11 (2026) Nr. 1

A. TITEL

Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van de sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden;

Brussel, 9 maart 2026

Voor een overzicht van de verdragsgegevens, zie verdragsnummer 013874 in de Verdragenbank.

B. TEKST


Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden

Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door:

  • De Federale Regering,

  • De Vlaamse Regering,

  • De Regering van de Franse Gemeenschap,

  • De Waalse Regering,

  • De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

  • De Regering van de Duitstalige Gemeenschap,

Het Groothertogdom Luxemburg,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

hierna te noemen: „de Verdragsluitende Partijen”,

Geleid door de wens de nauwe grensoverschrijdende samenwerking tussen de drie landen van de Benelux Unie inzake de bestrijding van grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te verbeteren en te versterken,

Vanuit het perspectief van het garanderen van het vrije verkeer en de rechten van sociaal verzekerden,

Verlangend onjuistheden en misbruik te vermijden en grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te bestrijden,

Overwegende dat sociale fraude in haar vele facetten zoals sociale dumping, schijnconstructies, detacheringsfraude, premie- en uitkeringsfraude, frauduleuze uitzendkantoren, illegale arbeid en zwartwerk dan wel bedrieglijk gemeld werk, een groeiend maatschappelijk probleem vormt en steeds vaker een georganiseerd karakter vertoont,

Overwegende dat moet worden gezorgd voor een efficiënte bescherming van de werkgelegenheid, de veiligheid, de gezondheid en de hygiëne op het werk, alsmede voor fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, met name voor werkenden die zich in een kwetsbare situatie bevinden,

Overwegende dat de controle- en inspectiediensten worden geconfronteerd met juridische, administratieve, praktische en territoriale beperkingen,

Gelet op artikel 6, lid 2, onder f), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, ondertekend te ’s-Gravenhage op 17 juni 2008,

Gezien het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid, ondertekend te Brussel op 6 december 2010, en de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg betreffende de samenwerking en de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid, ondertekend te Brussel op 5 februari 2015,

Gezien het IAO-Verdrag nr. 81 van 1947 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en handel en Aanbeveling nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie,

Overwegende het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 15 met betrekking tot de vrijheid van beroep en het recht om te werken op het grondgebied van de lidstaten, artikel 31 met betrekking tot rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en artikel 34 met betrekking tot de sociale zekerheid en sociale bijstand, alsmede hoofdstuk II en III van de Europese Pijler van sociale rechten,

Rekening houdend met de samenwerking en de uitwisseling van informatie overeenkomstig de verscheidene Europese bepalingen die op dit gebied van toepassing zijn, waaronder:

  • Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,

  • Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,

  • Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van verordening (EG) nr. 883/2004 en verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen,

  • Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),

  • Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van besluit (EU) 2016/344,

  • Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten,

  • Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”),

  • Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad,

  • Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie,

  • Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot richtlijn 96/71/EG en richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en verordening (EU) nr. 1024/2012,

  • Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving,

  • Kaderovereenkomst inzake de toepassing van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 in geval van gewoonlijk grensoverschrijdend telewerk,

Overwegende het geheel aan besluiten, beschikkingen, aanbevelingen, verklaringen, resoluties en verschillende administratieve schikkingen, gemeenschappelijke werkprogramma’s en andere instrumenten voor fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, alsmede ter bestrijding van sociale fraude, die zowel binnen de Benelux als binnen de Europese Unie zijn aangenomen,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN EN PRINCIPES MET BETREKKING TOT DE VERSTERKTE SAMENWERKING

Artikel 1. Doel

Doel van dit Verdrag is multidisciplinaire samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te verbeteren en te versterken teneinde:

  • De strijd aan te gaan tegen sociale fraude, tegen oneerlijke concurrentie en tegen sociale dumping, dit door middel van een betere samenwerking tussen alle bevoegde controle- en inspectiediensten enerzijds en een betere uitwisseling van gegevens anderzijds;

  • Erop toe te zien dat de in dit Verdrag bedoelde personen de prestaties en uitkeringen genieten waar zij recht op hebben;

  • Erop toe te zien dat de veiligheid, de gezondheid en de hygiëne op het werk worden gerespecteerd;

  • Erop toe te zien dat fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, alsmede het recht om te werken van werknemers worden gerespecteerd;

  • Er op toe te zien dat de juiste sociale bijdragen worden afgedragen in de bevoegde lidstaat.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen
  • 1. Onverminderd de overeenkomstige definities welke gelden voor de toepassing van rechtshandelingen van de Europese Unie, wordt voor de toepassing van dit Verdrag onder „bevoegde autoriteit” en „bevoegd orgaan” verstaan:

    a. „Bevoegde autoriteit”:

    de minister of ministers of de autoriteit, in functie van de interne bevoegdheidsverdeling binnen een Verdragsluitende Partij, die belast is met de toepassing van de regelgeving inzake sociale zekerheid, arbeidsrecht, arbeidsomstandigheden en -voorwaarden en veiligheid en gezondheid op het werk;

    b. „Bevoegd orgaan”:

    elk bevoegd orgaan dat een Verdragsluitende Partij als dusdanig aanwijst overeenkomstig artikel 24.

  • 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt voorts verstaan onder:

    a. „Benelux-overleg”:

    het overleg tussen de Verdragsluitende Partijen in het kader van de Benelux Unie aangaande sociale reglementering, aangaande de strijd tegen de fraude en aangaande de bescherming van de gezondheid en van de veiligheid op het werk, dat concrete invulling krijgt in ambtelijke werkgroepen als bedoeld in artikel 12, onder b), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie;

    b. „Basisverordening”:

    Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

    c. „Toepassingsverordening”:

    Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

    d. „Detacheringsrichtlijn”:

    Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten;

    e. „Detacheringsrichtlijn wegvervoersector”:

    Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot richtlijn 96/71/EG en richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en verordening (EU) nr. 1024/2012;

    f. „EU-instrumenten”:

    de EU-instrumenten bedoeld onder b) tot en met e), alsmede de volgende instrumenten:

    • Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad,

    • Verordening 1231/2010 (EU) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van verordening (EG) nr. 883/2004 en verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen,

    • Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),

    • Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van besluit (EU) 2016/344,

    • Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”);

    • Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad;

    • Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie,

    • Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving,

    • Kaderovereenkomst inzake de toepassing van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 in geval van gewoonlijk grensoverschrijdend telewerk,

    • Elke andere in het kader van de Europese Unie vastgestelde rechtshandeling die bovenbedoelde EU-instrumenten aanvult, die er uitvoering aan geeft of die er anderszins mee verbonden is, en die door het Benelux Comité van Ministers overeenkomstig artikel 19 wordt aangewezen als zijnde een EU-instrument in de zin van onderhavige bepaling;

    g. „Grensoverschrijdende tewerkstelling”:

    elke vorm van tewerkstelling zoals bedoeld in de onder b) tot en met f) opgesomde EU-instrumenten;

    h. „Detachering”:
    • De detachering zoals bedoeld in artikel 12 van de Basisverordening,

    • De terbeschikkingstelling van werknemers zoals bedoeld in artikel 2 van de Detacheringsrichtlijn,

    • De detachering van bestuurders zoals bedoeld in de Detacheringsrichtlijn wegvervoersector;

    i. „Pluriactiviteit”:

    het verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten in de zin van artikel 13 van de Basisverordening;

    j. „Draagbaar A1-document”:

    een overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de Toepassingsverordening ter beschikking gesteld document ter staving van de toepassing van de op grond van een bepaling van titel II van de Basisverordening van toepassing zijnde wetgeving;

    k. „Gaststaat”:

    de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied een gezamenlijke controle of een gezamenlijke inspectie plaatsvindt;

    l. „Zendstaat”:

    de Verdragsluitende Partij waarvan functionarissen afkomstig zijn;

    m. „Functionaris”:

    de bevoegde persoon die een Verdragsluitende Partij als dusdanig aanwijst overeenkomstig artikel 24;

    n. „Verzoekende Verdragsluitende Partij”:

    de Verdragsluitende Partij die verzoekt om een onderling afgestemde controle of inspectie of om een gezamenlijke controle of inspectie, of die een verzoek om informatie indient;

    o. „Aangezochte Verdragsluitende Partij”:

    de Verdragsluitende Partij aan wie het verzoek van de verzoekende Verdragsluitende Partij is gericht;

    p. „Onderling afgestemde controle of inspectie”:

    controle of inspectie die gelijktijdig in twee of meer Verdragsluitende Partijen wordt verricht waarbij elke nationale autoriteit op haar eigen grondgebied optreedt;

    q. „Gezamenlijke controle of inspectie”:

    controle of inspectie die in een Verdragsluitende Partij met deelneming van functionarissen van een of meer andere Verdragsluitende Partijen wordt verricht.

