A. TITEL

Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada, met Protocol;

Brantford, 27 juni 2001

B. TEKST1

Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Canada,

hierna te noemen „Partijen",

vastbesloten de relaties tussen de beide landen op het terrein van de sociale zekerheid verder te versterken, en

in achtnemende de wijzigingen in hun onderscheiden sociale zekerheidswetgeving sedert de ondertekening van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada te 's-Gravenhage op 26 februari 1987,

zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel I Definities

1. Voor de toepassing van dit Verdrag,

– wordt onder „uitkering" verstaan, met betrekking tot een Partij, elke uitkering, pensioen of bijslag ingevolge de wetgeving van die Partij met inbegrip van aanvullingen op en verhogingen van de uitkering, het pensioen of de bijslag krachtens de wetgeving zoals gedefinieerd in artikel II;

– wordt onder „bevoegde autoriteit" verstaan, met betrekking tot een Partij, de Minister of de Ministers onder wier verantwoordelijkheid de in artikel II vermelde wetgevingen vallen;

– wordt onder „bevoegd orgaan" verstaan, wat Canada betreft, de bevoegde autoriteit, en wat Nederland betreft het orgaan dat belast is met de uitvoering van de in artikel II vermelde wetgevingen en dat krachtens de van toepassing zijnde wetgeving bevoegd is;

– wordt onder „verzekeringstijdvak" verstaan, met betrekking tot een Partij, een tijdvak van premiebetaling, verzekering, arbeid of wonen dat in acht wordt genomen om recht te verkrijgen op uitkering krachtens de wetgeving van die Partij;

– wordt onder „werknemer" verstaan een persoon die in dienstbe-trekking staat tot een werkgever alsmede ieder die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving wordt aangemerkt als werknemer;

– wordt onder „wetgeving" verstaan, met betrekking tot een Partij, de in artikel II vermelde wetgevingen met betrekking tot die Partij;

– wordt onder „onderdaan" verstaan, wat Canada betreft, een Canadees staatsburger; en, wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit;

– wordt onder „voorgaande Verdrag" verstaan, het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Canada en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te 's-Gravenhage op 26 februari 1987, zoals aangepast door het Aanvullende Verdrag tot aanpassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Canada en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Ottawa op 26 juli 1989;

– onder „zelfstandige" wordt verstaan een persoon die voor eigen rekening tegen beloning werkzaam is;

– wordt onder „grondgebied" verstaan, wat Canada betreft, het grondgebied van Canada; en, wat Nederland betreft, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa.

2. Elke term die niet in dit Verdrag is omschreven heeft de betekenis welke daaraan wordt gegeven in de wetgeving welke wordt toegepast.

Artikel II Materiële werkingssfeer

1. Dit Verdrag is van toepassing:

  • a. wat Canada betreft, op:

    • i. de „Old Age Security Act" (Wet op de Ouderdomsverzekering) en de krachtens deze wet getroffen regelingen; en

    • ii. het „Canada Pension Plan" (Canada Pensioen Plan) en de krachtens deze wet getroffen regelingen;

  • b. wat Nederland betreft, op de wetgevingen betreffende:

    • i. de invaliditeitsverzekering voor werknemers;

    • ii. de invaliditeitsverzekering voor zelfstandigen

    • iii. de ouderdomsverzekering;

    • iv. de nabestaandenverzekering;

    • v. de kinderbijslagen;

      en voor de toepassing van artikel VI(2), (3) en (4):

    • vi. de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen), inclusief de verplichting van de werkgever tot doorbetaling van het loon gedurende de eerste tweeënvijftig weken van ziekte van de werknemer zoals bepaald in het Burgerlijk Wetboek;

    • vii. de werkloosheidsverzekering.

2. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, is dit Verdrag eveneens van toepassing op elke wetgeving, waarbij de in het eerste lid bedoelde wetgevingen worden gewijzigd, aangevuld, samengevoegd of vervangen.

3. Dit Verdrag is niet van toepassing op wetten of regelingen die de bestaande wetgeving van een Partij uitbreiden tot een nieuwe categorie rechthebbenden, indien de bevoegde autoriteit van die Partij binnen drie maanden na de officiële bekendmaking of afkondiging van die wetten of regelingen de bevoegde autoriteit van de andere Partij in kennis stelt dat zij een zodanige uitbreiding van het Verdrag niet wenst.

4. Dit Verdrag is niet van toepassing op regelingen inzake sociale en medische bijstand, noch op bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden, noch op regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan.

Artikel III Personele werkingssfeer

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op onderdanen van de Partijen, op personen op wie de wetgeving van één van de Partijen van toepassing is dan wel is geweest, alsmede op andere personen voor zover zij rechten ontlenen aan vorenbedoelde personen.

Artikel IV Gelijkheid van behandeling

1. Wat de Canadese wetgeving betreft zijn alle personen die in artikel III worden bedoeld, onderworpen aan de verplichtingen van die wetgeving en zijn zij, ongeacht hun nationaliteit, uitkeringsgerechtigd.

2. Wat de Nederlandse wetgeving betreft zijn, tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald:

  • a. onderdanen van Canada,

  • b. vluchtelingen, als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 bij genoemd Verdrag,

  • c. staatlozen, als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954, en

  • d. andere personen voor zover zij rechten ontlenen aan een onder a, b of c bedoeld persoon, onderworpen aan de verplichtingen van die wetgeving en zijn zij onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van Nederland uitkeringsgerechtigd.

Artikel V Export van uitkeringen

1. Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald kunnen invaliditeits-, ouderdoms- of nabestaandenuitkeringen die een in artikel III bedoeld persoon krachtens de wetgeving van een Partij heeft verkregen, inclusief zodanige uitkeringen die verkregen zijn op grond van dit Verdrag, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard, uitsluitend op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van de andere Partij woont; zij worden betaalbaar gesteld op het grondgebied van de andere Partij.

2. Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden uitkeringen die op grond van dit Verdrag door de ene Partij aan een persoon op het grondgebied van de andere Partij betaalbaar worden gesteld, ook betaalbaar gesteld aan een persoon op het grondgebied van een derde Staat, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde omvang als aan onderdanen van de eerste Partij die op het grondgebied van die derde Staat wonen.

TITEL II

BEPALINGEN INZAKE TOE TE PASSEN WETGEVING

Artikel VI Regels met betrekking tot de dekking

1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel:

  • a. is op een werknemer die op het grondgebied van een Partij werkt met betrekking tot die werkzaamheden uitsluitend de wetgeving van die Partij van toepassing; en

  • b. is op een zelfstandige die op het grondgebied van de ene Partij zijn normale woonplaats heeft en op het grondgebied van de andere Partij of op het grondgebied van beide Partijen werkt, met betrekking tot die werkzaamheden, uitsluitend de wetgeving van de eerste Partij van toepassing.

2. a. Op een werknemer die verzekerd is krachtens de wetgeving van de ene Partij en die door zijn werkgever is aangewezen voor hem werkzaamheden te verrichten op het grondgebied van de andere Partij, is met betrekking tot die werkzaamheden, uitsluitend de wetgeving van de eerste Partij van toepassing alsof die werkzaamheden op het grondgebied van deze Partij werden verricht, mits de duur van de bedoelde tewerkstelling niet meer dan zestig maanden bedraagt en de betrokkene op het grondgebied van de andere Partij niet tevens in dienst is van een andere aldaar gevestigde werkgever.

  • b. Voor de toepassing van het gestelde in dit lid, onder a, zal, met betrekking tot een persoon die op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag reeds werkzaamheden verricht op het grondgebied van de andere Partij en onderworpen is aan de wetgeving van de eerste Partij op grond van artikel VI(2) van het voorgaande Verdrag, de periode van zestig maanden geacht worden betrekking te hebben op de totale periode waarover een persoon op het grondgebied van de andere Partij onderworpen mag blijven aan de wetgeving van de eerste Partij, met inbegrip van de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit Verdrag die reeds vervuld is op basis van artikel VI(2) van het voorgaande Verdrag.

