en sociaal beleid binnen alle relevante fora en organisaties.
4. Elke Partij dient alle vormen van dwangarbeid of kinderarbeid te voorkomen en uit te bannen.
1. De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om de IAO-verdragen waarbij zij Partij zijn, ten uitvoer te leggen en verdere toetreding te bevorderen. Zij bevestigen opnieuw dat zij zich inzetten voor een doeltreffend systeem van arbeidsinspecties, in overeenstemming met de IAO-normen, en voor doeltreffende handhavingsmechanismen en toegang tot rechtsmiddelen.
2. De Partijen moedigen, overeenkomstig de IAO-Verklaring inzake de fundamentele beginselen en rechten op het werk van 1998 en de IAO-Verklaring betreffende de sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, de deelname aan van alle relevante belanghebbenden, met name de sociale partners, in de ontwikkeling van hun sociale beleid en in de samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan uit hoofde van deze Overeenkomst.
De samenwerking op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen, gebaseerd op de uitwisseling van informatie en beste praktijken, kan betrekking hebben op kwesties op de volgende gebieden:
a. de verbetering van de levensstandaard en de versterking van de sociale cohesie en van inclusieve arbeidsmarkten en de integratie van kwetsbare personen;
b. het bevorderen van meer en betere banen met fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met name om de informele economie en informele werkgelegenheid terug te dringen en de levensomstandigheden te verbeteren;
c. de verbetering van de arbeidsomstandigheden, met name de bescherming en handhaving van arbeidsrechten, zoals de preventie en uitbanning van alle vormen van dwang- of kinderarbeid en moderne vormen van slavernij, alsmede de verbetering van het niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid op het werk;
d. het bevorderen van gendergelijkheid door de deelname van vrouwen aan het sociale en economische leven te stimuleren en ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen gelijke kansen hebben op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, opleiding, economie, samenleving en besluitvorming;
e. de bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt en op sociaal vlak, overeenkomstig de verplichtingen van de Partijen uit hoofde van internationale normen en verdragen;
f. het bevorderen van de mate van sociale bescherming voor iedereen en het moderniseren van de socialezekerheidsstelsels in termen van kwaliteit, toereikendheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid; en
g. het bevorderen van de deelname van de sociale partners en van de sociale dialoog, onder meer door de capaciteit van de sociale partners te versterken.
1. De Partijen erkennen het belang van een verantwoord beheer van de toeleveringsketens door middel van verantwoord ondernemerschap en praktijken op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en door het scheppen van een gunstig klimaat. Elke Partij ondersteunt de verspreiding en het gebruik van relevante internationale instrumenten, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, aangenomen op 21 juni 1976 als onderdeel van de Verklaring inzake Internationale Investeringen en Multinationale Ondernemingen, de Tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, aangenomen in Genève op 16 november 1977, het „Global Compact”-initiatief van de VN, gelanceerd in New York op 26 juli 2000, en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, bekrachtigd door de VN-Mensenrechtenraad bij Resolutie 17/4 van 16 juni 2011.
2. De Partijen wisselen informatie en beste praktijken uit en werken in voorkomend geval regionaal en in internationale fora samen met de andere Partij over aangelegenheden die onder dit artikel vallen.
De Partijen ontwikkelen hun samenwerking op het gebied van volksgezondheid, om de bescherming van de menselijke gezondheid te verbeteren en de gelijke kansen op gezondheidsgebied te bevorderen, overeenkomstig gemeenschappelijke waarden en beginselen inzake gezondheid, en als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.
De samenwerking op het gebied van gezondheid heeft betrekking op de preventie en beheersing van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, onder meer door de uitwisseling van gezondheidsinformatie, de bevordering van een beleid waarbij gezondheid in alle beleidsdomeinen wordt geïntegreerd, de samenwerking met internationale organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna „WHO” genoemd), en de bevordering van de uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten, zoals het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, gedaan te Genève op 21 mei 2003, en de Internationale Gezondheidsregeling van de WHO, aangenomen op 23 mei 2005 door de algemene vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie.
1. De Partijen zijn voornemens hun ervaringen met de voorbereiding en uitvoering van het drugsbeleid in Centraal-Azië uit te wisselen binnen een overeengekomen tijdsbestek.
2. De Europese Unie is voornemens de Republiek Oezbekistan binnen een overeengekomen tijdsbestek bijstand te verlenen bij de ontwikkeling van passende systemen voor vroegtijdige waarschuwing en risicobeoordeling inzake nieuwe psychoactieve stoffen, teneinde de volksgezondheid te beschermen.
3. De Europese Unie zal haar coördinatie met de Republiek Oezbekistan inzake een evenwichtige en geïntegreerde aanpak van drugskwesties binnen een overeengekomen tijdsbestek verbeteren met het oog op het aanbieden van opleidingsprogramma’s die relevant kunnen zijn voor de bestrijding van drugshandel in cyberspace.
1. De Partijen werken samen op het gebied van onderwijs en opleiding om een leven lang leren, samenwerking en transparantie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus te bevorderen, met bijzondere aandacht voor beroepsonderwijs en hoger onderwijs.
2. De samenwerking op het vlak van onderwijs en opleiding wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:
a. de bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en volledige deelname van de burger aan de maatschappij mogelijk maakt;
b. de modernisering van het onderwijs en de opleidingssystemen, met inbegrip van capaciteitsopbouw, opleidings- en omscholingsstelsels voor ambtenaren en een verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang tijdens de hele opleidingsloopbaan, vanaf de vroegschoolse educatie en opvang tot het hoger onderwijs;
c. de bevordering van convergentie en gecoördineerde hervormingen in het hoger en beroepsonderwijs;
d. de versterking van de internationale academische samenwerking, met het oog op meer deelname aan de samenwerkingsprogramma’s van de Europese Unie en de verbetering van de mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers;
e. de versterking van de banden tussen het onderwijsstelsel en de arbeidsmarkt;
f. de verdere ontwikkeling van het nationale kwalificatiekader om de transparantie en erkenning van kwalificaties en competenties in het hoger onderwijs en het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding te verbeteren;
g. de versterking van de samenwerking met het oog op de verdere ontwikkeling van beroepsonderwijs en -opleiding, rekening houdend met de beste praktijken in de Europese Unie;
h. steun voor de internationalisering van universiteiten in de Republiek Oezbekistan, waarbij kwalitatief onderwijs en de relevante voorwaarden worden gewaarborgd;
i. de bevordering van investeringen in de onderwijssector van de Republiek Oezbekistan; en
j. de bevordering van samenwerking bij het opzetten van centra voor opleiding, omscholing en beroepsopleiding op verschillende gebieden op het grondgebied van de Republiek Oezbekistan.
3. De Partijen werken ook samen op jeugdgebied met het oog op:
a. versterkte samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jongeren en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers;
b. de vergemakkelijking van de actieve deelname van alle jongeren aan het maatschappelijke leven;
c. het ondersteunen van de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de interculturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door middel van vrijwilligerswerk; en
d. bevordering van de samenwerking tussen jongerenorganisaties ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties.
1. De Partijen nemen passende maatregelen om culturele uitwisselingen te bevorderen, gezamenlijke initiatieven op diverse culturele en creatieve gebieden aan te moedigen en beste praktijken uit te wisselen op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor kunstenaars en voor professionals en organisaties in de culturele en creatieve sectoren aan te moedigen.
2. De Partijen werken samen in het kader van multilaterale internationale verdragen en internationale organisaties, met inbegrip van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna „Unesco” genoemd), om de culturele diversiteit te ondersteunen en het culturele en historische erfgoed in stand te houden en te valoriseren.
1. De Partijen bevorderen samenwerking op het gebied van mediabeleid en audiovisueel beleid, met name door de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot audiovisueel en mediabeleid en opleiding voor journalisten en andere professionals op het gebied van media en film en op audiovisueel gebied.
2. De Partijen werken samen ter bevordering van de onafhankelijkheid en het professionalisme van de media, op basis van de normen in de toepasselijke internationale verdragen, waaronder de normen van de Unesco en de Raad van Europa, in voorkomend geval.
3. De Partijen werken samen in internationale fora, zoals Unesco.
De Partijen bevorderen samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten om een gezonde levensstijl, goed bestuur en de sociale en educatieve waarde van sport te bevorderen en om bedreigingen voor de sport zoals doping, wedstrijdvervalsing, racisme en geweld tegen te gaan. De samenwerking omvat met name de uitwisseling van informatie en goede praktijken.
1. De Partijen werken samen om activiteiten op het gebied van preventie, beperking, paraatheid, respons en herstel te verbeteren om de gevolgen van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te beperken en de veerkracht van hun maatschappijen en infrastructuur te vergroten. De Partijen werken op passende niveaus samen om het rampenrisicobeheer te verbeteren.
2. De Partijen streven ernaar informatie en deskundigheid uit te wisselen en gezamenlijke activiteiten uit te voeren, waar nodig en afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende middelen.
De Partijen bevorderen wederzijds begrip en bilaterale samenwerking op het gebied van het regionaal ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van methoden om regionaal beleid en bestuur en partnerschap op verschillende niveaus te formuleren en uit te voeren, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van kansarme gebieden en territoriale samenwerking, teneinde de levensomstandigheden te verbeteren, de economische, sociale en territoriale samenhang te bevorderen, en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen nationale, regionale en lokale overheden, sociaal-economische actoren en het maatschappelijk middenveld te stimuleren.
De Partijen ondersteunen en versterken de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij regionale beleidssamenwerking en grensoverschrijdende samenwerking, teneinde wederzijds begrip en informatie-uitwisseling te bevorderen, maatregelen voor capaciteitsopbouw te ontwikkelen, de oprichting van relevante structuren en het wetgevingskader te stimuleren en grensoverschrijdende economische en zakelijke netwerken te versterken.
De Partijen versterken en stimuleren de ontwikkeling van de grensoverschrijdende samenwerking op andere terreinen die onder deze Overeenkomst vallen, zoals handel, vervoer, energie, water, milieu, klimaat, digitale economie, cultuur, onderwijs, onderzoek en toerisme.
De Partijen stimuleren de samenwerking tussen de regio’s van de lidstaten en de regio’s van de Republiek Oezbekistan.
1. De Partijen zijn van mening dat een belangrijk aspect van de versterking van de banden tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan bestaat in een geleidelijke convergentie van de wetgeving van de Republiek Oezbekistan met die van de Europese Unie op specifieke gebieden die onder deze Overeenkomst vallen.
2. Deze samenwerking is onder meer gericht op de ontwikkeling van de bestuurlijke en institutionele capaciteit van de Republiek Oezbekistan, voor zover dat nodig is voor de uitvoering van deze Overeenkomst en de noodzakelijke structurele hervormingen en aanpassing van de wetgeving.
3. De Europese Unie streeft ernaar de Republiek Oezbekistan technische bijstand te verlenen voor de uitvoering van deze maatregelen, onder meer door middel van:
a. de uitwisseling van deskundigen;
b. de verstrekking van tijdige informatie, in het bijzonder over relevante wetgeving;
c. de organisatie van seminars; en
d. opleidingsactivititeiten.
1. De Republiek Oezbekistan kan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst financiële steun krijgen van de Europese Unie in de vorm van subsidies en leningen, in voorkomend geval in samenwerking met de Europese Investeringsbank en andere internationale financiële instellingen. De Republiek Oezbekistan kan ook technische bijstand ontvangen.
2. Financiële steun kan worden verleend overeenkomstig de relevante financieringsinstrumenten van de Europese Unie met betrekking tot extern optreden. Op de financiering door de Europese Unie zijn Verordening (EU, Euratom) nr. 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad42) en de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie 43) van toepassing.
3. De financiële steun wordt gebaseerd op jaarlijkse actieprogramma’s die na overleg met de Republiek Oezbekistan door de Europese Unie worden opgesteld.
4. De Europese Unie en de Republiek Oezbekistan kunnen programma’s en projecten cofinancieren. De Partijen coördineren programma’s en projecten inzake financiële en technische samenwerking en wisselen informatie uit over alle bronnen van steun.
5. Om het beginsel van transparantie van de financiële steun en technische bijstand van de Europese Unie aan de Republiek Oezbekistan te waarborgen, verstrekt de Europese Unie de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan regelmatig informatie over de uitgaven voor elk programma en project dat in het kader van bilaterale programma’s van de Europese Unie aan de Republiek Oezbekistan wordt toegewezen.
6. Overeenkomstig de op 2 maart 2005 aangenomen OESO-verklaring van Parijs over doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, de fundamentele strategie van de Europese Unie voor een hervorming van de technische samenwerking, de verslagen van de Europese Rekenkamer en de lessen die zijn geleerd uit afgeronde en lopende samenwerkingsprogramma’s van de Europese Unie in de Republiek Oezbekistan, zal doeltreffendheid centraal staan bij de financiële steun die de Europese Unie aan de Republiek Oezbekistan verstrekt.
1. De Partijen voeren de financiële steun uit volgens de beginselen van goed financieel beheer en transparantie en werken samen om de financiële belangen van de Europese Unie en van de Republiek Oezbekistan te beschermen. De Partijen nemen doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan schaden.
2. Onverminderd de rechtstreekse toepassing van lid 3 wordt in verdere overeenkomsten of financieringsinstrumenten die tijdens de uitvoering van deze Overeenkomst tussen de Partijen worden gesloten, specifieke bepalingen inzake financiële samenwerking opgenomen die betrekking hebben op controles ter plaatse, inspecties, controles en fraudebestrijdingsmaatregelen, waaronder die welke worden uitgevoerd door de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna „OLAF” genoemd).
3. Subsidies en andere door de Europese Unie gefinancierde ontwikkelingsprojecten die worden uitgevoerd in de Republiek Oezbekistan, en daarmee verband houdende diensten en leveringen zijn in de Republiek Oezbekistan niet onderworpen aan belastingen, douanerechten of soortgelijke heffingen volgens de procedure waarin de wetgeving van de Republiek Oezbekistan voorziet.
Om de beschikbare middelen optimaal te benutten, zorgt elke Partij ervoor dat de bijdragen van de Europese Unie nauw worden gecoördineerd met de bijdragen van andere bronnen, derde landen en internationale financiële instellingen. Daartoe wisselen de Partijen regelmatig informatie uit over alle bronnen van bijstand. Financiële steun van de Europese Unie kan worden medegefinancierd door de Republiek Oezbekistan.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan belast zijn met de uitvoering van middelen van de Europese Unie of begunstigde zijn van middelen van de Europese Unie onder rechtstreeks beheer, nemen zij alle passende maatregelen om onregelmatigheden, fraude, corruptie en andere illegale activiteiten ten nadele van de EU-middelen en, in voorkomend geval, de medefinanciering van de Republiek Oezbekistan te voorkomen. De bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan brengen de Europese Commissie en OLAF onverwijld op de hoogte wanneer zij kennis krijgen van vermoede of feitelijke gevallen van fraude, corruptie of andere onregelmatigheden, met inbegrip van belangenconflicten, in verband met middelen van de Europese Unie.
1. In het kader van deze Overeenkomst is OLAF gemachtigd controles en inspecties ter plaatse uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad44), en Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/9645) en (EG, Euratom) nr. 2988/9546) van de Raad.
2. De controles en inspecties ter plaatse worden door OLAF voorbereid in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan, waarbij rekening wordt gehouden met de eisen van de wetgeving van de Republiek Oezbekistan.
3. Wanneer een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle of inspectie ter plaatse, verlenen de autoriteiten van de Republiek Oezbekistan OLAF de nodige bijstand om de aan OLAF opgedragen controles en inspecties ter plaatse tot een goed einde te kunnen brengen.
4. De bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan wisselen op verzoek informatie uit met OLAF die relevant kan zijn voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie.
5. Voor de doorgifte van persoonsgegevens gelden de gegevensbeschermingsregels van de overdragende partij.
6. OLAF kan met de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan verdere samenwerking op het gebied van fraudebestrijding overeenkomen, met inbegrip van het treffen van administratieve regelingen.
De bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan zorgen ervoor dat vermoede en feitelijke gevallen van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die schade berokkenen aan de financiën van de Europese Unie, overeenkomstig de wetgeving van de Republiek Oezbekistan worden onderzocht en vervolgd. Waar nodig en op schriftelijk verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan verleent OLAF de bevoegde autoriteiten van de Republiek Oezbekistan bijstand bij deze taak.
1. Er wordt een Samenwerkingsraad ingesteld, die toezicht houdt op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en de uitvoering daarvan. Hij behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze Overeenkomst voordoen, en alle andere, bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.
2. De Samenwerkingsraad komt op gezette tijden bijeen, normaliter eenmaal per jaar, of zoals onderling overeengekomen.
3. De Samenwerkingsraad bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen op ministerieel niveau of hun vertegenwoordigers. De Samenwerkingsraad komt bijeen in de noodzakelijke samenstelling, die in onderling overleg wordt bepaald. Wanneer de Samenwerkingsraad kwesties in verband met titel IV van deze Overeenkomst behandelt, bestaat hij uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan met verantwoordelijkheid op het gebied van handel.
4. De Samenwerkingsraad stelt zijn reglement van orde en het reglement van orde van het Samenwerkingscomité vast.
5. De Samenwerkingsraad wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Republiek Oezbekistan.
6. De Samenwerkingsraad is bevoegd besluiten te nemen en passende aanbevelingen te doen zoals bepaald in deze Overeenkomst en in zijn reglement van orde. In het kader van de titels I, II, III, V, VI, VII, VIII en IX van deze Overeenkomst heeft de Samenwerkingsraad de bevoegdheid besluiten te nemen en aanbevelingen te doen in onderling overleg tussen de Partijen. De besluiten zijn bindend voor de Partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.
7. De Samenwerkingsraad mag elk van zijn bevoegdheden aan het Samenwerkingscomité delegeren, met inbegrip van de bevoegdheid om bindende besluiten te nemen.
1. Er wordt een Samenwerkingscomité ingesteld dat de Samenwerkingsraad bijstaat bij de uitvoering van zijn taken.
2. Het Samenwerkingscomité is verantwoordelijk voor de algemene uitvoering van deze Overeenkomst.
3. Het Samenwerkingscomité wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Republiek Oezbekistan.
4. Het Samenwerkingscomité bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen op het niveau van hoge ambtenaren of uit anderszins door elke Partij aangewezen vertegenwoordigers.
5. Het Samenwerkingscomité kan in een specifieke samenstelling bijeenkomen om alle kwesties in verband met titel IV van deze Overeenkomst te bespreken. Wanneer het Samenwerkingscomité kwesties in verband met titel IV van deze Overeenkomst behandelt, bestaat het uit vertegenwoordigers van elk van de Partijen met verantwoordelijkheid op het gebied van handel.
6. Het Samenwerkingscomité komt eenmaal per jaar of in onderling overleg bijeen op een datum en met een agenda die vooraf door de Partijen zijn overeengekomen, afwisselend in Brussel en Tasjkent of in onderling overleg op afstand via een technologisch hulpmiddel dat beschikbaar is voor de Partijen. Met instemming van beide Partijen kunnen op verzoek van een Partij bijzondere vergaderingen worden bijeengeroepen.
7. Het Samenwerkingscomité heeft beslissingsbevoegdheid in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, of in de gevallen waarin de Samenwerkingsraad die bevoegdheid aan het Samenwerkingscomité heeft gedelegeerd. De besluiten zijn bindend voor de Partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. Bij de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden neemt het Samenwerkingscomité zijn besluiten overeenkomstig het reglement van orde van de Samenwerkingsraad.
1. Het Samenwerkingscomité kan subcomités of andere organen oprichten om bijstand te verlenen bij de uitvoering van zijn taken en om specifieke taken of onderwerpen te behandelen. Het Samenwerkingscomité kan subcomités of andere overeenkomstig de eerste zin van dit lid opgerichte organen opheffen of hun taken wijzigen.
2. Het Samenwerkingscomité stelt het reglement van orde van de krachtens lid 1 opgerichte subcomités of andere organen vast.