Artikel 3. Verhouding tot andere regelingen

Voor zover in dit Verdrag niet uitdrukkelijk anders is bepaald, geschiedt de samenwerking op grond van dit Verdrag in het kader van het respectievelijke recht en de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 4. Reikwijdte van de samenwerking

De samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen op grond van dit Verdrag heeft betrekking op alle aangelegenheden die verband houden met de verschillende EU-instrumenten als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b) tot en met f), alsmede op alle natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht of zij gevestigd zijn in één van de Verdragsluitende Partijen of in een andere Staat, die werkzaam zijn in het kader van een grensoverschrijdende tewerkstelling, of die vallen onder de personele werkingssfeer van de Basisverordening.

Artikel 5. Territoriale werkingssfeer
  • 1. Dit Verdrag is van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk België en van het Groothertogdom Luxemburg.

  • 2. Wat het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag enkel van toepassing op het Europese deel van Nederland.

Artikel 6. Principes met betrekking tot de versterkte samenwerking

De Verdragsluitende Partijen ondersteunen de grensoverschrijdende samenwerking in het kader van dit Verdrag onder meer:

  • a. Door het bevorderen van wederzijdse kennis met betrekking tot hun nationale sociale wet- en regelgeving;

  • b. Door multidisciplinair Benelux-overleg inzake detachering en pluriactiviteit en over de bestrijding van sociale fraude en sociale dumping, door middel van nauwe samenwerking om bepaalde vormen en bepaalde specifieke aspecten van de fraude te verduidelijken en te analyseren;

  • c. Door Benelux-overleg gericht op de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen;

  • d. Door Benelux-overleg op het gebied van opleidingen;

  • e. Door onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties tussen de controle- en inspectiediensten van de Verdragsluitende Partijen op te zetten volgens de bepalingen van dit Verdrag;

  • f. Door de uitwisseling van middelen en materieel in het kader van een onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie;

  • g. Door het uitwisselen van informatie.

HOOFDSTUK II. ONDERLING AFGESTEMDE OF GEZAMENLIJKE CONTROLES OF INSPECTIES

Artikel 7. Verzoek tot onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties
  • 1. De bevoegde autoriteiten of organen van de Verdragsluitende Partijen kunnen, afhankelijk van hun operationele behoeften en middelen, onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties organiseren.

  • 2. Onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties zijn slechts mogelijk op verzoek van één of meer verzoekende Verdragsluitende Partijen en met de uitdrukkelijke toestemming van de aangezochte Verdragsluitende Partij of Partijen.

  • 3. Het verzoek moet schriftelijk, met inbegrip van de elektronische weg, door de bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de verzoekende Verdragsluitende Partij of Partijen gericht worden aan de bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de aangezochte Verdragsluitende Partij of Partijen.

    Dienaangaande kunnen bijkomende afspraken worden gemaakt of bijkomende bepalingen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 17, 18 of 19, met name wat betreft de voor het verzoek te gebruiken adressen of kanalen.

  • 4. De bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de aangezochte Verdragsluitende Partij of Partijen spant zich in om zo spoedig mogelijk doch zo mogelijk binnen maximum 14 kalenderdagen te beslissen over het verzoek, daarbij rekening houdend met de eventuele urgentie van het verzoek, en stelt de bevoegde autoriteit of het bevoegd orgaan van de verzoekende Verdragsluitende Partij of Partijen schriftelijk, met inbegrip van de elektronische weg, van zijn beslissing in kennis.

    Ingeval het niet mogelijk is om aan het verzoek gevolg te geven, stelt de betrokken aangezochte Verdragsluitende Partij de andere betrokken Verdragsluitende Partij of Partijen in kennis van de redenen daarvoor en eventueel van de maatregelen die zij beoogt te nemen, alsmede van de resultaten van deze maatregelen, zodra deze bekend zijn.

  • 5. Overeenkomstig de geest van dit Verdrag trachten de Verdragsluitende Partijen regelmatig aan onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties deel te nemen.

Artikel 8. Toepasselijke praktische regelingen
  • 1. Het in artikel 7, lid 3, bedoelde verzoek omvat onder meer de volgende informatie:

    • a. Identificatie van de bevoegde autoriteiten of organen die aan de gevraagde onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie zouden moeten deelnemen;

    • b. Bepaling van de reikwijdte van de gevraagde onderling afgestemde en gezamenlijke controle of inspectie overeenkomstig artikel 1;

    • c. Een bondige beschrijving van het geval of reeks gevallen waarop het verzoek betrekking heeft;

    • d. Indien van toepassing, de eventuele urgentie van het verzoek en de redenen voor die urgentie.

    In functie van de opgedane ervaring of van de behoeften op het terrein, kan het Benelux Comité van Ministers, overeenkomstig artikel 19, de minimaal in het verzoek op te nemen informatie wijzigen of aanvullen, of een model vaststellen voor een voor het verzoek te gebruiken formulier.

  • 2. Zodra de onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie afgesproken is, vullen de deelnemende bevoegde autoriteiten of organen in onderlinge overeenstemming een document in waarvan het model overeenkomstig artikel 19 wordt vastgesteld door het Benelux Comité van Ministers.

  • 3. De deelnemende bevoegde autoriteiten of organen wijzen elk een functionaris aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de afgesproken onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie. De informatie wordt uitgewisseld door tussenkomst van deze voor de coördinatie verantwoordelijke functionarissen, zowel tijdens de voorbereidings- en afrondingsfase van de onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties, als tijdens de hele loop van het geval of reeks gevallen.

  • 4. De onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties worden uitgevoerd met inachtneming van het recht en de praktijk van de Verdragsluitende Partij of Partijen waarin zij plaatsvinden.

  • 5. De functionarissen van een zendstaat nemen enkel als waarnemer deel aan een gezamenlijke controle of inspectie in de gaststaat. In die hoedanigheid mogen de functionarissen van een zendstaat actief samenwerken met de functionarissen van de gaststaat, zonder evenwel gerechtigd te zijn eigenhandig controle- of inspectiedaden in de gaststaat te verrichten.

  • 6. De functionarissen van een zendstaat die deelnemen aan een gezamenlijke controle of inspectie in de gaststaat moeten steeds hun officiële functie kunnen aantonen door middel van hun legitimatiebewijs. Daartoe stellen de Verdragsluitende Partijen elkaar in kennis van de legitimatiebewijzen waarover hun functionarissen op hun eigen grondgebied moeten beschikken. Voor de toepassing van onderhavige bepaling, erkennen de Verdragsluitende Partijen elkaars aldus meegedeelde legitimatiebewijzen zonder verdere formaliteiten.

  • 7. Vanaf de aanvang van een gezamenlijke controle of inspectie worden de rechtsonderhorigen door de functionarissen van de gaststaat geïnformeerd over de deelname van functionarissen van de zendstaat of zendstaten, over hun officiële functie als bedoeld in lid 6, alsmede over de mogelijkheid om de verzamelde informatie overeenkomstig lid 10 te gebruiken.

  • 8. In geval van een afgestemde controle of inspectie, worden de rechtsonderhorigen in elke deelnemende Verdragsluitende Partij, vanaf de aanvang van de controle of de inspectie, geïnformeerd over alle bevoegde autoriteiten of organen die eraan deelnemen, alsmede over de mogelijkheid om de verzamelde informatie overeenkomstig lid 10 te gebruiken.

  • 9. Tijdens een gezamenlijke controle of inspectie biedt de gaststaat aan de functionarissen van de zendstaat of zendstaten dezelfde bescherming en bijstand als aan zijn eigen functionarissen, met name ten aanzien van tegen hun begane strafbare feiten.

  • 10. De informatie die in een Verdragsluitende Partij is verzameld tijdens een afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie en die op grond van dit Verdrag wordt uitgewisseld met de bevoegde autoriteiten of organen van een andere Verdragsluitende Partij of Partijen die aan deze controle of inspectie hebben deelgenomen, mag worden gebruikt in het kader van procedures in die andere Verdragsluitende Partij of Partijen, overeenkomstig het recht of de praktijk van die andere Verdragsluitende Partij of Partijen, in voorkomend geval met inachtneming van de bijzondere vereisten welke er gelden wanneer dergelijke informatie als bewijs in gerechtelijke procedures wordt gebruikt.

  • 11. Na elke onderling afgestemde of gezamenlijke controle of inspectie worden schriftelijke rapporten uitgewisseld tussen de voor de coördinatie van de deelnemende bevoegde autoriteiten of organen verantwoordelijke functionarissen, die deze doorsturen naar wie daar recht op heeft of hebben. Het modelrapport wordt overeenkomstig artikel 19 vastgesteld door het Benelux Comité van Ministers.

