A. TITEL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake sociale zekerheid, met Administratief Akkoord;

's-Gravenhage, 2 juli 2001

B. TEKST

De tekst van het Verdrag is geplaatst in Trb. 2001, 125.

C. VERTALING

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Australië inzake sociale zekerheid

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Australië,

Geleid door de wens de bestaande vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide landen te versterken,

Vastbesloten de samenwerking op het gebied van sociale zekerheid voort te zetten, en

Geleid door de wens de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake sociale zekerheid van 4 januari 1991 (de Overeenkomst van 1991) uit te breiden en te wijzigen;

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

1. Tenzij het zinsverband anders vereist, wordt in dit Verdrag verstaan onder:

„uitkering": met betrekking tot een Partij, een uitkering, pensioen of bijslag waarin de wetgeving van die Partij voorziet, met inbegrip van ieder bijkomend bedrag, iedere bijkomende verhoging of aanvulling waarvoor een rechthebbende in aanmerking komt ingevolge de wetgeving van die Partij, maar voor Australië omvat deze begripsomschrijving niet een uitkering, betaling of recht ingevolge de wet betreffende pensioengaranties en voor Nederland niet een uitkering, betaling of recht ingevolge de Toeslagenwet (TW);

„bevoegde autoriteit": wat Australië betreft, de Secretary to the Commonwealth Department die verantwoordelijk is voor de in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder i, bedoelde wetgeving behalve wat betreft de toepassing van Deel II, Afdeling A van het Verdrag (met inbegrip van de toepassing van andere Delen van het Verdrag waar zij van invloed zijn op de toepassing van dat Deel) indien het deCommissioner of Taxation of een bevoegde vertegenwoordiger van de Commissioner betreft, en wat Nederland betreft, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

„bevoegd orgaan": wat Australië betreft, het orgaan dat tot taak heeft de toepasselijke Australische wetgeving uit te voeren en wat Nederland betreft, het orgaan dat belast is met de uitvoering van de wetgeving van Nederland genoemd in artikel 2 en dat bevoegd is ingevolge die wetgeving;

„wetgeving": wat Australië betreft, de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder i, genoemde wetten behalve wat betreft de toepassing van Deel II, Afdeling A van het Verdrag (met inbegrip van de toepassing van andere delen van het Verdrag waar zij van invloed zijn op de toepassing van dat Deel) indien het de wet genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder ii, betreft en wat Nederland betreft, de wetten, voorschriften en administratieve regelingen betreffende de stelsels en takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel b;

„verzekeringstijdvak": een tijdvak dat in de wetgeving van Nederland als zodanig wordt omschreven;

„woonwerktijdvak in Australië": met betrekking tot een persoon, een tijdvak dat in de wetgeving van Australië als zodanig wordt omschreven, met uitzondering van een tijdvak dat ingevolge artikel 10 wordt beschouwd als een tijdvak waarin die persoon inwoner van Australië was;

„grondgebied": wat Australië betreft, het Gemenebest van Australië, het Territorium Cocos- (of Keeling-)eilanden en het Territorium Christmas Eiland, en wat Nederland betreft, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; en

„weduwe/weduwnaar": wat Australië betreft, een weduwe of weduwnaar de jure, met uitzondering van weduwen of weduwnaren die een partner hebben.

2. Voor de toepassing van dit Verdrag door een Partij ten aanzien van een persoon heeft ieder begrip dat in dit artikel niet wordt omschreven de betekenis die eraan wordt gegeven in de wetgeving van één van beide Partijen, tenzij het zinsverband anders vereist.

Artikel 2 Materiële werkingssfeer

1. Onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid, is dit Verdrag van toepassing op de volgende wetten, zoals gewijzigd op de datum van ondertekening van dit Verdrag, en op alle wetten die daarna worden aangenomen ter wijziging, consolidatie, aanvulling of vervanging van die wetten:

  • a. met betrekking tot Australië:

    • i. de wetten die het socialezekerheidsrecht vormen, voor zover het recht voorziet in, of van toepassing of van invloed is op de volgende uitkeringen:

    • A. ouderdomspensioenen;

    • B. invaliditeitspensioen voor ernstig gehandicapten; en

    • ii. de wetgeving inzake pensioengaranties (die ten tijde van de ondertekening van dit Verdrag is opgenomen in de Superannuation Guarantee (Administration) Act 1992, de Superannuation Guarantee Charge Act 1992 en de Superannuation Guarantee (Administration) Regulations);

  • b. wat Nederland betreft, zijn wetgeving inzake:

    • i. algemene ouderdomsverzekering;

    • ii. arbeidsongeschiktheidsverzekering van werknemers en zelfstandigen;

    • iii. algemene nabestaandenverzekering;

    • iv. kinderbijslagen;

    • v. ziekteverzekering (met inbegrip van de aansprakelijkheid van werkgevers voor doorbetaling tijdens ziekte);

en voor de toepassing van Deel II van het Verdrag tevens zijn wetgeving inzake:

    • vi. werkloosheidsverzekering.

2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, onderdeel a, blijft dit Verdrag van toepassing op vrouwen die het Australische pensioen voor echtgenotes ontvangen en gehuwd zijn met personen die een Australisch ouderdomspensioen ontvangen en het is eveneens van toepassing op vrouwen die het Australische pensioen voor echtgenotes ontvangen en gehuwd zijn met personen die het Australische invaliditeitspensioen voor ernstig gehandicapten ontvangen.

3. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, onderdeel a, omvat de term „uitkering" voor de toepassing van artikel 5 mede Australische pensioenen die verschuldigd zijn aan weduwen en weduwnaren en pensioenen voor wezen van wie beide ouders overleden zijn.

4. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel, omvat de term „uitkering" voor de toepassing van het artikel 15, eerste en tweede lid, wanneer verwezen wordt naar een Australische uitkering, mede pensioenen die verschuldigd zijn aan weduwen en weduwnaren.

5. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, onderdeel a, omvat de wetgeving van Australië geen wetten die voor of na de datum van ondertekening van dit Verdrag zijn uitgevaardigd om uitvoering te geven aan verdragen inzake sociale zekerheid die door Australië met andere staten worden gesloten.

6. Dit Verdrag is alleen van toepassing op wetten die de wetgeving van een van beide Partijen uitbreiden tot nieuwe categorieën rechthebbenden of tot nieuwe takken of stelsels van sociale zekerheid, indien beide Partijen dit overeenkomen in een Protocol bij dit Verdrag.

7. Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, is dit Verdrag niet van toepassing op regelingen inzake sociale en medische bijstand, noch op bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden, noch op regelingen betreffende toekenning van uitkeringen aan slachtoffers van oorlogshandelingen of van de gevolgen van oorlog.

8. Dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 of van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963.

Artikel 3 Personele werkingssfeer

Onder voorbehoud van het bepaalde in andere artikelen van dit Verdrag, is het van toepassing op iedere persoon:

  • a. die inwoner van Australië is of is geweest, of

  • b. op wie de wetgeving van Nederland van toepassing is of is geweest,

en, indien van toepassing, op andere personen voor zover zij rechten ontlenen aan een persoon zoals hierboven bedoeld.

Artikel 4 Gelijkheid van behandeling

1. De staatsburgers van elk van de Partijen worden bij de toepassing van de wetgeving inzake sociale zekerheid van Australië en Nederland met betrekking tot uitkeringen op gelijke wijze behandeld.

