Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2021, 5Verdrag

16 (2020) Nr. 1

A. TITEL

Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (met Bijlage);

Brussel, 14 december 2020

Voor een overzicht van de verdragsgegevens, zie verdragsnummers 013777 en 013041 in de Verdragenbank.

B. TEKST1)  2)


Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom

De Raad van de Europese Unie,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 311, derde alinea,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,3)

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  • 1. Het stelsel van eigen middelen van de Unie moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Unie, zonder dat daarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline uit het oog wordt verloren. De ontwikkeling van het stelsel van eigen middelen kan en moet tevens zoveel mogelijk bijdragen tot de ontwikkeling van beleidsinitiatieven van de Unie.

  • 2. Met het Verdrag van Lissabon zijn wijzigingen aangebracht in de bepalingen met betrekking tot het stelsel van eigen middelen van de Unie, die de afschaffing van een bestaande categorie eigen middelen en de vaststelling van een nieuwe categorie mogelijk maken.

  • 3. De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft een beroep gedaan op de Raad om te blijven voortwerken aan het voorstel van de Commissie voor een nieuwe bron eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) om die zo eenvoudig en transparant mogelijk te maken, het verband met het Uniebeleid inzake btw en de feitelijke btw-inkomsten te versterken en een gelijke behandeling van de belastingbetalers in alle lidstaten te waarborgen.

  • 4. In juni 2017 heeft de Commissie een discussienota aangenomen over de toekomst van de EU-financiën. De Commissie stelde een reeks opties voor om de eigen middelen zichtbaarder aan Uniebeleidslijnen te koppelen, met name aan de eengemaakte markt en aan duurzame groei. Volgens deze nota moet bij de invoering van nieuwe eigen middelen aandacht worden besteed aan de transparantie, eenvoud en stabiliteit ervan, aan de samenhang met de beleidsdoelstellingen van de Unie, aan het effect ervan op het concurrentievermogen en op duurzame groei, en aan de billijke verdeling ervan onder de lidstaten.

  • 5. Het bestaande systeem om de eigen middelen op basis van de btw vast te stellen, is door de Rekenkamer, het Europees Parlement en de lidstaten herhaaldelijk bekritiseerd als te ingewikkeld. De Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 heeft daarom geconcludeerd dat de berekening van dat eigen middel moet worden vereenvoudigd.

  • 6. Om de financieringsinstrumenten van de Unie beter op haar beleidsprioriteiten af te stemmen, om de rol van de algemene begroting van de Unie („de Uniebegroting”) voor de werking van de eengemaakte markt beter tot uiting te brengen, om de doelstellingen van het Uniebeleid beter te ondersteunen en om de op het bruto nationaal inkomen (bni) gebaseerde bijdragen van de lidstaten aan de jaarlijkse begroting van de Unie te verlagen, heeft de Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 geconcludeerd dat de Unie de komende jaren zou streven naar een hervorming van het stelsel van eigen middelen en nieuwe eigen middelen zou invoeren.

  • 7. Als eerste stap moet een nieuwe categorie eigen middelen worden ingevoerd in de vorm van een nationale bijdrage berekend op grond van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval. Overeenkomstig de Europese strategie voor kunststoffen kan de Uniebegroting vervuiling door kunststof verpakkingsafval helpen terugdringen. Een categorie eigen middelen in de vorm van nationale bijdragen die evenredig zijn aan de hoeveelheid niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval in elke lidstaat, zal voor een prikkel zorgen om het verbruik van kunststoffen voor eenmalig gebruik terug te dringen, recycling stimuleren en de circulaire economie bevorderen. Tegelijkertijd zal het lidstaten vrij staan om, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, de meest geschikte maatregelen te nemen om die doelstellingen te behalen. Om een overdreven regressief effect op de nationale bijdragen te voorkomen, moet een aanpassingsmechanisme met een jaarlijkse forfaitaire verlaging worden toegepast op de bijdragen van lidstaten met in 2017 een bni per hoofd van de bevolking onder het EU-gemiddelde. Deze vermindering moet overeenstemmen met 3,8 kilogram vermenigvuldigd met de bevolking in 2017 van de betrokken lidstaten.

  • 8. De Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 heeft opgemerkt dat de Commissie, als basis voor aanvullende eigen middelen, in de loop van het eerste halfjaar van 2021 voorstellen zal doen voor een koolstofgrenscorrectiemechanisme en voor een heffing op digitale diensten, met de bedoeling dat die uiterlijk op 1 januari 2023 worden ingevoerd. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht met een herzien voorstel komen voor het EU-emissiehandelssysteem, waarbij dat systeem mogelijkerwijs wordt uitgebreid tot de lucht- en zeevaartsectoren. Tot slot stelde de Europese Raad dat de Unie onder het meerjarig financieel kader voor de periode 2021–2027 („MFK 2021–2027”) zal werken aan de invoering van andere eigen middelen, waaronder mogelijk een belasting op financiële transacties.