HOOFDSTUK III. SPECIFIEKE BEPALINGEN INZAKE SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DETACHERING EN PLURIACTIVITEIT

Artikel 9. Samenwerking betreffende de toepasselijke socialezekerheidswetgeving
  • 1. Ten behoeve van de verificatie van de naleving van alle voorwaarden welke op het gebied van de socialezekerheidswetgeving gelden ten aanzien van detachering in de zin van artikel 12 van de Basisverordening of welke gelden in geval van pluriactiviteit, met inbegrip van alle elementen die de juridische aard van de arbeidsrelatie bepalen, bezorgt het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij dat een draagbaar A1-document heeft afgegeven aan het bevoegd orgaan van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied een werkende is gedetacheerd of al dan niet in loondienst werkzaamheden verricht, op verzoek van laatstgenoemd bevoegd orgaan, een afschrift van het aanvraagformulier voor het draagbaar A1-document, de informatie die het heeft ingezameld bij de behandeling van deze aanvraag overeenkomstig de bepalingen en de bijlage van aanbeveling A1 van de Administratieve Commissie en alle beschikbare aanvullende informatie die nodig is om de rechtmatigheid van de detachering te verifiëren. Waar het gaat om de verificatie van de pluriactiviteitsvoorwaarden, verstrekt dit orgaan onder meer alle beschikbare informatie die verband houdt met de reële vestigingsplaats van de werkgever of het centrum van belangen van de activiteiten van de persoon die werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, met het aandeel van de activiteit van de persoon die werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst verricht op het grondgebied van zijn woonland, alsmede met zijn tewerkstelling door andere werkgevers.

  • 2. Het bevoegd orgaan dat het draagbaar A1-document heeft afgegeven, verstrekt zo snel mogelijk de beschikbare informatie waar overeenkomstig lid 1 om is verzocht, met inachtneming van de voorschriften, inclusief eventuele termijnen, die in de toepasselijke EU-instrumenten zijn vastgelegd. De Verdragsluitende Partijen kunnen ook andere termijnen overeenkomen bij administratieve schikking of bij beschikking van het Benelux Comité van Ministers als bedoeld in artikel 19, binnen de grenzen van de geldende voorschriften.

  • 3. In geval van een geschil over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, geven de Verdragsluitende Partijen volledige uitwerking aan besluit nr. A1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad.

    De in besluit nr. A1 vastgelegde procedure doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van de functionarissen van het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij om aan het bevoegd orgaan van de andere Verdragsluitende Partij vragen te stellen over elementen die verband houden met de gegrondheid van het besluit tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving in het geval van een detachering of van pluriactiviteit.

  • 4. Wanneer een door het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij afgegeven draagbaar A1-document wordt ingetrokken of ongeldig verklaard omdat de socialezekerheidswetgeving van een andere Verdragsluitende Partij van toepassing is, wisselen de betrokken Verdragsluitende Partijen alle beschikbare informatie uit die nuttig is met het oog op de aansluiting van de betrokken werkende of werkenden bij de toepasselijke socialezekerheidswetgeving, met het oog op de overdracht van de desbetreffende socialezekerheidsbijdragen en, in voorkomend geval, met het oog op terugvordering als bedoeld in artikel 14.

    Nadere regels voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 17 of artikel 19.

Artikel 10. Samenwerking betreffende de naleving van de wetgeving over de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden voor gedetacheerde werkenden
  • 1. Ten behoeve van de verificatie van de naleving van alle arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden die gelden ten aanzien van detachering als bedoeld in artikel 2 van de Detacheringsrichtlijn, met inbegrip van alle elementen die de juridische aard van de arbeidsrelatie bepalen en van alle elementen waarmee kan worden vastgesteld of de rechten van de betrokken werkende of werkenden naar behoren worden beschermd, bezorgt het bevoegd orgaan van de Verdragsluitende Partij waar de detacherende werkgever is gevestigd aan het bevoegd orgaan van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied een werkende is gedetacheerd, op verzoek van laatstgenoemd bevoegd orgaan, alle beschikbare informatie die nuttig is om de ware aard van de detachering vast te stellen, waaronder met name de reële vestigingsplaats van de werkgever, de eventuele tewerkstelling door andere werkgevers en alle andere sociale documenten of sociale gegevens met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van de werkende en de uitvoering ervan.

  • 2. Het bevoegd orgaan dat een in lid 1 bedoeld verzoek ontvangt, verstrekt zo snel mogelijk de beschikbare informatie die is gevraagd, met inachtneming van de termijnen en andere voorschriften die zijn bepaald in de toepasselijke EU-instrumenten. Nadere regels ter waarborging van de continuïteit van de dekking van de sociale rechten van de betrokken werkende of werkenden kunnen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 17 of artikel 19.

Artikel 11. Transversale samenwerking

De in de artikelen 9 en 10 bedoelde samenwerking kan plaatsvinden tussen verschillende bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen teneinde elementen betreffende de socialezekerheidswetgeving en betreffende het arbeidsrecht met elkaar te combineren ten behoeve van de beoogde verificaties, steeds met volledige naleving van de bepalingen van de artikelen 9 en 10.

Daartoe, wanneer een verzoek om informatie ter bestrijding van fraude en onjuistheden betrekking heeft op gegevens die binnen de werkingssfeer van dit Verdrag vallen, maar die niet rechtstreeks door het aangezochte bevoegd orgaan worden verwerkt, helpt het aangezochte bevoegd orgaan het verzoekende bevoegd orgaan bij het benoemen van een derde als geschikte informatiebron en biedt het zijn goede diensten aan bij eventuele gesprekken met die derde.

HOOFDSTUK IV. CONTROLE VAN AANSLUITING EN UITKERINGEN

Artikel 12. Bevraging inzake aansluiting en uitkeringen
  • 1. Het bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij dat moet nagaan onder welke voorwaarden een persoon op grond van de Basisverordening in aanmerking komt voor aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel of voor toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht, kan, indien het zulks noodzakelijk acht, het bevoegd orgaan van de andere betrokken Verdragsluitende Partij of Partijen bevragen teneinde zich ervan te vergewissen dat deze persoon terecht is aangesloten of dat deze persoon voldoet aan de voorwaarden voor de betreffende uitkering of het socialezekerheidsrecht.

  • 2. Het overeenkomstig lid 1 bevraagde bevoegd orgaan verstrekt aan het verzoekende bevoegd orgaan de nuttige en nodige inlichtingen waarover het beschikt om de aansluiting van de betrokken persoon, het recht op uitkeringen en het voortzetten hiervan te kunnen vaststellen.

Artikel 13. Interviews
  • 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, kan het orgaan dat bevoegd is voor de toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht administratieve controles verrichten door het afnemen van interviews met de aanvrager of rechthebbende in het woon- of verblijfland. Deze interviews vinden plaats op het kantoor van het bevoegd orgaan van het woon- of verblijfland van de aanvrager of de rechthebbende.

  • 2. De functionarissen van het orgaan dat bevoegd is voor de toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht en die de in lid 1 bedoelde interviews afnemen, moeten steeds hun officiële titel kunnen aantonen door middel van hun legitimatiebewijs. Artikel 8, lid 6, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Bij de uitvoering van dit artikel zijn de bevoegde organen elkaar behulpzaam en handelen zij als betrof het de uitvoering van hun eigen wetgeving. De administratieve bijstand die door de bevoegde organen wordt verleend, is kosteloos. De bevoegde organen van de betrokken Verdragsluitende Partijen kunnen echter overeenkomen dat bepaalde kosten worden vergoed.

  • 4. De in dit artikel voorziene mogelijkheid kan slechts worden gebruikt in de onderlinge verhoudingen tussen die Verdragsluitende Partijen waarvoor dat in een administratieve schikking als bedoeld in artikel 17 is vastgelegd, en dit na sluiting en inwerkingtreding van die administratieve schikking en overeenkomstig de daarin bepaalde modaliteiten. Dit heeft geenszins gevolgen voor de Verdragsluitende Partij die niet betrokken is bij de administratieve schikking in kwestie.

HOOFDSTUK V. SAMENWERKING INZAKE TERUGVORDERING

Artikel 14. Samenwerking inzake terugvordering
  • 1. De Verdragsluitende Partijen spannen zich in om nauw met elkaar samen te werken op het gebied van de terugvordering van ten onrechte betaalde sociale bijdragen en uitkeringen, met inachtneming van de relevante voorschriften van de EU-instrumenten. De Verdragsluitende Partijen spannen zich in om daarbij zo veel mogelijk gebruik te maken van relevante procedures, documenten en mogelijkheden die op grond van die EU-instrumenten te hunner beschikking staan.

  • 2. De Verdragsluitende Partijen streven naar nauwe samenwerking bij de uitwisseling van informatie over de betaling van administratieve boetes die zijn opgelegd in verband met de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten.

  • 3. Indien de in lid 1 bedoelde samenwerking daartoe noopt, kunnen bijkomende afspraken worden gemaakt of bijkomende bepalingen worden vastgesteld inzake terugvordering, overeenkomstig artikel 17 of artikel 19.

HOOFDSTUK VI. VOORSCHRIFTEN INZAKE GEGEVENSUITWISSELING

Artikel 15. Gegevensbescherming

Elke Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van onderhavig Verdrag geschiedt overeenkomstig verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), overeenkomstig de bijkomede bepalingen welke in voorkomend geval van toepassing zijn krachtens andere EU-instrumenten, alsmede overeenkomstig de ter uitvoering daarvan in de interne rechtsorde van de betrokken Verdragsluitende Partij vastgestelde bepalingen.