3. Op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent als lid van de bemanning van een zeeschip of luchtvaartuig is, met betrekking tot die werkzaamheden, uitsluitend van toepassing de wetgeving van de Partij op het grondgebied waarvan de zetel van de onderneming is gevestigd. Echter, indien de betreffende persoon gewoonlijk woont op het grondgebied van de andere Partij, en als de werkgever een vestiging heeft op het grondgebied van die Partij, zal die persoon uitsluitend onderworpen zijn aan de wetgeving van die andere Partij.

4. a. Op degene die op het grondgebied van de ene Partij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent in overheidsdienst van de andere Partij, is, met betrekking tot die werkzaamheden, uitsluitend van toepassing de wetgeving van eerstbedoelde Partij indien hij een onderdaan is van deze Partij of op het grondgebied van deze Partij zijn normale woonplaats heeft.

  • b. Op de onderdanen van een Partij die in dienst zijn van de overheid van die Partij en die te werk worden gesteld op het grondgebied van de andere Partij blijven, met betrekking tot die beroeps-werkzaamheden, uitsluitend onderworpen aan de wetgeving van de eerste Partij.

  • c. Wanneer op een onder a bedoelde persoon de wetgeving van de eerste Partij van toepassing is, neemt de betrokken werkgever de verplichtingen welke die wetgeving aan werkgevers oplegt in acht.

5. De bevoegde autoriteiten van beide Partijen kunnen, in onderlinge overeenstemming, met betrekking tot bepaalde personen of groepen van personen, wijzigingen aanbrengen in de toepassing van de bepalingen van dit artikel.

Artikel VII Definitie van bepaalde periodes van wonen met betrekking tot de Canadese wetgeving

1. Voor de berekening van de hoogte van uitkeringen krachtens de Wet op de Ouderdomsverzekering wordt,

  • a. indien een persoon gedurende een tijdvak van verblijf of van wonen in Nederland verzekerd is krachtens het Canada Pensioen Plan of de algemene pensioenregeling van een provincie van Canada, dit tijdvak voor deze persoon alsmede voor zijn/haar echtgeno(o)t(e)/partner en de personen die bij hem/haar wonen en te zijner/harer laste komen en die niet op grond van (zelfstandige) beroepswerkzaamheden verzekerd zijn krachtens de Nederlandse wetgeving, aangemerkt als een tijdvak van wonen in Canada;

  • b. indien een persoon gedurende een tijdvak van verblijf of van wonen op het grondgebied van Canada verplicht verzekerd is krachtens de Nederlandse wetgeving, dit tijdvak voor deze persoon alsmede voor zijn/haar echtgeno(o)t(e)/partner en de personen die bij hem/haar wonen en die te zijner/harer laste komen en die niet op grond van (zelfstandige) beroepswerkzaamheden verzekerd zijn krachtens het Canada Pensioen Plan of de algemene pensioenregeling van een provincie van Canada, niet aangemerkt als een tijdvak van wonen in Canada.

2. Voor de toepassing van lid 1 zal,

  • a. een persoon uitsluitend geacht worden verzekerd te zijn krachtens het Canada Pensioen Plan of de algemene pensioenregeling van een provincie van Canada gedurende een periode van verblijf of van wonen op het grondgebied van Nederland indien die persoon bijdragen verricht tot de betreffende regeling gedurende die periode op basis van (zelfstandige) beroepswerkzaamheden; en

  • b. een persoon uitsluitend geacht worden verplicht verzekerd te zijn krachtens de Nederlandse wetgeving gedurende de periode van verblijf of van wonen op het grondgebied van Canada indien die persoon verplichte bijdragen verricht tot die wetgeving gedurende de periode op basis van (zelfstandige) beroepswerkzaamheden.

Artikel VIII Definitie van bepaalde periodes van wonen met betrekking tot de Nederlandse wetgeving

1. Voor de toepassing van de Nederlandse wetgeving wordt degene, op wie overeenkomstig de bepalingen van deze Titel de Nederlandse wetgeving van toepassing is, geacht in Nederland te wonen.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de echtgeno(o)t(e) en kinderen die de in het tweede of vierde lid, sub b, van artikel VI bedoelde persoon vergezellen van het grondgebied van de ene Partij naar het grondgebied van de andere Partij, tenzij zij zelf betaalde arbeid gaan verrichten of een pensioen of uitkering ontvangen krachtens de wetgeving van laatstbedoelde Partij.

TITEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE UITKERINGEN

HOOFDSTUK 1

UITKERINGEN KRACHTENS DE CANADESE WETGEVING

Artikel IX Samentellen van verzekeringstijdvakken

1. a. Indien een persoon geen recht heeft op een uitkering op basis van de krachtens de Canadese wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken, wordt het recht op deze uitkering voor deze persoon vastgesteld door samentelling van die tijdvakken en die welke worden genoemd onder b, mits deze tijdvakken niet samenvallen.

  • b. Voor de toepassing van dit lid zal

    • i. voor de vaststelling van het recht op een uitkering krachtens de Wet op de Ouderdomsverzekering een verzekeringstijdvak krachtens de Nederlandse wetgeving inzake ouderdomsverzekering worden beschouwd als een tijdvak van wonen op het grondgebied van Canada;

    • ii. voor de vaststelling van het recht op een uitkering krachtens het Canada Pensioen Plan een kalenderjaar met tenminste 13 weken verzekeringstijdvakken krachtens de Nederlandse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering of nabestaanden-verzekering worden beschouwd als een jaar van verzekering krachtens het Canada Pensioen Plan.

2. Indien een persoon geen recht heeft op een uitkering krachtens de Canadese wetgeving op basis van de krachtens de wetgevingen van beide Partijen vervulde verzekeringstijdvakken samengeteld, zoals geregeld in het eerste lid, wordt het recht op deze uitkering van deze persoon vastgesteld door samentelling van die tijdvakken en de verzekeringstijdvakken, vervuld krachtens de wetten van een derde Staat waarmee beide Partijen zijn verbonden door internationale sociaal zekerheidsinstrumenten waarin de samentelling van tijdvakken is geregeld.

Artikel X Uitkeringen krachtens de Wet op de Ouderdomsverzekering

1. Indien een persoon uitsluitend op grond van de samentellingsbepalingen van artikel IX recht heeft op een pensioen of op een toelage krachtens de Wet op de ouderdomsverzekering, zal het bevoegde orgaan van Canada het bedrag van het pensioen of de toelage dat betaald wordt aan die persoon berekenen in overeenstemming met de bepalingen van de Wet op de Ouderdomsverzekering die betrekking hebben op de betaling van een gedeeltelijk pensioen of toelage uitsluitend op basis van de tijdvakken van wonen in Canada, die krachtens die wet in aanmerking kunnen worden genomen.

2. Lid 1 is eveneens van toepassing op een persoon buiten Canada die gerechtigd zou zijn op de betaling van een volledig pensioen in Canada, maar die niet gedurende het minimum tijdvak van wonen in Canada, dat ingevolge de Wet op de Ouderdomsverzekering vereist wordt voor de betaling van een pensioen of een huwelijkspartnerstoelage buiten Canada, in Canada gewoond heeft.

3. Niettegenstaande elke andere bepaling van dit Verdrag zal:

  • a. een pensioen ingevolge de Wet op de Ouderdomsverzekering met toepassing van de samentellingsbepalingen van artikel IX worden betaald aan een persoon buiten Canada uitsluitend indien:

    • i. die persoon in Canada heeft gewoond als bedoeld in de Wet op de Ouderdomsverzekering gedurende een periode van ten minste een jaar na 31 december 1956, en

    • ii. het totaal der verzekeringstijdvakken, wanneer samengeteld zoals geregeld in artikel IX, ten minste gelijk is aan het minimum tijdvak van wonen in Canada dat ingevolge genoemde wet is vereist voor het recht op betaling van een pensioen buiten Canada;

  • b. de toelage en een toeslag tot het gewaarborgd inkomen alleen aan een persoon buiten Canada worden betaald voor zover zulks ingevolge de Wet op de Ouderdomsverzekering is toegestaan.