  • 9. De Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 heeft geconcludeerd dat de algemene doelstellingen van eenvoud, transparantie en billijkheid, met inbegrip van een eerlijke lastenverdeling, als leidraad voor de eigenmiddelenregelingen moeten dienen. Tevens is zij tot de conclusie gekomen dat Denemarken, Nederland, Oostenrijk en Zweden, alsmede, in het kader van de steun voor herstel en veerkracht, Duitsland, forfaitaire correcties moeten kunnen toepassen op hun jaarlijkse op het bni gebaseerde bijdragen voor de periode 2021–2027.

  • 10. De lidstaten moeten 25 % van de door hen geïnde bedragen aan traditionele eigen middelen inhouden als inningskosten.

  • 11. De integratie van het Europees Ontwikkelingsfonds in de Uniebegroting moet vergezeld gaan van een verhoging van de in dit besluit vastgestelde maxima van de eigen middelen. Een voldoende marge tussen de betalingen en het maximum van de eigen middelen is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de Unie – onder alle omstandigheden – haar financiële verplichtingen kan nakomen, zelfs in tijden van economische neergang.

  • 12. Een voldoende marge moet worden gehandhaafd onder de maxima voor de eigen middelen voor de Unie opdat zij al haar financiële verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen in een bepaald jaar kan nakomen. Het totale bedrag van de eigen middelen die aan de Unie worden toegewezen ter dekking van de jaarlijkse betalingskredieten, mag niet hoger liggen dan 1,40 % van de som van de bni's van alle lidstaten. Het totale jaarlijkse bedrag aan in de Uniebegroting opgenomen vastleggingskredieten mag niet hoger liggen dan 1,46 % van de som van de bni's van alle lidstaten.

  • 13. Om het bedrag aan financiële middelen die ter beschikking van de Unie worden gesteld ongewijzigd te houden, is het passend de maxima van de eigen middelen voor betalings- en vastleggingskredieten uitgedrukt als een percentage van het bni aan te passen indien Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad4) significante veranderingen van het bni-peil meebrengt.

  • 14. De economische impact van de COVID-19-crisis onderstreept het belang van het waarborgen dat de Unie voldoende financiële capaciteit heeft om economische schokken op te vangen. De Unie moet zichzelf de middelen verschaffen om haar doelstellingen te verwezenlijken. Financiële middelen op uitzonderlijke schaal zijn nodig om de gevolgen van de COVID-19-crisis te bestrijden zonder de druk op de financiën van de lidstaten te vergroten, nu hun begrotingen reeds onder enorme druk staan als gevolg van de financiering van de nationale economische en sociale maatregelen in verband met de crisis. Daarom moet een uitzonderlijke respons op Unieniveau plaatsvinden. Om die reden is het passend aan de Commissie op uitzonderlijke grond een tijdelijke machtiging te verlenen om namens de Unie op de kapitaalmarkten leningen aan te gaan tot maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018 van de geleende middelen. Van dat bedrag zou maximaal 360 miljard EUR in prijzen van 2018 uitsluitend worden gebruikt voor het verstrekken van leningen en maximaal 390 miljard EUR in prijzen van 2018 van de geleende middelen worden gebruikt voor uitgaven, in beide gevallen enkel ter bestrijding van de gevolgen van de COVID-19-crisis.

  • 15. Deze uitzonderlijke respons moet de gevolgen van de COVID-19-crisis bestrijden en herhaling van de crisis voorkomen. Daarom moet de steun in de tijd worden beperkt en moet het grootste deel van de financiering onmiddellijk na de crisis worden verstrekt, wat betekent dat de juridische verbintenissen van een met deze extra middelen gefinancierd programma uiterlijk op 31 december 2023 moeten worden aangegaan. De goedkeuring van betalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit zal afhankelijk zijn van het feit of de relevante mijlpalen en streefdoelen van het herstel- en veerkrachtplan voldoende verwezenlijkt zijn, welke zullen worden beoordeeld overeenkomstig de procedure daarvoor in de verordening tot instelling van een herstel- en veerkrachtfaciliteit, waarin de conclusies van de Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 hun weerslag vinden.