2. Onder voorbehoud van het bepaalde in dit Verdrag en tenzij anders bepaald, worden alle personen op wie dit Verdrag van toepassing is door een Partij op gelijke wijze behandeld wat betreft de rechten en verplichtingen met betrekking tot uitkeringen die uit hoofde van dit Verdrag ontstaan.

Artikel 5 Betaling van uitkeringen in het buitenland

1. Uitkeringen, verschuldigd hetzij uit hoofde van dit Verdrag of anderszins, worden niet verminderd, gewijzigd, opgeschort of ingetrokken op grond van het feit dat de rechthebbende of leden van zijn of haar gezin woont of wonen op het grondgebied van de andere Partij.

2. Wanneer tijdsbeperkingen gelden ten aanzien van het voortbestaan van het recht op of de betaalbaarheid van een uitkering, worden verwijzingen in die beperkingen naar het grondgebied van een Partij tevens opgevat als verwijzingen naar het grondgebied van de andere Partij.

3. Wanneer ten aanzien van het voortbestaan van het recht op of het verschuldigd zijn van een uitkering vereist wordt dat men voor een Australische uitkering inwoner van Australië is of, voor een Nederlandse uitkering, inwoner van Nederland en/of tevens aanwezig dient te zijn in respectievelijk Australië of Nederland, wordt ten aanzien van die vereisten een verwijzing naar een inwoner van Australië tevens opgevat als een verwijzing naar een inwoner van Nederland en vice versa en wordt een verwijzing naar aanwezigheid in Australië tevens opgevat als aanwezigheid in Nederland en vice versa.

4. Indien een pensioen voor wezen van wie beide ouders overleden zijn verschuldigd zou zijn aan een persoon ingevolge de wetgeving van Australië ten aanzien van een jongere wiens enige nog levende ouder overleed terwijl die jongere inwoner was van Australië, indien die persoon en de jongere in Australië woonden, is dat pensioen, ingevolge die wetgeving, verschuldigd wanneer die persoon en die jongere in Nederland wonen.

DEEL II

BEPALINGEN INZAKE TOEPASSELIJKHEID

AFDELING A

BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE AUSTRALISCHE WETGEVING INZAKE PENSIOENGARANTIES EN TOT DE NEDERLANDSE WETGEVING

Artikel 6 Doel van Afdeling A

Het doel van Afdeling A is te waarborgen dat werkgevers en werknemers op wie de wetgeving van Nederland of Australië van toepassing is geen dubbele verplichtingen hebben ingevolge de wetgeving van Nederland en Australië ten aanzien van hetzelfde werk van een werknemer.

Artikel 7 Toepassing van Afdeling A

Afdeling A is alleen van toepassing wanneer:

  • a. op een werknemer en/of de werkgever van de werknemer zonder de toepassing van Afdeling A zowel de wetgeving van Nederland als die van Australië van toepassing zou zijn; of

  • b. op een werknemer uit Nederland en/of de werkgever van die werknemer zonder de toepassing van artikel 8, tweede, derde, vijfde of zesde lid, de wetgeving van Australië van toepassing zou zijn en niet langer de wetgeving van Nederland.

Artikel 8 Bepalingen inzake toepasselijkheid

1. Tenzij anders voorzien in het tweede, derde of vierde lid, kan wanneer een werknemer werkzaam is op het grondgebied van een Partij, op de werkgever van de werknemer en op de werknemer ten aanzien van het werk en de beloning betaald voor het werk alleen de wetgeving van die Partij van toepassing zijn.

2. Wanneer:

  • a. op een werknemer de wetgeving van een Partij („de eerste Partij") van toepassing is; en

  • b. de werknemer hetzij voor, tijdens of na de inwerkingtreding van dit Deel, door de Regering van de eerste Partij is uitgezonden om te werken op het grondgebied van de andere Partij („de tweede Partij"); en

  • c. de werknemer werkzaam is op het grondgebied van de tweede Partij in dienst van de Regering van de eerste Partij; en

  • d. de werknemer niet permanent werkzaam is op het grondgebied van de tweede Partij;

is op de werkgever en werknemer alleen de wetgeving van de eerste Partij van toepassing ten aanzien van het werk en de beloning betaald voor het werk.

3. Wanneer:

  • a. op een werknemer de wetgeving van een Partij („de eerste Partij") van toepassing is; en

  • b. de werknemer voor, tijdens of na de inwerkingtreding van dit Deel is uitgezonden door een werkgever op wie de wetgeving van de eerste Partij van toepassing is om te werken op het grondgebied van de andere Partij („de tweede Partij"); en

  • c. de werknemer op het grondgebied van de tweede Partij werkzaam is in dienst van de werkgever of een aan die werkgever gelieerde entiteit; en

  • d. de werknemer uitgezonden is om werkzaam te zijn op het grondgebied van de tweede Partij en sedertdien nog geen tijdvak van vijf jaren is verstreken; en

  • e. de werknemer niet permanent werkzaam is op het grondgebied van de tweede Partij;

is op de werkgever en werknemer alleen de wetgeving van de eerste Partij van toepassing ten aanzien van het werk en de beloning betaald voor het werk. Een entiteit is een aan een werkgever gelieerde entiteit wanneer de entiteit en de werkgever behoren tot een groep die in zijn geheel of in meerderheid in bezit is van dezelfde handen.

4. Wanneer een werknemer in dienst van een werkgever werkzaam is aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, is op de werkgever en de werknemer ten aanzien van de werkzaamheden en de beloning betaald voor die werkzaamheden alleen de wetgeving van de Partij waar de werknemer woont van toepassing.

5. Voor de toepassing van de Nederlandse wetgeving wordt een persoon op wie in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel de Nederlandse wetgeving van toepassing is beschouwd als woonachtig op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

6. Overeenkomstig de bepalingen van dit artikel is de Nederlandse wetgeving van toepassing indien de werkgever of werknemer binnen drie maanden na de eerste dag van de uitzending ingevolge het tweede of derde lid een verklaring van toepasselijkheid heeft aangevraagd bij de Nederlandse autoriteit en deze verklaring is afgegeven aan de betrokkene.

Artikel 9 Uitzonderingsbepalingen

1. De bevoegde autoriteit voor Australië en het bevoegde orgaan voor Nederland kunnen ten behoeve van Deel A schriftelijk overeenkomen:

  • a. het tijdvak van 5 jaar bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, voor een werknemer te verlengen; of

  • b. dat een werknemer wordt beschouwd als zijnde werkzaam op het grondgebied van een bepaalde Partij of aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer ingevolge de wetgeving van een bepaalde Partij en alleen valt onder de wetgeving van die Partij.

2. Een overeenkomst ingevolge het eerste lid kan van toepassing zijn op:

  • a. een categorie werknemers; en/of

  • b. bepaalde werkzaamheden of een bepaald soort werkzaamheden (met inbegrip van werkzaamheden die niet voorkwamen op het tijdstip waarop de overeenkomst werd aangegaan).

AFDELING B

BEPALINGEN BETREFFENDE DE AUSTRALISCHE WETGEVING (ANDERS DAN MET BETREKKING TOT PENSIOENGARANTIES) EN BETREFFENDE DE NEDERLANDSE WETGEVING

Artikel 10 Tijdelijke afwezigheid uit Australië van partner of kinderen van uitgezonden werknemers

Een inwoner van Australië, die de partner of het kind is van een werknemer waarop artikel 8, tweede of derde lid, van toepassing is en die deze werknemer naar Nederland vergezelt, wordt onverminderd beschouwd als een inwoner van Australië, ongeacht het feit dat hij of zij tijdelijk in Nederland is tijdens het gehele tijdvak of een deel daarvan gedurende welk dat lid van toepassing is op die werknemer.