Artikel 16. Gegevensuitwisseling
  • 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 15, kunnen gegevens tussen de Verdragsluitende Partijen op grond van onderhavig Verdrag worden uitgewisseld in de in dit Verdrag voorziene gevallen en onder de daarin bepaalde voorwaarden.

  • 2. Indien de in onderhavig Verdrag bedoelde samenwerking daartoe noopt, kunnen bijkomende afspraken worden gemaakt of bijkomende bepalingen worden vastgesteld inzake gegevensuitwisseling, overeenkomstig artikel 17 of artikel 19, met inachtneming van artikel 15 en van de overige bepalingen van onderhavig Verdrag.

HOOFDSTUK VII. NADERE UITVOERINGSREGELINGEN

Artikel 17. Administratieve schikkingen

De Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten kunnen administratieve schikkingen sluiten om nadere regelingen voor de uitvoering van dit Verdrag te bepalen, met name in de in dit Verdrag voorziene gevallen. Deze administratieve schikkingen dienen steeds de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden na te leven.

Artikel 18. Samenwerking tussen bevoegde organen

De bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen kunnen samenwerkingsafspraken sluiten. Deze samenwerkingsafspraken hebben betrekking op de in dit Verdrag bedoelde aangelegenheden, met uitsluiting van de aangelegenheden die geregeld zijn in de administratieve schikkingen gesloten op grond van artikel 17.

Artikel 19. Bevoegdheden van het Benelux Comité van Ministers

In de in onderhavig Verdrag voorziene gevallen en onder de daarin bepaalde voorwaarden, kan het Benelux Comité van Ministers als bedoeld in artikel 5, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie in voorkomend geval beschikkingen vaststellen als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7 en 8 van laatstgenoemd Verdrag.

Artikel 20. Evaluatie van de uitvoering van het Verdrag
  • 1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen evalueren gezamenlijk de uitvoering van dit Verdrag twee jaar na inwerkingtreding ervan en vervolgens minimaal elke vijf jaar. Als een bevoegde autoriteit daarom verzoekt, vindt in afstemming met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen een tussentijdse evaluatie plaats.

  • 2. Voor deze evaluaties raadplegen de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij de relevante bevoegde organen van die Verdragsluitende Partij, en houden zij rekening met relevante gegevens waarover deze bevoegde autoriteiten en bevoegde organen in hun databanken beschikken, inclusief de gegevens welke op grond van onderhavig Verdrag werden uitgewisseld, de rapporten als bedoeld in artikel 8, lid 11, en het eraan gegeven vervolg.

  • 3. De uitkomsten van deze evaluaties kunnen door de bevoegde autoriteiten en de bevoegde organen worden gebruikt voor de behoefteraming inzake het voor de onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties benodigde aantal functionarissen en voor het identificeren van risicofactoren met het oog op de uitvoering van doelgerichte acties in dit kader.

Artikel 21. Benelux-Gerechtshof

De bepalingen van dit Verdrag, de bepalingen van de tussen Verdragsluitende Partijen gesloten administratieve schikkingen als bedoeld in artikel 17 en de bepalingen van de eventuele beschikkingen van het Benelux Comité van Ministers als bedoeld in artikel 19 worden aangewezen als rechtsregels ten aanzien waarvan het Benelux-Gerechtshof beschikt over de bevoegdheden bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a) en c), van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof.

HOOFDSTUK VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 22. Aanpassingsclausule

De bepalingen van dit Verdrag blijven van toepassing voor zover ze geen afbreuk doen aan de bepalingen van de EU-instrumenten, indien deze laatste worden gewijzigd.

Artikel 23. Uitvoering van het Verdrag
  • 1. De Verdragsluitende Partijen treffen de maatregelen welke nodig zijn voor de uitvoering van dit Verdrag.

  • 2. Voor zover in dit Verdrag niet uitdrukkelijk anders is bepaald, worden de in lid 1 bedoelde maatregelen getroffen in het kader van het respectievelijke recht en de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 24. Aanwijzing van de bevoegde organen en van de functionarissen
  • 1. Elke Verdragsluitende Partij stelt het Benelux Secretariaat-Generaal schriftelijk in kennis van het bevoegde orgaan of de bevoegde organen die zij als dusdanig aanwijst op grond van haar interne bevoegdheidsverdeling en bestuursorganisatie voor de toepassing van dit Verdrag. Het Benelux Secretariaat-Generaal brengt elke andere Verdragsluitende Partij op de hoogte van de aldus aangewezen bevoegde organen.

  • 2. Van elke relevante wijziging dienaangaande, waaronder een wijziging van de benaming, de contactgegevens of de taken van een bevoegd orgaan, wordt op dezelfde wijze kennisgegeven.

  • 3. Elke Verdragsluitende Partijen geeft op dezelfde wijze kennis van de functionele omschrijving, zonder nominatieve aanwijzing van hun identiteit, van de bevoegde personen die op grond van haar interne bevoegdheidsverdeling en bestuursorganisatie in de hoedanigheid van functionaris optreden, alsook van elke relevante wijziging dienaangaande.

Artikel 25. Geldigheidsduur en opzegging
  • 1. Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

  • 2. Dit Verdrag kan door elke Verdragsluitende Partij te allen tijde worden opgezegd door de neerlegging van een schriftelijke verklaring bij de depositaris. De opzegging wordt zes maanden na de neerlegging van deze schriftelijke verklaring van kracht. Het Verdrag blijft in werking tussen de overige Verdragsluitende Partijen. De depositaris brengt de Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de neerlegging van dergelijke verklaring.

Artikel 26. Bekrachtiging en inwerkingtreding
  • 1. De secretaris-generaal van de Benelux Unie is depositaris van dit Verdrag, waarvan hij een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift aan elke Verdragsluitende Partij doet toekomen.

  • 2. Dit Verdrag wordt bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Verdragsluitende Partijen.

  • 3. De Verdragsluitende Partijen leggen hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring neer bij de depositaris.

  • 4. De depositaris brengt de Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de neerlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

  • 5. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de neerlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De depositaris stelt de Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel 27. Toetreding
  • 1. Een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland kan verzoeken om toetreding tot dit Verdrag.

  • 2. De verzoekende lidstaat deelt dit verzoek om toetreding overeenkomstig zijn grondwettelijke procedures mee aan de depositaris, die alle Verdragsluitende Partijen daarvan op de hoogte stelt. De verzoekende lidstaat kan enkel toetreden na de ontvangst door de depositaris van de laatste kennisgeving van alle Verdragsluitende Partijen dat zij het verzoek van de verzoekende lidstaat aanvaarden. De depositaris stelt de verzoekende lidstaat op de hoogte wanneer alle Verdragsluitende Partijen het verzoek hebben aanvaard.

  • 3. De toetreding van de verzoekende lidstaat tot dit Verdrag geschiedt vervolgens door de neerlegging van een akte van toetreding bij de depositaris en treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de ontvangst door de depositaris van deze akte van toetreding. De depositaris stelt alle Verdragsluitende Partijen op de hoogte van de datum van toetreding tot dit Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel, op 9 maart 2026, in één exemplaar, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: – De Federale Regering – De Vlaamse Regering – De Regering van de Franse Gemeenschap – De Waalse Regering – De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – De Regering van de Duitstalige Gemeenschap F. VANDENBROUCKE

Voor het Groothertogdom Luxemburg M. DEPREZ M. SPAUTZ

Voor het Koninkrijk der Nederlanden J.A. VIJLBRIEF



Traité Benelux pour l’amélioration et le renforcement de la coopération transfrontalière dans le domaine de la lutte contre les fraudes sociales et les erreurs en matière de sécurite sociale, de protection de la santé et de la sécurite au travail et des conditions de travail décentes

Le Royaume de Belgique, représenté par :

  • Le Gouvernement fédéral,

  • Le Gouvernement flamand,

  • Le Gouvernement de la Communauté française,

  • Le Gouvernement wallon,

  • Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale,

  • Le Gouvernement de la Communauté germanophone,

Le Grand-Duché de Luxembourg,

Le Royaume des Pays-Bas,

ci-après dénommés : les « Parties Contractantes »,

Désireux d’améliorer et de renforcer la coopération transfrontalière étroite entre les trois pays de l’Union Benelux en matière de lutte contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social,

Dans l’optique de garantir la libre circulation et les droits des assurés sociaux,

Souhaitant prévenir les erreurs et les abus, et lutter contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social,

Considérant que la fraude sociale, dans ses multiples facettes telles que notamment le dumping social, les constructions fictives, la fraude au détachement, la fraude aux cotisations et aux prestations, les agences d’intérim frauduleuses, le travail illégal, ainsi que le travail non déclaré ou faussement déclaré, constitue un problème sociétal grandissant et présente de plus en plus fréquemment un caractère organisé,

Considérant le besoin d’une protection efficace de l’emploi, de la sécurité, de la santé et de l’hygiène au travail, ainsi que de conditions de travail décentes et équitables, en particulier pour les travailleurs en situation précaire,