  • 16. Om de aansprakelijkheid in verband met de voorgenomen lening van financiële middelen te dragen, is een buitengewone en tijdelijke verhoging van de maxima van de eigen middelen noodzakelijk. Daarom moeten zowel het maximum van de betalingskredieten als dat van de vastleggingskredieten worden verhoogd met 0,6 procentpunten, uitsluitend om te voldoen aan alle verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit haar leningen om de gevolgen van de crisis COVID-19 aan te pakken. De machtiging van de Commissie om namens de Unie op de kapitaalmarkten leningen aan te gaan met als enig doel de financiering van de maatregelen om de gevolgen van de COVID-19-crisis te bestrijden, hangt nauw samen met de verhoging van het maximum van de eigen middelen dat is vastgelegd in dit besluit en, uiteindelijk, met de werking van het stelsel van eigen middelen van de Unie. Die machtiging moet dienovereenkomstig in dit besluit worden opgenomen. Omdat het om een ongekende verrichting en een uitzonderlijk bedrag aan de te lenen middelen gaat, moet zekerheid worden geboden wat betreft de totale omvang van de aansprakelijkheid van de Unie en de essentiële kenmerken van de terugbetaling ervan, en moet een gediversifieerde strategie voor middelenopname worden toegepast.

  • 17. De maxima van de eigen middelen moeten worden verhoogd omdat deze anders ontoereikend zouden zijn om de Unie voldoende middelen te geven om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de uitzonderlijke en tijdelijke machtiging om leningen aan te gaan. De noodzaak om gebruik te maken van deze aanvullende toewijzing zal ook slechts tijdelijk zijn aangezien de betreffende financiële verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen mettertijd zullen afnemen naarmate de geleende middelen worden terugbetaald en de leningen vervallen. Daarom moet de verhoging eindigen wanneer alle geleende middelen zijn terugbetaald en moeten alle voorwaardelijke verplichtingen met betrekking tot op basis van die middelen verstrekte leningen zijn beëindigd, hetgeen uiterlijk op 31 december 2058 moet zijn.

  • 18. De activiteiten van de Unie voor het aanpakken van de gevolgen van de COVID-19-crisis moeten aanzienlijk zijn en in een relatief korte periode plaatsvinden. Bij het opnemen van de middelen moet dit tijdschema worden gevolgd. Daarom moet uiterlijk eind 2026 een einde komen aan de nieuwe netto opname van leningen. Na 2026 moeten de transacties tot het opnemen van leningen strikt worden beperkt tot herfinancieringstransacties om te zorgen voor een efficiënt schuldenbeheer. Bij de uitvoering van de maatregelen door middel van een gediversifieerde financieringsstrategie moet de Commissie optimaal gebruikmaken van de capaciteit van de markten om de opname van dergelijke aanzienlijke leningen met verschillende looptijden op te vangen, inclusief kortetermijnfinanciering ten behoeve van liquiditeitsbeheer, en moeten de meest voordelige terugbetalingsvoorwaarden worden gewaarborgd. Daarnaast moet de Commissie het Europees Parlement en de Raad regelmatig en uitgebreid informeren over alle aspecten van haar schuldbeheer. Zodra de betalingsschema’s voor het door de lening te financieren beleid bekend zijn, zal de Commissie een tijdschema voor de uitgifte met de verwachte uitgiftedata en -volumes voor het komende jaar en een plan met de verwachte aflossingen van de hoofdsom en rentebetalingen meedelen aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie dient dat tijdschema regelmatig te actualiseren.

  • 19. De terugbetaling van de geleende middelen die bedoeld zijn voor het verstrekken van niet terug te betalen steun, het verstrekken van terug te betalen steun door middel van financiële instrumenten of voorzieningen voor begrotingsgaranties, alsmede de betaling van verschuldigde rente, moet uit de begroting van de Unie worden gefinancierd. De als leningen opgenomen middelen die worden gebruikt om leningen aan lidstaten te verstrekken, moeten worden terugbetaald met gebruik van de bedragen die van de begunstigde lidstaten worden ontvangen. De nodige middelen moeten aan de Unie worden toegewezen en ter beschikking worden gesteld zodat zij kan voldoen aan al haar financiële verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit de uitzonderlijke en tijdelijke machtiging om in een bepaald jaar onder alle omstandigheden middelen te lenen met inachtneming van artikel 310, lid 4, en artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

  • 20. Bedragen die niet zijn gebruikt voor rentebetalingen zoals gepland, zullen worden gebruikt voor vervroegde aflossingen vóór het einde van het MFK 2021–2027, met een minimumbedrag, en kunnen worden verhoogd tot boven dit niveau mits na 2021 nieuwe eigen middelen zijn ingevoerd volgens de procedure van artikel 311, derde alinea, VWEU. Alle verplichtingen die voortvloeien uit de uitzonderlijke en tijdelijke machtiging om leningen aan te gaan, moeten uiterlijk op 31 december 2058 volledig zijn terugbetaald. Om te zorgen voor het efficiënt begrotingsbeheer van de kredieten die vereist zijn voor de terugbetaling van de geleende middelen, is het passend te voorzien in de mogelijkheid de onderliggende begrotingsvastleggingen in jaarlijkse tranches te verdelen.