Artikel 11 Toepassing van de Nederlandse wetgeving op de partner of kinderen van uitgezonden werknemers

1. Op de partner die of het kind dat een werknemer op wie artikel 8, tweede of derde lid, van toepassing is, naar Australië vergezelt gedurende een tijdvak waarin hij of zij niet werkzaam is op het grondgebied van Australië, is de Nederlandse wetgeving van toepassing en die partner of dat kind wordt beschouwd als inwoner van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

2. Op de partner die of het kind dat een werknemer op wie artikel 8, tweede of derde lid van toepassing is, naar Nederland vergezelt, is de Nederlandse wetgeving niet van toepassing gedurende een tijdvak waarin hij of zij niet werkzaam is op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

DEEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE AUSTRALISCHE UITKERINGEN

Artikel 12 Wonen of verblijf in Nederland of in een derde staat

Wanneer een persoon krachtens de wetgeving van Australië of uit hoofde van dit Verdrag recht zou hebben op een uitkering, ware het niet dat hij of zij niet zowel in Australië woont als in Australië verblijft op de datum waarop hij of zij een aanvraag voor die uitkering indient, maar:

  • a. in Australië woont, dan wel in Nederland of in een derde staat waarmee Australië een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten waarin bepalingen zijn opgenomen voor samenwerking bij de beoordeling van en beslissing over aanvragen van uitkeringen, en

  • b. in Australië of in Nederland of in die derde staat verblijft,

wordt die persoon voor de indiening van die aanvraag geacht in Australië te wonen en op die datum in Australië te verblijven.

Artikel 13 Australische partneruitkeringen

Een persoon die krachtens de socialezekerheidswetten van Australië een Australische huwelijkspartneruitkering ontvangt vanwege het feit dat de partner van die persoon uit hoofde van dit Verdrag een Australische uitkering ontvangt, wordt geacht dat huwelijkspartnerpensioen te ontvangen uit hoofde van dit Verdrag.

Artikel 14 Samentelling van tijdvakken voor Australië

1. Wanneer een persoon op wie dit Verdrag van toepassing is een Australische uitkering uit hoofde van dit Verdrag heeft aangevraagd en:

  • a. een tijdvak van wonen in Australië heeft vervuld dat korter is dan het tijdvak dat vereist is om, op grond daarvan, voor die Australische uitkering in aanmerking te komen krachtens de wetgeving van Australië; en

  • b. een tijdvak van werken in Australië heeft vervuld dat gelijk is aan of langer dan het overeenkomstig het vierde lid voor die persoon geldende tijdvak; en

  • c. een verzekeringstijdvak heeft vervuld,

dan wordt dat verzekeringstijdvak ten behoeve van een aanvraag om die Australische uitkering geacht voor die persoon een tijdvak van wonen in Australië te zijn, slechts teneinde het minimumtijdvak te vervullen om op grond van de wetgeving van Australië voor die uitkering in aanmerking te komen.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt, wanneer een persoon:

  • a. in Australië heeft gewoond gedurende een aaneengesloten tijdvak dat korter is dan het aaneengesloten minimumtijdvak dat die persoon volgens de wetgeving van Australië moet hebben vervuld om voor een uitkering in aanmerking te komen, en

  • b. in twee of meer afzonderlijke tijdvakken een verzekeringstijdvak heeft vervuld dat in totaal gelijk is aan of langer dan het minimumtijdvak bedoeld in letter a,

het totaal van de verzekeringstijdvakken geacht een aaneengesloten tijdvak te zijn.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt, wanneer het tijdvak waarin een persoon in Australië woonde en het door die persoon vervulde verzekeringstijdvak samenvallen, het tijdvak van samenvallen door Australië slechts eenmaal aangemerkt als het tijdvak van wonen in Australië.

4. De duur van het minimumwoonwerktijdvak in Australië dat voor de toepassing van het eerste lid als zodanig dient te worden aangemerkt, is als volgt:

  • a. voor de behandeling van een Australische uitkering die is aangevraagd door een persoon die buiten Australië woont, bedraagt het vereiste minimumtijdvak een jaar, waarvan ten minste zes maanden aaneengesloten, en

  • b. voor de behandeling van een Australische uitkering die is aangevraagd door een persoon die in Australië woont, geldt geen minimumwoonwerktijdvak in Australië.

Artikel 15 Berekening van Australische uitkeringen

1. Onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid wordt, wanneer een persoon die buiten Australië verblijft uitsluitend uit hoofde van dit Verdrag in aanmerking komt voor een Australische uitkering, de hoogte van die uitkering vastgesteld overeenkomstig de wetgeving van Australië, echter met dien verstande dat de hoogte van het aanvullende bedrag voor een kind nul bedraagt.

2. Bij het bepalen van het inkomen van een persoon die buiten Australië verblijft, ten behoeve van de berekening van de hoogte van een uitkering, al dan niet verschuldigd uit hoofde van dit Verdrag,

  • a. wordt iedere betaling overeenkomstig de Algemene Bijstandswet krachtens de Nederlandse wetgeving aan die persoon buiten beschouwing gelaten;

  • b. wordt iedere betaling van de AOW-toeslag buiten beschouwing gelaten; en

  • c. wanneer een Australische uitkering naar rato verschuldigd is krachtens de wetgeving van Australië

dan wordt slechts een deel van een ander Nederlands ouderdomspensioen dat die persoon ontvangt beschouwd als inkomen. Dat deel wordt berekend door vermenigvuldiging van het door die persoon vervulde aantal gehele maanden van wonen in Australië (met een maximum van 300) met het bedrag van die Nederlandse uitkering, en deling van het product daarvan door 300.

De in onderdeel c beschreven berekening kan als volgt worden weergegeven:

A = Q x [R – (NP x Q/300+I – F)]

300 T

waarbij:

A=hoogte van de te betalen Australische uitkering;
Q=aantal maanden van het tijdvak van wonen in Australië, of 300, afhankelijk van welk getal het laagst is;
R=maximumbedrag van de Australische uitkering;
NP=Nederlandse uitkering exclusief AOW-toeslag;
I=inkomen volgens de betekenis die de Australische wetgeving daaraan hecht, exclusief de Nederlandse uitkering en eventuele betalingen overeenkomstig de Algemene Bijstandswet;
F=het vrij te laten bedrag krachtens de Australische inkomenstoets;
T=de desbetreffende afbouw ingevolge de Australische wetgeving.

3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft gedurende 26 weken van toepassing, wanneer een persoon tijdelijk naar Australië komt.

4. Onder voorbehoud van de bepalingen van het vijfde en zesde lid wordt, indien een persoon die in Australië verblijft uitsluitend uit hoofde van dit Verdrag in aanmerking komt voor een Australische uitkering, de hoogte van de uitkering bepaald door:

  • a. berekening van het inkomen van die persoon overeenkomstig de wetgeving van Australië, waarbij echter de Nederlandse uitkering die de betrokkene ontvangt buiten beschouwing wordt gelaten; en

  • b. aftrek van het bedrag van de Nederlandse uitkering die die persoon ontvangt van het maximumbedrag van die Australische uitkering; en

  • c. toepassing op het resterende bedrag van de uitkering, verkregen krachtens het in onderdeel b bepaalde, van de desbetreffende berekening voor de hoogte van de uitkering ingevolge de wetgeving van Australië, waarbij het bedrag berekend krachtens het in onderdeel a bepaalde wordt gehanteerd als het inkomen van de betrokkene.