Considérant que les services de contrôle et d’inspection sont confrontés à des restrictions juridiques, administratives, pratiques et territoriales,

Vu l’article 6, alinéa 2, sous f), du Traité instituant l’Union Benelux, signé à La Haye le 17 juin 2008,

Vu le Traité entre le Royaume de Belgique et le Royaume des Pays-Bas pour le développement de la coopération et de l’entraide administrative en matière de sécurité sociale, signé à Bruxelles le 6 décembre 2010, et la Convention entre le Royaume de Belgique et le Grand-Duché de Luxembourg sur la coopération et l’entraide administrative en matière de sécurité sociale, signée à Bruxelles le 5 février 2015,

Vu la Convention n° 81 de l’OIT sur l’Inspection du travail dans l'industrie et le commerce de 1947 et la Recommandation n° 81 sur l’Inspection du travail,

Considérant la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne et notamment son article 15 relatif à la liberté professionnelle et le droit de travailler sur le territoire des Etats membres, son article 31 relatif aux conditions de travail justes et équitables, son article 34 relatif à la sécurité sociale et à l’aide sociale, ainsi que le chapitre II et III du Socle européen des droits sociaux,

Compte tenu de la collaboration et de l’échange d’informations conformément aux diverses dispositions européennes applicables en la matière, dont :

  • Le règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale,

  • Le règlement (CE) n° 987/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 fixant les modalités d’application du règlement (CE) n° 883/2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale,

  • Le règlement (UE) 1231/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 visant à étendre le règlement (CE) n° 883/2004 et le règlement (CE) n° 987/2009 aux ressortissants de pays tiers qui ne sont pas déjà couverts par ces règlements uniquement en raison de leur nationalité,

  • Le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données),

  • Le règlement (UE) 2019/1149 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 instituant l’Autorité européenne du travail, modifiant les règlements (CE) n° 883/2004, (UE) n° 492/2011 et (UE) 2016/589, et abrogeant la décision (UE) 2016/344,

  • La directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d’une prestation de services,

  • La directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l’exécution de la directive 96/71/CE concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d’une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l’intermédiaire du système d’information du marché intérieur (« règlement IMI » ),

  • La directive (UE) 2016/680 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relative à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel par les autorités compétentes à des fins de prévention et de détection des infractions pénales, d’enquêtes et de poursuites en la matière ou d’exécution de sanctions pénales, et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la décision-cadre 2008/977/JAI du Conseil,

  • La directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l’Union européenne,

  • La directive (UE) 2020/1057 du Parlement européen et du Conseil du 15 juillet 2020 établissant des règles spécifiques en ce qui concerne la directive 96/71/CE et la directive 2014/67/UE pour le détachement de conducteurs dans le secteur du transport routier et modifiant la directive 2006/22/CE quant aux exigences en matière de contrôle et le règlement (UE) n 1024/2012,

  • L’accord relatif à la détermination de la législation applicable aux bateliers rhénans, conclu sur la base de l’article 16 § 1 du règlement (CE) n° 883/2004,

  • L’accord-cadre relatif à l’application de l’article 16, paragraphe 1, du règlement (CE) n° 883/2004 en cas de télétravail transfrontalier habituel,

Considérant l’ensemble des différentes décisions, recommandations, déclarations, résolutions et différents arrangements administratifs, programmes de travail communs et autres instruments pour des conditions de travail décentes et équitables, ainsi que pour la lutte contre la fraude sociale, qui ont été adoptés aussi bien au sein du Benelux que de l’Union européenne,

Sont convenus des dispositions qui suivent :

CHAPITRE I. DISPOSITIONS GÉNÉRALES ET PRINCIPES RELATIFS A LA COOPÉRATION RENFORCÉE

Article 1er. Objet

Le présent Traité entend améliorer et renforcer une coopération multidisciplinaire entre les Parties Contractantes, afin :

  • De lutter contre la fraude sociale, contre la concurrence déloyale et contre le dumping social et ce grâce, d’une part, à une meilleure collaboration entre tous les services de contrôle et d’inspection compétents et, d’autre part, à un meilleur échange de données ;

  • De veiller à ce que les personnes visées par le présent Traité bénéficient des prestations et des allocations auxquelles elles ont droit ;

  • De veiller à ce que la sécurité, la santé et l’hygiène au travail soient respectées ;

  • De veiller à ce que les conditions de travail décentes et équitables, ainsi que le droit au travail des travailleurs soient respectés ;

  • De veiller à ce que les cotisations sociales correctes soient payées dans l’Etat membre compétent.

Article 2. Définitions
  • 1. Sans préjudice des définitions y afférentes applicables aux actes juridiques de l’Union européenne, pour l’application du présent Traité, les termes « autorité compétente » et « institution compétente » désignent :

    a) « Autorité compétente » :

    le ou les ministres ou l’autorité, en fonction de la répartition interne des compétences dans une Partie Contractante, qui est chargé de l’application des réglementations en matière de sécurité sociale, de droit du travail, de conditions de travail et de santé et sécurité au travail ;

    b) « Institution compétente » :

    chaque institution compétente qu’une Partie Contractante désigne en tant que telle conformément à l’article 24.

  • 2. Pour l’application du présent Traité, il convient en outre de comprendre par :

    a) « Concertation Benelux » :

    la concertation entre les Parties Contractantes dans le cadre de l’Union Benelux relative à la réglementation sociale, à la lutte contre la fraude et à la protection de la santé et de la sécurité au travail, qui est mise en œuvre par les groupes de travail de l’administration tels que visés à l’article 12, sous b), du Traité instituant l’Union Benelux ;

    b) « Règlement de base » :

    le règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale ;

    c) « Règlement d’application » :

    le règlement (CE) n° 987/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 fixant les modalités d’application du règlement (CE) n° 883/2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale ;

    d) « Directive détachement » :

    la directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d’une prestation de services ;

    e) « Directive détachement transport » :

    la directive (UE) 2020/1057 du Parlement européen et du Conseil du 15 juillet 2020 établissant des règles spécifiques en ce qui concerne la directive 96/71/CE et la directive 2014/67/UE pour le détachement de conducteurs dans le secteur du transport routier et modifiant la directive 2006/22/CE quant aux exigences en matière de contrôle et le règlement (UE) n° 1024/2012 ;

    f) « Instruments européens » :

    les instruments européens visés sous b) à e), ainsi que les instruments suivants :

    • Règlement (CE) n° 561/2006 du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2006 relatif à l’harmonisation de certaines dispositions de la législation sociale dans le domaine des transports par route, modifiant les règlements (CEE) n° 3821/85 et (CE) n° 2135/98 du Conseil et abrogeant le règlement (CEE) n° 3820/85 du Conseil,

    • Règlement 1231/2010 (UE) du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 visant à étendre le règlement (CE) n° 883/2004 et le règlement (CE) n° 987/2009 aux ressortissants de pays tiers qui ne sont pas déjà couverts par ces règlements uniquement en raison de leur nationalité,

    • Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données),

    • Règlement (UE) 2019/1149 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 instituant l’Autorité européenne du travail, modifiant les règlements (CE) n° 883/2004, (UE) n° 492/2011 et (UE) 2016/589, et abrogeant la décision (UE) 2016/344,

    • Directive 2014/67/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 relative à l’exécution de la directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d’une prestation de services et modifiant le règlement (UE) n° 1024/2012 concernant la coopération administrative par l’intermédiaire du système d’information du marché intérieur (« règlement IMI ») ;

    • Directive (UE) 2016/680 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relative à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel par les autorités compétentes à des fins de prévention et de détection des infractions pénales, d’enquêtes et de poursuites en la matière ou d’exécution de sanctions pénales, et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la décision-cadre 2008/977/JAI du Conseil,

    • Directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l’Union européenne,

    • Accord relatif à la détermination de la législation applicable aux bateliers rhénans, conclu sur la base de l’article 16 § 1 du règlement (CE) n° 883/2004,

    • Accord-cadre relatif à l’application de l’article 16, paragraphe 1, du règlement (CE) n° 883/2004 en cas de télétravail transfrontalier habituel,

    • Tout autre acte juridique arrêté dans le cadre de l’Union européenne, qui complète les instruments européens susvisés, qui les met en œuvre ou qui s’y rapporte d’une autre manière, et que le Comité de Ministres Benelux a désigné, conformément à l’article 19, comme étant un instrument européen au sens de la présente disposition ;

    g)  Travail transfrontalier » :

    «toute forme de travail telle que visée dans les instruments européens repris sous b) à f) ;

    h) « Détachement » :
    • Le détachement tel que visé par l’article 12 du règlement de base,

    • Le détachement de travailleurs tel que visé par l’article 2 de la directive détachement,

    • Le détachement de conducteurs tel que visé par la directive détachement transport ;

    i) « Pluriactivité » :

    l’exercice d’activités dans deux ou plusieurs États membres au sens de l’article 13 du règlement de base ;

    j) « Document portable A1 » :

    le document mis à disposition conformément à l’article 19, alinéa 2, du règlement d’application visant à attester l’application de la législation applicable en vertu d’une disposition du titre II du règlement de base ;

    k) « État d’accueil » :

    la Partie Contractante sur le territoire de laquelle a lieu un contrôle commun ou une inspection commune ;

    l) « État d’envoi » :

    la Partie Contractante d’où les agents sont originaires ;

    m) « Agent » :

    la personne compétente qu’une Partie Contractante désigne en tant que telle conformément à l’article 24 ;

    n) « Partie Contractante requérante » :

    la Partie Contractante qui demande un contrôle ou inspection concerté ou un contrôle ou inspection commun, ou qui adresse une demande d’information ;

    o) « Partie Contractante requise » :

    la Partie Contractante à qui la demande de la Partie Contractante requérante est adressée ;

    p) « Contrôle ou inspection concerté » :

    contrôle ou inspection organisé simultanément dans deux ou plusieurs Parties Contractantes, chaque autorité nationale intervenant sur son propre territoire ;

    q) « Contrôle ou inspection commun » :

    contrôle ou inspection réalisé dans une Partie Contractante avec la participation d’agents d’une ou plusieurs autres Parties Contractantes.