  • 21. Het terugbetalingsschema moet in overeenstemming zijn met het beginsel van goed financieel beheer en betrekking hebben op de volledige omvang van de middelen die zijn geleend in het kader van de machtiging van de Commissie, zodat de verplichtingen gedurende de gehele periode op gestage en voorspelbare wijze afnemen. Daartoe mogen de bedragen die in een bepaald jaar door de Unie zijn verschuldigd voor de aflossing van de hoofdsom, ten hoogste 7,5 % van het maximumbedrag van 390 miljard EUR voor uitgaven belopen.

  • 22. Gegeven de kenmerken van de uitzonderlijke, tijdelijke en beperkte machtiging van de Commissie om middelen te lenen teneinde de gevolgen van de COVID-19-crisis te bestrijden, moet worden verduidelijkt dat de Unie in de regel geen gebruik mag maken van op de kapitaalmarkten geleende middelen voor de financiering van beleidsuitgaven.

  • 23. Om ervoor te zorgen dat de Unie altijd in staat is tijdig aan haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van derden te voldoen, moeten in dit besluit specifieke regels worden vastgelegd die de Commissie, gedurende de periode dat de tijdelijke verhoging van de maxima van de eigen middelen van kracht is, het recht geven de lidstaten te verzoeken voorlopig de nodige kasmiddelen beschikbaar te stellen indien de op de Uniebegroting uitgetrokken kredieten niet toereikend zijn om de verplichtingen te dekken die voortvloeien uit leningen die verband houden met die tijdelijke verhoging. De Commissie moet, als laatste redmiddel, enkel een beroep kunnen doen op kasmiddelen als zij de nodige liquiditeit niet kan genereren door andere maatregelen met betrekking tot actief liquiditeitsbeheer, waaronder, zo nodig, door middel van een beroep op kortetermijnfinanciering op kapitaalmarkten, om ervoor te zorgen dat de verplichtingen van de Unie jegens kredietverstrekkers tijdig worden nageleefd. Het is dienstig te bepalen dat dergelijke verzoeken ruim van tevoren door de Commissie aan de lidstaten moeten worden aangekondigd en strikt pro rata moeten zijn met de geraamde begrotingsontvangsten van elke lidstaat, en in ieder geval beperkt tot hun aandeel in het tijdelijk verhoogde maximum van de eigen middelen, dat wil zeggen 0,6 % van het bni van de lidstaten. Indien een lidstaat een verzoek echter niet tijdig geheel of gedeeltelijk inwilligt of de Commissie ervan in kennis stelt dat hij daaraan geen gevolg zal kunnen geven, moet de Commissie niettemin voorlopig worden gemachtigd om op een pro-ratabasis extra verzoeken aan andere lidstaten te doen. Het is dienstig een maximumbedrag te bepalen dat de Commissie jaarlijks aan een lidstaat kan vragen. De Commissie wordt geacht de nodige voorstellen in te dienen om de uitgaven die worden gedekt door de bedragen van de door de lidstaten voorlopig verstrekte kasmiddelen op te nemen in de Uniebegroting om ervoor te zorgen dat die middelen zo spoedig mogelijk in aanmerking worden genomen opdat de eigen middelen door de lidstaten op het credit van rekeningen worden geboekt, dat wil zeggen overeenkomstig het toepasselijke juridisch kader en dus op basis van de respectieve bni-sleutels en onverlet andere eigen middelen en andere inkomsten.

  • 24. Uit hoofde van artikel 311, vierde alinea, VWEU zal een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Unie worden aangenomen. Die maatregelen moeten bepalingen van algemene en technische aard omvatten, die gelden voor alle categorieën eigen middelen. Die maatregelen moeten nadere regels bevatten voor de berekening en opname in de begroting van het saldo, alsmede de bepalingen en regelingen die nodig zijn voor de controle en het toezicht op de inning van de eigen middelen.

  • 25. Dit besluit moet pas in werking treden na door alle lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen te zijn goedgekeurd; de nationale soevereiniteit wordt hierbij derhalve ten volle in acht genomen. De Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 heeft nota genomen van het voornemen van de lidstaten om dit besluit zo spoedig mogelijk goed te keuren.

  • 26. Om redenen van samenhang, continuïteit en rechtszekerheid moeten bepalingen worden vastgesteld die een soepele transitie mogelijk maken van het bij Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad5) ingevoerde stelsel naar het in dit besluit voorziene stelsel.

  • 27. Besluit 2014/335/EU, Euratom moet worden ingetrokken.

  • 28. Voor de toepassing van dit besluit dienen alle bedragen te worden uitgedrukt in euro.

  • 29. Vanwege de noodzaak om dringend de opname van leningen mogelijk te maken voor de financiering van maatregelen om de gevolgen van de COVID-19-crisis op te vangen, moet dit besluit in werking treden op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de laatste kennisgeving van de voltooiing van de procedures voor de aanneming van dit besluit is ontvangen.