3. Subcomités en andere organen komen bijeen op verzoek van een van de Partijen of van het Samenwerkingscomité, tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald of de Partijen anders overeenkomen. Vergaderingen vinden plaats in persoon of in onderling overleg op afstand via een technologisch hulpmiddel dat beschikbaar is voor de Partijen. Vergaderingen in persoon worden beurtelings in Brussel en in Tasjkent gehouden.
4. Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald of tussen de Partijen anders is overeengekomen, brengen de krachtens deze Overeenkomst of door het Samenwerkingscomité opgerichte subcomités en andere organen regelmatig of op verzoek verslag uit aan het Samenwerkingscomité over hun activiteiten.
5. De instelling of het bestaan van een subcomité of andere organen belet niet dat een Partij een aangelegenheid rechtstreeks aan het Samenwerkingscomité voorlegt.
1. Er wordt een Parlementair Samenwerkingscomité opgericht. Het bestaat uit leden van het Europees Parlement en leden van de Oliy Majlis van de Republiek Oezbekistan.
2. Het Parlementair Samenwerkingscomité is een forum voor vergaderingen en gedachtewisselingen met het oog op de verdieping en versterking van de betrekkingen tussen de Partijen. Het komt met zelf te bepalen tussenpozen bijeen.
3. Het Parlementair Samenwerkingscomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.
4. Het Parlementair Samenwerkingscomité wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Samenwerkingsraad.
5. Het Parlementair Samenwerkingscomité mag aanbevelingen doen aan de Samenwerkingsraad.
Om het maatschappelijk middenveld te informeren en te raadplegen over de uitvoering van deze Overeenkomst, zoals bepaald in artikel 6, kunnen de Partijen daartoe een specifieke instantie oprichten overeenkomstig de procedure van artikel 339.
1. Deze Overeenkomst is van toepassing:
a. op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden; en
b. op het grondgebied dat onder de soevereiniteit van de Republiek Oezbekistan valt en waarop zij soevereine rechten en jurisdictie uitoefent zoals bepaald door haar nationale wetgeving, in overeenstemming met het internationale recht.
2. Verwijzingen naar „grondgebied” in deze Overeenkomst worden overeenkomstig lid 1 begrepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
3. Verwijzingen naar „grondgebied” in deze Overeenkomst omvatten tevens het luchtruim en de territoriale wateren zoals bepaald in het te Montego Bay op 10 december 1982 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.
4. Wat de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende douanesamenwerking betreft, is deze Overeenkomst wat de Europese Unie betreft ook van toepassing op de gebieden van het douanegebied van de Europese Unie, zoals gedefinieerd in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad47) tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, die niet onder lid 1, punt a), van dit artikel vallen.
1. De Partijen treffen alle maatregelen die nodig zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze Overeenkomst te voldoen.
2. Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen uit hoofde van titel IV van deze Overeenkomst niet is nagekomen, zijn de specifieke mechanismen van die titel van toepassing.
3. Indien een Partij van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen die in artikel 2 en artikel 11 als essentiële elementen zijn aangemerkt, niet is nagekomen, stelt zij de andere Partij onmiddellijk in kennis van haar voornemen passende maatregelen te nemen. Op verzoek van een Partij wordt gedurende ten hoogste 15 dagen overleg gepleegd, gerekend vanaf de datum van kennisgeving door een Partij van haar voornemen om passende maatregelen te nemen. Na die periode kunnen passende maatregelen worden genomen. Voor de toepassing van dit lid kunnen „passende maatregelen” de gehele of gedeeltelijke opschorting van deze Overeenkomst omvatten.
4. Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een verplichting van deze Overeenkomst, met uitzondering van die welke onder de leden 2 en 3 van dit artikel vallen, niet is nagekomen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis. De Partijen plegen onder auspiciën van de Samenwerkingsraad overleg om tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen. Als de Samenwerkingsraad er niet in slaagt een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden, kan de kennisgevende Partij passende maatregelen treffen. Voor de toepassing van dit lid kunnen „passende maatregelen” uitsluitend de opschorting van de titels I, II, III, V, VI, VII, VIII en IX van deze Overeenkomst omvatten.
5. De in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde „passende maatregelen” worden genomen met volledige inachtneming van het internationale recht en staan in verhouding tot de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst. Prioriteit moet worden gegeven aan die maatregelen die de werking van deze Overeenkomst het minst verstoren.
Niets in deze Overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat:
a. een Partij verplicht wordt gegevens te verstrekken of toegang tot gegevens te bieden wanneer die Partij openbaarmaking van die gegevens in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen; of
b. een Partij verplicht wordt maatregelen te treffen die die Partij nodig acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen en die:
i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met dergelijke handel en transacties in andere goederen en materialen, diensten en technologie, en met economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;
ii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op stoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; of
iii. worden getroffen ten tijde van oorlog of een andere noodsituatie in de internationale betrekkingen; of
c. een Partij belet wordt maatregelen te treffen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de VN met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
1. De Partijen gaan over tot bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst volgens hun eigen procedures en stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de daarvoor noodzakelijke procedures.
2. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop de laatste kennisgeving waarin in lid 1 is voorzien, is verricht.
Met het oog op deze kennisgevingen doet de Republiek Oezbekistan haar tot de Europese Unie en haar lidstaten gerichte kennisgeving aan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie geworden, en doet het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie de kennisgeving van de Europese Unie en haar lidstaten aan de Republiek Oezbekistan geworden. De kennisgeving van de Europese Unie en de lidstaten bevat kennisgevingen van elke lidstaat waarin wordt bevestigd dat de voor inwerkingtreding van deze Overeenkomst vereiste procedures in de betrokken lidstaat zijn voltooid.
3. Onverminderd lid 2 kunnen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk voorlopig toepassen overeenkomstig hun respectieve interne procedures. De voorlopige toepassing vangt aan op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan elkaar in kennis hebben gesteld van het volgende:
a. voor de Europese Unie: de voltooiing van de daartoe vereiste interne procedures, met een vermelding van de delen van de Overeenkomst die de Europese Unie voorstelt voorlopig toe te passen; en
b. voor de Republiek Oezbekistan: de voltooiing van de daartoe vereiste interne procedures, met een vermelding van de delen van de Overeenkomst die de Europese Unie voorstelt voorlopig toe te passen, waarbij zij bevestigt ermee in te stemmen dat deze voorlopig worden toegepast.
4. Elk van de Partijen kan de andere Partij schriftelijk in kennis stellen van haar voornemen om de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst te beëindigen. De beëindiging van de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op die kennisgeving.
5. Voor de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, wordt onder „inwerkingtreding van deze Overeenkomst” verstaan: de datum van voorlopige toepassing. De Samenwerkingsraad, het Samenwerkingscomité en zijn subcomités en andere krachtens deze Overeenkomst opgerichte organen mogen hun taken uitoefenen tijdens de voorlopige toepassing van de Overeenkomst. Alle in de uitoefening van deze taken genomen besluiten houden op gevolgen te hebben wanneer de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst wordt beëindigd overeenkomstig lid 4.
6. Indien een bepaling uit deze Overeenkomst in overeenstemming met lid 3 door de Partijen voorlopig wordt toegepast, wordt elke verwijzing in die bepaling naar de datum van inwerkingtreding beschouwd als verwijzing naar de datum met ingang waarvan de Partijen overeenkomen die bepaling op voorlopig toe te passen.
1. De Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen deze Overeenkomst te wijzigen. Voor de inwerkingtreding van dergelijke wijzigingen is artikel 345 van toepassing.
2. De Samenwerkingsraad kan besluiten goedkeuren tot wijziging van deze Overeenkomst in de gevallen bedoeld in de artikelen 27 en 28.
1. Bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst wordt de op 21 juni 1996 in Florence ondertekende Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, ingetrokken en vervangen door de onderhavige Overeenkomst.
2. Verwijzingen naar de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1 van dit artikel in alle andere overeenkomsten tussen de Partijen worden gelezen als verwijzingen naar deze Overeenkomst.
3. De Partijen kunnen deze Overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen. Dergelijke specifieke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze Overeenkomst en maken deel uit van het bij deze Overeenkomst vastgestelde institutionele kader.
De bijlagen, aanhangsels, protocollen, noten en voetnoten bij deze Overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.
1. De Europese Unie zal de Republiek Oezbekistan in kennis stellen van elk verzoek om toetreding van een derde land tot de Europese Unie.
2. De Europese Unie stelt de Republiek Oezbekistan in kennis van de inwerkingtreding van elk Verdrag betreffende de toetreding van een derde land tot de Europese Unie (hierna „het toetredingsverdrag” genoemd).
3. Een nieuwe lidstaat treedt toe tot deze Overeenkomst onder de door de Samenwerkingsraad vastgestelde voorwaarden. Tenzij in lid 4 anders is bepaald, wordt de toetreding van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie en wordt deze Overeenkomst gewijzigd bij een besluit van de Samenwerkingsraad tot vaststelling van de toetredingsvoorwaarden.
4. Titel IV is van toepassing tussen de nieuwe lidstaat en de Republiek Oezbekistan vanaf de datum van toetreding van die nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.
5. Om de uitvoering van lid 4 van dit artikel te vergemakkelijken, onderzoekt het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken vanaf de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag de gevolgen van de toetreding van de nieuwe lidstaat voor deze Overeenkomst. Het Samenwerkingscomité neemt een besluit over noodzakelijke technische wijzigingen van de bijlagen 7-A, 7-C en 9 bij deze Overeenkomst, en over andere noodzakelijke aanpassingen of overgangsmaatregelen. Elk besluit van het Samenwerkingscomité wordt van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.
Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, anders dan die welke tussen de Partijen in het leven zijn geroepen uit hoofde van internationaal publiekrecht, noch op zo een manier dat op deze Overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de Partijen.
1. Tenzij anders is bepaald, worden verwijzingen in titel IV naar de wet- en regelgeving van een Partij geacht tevens betrekking te hebben op de wijzigingen daarvan.
2. Tenzij anders is bepaald in titel IV, worden onder de internationale overeenkomsten waarnaar wordt verwezen of die in deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk worden opgenomen, tevens de wijzigingen daarvan of de vervolgovereenkomsten die voor beide Partijen op of na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst in werking treden, begrepen. Indien zich naar aanleiding van deze wijzigingen of vervolgovereenkomsten vraagstukken met betrekking tot de uitvoering of de toepassing van deze Overeenkomst voordoen, kunnen de Partijen op verzoek van een Partij met elkaar overleg plegen om in voorkomend geval tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing daarvoor te komen.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „Partijen” verstaan: de Europese Unie, of haar lidstaten, of de Europese Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds.
Een Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door de andere Partij daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Deze Overeenkomst houdt op van kracht te zijn op de eerste dag van de zesde maand volgende op de datum van de kennisgeving van beëindiging.
Kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 345, 346, en 353 van deze Overeenkomst worden, wat de Europese Unie en aar lidstaten betreft, gedaan aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en, wat de Republiek Oezbekistan betreft, aan de minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek Oezbekistan.
Deze Overeenkomst is in tweevoud opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Oezbeekse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
|
|
[Embleem van de Republiek Oezbekistan] |
|
..... |
..... |
|
..... |
(Plaats en datum) |
|
Referentie: ..... |
|
|
aan |
|
|
..... |
|
|
..... |
|
|
..... |
|
|
(Benaming van de aangezochte autoriteit) |
|
|
□ VERZOEK OM INTERVIEW |
|
AANVRAAG VAN EEN REISDOCUMENT |
|||
|
krachtens artikel 15 van de Versterkte Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds |
|||
|
A. |
Persoonlijke gegevens |
||
|
1. |
Volledige naam (onderstreep achternaam): |
Foto |
|
|
..... |
|||
|
2. |
Meisjesnaam: |
||
|
..... |
|||
|
3. |
Geboortedatum en -plaats: |
||
|
..... |
|||
|
4. |
Geslacht en persoonsbeschrijving (lengte, kleur van de ogen, bijzondere kenmerken enz.): |
||
|
..... |
|||
|
5. |
Tevens bekend als (vroegere namen, andere namen die de persoon gebruikt of waaronder de persoon bekend staat of aliassen): |
||
|
..... |
|||
|
6. |
Nationaliteit en taal: |
||
|
..... |
|||
|
7. |
Laatste adres in de aangezochte staat: |
||
|
..... |
|||
|
B. |
Persoonlijke gegevens omtrent echtgenoot/echtgenote (indien van toepassing) |
|
1. |
Volledige naam (onderstreep achternaam): |
|
..... |
|
|
2. |
Meisjesnaam: |
|
..... |
|
|
3. |
Geboortedatum en -plaats: |
|
..... |
|
|
4. |
Geslacht en persoonsbeschrijving (lengte, kleur van de ogen, bijzondere kenmerken enz.): |
|
..... |
|
|
5. |
Tevens bekend als (vroegere namen, andere namen die de persoon gebruikt of waaronder de persoon bekend staat of aliassen): |
|
..... |
|
|
6. |
Nationaliteit en taal: |
|
..... |
|
C. |
Persoonlijke gegevens van kinderen (indien van toepassing) |
|
1. |
Volledige naam (onderstreep achternaam): |
|
..... |
|
|
2. |
Geboortedatum en -plaats: |
|
..... |
|
|
3. |
Geslacht en persoonsbeschrijving (lengte, kleur van de ogen, bijzondere kenmerken enz.): |
|
..... |
|
|
4. |
Nationaliteit en taal: |
|
..... |
|
D. |
Bijzondere omstandigheden met betrekking tot de over te dragen persoon |
|
1. |
Gezondheidstoestand |
|
(bv. eventuele bijzondere medische behandeling; Latijnse naam van besmettelijke ziekte): |
|
|
..... |
|
|
2. |
Redenen waarom de persoon bijzonder gevaarlijk is |
|
(bv. vermoeden van ernstig misdrijf; agressief gedrag): |
|
|
..... |
|
E. |
Bijgevoegd bewijsmateriaal |
|
|
1. |
..... |
..... |
|
(nummer paspoort) |
(datum en plaats van afgifte) |
|
|
..... |
..... |
|
|
(autoriteit van afgifte) |
(geldig tot) |
|
|
2. |
..... |
..... |
|
(nummer identiteitskaart) |
(datum en plaats van afgifte) |
|
|
..... |
..... |
|
|
(autoriteit van afgifte) |
(geldig tot) |
|
|
3. |
..... |
..... |
|
(nummer rijbewijs) |
(datum en plaats van afgifte) |
|
|
..... |
..... |
|
|
(autoriteit van afgifte) |
(geldig tot) |
|
|
4. |
..... |
..... |
|
(nummer ander officieel document) |
(datum en plaats van afgifte) |
|
|
..... |
..... |
|
|
(autoriteit van afgifte) |
(geldig tot) |
|
|
5. |
Vingerafdrukken |
|
F. |
Opmerkingen |
|
|
..... |
||
|
..... |
||
|
..... |
||
|
..... |
||
|
(Handtekening) (Zegel/stempel) |
||
INTERNATIONALE NORMALISATIE-ORGANISATIES
1. Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO)
2. Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC)
3. Internationale Telecommunicatie-unie (ITU)
4. Codex Alimentarius-Commissie (CODEX)
5. Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)
6. Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen (WP.29) binnen de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE)
7. VN-subcomité van deskundigen inzake het mondiaal geharmoniseerd classificatie- en etiketteringssysteem voor chemische stoffen (UN/SCEGHS)
8. Internationale Raad voor de harmonisatie van de technische voorschriften voor de registratie van geneesmiddelen voor menselijk gebruik (ICH)
9. Internationale Organisatie voor wettelijke metrologie (OIML)
10. Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV)
11. Wereldpostunie (UPU)
12. Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH)
1. Elke Partij aanvaardt de conformiteitsverklaring van de leverancier als bewijs van naleving van de bestaande technische voorschriften op de volgende gebieden:
a. veiligheidsaspecten van elektrische en elektronische apparatuur zoals gedefinieerd in punt 2;
b. veiligheidsaspecten van machines zoals gedefinieerd in punt 3;
c. elektromagnetische compatibiliteit van apparatuur zoals gedefinieerd in punt 4;
d. energie-efficiëntie, met inbegrip van eisen inzake ecologisch ontwerp, zoals gedefinieerd in punt 5;
e. beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur; en
f. sanitaire toestellen zoals gedefinieerd in punt 6.
2. In deze bijlage wordt onder „veiligheidsaspecten van elektrische en elektronische apparatuur” verstaan: de veiligheidsaspecten van apparatuur die voor een goede werking afhankelijk is van elektrische stromen, alsmede apparatuur voor het opwekken, doorgeven en meten van die stromen, en is ontworpen voor gebruik met een spanning tussen 50 en 1 000 V in het geval van wisselstroom en tussen 75 en 1 500 V in het geval van gelijkstroom, en apparatuur die opzettelijk elektromagnetische golven met frequenties lager dan 3 000 GHz uitzendt of ontvangt voor draadloze verbindingen of radiodeterminatie, met uitzondering van onder andere:
a. apparatuur voor gebruik in een explosieve atmosfeer;
b. apparatuur voor gebruik voor radiologische of medische doeleinden;
c. elektrische onderdelen voor goederen- en passagiersliften;
d. radioapparatuur die door radiozendamateurs wordt gebruikt;
e. elektriciteitsmeters;
f. stekkers en stopcontacten voor huishoudelijk gebruik;
g. apparatuur voor het bewaken van elektrische afsluitingen;
h. speelgoed;
i. voor vakmensen op maat gebouwde evaluatiekits die bestemd zijn voor de beroepspraktijk en die uitsluitend worden gebruikt in inrichtingen voor onderzoek en ontwikkeling voor zulke doeleinden; en
j. bouwproducten die bedoeld zijn om permanent te worden verwerkt in gebouwen of civieltechnische werken en waarvan de prestaties van invloed zijn op de prestaties van het gebouw of het civieltechnische werk, waaronder kabels, brandmelders of elektrische deuren.
3. In deze bijlage wordt onder „veiligheidsaspecten van machines” verstaan: de veiligheidsaspecten van een samenstel dat uit ten minste één bewegend deel bestaat, aangedreven door een aandrijfsysteem dat gebruikmaakt van één of meer energiebronnen, waaronder thermische, elektrische, pneumatische, hydraulische of mechanische energie, en zodanig is opgesteld en wordt geregeld dat zij als een geïntegreerd geheel werken, met uitzondering van machines met een hoog risico in de zin van de definities van de Partijen.
4. In deze bijlage wordt onder „elektromagnetische compatibiliteit van apparatuur” verstaan: de elektromagnetische compatibiliteit (storing en immuniteit) van apparatuur die van elektrische stromen of magnetische velden afhankelijk is om naar behoren te werken, alsmede apparatuur voor het opwekken, doorgeven en meten van die stromen, met uitzondering van:
a. apparatuur voor gebruik in een explosieve atmosfeer;
b. apparatuur voor gebruik voor radiologische of medische doeleinden;
c. elektrische onderdelen voor goederen- en passagiersliften;
d. radioapparatuur die door radiozendamateurs wordt gebruikt;
e. meetinstrumenten;
f. niet-automatische weeginstrumenten;
g. naar zijn aard onschadelijke apparatuur; en
h. voor vakmensen op maat gebouwde evaluatiekits die bestemd zijn voor de beroepspraktijk en die uitsluitend worden gebruikt in inrichtingen voor onderzoek en ontwikkeling voor zulke doeleinden.
5. In deze bijlage wordt onder „energie-efficiëntie” verstaan: de verhouding tussen de door een product geleverde prestaties, diensten, goederen of energie en de daartoe gebruikte input van energie, die van invloed is op het energieverbruik bij gebruik, gelet op een doelmatige toewijzing van middelen.
6. In deze bijlage worden onder „sanitaire toestellen” de volgende producten verstaan: toiletten, whirlpools, gootstenen, urinoirs, baden, douchebakken, bidets en wastafels.
7. Deze bijlage heeft geen betrekking op volledige vliegtuigen, vaartuigen, spoorwegen, motorvoertuigen en gespecialiseerde maritieme, spoorweg- en luchtvaartapparatuur.