Artikel XI Uitkeringen krachtens het Canada Pensioen Plan

Indien een persoon uitsluitend door toepassing van de samentellingsbepalingen van artikel IX recht heeft op een uitkering, berekent het bevoegde Canadese orgaan het bedrag van die uitkering als volgt:

  • a. het inkomensafhankelijk deel van de uitkering wordt overeenkomstig de bepalingen van het Canada Pensioen Plan uitsluitend bepaald op basis van het krachtens dat Plan voor de pensioenberekening in aanmerking te nemen inkomen; en

  • b. de hoogte van het vaste deel van de uitkering wordt bepaald door:

    • i. het bedrag van het vaste deel van de uitkering, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Canada Pensioen Plan, te vermenigvuldigen met

    • ii. een breuk die de verhouding weergeeft van de tijdvakken van premiebetaling voor het Canada Pensioen Plan en het minimum kwalificatietijdvak dat voor het recht op die uitkering krachtens het Canada Pensioen Plan vereist is, welke breuk evenwel geen grotere waarde mag hebben dan de waarde 1.

HOOFDSTUK 2

UITKERINGEN KRACHTENS DE NEDERLANDSE WETGEVING

Artikel XII Uitkeringen krachtens de arbeidsongeschiktheidswetten

1. Wanneer een onderdaan van een der Partijen of een in het tweede lid, sub b of c, van artikel IV bedoelde persoon, op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan, tenminste in totaal twaalf maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de invaliditeitsverzekering verzekerd is geweest, heeft hij, met in achtneming van het bepaalde in het tweede lid, recht op een uitkering vastgesteld volgens laatstbedoelde wetgeving en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel XIII.

2. Het voorgaande lid is van toepassing onder voorwaarde dat er aanspraak bestaat op een invaliditeitsuitkering krachtens het Canada Pensioen Plan, zo nodig onder toepassing van artikel IX, of dat er aanspraak bestaat op een uitkering in verband met invaliditeit krachtens het werknemerscompensatieplan van een provincie of territorium van Canada.

Artikel XIII Hoogte van de uitkeringen

1. Indien het recht op uitkering is vastgesteld met toepassing van artikel XII wordt het bedrag van de uitkering berekend naar verhouding van de totale duur van de verzekeringstijdvakken, door de betrokkene na het bereiken van de 15-jarige leeftijd vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving tot het tijdvak liggende tussen de datum waarop hij de 15-jarige leeftijd heeft bereikt en het tijdstip waarop zijn arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan.

2. Indien de betrokkene op het tijdstip waarop zijn arbeids-ongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, werknemer was, wordt de uitkering vastgesteld volgens de bepalingen van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO). Indien dit niet het geval is wordt de uitkering vastgesteld volgens de bepalingen van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen van 24 april 1997 (WAZ).

3. De volgende krachtens de Nederlandse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken worden in aanmerking genomen:

  • a. verzekeringstijdvakken gedurende arbeid vervuld krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO);

  • b. verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AAW);

  • c. verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen van 24 april 1997 (WAZ); en

  • d. tijdvakken van arbeid en daarmee gelijkgestelde tijdvakken welke vóór 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld.

4. Bij toepassing van de eerste volzin van het tweede lid wordt, wanneer een krachtens de WAO vervuld verzekeringstijdvak samenvalt met een krachtens de AAW en/of WAZ vervuld verzekeringstijdvak, alleen het krachtens de WAO vervulde tijdvak in aanmerking genomen.

5. Bij toepassing van de tweede volzin van het tweede lid wordt, wanneer een krachtens de AAW en/of WAZ vervuld verzekeringstijdvak samenvalt met een krachtens de WAO vervuld verzekeringstijdvak, alleen het krachtens de AAW en/of WAZ vervulde tijdvak in aanmerking genomen.

Artikel XIV Uitkeringen krachtens de Algemene Ouderdomswet

1. Het Nederlandse bevoegde orgaan stelt het ouderdomspensioen rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet vervulde verzekeringstijdvakken.

2. Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid worden tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1957 gedurende welke een onderdaan van een der Partijen of een in het tweede lid, sub b of c, van artikel IV bedoelde persoon na het bereiken van de 15-jarige leeftijd in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij, in een ander land wonende, in Nederland arbeid in loondienst heeft verricht, mede aangemerkt als verzekeringstijdvakken indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van de Nederlandse wetgeving op grond waarvan zodanige tijdvakken voor hem met verzekeringstijdvakken mogen worden gelijkgesteld.

3. De in het tweede lid bedoelde tijdvakken worden alleen in aanmerking genomen voor de berekening van het ouderdomspensioen indien de persoon verzekerd is geweest in de zin van artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet en hij na het bereiken van de 59-jarige leeftijd tenminste zes jaar op het grondgebied van een of van beide Partijen heeft gewoond en alleen zolang hij op het grondgebied van een van beide Partijen woont. Deze tijdvakken worden evenwel niet in aanmerking genomen indien zij samenvallen met tijdvakken die reeds in aanmerking zijn genomen voor de berekening van een ouderdomspensioen krachtens de wetgeving van een ander land dan Nederland.

Artikel XV Uitkeringen krachtens de Algemene Nabestaandenwet

1. Wanneer een onderdaan van een der Partijen of een in het tweede lid, sub b of c, van artikel IV bedoelde persoon op het tijdstip van zijn overlijden onderworpen was aan het Canada Pensioen Plan of een uitkering krachtens dat Plan ontving en hij voordien tenminste in totaal twaalf maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake nabestaandenverzekering verzekerd is geweest, hebben zijn nabestaanden recht op een uitkering vastgesteld volgens laatstbedoelde wetgeving en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel XVI.

2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt een persoon op de datum van zijn overlijden geacht onderworpen te zijn aan het Canada Pensioen Plan indien het overlijden plaatsvindt in een kalenderjaar dat voor de betreffende persoon een verzekeringstijdvak is voor dat Plan, of als het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het overlijden plaatsvindt een verzekeringstijdvak voor de betreffende persoon voor dit Plan was.

3. De persoon, of het kind, dat recht heeft op een Nederlandse nabestaandenuitkering, heeft recht op uitbetaling van deze uitkering indien hij, dan wel het kind, woont op het grondgebied van Canada.

Artikel XVI Hoogte van de uitkeringen

Indien het recht op uitkering is vastgesteld met toepassing van artikel XV wordt het bedrag van de uitkering berekend naar verhouding van de totale duur van de door de overledene voor zijn 65-jarige leeftijd krachtens de Nederlandse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken tot het tijdvak liggende tussen de datum waarop de overledene de 15-jarige leeftijd heeft bereikt en de datum van overlijden, maar uiterlijk de datum waarop hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

Artikel XVII Uitkeringen krachtens de Algemene Kinderbijslagwet

Het Nederlandse bevoegde orgaan stelt de kinderbijslag rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de Nederlandse Algemene Kinderbijslagwet. De verzekerde die recht heeft op Nederlandse kinderbijslag, heeft recht op uitbetaling van de kinderbijslag indien hij, dan wel het kind, woont op het grondgebied van Canada.

HOOFDSTUK 3

INKOMENSAFHANKELIJKE UITKERINGEN VOOR ECHTGENOTEN EN PARTNERS

Artikel XVIII Hoogte van de uitkeringen

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

– wordt onder „inkomensafhankelijke uitkeringen" verstaan, wat Canada betreft, een gegarandeerde inkomensaanvulling en de toeslag krachtens de „Old Age Security Act" (Wet op de ouderdomsverzekering); en wat Nederland betreft, de toeslag;

– wordt onder „partner" verstaan de persoon zoals gedefinieerd in de Nederlandse Algemene Ouderdomswet;

– wordt onder „gepensioneerde" verstaan, wat Canada betreft, de persoon die recht heeft op de uitbetaling van een pensioen krachtens de „Old Age Security Act" (Wet op de Ouderdomsverzekering); en wat Nederland betreft, de persoon die recht heeft op de uitbetaling van een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet;

– wordt onder „echtgenoot/partner" verstaan de persoon die recht heeft op de uitbetaling van de toeslag krachtens de „Old Age Security Act" (Wet op de Ouderdomsverzekering) van Canada vanwege de omstandigheid dat hij of zij de echtgenoot/partner is van een gepensioneerde.

2. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 4, zullen, in het geval een persoon zowel echtgenoot/partner als partner van de gepensioneerde is, de bevoegde organen van Canada en Nederland het bedrag van de uit te betalen inkomensafhankelijke uitkeringen aan die persoon en die gepensioneerde als volgt vaststellen:

  • a. Het bevoegde orgaan van Canada zal:

    • i. het gecombineerde inkomen van de pensioengerechtigde en de echtgenoot/partner berekenen in overeenstemming met de bepalingen van de „Old Age Security Act" (Wet op de Ouderdomsverzekering), in welke berekening het bedrag van iedere toeslag die tot uitbetaling komt aan de gepensioneerde ten behoeve van de partner op basis van de Nederlandse wetgeving buiten beschouwing blijft;

    • ii. op basis van het aldus berekende inkomen het respectievelijk aan de gepensioneerde en het uit te betalen bedrag van de gegarandeerde inkomensaanvulling en de toeslag voor de echtgenoot/partner bepalen;

    • iii. het Nederlandse bevoegde orgaan op de hoogte brengen van het bedrag van de uit te betalen toeslag voor de echtgenoot/partner.

  • b. Het bevoegde orgaan van Nederland zal:

    • i. het theoretische bedrag van de toeslag ten behoeve van de partner krachtens de Algemene Ouderdomswet, welk, onder voorbehoud van het bepaalde in de volgende sub-paragraaf, aan de gepensioneerde uit te betalen zou zijn, berekenen, in welke berekening het bedrag van de toeslag krachtens de wetgeving van Canada buiten beschouwing blijft;

    • ii. het feitelijke bedrag van de aan de gepensioneerde uit te betalen toeslag ten behoeve van de partner bepalen door het theoretische bedrag te verminderen met het volledige bedrag van de toeslag welke aan de echtgenoot/partner wordt uitbetaald door het bevoegde orgaan van Canada.

3. Bij de toepassing van sub-paragraaf 2, onder b, (ii), zal het bevoegde Nederlandse orgaan voor de omrekening van het bedrag van de toeslag naar de valuta van Nederland gebruik maken van de volgende wisselkoersen:

  • a. voor de periode van de eerste twaalf maanden volgend op de datum waarop de meest recente van de twee inkomensafhankelijke uitkeringen tot uitbetaling komt, de wisselkoers van die datum; en

  • b. voor iedere volgende periode van twaalf maanden, de wisselkoers van de dag in die twaalfmaandsperiode waarop in een voorgelegen jaar de meest recente van de twee inkomens afhankelijke uitkeringen tot uitbetaling kwam.

4. Niettegenstaande elke andere bepaling van dit Verdrag zal dit hoofdstuk niet van toepassing zijn op een persoon die echtgenoot/partner is op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag.

TITEL IV

ADMINISTRATIEVE EN DIVERSE BEPALINGEN

Artikel XIX Uitwisseling van informatie en wederzijdse bijstand

1. De bevoegde autoriteiten en organen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a. verstrekken elkaar alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit verdrag, voor zover zulks is toegestaan door de wetgeving die zij uitvoeren;

  • b. zijn elkaar behulpzaam en verlenen elkaar bijstand met betrekking tot de vaststelling van het recht op en de betaling van uitkeringen krachtens dit Verdrag of de wetgevingen waarop dit Verdrag van toepassing is, als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving;

  • c. stellen elkaar zo spoedig mogelijk in kennis van de maatregelen die door hen getroffen zijn voor de toepassing van dit Verdrag of van wijzigingen in hun wetgeving voor zover deze wijzigingen van invloed zijn op de toepassing van dit Verdrag.

2. De in het eerste lid, onder b, bedoelde hulp is kosteloos, onder voorbehoud van eventuele tussen de bevoegde autoriteiten van de Partijen bereikte overeenstemming inzake de vergoeding van bepaalde kosten.

3. Tenzij op grond van de wetten van een Partij anders is bepaald, zijn alle inlichtingen welke over een persoon die overeenkomstig dit Verdrag door een autoriteit of orgaan van die Partij aan de autoriteit of het orgaan van de andere Partij zijn doorgegeven vertrouwelijk; zij mogen alleen gebruikt worden voor de uitvoering van dit Verdrag en de wetgeving waarop dit Verdrag van toepassing is.

Artikel XX Administratief Akkoord

1. De bevoegde autoriteiten van de Partijen stellen door middel van een administratief akkoord de maatregelen vast welke nodig zijn voor de toepassing van dit Verdrag.

2. In dat akkoord worden de verbindingsorganen van de Partijen aangewezen.

Artikel XXI Vrijstelling of vermindering van belastingen, leges en kosten

1. De vrijstelling of verlaging van belastingen, leges, consulaire of administratieve kosten waarin de wetgeving van een Partij voorziet voor bescheiden of documenten die ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij dienen te worden overgelegd, geldt eveneens voor bescheiden en documenten die ter uitvoering van de wetgeving van de andere Partij dienen te worden overgelegd.

2. Alle akten of documenten van officiële aard die voor de toepassing van dit Verdrag dienen te worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisatie door diplomatieke of consulaire autoriteiten en van gelijksoortige formaliteiten.

Artikel XXII Taal

1. Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de bevoegde autoriteiten en organen van de Partijen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen in een van de officiële talen van elk van beide Partijen.

2. De autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een Partij mogen aanvragen of andere documenten die hun zijn toegezonden, niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een vreemde taal zijn gesteld, wanneer deze taal een officiële taal van de andere Partij is.

Artikel XXIII Aanvragen, mededelingen of beroepschriften

1. Aanvragen, mededelingen of beroepschriften inzake de vaststelling van het recht op of betaling van uitkeringen krachtens de wetgeving van een Partij, welke ingevolge deze wetgeving binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een bevoegde autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van deze Partij, maar die binnen dezelfde termijn zijn ingediend bij een bevoegde autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van de andere Partij worden behandeld alsof zij zijn ingediend bij de bevoegde autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie van eerstbedoelde Partij. De datum waarop die aanvragen, mededelingen of beroepschriften bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van de ene Partij zijn ingediend, wordt beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie van de andere Partij.

2. Een aanvraag om uitkering krachtens de wetgeving van een Partij ingediend na de datum van de inwerkingtreding van het voorgaande Verdrag wordt beschouwd als een aanvraag om een gelijksoortige uitkering krachtens de wetgeving van de andere Partij, mits de aanvrager ten tijde van de aanvraag:

  • a. verzoekt de aanvraag te beschouwen als een aanvraag krachtens de wetgeving van de andere Partij, of

  • b. inlichtingen verstrekt waaruit blijkt dat verzekeringstijdvakken krachtens de wetgeving van de andere Partij zijn vervuld.

3. Wanneer het eerste of tweede lid van toepassing is, draagt de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarbij de aanvraag, de mededeling of het beroepschrift is ingediend, deze onverwijld over aan de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie van de andere Partij.

Artikel XXIV Betaling van uitkeringen

1. Het orgaan of de autoriteit van een Partij voldoet hetgeen hij krachtens dit Verdrag verschuldigd is in de munteenheid van deze Partij.

2. Uitkeringen worden aan de rechthebbenden betaald zonder inhouding van administratiekosten, welke verband houden met de betaling van de uitkeringen.

Artikel XXV Oplossing van geschillen

1. De bevoegde autoriteiten van de Partijen lossen geschillen die ontstaan met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag, zo veel mogelijk op overeenkomstig de geest en de grondbeginselen van dit Verdrag.