  • 30. Om de transitie naar het herziene stelsel van eigen middelen te waarborgen en om ervoor te zorgen dat dit besluit samenvalt met het begrotingsjaar, moet dit besluit met ingang van 1 januari 2021 van toepassing zijn,

Heeft het volgende besluit vastgesteld:

Artikel 1 Onderwerp

Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld voor de toekenning van eigen middelen aan de Unie om de financiering van de jaarlijkse begroting van de Unie te waarborgen.

Artikel 2 Categorieën eigen middelen en specifieke berekeningsmethoden

  • 1. De in de Uniebegroting opgevoerde eigen middelen worden gevormd door de ontvangsten uit:

    • a. traditionele eigen middelen bestaande uit de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen, rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met derde landen, de douanerechten op de onder het vervallen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;

    • b. de toepassing van een uniform afdrachtpercentage van 0,30 % voor alle lidstaten op het totale bedrag aan btw-inkomsten dat is geïnd ten aanzien van alle belastbare leveringen, gedeeld door het gewogen gemiddeld btw-tarief, berekend over het betreffende kalenderjaar, zoals bepaald in Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad.6) Voor elke lidstaat mag de hiertoe in aanmerking te nemen btw-grondslag niet meer bedragen dan 50 % van het bni;

    • c. de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval dat in elke lidstaat wordt gegenereerd. Het uniform afdrachtpercentage bedraagt 0,80 EUR per kilogram. Voor bepaalde lidstaten geldt een jaarlijkse forfaitaire verlaging als omschreven in de derde alinea van lid 2;

    • d. de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen uniform afdrachtpercentage op de som van de bni's van alle lidstaten.

  • 2. Voor de toepassing van lid 1, onder c), van dit artikel betekent „kunststof” een polymeer in de zin van artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad7) waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd; „verpakkingsafval” en „recycling” hebben de betekenis die aan die begrippen in respectievelijk punt 2 en punt 2 ter van artikel 3 van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad8) is toegekend, en als gebruikt in Besluit 2005/270/EG van de Commissie.9)

    Het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval wordt berekend als het verschil tussen het gewicht van het kunststof verpakkingsafval dat in een bepaald jaar in een lidstaat wordt gegenereerd en het gewicht van het in dat jaar gerecyclede kunststof kunststof verpakkingsafval, zoals bepaald op grond van Richtlijn 94/62/EG.

    De volgende lidstaten hebben recht op jaarlijkse forfaitaire verlagingen, uitgedrukt in lopende prijzen, van hun respectieve bijdragen uit hoofde van lid 1, onder c), ten belope van 22 miljoen EUR voor Bulgarije, 32,1876 miljoen EUR voor Tsjechië, 4 miljoen EUR voor Estland, 33 miljoen EUR voor Griekenland, 142 miljoen EUR voor Spanje, 13 miljoen EUR voor Kroatië, 184,0480 miljoen EUR voor Italië, 3 miljoen EUR voor Cyprus, 6 miljoen EUR voor Letland, 9 miljoen EUR voor Litouwen, 30 miljoen EUR voor Hongarije, 1,4159 miljoen EUR voor Malta, 117 miljoen EUR voor Polen, 31,3220 miljoen EUR voor Portugal, 60 miljoen EUR voor Roemenië, 6,2797 miljoen EUR voor Slovenië en 17 miljoen EUR voor Slowakije.

  • 3. Voor de toepassing van lid 1, onder d), is het uniforme afdrachtpercentage van toepassing op het bni van elke lidstaat.

    Onder bni in de zin van lid 1, onder d), wordt verstaan een jaarlijks bni, uitgedrukt in marktprijzen, zoals dat door de Commissie is meegedeeld in toepassing van Verordening (EU) nr. 549/2013.

  • 4. Voor de periode 2021-2027 genieten de volgende lidstaten een brutoverlaging van hun jaarlijkse bni-bijdragen uit hoofde van lid 1, onder d), ten belope van 565 miljoen EUR voor Oostenrijk, 377 miljoen EUR voor Denemarken, 3,671 miljard EUR voor Duitsland, 1,921 miljard EUR voor Nederland en 1,069 miljard EUR voor Zweden. Die bedragen worden uitgedrukt in prijzen van 2020 en omgerekend in actuele prijzen door toepassing van de door de Commissie meegedeelde, meest recente deflator voor het bruto binnenlands product voor de Unie uitgedrukt in euro die beschikbaar is wanneer de ontwerpbegroting wordt opgesteld. Die brutoverlagingen worden gefinancierd door alle lidstaten.

  • 5. Indien de Uniebegroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de bestaande uniforme bni-afdrachtpercentages van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages.

Artikel 3 Maxima van de eigen middelen

  • 1. Het totale bedrag van de aan de Unie ter dekking van de jaarlijkse betalingskredieten toegewezen eigen middelen is niet hoger dan 1,40 % van de som van de bni's van alle lidstaten.