8. Op verzoek van een Partij herziet het Samenwerkingscomité de lijst van gebieden in punt 1 van deze bijlage.
9. Elk van de Partijen kan eisen voor verplichte tests door derden of certificering van de in deze bijlage bedoelde productgebieden invoeren, voor zover die eisen op grond van legitieme doelstellingen gerechtvaardigd zijn en evenredig, met het doel de Partij van invoer voldoende vertrouwen te geven dat de producten in overeenstemming zijn met de toepasselijke technische voorschriften of normen, rekening houdend met de risico’s die de non-conformiteit zou opleveren.
10. Een Partij die voorstelt de in lid 9 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures in te voeren, stelt de andere Partij daarvan in kennis en houdt bij het ontwerpen van die conformiteitsbeoordelingsprocedures rekening met de opmerkingen van de andere Partij.
Deze bijlage bevat een regeling voor de regelmatige uitwisseling van informatie tussen het systeem voor snelle waarschuwingen van de Europese Unie en de databank van de Republiek Oezbekistan over de veiligheid van non-foodconsumentenproducten en daarmee verband houdende preventieve, restrictieve en correctieve maatregelen.
Overeenkomstig artikel 61, lid 8, van deze Overeenkomst wordt in de regeling nader bepaald welke soort informatie wordt uitgewisseld en wat de modaliteiten zijn voor de uitwisseling en de toepassing van voorschriften inzake vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens.
In deze bijlage wordt een regeling vastgesteld voor de regelmatige uitwisseling, ook langs elektronische weg, van informatie betreffende andere dan de door artikel 61, lid 4, van deze Overeenkomst bestreken maatregelen met betrekking tot niet-conforme non-foodproducten.
Overeenkomstig artikel 61, lid 8, van deze Overeenkomst wordt in de regeling nader bepaald welke soort informatie wordt uitgewisseld en wat de modaliteiten zijn voor de uitwisseling en de toepassing van voorschriften inzake vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens.
a. Burgerlijk wetboek van de Republiek Oezbekistan (afdeling IV) van 29 augustus 1996;
b. Wet nr. 267-II van de Republiek Oezbekistan inzake handelsmerken, dienstmerken en oorsprongsbenamingen van 30 augustus 2001 en de uitvoeringsbesluiten daarvan;
c. Wet nr. 757 van de Republiek Oezbekistan inzake geografische aanduidingen van 3 maart 2022 en de uitvoeringsbesluiten daarvan.
a. Verordening (EU) 2024/1143 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten, evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2019/787 en (EU) 2019/1753 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1151/20121);
b. Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad2), en met name de artikelen 92 tot en met 111 inzake oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, en de uitvoeringsbepalingen van deze verordening;
c. Verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 110/20083), en de uitvoeringsbepalingen van deze verordening;
1. Een register met de op het grondgebied beschermde geografische aanduidingen.
2. Een administratieve procedure om te controleren dat de geografische aanduidingen aangeven dat de waren van oorsprong zijn uit een gebied, regio of plaats van een van de Partijen waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van die waren hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan hun geografische oorsprong.
3. Een vereiste dat een geregistreerde naam overeenkomt met een specifiek product of specifieke producten waarvoor een productspecificatie is vastgesteld die alleen kan worden gewijzigd volgens de daarvoor voorgeschreven administratieve procedure.
4. Bepalingen inzake toezicht op de productie.
5. Handhaving van de bescherming van de geregistreerde namen door passende bestuursrechtelijke maatregelen van de overheden.
6. Wettelijke bepalingen waarin is neergelegd dat een geregistreerde naam kan worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die producten overeenkomstig de desbetreffende specificatie in de handel brengt.
7. Bepalingen betreffende de registratie, inclusief weigering van registratie, van termen die geheel of gedeeltelijk gelijkluidend zijn met geregistreerde termen, termen die in de omgangstaal gebruikelijk zijn als soortnaam voor producten en termen die namen van planten- of dierenrassen bevatten; in het kader van deze bepalingen dient rekening te worden gehouden met de legitieme belangen van alle betrokken Partijen.
8. Voorschriften betreffende het verband tussen geografische aanduidingen en handelsmerken waarin wordt voorzien in een beperkte uitzondering op de rechten die in het kader van de wet op de handelsmerken worden toegekend, met name dat het bestaan van een vroeger handelsmerk geen reden is om registratie en gebruik van een naam als geregistreerde geografische aanduiding te verbieden, behalve in die gevallen waarin het handelsmerk gereputeerd en lange tijd in gebruik is en bijgevolg de registratie en het gebruik van de geografische aanduiding op producten die niet door het handelsmerk worden gedekt, de consument zouden kunnen misleiden.
9. Een recht van iedere in het geografische gebied gevestigde producent die zich onderwerpt aan het systeem van controles, om het product met de beschermde benaming te produceren, op voorwaarde dat hij voldoet aan de productspecificatie.
10. Een bezwaarprocedure waarbij rekening wordt gehouden met de rechtmatige belangen van vroegere gebruikers van namen, ongeacht of deze namen als een vorm van intellectuele eigendom worden beschermd.
1. Lijst van benamingen met de corresponderende transcriptie in Latijns of Oezbeeks schrift.
2. Het producttype.
3. Een uitnodiging aan de volgende personen om bezwaren tegen de bescherming van een geografische aanduiding aan te tekenen door een met redenen omklede verklaring in te dienen:
a. in het geval van de Europese Unie, aan natuurlijke personen of rechtspersonen, met uitzondering van natuurlijke personen of rechtspersonen die in de Republiek Oezbekistan gevestigd of woonachtig zijn;
b. in het geval van de Republiek Oezbekistan, aan natuurlijke personen of rechtspersonen, met uitzondering van natuurlijke personen of rechtspersonen die in een lidstaat gevestigd of woonachtig zijn, die een rechtmatig belang hebben;
4. De bezwaarschriften moeten door de Europese Commissie of de Republiek Oezbekistan binnen twee maanden na de datum van publicatie van de bekendmaking zijn ontvangen.
5. De bezwaarschriften zijn slechts ontvankelijk als zij binnen de in punt 4 bepaalde termijn worden ontvangen en als daarin wordt aangetoond dat de benaming waarvoor bescherming wordt aangevraagd:
a. strijdig is met de naam van een plantenras, met inbegrip van een wijndruivenras, of een dierenras, en de consument daardoor kan worden misleid ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product;
b. een homonieme benaming is die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat het product van oorsprong is uit een ander grondgebied;
c. rekening houdende met de faam en bekendheid van een merk en met de periode waarin dat merk reeds in gebruik is, de consument zou kunnen misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van het product;
d. schade toebrengt aan een bestaande geheel of gedeeltelijk identieke benaming of een handelsmerk, of aan bestaande producten die sedert ten minste vijf jaar vóór de datum van de publicatie van het bezwaarschrift legaal op de markt zijn; of
e. blijkens de verstrekte gegevens de naam waarvoor bescherming en registratie wordt overwogen, generiek is.
6. De in lid 5 genoemde criteria worden beoordeeld door de bevoegde autoriteiten voor wat betreft het grondgebied van de desbetreffende Partij, die, als het om intellectuele eigendomsrechten gaat, alleen betrekking hebben op het grondgebied of de grondgebieden waar de betrokken rechten beschermd zijn.
1. Lijst van landbouwproducten en levensmiddelen anders dan wijnen, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen
|
Lidstaat |
Te beschermen naam |
Productcategorie |
Transcriptie in het Latijns alfabet |
|---|---|---|---|
|
AT |
Steirisches Kürbiskernöl |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
|
|
AT |
Tiroler Speck |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
AT |
Vorarlberger Bergkäse |
Kaas |
|
|
BE |
Jambon d’Ardenne |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
BG |
Българско розово масло |
Etherische oliën |
Bulgarsko rozovo maslo |
|
BG |
Странджански манов мед/Maнов мед от Странджа |
Strandzhanski manov med/Manov med ot Strandzha |
|
|
CZ |
Budějovické pivo |
Bier |
|
|
CZ |
Budějovický měšťanský var |
Bier |
|
|
CZ |
České pivo |
Bier |
|
|
CZ |
Českobudějovické pivo |
Bier |
|
|
CZ |
Žatecký chmel |
Andere in bijlage I bij het VWEU genoemde producten (specerijen enz.) |
|
|
DE |
Aachener Printen |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
DE |
Bayerisches Bier |
Bier |
|
|
DE |
Dresdner Stollen |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
DE |
Lübecker Marzipan |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
DE |
Münchener Bier |
Bier |
|
|
DE |
Nürnberger Bratwürste / Nürnberger Rostbratwürste |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
DE |
Nürnberger Lebkuchen |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
DE |
Rheinisches Zuckerrübenkraut / Rheinischer Zuckerrübensirup / Rheinisches Rübenkraut |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
DK |
Danablu |
Kaas |
|
|
EL |
Ελιά Καλαμάτας |
Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt |
Elia Kalamatas |
|
EL |
Καλαμάτα |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
Kalamata |
|
EL |
Κεφαλογραβιέρα |
Kaas |
Kefalograviera |
|
EL |
Κολυμβάρι Χανίων Κρήτης |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
Kolymvari Chanion Kritis |
|
EL |
Κρόκος Κοζάνης |
Andere in bijlage I bij het VWEU genoemde producten (specerijen enz.) |
Krokos Kozanis |
|
EL |
Μαστίχα Χίου |
Natuurlijke gommen en harsen |
Masticha Chiou |
|
EL |
Σητεία Λασιθίου Κρήτης |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
Sitia Lasithiou Kritis |
|
EL |
Φέτα |
Kaas |
Feta |
|
ES |
Vinagre de Jerez |
Andere in bijlage I bij het VWEU genoemde producten (specerijen enz.) |
|
|
ES |
Baena |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
|
|
ES |
Kaki Ribera del Xúquer |
Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt |
|
|
ES |
Jabugo (ex Jamón de Huelva) |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
ES |
Jamón de Teruel / Paleta de Teruel |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
ES |
Jijona |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
ES |
Priego de Córdoba |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
|
|
ES |
Queso Manchego |
Kaas |
|
|
ES |
Sierra de Segura |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
|
|
ES |
Siurana |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) |
|
|
ES |
Turrón de Alicante |
Brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
|
|
FR |
Brie de Meaux |
Kaas |
|
|
FR |
Camembert de Normandie |
Kaas |
|
|
FR |
Canard à foie gras du Sud-Ouest (Chalosse, Gascogne, Gers, Landes, Périgord, Quercy) |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
FR |
Comté |
Kaas |
|
|
FR |
Emmental de Savoie |
Kaas |
|
|
FR |
Gruyère |
Kaas |
|
|
FR |
Huile essentielle de lavande de Haute-Provence |
Etherische oliën |
|
|
FR |
Jambon de Bayonne |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
FR |
Pruneaux d’Agen; Pruneaux d’Agen mi-cuits |
Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt |
|
|
FR |
Reblochon / Reblochon de Savoie |
Kaas |
|
|
FR |
Roquefort |
Kaas |
|
|
HU |
Szegedi szalámi / Szegedi téliszalámi |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
IT |
Aceto Balsamico di Modena |
Andere in bijlage I bij het VWEU genoemde producten (specerijen enz.) |
|
|
IT |
Aceto balsamico tradizionale di Modena |
Andere in bijlage I bij het VWEU genoemde producten (specerijen enz.) |
|
|
IT |
Asiago |
Kaas |
|
|
IT |
Bresaola della Valtellina |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
IT |
Fontina |
Kaas |
|
|
IT |
Gorgonzola |
Kaas |
|
|
IT |
Grana Padano |
Kaas |
|
|
IT |
Mortadella Bologna |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
IT |
Mozzarella di Bufala Campana |
Kaas |
|
|
IT |
Parmigiano Reggiano1 |
Kaas |
|
|
IT |
Pecorino Romano |
Kaas |
|
|
IT |
Prosciutto di Parma |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
IT |
Prosciutto di San Daniele |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
IT |
Prosciutto Toscano |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
IT |
Provolone Valpadana |
Kaas |
|
|
IT |
Taleggio |
Kaas |
|
|
NL |
Edam Holland |
Kaas |
|
|
NL |
Gouda Holland |
Kaas |
|
|
PL |
Jabłka Grójeckie |
Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt |
|
|
RO |
Magiun de prune Topoloveni |
Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt |
|
|
RO |
Salam de Sibiu |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
PT |
Queijo S. Jorge |
Kaas |
|
|
SI |
Kranjska Klobasa |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
|
|
SI |
Kraški pršut |
Vleesproduct (verhit, gepekeld, gerookt enz.) |
„Parmesan” wordt beschouwd als een onterechte voorstelling van de geografische aanduiding „Parmigiano Reggiano” op grond van artikel X.34, lid 1, punt b), indien het wordt gebruikt voor een product dat niet voldoet aan het productdossier met betrekking tot die geografische aanduiding.
2. Lijst van gedistilleerde dranken
|
Lidstaat |
Te beschermen naam |
Transcriptie in het Latijns alfabet |
|---|---|---|
|
AT |
Inländerrum |
|
|
AT |
Jägertee / Jagertee / Jagatee |
|
|
CY |
Ζιβανία / Τζιβανία / Ζιβάνα |
Zivania |
|
DE/AT/BE |
Korn/Kornbrand |
|
|
EL/CY |
Ούζο |
Ouzo |
|
EL |
Τσίπουρo/Τσικουδιά |
Tsipouro/Tsikoudia |
|
EE |
Estonian vodka |
|
|
ES |
Brandy de Jerez |
|
|
ES |
Pacharán Navarro |
|
|
FI |
Suomalainen Marjalikööri / Suomalainen Hedelmälikööri / Finsk Bärlikör / Finsk Fruktlikör / Finnish berry liqueur / Finnish fruit liqueur |
|
|
FI |
Suomalainen Vodka / Finsk Vodka / Vodka of Finland |
|
|
FR |
Armagnac |
|
|
FR |
Calvados |
|
|
FR |
Cognac/Eau de vie de Cognac/Eau de vie des Charentes |
|
|
HU |
Pálinka |
|
|
HU |
Törkölypálinka |
|
|
IE, UK (Noord-Ierland) |
Irish Cream |
|
|
IE, UK (Noord-Ierland) |
Irish Whiskey / Uisce Beatha Eireannach / Irish Whisky |
|
|
IT |
Grappa |
|
|
LT |
Originali lietuviška degtinė / Original Lithuanian vodka |
|
|
NL/BE/DE/FR |
Genièvre / Jenever / Genever |
|
|
PL |
Kruidenwodka uit de noordelijke laagvlakte van Podlachië, gearomatiseerd met veenreukgrasextract / Wódka ziołowa z Niziny Północnopodlaskiej aromatyzowana ekstraktem z trawy żubrowej |
|
|
PL |
Polska Wódka/Polish Vodka |
|
|
RO |
Țuică Zetea de Medieșu Aurit |
|
|
SE |
Svensk Vodka/Swedish Vodka |
3. Lijst van wijnen
|
Lidstaat |
Te beschermen naam |
Transcriptie in het Latijns alfabet |
|---|---|---|
|
BG |
Дунавска равнина |
Dunavska ravnina |
|
BG |
Тракийска низина |
Trakijska nizina |
|
CY |
Κουμανδαρία |
Commandaria |
|
DE |
Moselle |
|
|
DE |
Rheingau |
|
|
DE |
Rheinhessen |
|
|
EL |
Σάμος |
Samos |
|
ES |
Cariñena |
|
|
ES |
Campo de Borja |
|
|
ES |
Cataluña/Catalunya |
|
|
ES |
Cava |
|
|
ES |
Jerez-Xérès-Sherry / Jerez / Xérès / Sherry |
|
|
ES |
Jumilla |
|
|
ES |
La Mancha |
|
|
ES |
Málaga |
|
|
ES |
Navarra |
|
|
ES |
Rías Baixas |
|
|
ES |
Ribera del Duero |
|
|
ES |
La Rioja |
|
|
ES |
Rueda |
|
|
ES |
Toro |
|
|
ES |
Utiel-Requena |
|
|
ES |
Valdepeñas |
|
|
ES |
Valencia |
|
|
ES |
Yecla |
|
|
FR |
Alsace / Vin d’Alsace |
|
|
FR |
Anjou |
|
|
FR |
Beaujolais |
|
|
FR |
Bordeaux |
|
|
FR |
Bourgogne |
|
|
FR |
Chablis |
|
|
FR |
Champagne |
|
|
FR |
Châteauneuf-du-Pape |
|
|
FR |
Coteaux du Languedoc / Languedoc |
|
|
FR |
Côtes de Provence |
|
|
FR |
Côtes-du-Rhône |
|
|
FR |
Côtes du Roussillon |
|
|
FR |
Graves |
|
|
FR |
Haut-Médoc |
|
|
FR |
Margaux |
|
|
FR |
Médoc |
|
|
FR |
Saint-Émilion |
|
|
FR |
Sauternes |
|
|
FR |
Touraine |
|
|
FR |
Val de Loire |
|
|
HR |
Dingač |
|
|
HU |
Tokaj / Tokaji |
|
|
IT |
Asti |
|
|
IT |
Brunello di Montalcino |
|
|
IT |
Chianti |
|
|
IT |
Chianti Classico |
|
|
IT |
Conegliano Valdobbiadene – Prosecco / Conegliano – Prosecco / Valdobbiadene – Prosecco |
|
|
IT |
Franciacorta |
|
|
IT |
Lambrusco di Sorbara |
|
|
IT |
Lambrusco Grasparossa di Castelvetro |
|
|
IT |
Montepulciano d’Abruzzo |
|
|
IT |
Prosecco |
|
|
IT |
Soave |
|
|
IT |
Toscano / Toscana |
|
|
IT |
Vino Nobile di Montepulciano |
|
|
PT |
Alentejo |
|
|
PT |
Bairrada |
|
|
PT |
Dão |
|
|
PT |
Douro |
|
|
PT |
Madeira / Madera / Vinho da Madeira /Madeira Wein / Madeira Wine / Vin de Madère / Vino di Madera / Madeira Wijn |
|
|
PT |
Lissabon |
|
|
PT |
Porto / Oporto / Vinho do Porto / Vin de Porto / Port / Port Wine / Portwein / Portvin / Portwijn |
|
|
PT |
Tejo |
|
|
PT |
Vinho Verde |
|
|
RO |
Cotnari |
|
|
RO |
Dealu Mare |
|
|
RO |
Murfatlar |
|
|
SK |
Vinohradnícka oblasť Tokaj |
|
Te beschermen naam |
Productcategorie |
|---|---|
|
БОҒИЗАҒОН/BOG'IZOG'ON'/'БАГИЗАГАН /BAGIZAGAN' |
Wijn |
Drempelwaarden:
Hoofdstuk 9 is van toepassing op de in de onderafdelingen A en B van deze afdeling genoemde aanbestedende diensten van de Partijen indien de waarde van de opdracht gelijk is aan of hoger is dan de volgende drempelwaarden:
a. 400 000 bijzondere trekkingsrechten (SDR) voor alle goederen en vermelde diensten;
b. 6 000 000 SDR voor alle diensten in verband met de bouw die zijn opgenomen in afdeling 51 van de centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties („CPC”).
Onder de Overeenkomst vallende entiteiten:
Alle centrale overheidsinstanties van alle lidstaten van de Europese Unie die zijn opgenomen in de lijst in bijlage I van de Europese Unie bij aanhangsel I van de op 15 april 1994 in Marrakesh gesloten Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, die is opgenomen in bijlage 4 bij de WTO-Overeenkomst, met uitzondering van:
a. entiteiten gemarkeerd met * of ** in die lijst; en
b. ministeries van Defensie en agentschappen voor defensie- of beveiligingsactiviteiten van de lidstaten van de Europese Unie.