Article 3. Incidence des autres règlementations

Sauf mention contraire explicite dans le présent Traité, la coopération en vertu du présent Traité se déroule dans le respect du droit respectif et des obligations internationales des Parties Contractantes.

Article 4. Etendue de la coopération

La coopération entre les Parties Contractantes en vertu du présent Traité couvre toutes les matières liées aux différents instruments européens tels que visés à l’article 2, alinéa 2, sous b) à f), ainsi que toutes les personnes physiques ou morales, qu’elles soient établies dans une des Parties Contractantes ou dans un autre Etat, exerçant un travail transfrontalier, ou relevant du champ d’application personnel du règlement de base.

Article 5. Champ d’application territorial
  • 1. Le présent Traité s’applique aux territoires du Royaume de Belgique et du Grand-Duché de Luxembourg.

  • 2. En ce qui concerne le territoire du Royaume des Pays-Bas, le présent Traité s’applique uniquement à la partie européenne des Pays-Bas.

Article 6. Principes relatifs à la coopération renforcée

Les Parties Contractantes soutiennent la coopération transfrontalière dans le cadre du présent Traité, notamment :

  • a) Par la promotion de la connaissance mutuelle relative à leurs législations et réglementations sociales nationales ;

  • b) Par une concertation Benelux multidisciplinaire en matière de détachement et pluriactivité et en matière de lutte contre la fraude sociale et le dumping social, au moyen d’une coopération étroite pour clarifier et analyser certaines formes et certains aspects particuliers de la fraude ;

  • c) Par le biais d’une concertation Benelux axée sur l’échange de bonnes pratiques et d’expériences ;

  • d) Par le biais d’une concertation Benelux en matière de formations ;

  • e) Par la réalisation de contrôles ou inspections communs ou concertés entre les services d’inspection et de contrôle des Parties Contractantes, selon les dispositions du présent Traité ;

  • f) Par l’échange de moyens et de matériel dans le cadre d’un contrôle ou inspection commun ou concerté ;

  • g) Par l’échange d’informations.

CHAPITRE II. CONTROLES OU INSPECTIONS COMMUNS OU CONCERTÉS

Article 7. Demande de contrôles ou inspections communs ou concertés
  • 1. Les autorités ou les institutions compétentes des Parties Contractantes peuvent organiser des contrôles ou inspections communs ou concertés en fonction de leurs besoins et moyens opérationnels.

  • 2. Des contrôles ou inspections communs ou concertés ne sont possibles qu’à la demande d’une ou de plusieurs Parties Contractantes requérantes et avec l’accord exprès de la ou des Parties Contractantes requises.

  • 3. La demande est à adresser par écrit, y compris par voie électronique, par l’autorité ou l’institution compétente de la ou des Parties Contractantes requérantes à l’autorité ou l’institution compétente de la ou des Parties Contractantes requises.

    A cet égard, des arrangements additionnels peuvent être conclus ou des dispositions additionnelles peuvent être arrêtées conformément à l’article 17, 18 ou 19, notamment en ce qui concerne les adresses ou canaux à utiliser.

  • 4. L’autorité ou l’institution compétente de la ou des Parties Contractantes requises s’efforce de statuer sur la demande dans les meilleurs délais mais si possible endéans les 14 jours calendriers maximum, en tenant compte de l’éventuelle urgence de la demande, et notifie par écrit, y compris par voie électronique, sa décision à l’autorité ou l’institution compétente de la ou des Parties Contractantes requérantes.

    En cas d’impossibilité de donner suite à la demande, la Partie Contractante requise concernée informe la ou les autres Parties Contractantes concernées des raisons de cette impossibilité et, éventuellement, des mesures qu’elle entend prendre ainsi que, une fois qu’elle les connaît, des résultats de ces mesures.

  • 5. Conformément à l’esprit du présent Traité, les Parties Contractantes s’efforcent de participer régulièrement à des contrôles ou inspections communs ou concertés.

Article 8. Modalités pratiques applicables
  • 1. La demande visée à l’article 7, alinéa 3, contient notamment les informations suivantes :

    • a) Identification des autorités ou institutions compétentes qui devraient participer au contrôle ou inspection commun ou concerté demandé ;

    • b) Détermination du champ d’application du contrôle ou inspection commun ou concerté demandé conformément à l’article 1er ;

    • c) Une description succincte du dossier ou série de dossiers faisant l’objet de la demande ;

    • d) Si applicable, l’éventuelle urgence de la demande et les raisons de cette urgence.

    En fonction des expériences acquises ou des besoins sur le terrain, le Comité de Ministres Benelux peut, conformément à l’article 19, modifier ou compléter les informations que la demande doit au moins contenir, ou arrêter un modèle pour un formulaire à utiliser aux fins de la demande.

  • 2. Une fois les contrôles ou inspections communs ou concertés convenus, les autorités ou institutions compétentes participantes remplissent d’un commun accord un document dont le modèle est défini par le Comité de Ministres Benelux, conformément à l’article 19.

  • 3. Les autorités ou institutions compétentes participantes désignent chacune un agent qui sera responsable de la coordination du contrôle ou inspection commun ou concerté convenu. Les informations sont échangées par l’intermédiaire de ces agents responsables de la coordination lors de la phase de préparation et de finalisation des contrôles ou inspections communs ou concertés ainsi que tout au long de la vie du dossier ou de la série de dossiers.

  • 4. Les contrôles ou inspections communs ou concertés sont effectués dans le respect du droit et de la pratique de la ou des Parties Contractantes dans lesquelles ils ont lieu.

  • 5. Les agents d’un Etat d’envoi ne participent qu’en qualité d’observateurs à un contrôle ou inspection commun dans l’Etat d’accueil. En cette qualité, les agents d’un Etat d’envoi peuvent coopérer de manière active avec les agents de l’Etat d’accueil, mais sans qu’ils ne soient autorisés à accomplir de façon autonome des actes de contrôle ou d’inspection dans l’Etat d’accueil.

  • 6. Les agents d’un Etat d’envoi qui participent à un contrôle ou inspection commun dans l’Etat d’accueil doivent toujours être en mesure de justifier de leur fonction officielle au moyen de leur titre de légitimation. A cet effet, les Parties Contractantes s’informent mutuellement des titres de légitimation dont leurs agents doivent disposer sur leur propre territoire. Pour l’application de la présente disposition, les Parties Contractantes reconnaissent mutuellement, sans autres formalités, les titres de légitimation ainsi communiqués.

  • 7. Dès le début d’un contrôle ou inspection commun, les justiciables sont informés par les agents de l’Etat d’accueil de la participation des agents de ou des Etats d’envoi, de leur fonction officielle telle que visée à l’alinéa 6, ainsi que de la possibilité d’utiliser les informations recueillies conformément à l’alinéa 10.

  • 8. Dans le cas d’un contrôle ou inspection concerté, les justiciables sont informés dans chaque Partie Contractante participante, dès le début du contrôle ou de l’inspection, de toutes les autorités ou institutions compétentes qui y participent, ainsi que de la possibilité d’utiliser les informations recueillies conformément à l’alinéa 10.

  • 9. Lors d’un contrôle ou inspection commun, l’Etat d’accueil fournit aux agents de ou des Etats d’envoi la même protection et la même assistance que celles assurées à ses propres agents, notamment vis-à-vis d’actes punissables commis envers eux.

  • 10. Les informations qui ont été recueillies dans une Partie Contractante au cours d’un contrôle ou inspection concerté ou commun et qui ont été échangées en vertu du présent Traité avec les autorités ou institutions compétentes d’une ou de plusieurs autres Parties Contractantes ayant participé à ce contrôle ou cette inspection, peuvent être utilisées dans le cadre de procédures dans cette ou ces autres Parties Contractantes, conformément au droit ou à la pratique de cette ou ces autres Parties Contractantes, le cas échéant dans le respect des exigences spécifiques qui s’y appliquent lorsque de telles informations sont utilisées comme preuves dans le cadre de procédures judiciaires.