  • 2. De jaarlijks in de Uniebegroting opgevoerde vastleggingskredieten bedragen niet meer dan 1,46 % van de som van de bni's van alle lidstaten.

  • 3. Er wordt een gepaste verhouding tussen vastleggingskredieten en betalingskredieten in acht genomen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn en om in de volgende jaren de hand te kunnen houden aan het in lid 1 bepaalde maximum.

  • 4. Indien wijzigingen in Verordening (EU) nr. 549/2013 significante veranderingen van het bni-peil meebrengt, berekent de Commissie de in de leden 1 en 2 vastgelegde maxima opnieuw, zoals tijdelijk verhoogd overeenkomstig artikel 6, op basis van de volgende formule:

    waarbij:

    • „x%” het maximum van de eigen middelen voor betalingskredieten is;

    • „y%” het maximum van de eigen middelen voor vastleggingskredieten is;

    • „t” het laatste volledige jaar is waarvoor de bij Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad10) vastgestelde gegevens beschikbaar zijn;

    • „ESR” het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Unie is.

Artikel 4 Gebruik van op kapitaalmarkten geleende middelen

De Unie gebruikt op kapitaalmarkten geleende middelen niet voor de financiering van beleidsuitgaven.

Artikel 5 Buitengewone en tijdelijke aanvullende middelen ter bestrijding van de gevolgen van de COVID-19-crisis

  • 1. Uitsluitend met het oog op het aanpakken van de gevolgen van de COVID-19-crisis door middel van de verordening van de Raad tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie en de daarin genoemde sectorale wetgeving:

    • a. wordt de Commissie gemachtigd om namens de Unie middelen op kapitaalmarkten maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018 te lenen. De transacties tot het opnemen van leningen worden uitgevoerd in euro;

    • b. maximaal 360 miljard EUR in prijzen van 2018 van de geleende middelen mogen worden gebruikt voor het verstrekken van leningen en, in afwijking van artikel 4, maximaal 390 miljard EUR in prijzen van 2018 van de geleende middelen mag worden gebruikt voor uitgaven.

    Het in de eerste alinea, onder a), bedoelde bedrag wordt aangepast op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad jaarlijks in kennis van het aangepaste bedrag.

    De Commissie beheert de in eerste alinea, onder a), bedoelde opname van leningen op zodanige wijze dat na 2026 geen nieuwe netto opname van leningen plaatsvindt.

  • 2. De terugbetaling van de hoofdsom van de geleende voor de in lid 1, eerste alinea, onder b), van dit artikel bedoelde uitgaven te gebruiken middelen en de daarmee samenhangende verschuldigde rente komen ten laste van de Uniebegroting. Overeenkomstig artikel 112, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad11) mag de vastlegging in de begroting in verscheidene jaartranches worden verdeeld.

    De terugbetaling van de in de lid 1, eerste alinea, onder a), van dit artikel bedoelde middelen geschiedt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, volgens een schema dat waarborgt dat de verplichtingen gestaag en voorspelbaar verminderen. Met de terugbetaling van de hoofdsom van de middelen wordt vóór het einde van de MFK-periode 2021-2027 begonnen, met een minimumbedrag, voor zover bedragen die niet voor uit hoofde van de in lid 1 van dit artikel bedoelde leningen verschuldigde rentebetalingen zijn gebruikt, het toelaten, met inachtneming van de in artikel 314 VWEU bepaalde procedure. Alle verplichtingen als gevolg van de uitzonderlijke en tijdelijke machtiging van de Commissie om in lid 1 van dit artikel bedoelde leningen op te nemen worden uiterlijk op 31 december 2058 volledig terugbetaald.

    De door de Unie in een gegeven jaar verschuldigde bedragen voor de terugbetaling van de hoofdsom van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde middelen belopen niet meer dan 7,5 % van het in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde maximumbedrag dat voor uitgaven moet worden gebruikt.

  • 3. De Commissie treft de noodzakelijke regelingen voor het beheer van de transacties tot het opnemen van leningen. De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad regelmatig en uitgebreid over alle aspecten van haar strategie voor schuldbeheer. De Commissie stelt een tijdschema voor de uitgifte vast met de verwachte uitgiftedata en -volumes voor het komende jaar, en een plan met de verwachte aflossingen van de hoofdsom en rentebetalingen, en deelt het aan het Europees Parlement en de Raad mee. De Commissie actualiseert dat tijdschema regelmatig.

Artikel 6 Buitengewone en tijdelijke verhoging van de maxima van de eigen middelen ten behoeve van de toewijzing van de voor de bestrijding van de gevolgen van de COVID-19-crisis benodigde middelen

De in artikel 3, leden 1 en 2, vastgestelde maxima worden elk tijdelijk verhoogd met 0,6 procentpunt met als enig doel alle verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit haar in artikel 5 bedoelde leningen, te dekken totdat al deze verplichtingen zijn vervallen, en uiterlijk tot en met 31 december 2058.