5. Het bepaalde in het vierde lid blijft gedurende 26 weken van toepassing, wanneer een persoon Australië tijdelijk verlaat.

6. Wanneer een persoon, of zijn of haar partner, of zowel die persoon als zijn of haar partner, een Nederlandse uitkering of uitkeringen ontvangt c.q. ontvangen, wordt elk van hen, voor de toepassing van het vierde lid en van de wetten die het socialezekerheidsrecht vormen, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, geacht de helft van hetzij het bedrag van die uitkering hetzij van het totaal van beide uitkeringen te ontvangen, naar gelang het geval.

Artikel 16 Uitsluiting van bepaalde Nederlandse uitkeringen bij de Australische inkomenstoets

1. Indien een persoon een uitkering uit hoofde van de socialezekerheidswetten van Australië ontvangt of daar recht op heeft:

  • a. worden vergoedingen voor aanvullende medische of verpleegkundige zorg en rechtstreeks daarmee verband houdende kosten van vervolgingsslachtoffers; en

  • b. wordt de speciale toeslag voor aanvullende medische kosten van een vervolgingsslachtoffer, die zijn of haar middelen echter te boven gaan bij behoud van een bepaalde levensstandaard, verstrekt ingevolge de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV), niet beschouwd als inkomen ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van die Australische uitkering.

2. Alleen voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term uitkering verstaan alle socialezekerheidsuitkeringen ingevolge de socialezekerheidswetten van Australië.

DEEL IV

BEPALINGEN BETREFFENDE NEDERLANDSE UITKERINGEN

Artikel 17 Uitkeringen krachtens de Algemene Ouderdomswet

1. Het Nederlandse bevoegde orgaan stelt het ouderdomspensioen rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet vervulde verzekeringstijdvakken.

2. Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid worden tijdvakken vóór 1 januari 1957 gedurende welke een onderdaan van een der Partijen na het bereiken van de 15-jarige leeftijd op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden heeft gewoond of gedurende welke hij, in een ander land wonende, in het Koninkrijk der Nederlanden arbeid in loondienst heeft verricht, mede aangemerkt als verzekeringstijdvakken indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van de Nederlandse wetgeving op grond waarvan zulke tijdvakken voor hem met verzekeringstijdvakken mogen worden gelijkgesteld.

3. De in het tweede lid bedoelde tijdvakken worden bij de berekening van het ouderdomspensioen alleen in aanmerking genomen, indien de betrokkene verzekerd is geweest krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet en na het bereiken van de leeftijd van negenenvijftig jaar ten minste zes jaar op het grondgebied van een van beide Partijen heeft gewoond en alleen zolang hij op het grondgebied van een van beide Partijen woont. De tijdvakken vóór 1 januari 1957 worden evenwel niet in aanmerking genomen indien zij samenvallen met tijdvakken die reeds in aanmerking zijn genomen voor de berekening van een ouderdomspensioen krachtens de wetgeving van een ander land dan het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 18 Uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers en zelfstandigen

1. Met inachtneming van het tweede en derde lid heeft een persoon die overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder i, sub B, in aanmerking komt voor een uitkering en als werknemer en/of zelfstandige gedurende ten minste een jaar in Nederland verbleef, recht op de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers of zelfstandigen.

2. De uitkering wordt vastgesteld:

  • a. overeenkomstig de Nederlandse Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering in alle gevallen waarin de persoon werkzaam was op het tijdstip waarop de ziekte gevolgd door arbeidsongeschiktheid zich voordeed; en

  • b. overeenkomstig de Nederlandse Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in alle gevallen waarin de persoon, in het jaar voorafgaand aan dat waarin de ziekte zich voordeed en gevolgd werd door arbeidsongeschiktheid, laatstelijk zelfstandige was.

3. De overeenkomstig dit artikel vastgestelde uitkering wordt vermenigvuldigd met een factor waarvan de teller bestaat uit het totale aantal maanden waarin de persoon in Nederland werknemer en/of zelfstandige was en de noemer bestaat uit het aantal maanden tussen de leeftijd van 15 jaar en het tijdstip waarop de ziekte gevolgd door arbeidsongeschiktheid zich voordeed.

Artikel 19 Weigering te betalen, opschorting, intrekking

Het bevoegde orgaan van Nederland kan een uitkering weigeren te betalen, opschorten of intrekken, wanneer de aanvrager of rechthebbende verzuimt onverwijld voldoende inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de aanvraag of de betaling van de uitkering of verzuimt een vereist onderzoek te ondergaan.

DEEL V

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 20 Gemeenschappelijke bepalingen voor de berekening van uitkeringen

1. Wanneer een Partij (de eerste Partij) een betaling verricht ingevolge dit Verdrag of ingevolge haar socialezekerheidsrecht aan een persoon die woont op het grondgebied van de andere Partij, laat de eerste Partij bij de toepassing van een door haar uitgevoerde inkomenstoets buiten beschouwing inkomensgetoetste betalingen aan die persoon door de andere Partij ingevolge dit Verdrag of ingevolge het socialezekerheidsrecht van de andere Partij.

2. Voor de toepassing van dit artikel worden de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de WAO en WAZ beschouwd als inkomensgetoetste uitkeringen en de Nederlandse huursubsidie wordt beschouwd als een uitkering ingevolge het Nederlandse socialezekerheidsrecht.

3. De grondbeginselen vervat in het eerste en tweede lid blijven van toepassing wanneer een rechthebbende verhuist naar een derde land als zou de rechthebbende niet naar dat derde land zijn verhuisd, mits de desbetreffende uitkering in dat derde land verschuldigd is.

4. Wanneer een persoon die woont in een derde land een geldige aanvraag om een uitkering indient, worden de in het eerste en tweede lid vervatte grondbeginselen toegepast als zou die persoon wonen op het grondgebied van de Partij waar hij of zij laatstelijk woonde alvorens te verhuizen naar dat derde land, mits de desbetreffende uitkering in dat derde land verschuldigd is.

DEEL VI

OVERIGE EN ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel 21 Indiening van documenten

1. Aanvragen, mededelingen of beroepschriften inzake de vaststelling of betaling van uitkeringen krachtens de wetgeving van een Partij, die ingevolge deze wetgeving binnen een bepaalde termijn ingediend moesten zijn bij een bevoegde autoriteit, een bevoegd orgaan of een rechterlijke instantie van deze Partij, maar die binnen eenzelfde termijn zijn ingediend bij een bevoegde autoriteit, een bevoegd orgaan of een rechterlijke instantie van de andere Partij, worden behandeld alsof zij zijn ingediend bij de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de rechterlijke instantie van eerstbedoelde Partij. De datum waarop die aanvragen, mededelingen of beroepschriften bij de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de rechterlijke instantie van de ene Partij zijn ingediend, wordt, slechts voor de beoordeling van het recht op uitkering, beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de rechterlijke instantie van de andere Partij.

2. Een aanvraag om uitkering krachtens de wetgeving van de ene Partij wordt beschouwd als een aanvraag om een overeenkomstige uitkering krachtens de wetgeving van de andere Partij, mits de aanvrager:

  • a. verzoekt de aanvraag te beschouwen als een aanvraag krachtens de wetgeving van de andere Partij, of

  • b. bij de aanvraag inlichtingen verstrekt waaruit blijkt dat de tijdvakken van wonen of de verzekeringstijdvakken krachtens de wetgeving van de andere Partij zijn vervuld, en de aanvraag door het bevoegde orgaan van de andere Partij is ontvangen binnen zes maanden vanaf de datum van indiening bij de eerstbedoelde Partij.