2. Indien het geschil niet binnen zes maanden is beslecht, wordt het voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie waarvan de samenstelling en de procedure door de Partijen wordt vastgesteld. De scheidsrechterlijke commissie beslecht het geschil volgens de geest en de grondbeginselen van dit Verdrag. De beslissing van de scheidsrechterlijke commissie is niet vatbaar voor beroep en is bindend voor de Partijen.

Artikel XXVI Overeenkomsten met een provincie van Canada

De betreffende autoriteit van Nederland en een provincie van Canada kunnen akkoorden sluiten betreffende sociale zekerheidsaangelegenheden welke in Canada tot de bevoegdheid van de provinciale overheid behoren, voorzover deze akkoorden niet strijdig zijn met de bepalingen van dit Verdrag.

TITEL V

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel XXVII Overgangsbepalingen

1. Verzekeringstijdvakken die vervuld zijn voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van het recht op uitkering krachtens dit Verdrag.

2. Aan dit Verdrag kan geen recht op uitkering worden ontleend over een tijdvak gelegen voor de datum van inwerkingtreding van het voorgaande Verdrag.

3. Onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid is, met betrekking tot gebeurtenissen die plaatsvonden voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, op aanvraag een uitkering, anders dan een uitkering ineens, verschuldigd krachtens dit Verdrag.

Artikel XXVIII Beëindiging van het voorgaande Verdrag

1. Onder voorbehoud van het tweede lid vervangt dit Verdrag bij inwerkingtreding het voorgaande Verdrag.

2. Indien na de datum van de inwerkingtreding van het voorgaande Verdrag maar voor de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag een persoon een aanvraag voor een uitkering krachtens de wetgeving van een van de Partijen indient, en wanneer, op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag het bevoegde orgaan van die Partij op deze aanvraag nog geen beslissing heeft genomen, past dat bevoegde orgaan de bepalingen van het voorgaande Verdrag toe bij de vaststelling van het recht op een uitkering voor die persoon.

3. Uitkeringen toegekend met behulp van de bepalingen van het voorgaande Verdrag kunnen, ofwel direct danwel op verzoek van de gerechtigde, door de bevoegde organen worden herberekend met behulp van de bepalingen van dit Verdrag. In geen geval zal de hoogte van de uitkering worden verminderd tengevolge van een dergelijke herberekening.

Artikel XXIX Duur en beëindiging

1. Dit Verdrag blijft van kracht voor onbepaalde tijd. Het kan echter te allen tijde door elk van beide Partijen schriftelijk worden opgezegd met een opzegtermijn van twaalf maanden.

2. Wanneer de werking van dit Verdrag is beëindigd blijven alle rechten, die krachtens de bepalingen hiervan of van die van het voorgaande Verdrag zijn verkregen, gehandhaafd; voor de regeling van in opbouw zijnde rechten krachtens bedoelde bepalingen moeten onderhandelingen plaats vinden.

Artikel XXX Inwerkingtreding

1. De Partijen stellen elkaar er schriftelijk van in kennis dat de onderscheiden vereisten voor de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn vervuld. Behoudens het bepaalde in paragraaf 2, zal dit Verdrag in werking treden op de eerste dag van de vierde maand volgende op de datum van de laatste van deze kennisgevingen.

2. Artikel XVII zal in werking treden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brantford, op 27 juni 2001, in de Nederlandse, de Engelse en de Franse taal, zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) DIRK JAN VAN HOUTEN

Voor de Regering van Canada

(w.g.) JANE STEWART


\

Protocol inzake wederzijdse bijstand behorend bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Canada,

met het doel de administratieve doelmatigheid, kosteneffectiviteit en rechtmatigheid van hun sociaal zekerheidsstelsel, zoals zij dat toepassen ter zake van uitkeringen betaalbaar krachtens de wetgeving opgenomen in artikel II van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, getekend te Brantford op 27 juni 2001 (hierna te noemen „het Verdrag"), te verbeteren,

in acht nemende de bepalingen met betrekking tot wederzijdse bijstand zoals opgenomen in artikel XIX van het Verdrag,

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Definities

Elke term in dit Protocol heeft de betekenis welke daaraan wordt gegeven in het Verdrag.

Artikel 2 Wederzijdse bijstand

1. In overeenstemming met de procedures welke beschreven worden in een of meerdere Administratieve Overeenkomsten, staan de bevoegde organen en de verbindingsorganen van de twee Partijen elkaar bij in de uitvoering van de wetgeving zoals opgenomen in artikel II van het Verdrag.

2. In geen geval wordt van een bevoegd orgaan of verbindingsorgaan van een Partij verwacht:

  • a. administratieve maatregelen uit te voeren in afwijking van de regels of administratieve praktijk van die Partij;

  • b. informatie te verschaffen die niet verkrijgbaar is krachtens de wetgeving van die Partij.

Artikel 3 Beheer

1. Het programma van wederzijdse bijstand staat onder de algemene directie van een Beheerscomité, dat belast is met de voortdurende beoordeling van het beleid en de procedures met betrekking tot het programma. Het Beheerscomité bestaat uit vier leden, waarvan het bevoegde orgaan en het verbindingsorgaan van elke Partij er twee aanwijzen.

2. Het Beheerscomité:

  • a. is verantwoordelijk voor de coördinatie van het programma van wederzijdse bijstand, zoals later in een of meerdere Administratieve Overeenkomsten wordt vastgelegd, en voor de aanpassingen daarvan. Het Comité zal de verschillende tijdpaden voor de uitvoering van de functies, zoals vastgelegd in de Overeenkomsten, beoordelen teneinde te verzekeren dat de normen zo veel als mogelijk worden behaald, danwel deze tijdpaden waar nodig aanpassen;

  • b. is verantwoordelijk voor de uitwisseling van statistieken en andere informatie met betrekking tot de werkbelasting en andere administratieve aangelegenheden in relatie tot het programma van wederzijdse bijstand. De inhoud en vorm van de uit te wisselen statistieken en informatie wordt door het Beheerscomité overeengekomen;

  • c. komt, zo vaak als nodig, bijeen, om de voortgang te beoordelen en om een programma van begeleiding en prioriteiten op te stellen.

Artikel 4 Kosten

Het bevoegde orgaan en het verbindingsorgaan van elk van de Partijen verschaft de wederzijdse bijstand in overeenstemming met artikel 2 van dit Protocol kosteloos. Het Beheerscomité beoordeelt periodiek de uitgaven verbonden aan het verschaffen van de bijstand krachtens dit Protocol, met als doel een balans van die kosten te bereiken.

Artikel 5 Interpretatie en toepassing

Niettegenstaande artikel XXV van het Verdrag wordt elk geschil met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit Protocol of de Administratieve Overeenkomsten beslist door het Beheerscomité.

Artikel 6 Duur en beëindiging van het Protocol

Dit Protocol blijft van kracht voor onbepaalde tijd. Het kan echter te allen tijde door elk van beide Partijen schriftelijk bij de andere Partij worden opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit Protocol treedt in werking op dezelfde datum als het Verdrag en vormt een integraal deel van het Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brantford, op 27 juni 2001, in de Nederlandse, de Engelse en de Franse taal, zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) DIRK JAN VAN HOUTEN

Voor de Regering van Canada

(w.g.) JANE STEWART


Agreement on social security between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Canada

The Government of the Kingdom of the Netherlands

and

the Government of Canada,

hereinafter referred to as ``the Parties",

resolved to strengthen further the relations between their two countries in the field of social security, and

taking note of changes to their respective social security legislation since the Agreement on Social Security between the Kingdom of the Netherlands and Canada was signed at The Hague on 26 February 1987,

have agreed as follows:

PART I

GENERAL PROVISIONS

Article 1 Definitions

1. For the purpose of this Agreement:

– ``benefit" means, as regards a Party, any cash benefit, pension or allowance for which provision is made in the legislation of that Party and includes any supplements or increases applicable to such a cash benefit, pension or allowance by virtue of the legislation specified in Article II;

– ``competent authority" means, as regards a Party, the Minister or Ministers responsible for the administration of the legislation specified in Article II with respect to that Party;

– ``competent institution" means, as regards Canada, the competent authority; and, as regards the Netherlands, the institution charged with the implementation of the legislation specified in Article II, which is competent under the applicable legislation;

– ``creditable period" means, as regards a Party, a period of contributions, insurance, employment or residence used to acquire the right to a benefit under the legislation of that Party;

– ``employed person" means a person who is employed by an em- ployer as well as any person who is deemed equivalent to an employed person by the applicable legislation;

– ``legislation" means, as regards a Party, the legislation specified in Article II with respect to that Party;

– ``national" means, as regards Canada, a Canadian citizen; and, as regards the Netherlands, a person of Netherlands nationality;

– ``previous Agreement" means the Agreement on Social Security between Canada and the Kingdom of the Netherlands, signed at The Hague on 26 February 1987, as amended by the Supplementary Agreement Amending the Agreement on Social Security between Canada and the Kingdom of the Netherlands, signed at Ottawa on 26 July 1989;

– ``self-employed person" means a person who is gainfully occupied for his or her own account;

– ``territory" means, as regards Canada, the territory of Canada; and, as regards the Netherlands, the territory of the Kingdom in Europe.