De verhoogde maxima van de eigen middelen mogen niet worden gebruikt ter dekking van andere verplichtingen van de Unie.

Artikel 7 Universaliteitsbeginsel

De in artikel 2 bedoelde ontvangsten worden zonder onderscheid gebruikt voor de financiering van alle uitgaven die in de jaarlijkse begroting van de Unie zijn opgenomen.

Artikel 8 Overdracht van het overschot

Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Unie ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgedragen.

Artikel 9 Inning van de eigen middelen en terbeschikkingstelling ervan aan de Commissie

  • 1. De in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde eigen middelen worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. De lidstaten passen die bepalingen waar nodig aan opdat zij aan de Unievoorschriften voldoen.

    De Commissie onderzoekt de desbetreffende nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt de lidstaten de aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de Unievoorschriften, en brengt zo nodig verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.

  • 2. De lidstaten houden 25 % van de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde bedragen in als inningskosten.

  • 3. De lidstaten stellen de in artikel 2, lid 1, van dit besluit bedoelde eigen middelen ter beschikking van de Commissie, in overeenstemming met verordeningen die op grond van artikel 322, lid 2, VWEU worden vastgesteld.

  • 4. Onverminderd artikel 14, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad12) geldt dat, als de in de Uniebegroting opgenomen toegestane kredieten voor de Unie niet toereikend zijn om te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit het opnemen van leningen zoals bedoeld in artikel 5 van dit besluit, en de Commissie de nodige liquiditeit niet kan genereren door andere maatregelen die in de op die leningen toepasselijke financiële regelingen zijn opgenomen, op tijd te activeren om de naleving van de verplichtingen van de Unie te garanderen, inclusief door actief liquiditeitsbeheer en, indien nodig, door een beroep te doen op kortetermijnfinanciering op kapitaalmarkten conform de in artikel 5, lid 1, eerste alinea, onder a), en artikel 5, lid 2, vastgelegde voorwaarden en beperkingen, de lidstaten de Commissie, als laatste redmiddel, daartoe de nodige middelen ter beschikking stellen. In die alinea, onder a), en artikel 5, lid 2, vastgelegde voorwaarden en beperkingen, de lidstaten de Commissie, als laatste redmiddel, daartoe de nodige middelen ter beschikking stellen. In die gevallen zijn, in afwijking van artikel 14, lid 3, en van artikel 14, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, leden 5 tot en met 9, van dit artikel van toepassing.

  • 5. Behoudens artikel 14, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 kan de Commissie de lidstaten verzoeken om, naar evenredigheid („pro rata”) van de geraamde begrotingsontvangsten van elk van hen, voorlopig het verschil tussen de totale activa en de behoeften aan kasmiddelen bij te passen. De Commissie kondigt dergelijke verzoeken ruim van tevoren aan de lidstaten aan. De Commissie zal met de nationale bureaus voor schuldbeheer en de nationale schatkisten een gestructureerde dialoog aangaan over de uitgifte en de terugbetalingsschema’s.

    Indien een lidstaat een verzoek niet tijdig volledig of gedeeltelijk inwilligt of de lidstaat de Commissie ervan in kennis stelt dat hij daaraan geen gevolg zal kunnen geven, heeft de Commissie voorlopig het recht om ter dekking van het deel van de betrokken lidstaat, aanvullende verzoeken te doen bij andere lidstaten. Dergelijke verzoeken zijn pro rata naar de geraamde begrotingsontvangsten van elk van de andere lidstaten. De lidstaat die een verzoek niet inwilligt, blijft gehouden tot inwilliging ervan.

  • 6. Het maximale totale jaarlijkse bedrag aan kasmiddelen dat uit hoofde van lid 5 van een lidstaat kan worden gevraagd, wordt in elk geval beperkt tot zijn relatieve aandeel op basis van het bni in de buitengewone en tijdelijke verhoging van het maximum van de eigen middelen als bedoeld in artikel 6. Daartoe wordt het relatieve aandeel op basis van het bni berekend als het aandeel in het totale bni van de Unie, zoals dat voortvloeit uit de overeenkomstige kolom in het deel „ontvangsten” van de laatst vastgestelde jaarlijkse begroting van de Unie.

  • 7. Elke verstrekking van kasmiddelen op grond van de leden 5 en 6 wordt onverwijld gecompenseerd in overeenstemming met het toepasselijke juridisch kader voor de Uniebegroting.