3. Indien het eerste of tweede lid van toepassing is, draagt de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de rechterlijke instantie waarbij de aanvraag, de mededeling of het beroepschrift is ingediend, dit document onverwijld over aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de rechterlijke instantie van de andere Partij.

4. De verwijzing in het eerste lid naar een beroepschrift is een verwijzing naar een document betreffende een beroep dat kan worden aangetekend bij een administratief lichaam dat is ingesteld door, of voor de bestuursrechtelijke toepassing van de onderscheiden wetgevingen.

Artikel 22 Terugvordering van te veel betaalde uitkeringen

1. Wanneer:

  • a. krachtens dit Verdrag een uitkering wordt aangevraagd bij of betaald door een van de Partijen; en

  • b. er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de aanvrager, hetzij uit hoofde van dit Verdrag hetzij anderszins, ook recht heeft op een uitkering van de andere Partij, en dat de betaling daarvan gevolgen zou hebben voor het bedrag van de eerstbedoelde uitkering; wordt de eerstbedoelde uitkering niet betaald, of wordt de betaling ervan niet voortgezet, indien niet naar behoren een aanvraag om betaling van de andere uitkering wordt ingediend, of indien anderszins niet het nodige wordt ondernomen om het recht op die uitkering te verkrijgen.

2. Wanneer:

  • a. een uitkering krachtens dit Verdrag of op andere gronden wordt aangevraagd bij een van de Partijen, en een uitkering, als gevolg van die aanvraag, verschuldigd is door een Partij aan een persoon ten aanzien van een afgelopen tijdvak en dat afgelopen tijdvak na de inwerkingtreding van dit Verdrag is gelegen;

  • b. de andere Partij gedurende dat gehele tijdvak of een gedeelte daarvan aan die persoon een uitkering heeft betaald krachtens haar wetgeving; en

  • c. het bedrag van de door die andere Partij betaalde uitkering zou zijn verlaagd als de in onderdeel a bedoelde uitkering gedurende dat afgelopen tijdvak zou zijn betaald, wordt, voor de toepassing van dit artikel, het bedrag dat niet zou zijn betaald door de andere Partij indien de in onderdeel a bedoelde uitkering gedurende dat gehele afgelopen tijdvak op periodieke basis zou zijn betaald, een „te veel betaald bedrag" genoemd.

3. Een bevoegd orgaan dat een te hoog uitkeringsbedrag aan een rechthebbende heeft betaald, kan het andere bevoegde orgaan dat een overeenkomstige uitkering aan de rechthebbende moet betalen, verzoeken het te veel betaalde bedrag af te trekken van nog verschuldigde betalingen van die overeenkomstige uitkering die het laatstbedoelde bevoegde orgaan aan die rechthebbende betaalt. Het laatstbedoelde bevoegde orgaan trekt, op verzoek, het te veel betaalde bedrag af van die nog verschuldigde betalingen en maakt het over aan het eerstbedoelde bevoegde orgaan. Indien het gehele te veel betaalde bedrag of een gedeelte daarvan niet kan worden afgetrokken van nog verschuldigde betalingen, is het vierde lid van toepassing.

4. Indien een bevoegd orgaan van een Partij niet in staat is het gehele door hem te veel betaalde bedrag terug te vorderen ingevolge het derde lid, kan het, binnen de voorwaarden en beperkingen voorzien bij de wetgeving die dat orgaan toepast, het bevoegde orgaan van de andere Partij verzoeken het niet verhaalde gedeelte van het te veel betaalde bedrag in mindering te brengen op pensioenen, uitkeringen of bijslagen die het laatstbedoelde bevoegde orgaan aan de rechthebbende betaalt. Het laatstbedoelde bevoegde orgaan brengt dat bedrag in mindering op de voorwaarden en binnen de beperkingen beschreven in de wetgeving die het toepast, alsof het zelf het te veel betaalde bedrag had betaald, en maakt de in mindering gebrachte bedragen over aan het eerstbedoelde bevoegde orgaan.

5. Degene die het te veel betaalde bedrag heeft ontvangen, is dat bedrag verschuldigd aan de Partij die het heeft betaald.

6. Een Partij kan bepalen dat het krachtens het vierde lid verschuldigde bedrag, of een gedeelte daarvan, in mindering wordt gebracht op toekomstige betalingen van pensioenen, uitkeringen of bijslagen die die Partij ooit dient te betalen aan degene die het te veel betaalde bedrag verschuldigd is.

7. Het bevoegde orgaan dat een verzoek krachtens het derde lid ontvangt, neemt de nodige stappen, overeengekomen tussen de verbindingsorganen, om het te veel betaalde bedrag te verhalen en over te maken aan het andere bevoegde orgaan.

Artikel 23 Betaling van uitkeringen

1. Indien een Partij wettelijke of administratieve beperkingen oplegt aan de overmaking van haar munteenheid naar het buitenland, nemen beide Partijen zo spoedig mogelijk maatregelen ter waarborging van de rechten op betaling van uitkeringen die worden ontleend aan dit Verdrag of op betaling van premies voor sociale zekerheid. Deze maatregelen werken met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de beperkingen werden opgelegd.

2. Een door een Partij uit hoofde van dit Verdrag verschuldigde uitkering wordt, ongeacht of de rechthebbende op het grondgebied van de andere Partij of buiten de onderscheiden grondgebieden van beide Partijen verblijft, door die Partij betaald zonder aftrek van administratiekosten en kosten van de overheid voor de behandeling en betaling van die uitkering.

3. De betaling buiten Australië van een uit hoofde van dit Verdrag verschuldigde Australische uitkering wordt niet aan beperkingen onderworpen door bepalingen van de wetgeving van Australië die de betaling verbieden van een uitkering aan een voormalig inwoner van Australië die terugkeert naar Australië en opnieuw inwoner van Australië wordt, een aanvraag om een Australische uitkering indient, en Australië weer verlaat binnen een aangegeven tijdvak.

4. Iedere vrijstelling van portokosten, notariskosten of registratiekosten die op het grondgebied van een der Partijen wordt verleend in verband met certificaten en documenten die moeten worden ingediend bij autoriteiten en organen op hetzelfde grondgebied, geldt eveneens voor certificaten en documenten die, voor de toepassing van dit Verdrag, moeten worden ingediend bij autoriteiten en instanties op het grondgebied van de andere Partij. Documenten en certificaten die voor de toepassing van dit Verdrag dienen te worden overgelegd, worden vrijgesteld van waarmerking door diplomatieke of consulaire autoriteiten.

5. Indien een persoon een uitkering of uitkeringen ingevolge dit Verdrag heeft ontvangen en zich in een derde land bevindt, blijft de Partij die die uitkering of uitkeringen betaalt die uitkering of uitkeringen betalen, indien die Partij uitvoering geeft aan een verdrag inzake sociale zekerheid met dat derde land dat voorziet in de export van die uitkering of uitkeringen.