Onder de Overeenkomst vallende entiteiten:
1. Ministerie van Landbouw van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Qishlоq хo’jаligi vаzirligi)
2. Ministerie van Bouw en Huisvesting en Gemeenschapsvoorzieningen van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Qurilish va uy-joy kommunal xo’jaligi vazirligi)
3. Ministerie van Cultuur van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Madaniyat vazirligi)
4. Ministerie van Digitale Technologieën van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Raqamli texnologiyalar vazirligi)
5. Ministerie van Economie en Financiën van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Iqtisodiyot va moliya vazirligi)
6. Ministerie van Werkgelegenheid en Armoedebestrijding van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Kambag’allikni qisqartirish va bandlik vazirligi)
7. Ministerie van Energie van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Energetika vazirligi)
8. Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Oezbekistan (O’zbеkistоn Rеspublikаsi Tаshqi ishlаr vаzirligi)
9. Ministerie van Volksgezondheid van de Republiek Oezbekistan (O’zbеkistоn Rеspublikаsi Sоg’liqni sаqlаsh vаzirligi)
10. Ministerie van Hoger Onderwijs, Wetenschap en Innovatie van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Oliy ta’lim, fan va innovatsiyalar vazirligi)
11. Ministerie van Investering, Industrie en Handel van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi investitsiyalar, sanoat va savdo vazirligi)
12. Ministerie van Ecologie, Milieubescherming en Klimaatverandering van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Ekologiya, atrof-muhitni muhofaza qilish va iqlim o’zgarish vazirligi)
13. Ministerie van Voorschools en Schoolonderwijs van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Maktabgacha va maktab ta’limi vazirligi)
14. Ministerie van Vervoer van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Transport vazirligi)
15. Ministerie van Waterbeheer van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Suv хo’jаligi vаzirligi)
16. Ministerie van Sport van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi va sport vazirligi)
17. Comité voor de bevordering van de mededinging en de bescherming van de consumentenrechten van de Republiek Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Raqobatni rivojlantirish va iste’molchilar huquqlarini himoya qilish qo’mitasi)
18. Belastingcomité (Soliq qo’mitasi)
19. Agentschap voor exportbevordering in het Ministerie van Investeringen, Industrie en Handel van de Republiek Oezbekistan (O‘zbekiston Respublikasi Investitsiyalar, sanoat va savdo vazirligi huzuridagi Eksportni rag’batlantirish agentligi)
20. Agentschap voor bosbouw in het Ministerie van Ecologie, Milieubescherming en Klimaatverandering van de Republiek Oezbekistan (O‘zbekiston Respublikasi Ekologiya, atrof-muhitni muhofaza qilish va iqlim o‘zgarish vazirligi huzuridagi O’rmon xo’jaligi agentligi)
21. Agentschap voor de hydrometeorologische dienst in het Ministerie van Ecologie, Milieubescherming en Klimaatverandering van de Republiek Oezbekistan (O‘zbekiston Respublikasi Ekologiya, atrof-muhitni muhofaza qilish va iqlim o‘zgarish vazirligi huzuridagi Gidrometeorologiya xizmati agentligi)
22. Bureau voor de statistiek bij de President van de Republiek Oezbekistan (O‘zbekiston Respublikasi Prezidenti huzuridagi Statistika agentligi)
23. Agentschap „Uzarkhiv” in het Ministerie van Justitie van de Republiek Oezbekistan (O‘zbekiston Respublikasi Adliya vazirligi huzuridagi „O‘zarxiv” agentligi)
24. Inspectie voor de controle van de veiligheid en het gebruik van water van de waterbeheerfaciliteiten in het Ministerie van Hulpbronnen inzake Water van de Republiek Oezbekistan (O‘zbekiston Respublikasi Suv xo‘jaligi vazirligi huzuridagi Suv xo'jaligi obyektlari xavfsizligini va suvdan foydalanishni nazorat qilish inspeksiyasi)
25. Academie van Wetenschappen van Oezbekistan (O’zbekiston Respublikasi Fanlar akademiyasi)
Drempelwaarden:
Hoofdstuk 9 is van toepassing op de in de onderafdelingen A en B van deze afdeling genoemde aanbestedende diensten van de Partijen indien de waarde van de opdracht gelijk is aan of hoger is dan de volgende drempelwaarden:
a. 400 000 SDR voor alle goederen en vermelde diensten;
b. 6 000 000 SDR voor alle diensten in verband met de bouw die zijn opgenomen in afdeling 51 van de centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties („CPC”).
Onder de Overeenkomst vallende entiteiten:
Alle regionale aanbestedende diensten van alle lidstaten van de bestuurlijke eenheden die onder NUTS 1 en 2 vallen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad1).
Onder de Overeenkomst vallende entiteiten:
I. Regio Andijan (Andijon viloyati)
1. Stad Andijan (Andijon shahri)
2. District Andijan (Andijon tumani)
3. District Asaka (Asaka tumani)
4. District Balikchi (Baliqchi tumani)
5. District Bulakbashi (Buloqboshi tumani)
6. District Buston (Bo’ston tumani)
7. District Izbaskan (Izboskan tumani)
8. District Jalaquduk (Jalaquduq tumani)
9. Stad Khanabod (Xonabod shahri)
10. District Khodjaobad (Xo’jaobod tumani)
11. District Kurgantepa (Qo’rg’ontepa tumani)
12. District Markhamat (Marhamat tumani)
13. District Oltinkol (Oltinko’l tumani)
14. District Pakhtaabad (Paxtaobod tumani)
15. District Shakhrikhan (Shahrixon tumani)
16. District Ulugnar (Ulug’nor tumani)
II. Regio Bukhara (Buxoro viloyati)
17. Stad Bukhara (Buxoro shahri)
18. District Bukhara (Buxoro tumani)
19. District Djondor (Jondor tumani)
20. District Gijduvon (G’ijduvon tumani)
21. District Karakul (Qorako’l tumani)
22. District Karaulbazar (Qorovulbozor tumani)
23. Stad Kogan (Kogon shahri)
24. District Kogon (Kogon tumani)
25. District Olot (Olot tumani)
26. District Peshku (Peshku tumani)
27. District Romitan (Romitan tumani)
28. District Shofirkon (Shofirkon tumani)
29. District Vobkent (Vobkent tumani)
III. Regio Fergana (Farg’ona viloyati)
30. District Altyariq (Oltiariq tumani)
31. District Bagdad (Bag’dod tumani)
32. District Beshariq (Beshariq tumani)
33. District Buvayda (Buvayda tumani)
34. District Dangara (Dang’ara tumani)
35. Stad Fergana (Farg’ona shahri)
36. District Fergana (Farg’ona tumani)
37. District Furkat (Furqat tumani)
38. Stad Kokon (Qo’qon shahri)
39. Stad Kuvasay (Quvasoy shahri)
40. Stad Margilan (Marg’ilon shahri)
41. District Qushtepa (Qushtepa tumani)
42. District Quva (Quva tumani)
43. District Rishton (Rishton tumani)
44. District Sokh (So’x tumani)
45. District Tashlaq (Toshloq tumani)
46. District Uchkuprik (Uchko’prik tumani)
47. District Oezbekistan (O’zbekiston tumani)
48. District Yazyavan (Yozyovon tumani)
IV. Regio Jizzakh (Jizzax viloyati)
49. District Arnasay (Arnasoy tumani)
50. District Bakhmal (Baxmal tumani)
51. District Dustlik (Do’stlik tumani)
52. District Forish (Forish tumani)
53. District Gallaorol (G’allaorol tumani)
54. Stad Jizzakh (Jizzax shahri)
55. District Mirzachul (Mirzacho’l tumani)
56. District Pakhtakor (Paxtakor tumani)
57. District Sharof Rashidov (Sharof Rashidov tumani)
58. District Yangiobod (Yangiobod tumani)
59. District Zafarobod (Zafarobod tumani)
60. District Zarbdor (Zarbdor tumani)
61. District Zomin (Zomin tumani)
V. Regio Kashkadarya (Qashqadaryo viloyati)
62. District Chirakchi (Chiroqchi tumani)
63. District Dekhkanabad (Dehqonobod tumani)
64. District Guzar (G’uzor tumani)
65. District Kamashi (Qamashi tumani)
66. Stad Karshi (Qarshi shahri)
67. District Karshi (Qarshi tumani)
68. District Kasby (Kasbi tumani)
69. District Kitаb (Kitob tumani)
70. District Koson (Koson tumani)
71. District Kokdala (Ko‘kdala tumani)
72. District Mirishkor (Mirishkor tumani)
73. District Muborak (Muborak tumani)
74. District Nishon (Nishon tumani)
75. Stad Shakhrisabz (Shahrisabz shahri)
76. District Shakhrisabz (Shahrisabz tumani)
77. District Yakkabog (Yakkabog’ tumani)
VI. Regio Khorezm (Xorazm viloyati)
78. District Bogot (Bog’ot tumani)
79. District Gurlan (Gurlan tumani)
80. District Khazorasp (Hazorasp tumani)
81. District Khiva (Xiva tumani)
82. District Khonqa (Xonqa tumani)
83. District Qushkupir (Qo’shko’pir tumani)
84. District Shovot (Shovot tumani)
85. District Tuproqqala (Tuproqqal’a tumani)
86. Stad Urgench (Urganch shahri)
87. District Urgench (Urganch tumani)
88. District Yangiariq (Yangiariq tumani)
89. District Yangibozor (Yangibozor tumani)
VII. Regio Namangan (Namangan viloyati)
90. District Chartak (Chortoq tumani)
91. District Chust (Chust tumani)
92. District Davlatobod (Davlatobod tumani)
93. District Kasansay (Kosonsoy tumani)
94. District Mingbulak (Mingbuloq tumani)
95. Stad Namangan (Namangan shahri)
96. District Namangan (Namangan tumani)
97. District Naryn (Norin tumani)
98. District Pop (Pop tumani)
99. District Turakurgan (To’raqo’rg’on tumani)
100. District Uchkurgan (Uchqo’rg’on tumani)
101. District Uychi (Uychi tumani)
102. District Yangi Namangan (Yangi Namangan tumani)
103. District Yangikurgan (Yangiqo’rg’on tumani)
VIII. Regio Navoi (Navoiy viloyati)
104. Stad Gazgan (G’ozg’on shahri)
105. District Kanimekh (Konimex tumani)
106. District Karmana (Karmana tumani)
107. District Khatirchi (Xatirchi tumani)
108. District Kyzyltepa (Qiziltepa tumani)
109. District Navbakhor (Navbahor tumani)
110. Stad Navoi (Navoiy shahri)
111. District Nurata (Nurota tumani)
112. District Tomdi (Tomdi tumani)
113. District Uchkuduk (Uchquduq tumani)
114. Stad Zarafshan (Zarafshon shahri)
IX. Regio Samarkand (Samarqand viloyati)
115. District Akdarya (Oqdaryo tumani)
116. District Bulungur (Bulung’ur tumani)
117. District Ishtikhon (Ishtixon tumani)
118. District Jambay (Jomboy tumani)
119. Stad Kattakurgan (Kattaqo’rg’on shahri)
120. District Kattakurgan (Kattaqo’rg’on tumani)
121. District Koshrabot (Qo’shrabot tumani)
122. District Narpay (Narpay tumani)
123. District Nurobod (Nurobod tumani)
124. District Pakhtachi (Paxtachi tumani)
125. District Pastdargom (Pastdarg’om tumani)
126. District Payariq (Payariq tumani)
127. Stad Samarkand (Samarqand shahri)
128. District Samarkand (Samarqand tumani)
129. District Taylak (Tayloq tumani)
130. District Urgut (Urgut tumani)
X. Regio Sirdarya (Sirdaryo viloyati)
131. District Akaltyn (Oqoltin tumani)
132. District Bayaut (Boyovut tumani)
133. Stad Gulistan (Guliston shahri)
134. District Gulistan (Guliston tumani)
135. District Khovos (Xovos tumani)
136. District Mirzaabad (Mirzaobod tumani)
137. District Sardaba (Sardoba tumani)
138. District Saykhunabad (Sayxunobod tumani)
139. Stad Shirin (Shirin shahri)
140. District Syrdarya (Sirdaryo tumani)
141. Stad Yangier (Yangiyer shahri)
XI. Regio Surkhandarya (Surxondaryo viloyati)
142. District Angor (Angor tumani)
143. District Bandikhan (Bandixon tumani)
144. District Boysun (Boysun tumani)
145. District Denou (Denov tumani)
146. District Djarkurgan (Jarqo’rg’on tumani)
147. District Kumkurgan (Qumqo’rg’on tumani)
148. District Muzrabot (Muzrabot tumani)
149. District Oltinsoy (Oltinsoy tumani)
150. District Qiziriq (Qiziriq tumani)
151. District Saryasia (Sariosiyo tumani)
152. District Sherobod (Sherobod tumani)
153. District Shurchi (Sho’rchi tumani)
154. Stad Termez (Termiz shahri)
155. District Termiz (Termiz tumani)
156. District Uzun (Uzun tumani)
XII. Stad Tasjkent (Tasjkent shahri)
157. District Almazar (Olmazor tumani)
158. District Bektemir (Bektemir tumani)
159. District Chilanzar (Chilonzor tumani)
160. District Mirabad (Mirobod tumani)
161. District Mirzo Ulugbek (Mirzo Ulug’bek tumani)
162. District Sergeli (Sergeli tumani)
163. District Shaykhantakhur (Shayxontohur tumani)
164. District Uchtepa (Uchtepa tumani)
165. District Yakkasaray (Yakkasaroy tumani)
166. District Yangihayot (Yangihayot tumani)
167. District Yashnobod (Yashnobod tumani)
168. District Yunusabad (Yunusobod tumani)
XIII. Regio Tasjkent (Toshkent viloyati)
169. District Akkurgan (Oqqo’rg’on tumani)
170. Stad Almalyk (Olmaliq shahri)
171. Stad Angren (Angren shahri)
172. Stad Bekabad (Bekobod shahri)
173. District Bekabad (Bekobod tumani)
174. District Buka (Bo’ka tumani)
175. District Bustonliq (Bo’stonliq tumani)
176. District Chinoz (Chinoz tumani)
177. Stad Chirchik (Chirchiq shahri)
178. Stad Nurafshon (Nurafshon shahri)
179. District Okhangaron (Ohangaron tumani)
180. District Orta Chirchiq (O’rta Chirchiq tumani)
181. District Parkent (Parkent tumani)
182. District Piskent (Piskent tumani)
183. District Qibray (Qibray tumani)
184. District Quyi Chirchiq (Quyi Chirchiq tumani)
185. District Yangiyol (Yangiyo’l tumani)
186. District Yukori Chirchiq (Yuqori Chirchiq tumani)
187. District Zangiata (Zangiota tumani)
XIV. De autonome Republiek Karakalpakstan (Qoraqalpog’iston avtonom Respublikasi)
188. District Amudarya (Amudaryo tumani)
189. District Beruni (Beruniy tumani)
190. District Bozatov (Bo’zatov tumani)
191. District Chimbay (Chimboy tumani)
192. District Ellikkala (Ellikqal’a tumani)
193. District Kanlikul (Qanliko’l tumani)
194. District Karauzak (Qorao’zak tumani)
195. District Kegeyli (Kegeyli tumani)
196. District Khodzhayli (Xo’jayli tumani)
197. District Kungrad (Qo’ng’irot tumani)
198. District Muynak (Mo’ynoq tumani)
199. Stad Nukus (Nukus shahri)
200. District Nukus (Nukus tumani)
201. District Shumanai (Shumanay tumani)
202. District Takhiatosh (Taxiatosh tumani)
203. District Takhtakupir (Taxtako’pir tumani)
204. District Turtkul (To’rtko’l tumani)
Geen entiteiten vermeld.
Met inachtneming van de algemene aantekeningen en afwijkingen in afdeling 7 heeft hoofdstuk 9 betrekking op opdrachten voor alle goederen die door een onder de afdelingen 1 tot en met 3 vallende entiteit worden geplaatst.
Behoudens de aantekeningen en algemene afwijkingen in afdeling 7 heeft dit hoofdstuk betrekking op aanbestedingen die worden uitgevoerd door een entiteit die onder de afdelingen 1 tot en met 3 valt, voor de volgende diensten, die zijn geïdentificeerd overeenkomstig de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties (CPC Prov), zoals opgenomen in de lijst van dienstensectorclassificaties van de WTO (MTN.GNS/W/120)2):
|
Aantal |
Soorten diensten |
CPC Prov |
|---|---|---|
|
1 |
Vervoer te land, met inbegrip van vervoer per gepantserde auto en koeriers, met uitzondering van postvervoer |
712 (m.u.v. 71235), 7512, 87304 |
|
2 |
Personen- en goederenvervoer door de lucht, met uitzondering van postvervoer |
73 (m.u.v. 7321) |
|
3 |
Telecommunicatiediensten |
84 |
|
4 |
Architecten |
8671 |
|
5 |
Ingenieurs |
8672 |
|
6 |
Geïntegreerde diensten van ingenieurs |
8673 |
|
7 |
Stedenbouw en landschapsarchitectuur en aanverwante wetenschappelijke en technische adviesdiensten |
8674 |
|
8 |
Markt- en opinieonderzoek |
8640 |
|
9 |
Advies inzake bedrijfsvoering en beheer en aanverwante diensten |
865/8661) |
|
10 |
Aanverwante wetenschappelijke en technische adviesdiensten |
8675 |
|
11 |
Afvalwater- en afvalverzameling; waterzuivering en aanverwante diensten |
94 |
Met inachtneming van de aantekeningen en afwijkingen in afdeling 7 heeft hoofdstuk 9 betrekking op opdrachten voor alle in afdeling 51 van de CPC Prov vermelde diensten die door een onder de afdelingen 1 tot en met in 3 vallende entiteit worden geplaatst.
1. Hoofdstuk 9 is niet van toepassing op:
a. opdrachten voor landbouwproducten ter ondersteuning van steunprogramma’s voor de landbouw en voedselhulpprogramma’s (bv. voedselhulp in verband met noodhulp); en
b. opdrachten betreffende de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal door omroeporganisaties en overeenkomsten betreffende zendtijd.
2. Opdrachten die zijn geplaatst door de onder de afdelingen 1 en 2 vallende aanbestedende entiteiten in verband met activiteiten op het gebied van drinkwater, energie en vervoer vallen niet onder deze Overeenkomst, tenzij zij vallen onder afdeling 3.
3. Met betrekking tot de Ålandseilanden zijn de bijzondere voorwaarden van Protocol nr. 2 inzake de Ålandseilanden (Ahvenanmaa) bij het verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Finland tot de Europese Unie van toepassing.