2. Any term not defined in this Article has the meaning assigned to it in the applicable legislation.

Article II Legislation to Which the Agreement Applies

1. This Agreement shall apply:

  • a) with respect to Canada, to:

    • (i) the Old Age Security Act and the regulations made thereunder, and

    • (ii) the Canada Pension Plan and the regulations made thereunder;

  • b) with respect to the Netherlands, to the national legislation on:

    • (i) invalidity insurance for employed persons,

    • (ii) invalidity insurance for self-employed persons,

    • (iii) old age insurance,

    • (iv) survivors' insurance,

    • (v) children's allowances,

      and for the application of Article VI(2), (3) and (4):

    • (vi) sickness insurance (cash benefits and benefits in kind) inclusive of the obligation for the employer to pay salary during the first fifty-two weeks of sickness of the employed person, as laid down in theCivil Code,

    • (vii) unemployment insurance.

2. Except as otherwise provided in paragraph 3, this Agreement shall apply also to any legislation which amends, supplements, consolidates or supersedes the legislation specified in paragraph 1.

3. This Agreement shall not apply to laws or regulations which extend the existing legislation of a Party to a new category of beneficiaries if the competent authority of that Party notifies the competent authority of the other Party within three months from the date of the official publication or proclamation of such laws or regulations that no such extension of the Agreement is intended.

4. This Agreement shall not apply to social and medical assistance schemes, to special schemes for civil servants or persons treated as such, or to benefit schemes for victims of war or its consequences.

Article III Persons to Whom the Agreement Applies

Unless otherwise provided in this Agreement, it shall apply to nationals of the Parties, to persons who are or who have been subject to the legislation of either Party, and to other persons with respect to the rights they derive from the aforementioned persons.

Article IV Equality of Treatment

1. As regards the legislation of Canada, all persons described in Article III shall be subject to the obligations of that legislation and shall be eligible for its benefits without regard to nationality.

2. As regards the legislation of the Netherlands, unless otherwise provided in this Agreement,

  • a) nationals of Canada,

  • b) refugees, within the meaning of the Convention of 28 July 1951 Relating to the Status of Refugees and of the Protocol of 31 January 1967 to that Convention,

  • c) stateless persons, within the meaning of the Convention of 28 September 1954 Relating to the Status of Stateless Persons, and

  • d) other persons to the extent that they derive rights from a person described in sub-paragraph a), b) or c) shall be subject to the obligations of that legislation and shall be eligible for its benefits under the same conditions as nationals of the Netherlands.

Article V Export of Benefits

1. Unless otherwise provided in this Agreement, invalidity, old age or survivors benefits acquired by a person described in Article III under the legislation of one Party, including such benefits acquired by virtue of this Agreement, shall not be subject to any reduction, modification, suspension, cancellation or confiscation by reason only of the fact that the person resides in the territory of the other Party, and they shall be paid in the territory of the other Party.

2. Unless otherwise provided in this Agreement, benefits payable under this Agreement by one Party to a person who is in the territory of the other Party shall also be paid to a person who is in the territory of a third State, under the same conditions and to the same extent as to nationals of the first Party residing in that third State.

PART II

PROVISIONS CONCERNING THE APPLICABLE LEGISLATION

Article VI Rules Regarding Coverage

1. Subject to the provisions of the following paragraphs of this Article:

  • a) an employed person who works in the territory of one Party shall, in respect of that work, be subject only to the legislation of that Party; and

  • b) a self-employed person who ordinarily resides in the territory of one Party and who works as such in the territory of the other Party or in the territories of both Parties shall, in respect of that work, be subject only to the legislation of the former Party.

2. a) An employed person who is covered under the legislation of one Party and who is assigned to perform work in the territory of the other Party for his or her employer shall, in respect of that work, be subject only to the legislation of the former Party as though that work was performed in its territory and provided that such assignment does not exceed sixty months and the person concerned is not also employed in the territory of the other Party by a different employer located in that territory.

  • b) In the application of this paragraph in regard to a person who, on the date of entry into force of this Agreement, is already on assignment in the territory of the other Party and subject to the legislation of the former Party by virtue of Article VI(2) of the previous Agreement, the reference to sixty months in sub-paragraph a) shall be read to refer to the total period during which that person may remain subject only to the legislation of the former Party while in the territory of the other Party, inclusive of the period already completed before the entry into force of this Agreement by virtue of Article VI(2) of the previous Agreement.

3. A person who is employed as a member of the crew of a ship or aircraft shall, in respect of that employment, be subject only to the legislation of the Party in the territory of which the employer's principal place of business is located. However, if the person concerned ordinarily resides in the territory of the other Party, and if the employer has a place of business in the territory of that Party, that person shall be subject only to the legislation of the other Party.

4. a) A person employed in the territory of one Party in a government service of the other Party shall, in respect of that employment, be subject to the legislation of the first Party only if he or she is a national thereof or ordinarily resides in its territory.

  • b) Nationals of a Party employed in a government service of that Party who are sent to the territory of the other Party shall, in respect of that employment, be subject only to the legislation of the first Party.

  • c) Where the person referred to in sub-paragraph a) is subject to the legislation of the first Party, the employer in question shall observe the obligations which that legislation imposes on employers.

5. The competent authorities of the two Parties may, by common agreement, modify the application of the provisions of this Article with respect to any persons or categories of persons.

Article VII Definition of Certain Periods of Residence with Respect to the Legislation of Canada

1. For the purpose of calculating the amount of benefits under the Old Age Security Act:

  • a) if a person is subject to the Canada Pension Plan or to the comprehensive pension plan of a province of Canada during any period of presence or residence in the territory of the Netherlands, that period shall be considered as a period of residence in Canada for that person as well as for that person's spouse or common-law partner and dependants who reside with him or her and who are not subject to the legislation of the Netherlands by reason of employment or self-employment;

  • b) if a person is obligatorily subject to the legislation of the Netherlands during any period of presence or residence in the territory of Canada, that period shall not be considered as a period of residence in Canada for that person and for that person's spouse or common-law partner and dependants who reside with him or her and who are not subject to the Canada Pension Plan or to the comprehensive pension plan of a province of Canada by reason of employment or self-employment.

2. In the application of paragraph 1:

  • a) a person shall be considered to be subject to theCanada Pension Plan or to the comprehensive pension plan of a province of Canada during a period of presence or residence in the territory of the Netherlands only if that person makes contributions pursuant to the plan concerned during that period by reason of employment or self-employment; and

  • b) a person shall be considered to be obligatorily subject to the legislation of the Netherlands during a period of presence or residence in the territory of Canada only if that person makes compulsory contributions pursuant to that legislation during that period by reason of employment or self-employment.

Article VIII Definition of Certain Periods of Residence with Respect to the Legislation of the Netherlands

1. For the purposes of the legislation of the Netherlands, a person who is subject to the Netherlands legislation in accordance with the provisions of this Part shall be considered as residing in the Netherlands.