Artikel 24 Uitwisseling van inlichtingen en wederzijdse bijstand

1. De bevoegde autoriteiten en bevoegde organen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a. verstrekken elkaar alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit Verdrag, voor zover zulks is toegestaan door de wetgeving die zij uitvoeren;

  • b. verlenen elkaar hun goede diensten en bijstand (met inbegrip van de wederzijdse verstrekking van de noodzakelijke inlichtingen) met betrekking tot de vaststelling of de betaling van uitkeringen ingevolge dit Verdrag of ingevolge de wetgeving waarop dit Verdrag van toepassing is, als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving;

  • c. doen elkaar zo spoedig mogelijk alle inlichtingen toekomen omtrent de door hen getroffen maatregelen voor de toepassing van dit Verdrag of omtrent wijzigingen in hun onderscheiden wetgeving voor zover deze wijzigingen van invloed zijn op de toepassing van dit Verdrag;

  • d. verlenen elkaar, op verzoek, bijstand met betrekking tot de uitvoering van verdragen inzake sociale zekerheid die een van beide Partijen sluit met derde staten, in de mate en onder de omstandigheden als aangegeven in het in overeenstemming met artikel 25 opgestelde Administratief Akkoord;

  • e. streven ernaar problemen of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag gezamenlijk op te lossen.

2. De in het eerste lid bedoelde hulp is kosteloos, onder voorbehoud van eventuele tussen de bevoegde autoriteiten en bevoegde organen overeengekomen regelingen inzake de vergoeding van bepaalde soorten kosten.

3. Tenzij openbaarmaking vereist is krachtens de wetten van een Partij, zijn alle inlichtingen over een persoon die in overeenkomstemming met dit Verdrag door een bevoegde autoriteit of een bevoegd orgaan van die Partij aan een bevoegde autoriteit of een bevoegd orgaan van de andere Partij zijn doorgegeven vertrouwelijk en mogen alleen worden gebruikt voor de uitvoering van dit Verdrag en van de wetgeving waarop dit Verdrag van toepassing is.

4. De bepalingen van het eerste en derde lid mogen nimmer zodanig worden uitgelegd dat daardoor de bevoegde autoriteit of het bevoegde orgaan van een Partij ertoe wordt verplicht:

  • a. administratieve maatregelen uit te voeren in afwijking van de wetten of bestuurspraktijk van die Partij of de andere; of

  • b. bijzonderheden te verstrekken die niet verkregen kunnen worden krachtens de wetten of in de normale bestuurspraktijk van die Partij of de andere.

5. Onverminderd de wetten of administratieve praktijken van een Partij, worden geen inlichtingen betreffende een persoon die die Partij ontvangt van de andere Partij overgedragen of openbaar gemaakt aan een ander land of een organisatie in dat andere land zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van die andere Partij.

6. Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de bevoegde autoriteit en de bevoegde organen van een Partij zich in verbinding stellen met de andere Partij in de officiële taal van die Partij.

Artikel 25 Administratief akkoord

1. De bevoegde autoriten van de Partijen stellen door middel van een administratief akkoord de maatregelen vast welke nodig zijn voor de uitvoering van dit Verdrag.

2. Er worden verbindingsorganen aangewezen om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 26 Herziening van het Verdrag

Wanneer een Partij de andere verzoekt om een vergadering ter herziening van dit Verdrag, komen de Partijen hiertoe uiterlijk zes maanden nadat dat verzoek werd gedaan bijeen en wordt de vergadering, tenzij de Partijen een andere regeling overeenkomen, gehouden op het grondgebied van de Partij aan welke het verzoek werd gedaan.

DEEL VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 27 Ingang van uitkeringen

1. De datum van ingang voor de betaling van een uitkering ingevolge dit Verdrag wordt vastgesteld in overeenstemming met de wetgeving van de betrokken Partij, doch deze datum mag in geen geval eerder vallen dan de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.

2. Bij de vaststelling of een persoon al dan niet in aanmerking komt voor of recht heeft op een uitkering uit hoofde van dit Verdrag, wordt:

  • a. een tijdvak van wonen in Australië en een verzekeringstijdvak, en

  • b. iedere gebeurtenis die of ieder feit dat van invloed is op dat recht, onder voorbehoud van dit Verdrag in aanmerking genomen voor zover die tijdvakken of gebeurtenissen met betrekking tot die persoon van belang zijn, ongeacht wanneer die tijdvakken werden vervuld of wanneer die gebeurtenissen plaatsvonden.

3. Onverminderd artikel 28 kan aan dit Verdrag geen recht op betaling van een uitkering worden ontleend over een tijdvak gelegen voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

4. Onverminderd artikel 28 en onverminderd het bepaalde in het derde lid kan een persoon, met betrekking tot gebeurtenissen die plaatsvonden voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, in aanmerking komen voor een uitkering, anders dan een uitkering ineens, krachtens dit Verdrag.

Artikel 28 Overgangsbepalingen

1. Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de Overeenkomst van 1991 beëindigd en vervangen door dit Verdrag.

2. Elk recht op een uitkering verworven in overeenstemming met de Overeenkomst van 1991 wordt gehandhaafd. Voor de toepassing van dit lid omvat „elk recht op een uitkering verworven..." elk recht dat een persoon zou hebben gehad ware het niet dat hij of zij verzuimd heeft tijdig een aanvraag te doen, wanneer verlaat aanvragen is toegestaan.

3. Lopende verzoeken om aanspraak ingevolge de Overeenkomst van 1991 op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, worden geregeld in overeenstemming met de overeenkomst die of het verdrag dat van kracht was op de datum waarop het recht ontstond.

4. Indien vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag geen beslissing is genomen omtrent een aanvraag om een uitkering en voorafgaand aan die datum een recht ontstaat, wordt over de aanvraag beslist in overeenstemming met de Overeenkomst van 1991 en wordt over deze aanvraag opnieuw beslist in overeenstemming met dit Verdrag met ingang van de inwerkingtreding ervan, indien dit gunstiger is dan de hoogte die is vastgesteld krachtens de Overeenkomst van 1991.

5. Uitkeringen, anders dan een uitkering ineens, zijn verschuldigd in overeenstemming met dit Verdrag met betrekking tot gebeurtenissen die plaatsvonden voor de datum van de inwerkingtreding ervan, behalve dat een ongeval dat plaatsvond of een ziekte die zich ontwikkelde voorafgaand aan die datum, niet, uitsluitend uit hoofde van dit Verdrag, wordt behandeld als een bedrijfsongeval of een beroepsziekte, indien het ongeval of de ziekte niet als zodanig zou zijn behandeld ingevolge wetgeving die of een verdrag dat van kracht was ten tijde van het ongeval of de ontwikkeling van de ziekte. Ten behoeve van het beslissen over aanvragen in overeenstemming met dit Verdrag dient, waar relevant, rekening te worden met verzekeringstijdvakken en tijdvakken van wonen, werken of aanwezigheid, die zijn vervuld voorafgaand aan de datum van de inwerkingtreding ervan.

6. Aan het vijfde lid kunnen geen rechten op betaling van uitkeringen worden ontleend voor tijdvakken gelegen voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

7. Ten behoeve van de toepassing van de eerste volzin van het vijfde lid:

  • a. kan elk recht op uitkering verworven door een onderdaan in overeenstemming met de Overeenkomst van 1991, op verzoek van de betrokken onderdaan, opnieuw worden vastgesteld in overeenstemming met dit Verdrag met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, mits het verzoek binnen twee jaar na de datum van de inwerkingtreding ervan is gedaan en wordt, indien van toepassing, de hogere uitkering toegekend met ingang van laatstbedoelde datum;

  • b. vindt, indien het verzoek inzake de opnieuw vast te stellen uitkering meer dan twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt gedaan, betaling van de uitkering en de betaling van achterstallige bedragen plaats in overeenstemming met de betrokken wetgeving.