  • 8. De uitgaven die met de overeenkomstig lid 5 voorlopig opgenomen kasmiddelen worden gedekt, worden onverwijld in de Uniebegroting opgenomen om ervoor te zorgen dat de desbetreffende ontvangsten zo spoedig mogelijk in aanmerking worden genomen opdat de eigen middelen door de lidstaten op het credit van rekeningen worden geboekt overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

  • 9. De toepassing van lid 5 mag er niet toe leiden toe dat jaarlijks kasmiddelen worden gevraagd die de in artikel 3 bedoelde maxima van de eigen middelen overschrijden, zoals verhoogd overeenkomstig artikel 6.

Artikel 10 Uitvoeringsmaatregelen

De Raad stelt, overeenkomstig de procedure van artikel 311, vierde alinea, VWEU, uitvoeringsmaatregelen vast ten aanzien van de volgende elementen van het stelsel van eigen middelen van de Unie:

  • a. de procedure voor de berekening en budgettering van het saldo van de jaarlijkse begroting als bedoeld in artikel 8;

  • b. de voorschriften en regelingen welke noodzakelijk zijn voor de controle en het toezicht op de inning van de in artikel 2, lid 1, bedoelde eigen middelen en eventuele relevante rapportagevereisten.

Artikel 11 Overgangs- en slotbepalingen

  • 1. Behoudens het bepaalde in lid 2, wordt Besluit 2014/335/EU, Euratom ingetrokken. Verwijzingen naar Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad,13) Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad,14) Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad,15) Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad,16) Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad,17) Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad18) of Besluit 2014/335/EU, Euratom worden beschouwd als verwijzingen naar het onderhavige besluit; verwijzingen naar het ingetrokken besluit worden gelezen volgens de in de bijlage bij dit besluit opgenomen concordantietabel.

  • 2. De artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 94/728/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2000/597/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2007/436/EG, Euratom en de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2014/335/EU blijven van toepassing op de berekening en de aanpassing van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van een afdrachtpercentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld en beperkt tot 50 % à 55 % van het bnp of bni van elke lidstaat, al naargelang het jaar, op de berekening van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk voor de jaren 1995 tot en met 2020 en op de berekening van de financiering door andere lidstaten van de correcties ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk.

  • 3. Op de in artikel 2, lid 1, punt a), bedoelde bedragen die vóór 28 februari 2001 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 10 % als inningskosten ingehouden.

  • 4. Op de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2001 en 28 februari 2014 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 25 % als inningskosten ingehouden.

  • 5. Op de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2014 en 28 februari 2021 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 20 % als inningskosten ingehouden.

  • 6. Voor de toepassing van dit besluit dienen alle bedragen worden uitgedrukt in euro.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Het secretariaat-generaal van de Raad deelt dit besluit aan de lidstaten mee.

De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures.

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na de ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 13 Geadresseerden

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

GEDAAN te Brussel, 14 december 2020.

Voor de Raad De voorzitter M. ROTH



Bijlage

Concordantietabel

Besluit 2014/335/EU

Dit besluit

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 1, onder d)

Artikel 3, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 9, lid 2

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 2, lid 5

Artikel 2, lid 3, eerste alinea, en artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 6

Artikel 2, lid 5

Artikel 2, lid 7

Artikel 2, lid 3, tweede alinea, en artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, leden 2 en 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 4

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8, lid 1

Artikel 9, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 9, lid 3

Artikel 9, leden 4 tot en met 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 10, lid 3, tweede zin

Artikel 11, lid 4

Artikel 11, lid 5

Artikel 10, lid 4

Artikel 11, lid 6

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13


D. PARLEMENT

Het Besluit behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan het Besluit kan worden gebonden.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Besluit zullen ingevolge artikel 12 op de eerste dag van de maand na de datum waarop de lidstaten de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van het Besluit vereiste procedures, in werking treden.

Uitgegeven de twaalfde januari 2021.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. BLOK


X Noot
1)

De Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse tekst zijn niet opgenomen.

X Noot
2)

Het voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is nog niet ontvangen. In de tekst kunnen derhalve onjuistheden voorkomen die in een volgend Tractatenblad zullen worden gecorrigeerd.

X Noot
3)

Advies van 16 september 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

X Noot
4)

Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

X Noot
5)

Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).

X Noot
6)

Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9).

X Noot
7)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

X Noot
8)

Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10).

X Noot
9)

Beschikking 2005/270/EG van de Commissie van 22 maart 2005 tot vaststelling van de tabellen voor het databanksysteem overeenkomstig Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 86 van 5.4.2005, blz. 6).

X Noot
10)

Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen en tot intrekking van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad (bni-verordening) (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 19).

X Noot
11)

Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

X Noot
12)

Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39).

X Noot
13)

Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 94 van 28.4.1970, blz. 19).

X Noot
14)

Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad van 7 mei 1985 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 128 van 14.5.1985, blz. 15).

X Noot
15)

Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185 van 15.7.1988, blz. 24).

X Noot
16)

Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 293 van 12.11.1994, blz. 9).

X Noot
17)

Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42).

X Noot
18)

Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17).