2. The provision of paragraph 1 shall apply by analogy to the spouse and children accompanying a person described in paragraph 2 or 4b) of Article VI from the territory of one Party to the territory of the other Party, unless they themselves take up a gainful occupation or are receiving a pension or a cash benefit under the legislation of the latter Party.

PART III

PROVISIONS CONCERNING BENEFITS

CHAPTER 1

BENEFITS UNDER THE LEGISLATION OF CANADA

Article IX Totalizing of Creditable Periods

1. a) If a person is not eligible for a benefit on the basis of the periods creditable under the legislation of Canada, the eligibility of that person for that benefit shall be determined by totalizing these periods and those specified in sub-paragraph b), provided that the periods do not overlap.

  • b) In the application of this paragraph:

    • (i) for the purposes of determining eligibility for a benefit under the Old Age Security Act, a creditable period under the Netherlands legislation on old age insurance shall be considered as a period of residence in the territory of Canada;

    • (ii) for the purposes of determining eligibility for a benefit under the Canada Pension Plan, a calendar year including at least thirteen weeks which are creditable under the Netherlands legislation regarding invalidity or survivors' insurance shall be considered as a year which is creditable under the Canada Pension Plan.

2. If a person is not eligible for a benefit under the legislation of Canada on the basis of the periods creditable under the legislation of the Parties, totalized as provided in paragraph 1, the eligibility of that person for that benefit shall be determined by totalizing these periods and periods creditable under the laws of a third State with which both Parties are bound by international social security instruments which provide for totalizing of periods.

Article X Benefits under the Old Age Security Act

1. If a person is eligible for an Old Age Security pension or an allowance solely through the application of the totalizing provisions of Article IX, the competent institution of Canada shall calculate the amount of the pension or allowance payable to that person in conformity with the provisions of the Old Age Security Act governing the payment of a partial pension or allowance, exclusively on the basis of the periods of residence in Canada which may be considered under that Act.

2. Paragraph 1 shall also apply to a person outside Canada who would be entitled to the payment of a full pension in Canada but who has not resided in Canada for the minimum period required by the Old Age Security Act for entitlement to the payment of a pension outside Canada.

3. Notwithstanding any other provision of this Agreement:

  • a) an Old Age Security pension shall be paid, through the application of the totalizing provisions of Article IX, to a person who is outside Canada only if

    • (i) that person has resided in Canada within the meaning of the Old Age Security Act for a period of at least one year after 31 December 1956, and

    • (ii) that person's creditable periods, when totalized as provided in Article IX, are at least equal to the minimum period of residence in Canada required by the Old Age Security Act for entitlement to the payment of a pension outside Canada;

  • b) an allowance and a guaranteed income supplement shall be paid to a person who is outside Canada only to the extent permitted by the Old Age Security Act.

Article XI Benefits under the Canada Pension Plan

If a person is eligible for a benefit solely through the application of the totalizing provisions of Article IX, the competent institution of Canada shall calculate the amount of benefit payable to that person in the following manner:

  • a) the earnings-related portion of the benefit shall be determined in conformity with the provisions of the Canada Pension Plan, exclusively on the basis of the pensionable earnings under that Plan; and

  • b) the flat-rate portion of the benefit shall be determined by multiplying:

    • i) the amount of the flat-rate portion of the benefit determined in conformity with the provisions of the Canada Pension Plan by

    • ii) the fraction which represents the ratio of the periods of contributions under the Canada Pension Plan in relation to the minimum qualifying period required under that Plan to establish entitlement to that benefit, but in no case shall that fraction exceed the value of one.

CHAPTER 2

BENEFITS UNDER THE LEGISLATION OF THE NETHERLANDS

Article XII Benefits under the Invalidity Acts

1. When a national of one Party or a person described in paragraph 2b) or c) of Article IV, at the time when incapacity for work followed by invalidity occurred, had previously completed a total creditable period of at least twelve months under the Netherlands legislation on invalidity insurance, that person shall, subject to the provisions of paragraph 2, be entitled to a benefit determined in accordance with the latter legislation and calculated according to the provisions of Article XIII.

2. The preceding paragraph shall apply provided there is entitlement to a disability pension under the Canada Pension Plan, where appropriate through the application of Article IX, or provided there is entitlement to a benefit due to disability under the workers' compensation plan of a province or territory of Canada.

Article XIII Amount of Benefits

1. If entitlement to a benefit is established through the application of Article XII, the amount of the benefit payable shall be calculated in proportion to the ratio of the total length of the creditable periods completed by the person concerned under the Netherlands legislation after reaching the age of fifteen to the period between the date on which the person reached the age of fifteen and the date of incapacity for work followed by invalidity.

2. If, at the time when incapacity for work followed by invalidity occurred, the person concerned was an employed person, the benefit payable shall be determined according to the provisions of the Incapacity Insurance Act of 18 February 1966 (WAO). In any other case, the benefit payable shall be determined according to the provisions of the Self-Employed Persons Disablement Benefits Act of 24 April 1997 (WAZ).

3. The following creditable periods completed under the Netherlands legislation shall be taken into consideration:

  • a) creditable periods during employment completed under the Incapacity Insurance Act of 18 February 1966 (WAO);

  • b) creditable periods completed under the General Incapacity Insurance Act of 11 December 1975 (AAW);

  • c) creditable periods completed under the Self-Employed Persons Disablement Benefits Act of 24 April 1997 (WAZ); and

  • d) periods of employment, and periods treated as such, completed in the Netherlands before 1 July 1967.

4. In the application of the first sentence of paragraph 2, when a creditable period completed under the WAO coincides with a creditable period completed under the AAW and/or WAZ, only the period completed under the WAO shall be taken into account.

5. In the application of the second sentence of paragraph 2, when a creditable period completed under the AAW and/or WAZ coincides with a creditable period completed under the WAO, only the period completed under the AAW and/or WAZ shall be taken into account.

Article XIV Benefits under the General Old Age Pensions Act

1. The Netherlands competent institution shall determine the old age pension directly and exclusively on the basis of the creditable periods completed under the Netherlands General Old Age Pensions Act.

2. Subject to paragraph 3, periods before 1 January 1957 during which a national of one Party or a person described in paragraph 2b) or c) of Article IV resided in the territory of the Netherlands after reaching the age of fifteen or during which, while residing in another country, the person was gainfully employed in the Netherlands shall also be considered as creditable periods if the person does not satisfy the conditions of the Netherlands legislation permitting such periods to be treated for that person as creditable periods.

3. The periods referred to in paragraph 2 shall be taken into consideration in the calculation of the old age pension only if the person has been insured within the meaning of Article 6 of the Netherlands General Old Age Pensions Act and the person has resided for at least six years in the territory of one or both Parties after reaching the age of fifty-nine and only while the person is residing in the territory of either Party. However, these periods shall not be taken into consideration if they coincide with periods taken into consideration in the calculation of an old age pension under the legislation of a country other than the Netherlands.

Article XV Benefits under the General Survivors' Benefits Act

1. When a national of one Party or a person described in paragraph 2b) or c) of Article IV was, at the time of death, subject to the Canada Pension Plan or in receipt of a benefit under that Plan and had previously completed a total creditable period of at least twelve months under the Netherlands legislation on survivors' insurance, the survivors shall be entitled to a benefit determined in accordance with the latter legislation and calculated according to the provisions of Article XVI.

2. In the application of paragraph 1, a person shall be considered to have been subject to the Canada Pension Plan at the time of death if the death occurs during a calendar year which is a creditable period under that Plan in regard to the person concerned or if the calendar year immediately prior to the calendar year in which the death occurs was a creditable period under that Plan in regard to the person concerned.

3. A person, or child, receiving or qualified to receive benefits under the General Survivors' Benefits Act shall be entitled to receive the payment of that benefit while he or she, or the child, resides in the territory of Canada.