1. Publicatie van informatie over overheidsopdrachten
De media die door de Europese Unie zijn aangewezen en gebruikt om te voldoen aan de algemene publicatievereisten uit hoofde van artikel 161, lid 1, van deze Overeenkomst en als bedoeld in lid 2, punt a), van dat artikel, zijn de volgende:
a. NIVEAU EUROPESE UNIE
http://simap.ted.europa.eu
Publicatieblad van de Europese Unie
b. LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE
BELGIË
i. Wetten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, ministeriële omzendbrieven:
Belgisch Staatsblad
ii. Jurisprudentie:
Pasicrisie
BULGARIJE
i. Wet- en regelgeving:
Държавен вестник (Staatsblad)
ii. Gerechtelijke uitspraken:
http://www.sac.government.bg
iii. Administratieve besluiten van algemene strekking en procedures:
http://www.aop.bg
http://www.cpc.bg
TSJECHIË
i. Wet- en regelgeving:
Verzameling van wetten van de Tsjechische Republiek
ii. Uitspraken van het Bureau voor de Bescherming van de Mededinging:
Verzameling van uitspraken van het Bureau voor de Bescherming van de Mededinging
DENEMARKEN
i. Wet- en regelgeving:
Lovtidende
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Ugeskrift for Retsvæsen
iii. Administratieve beslissingen en procedures:
Ministerialtidende
iv. Besluiten van de Deense Kamer van Beroep voor overheidsopdrachten:
Kendelser fra Klagenævnet for Udbud
DUITSLAND
i. Wet- en regelgeving:
Bundesgesetzblatt
Bundesanzeiger
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Entscheidungssammlungen des Bundesverfassungsgerichts, des Bundesgerichtshofs, des Bundesverwaltungsgerichts, des Bundesfinanzhofs sowie der Oberlandesgerichte
ESTLAND
i. Wetgeving, regelgeving administratieve besluiten van algemene strekking en rechterlijke uitspraken:
Riigi Teataja – http://www.riigiteataja.ee
ii. Procedures betreffende overheidsopdrachten en rulings door het Beoordelingscomité inzake overheidsopdrachten van de overheid:
https://riigihanked.riik.ee
IERLAND
Wet- en regelgeving:
Iris Oifigiúil (Iers Staatsblad)
GRIEKENLAND
Εφημερίδα της Κυβερνήσεως της ελληνικής δημοκρατίας (Grieks Staatsblad)
SPANJE
i. Wet- en regelgeving:
Boletín Oficial del Estado
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Geen officiële publicatie
FRANKRIJK
i. Wet- en regelgeving:
Journal Officiel de la République française
ii. Jurisprudentie:
Recueil des arrêts du Conseil d’État
iii. Revue des marchés publics
KROATIË
Narodne novine – http://www.nn.hr
ITALIË
i. Wet- en regelgeving:
Gazzetta Ufficiale
ii. Jurisprudentie:
Geen officiële publicatie
CΥΡRUS
i. Wet- en regelgeving:
Επίσημη Εφημερίδα της Δημοκρατίας (Staatsblad van de republiek)
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Αποφάσεις Ανωτάτου Δικαστηρίου 1999 – Τυπογραφείο της Δημοκρατίας (Beslissingen van het Hooggerechtshof – Uitgeverij)
LETLAND
Wet- en regelgeving:
Latvijas vēstnesis (Officieel nieuwsblad)
LITOUWEN
i. Wetgeving, regelgeving en bestuursrechtelijke bepalingen:
Teisės aktų registras (Register van wetshandelingen)
ii. Gerechtelijke uitspraken, jurisprudentie:
Teismų praktika (Bulletin van het Hooggerechtshof van Litouwen)
Administracinių teismų praktika (Bulletin van het Hoogste Administratieve Gerecht van Litouwen)
LUXEMBURG
i. Wet- en regelgeving:
Mémorial
ii. Jurisprudentie:
Pasicrisie
HONGARIJE
i. Wet- en regelgeving:
Magyar Közlöny (Staatsblad van de Republiek Hongarije)
ii. Jurisprudentie:
Közbeszerzési Értesítő – a Közbeszerzések Tanácsa Hivatalos Lapja (Bulletin voor overheidsopdrachten – Publicatieblad van de Raad voor Overheidsopdrachten)
MALTA
Wet- en regelgeving:
Staatscourant
NEDERLAND
i. Wet- en regelgeving:
Nederlandse Staatscourant of Staatsblad
ii. Jurisprudentie:
Geen officiële publicatie
OOSTENRIJK
i. Wet- en regelgeving:
Österreichisches Bundesgesetzblatt
Amtsblatt zur Wiener Zeitung
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Entscheidungen des Verfassungsgerichtshofes, des Verwaltungsgerichtshofes, des Obersten Gerichtshofes, der Oberlandesgerichte, des Bundesverwaltungsgerichtes und der Landesverwaltungsgerichte – http://ris.bka.gv.at/Judikatur/
POLEN
i. Wetgeving:
Dziennik Ustaw Rzeczypospolitej Polskiej (Staatsblad – Republiek Polen)
ii. Gerechtelijke uitspraken, jurisprudentie:
„Zamówienia publiczne w orzecznictwie. Wybrane orzeczenia zespołu arbitrów i Sądu Okręgowego w Warszawie” (Selectie van uitspraken van arbitragepanels en de Regionale Rechtbank in Warschau)
PORTUGAL
i. Wet- en regelgeving:
Diário da República Portuguesa 1a Série A e 2a série
ii. Rechterlijke publicaties:
Boletim do Ministério da Justiça
Colectânea de Acordos do Supremo Tribunal Administrativo
Colectânea de Jurisprudência das Relações
ROEMENIË
i. Wet- en regelgeving:
Monitorul Oficial al României (Staatsblad)
ii. Gerechtelijke uitspraken, administratieve beslissingen van algemene strekking en procedures:
http://www.anrmap.ro
SLOVENIË
i. Wet- en regelgeving:
Staatsblad van de Republiek Slovenië
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Geen officiële publicatie
SLOWAKIJE
i. Wet- en regelgeving:
Zbierka zákonov (Verzameling van wetten)
ii. Gerechtelijke uitspraken:
Geen officiële publicatie
FINLAND
Suomen Säädöskokoelma – Finlands Författningssamling (Verzameling Finse wetgeving)
ZWEDEN
Svensk Författningssamling (Zweeds Staatsblad)
2. Publicatie van aankondigingen van aanbestedingen
De door de Europese Unie en haar lidstaten aangewezen en gebruikte elektronische of papieren media voor de bekendmaking van aankondigingen als bedoeld in de artikelen 162, 164, lid 7, en 171, lid 2, van deze Overeenkomst, op grond van artikel 161, lid 2, punt b), van deze Overeenkomst zijn:
a. NIVEAU EUROPESE UNIE
Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie:
TED (tenders electronically daily) http://ted.europa.eu (ook toegankelijk via http://simap.ted.europa.eu)
b. LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE
BELGIË
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Bulletin der aanbestedingen
Andere publicaties in de gespecialiseerde pers
BULGARIJE
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Държавен вестник (Staatsblad) – http://dv.parliament.bg
Register Overheidsopdrachten – http://www.aop.bg
TSJECHIË
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
DENEMARKEN
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
DUITSLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
ESTLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Riigihangete register (Register inzake overheidsopdrachten van de overheid) – https://riigihanked.riik.ee
IERLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Dagbladpers: „Irish Independent”, „Irish Times”, „Irish Press”, „Cork Examiner”
GRIEKENLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Bekendmaking in de dagbladen en in de financiële, regionale en gespecialiseerde pers
SPANJE
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
FRANKRIJK
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Bulletin officiel des annonces des marchés publics
KROATIË
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Elektronički oglasnik javne nabave Republike Hrvatske (Elektronisch systeem voor aankondigingen van overheidsopdrachten van de Republiek Kroatië)
ITALIË
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
CΥΡRUS
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Staatsblad van de Republiek
Lokale dagbladpers
LETLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Latvijas vēstnesis (Staatsblad)
LITOUWEN
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Centrinė viešųjų pirkimų informacinė sistema (Centraal portaal overheidsopdrachten)
Informatiesupplement „Informaciniai pranešimai” bij het Staatsblad („Valstybės žinios”) van de Republiek Litouwen
LUXEMBURG
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Dagbladpers
HONGARIJE
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Közbeszerzési Értesítő – a Közbeszerzések Tanácsa Hivatalos Lapja (Bulletin voor overheidsopdrachten – Publicatieblad van de Raad voor Overheidsopdrachten)
MALTA
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Staatscourant
NEDERLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
OOSTENRIJK
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Amtsblatt zur Wiener Zeitung
POLEN
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Biuletyn Zamówień Publicznych (Bulletin voor overheidsopdrachten)
PORTUGAL
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
ROEMENIË
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Monitorul Oficial al României (Staatsblad)
Elektronisch systeem voor overheidsopdrachten – http://www.e-licitatie.ro
SLOVENIË
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Portal javnih naročil – http://www.enarocanje.si/?podrocje=portal
SLOWAKIJE
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Vestník verejného obstarávania (Blad voor overheidsopdrachten)
FINLAND
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
Julkiset hankinnat Suomessa ja ETA-alueella, Virallisen lehden liite (Overheidsopdrachten in Finland en in het EER-gebied, Supplement bij het Staatsblad van Finland)
ZWEDEN
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
3. Publicaties betreffende gegunde opdrachten
Het internetadres waar de Europese Unie haar aankondigingen publiceert betreffende opdrachten die zijn gegund door entiteiten die onder de afdelingen 1 tot en met 3 van deze bijlage vallen, zoals vereist op grond van artikel 171, lid 2, van deze Overeenkomst en overeenkomstig artikel 161, lid 2, punt c), van deze Overeenkomst, is het volgende:
Publicatieblad van de Europese Unie, onlineversie, Tenders Electronic Daily – http://ted.europa.eu
1. Publicatie van informatie over overheidsopdrachten
De media die door de Republiek Oezbekistan zijn aangewezen en gebruikt om te voldoen aan de algemene publicatievereisten uit hoofde van artikel 161, lid 1, van deze Overeenkomst en als bedoeld in artikel 161, lid 2, punt a), van deze Overeenkomst, zijn de volgende:
Speciaal informatieportaal voor overheidsopdrachten – xarid.mf.uz
2. Publicatie van aanbestedingsberichten en kennisgeving van gegunde opdrachten
De door de Republiek Oezbekistan aangewezen en gebruikte media voor de bekendmaking van aankondigingen als bedoeld in de artikelen 162, 164, lid 7, en 171, lid 2, van deze Overeenkomst en overeenkomstig artikel 161, lid 2, punten b), en c), van deze Overeenkomst zijn:
Officieel webportaal voor overheidsopdrachten Speciaal informatieportaal voor overheidsopdrachten – xarid.mf.uz
Ter verduidelijking: de verplichting voor de Europese Unie om nationale behandeling toe te kennen, houdt geen vereiste in van uitbreiding tot natuurlijke personen of rechtspersonen van de Republiek Oezbekistan, van de behandeling die in een lidstaat, op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of van op grond van dat Verdrag genomen maatregelen, met inbegrip van de implementatie ervan in de lidstaten, wordt toegekend aan:
i. natuurlijke personen of ingezetenen van een andere lidstaat; of
ii. rechtspersonen opgericht of georganiseerd naar het recht van een andere lidstaat of van de Europese Unie die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging in de Europese Unie hebben.
De lijst is uitsluitend van toepassing op het grondgebied van de Europese Unie overeenkomstig artikel 342 en is enkel relevant in het kader van de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan. De lijst laat de uit het EU-recht voortvloeiende rechten en verplichtingen van de lidstaten onverlet.
In onderstaande lijst van verbintenissen zijn de economische activiteiten opgenomen die overeenkomstig de artikelen 194 en 195 van deze Overeenkomst zijn geliberaliseerd, alsmede, door middel van voorbehouden, de beperkingen die van toepassing zijn op ondernemingen en natuurlijke personen van de Republiek Oezbekistan in die activiteiten.
1. Horizontale voorbehouden
i. Soorten vestiging – Alle sectoren waar verbintenissen worden aangegaan
Met betrekking tot nationale behandeling:
De behandeling die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt toegekend aan rechtspersonen die in overeenstemming met het recht van de Europese Unie of van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Unie hebben, met inbegrip van rechtspersonen die in de Europese Unie zijn opgericht door investeerders uit de Republiek Oezbekistan, wordt niet toegekend aan rechtspersonen die buiten de Europese Unie zijn opgericht, noch aan filialen of vertegenwoordigingskantoren van dergelijke rechtspersonen, met inbegrip van filialen of vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Republiek Oezbekistan.
De behandeling die wordt toegekend aan rechtspersonen die door natuurlijke personen of rechtspersonen van de Republiek Oezbekistan in overeenstemming met het recht van de Europese Unie of van een lidstaat zijn opgericht, of aan hun dochterondernemingen of filialen, doet geen afbreuk aan de voorwaarden of verplichtingen die eventueel op deze rechtspersonen, of hun dochterondernemingen of filialen, van toepassing waren toen zij zich in de Europese Unie vestigden, en die van toepassing zullen blijven.
In sommige lidstaten van de Europese Unie kunnen beperkingen op de nationale behandeling van toepassing zijn met betrekking tot het soort vestiging.
ii. Privatisering
Met betrekking tot nationale behandeling en hoger management en raden van bestuur:
wanneer de Republiek Bulgarije, de Franse Republiek, Hongarije en de Italiaanse Republiek aandelen van een lidstaat in of activa van een bestaande staatsonderneming of een bestaande overheidsentiteit verkopen of vervreemden, kunnen verboden of beperkingen worden opgelegd.
iii. Voorafgaande goedkeuring
Met betrekking tot nationale behandeling, meestbegunstigingsbehandeling, hoger management en raden van bestuur:
in de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek en de Republiek Letland kunnen buitenlandse investeringen worden onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteiten.
iv. Verwerving van onroerend goed, met inbegrip van grond.
Met betrekking tot nationale behandeling en meestbegunstigingsbehandeling:
In sommige lidstaten kunnen beperkingen op nationale behandeling en wederkerigheidsvoorwaarden van toepassing zijn op de verwerving van onroerend goed, met inbegrip van grond, door natuurlijke personen of rechtspersonen uit derde landen of door entiteiten die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan.
2. Lijst van sectoren waarvoor verbintenissen zijn aangegaan1)
i. Landbouw, jacht, bosbouw (ISIC Rev. 3.1: 01 en 02)
Met betrekking tot nationale behandeling:
in Ierland, de Republiek Finland, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, Hongarije en het Koninkrijk Zweden kunnen beperkingen op de nationale behandeling van toepassing zijn op natuurlijke personen of rechtspersonen van derde landen of entiteiten die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan.
ii. Industrie (ISIC Rev. 3.1: 15-37)
Met betrekking tot nationale behandeling, meestbegunstigingsbehandeling, hoger management en raden van bestuur:
in de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek en het Koninkrijk Zweden kunnen verboden of beperkingen gelden met betrekking tot het uitgeven, drukken en reproduceren van opgenomen media.
Vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten: niet geconsolideerd.
Wapens, munitie en oorlogsmaterieel: niet geconsolideerd.
Artikel 194, lid 2, en artikel 195 zijn niet van toepassing op maatregelen die onderworpen zijn aan een in deze bijlage genoemde beperking of voorwaarde, voor zover de beperking of voorwaarde van toepassing is.
Privé-eigendom is voor alle grondtypen verboden. Buitenlandse natuurlijke personen, buitenlandse rechtspersonen en filialen daarvan, alsmede ondernemingen die buitenlandse investeringen doen1), mogen gronden slechts huren voor een periode van maximaal 25 jaar, die kan worden verlengd. De verhuur van gronden in grenszones en grensgebieden kan worden beperkt.
De privatisering van ondernemingen, activa en faciliteiten die van strategisch belang zijn, voor zover de privatisering ervan een bijzondere bedreiging vormt voor het openbaar belang van de werking en de veiligheid van netwerken en leveringen en in het belang is van de staat, kan, voor zover de wetgeving van de Republiek Oezbekistan dit toestaat, worden beperkt of verboden voor buitenlandse natuurlijke personen, buitenlandse rechtspersonen en hun filialen, alsmede voor rechtspersonen van de Republiek Oezbekistan met buitenlands kapitaal.
Vertegenwoordigingskantoren mogen geen commerciële activiteiten uitvoeren in de Republiek Oezbekistan.
Filialen van buitenlandse rechtspersonen in de financiëledienstensector zijn niet toegestaan.
Een advocaat2), een notaris en een octrooigemachtigde moet onderdaan zijn van de Republiek Oezbekistan.
Voor dienstensectoren mag het totale aantal buitenlandse onderdanen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming niet meer bedragen dan 30 % van het totale aantal in dienst genomen personeelsleden van een buitenlandse onderneming, tenzij in de nationale wetgeving anders is bepaald.
Ten minste 80 % van al het personeel dat wordt aangeworven voor de uitvoering van een productieverdelingsovereenkomst moet onderdaan zijn van de Republiek Oezbekistan. Buitenlandse onderdanen mogen alleen meer dan 20 % van het personeel uitmaken als er geen onderdanen van de Republiek Oezbekistan met relevante specialismen en kwalificaties kunnen worden aangeworven.
Ten minste één lid van de raad van toezicht van een bank en twee leden van de raad van bestuur van een bank moeten de nationale taal van de Republiek Oezbekistan beheersen.
Juridisch advies via commerciële aanwezigheid: indien er slechts één vaste juridisch adviseur in de onderneming is, dan dient die persoon onderdaan te zijn van de Republiek Oezbekistan. Indien er in de onderneming meer dan één juridisch adviseur werkzaam is, moet ten minste 50 % van het totale aantal juridisch adviseurs3) van die onderneming onderdaan zijn van de Republiek Oezbekistan.
Aansluiting op de internationale telecommunicatienetwerken gebeurt uitsluitend met technische middelen van JSC „Uzbektelecom”.
Alle economische activiteiten die verband houden met wapens, munitie en oorlogsmateriaal: niet geconsolideerd.
Alle economische activiteiten die verband houden met de productie en distributie van verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren: niet geconsolideerd.
Verbintenissen en beperkingen (met uitzondering van markttoegang, waarvoor verbintenissen niet bindend zijn) van de Republiek Oezbekistan, die van toepassing zijn op ondernemingen en natuurlijke personen uit de Europese Unie bij de grensoverschrijdende handel in diensten overeenkomstig artikel 198.