8. Geen enkele bepaling van dit Verdrag doet afbreuk aan rechten of uitkeringen die een persoon voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit Verdrag rechtsgeldig heeft verworven ingevolge de wetgeving van een Partij.

Artikel 29 Inwerkingtreding en beëindiging

1. Beide Partijen stellen elkaar schriftelijk in kennis van de voltooiing van hun onderscheiden wettelijke en constitutionele procedures die vereist zijn voor de inwerkingtreding van dit Verdrag en het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgend op de datum van de laatste kennisgeving.

2. Tot de inwerkingtreding van dit Verdrag past het Koninkrijk der Nederlanden artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 5 toe vanaf de eerste dag van de tweede maand na de ondertekening en, voor het Koninkrijk der Nederlanden, zijn artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 5 voorts met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2000 van kracht.

3. Dit Verdrag blijft, onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, van kracht tot het verstrijken van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop één van beide Partijen van de andere langs diplomatieke weg een schriftelijke kennisgeving van beëindiging van dit Verdrag ontvangt.

4. Ingeval dit Verdrag wordt beëindigd in overeenstemming met het derde lid, blijft dit Verdrag van kracht ten aanzien van alle personen die:

  • a. op de datum van beëindiging een uitkering ontvangen; of

  • b. vóór het verstrijken van het in dat lid bedoelde tijdvak een aanvraag hebben ingediend voor een uitkering en recht zouden hebben deze te ontvangen;

    uit hoofde van dit Verdrag; of

  • c. onmiddellijk voorafgaand aan de datum van beëindiging alleen vallen onder de wetgeving van een Partij uit hoofde van artikel 8, tweede of derde lid van Deel II, Afdeling A van het Verdrag, mits de werknemer blijft voldoen aan de criteria van deze leden.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te 's-Gravenhage op 2 juli 2001, in de Engelse taal.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) J. F. HOOGERVORST

Voor de Regering van Australië

(w.g.) PETER ANTHONY HUSSIN


D. PARLEMENT

Zie Trb. 2001, 125.

De voorlopige toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 5 van het Verdrag is in overeenstemming met artikel 15, vierde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen medegedeeld aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brieven van 14 september 2001.

G. INWERKINGTREDING

Zie Trb. 2001, 125.

J. GEGEVENS

Zie Trb. 2001, 125.

De vertaling van het op 2 juli 2001 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Administratief Akkoord ter uitvoering van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië luidt als volgt:

Administratief Akkoord voor de uitvoering van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Australië

Uit hoofde van artikel 25 van het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Australië, ondertekend te 's-Gravenhage op 2 juli 2001, sluiten de bevoegde autoriteiten van de Partijen bij dezen het Administratief Akkoord als vervat in de volgende punten ter uitvoering van het Verdrag.

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Afdeling 1 Begripsomschrijvingen

1. Voor de toepassing van dit Administratief Akkoord wordt verstaan onder „Verdrag" het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië, ondertekend te 's-Gravenhage op 2 juli 2001.

2. Andere begrippen hebben de betekenis die daaraan in het Verdrag of in dit Akkoord wordt gegeven.

Afdeling 2 Verbindingsorganen

1. Voor de toepassing van het Verdrag worden de volgende instellingen aangewezen als verbindingsorgaan (ingevolge artikel 25, tweede lid, van het Verdrag):

voor Australië:

  • a. Voor de wetten die het socialezekerheidsrecht vormen: Centrelink International Services, Hobart;

  • b. Voor de wet inzake pensioengaranties: het Australische Taxation Office;

voor Nederland:

  • a. voor ouderdomspensioenen, nabestaandenuitkeringen en kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen;

  • b. voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/o GAK Nederland BV, Amsterdam.

2. De taken van de verbindingsorganen zijn vermeld in dit Akkoord. Voor de toepassing van het Verdrag en van dit Akkoord kunnen de verbindingsorganen zich rechtstreeks in verbinding stellen met elkaar, alsmede met de betrokken personen of hun vertegenwoordigers. De verbindingsorganen verlenen elkaar bijstand bij de toepassing van het Verdrag.

DEEL II

BEPALINGEN INZAKE UITZENDING

Afdeling 3

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met betrekking tot Australië verstaan onder „verbindingsorgaan":

het Australische Taxation Office;

en met betrekking tot Nederland:

de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen.

2. a. Wanneer in overeenstemming met artikel 8, derde lid, van het Verdrag de wetgeving van een Partij van toepassing is, geeft het verbindingsorgaan van de Partij, op verzoek van de werknemer of de werkgever van die werknemer, een verklaring af waaruit blijkt dat op de werknemer of werkgever ten aanzien van die persoon de wetgeving van die Partij van toepassing is, onder vermelding van de termijn gedurende welke de verklaring geldig is.

  • b. Indien een in artikel 9 van het Verdrag omschreven verlenging plaatsvindt, geeft het verbindingsorgaan van de Partij, op verzoek, opnieuw een verklaring van toepasselijkheid af.

  • c. De in de vorige paragrafen bedoelde verklaringen zijn het bewijs van het feit dat de wetgeving van een bepaalde Partij van toepassing is op een werknemer en/of zijn werkgever.

3. Het verbindingsorgaan dat een verklaring heeft afgegeven krachtens het tweede lid van deze afdeling zendt een afschrift of gegevens van de verklaring, aan het verbindingsorgaan van de andere Partij, zoals vereist door de andere Partij.

4. De verbindingsorganen kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen betreffende de werking van Deel II, Afdeling A van het Verdrag en dit Akkoord, en met werkgevers en/of uitgezonden werknemers op wie Deel II, Afdeling A van het Verdrag van toepassing is.

DEEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE AANVRAGEN EN BEROEPSCHRIFTEN

Afdeling 4

1. In het in artikel 21 van het Verdrag bedoelde geval stelt de bevoegde autoriteit of het bevoegde orgaan of het verbindingsorgaan van een Partij waarbij een aanvraag om uitkeringen voor het eerst wordt ingediend, het bevoegde orgaan of het verbindingsorgaan van de andere Partij hiervan onverwijld in kennis en verstrekt de inlichtingen die nodig zijn om de behandeling van de aanvraag af te wikkelen. Voor de toepassing van artikel 18 is het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/o GAK Nederland BV, Amsterdam het bevoegde orgaan in Nederland.

2. Het in het eerste lid bedoelde bevoegde orgaan of verbindingsorgaan dat een aanvraag ontvangt die eerst was ingediend bij een orgaan van de andere Partij, verstrekt laatstbedoeld orgaan onverwijld de inlichtingen die vereist zijn om de behandeling van de aanvraag af te handelen.

Afdeling 5 Verificatie van aanvragen en betalingen

1. Na ontvangst van een aanvraag verifieert het bevoegde orgaan of verbindingsorgaan van de Partij de inlichtingen betreffende de aanvrager en de desbetreffende leden van zijn of haar huishouden en doet, indien van toepassing, dit bewijsmateriaal tezamen met andere relevante documenten toekomen aan het bevoegde orgaan of verbindingsorgaan van de andere Partij, opdat de laatstgenoemde de aanvraag verder kan behandelen.

2. Lid 1 is ook van toepassing wanneer het bevoegde orgaan van een Partij de andere Partij verzoekt een onderzoek in te stellen ter verificatie van de rechtmatigheid van betalingen gedaan aan rechthebbenden die wonen of verblijven op het grondgebied van die andere Partij.