  • 11. Après chaque contrôle ou inspection commun ou concerté, des rapports écrits sont échangés entre les agents responsables de la coordination des autorités ou institutions compétentes participantes, qui se chargent de les envoyer à qui de droit. Le modèle de rapport est défini par le Comité de Ministres Benelux, conformément à l’article 19.

CHAPITRE III. DISPOSITIONS SPÉCIFIQUES RELATIVES À LA COOPÉRATION EN MATIÈRE DE DÉTACHEMENT ET DE PLURIACTIVITÉ

Article 9. Coopération concernant la législation de sécurité sociale applicable
  • 1. Aux fins de la vérification de toutes les conditions à l’égard de la législation de sécurité sociale applicables au détachement au sens de l’article 12 du règlement de base ou applicables en cas de pluriactivité, y compris tous les éléments déterminant la nature juridique de la relation de travail, l’institution compétente d’une Partie Contractante qui a délivré un document portable A1 communique à l’institution compétente de la Partie Contractante sur le territoire de laquelle un travailleur est détaché ou exerce une activité salariée ou non salariée, à la demande de cette dernière institution, une copie du formulaire de demande du document portable A1, les informations collectées par elle à l’occasion de l’instruction de cette demande en application des dispositions et de l’annexe de la recommandation A1 de la Commission Administrative, ainsi que toutes informations supplémentaires disponibles nécessaires au contrôle de la légalité du détachement. Concernant la vérification des conditions de la pluriactivité, cette institution communique, entre autres, toutes les informations disponibles relatives à la réalité de l’établissement de l’employeur ou au centre d’intérêt des activités de la personne non salariée, à la part d’activité de la personne exerçant une activité salariée ou non salariée sur le territoire de son Etat de résidence, ainsi qu’à son occupation par d’autres employeurs.

  • 2. L’institution compétente qui a délivré le document portable A1, fournit dans les meilleurs délais les informations disponibles demandées conformément à l’alinéa 1er, en observant les prescriptions, en ce compris d’éventuels délais, fixées dans les instruments européens applicables. Les Parties Contractantes peuvent également convenir d’autres délais par voie d’arrangement administratif ou par voie d’une décision du Comité de Ministres Benelux telle que visée à l’article 19, dans les limites des prescriptions applicables.

  • 3. En cas de litige quant à la détermination de la législation applicable, les Parties Contractantes donnent plein effet à la décision A1 de la Commission administrative pour la coordination des systèmes de sécurité sociale du 12 juin 2009 concernant l’établissement d’une procédure de dialogue et de conciliation relative à la validité des documents, à la détermination de la législation applicable et au service des prestations au titre du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil.

    Cette procédure définie dans la décision A1 ne préjudicie en rien la faculté donnée aux agents de l’institution compétente d’une Partie Contractante d’interroger l’institution compétente de l’autre Partie Contractante sur les éléments relatifs au bien-fondé de la décision de détermination de la législation applicable en cas de détachement ou de pluriactivité.

  • 4. Lorsqu’un document portable A1 émis par l’institution compétente d’une Partie Contractante est retiré ou invalidé car la législation de sécurité sociale d’une autre Partie Contractante s’applique, les Parties Contractantes concernées échangent toutes les informations disponibles qui sont utiles en vue de l’affiliation du ou des travailleurs concernés à la législation de sécurité sociale applicable, en vue du transfert des cotisations de sécurité sociale correspondantes et, le cas échéant, en vue du recouvrement tel que visé à l’article 14.

    Des modalités plus détaillées pour l’application de la présente disposition peuvent être arrêtées conformément à l’article 17 ou à l’article 19.

Article 10. Coopération concernant le respect de l’application de la règlementation relative aux conditions de travail et d’emploi des travailleurs détachés
  • 1. Aux fins de la vérification de toutes les conditions de travail et d’emploi applicables au détachement au sens de l’article 2 de la directive détachement, y compris tous les éléments déterminant la nature juridique de la relation de travail et tous les éléments permettant de déterminer que les droits du ou des travailleurs concernés sont dûment protégés, l’institution compétente de la Partie Contractante où l’employeur détachant est établi communique à l’institution compétente de la Partie Contractante sur le territoire de laquelle un travailleur est détaché, à la demande de cette dernière institution, toutes les informations disponibles qui sont utiles à la détermination du caractère véritable du détachement, dont notamment le lieu d’établissement réel de l’employeur, l’éventuelle occupation par d’autres employeurs ainsi que tout document social ou toute donnée sociale concernant le contrat de travail du travailleur et son exécution.

  • 2. L’institution compétente qui reçoit une demande telle que visée à l’alinéa 1er, fournit dans les meilleurs délais les informations disponibles qui ont été demandées, en observant les délais et autres prescriptions fixés dans les instruments européens applicables. Des modalités plus détaillées visant à assurer la continuité de la couverture des droits sociaux du ou des travailleurs concernés peuvent être fixées conformément à l’article 17 ou à l’article 19.

Article 11. Coopération transversale

La coopération visée aux articles 9 et 10 peut avoir lieu entre différentes institutions compétentes des Parties Contractantes dans le but de combiner des éléments relatifs à la législation de sécurité sociale et au droit du travail aux fins des vérifications envisagées, toujours dans le plein respect des dispositions des articles 9 et 10.

A cette fin, lorsqu’une demande de renseignements visant à lutter contre les fraudes et les erreurs porte sur des données liées au champ d’application du présent Traité mais qui ne sont pas traitées directement par l’institution compétente requise, l’institution compétente requise aide l’institution compétente requérante à identifier un tiers comme source appropriée d’informations et lui prête ses bons offices dans le cadre d’éventuelles discussions avec ce tiers.

CHAPITRE IV. CONTRÔLE DE L’AFFILIATION ET DES PRESTATIONS

Article 12. Interrogations relatives à l’affiliation et aux prestations
  • 1. L’institution compétente d’une Partie Contractante qui est amenée à examiner les conditions auxquelles une personne peut bénéficier, en vertu du règlement de base, de l’affiliation à un régime de sécurité sociale, de l’octroi ou du maintien d’une prestation ou d’un droit de sécurité sociale, peut, si elle l’estime nécessaire, interroger l’institution compétente de ou des autres Parties Contractantes concernées afin de s’assurer que cette personne est affiliée à juste titre ou qu’elle remplit les conditions requises pour bénéficier de la prestation ou du droit de sécurité sociale concerné.

  • 2. L’institution compétente interrogée conformément à l’alinéa 1er fournit à l’institution compétente requérante les informations utiles et nécessaires dont elle dispose pour déterminer l’affiliation de la personne concernée, son droit aux prestations et le maintien de celles-ci.

Article 13. Entretiens
  • 1. Sous réserve des dispositions de l’alinéa 4, l’institution compétente pour l’octroi ou le maintien d’une prestation ou d’un droit de sécurité sociale peut effectuer des contrôles administratifs en menant des entretiens avec le demandeur ou l’ayant droit dans le pays de résidence ou de séjour. Ces entretiens ont lieu dans les bureaux de l’institution compétente du pays de résidence ou de séjour du demandeur ou de l’ayant droit.

  • 2. Les agents de l’institution compétente pour l’octroi ou le maintien d’une prestation ou d’un droit de sécurité sociale qui mènent les entretiens visés à l’alinéa 1er doivent toujours être en mesure de justifier de leur fonction officielle au moyen de leur titre de légitimation. L’article 8, alinéa 6, s’applique par analogie.

  • 3. Dans la mise en œuvre du présent article, les institutions compétentes s’entraident mutuellement et se comportent comme s’il s’agissait de mettre en œuvre leur propre législation. L’assistance administrative fournie par les institutions compétentes est gratuite. Toutefois, les institutions compétentes des Parties Contractantes concernées peuvent convenir de rembourser certains frais.

  • 4. La possibilité prévue au présent article ne peut être utilisée que dans les relations mutuelles entre les Parties Contractantes pour lesquelles cela est prévu dans un arrangement administratif tel que visé à l’article 17, et ce après la conclusion et l’entrée en vigueur de cet arrangement administratif et conformément aux modalités qu’il détermine. Cela n’affecte aucunement la Partie Contractante qui n’est pas concernée par l’arrangement administratif en question.

CHAPITRE V. COOPÉRATION EN MATIÈRE DE RECOUVREMENT

Article 14. Coopération en matière de recouvrement
  • 1. Les Parties Contractantes s’efforcent de coopérer étroitement entre eux en matière de recouvrement de cotisations et prestations sociales indument versées, dans le respect des prescriptions pertinentes des instruments européens. Les Parties Contractantes s’efforcent de faire usage à cet effet, autant que possible, des procédures, documents et possibilités pertinents qui sont à leur disposition en vertu de ces instruments européens.