|
Sector of subsector |
Beperkingen inzake nationale behandeling |
|
I. HORIZONTALE VERBINTENISSEN |
|
|
In de onderhavige lijst: – betekenen sterretjes (*) en (**) „deel” van een verwante sector of subsector van diensten; – zijn CPC-nummers die worden vermeld met betrekking tot sectoren of subsectoren van diensten verwijzingen naar de voorlopige centrale productenclassificatie van de VN (Statistical Papers, serie M, nr. 77, Provisional Central Product Classification, Department of International Economics and Social Affairs, Bureau voor de Statistiek van de Verenigde Naties, New York, 1991), alsook naar document MTN.GNS/W/120. |
|
|
Alle sectoren of subsectoren opgenomen in deze lijst |
|
|
Productieverdelingsovereenkomsten met betrekking tot de exploratie, ontwikkeling en productie van minerale hulpbronnen |
1), 2) Rechtspersonen van de Republiek Oezbekistan hebben een prioritair recht om deel te nemen aan de uitvoering van een overeenkomst in de hoedanigheid van aannemer, leverancier, vervoerder of in een andere hoedanigheid krachtens overeenkomsten (contracten) met investeerders. Ten minste 80 % van al het aangeworven personeel dat betrokken is bij de uitvoering van een productieverdelingsovereenkomst moet onderdaan zijn van de Republiek Oezbekistan. |
|
II. SPECIFIEKE SECTORALE VERBINTENISSEN INZAKE GRENSOVERSCHRIJDENDE HANDEL IN DIENSTEN |
|
|
1. ZAKELIJKE DIENSTEN |
|
|
Professionele diensten |
|
|
86190 Overig juridisch advies en informatie |
1) Geen 2) Geen |
|
862 Accountants, belastingconsulenten en boekhouders, met uitzondering van 86220 Diensten verleend door boekhouders, met uitzondering van het invullen van belastingaangiften |
1) 2) Geen, behalve voor het volgende: – de auditverslagen moeten worden ondertekend door een volgens de wet van de Republiek Oezbekistan gecertificeerde auditor die werkt bij een rechtspersoon in de Republiek Oezbekistan die een vergunning heeft om auditwerkzaamheden uit te voeren en die is opgenomen in de lijst van auditorganisaties. |
|
86220 Diensten verleend door boekhouders, met uitzondering van het invullen van belastingaangiften |
1) Geen 2) Geen |
|
863 Diensten in verband met belastingen |
1) Geen 2) Geen |
|
8671 Diensten van architecten 8672 Diensten van ingenieurs 8673 Geïntegreerde diensten van ingenieurs 86742 Landschapsarchitecten |
1) 2) Geen, behalve voor het volgende: – het verlenen van diensten is alleen toegestaan indien er een contract bestaat met een rechtspersoon uit de Republiek Oezbekistan, die een commerciële entiteit is met een vergunning van een bevoegde autoriteit van de Republiek Oezbekistan. |
|
9320 Veterinaire diensten |
1) Geen 2) Geen |
|
B. DIENSTEN IN VERBAND MET COMPUTERS EN AANVERWANTE DIENSTEN |
|
|
84 Diensten in verband met computers en aanverwante diensten |
1) Geen 2) Geen |
|
D. Onroerendgoeddiensten |
|
|
82101 Verhuur van eigen of geleased residentieel onroerend goed 82102 Verhuur van eigen of geleased niet-residentieel onroerend goed |
1) Geen 2) Geen |
|
F. Andere zakelijke dienstverlening |
|
|
87120 Ontwerp, uitvoering en plaatsing van reclame |
1) Geen 2) Geen |
|
86401 Marktonderzoek 865 Managementadvies 86601 Projectbeheer, behalve voor bouwprojecten |
1) Geen 2) Geen |
|
|
|
Koeriersdiensten |
|
|
75121 Multimodale koeriersdiensten |
1) Geen 2) Geen |
|
2. TELECOMMUNICATIEDIENSTEN |
|
|
Bij het aangaan van verplichtingen met betrekking tot telecommunicatiediensten wordt rekening gehouden met de bepalingen in de volgende documenten: „Notes for Scheduling Basic Telecom Services Commitments” (S/GBT/W/2/Rev.1) en „Market Access Limitations on Spectrum Availability” (S/GBT/W/3). Voor de toepassing van deze lijst omvatten telecommunicatiediensten geen diensten voor de transmissie van televisie- en/of radioprogramma’s1 |
|
|
7521 a) Openbare telefoondiensten 7523** b) Pakketgeschakelde datatransmissie 7523** c) Circuitgeschakelde datatransmissie 7523** d) Telexdiensten 7522 e) Telegraafdiensten 7521**+7529** f) Faxdiensten 7522**+7523** g) Particuliere huurlijnen 7523** h) Elektronische post 7523** i) Voicemail 7523** j) Online-informatie en databanken 7523** k) Elektronische gegevensuitwisseling 7523** l) Geavanceerde/extra faxdiensten, waaronder „opslaan en doorzenden” en „opslaan en opzoeken” 843** n) Online-informatie en/of gegevensverwerking (met inbegrip van de verwerking van transacties) |
1), 2) Geen, behalve voor: – recht op aansluiting op internationale telecommunicatienetwerken, uitsluitend met technische middelen van JSC „Uztelecom”; – niet geconsolideerd met betrekking tot lokale communicatie; – niet geconsolideerd met betrekking tot satellietcommunicatienetwerkdiensten. |
|
3. BOUWNIJVERHEID EN AANVERWANTE CIVIELTECHNISCHE DIENSTEN |
|
|
Algemene bouwkundige werken voor gebouwen |
|
|
A. 512 Bouwkundige werken voor gebouwen C. 514 Monteren en optrekken van geprefabriceerde constructies 51660 Installatie van hek- en traliewerken D. 517 Werkzaamheden in verband met de afwerking van gebouwen E. 511 Voorbereidende werkzaamheden op bouwterreinen (met uitzondering van 5113 Inrichten en ruimen van bouwterreinen; en 5115 Geschikt maken van terreinen voor mijnbouw) 515 Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw |
1) Geen 2) Geen |
|
5. ONDERWIJS |
|
|
92390 Overig hoger onderwijs |
1) Geen 2) Geen |
|
6. MILIEUDIENSTEN Deze verbintenissen gelden alleen voor diensten die op commerciële basis door particuliere ondernemingen worden geleverd. |
|
|
d) Overige diensten 9404 Reiniging van uitlaatgassen 9405 Lawaaibestrijding Bewerking en reiniging van grond en water, onderdeel van CPC 9406 Bescherming van natuur en landschap |
1) Niet geconsolideerd, behalve voor adviesdiensten 2) Geen |
|
7. FINANCIËLE DIENSTEN |
|
|
Verzekeringen en aanverwante diensten |
|
|
A.(b) 8129 Diensten op het gebied van andere dan levensverzekeringen |
1), 2) Geen Uitsluitend met betrekking tot risico’s in verband met vervoer over zee, commercieel luchtvervoer, commerciële lancering vanuit de ruimte, waarbij deze verzekering de vervoerde goederen, het vervoerende voertuig en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk dekt. |
|
Bankdiensten en andere financiële diensten (verzekeringen niet inbegrepen): |
|
|
v) Aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek (81115-81119) vi) Alle soorten leningen, onder meer consumentenkrediet, hypotheekleningen, factorkrediet en financiering van commerciële transacties (8113) viii) Alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten en debetkaarten (81339**) ix) Garanties en verplichtingen (81199**) |
1) Niet geconsolideerd 2) Geen |
|
9. TOERISME EN DIENSTEN IN VERBAND MET REIZEN |
|
|
64110 Logies in hotels 64120 Logies in motels |
1) Geen 2) Geen |
|
74710 Reisbureaus en reisorganisatoren |
1) Geen 2) Geen |
|
10. CULTUUR, SPORT EN RECREATIE |
|
|
96194 Circussen, pretparken en dergelijke attracties |
1) Geen 2) Geen |
|
11. VERVOERSDIENSTEN |
|
|
C. Luchtvervoer |
|
|
Onderhoud en reparatie van luchtvaartuigen, deel van CPC 8868** Verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten Geautomatiseerde boekingssystemen |
1) Geen 2) Geen |
|
E. Vervoer per spoor |
|
|
d) Onderhoud en reparatie van spoorwegmaterieel, deel van CPC 8868** |
1) Niet geconsolideerd 2) Geen |
|
F. Vervoer over de weg |
|
|
d) Onderhoud en reparatie van materieel voor vervoer over de weg 6112 + 8867 |
1) Niet geconsolideerd 2) Geen |
|
H. Ondersteunende diensten voor alle vormen van vervoer |
|
|
a) Vrachtafhandeling CPC 741*, alleen voor vervoer over de weg en per spoor b) Opslag CPC 742*, alleen voor vervoer over de weg en per spoor с) Tussenpersonen op het gebied van vrachtvervoer CPC 748*, alleen voor vervoer over de weg en per spoor |
1) Niet geconsolideerd 2) Geen |
De transmissie van televisie- en radioprogramma’s wordt gedefinieerd als de ononderbroken transmissie van signalen die nodig zijn voor de distributie van dergelijke programma’s aan het publiek en omvat geen verbinding tussen exploitanten.
1. De verbintenis van de Republiek Oezbekistan op grond van artikel 203 heeft betrekking op de volgende sectoren of subsectoren:
i. diensten van accountants en boekhouders;
ii. diensten van belastingconsulenten;
iii. diensten van architecten;
iv. diensten van ingenieurs;
v. geïntegreerde diensten van ingenieurs;
vi. diensten in verband met computers en aanverwante diensten;
vii. advertentiediensten;
viii. marktonderzoek;
ix. managementadviesdiensten; en
x. onderhoud en reparatie van werktuigen en transportmiddelen, in het kader van servicecontracten na verkoop of lease.
2. Voor de tijdelijke binnenkomst van dienstverleners op contractbasis uit de Europese Unie naar het grondgebied van de Republiek Oezbekistan kan een onderzoek naar de economische behoefte worden verricht.
1. Voor de toepassing van hoofdstuk 14 en krachtens dit reglement van orde gelden de volgende definities:
met betrekking tot een panellid, andere personen dan assistenten die onder de leiding en het toezicht van een panellid werkzaam zijn;
en persoon die door een Partij is aangesteld om haar in verband met de panelprocedure te adviseren of bij te staan;
een persoon die in het kader van het mandaat van een panellid en onder de leiding en het toezicht van dat panellid voor dat panellid onderzoek verricht of ondersteunende taken uitvoert;
de Partij die verzoekt om de instelling van een panel op grond van artikel 241;
een panel dat is ingesteld op grond van artikel 242;
een lid van een panel;
de Partij ten aanzien waarvan wordt gesteld dat zij de betrokken bepalingen heeft geschonden;
een persoon in dienst van of aangesteld door een ministerie, een overheidsdienst of een ander overheidsorgaan van een Partij, die de Partij met betrekking tot een geschil op het gebied van de Overeenkomst vertegenwoordigt.
2. Alle verzoeken, mededelingen, schriftelijke stukken of andere documenten (hierna: „kennisgeving” genoemd) van:
a. het panel, worden terzelfder tijd aan beide Partijen toegezonden;
b. een Partij aan het panel, worden terzelfder tijd in kopie aan de andere Partij toegezonden; en
c. een Partij aan de andere Partij, worden terzelfder tijd in kopie aan het panel toegezonden, naargelang het geval.
3. Alle in regel 2 bedoelde kennisgevingen worden gedaan via e-mail of waar passend via enige andere vorm van telecommunicatie waarbij de verzending wordt geregistreerd. Een dergelijke kennisgeving wordt geacht te zijn afgeleverd op de datum van verzending ervan, tenzij wordt aangetoond dat dit niet het geval is.
4. De kennisgevingen worden respectievelijk gericht aan het directoraat-generaal Handel van de Commissie van de Europese Unie en aan het ministerie van Justitie en het ministerie van Investeringen, Industrie en Handel van de Republiek Oezbekistan.
5. Kleine verschrijvingen in kennisgevingen in verband met de procedure bij het panel kunnen worden verbeterd door indiening van een nieuw document waarin de wijzigingen duidelijk zijn aangegeven.
6. Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, op een niet-werkdag van de instellingen van de Europese Unie of van de Republiek Oezbekistan valt, eindigt de periode van indiening van het document op de eerstvolgende werkdag.
7. Indien overeenkomstig artikel 242 een panellid door loting wordt aangewezen, stelt de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij de medevoorzitter uit de Partij waartegen de klacht gericht is, onverwijld in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de loting. De verwerende Partij kan desgewenst bij de loting aanwezig zijn. In elk geval vindt de loting plaats in tegenwoordigheid van de Partij/de Partijen die daarbij aanwezig is/zijn.
8. De medevoorzitter van de klagende Partij stelt elke persoon die is aangewezen om te fungeren als panellid, schriftelijk in kennis van zijn aanwijzing. Elke persoon bevestigt binnen vijf dagen vanaf de datum waarop die persoon over zijn aanstelling werd geïnformeerd, aan beide Partijen of hij beschikbaar is.
9. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij wijst binnen vijf dagen na het verstrijken van de in artikel 242, lid 2, bedoelde termijn door loting het panellid of de voorzitter aan, indien een van de in artikel 243, lid 1, bedoelde deellijsten:
a. nog niet is opgesteld, waarbij de aanwijzing plaatsvindt uit de personen die formeel voor de opstelling van die specifieke sublijst zijn voorgedragen door beide Partijen of door een van beide Partijen; of
b. niet meer ten minste vijf personen bevat, waarbij de aanwijzing plaatsvindt uit de personen die nog op die specifieke sublijst staan.
10. Onverlet artikel 241, lid 3, streven de Partijen ernaar ervoor te zorgen dat uiterlijk op het tijdstip waarop alle panelleden hun benoeming hebben aanvaard overeenkomstig artikel 242, lid 5, zij hebben ingestemd met de bezoldiging en de onkostenvergoeding van de panelleden en assistenten, en de nodige aanstellingscontracten hebben opgesteld, zodat deze onverwijld kunnen worden ondertekend. De bezoldiging en onkosten van de panelleden zijn gebaseerd op de WTO-normen. De bezoldiging en onkosten van een medewerker of assistenten van een panellid mogen niet meer bedragen dan 50 % van de bezoldiging van dat panellid.
11. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, komen zij binnen zeven dagen na de datum van instelling van het panel met dat panel bijeen om te beslissen over de aangelegenheden die de Partijen of het panel passend achten, met inbegrip van het tijdschema van de procedure.
De panelleden en de vertegenwoordigers van de Partijen kunnen aan deze vergadering deelnemen door middel van elk communicatiemiddel, waaronder per telefoon of per videoconferentie.
12. Uiterlijk dertig dagen na de datum van instelling van het panel dient de klagende Partij haar schriftelijke opmerkingen in. De verwerende Partij dient haar schriftelijke opmerkingen uiterlijk 30 dagen na de datum van indiening van de schriftelijke opmerkingen van de klagende Partij in.
13. De voorzitter van het panel zit alle vergaderingen van het panel voor. Het panel kan aan de voorzitter de bevoegdheid tot het nemen van administratieve en procedurele beslissingen delegeren.
14. Tenzij in hoofdstuk 14 of in dit reglement van orde anders is bepaald, kan het panel bij zijn werkzaamheden gebruikmaken van alle mogelijke middelen, inclusief die per telefoon of elektronisch, videoconferentie of andere elektronische communicatiemiddelen.
15. Alleen panelleden mogen deelnemen aan de beraadslagingen van het panel, maar het panel kan toestaan dat assistenten van de panelleden bij de beraadslagingen aanwezig zijn.
16. Het opstellen van beslissingen of verslagen blijft de exclusieve bevoegdheid van het panel, die niet mag worden gedelegeerd.
17. Wanneer zich een procedureel vraagstuk voordoet dat niet onder hoofdstuk 14 en de bijlagen daarbij valt, kan het panel, na overleg met de Partijen, een passende procedure vaststellen die verenigbaar is met die bepalingen.
18. Wanneer het panel van oordeel is dat enige andere procedurele termijn dan de in hoofdstuk 14 vastgestelde termijnen moeten worden gewijzigd of dat een andere procedurele of administratieve aanpassing nodig is, stelt het de Partijen schriftelijk in kennis van de vereiste termijn of aanpassing en van de redenen daarvoor. Het panel kan de wijziging of aanpassing goedkeuren na overleg met de Partijen.
19. Wanneer een Partij van oordeel is dat een panellid niet voldoet aan de vereisten van bijlage 14-B en om die reden moet worden vervangen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis binnen 15 dagen na het moment waarop zij voldoende bewijs heeft verkregen van de vermeende niet-naleving van bijlage 14-B door het panellid.
20. De Partijen voeren binnen vijftien dagen na de datum van de in regel 17 bedoelde kennisgeving overleg. Zij stellen het panellid in kennis van zijn vermeende verzuim en kunnen het panellid verzoeken maatregelen te nemen om de tekortkoming te verhelpen. Indien zij daarover tot overeenstemming komen, kunnen zij het panellid ook uit zijn functie ontzetten en een nieuw panellid aanwijzen overeenkomstig artikel 242.
21. Indien de Partijen het niet eens worden over de vraag of een panellid, niet zijnde de voorzitter van het panel, moet worden vervangen, kan elke Partij verzoeken de aangelegenheid aan de voorzitter van het panel voor te leggen, tegen wiens beslissing geen beroep kan worden ingesteld.
Indien de voorzitter van het panel vaststelt dat een panellid niet voldoet aan de vereisten van bijlage 14-B, wordt een nieuw panellid geselecteerd overeenkomstig artikel 242.
22. Indien de Partijen het niet eens worden over de vraag of de voorzitter moet worden vervangen, kan elke Partij verzoeken die aangelegenheid voor te leggen aan een van de overige personen op de uit hoofde van artikel 243 vastgestelde deellijst van voorzitters. De desbetreffende persoon wordt door loting aangewezen door de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij of de vervanger van de voorzitter. Tegen de beslissing van de aangewezen persoon over de noodzaak tot vervanging van de voorzitter kan geen beroep worden ingesteld.
Indien de geselecteerde persoon van oordeel is dat de voorzitter niet voldoet aan de vereisten van bijlage 14-B, wordt een nieuwe voorzitter aangewezen overeenkomstig artikel 242.
23. Op basis van het tijdschema dat is vastgesteld krachtens regel 11, stelt de voorzitter van het panel, na overleg met de Partijen en de overige panelleden, de Partijen in kennis van de datum, het tijdstip en de plaats van de hoorzitting. Tenzij de hoorzitting achter gesloten deuren plaatsvindt, wordt deze informatie door de Partij op het grondgebied waarvan de hoorzitting plaatsvindt openbaar gemaakt.
24. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, wordt de hoorzitting in Brussel gehouden als de Republiek Oezbekistan de klagende Partij is en in Tasjkent als de Europese Unie de klagende Partij is. De verwerende Partij draagt de kosten van de organisatie van de hoorzitting. Op verzoek van een Partij kan het panel besluiten een virtuele of hybride hoorzitting te houden en passende regelingen te treffen, rekening houdend met het recht op een eerlijk proces en de noodzaak om transparantie te waarborgen.
25. Het panel kan aanvullende hoorzittingen organiseren indien de Partijen zulks overeenkomen.
26. Alle panelleden zijn gedurende de gehele hoorzitting aanwezig.
27. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, kunnen de volgende personen een hoorzitting bijwonen, ongeacht of de hoorzitting voor het publiek toegankelijk is:
a. vertegenwoordigers van een Partij;
b. adviseurs;
c. assistenten en administratief personeel;
d. tolken, vertalers en notulisten van het panel; en
e. deskundigen die overeenkomstig artikel 258, lid 2, door het panel worden uitgenodigd.
28. Uiterlijk vijf dagen voor de datum van een hoorzitting verstrekt elke Partij het panel en de andere Partij een lijst met de namen van haar vertegenwoordigers die namens de Partij op de hoorzitting pleidooien of uiteenzettingen zullen houden en van andere vertegenwoordigers of adviseurs die de hoorzitting zullen bijwonen.
29. De hoorzitting wordt door het panel op de volgende wijze gevoerd, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de klagende Partij en de verwerende Partij evenveel tijd krijgen toegewezen, zowel voor de pleidooien als de weerleggingen:
Pleidooi:
a. pleidooi van de klagende Partij;
b. pleidooi van de verwerende Partij.
Weerlegging:
c. repliek van de klagende Partij;
d. dupliek van de verwerende Partij.
30. Het panel kan op elk moment van de hoorzitting aan beide Partijen vragen stellen.
31. Het panel ziet erop toe dat van de hoorzitting een proces-verbaal of een opname wordt opgemaakt, dat of die zo spoedig mogelijk na de hoorzitting aan de Partijen wordt verstrekt. De Partijen kunnen opmerkingen maken over het proces-verbaal, die door het panel in overweging kunnen worden genomen.
32. Binnen tien dagen na de datum van de hoorzitting kan elk van beide Partijen een aanvullend schriftelijk stuk indienen over alle aspecten die tijdens de hoorzitting aan de orde zijn gekomen.
33. Het panel kan op elk moment van de procedure aan een Partij of aan beide Partijen schriftelijk vragen stellen. Van alle vragen die aan een Partij worden gesteld, wordt een kopie aan de andere Partij verstrekt.
34. Elke Partij verstrekt aan de andere Partij een kopie van haar antwoorden op de vragen van het panel. De andere Partij heeft de gelegenheid om binnen vijf dagen na ontvangst van die kopie schriftelijk opmerkingen in te dienen over de antwoorden van de Partij.
35. Elke Partij en het panel behandelen informatie die door de andere Partij aan het panel is verstrekt en als vertrouwelijk is aangemerkt, als vertrouwelijk. Wanneer een Partij bij het panel schriftelijk opmerkingen indient die vertrouwelijke informatie bevat, verstrekt zij ook, binnen vijftien dagen, een stuk zonder die vertrouwelijke informatie dat openbaar wordt gemaakt.
36. Niets in dit reglement van orde belet dat een Partij haar eigen standpunten openbaar maakt voor zover zij, wanneer zij naar door de andere Partij verstrekte informatie verwijst, geen informatie openbaar maakt die door de andere Partij als vertrouwelijk is aangemerkt.
37. Het panel komt in besloten zitting bijeen wanneer de stukken en argumenten van een Partij vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten. Wanneer een hoorzitting van het panel in besloten zitting plaatsvindt, respecteren de Partijen het vertrouwelijke karakter van de hoorzitting.
38. Het panel komt niet bijeen noch communiceert met een Partij in afwezigheid van de andere Partij.
39. Een panellid mag geen aspecten van de inhoud van de procedure met een of beide Partijen bespreken in afwezigheid van de andere panelleden.