3. De in het eerste en tweede lid van deze afdeling bedoelde inlichtingen omvatten tevens inlichtingen met betrekking tot adres, werk, volgen van scholing, inkomen, gezin en burgerlijke staat, arbeidsgeschiktheid of gezondheidstoestand.

4. De bevoegde organen (bevoegde autoriteiten en verbindingsorganen) van de Partijen kunnen zich rechtstreeks met elkaar alsmede met hun respectieve rechthebbenden of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen.

5. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers en de bevoegde organen van de Partijen kunnen zich rechtstreeks in verbinding stellen met de autoriteiten op het grondgebied van de andere Partij teneinde het recht op uitkering van en de rechtmatigheid van betalingen aan hun respectieve rechthebbenden vast te stellen.

6. Het begrip autoriteiten bedoeld in het vorige lid zijn de belastingautoriteiten, bevolkingsregisters, huwelijksregisters, arbeidsbureaus en scholen.

7. In geen geval worden de bepalingen van deze afdeling zodanig uitgelegd dat zij het bevoegde orgaan de verplichting opleggen:

  • a. administratieve maatregelen uit te voeren in afwijking van de wetten of administratieve praktijk van die Partij of de andere; of

  • b. bijzonderheden te verstrekken die niet verkregen kunnen worden krachtens de wetten of in de normale bestuurspraktijk van die Partij of de andere.

Afdeling 6 Identificatie

Teneinde het recht op een uitkering en de rechtmatigheid van betalingen ingevolge de Nederlandse wetgeving vast te stellen, is een persoon die valt onder de reikwijdte van het Verdrag verplicht zich te identificeren door overlegging van een officieel identiteitsbewijs aan het bevoegde orgaan in Australië. Het Australische orgaan identificeert de aanvrager naar behoren op basis van deze identificatie. Deugdelijke identificatie omvat een geldig paspoort of een ander geldig identiteitsbewijs afgegeven door de desbetreffende autoriteiten in het land waar de betrokkene woont. Door toezending van een afschrift van het identiteitsdocument stelt het Australische orgaan het Nederlandse bevoegde orgaan ervan op de hoogte dat de identiteit van de aanvrager naar behoren is geverifieerd.

Afdeling 7

Een bevoegde autoriteit die respectievelijk een bevoegd orgaan of verbindingsorgaan dat aanvragen, beroepschriften en daarmee verband houdende documenten ontvangt ingevolge de wetgeving van de andere Partij:

  • a. stempelt op elk document de datum van ontvangst;

  • b. registreert de ontvangst van elk document bij haar eigen verbindingsorgaan; en

  • c. zendt de documenten zo spoedig mogelijk toe aan het verbindingsorgaan van de andere Partij.

Afdeling 8 Verificatie van medische inlichtingen

1. Op verzoek van het bevoegde orgaan van Nederland, wordt verificatie van administratieve en medische inlichtingen met betrekking tot aanvragers of ontvangers van Nederlandse uitkeringen die wonen in Australië verricht door Centrelink (het verbindingsorgaan voor Australië).

2. Op verzoek van het bevoegde orgaan van Australië, wordt verificatie van administratieve en medische inlichtingen met betrekking tot aanvragers of ontvangers van Australische uitkeringen die wonen in Nederland verricht door het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p.o. GAK Nederland BV, Amsterdam en de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen.

3. Teneinde de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen gebruiken de bevoegde organen van beide Partijen de medische rapporten en administratieve gegevens die aan hen zijn verstrekt door het bevoegde orgaan van de andere Partij, maar elk bevoegd orgaan behoudt zich desalniettemin het recht voor de aanvrager of rechthebbende te laten onderzoeken door een arts naar keuze van het orgaan of de betrokkene op te roepen om een medisch onderzoek te ondergaan op het grondgebied van dat orgaan.

4. De betrokkene is verplicht gehoor te geven aan elk verzoek om een medisch onderzoek als bedoeld in punt 3 te ondergaan door zich te melden voor medisch onderzoek. Indien de betrokkene zich, om medische redenen, ongeschikt acht te reizen naar het grondgebied van de Partij waar hij of zij is opgeroepen door het bevoegde orgaan, dient de betrokkene dat orgaan onverwijld daarvan in kennis te stellen. De betrokkene is alsdan verplicht een medische verklaring afgegeven door een daartoe door het bevoegde orgaan van de andere Partij aangewezen arts over te leggen. Deze verklaring moet de medische redenen bevatten van de onmogelijkheid te reizen, alsmede de verwachte duur daarvan.

5. Het bevoegde orgaan dat verzoekt om een medisch onderzoek of een reis ten behoeve van lid 3, betaalt de kosten van het onderzoek en de reis- en verblijfkosten van de betrokkene.

Afdeling 9 Aanvragen uit hoofde van andere verdragen

1. Een bevoegd orgaan van een Partij accepteert namens het bevoegde orgaan van de andere Partij een aanvraag om een uitkering ingediend door een persoon uit hoofde van een verdrag inzake sociale zekerheid tussen laatstgenoemde Partij en een derde staat en stempelt op die aanvraag de datum van ontvangst en zendt deze zo spoedig mogelijk toe aan het verbindingsorgaan van de andere Partij.

2. Een bevoegd orgaan dat van het andere bevoegde orgaan een aanvraag als omschreven in lid 1 van deze afdeling heeft ontvangen, kan het andere bevoegde orgaan om bepaalde bijstand verzoeken met betrekking tot de beslissing over die aanvraag en dat andere bevoegde orgaan verstrekt die bijstand, voor zover praktisch uitvoerbaar, alsof de aanvraag was ingediend ingevolge het Verdrag.

Afdeling 10 Uitwisseling van inlichtingen

De in artikel 24 van het Verdrag bedoelde uitwisseling van inlichtingen vindt plaats voor zover deze betrekking heeft op de sociale zekerheid en in overeenstemming is met de normale administratieve praktijk.

DEEL IV

DIVERSE BEPALINGEN

Afdeling 11 Formulieren en procedures

1. De verbindingsorganen van de Partijen stellen gezamenlijk de formulieren en procedures vast die nodig zijn voor de uitvoering van het Verdrag en dit Akkoord.

2. De verbindingsorganen kunnen aanvullende administratieve procedures overeenkomen voor de uitvoering van dit Akkoord.

Afdeling 12 Taal

De verbindingsorganen verlenen elkaar, waar nodig, bijstand bij het vertalen van formulieren en andere documenten die zijn gesteld in hun officiële taal, naar het Engels of het Nederlands, al naar gelang.

Afdeling 13 Statistieken

De verbindingsorganen wisselen jaarlijks en in nader overeen te komen vorm statistieken uit betreffende de betalingen die elk uit hoofde van het Verdrag heeft gedaan. Deze statistieken bevatten gegevens over het aantal rechthebbenden en het totale bedrag van de betaalde uitkeringen, per soort uitkering.

Afdeling 14 Correspondentie

De verbindingsorganen stellen elkaar door middel van de in afdeling 11 bedoelde formulieren op de hoogte omtrent de toekenning, herziening, opschorting of intrekking van uitkeringen waarop het Verdrag van toepassing is.

Afdeling 15 Inwerkingtreding

Dit Administratief Akkoord treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag en heeft dezelfde werkingsduur.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 2 juli 2001, in tweevoud in de Engelse taal.

Voor de Nederlandse bevoegde autoriteit

(w.g.) J. F. HOOGERVORST

Voor de Australische bevoegde autoriteit

(w.g.) PETER ANTHONY HUSSIN


Uitgegeven de tiende mei 2002

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. VAN AARTSEN

Naar boven