  • 2. Les Parties Contractantes s’efforcent de coopérer étroitement entre eux en matière d’échange d’information en ce qui concerne le paiement des amendes administratives infligées en matière de détachement des travailleurs dans le cadre d’une prestation de service.

  • 3. Si la coopération visée à l’alinéa 1er le requiert, des arrangements additionnels peuvent être conclus ou des dispositions additionnelles peuvent être arrêtées en matière de recouvrement, conformément à l’article 17 ou à l’article 19.

CHAPITRE VI. PRESCRIPTIONS EN MATIÈRE D’ÉCHANGES DE DONNÉES

Article 15. Protection de données

Chaque Partie Contractante veille à ce que le traitement des données à caractère personnel dans le cadre de la mise en œuvre du présent Traité s’effectue conformément au règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), conformément aux dispositions complémentaires applicables le cas échéant en vertu d’autres instruments européens, ainsi que conformément aux dispositions arrêtées en vue de leur mise en œuvre dans l’ordre juridique interne de la Partie Contractante concernée.

Article 16. Echange de données
  • 1. Sans préjudice des dispositions de l’article 15, des données peuvent être échangées entre les Parties Contractantes sur la base du présent Traité dans les cas prévus dans ce Traité et sous les conditions qu’il fixe.

  • 2. Si la coopération visée dans le présent Traité le requiert, des arrangements additionnels peuvent être conclus ou des dispositions additionnelles peuvent être arrêtées en matière d’échanges de données, conformément à l’article 17 ou à l’article 19, dans le respect de l’article 15 et des autres dispositions du présent Traité.

CHAPITRE VII. MODALITÉS DE MISE EN ŒUVRE

Article 17. Arrangements administratifs

Les Parties Contractantes ou leurs autorités compétentes peuvent conclure des arrangements administratifs pour régler des modalités plus précises de mise en œuvre du présent Traité, notamment dans les cas prévus dans le présent Traité. Ces arrangements administratifs doivent en tout état de cause respecter les conditions fixées par le présent Traité.

Article 18. Coopération entre institutions compétentes

Les institutions compétentes des Parties Contractantes peuvent conclure des conventions de coopération. Ces conventions de coopération portent sur les matières du présent Traité à l’exclusion des matières réglées par les arrangements administratifs conclus en vertu de l’article 17.

Article 19. Attributions du Comité de Ministres Benelux

Dans les cas prévus dans le présent Traité et sous les conditions qu’il fixe, le Comité de Ministres Benelux tel que visé à l’article 5, sous a), du Traité instituant l’Union Benelux peut, le cas échéant, arrêter des décisions telles que visées à l’article 6, alinéa 2, sous a), du Traité instituant l’Union Benelux, conformément aux dispositions des articles 7 et 8 dudit Traité.

Article 20. Evaluation de la mise en œuvre du Traité
  • 1. Les autorités compétentes des Parties Contractantes évaluent conjointement la mise en œuvre du présent Traité deux ans après son entrée en vigueur et au moins tous les cinq ans par la suite. Si une autorité compétente le demande, une évaluation intermédiaire est effectuée, en coordination avec les autorités compétentes des Parties Contractantes.

  • 2. Aux fins de ces évaluations, les autorités compétentes de chaque Partie Contractante consultent les institutions compétentes pertinentes de cette Partie Contractante, et tiennent compte des données pertinentes dont disposent ces autorités compétentes et ces institutions compétentes dans leurs banques de données, en ce compris les données qui ont été échangées sur la base du présent Traité, les rapports visés à l’article 8, alinéa 11, et les suites y réservées.

  • 3. Les résultats de ces évaluations peuvent être utilisés par les autorités compétentes et les institutions compétentes pour estimer les besoins en termes du nombre d’agents requis aux fins des contrôles ou inspections communs ou concertés et pour identifier des facteurs de risques en vue de mener des actions ciblées dans ce cadre.

Article 21. Cour de Justice Benelux

Les dispositions du présent Traité, les dispositions des arrangements administratifs conclus entre Parties Contractantes tels que visé à l’article 17 et les dispositions des éventuelles décisions du Comité de Ministres Benelux telles que visées à l’article 19 sont désignées comme règles juridiques à l’égard desquelles la Cour de Justice Benelux exerce les compétences visées à l’article 1, alinéa 2, sous a) et c), du Traité relatif à l’institution et au statut d’une Cour de Justice Benelux.

CHAPITRE VIII. DISPOSITIONS FINALES

Article 22. Clause d’adaptabilité

Les dispositions du présent Traité restent d’application dans la mesure où elles ne portent pas atteinte aux dispositions des instruments européens, en cas de modification de ces derniers.

Article 23. Mise en œuvre du Traité
  • 1. Les Parties Contractantes prennent les mesures nécessaires à la mise en œuvre du présent Traité.

  • 2. Sauf disposition contraire expresse dans le présent Traité, les mesures visées à l’alinéa 1 sont prises dans le cadre du droit respectif des Parties Contractantes ainsi que de leurs obligations internationales.

Article 24. Désignation des institutions compétentes et des agents
  • 1. Chaque Partie Contractante communique par écrit au Secrétariat général Benelux le ou les institutions compétentes qu’elle désigne en tant que telles en vertu de sa répartition interne des compétences et de son organisation administrative pour l’application du présent Traité. Le Secrétariat général Benelux informe chaque autre Partie Contractante des institutions compétentes ainsi désignées.

  • 2. Toute modification pertinente y relative, dont une modification du nom, des coordonnées ou des tâches d’une institution compétente ainsi désignée, est communiquée de la même manière.

  • 3. Chaque Partie Contractante communique de la même manière la description fonctionnelle, sans désignation nominative de leur identité, des personnes compétentes qui agissent en vertu de sa répartition interne des compétences et de son organisation administrative en qualité de fonctionnaire, ainsi que toute modification pertinente y relative.

Article 25. Durée de validité et dénonciation
  • 1. Le présent Traité est conclu pour une durée indéterminée.

  • 2. Chaque Partie Contractante peut dénoncer à tout moment le présent Traité par le dépôt d’une déclaration écrite auprès du dépositaire. La dénonciation prend effet six mois après le dépôt de cette déclaration écrite. Le Traité reste en vigueur entre les autres Parties Contractantes. Le dépositaire informe les Parties Contractantes du dépôt d’une telle déclaration.

Article 26. Ratification et entrée en vigueur
  • 1. Le Secrétaire général de l’Union Benelux est le dépositaire du présent Traité, dont il fournit une copie certifiée conforme à chaque Partie Contractante.

  • 2. Le présent Traité est ratifié, accepté ou approuvé par les Parties Contractantes.

  • 3. Les Parties Contractantes déposent leur instrument de ratification, d’acceptation ou d’approbation auprès du dépositaire.

  • 4. Le dépositaire informe les Parties Contractantes du dépôt des instruments de ratification, d’acceptation ou d’approbation.

  • 5. Le présent Traité entre en vigueur le premier jour du deuxième mois suivant le dépôt du dernier instrument de ratification, d’acceptation ou d’approbation. Le dépositaire informe les Parties Contractantes de la date d’entrée en vigueur du présent Traité.

Article 27. Adhésion
  • 1. Un État membre de l’Union européenne ou de l’Espace économique européen ou la Suisse peut demander à adhérer au présent Traité.

  • 2. Conformément à ses procédures constitutionnelles, l’État membre demandeur notifie cette demande au dépositaire, qui en informe toutes les Parties Contractantes. L’État membre demandeur ne peut adhérer qu’après la réception par le dépositaire de la dernière notification de toutes les Parties Contractantes indiquant qu’elles acceptent la demande de l’État membre demandeur. Le dépositaire informe l’État membre demandeur lorsque toutes les Parties Contractantes ont accepté la demande.

  • 3. L’adhésion de l’État membre demandeur au présent Traité est ensuite effectuée au moyen du dépôt d’un instrument d’adhésion auprès du dépositaire et prend effet le premier jour du deuxième mois suivant la réception par le dépositaire de cet instrument d’adhésion. Le dépositaire informe toutes les Parties Contractantes de la date d’adhésion au présent Traité.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment mandatés à cet effet, ont signé le présent Traité.

FAIT à Bruxelles, le 9 mars 2026, en un exemplaire, en langue française et en langue néerlandaise, les deux textes faisant également foi.

Pour le Royaume de Belgique, représenté par : – Le Gouvernement fédéral – Le Gouvernement flamand – Le Gouvernement de la Communauté française – Le Gouvernement wallon – Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale – Le Gouvernement de la Communauté germanophone F. VANDENBROUCKE

Pour le Grand-Duché de Luxembourg M. DEPREZ M. SPAUTZ

Pour le Royaume des Pays-Bas J.A. VIJLBRIEF


D. PARLEMENT

Het Verdrag behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan het Verdrag kan worden gebonden.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Verdrag zullen ingevolge artikel 26, vijfde lid, in werking treden op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de neerlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Uitgegeven de achtentwintigste mei 2026.

De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. BERENDSEN

Naar boven