40. Tenzij de Partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het panel anders overeenkomen, kan het panel ongevraagde schriftelijke opmerkingen van natuurlijke personen van een Partij of rechtspersonen die op het grondgebied van een Partij gevestigd zijn en die onafhankelijk zijn van de regeringen van de Partijen, in ontvangst nemen, op voorwaarde dat deze:
a. binnen 10 dagen na de datum van de instelling van het panel door het panel zijn ontvangen;
b. bondig zijn en, inclusief bijlagen, in elk geval niet meer dan 15 met dubbele regelafstand getypte bladzijden tellen;
c. rechtstreeks van belang zijn voor een feitelijke of juridische kwestie die door het panel wordt onderzocht;
d. een beschrijving bevatten van de persoon die de bijdrage indient, voor een natuurlijke persoon met inbegrip van zijn nationaliteit en voor een rechtspersoon met inbegrip van zijn plaats van vestiging, de aard van zijn activiteiten, zijn rechtsvorm, zijn algemene doelstellingen en zijn financieringsbron;
e. nadere informatie bevatten over het aanmerkelijke belang dat de persoon bij de panelprocedure heeft; en
f. zijn opgesteld in de talen die de Partijen overeenkomstig de regels 44 en 45 van dit reglement van orde hebben gekozen.
41. De stukken worden aan de Partijen toegezonden, zodat zij hun opmerkingen kunnen indienen. De Partijen kunnen binnen tien dagen na de datum van de toezending van de stukken hun opmerkingen aan het panel kenbaar maken.
42. Het panel vermeldt in zijn verslag alle opmerkingen die het overeenkomstig regel 40 heeft ontvangen. Het panel is niet verplicht in zijn verslag op de in de opmerkingen naar voren gebrachte argumenten in te gaan. Indien het panel echter in zijn verslag op deze argumenten ingaat, houdt het ook rekening met eventuele opmerkingen die de Partijen overeenkomstig regel 41 hebben gemaakt.
43. In dringende gevallen als bedoeld in artikel 247 past het panel, na overleg met de Partijen, de in dit reglement van orde bedoelde termijnen zo nodig aan. Het panel stelt de Partijen van die aanpassingen in kennis.
44. Tijdens het in artikel 240 bedoelde overleg, en uiterlijk op de datum van de in regel 11 van dit reglement van orde bedoelde vergadering, proberen de Partijen tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijke werktaal voor de procedures van het panel.
45. Indien de Partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over een gemeenschappelijke werktaal, dient elke Partij haar schriftelijke stukken in de door haar gekozen taal in. Elke Partij verstrekt tegelijkertijd een vertaling in de door de andere Partij gekozen taal, tenzij haar stukken in een van de werktalen van de WTO zijn opgesteld. De Partij waartegen de klacht gericht is, zorgt voor de vertolking van de mondelinge uiteenzettingen in de door de Partijen gekozen talen.
46. De verslagen en beslissingen van het panel worden uitgebracht in de door de Partijen gekozen taal of talen. Indien de Partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijke werktaal, wordt het tussentijdse verslag en het eindverslag van het panel uitgebracht in een van de werktalen van de WTO.
47. Elke Partij kan opmerkingen maken over de nauwkeurigheid van een overeenkomstig het reglement van orde gemaakte vertaling van een document.
48. Elke Partij draagt zelf de kosten die zij maakt in verband met de vertaling van haar schriftelijke stukken. Eventuele kosten voor het vertalen van een uitspraak worden door de Partijen gelijkelijk gedragen.
49. De termijnen in dit reglement van orde worden aangepast overeenkomstig de bijzondere termijnen die voor de vaststelling van een verslag of besluit door het panel tijdens de procedure zijn vastgesteld op grond van de artikelen 251, 252, 253 en 254.
1. In deze gedragscode wordt verstaan onder:
met betrekking tot een panellid, andere personen dan assistenten die onder de leiding en het toezicht van een panellid werkzaam zijn;
een persoon die uit hoofde van het mandaat van een panellid voor dat panellid onderzoek verricht of ondersteunende taken uitvoert;
een persoon wiens naam voorkomt op de in artikel 243 bedoelde lijst van panelleden en wiens selectie als panellid overeenkomstig artikel 242 wordt overwogen;
een persoon die overeenkomstig artikel 265 als bemiddelaar is aangewezen;
een lid van een panel;
2. Om de integriteit en de onpartijdigheid van het mechanisme voor geschillenbeslechting te vrijwaren, moeten elke kandidaat en panellid:
a. zich vertrouwd maken met deze gedragscode;
b. onafhankelijk en onpartijdig zijn;
c. directe of indirecte belangenconflicten vermijden;
d. laakbaar gedrag en de schijn van laakbaar gedrag of partijdigheid vermijden;
e. de hoogste gedragsnormen in acht nemen; en
f. waarborgen zich niet te laten beïnvloeden door eigenbelang, druk van buitenaf, politieke overwegingen, publieke protesten, trouw aan een Partij of vrees voor kritiek.
3. Panelleden mogen noch direct noch indirect verplichtingen aangaan of voordelen accepteren die op welke wijze dan ook de goede uitoefening van hun taken verstoren of lijken te verstoren.
4. De panelleden gebruiken hun positie als lid van het panel niet om persoonlijke of particuliere belangen te dienen. Panelleden onthouden zich van handelingen die de indruk kunnen wekken dat anderen in een bijzondere positie verkeren waardoor zij invloed op hen kunnen uitoefenen.
5. De panelleden laten hun gedrag of oordeel niet beïnvloeden door huidige of vroegere financiële, zakelijke, professionele, persoonlijke of sociale relaties of verantwoordelijkheden.
6. De panelleden gaan geen relaties aan en verwerven geen financiële belangen wanneer daardoor hun onpartijdigheid in het gedrang kan komen of wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daardoor de schijn van laakbaar gedrag of partijdigheid wordt gewekt.
7. Voorafgaand aan de aanvaarding van hun aanstelling als panellid op grond van artikel 242 geven de kandidaten die gevraagd worden als panellid op te treden, opening van zaken over alle belangen, relaties of aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid, of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij tijdens de panelprocedure de schijn van laakbaar gedrag of partijdigheid zouden kunnen wekken. Daartoe getroosten de kandidaten zich alle redelijke inspanningen om zich bewust te worden van dergelijke belangen, relaties en aangelegenheden, met inbegrip van financiële belangen, professionele belangen, werkgelegenheids- of familiebelangen.
8. Op grond van de openbaarmakingsplicht uit hoofde van lid 7 blijven de panelleden voortdurend gehouden dergelijke belangen, relaties en aangelegenheden openbaar te maken wanneer die zich tijdens de procedure voordoen.
9. Kandidaten of panelleden delen het Samenwerkingscomité ter overweging door de Partijen alle eventuele aangelegenheden met betrekking tot feitelijke of mogelijke schendingen van deze gedragscode mee zodra zij zich ervan bewust worden.
10. Na de aanvaarding van hun aanstelling zijn de panelleden beschikbaar voor de uitoefening van hun taken en oefenen zij hun taken gedurende de gehele procedure nauwgezet, snel en billijk uit.
11. De panelleden onderzoeken uitsluitend vragen die tijdens de panelprocedure aan de orde worden gesteld en die voor het besluit noodzakelijk zijn, en dragen deze taak niet over aan een andere persoon.
12. De panelleden nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun assistenten en het administratief personeel bekend zijn met de door de panelleden uit hoofde van de delen II, III, IV en VI van deze gedragscode aangegane verplichtingen en die naleven.
13. Voormalige panelleden onthouden zich van handelingen die de schijn kunnen wekken dat zij bij de uitoefening van hun taken niet onpartijdig waren of dat zij voordeel hebben ontleend aan het besluit van het panel.
14. Voormalige panelleden leven de verplichtingen van deel VI van deze gedragscode na.
15. Panelleden maken op geen enkel moment niet-publieke informatie openbaar over de procedure, of over informatie die is verkregen tijdens de procedure waarvoor zij zijn aangesteld. De panelleden maken dergelijke informatie in geen geval openbaar en gebruiken dergelijke informatie niet om persoonlijk voordeel te verwerven, anderen voordeel te verschaffen of de belangen van anderen in negatieve zin te beïnvloeden.
16. Een panellid maakt een besluit van het panel of delen daarvan niet openbaar voordat het overeenkomstig hoofdstuk 14 wordt bekendgemaakt.
17. Een panellid maakt op geen enkel moment informatie openbaar over de beraadslagingen van een panel of over het standpunt van individuele panelleden, en legt geen verklaringen af over de procedure waarvoor het is aangesteld of over de litigieuze kwesties in de procedure.
18. Panelleden houden de door hen aan de procedure bestede tijd en de hierbij gemaakte onkosten bij, evenals de tijd en onkosten van hun assistenten en administratief personeel, en leggen hiervan een eindafrekening over.
19. Deze gedragscode is mutatis mutandis van toepassing op bemiddelaars.
Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van een van de Partijen van toepassing zijn betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder een andere douaneregeling, met inbegrip van verboden, beperkingen en controlemaatregelen;
een daartoe door een Partij aangewezen bevoegde overheidsinstantie die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
een tot dit doel door een Partij aangewezen bevoegde administratieve autoriteit die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
alle gegevens, documenten, afbeeldingen, verslagen, mededelingen of gewaarmerkte kopieën, in ongeacht welk formaat, ook in elektronisch formaat, al dan niet verwerkt of geanalyseerd;
natuurlijke persoon of rechtspersoon;
alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.
1. De Partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, de correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden.
2. De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke bestuurlijke instantie van een van de Partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. De bijstand in douanezaken doet geen afbreuk aan de bepalingen betreffende wederzijdse bijstand in strafzaken. Hij geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze ermee instemt dat die informatie wordt verstrekt.
3. Bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder dit protocol.
1. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.
2. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:
a. of goederen die uit het grondgebied van een der Partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze in het grondgebied van de andere Partij zijn ingevoerd, waar passend onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
b. of goederen die op het grondgebied van een der Partijen zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit het grondgebied van de andere Partij zijn uitgevoerd, waar passend onder vermelding van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.
3. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt gehouden op, en om de verzoekende autoriteit inlichtingen te verstrekken over:
a. personen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;
b. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn gebruikt, of bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;
c. plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn of kunnen worden samengesteld dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat die goederen zijn gebruikt, of bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen; en
d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.
Waar mogelijk verlenen de Partijen elkaar, overeenkomstig hun wet- en regelgeving, op eigen initiatief onverwijld bijstand door inlichtingen te verstrekken over voltooide, geplande of lopende activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen vormen of lijken te vormen en die voor de andere Partij van belang kunnen zijn. Die inlichtingen betreffen met name het volgende:
a. personen, goederen en vervoermiddelen; en
b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten.
1. Verzoeken op grond van dit protocol worden schriftelijk, op papier of in elektronische vorm, gedaan. Zij gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kan de aangezochte autoriteit ook mondelinge verzoeken aanvaarden, mits zij door de verzoekende autoriteit onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.
2. De in lid 1 bedoelde verzoeken bevatten de volgende gegevens:
a. de naam van de verzoekende autoriteit en van de verzoekende ambtenaar;
b. de gevraagde inlichtingen en/of het soort bijstand;
c. het voorwerp en de reden van het verzoek;
d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;
e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de personen op wie het onderzoek betrekking heeft;
f. een overzicht van de relevante feiten en het reeds verrichte onderzoek; en
g. aanvullende beschikbare gegevens op basis waarvan de aangezochte autoriteit gevolg kan geven aan het verzoek.
3. Verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal, waarbij het Engels altijd een aanvaardbare taal is. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.
4. Indien een verzoek niet aan de in de leden 1 tot en met 3 vermelde vormvereisten voldoet, kan de aangezochte autoriteit om correctie of aanvulling verzoeken; in de tussentijd kunnen voorlopige maatregelen worden gelast.
1. Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde Partij handelt, verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt, indien zij dit niet zelf kan afhandelen.
3. Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de Partij waaraan het verzoek is gericht.
1. De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit schriftelijk mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte kopieën of andere stukken. Deze inlichtingen mogen in de vorm van elektronische bestanden worden verstrekt.
2. Originele documenten worden uitsluitend op verzoek van de verzoekende autoriteit overeenkomstig de wet- en regelgeving van elke Partij toegezonden indien gewaarmerkte afschriften ontoereikend zijn. De verzoekende autoriteit stuurt die originelen zo spoedig mogelijk terug.
3. Wanneer documenten uit hoofde van lid 2 worden toegezonden, verstrekt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit de gegevens betreffende de echtheid van de documenten die door op haar grondgebied gevestigde officiële instanties ter staving van een goederenaangifte zijn afgegeven of gecertificeerd.
1. Daartoe gemachtigde ambtenaren van een Partij kunnen, met instemming van de andere Partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in artikel 6, lid 1, om informatie te verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn, en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.
2. Ambtenaren van een Partij kunnen, met instemming van de andere Partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.
3. Ambtenaren van een Partij zijn in een louter raadgevende hoedanigheid aanwezig op het grondgebied van de andere Partij. Wanneer die ambtenaren op het grondgebied van de andere Partij aanwezig zijn, moeten zij:
a. hun officiële hoedanigheid kunnen aantonen;
b. geen uniform en geen wapens dragen; en
c. dezelfde bescherming genieten als ambtenaren van de andere Partij, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de andere Partij van toepassing zijn.
1. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor de verstrekking van documenten of de kennisgeving van besluiten van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan personen die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.
2. De in lid 1 bedoelde verzoeken om verstrekking van documenten of kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.
1. De Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, overeenkomstig artikel 15 van dit protocol:
a. onder dit protocol vallende inlichtingen automatisch uitwisselen;
b. specifieke inlichtingen uitwisselen, voordat zendingen op het grondgebied van de andere Partij aankomen.
2. Met het oog op de uitvoering van de in lid 1 bedoelde uitwisselingen stellen de Partijen regelingen vast over het soort informatie dat zij wensen uit te wisselen en over het formaat en de frequentie van de toezending.
1. Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een Partij van oordeel is dat bijstand op grond van deze Overeenkomst:
a. de soevereiniteit van de Republiek Oezbekistan of van een lidstaat waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten;
b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 12, lid 5, van dit protocol bedoelde gevallen; of
c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim leidt.
2. De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien die bijstand lopende onderzoeken, vervolgingen of procedures zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.
3. Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dat in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
4. Indien de in de leden 1 en 2 bedoelde bijstand wordt geweigerd, dienen dit besluit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.
1. De op grond van dit protocol ontvangen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt.
2. Het gebruik van uit hoofde van dit protocol verkregen inlichtingen in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik overeenkomstig de doelen van dit protocol. De Partijen kunnen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van krachtens dit protocol verkregen inlichtingen en geraadpleegde documenten. De aangezochte autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage heeft gegeven in de documenten, kan als voorwaarde stellen dat zij van zulk gebruik in kennis wordt gesteld.
3. Indien een van de Partijen de in het kader van dit protocol verkregen inlichtingen voor andere doeleinden wenst te gebruiken, vraagt zij de autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt, vooraf om schriftelijke toestemming. Voor dat gebruik gelden dan de door die autoriteit opgelegde voorwaarden.
4. Alle informatie, ongeacht de vorm ervan, die op grond van dit protocol wordt verstrekt, is vertrouwelijk of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, overeenkomstig de wet- en regelgeving die op het grondgebied van elk van de Partijen van toepassing is. Deze informatie valt onder de geheimhoudingsplicht en wordt beschermd overeenkomstig de wet- en regelgeving inzake dergelijke informatie op het grondgebied van de ontvangende Partij. De Partijen informeren elkaar over hun toepasselijke wet- en regelgeving.
5. Persoonsgegevens mogen alleen worden doorgegeven overeenkomstig de regels voor gegevensbescherming van de Partij die de gegevens verstrekt. Elke Partij stelt de andere Partij in kennis van de toepasselijke regels voor gegevensbescherming en stelt, indien nodig, alles in het werk om overeenstemming te bereiken over aanvullende bescherming.
De aangezochte autoriteit kan een ambtenaar machtigen om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in gerechtelijke of bestuursrechtelijke procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften over te leggen. In de oproeping dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke of bestuurlijke instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.
1. Met inachtneming van de leden 2 en 3, zien de Partijen af van wederzijdse vorderingen voor de vergoeding van kosten voor de uitvoering van dit protocol.
2. De kosten en de vergoedingen die worden betaald aan deskundigen, getuigen, tolken en vertalers, met uitzondering van ambtenaren, worden in voorkomend geval gedragen door de verzoekende Partij.
3. Indien de uitvoering van het verzoek buitengewone uitgaven met zich meebrengt, stellen de Partijen de voorwaarden vast waaronder het verzoek moet worden uitgevoerd, alsmede de wijze waarop deze kosten moeten worden gedragen.
1. Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van de Republiek Oezbekistan, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds. Zij stellen alle voor de toepassing van dit protocol noodzakelijke praktische maatregelen en regelingen vast, rekening houdend met de wederzijdse toepasselijke wet- en regelgeving, met name op het gebied van de gegevensbescherming.
2. De Partijen houden elkaar zo nodig geïnformeerd over de nadere uitvoeringsmaatregelen die elk van de Partijen overeenkomstig dit protocol vaststelt, met name ten aanzien van de bevoegde diensten en de als bevoegd voor het verzenden en ontvangen van de in dit protocol bedoelde mededelingen aangewezen ambtenaren.
3. In de Europese Unie doet dit protocol geen afbreuk aan de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen.
Dit protocol heeft voorrang op bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken die tussen afzonderlijke lidstaten en de Republiek Oezbekistan zijn of kunnen worden gesloten, voor zover deze overeenkomsten onverenigbaar zijn met dit protocol.
De Overeenkomst, met Bijlagen en Protocol, behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan de Overeenkomst kan worden gebonden.
De bepalingen van de Overeenkomst, met Bijlagen en Protocol, zullen ingevolge artikel 345, eerste en tweede lid, in werking treden op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop de Partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de noodzakelijke procedures voor bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de Overeenkomst, met Bijlagen en Protocol.
Uitgegeven de zevende juli 2026.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. BERENDSEN
De Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Oezbeekse tekst zijn niet opgenomen.
Verordening (EU) 2016/1953 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende de vaststelling van een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en tot intrekking van de aanbeveling van de Raad van 30 november 1994 (PB EU L 311 van 17.11.2016, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1953/oj).
Ter verduidelijking: „maatregelen van een Partij” omvatten ook maatregelen van in punt j), i), en ii), vermelde entiteiten die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd doordat zij direct of indirect instructies hebben gegeven aan, leiding hebben gegeven aan of zeggenschap hebben uitgeoefend over het gedrag van andere entiteiten met betrekking tot die maatregelen.
Ter verduidelijking: geen van de bepalingen van dit artikel verplicht een Partij een uitvoervergunning te verlenen of belet een Partij haar verplichtingen of verbintenissen uit hoofde van resoluties van de VN-Veiligheidsraad of multilaterale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole na te komen.
PB EU L 269 van 21.10.2003, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2003/744/oj.
Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB EU L 11 van 15.1.2002, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/95/oj).
Voor de toepassing van dit lid omvat „bescherming” alle aangelegenheden die van invloed zijn op het bestaan, de verwerving, de reikwijdte, de instandhouding en de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, alsmede de specifiek in dit hoofdstuk behandelde aangelegenheden die van invloed zijn op het gebruik van deze rechten. Voorts omvat „bescherming” voor de toepassing van dit lid ook maatregelen om de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen en maatregelen betreffende informatie over het beheer van rechten te vermijden.
Onder „vastlegging” wordt verstaan: de opname van geluid, of van de weergave daarvan, of de opname van bewegende beelden, al dan niet vergezeld van geluid of van de weergave van geluid, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of meegedeeld door middel van een toestel.
Met betrekking tot geneesmiddelen waarvoor kindergeneeskundige studies zijn verricht, en mits de resultaten van deze studies in de productinformatie worden weerspiegeld, kan de in lid 2 bedoelde beschermingsperiode mogelijk verder worden verlengd.
Ter verduidelijking: overeenkomstig artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het mededingingsrecht in de Europese Unie van toepassing op de landbouwsector overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB EU L 347 van 20.12.2013, blz. 671, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1308/oj).
Ter verduidelijking: Deze definitie doet geen afbreuk aan het resultaat van eventuele toekomstige besprekingen in de WTO over de definitie van subsidies voor diensten. Afhankelijk van de vooruitgang die wordt geboekt met die besprekingen op WTO-niveau, kunnen de Partijen de Overeenkomst op dit punt actualiseren.
Ter verduidelijking: de kennisgevingsvereisten volgens artikel 145, lid 2, punten a), en b), zijn van toepassing vanaf de toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO.
Aan deze norm wordt voldaan wanneer uit de feiten blijkt dat de toekenning van een subsidie, zonder dat deze rechtens van exportprestaties afhankelijk is, in feite gebonden is aan de bestaande of verwachte export of van exportinkomsten. Het feit alleen dat een subsidie aan ondernemingen wordt toegekend die exporteren is op zich niet voldoende om te concluderen dat deze subsidie een exportsubsidie in de zin van deze bepaling is.
Ter verduidelijking: activiteiten van een onderneming die actief is zonder winstoogmerk dan wel op basis van het principe van kostendekking zijn geen activiteiten met een winstoogmerk.
Ter verduidelijking: bij de vaststelling van zeggenschap wordt per geval rekening gehouden met alle relevante juridische en feitelijke elementen.
De Republiek Oezbekistan is geen partij bij de GPA [EU: op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst].
Ter verduidelijking: de onpartijdigheid waarvan de instantie bij haar regelgevende werkzaamheden blijk geeft, wordt beoordeeld aan de hand van een algemeen model of een algemene praktijk van die instantie.
Ter verduidelijking: voor de sectoren waarvoor de Partijen in andere hoofdstukken specifieke verplichtingen in verband met een dergelijke instantie zijn overeengekomen, gelden de desbetreffende bepalingen van die hoofdstukken.
Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor natuurlijke personen uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen uit hoofde van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen.
Ter verduidelijking: luchtdiensten of aanverwante diensten ter ondersteuning van luchtdiensten omvatten onder andere maar niet uitsluitend de volgende diensten: luchtvervoer; diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van luchtvaartuigen die niet in de eerste plaats bedoeld zijn voor het vervoer van goederen of passagiers, zoals brandbestrijding vanuit de lucht, vliegtraining, waarneming, besproeiing, landmeting, kartering, fotografie, parachutesprongen, slepen van zweefvliegtuigen, helikopterlift voor houtkap en bouw, en andere landbouw-, industrie- en inspectiediensten in de lucht; verhuur van vliegtuigen met bemanning en exploitatie van luchthavens.
Onverminderd de reikwijdte van activiteiten die volgens de desbetreffende nationale wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale cabotage in het zeevervoer in de zin van dit hoofdstuk voor de Europese Unie betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in een lidstaat van de Europese Unie en een andere haven of locatie in dezelfde lidstaat van de Europese Unie, met inbegrip van zijn continentale plat zoals gedefinieerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, en verkeer dat vertrekt uit en aankomt in dezelfde haven of locatie in een lidstaat van de Europese Unie.
Ter verduidelijking: de in deze alinea genoemde scheepvaartmaatschappijen worden alleen beschouwd als rechtspersonen uit een Partij voor wat betreft hun activiteiten in verband met het verlenen van zeevervoerdiensten.
Overeenkomstig haar aanmelding van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij de WTO (doc. WT/REG39/1) is volgens de Europese Unie het begrip „daadwerkelijke en voortdurende band” met de economie van een lidstaat van de Europese Unie, dat is neergelegd in artikel 54 VWEU, gelijkwaardig aan het begrip „daadwerkelijke zakelijke transacties”.
Ter verduidelijking: de term „maatregel van een Partij” omvat ook maatregelen van in punt l), i), en ii), vermelde entiteiten die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd doordat zij direct of indirect instructies hebben gegeven aan, leiding hebben gegeven aan of zeggenschap hebben uitgeoefend over het gedrag van andere entiteiten met betrekking tot die maatregelen.
Voor de Europese Unie omvat de term „natuurlijke persoon uit een Partij” ook personen die permanent in de Republiek Letland verblijven en die geen staatsburger van de Republiek Letland van enige andere staat zijn, maar uit hoofde van het recht van de Republiek Letland wel recht hebben op een paspoort voor niet-staatsburgers.
Ter verduidelijking: de loutere omzetting in het nationale recht van materiële bepalingen in andere internationale overeenkomsten die door een Partij met een derde land zijn gesloten, voor zover dat nodig is om deze in de interne rechtsorde op te nemen, vormt op zich geen maatregel.
Voor de Europese Unie mag de duur van het bonafide contract niet langer zijn dan twaalf maanden.
Het in punt b) bedoelde dienstencontract voldoet aan de eisen van het recht van de Partij waar het contract wordt uitgevoerd.
Wanneer de graad of kwalificatie niet is verkregen in de Partij waar de dienst wordt verleend, kan die Partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad.
Ter verduidelijking: van leidinggevenden en specialisten kan worden verlangd dat zij aantonen over de beroepskwalificaties en -ervaring te beschikken die nodig zijn in de rechtspersoon waarnaar zij worden overgeplaatst.
Ter verduidelijking: weliswaar verrichten leidinggevenden of kaderleden niet rechtstreeks taken die verband houden met de eigenlijke verlening van de diensten, maar dit neemt niet weg dat zij bij de uitoefening van hun functie zoals hierboven beschreven de taken kunnen verrichten die nodig kunnen zijn voor het verlenen van de diensten.
Ter verduidelijking: indien een Partij een voorbehoud heeft gemaakt in bijlage 12-D of bijlage 12-A, vormt het voorbehoud ook een voorbehoud ten aanzien van dit artikel voor zover de in het voorbehoud vastgestelde of toegestane maatregel van invloed is op de behandeling van een natuurlijke persoon die voor zakelijke doeleinden het grondgebied van de andere Partij binnenkomt en er tijdelijk verblijft.
Ter verduidelijking: indien een Partij een voorbehoud heeft gemaakt in bijlage 12-A of bijlage 12-B, vormt dit voorbehoud ook een voorbehoud ten aanzien van dit artikel voor zover de in het voorbehoud aangegeven of toegestane maatregel van invloed is op de behandeling van een natuurlijke persoon voor zakelijke doeleinden die het grondgebied van de andere Partij binnenkomt en daar tijdelijk verblijft.
Vergoedingen voor vergunningen omvatten geen veiling- of aanbestedingskosten of kosten van andere niet-discriminatoire middelen om concessies te verlenen, of verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.
Om meer zekerheid te bieden is dit artikel niet van toepassing op algemeen toepasselijke belastingmaatregelen of administratieve vergoedingen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „niet-discriminerend” verstaan: meestbegunstigings- en nationale behandeling als omschreven in artikel 194, alsmede onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke in soortgelijke situaties worden toegekend aan andere gebruikers van soortgelijke openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „vrij converteerbare valuta” verstaan: een valuta die vrij kan worden ingewisseld tegen valuta’s die op grote schaal op internationale deviezenmarkten worden verhandeld en bij internationale transacties worden gebruikt. Ter verduidelijking: valuta’s die op grote schaal op internationale deviezenmarkten worden verhandeld en bij internationale transacties worden gebruikt, omvatten onder meer vrij bruikbare valuta’s zoals aangewezen door het Internationaal Monetair Fonds in overeenstemming met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds.
In het geval van de Europese Unie kunnen dergelijke maatregelen worden genomen door een van de lidstaten in andere situaties dan de situaties als bedoeld in artikel 236, indien zij van invloed zijn op de economie van die lidstaat. Ter verduidelijking: ernstige moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, of de dreiging daarvan, kunnen onder meer worden veroorzaakt door ernstige moeilijkheden in verband met het monetaire of het wisselkoersbeleid of de dreiging daarvan.
De uitzonderingen betreffende de openbare veiligheid en de openbare orde mogen alleen worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een van de fundamentele maatschappelijke belangen.
Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB EU L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj).
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB EU L 362 van 31.12.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2012/1268/oj).
Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB EU L 248 van 18.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/oj), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2016/2030 van 26 oktober 2016 PB EU L 317 van 23.11.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2030/oj).
Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB EU L 292 van 15.11.1996, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2185/oj).
Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB EG L 312 van 23.12.1995, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1995/2988/oj).
Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB EU L 269 van 10.10.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/952/oj).
Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB EU L 154 van 21.6.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1059/oj).
Met uitzondering van diensten die entiteiten bij een andere entiteit moeten betrekken op grond van een uitsluitend recht dat is ingesteld bij bekendgemaakte wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.
Voor de toepassing van bijlage 12-A worden verbintenissen inzake economische activiteiten aangegeven op basis van de International Standard Industrial Classification of all economic activities (ISIC), Series M, nr. 4, Rev. 3.1.
Buitenlandse natuurlijke personen die volgens de wetgeving van de Republiek Oezbekistan geen „advocaten” zijn, kunnen juridische bijstand verlenen.
Juridisch adviseurs geven advies over de wetgeving van een ander land en het internationaal recht (met uitzondering van alle fasen van precontentieuze en gerechtelijke procedures).
De Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Oezbeekse tekst zijn niet opgenomen.
Verordening (EU) 2016/1953 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende de vaststelling van een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en tot intrekking van de aanbeveling van de Raad van 30 november 1994 (PB EU L 311 van 17.11.2016, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1953/oj).
Ter verduidelijking: „maatregelen van een Partij” omvatten ook maatregelen van in punt j), i), en ii), vermelde entiteiten die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd doordat zij direct of indirect instructies hebben gegeven aan, leiding hebben gegeven aan of zeggenschap hebben uitgeoefend over het gedrag van andere entiteiten met betrekking tot die maatregelen.
Ter verduidelijking: geen van de bepalingen van dit artikel verplicht een Partij een uitvoervergunning te verlenen of belet een Partij haar verplichtingen of verbintenissen uit hoofde van resoluties van de VN-Veiligheidsraad of multilaterale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole na te komen.
PB EU L 269 van 21.10.2003, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2003/744/oj.
Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB EU L 11 van 15.1.2002, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/95/oj).
Voor de toepassing van dit lid omvat „bescherming” alle aangelegenheden die van invloed zijn op het bestaan, de verwerving, de reikwijdte, de instandhouding en de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, alsmede de specifiek in dit hoofdstuk behandelde aangelegenheden die van invloed zijn op het gebruik van deze rechten. Voorts omvat „bescherming” voor de toepassing van dit lid ook maatregelen om de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen en maatregelen betreffende informatie over het beheer van rechten te vermijden.
Onder „vastlegging” wordt verstaan: de opname van geluid, of van de weergave daarvan, of de opname van bewegende beelden, al dan niet vergezeld van geluid of van de weergave van geluid, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of meegedeeld door middel van een toestel.
Met betrekking tot geneesmiddelen waarvoor kindergeneeskundige studies zijn verricht, en mits de resultaten van deze studies in de productinformatie worden weerspiegeld, kan de in lid 2 bedoelde beschermingsperiode mogelijk verder worden verlengd.
Ter verduidelijking: overeenkomstig artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het mededingingsrecht in de Europese Unie van toepassing op de landbouwsector overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB EU L 347 van 20.12.2013, blz. 671, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1308/oj).
Ter verduidelijking: Deze definitie doet geen afbreuk aan het resultaat van eventuele toekomstige besprekingen in de WTO over de definitie van subsidies voor diensten. Afhankelijk van de vooruitgang die wordt geboekt met die besprekingen op WTO-niveau, kunnen de Partijen de Overeenkomst op dit punt actualiseren.
Ter verduidelijking: de kennisgevingsvereisten volgens artikel 145, lid 2, punten a), en b), zijn van toepassing vanaf de toetreding van de Republiek Oezbekistan tot de WTO.
Aan deze norm wordt voldaan wanneer uit de feiten blijkt dat de toekenning van een subsidie, zonder dat deze rechtens van exportprestaties afhankelijk is, in feite gebonden is aan de bestaande of verwachte export of van exportinkomsten. Het feit alleen dat een subsidie aan ondernemingen wordt toegekend die exporteren is op zich niet voldoende om te concluderen dat deze subsidie een exportsubsidie in de zin van deze bepaling is.
Ter verduidelijking: activiteiten van een onderneming die actief is zonder winstoogmerk dan wel op basis van het principe van kostendekking zijn geen activiteiten met een winstoogmerk.
Ter verduidelijking: bij de vaststelling van zeggenschap wordt per geval rekening gehouden met alle relevante juridische en feitelijke elementen.
De Republiek Oezbekistan is geen partij bij de GPA [EU: op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst].
Ter verduidelijking: de onpartijdigheid waarvan de instantie bij haar regelgevende werkzaamheden blijk geeft, wordt beoordeeld aan de hand van een algemeen model of een algemene praktijk van die instantie.
Ter verduidelijking: voor de sectoren waarvoor de Partijen in andere hoofdstukken specifieke verplichtingen in verband met een dergelijke instantie zijn overeengekomen, gelden de desbetreffende bepalingen van die hoofdstukken.
Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor natuurlijke personen uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen uit hoofde van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen.
Ter verduidelijking: luchtdiensten of aanverwante diensten ter ondersteuning van luchtdiensten omvatten onder andere maar niet uitsluitend de volgende diensten: luchtvervoer; diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van luchtvaartuigen die niet in de eerste plaats bedoeld zijn voor het vervoer van goederen of passagiers, zoals brandbestrijding vanuit de lucht, vliegtraining, waarneming, besproeiing, landmeting, kartering, fotografie, parachutesprongen, slepen van zweefvliegtuigen, helikopterlift voor houtkap en bouw, en andere landbouw-, industrie- en inspectiediensten in de lucht; verhuur van vliegtuigen met bemanning en exploitatie van luchthavens.
Onverminderd de reikwijdte van activiteiten die volgens de desbetreffende nationale wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale cabotage in het zeevervoer in de zin van dit hoofdstuk voor de Europese Unie betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in een lidstaat van de Europese Unie en een andere haven of locatie in dezelfde lidstaat van de Europese Unie, met inbegrip van zijn continentale plat zoals gedefinieerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, en verkeer dat vertrekt uit en aankomt in dezelfde haven of locatie in een lidstaat van de Europese Unie.
Ter verduidelijking: de in deze alinea genoemde scheepvaartmaatschappijen worden alleen beschouwd als rechtspersonen uit een Partij voor wat betreft hun activiteiten in verband met het verlenen van zeevervoerdiensten.
Overeenkomstig haar aanmelding van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij de WTO (doc. WT/REG39/1) is volgens de Europese Unie het begrip „daadwerkelijke en voortdurende band” met de economie van een lidstaat van de Europese Unie, dat is neergelegd in artikel 54 VWEU, gelijkwaardig aan het begrip „daadwerkelijke zakelijke transacties”.
Ter verduidelijking: de term „maatregel van een Partij” omvat ook maatregelen van in punt l), i), en ii), vermelde entiteiten die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd doordat zij direct of indirect instructies hebben gegeven aan, leiding hebben gegeven aan of zeggenschap hebben uitgeoefend over het gedrag van andere entiteiten met betrekking tot die maatregelen.
Voor de Europese Unie omvat de term „natuurlijke persoon uit een Partij” ook personen die permanent in de Republiek Letland verblijven en die geen staatsburger van de Republiek Letland van enige andere staat zijn, maar uit hoofde van het recht van de Republiek Letland wel recht hebben op een paspoort voor niet-staatsburgers.
Ter verduidelijking: de loutere omzetting in het nationale recht van materiële bepalingen in andere internationale overeenkomsten die door een Partij met een derde land zijn gesloten, voor zover dat nodig is om deze in de interne rechtsorde op te nemen, vormt op zich geen maatregel.
Voor de Europese Unie mag de duur van het bonafide contract niet langer zijn dan twaalf maanden.
Het in punt b) bedoelde dienstencontract voldoet aan de eisen van het recht van de Partij waar het contract wordt uitgevoerd.
Wanneer de graad of kwalificatie niet is verkregen in de Partij waar de dienst wordt verleend, kan die Partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad.
Ter verduidelijking: van leidinggevenden en specialisten kan worden verlangd dat zij aantonen over de beroepskwalificaties en -ervaring te beschikken die nodig zijn in de rechtspersoon waarnaar zij worden overgeplaatst.
Ter verduidelijking: weliswaar verrichten leidinggevenden of kaderleden niet rechtstreeks taken die verband houden met de eigenlijke verlening van de diensten, maar dit neemt niet weg dat zij bij de uitoefening van hun functie zoals hierboven beschreven de taken kunnen verrichten die nodig kunnen zijn voor het verlenen van de diensten.
Ter verduidelijking: indien een Partij een voorbehoud heeft gemaakt in bijlage 12-D of bijlage 12-A, vormt het voorbehoud ook een voorbehoud ten aanzien van dit artikel voor zover de in het voorbehoud vastgestelde of toegestane maatregel van invloed is op de behandeling van een natuurlijke persoon die voor zakelijke doeleinden het grondgebied van de andere Partij binnenkomt en er tijdelijk verblijft.
Ter verduidelijking: indien een Partij een voorbehoud heeft gemaakt in bijlage 12-A of bijlage 12-B, vormt dit voorbehoud ook een voorbehoud ten aanzien van dit artikel voor zover de in het voorbehoud aangegeven of toegestane maatregel van invloed is op de behandeling van een natuurlijke persoon voor zakelijke doeleinden die het grondgebied van de andere Partij binnenkomt en daar tijdelijk verblijft.
Vergoedingen voor vergunningen omvatten geen veiling- of aanbestedingskosten of kosten van andere niet-discriminatoire middelen om concessies te verlenen, of verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.
Om meer zekerheid te bieden is dit artikel niet van toepassing op algemeen toepasselijke belastingmaatregelen of administratieve vergoedingen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „niet-discriminerend” verstaan: meestbegunstigings- en nationale behandeling als omschreven in artikel 194, alsmede onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke in soortgelijke situaties worden toegekend aan andere gebruikers van soortgelijke openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „vrij converteerbare valuta” verstaan: een valuta die vrij kan worden ingewisseld tegen valuta’s die op grote schaal op internationale deviezenmarkten worden verhandeld en bij internationale transacties worden gebruikt. Ter verduidelijking: valuta’s die op grote schaal op internationale deviezenmarkten worden verhandeld en bij internationale transacties worden gebruikt, omvatten onder meer vrij bruikbare valuta’s zoals aangewezen door het Internationaal Monetair Fonds in overeenstemming met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds.
In het geval van de Europese Unie kunnen dergelijke maatregelen worden genomen door een van de lidstaten in andere situaties dan de situaties als bedoeld in artikel 236, indien zij van invloed zijn op de economie van die lidstaat. Ter verduidelijking: ernstige moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, of de dreiging daarvan, kunnen onder meer worden veroorzaakt door ernstige moeilijkheden in verband met het monetaire of het wisselkoersbeleid of de dreiging daarvan.
De uitzonderingen betreffende de openbare veiligheid en de openbare orde mogen alleen worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een van de fundamentele maatschappelijke belangen.
Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB EU L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj).
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB EU L 362 van 31.12.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2012/1268/oj).
Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB EU L 248 van 18.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/oj), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2016/2030 van 26 oktober 2016 PB EU L 317 van 23.11.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2030/oj).
Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB EU L 292 van 15.11.1996, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2185/oj).
Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB EG L 312 van 23.12.1995, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1995/2988/oj).
Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB EU L 269 van 10.10.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/952/oj).
Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB EU L 154 van 21.6.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1059/oj).
Met uitzondering van diensten die entiteiten bij een andere entiteit moeten betrekken op grond van een uitsluitend recht dat is ingesteld bij bekendgemaakte wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.
Voor de toepassing van bijlage 12-A worden verbintenissen inzake economische activiteiten aangegeven op basis van de International Standard Industrial Classification of all economic activities (ISIC), Series M, nr. 4, Rev. 3.1.
Buitenlandse natuurlijke personen die volgens de wetgeving van de Republiek Oezbekistan geen „advocaten” zijn, kunnen juridische bijstand verlenen.
Juridisch adviseurs geven advies over de wetgeving van een ander land en het internationaal recht (met uitzondering van alle fasen van precontentieuze en gerechtelijke procedures).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/trb-2026-73.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.