Article XVI Amount of Benefits

If entitlement to a benefit is established through the application of Article XV, the amount of the benefit payable shall be calculated in proportion to the ratio of the total length of the creditable periods completed by the deceased under the Netherlands legislation before reaching the age of sixty-five to the period between the date on which the deceased reached the age of fifteen and the date of death, but at the latest the date on which the deceased reached the age of sixty-five.

Article XVII Benefits under the General Child Benefits Act

The Netherlands competent institution shall determine the children's allowances directly and exclusively on the basis of the Netherlands General Child Benefits Act. A person receiving or qualified to receive Netherlands children's allowances shall be entitled to receive the payment of that allowance while he or she, or the child, resides in the territory of Canada.

CHAPTER 3

INCOME-RELATED BENEFITS FOR SPOUSES AND PARTNERS

Article XVIII Amount of Benefits

1. For the purposes of this Chapter:

– ``income-related benefits" means, as regards Canada, a guaranteed income supplement and an allowance under the Old Age Security Act; and, as regards the Netherlands, a supplementary allowance;

– ``partner" means a person defined as such under the General Old Age Pensions Act of the Netherlands;

– ``pensioner" means, as regards Canada, a person entitled to the payment of a pension under the Old Age Security Act; and, as regards the Netherlands, a person entitled to the payment of a pension under the General Old Age Pensions Act;

– ``spouse/common-law partner" means a person entitled to the payment of an allowance under the Old Age Security Act of Canada by virtue of the fact that he or she is the spouse or common-law partner of a pensioner.

2. Subject to paragraph 4, if a person is both a spouse/common-law partner and a partner of a pensioner, the competent institutions of Canada and the Netherlands shall determine the amount of income-related benefits payable to that person and the pensioner as follows:

  • a) The competent institution of Canada shall:

    • (i) calculate the combined income of the pensioner and spouse/common-law partner in conformity with the provisions of the Old Age Security Act, disregarding in the calculation the amount of any supplementary allowance payable under the legislation of the Netherlands to the pensioner in respect of the partner;

    • (ii) determine, on the basis of the income so calculated, the amount of guaranteed income supplement and allowance payable under the Old Age Security Act to the pensioner and spouse/common-law partner respectively;

    • (iii) communicate to the competent institution of the Netherlands the amount of the allowance payable to the spouse/common-law partner.

  • b) The competent institution of the Netherlands shall:

    • (i) calculate the theoretical amount of the supplementary allowance which, but for the following sub-paragraph, would be payable to the pensioner in respect of the partner under the General Old Age Pensions Act, disregarding in the calculation the amount of the allowance payable under the legislation of Canada to the spouse/common-law partner;

    • (ii) determine the actual amount of supplementary allowance payable to the pensioner in respect of the partner by reducing the theoretical amount by the full amount of the allowance payable by the competent institution of Canada to the spouse/common-law partner.

3. In the application of sub-paragraph 2b)(ii), the competent institution of the Netherlands shall use the following exchange rates for converting the amount of the allowance into the currency of the Netherlands:

  • a) in regard to the first twelve-month period following the date on which the most recent of the two income-related benefits becomes payable, the exchange rate in effect on that date; and

  • b) in regard to any subsequent twelve-month period, the exchange rate in effect on the anniversary of the date on which the most recent of the two income-related benefits became payable.

4. Notwithstanding any other provision of this Agreement, this Chapter shall not apply to a person who is a spouse/common-law partner on the date of entry into force of this Agreement.

PART IV

ADMINISTRATIVE AND MISCELLANEOUS PROVISIONS

Article XIX Exchange of Information and Mutual Assistance

1. The competent authorities and institutions responsible for the application of this Agreement:

  • a) shall, to the extent permitted by the legislation which they administer, communicate to each other any information necessary for the application of this Agreement;

  • b) shall lend their good offices and furnish assistance to one another with regard to the determination of entitlement to, or payment of, any benefit under this Agreement, or the legislation to which this Agreement applies, as if the matter involved the application of their own legislation;

  • c) shall communicate to each other, as soon as possible, all information about the measures taken by them for the application of this Agreement or about changes in their respective legislation insofar as these changes affect the application of this Agreement.

2. The assistance referred to in sub-paragraph lb) shall be provided free of charge, subject to any agreement reached between the competent authorities of the Parties for the reimbursement of certain types of expenses.

3. Unless disclosure is required under the laws of a Party, any information about an individual which is transmitted in accordance with this Agreement to an authority or an institution of that Party by an authority or an institution of the other Party is confidential and shall be used only for purposes of implementing this Agreement and the legislation to which this Agreement applies.

Article XX Administrative Arrangement

1. The competent authorities of the Parties shall establish, by means of an administrative arrangement, the measures necessary for the application of this Agreement.

2. The liaison agencies of the Parties shall be designated in that arrangement.

Article XXI Exemption or Reduction of Taxes, Dues, Fees or Charges

1. Any exemption from or reduction of taxes, legal dues, consular fees or administrative charges for which provision is made in the legislation of one Party in connection with the issuing of any certificate or document required to be produced for the application of that legislation shall be extended to certificates or documents required to be produced for the application of the legislation of the other Party.

2. Any acts or documents of an official nature required to be produced for the application of this Agreement shall be exempt from any authentication by diplomatic or consular authorities or similar formality.

Article XXII Language of Communication

1. For the application of this Agreement, the competent authorities and institutions of the Parties may communicate directly with one another in any of the official languages of either Party.

2. The authorities, institutions and tribunals of a Party may not reject claims or other documents submitted to them by reason of the fact that they are written in a foreign language, provided they are in an official language of the other Party.

Article XXIII Submitting Claims, Notices or Appeals

1. Any claim, notice or appeal concerning the determination of eligibility for, or payment of, a benefit under the legislation of one Party which should, for the purposes of that legislation, have been presented within a prescribed period to a competent authority, institution or tribunal of that Party, but which is presented within the same period to a competent authority, institution or tribunal of the other Party, shall be treated as if it had been presented to the authority, institution or tribunal of the first Party. The date on which such a claim, notice or appeal was submitted to the authority, institution or tribunal of the first Party shall be considered as the date of its submission to the authority, institution or tribunal of the other Party.

2. A claim for a benefit payable under the legislation of one Party made after the date of entry into force of the previous Agreement shall be deemed to be a claim for the corresponding benefit under the legislation of the other Party, provided that the applicant at the time of application:

  • a) requests that it be considered an application under the legislation of the other Party, or

  • b) provides information indicating that creditable periods have been completed under the legislation of the other Party.

3. In any case to which paragraph 1 or 2 applies, the authority, institution or tribunal to which the claim, notice or appeal has been submitted shall transmit it without delay to the authority, institution or tribunal of the other Party.

Article XXIV Payment of Benefits

1. The institution or authority of a Party shall discharge its obligations under this Agreement in the currency of that Party.

2. Benefits shall be paid to beneficiaries free from deductions for administrative expense that may be incurred in paying the benefits.

Article XXV Resolution of Difficulties

1. The competent authorities of the Parties shall resolve, to the extent possible, any dispute which arises in interpreting or applying this Agreement according to its spirit and fundamental principles.

2. If the dispute has not been settled within six months, it shall be submitted to an arbitration tribunal whose composition and procedure shall be agreed upon by the Parties. The arbitration tribunal shall settle the dispute in accordance with the spirit and fundamental principles of this Agreement. The arbitration shall be final and binding for the Parties.

Article XXVI Understandings with a Province of Canada

The relevant authority of the Netherlands and a province of Canada may conclude understandings concerning any social security matter within provincial jurisdiction in Canada insofar as those understandings are not inconsistent with the provisions of this Agreement.

PART V

TRANSITIONAL AND FINAL PROVISIONS

Article XXVII Transitional Provisions

1. Any creditable period completed before the date of entry into force of this Agreement shall be taken into account for the purpose of determining the right to a benefit under this Agreement.

2. No provision of this Agreement shall confer any right to receive payment of a benefit for a period before the date of entry into force of the previous Agreement.

3. Subject to paragraph 2, a benefit, other than a lump sum payment, shall, on application, be payable under this Agreement in respect of events which happened before the date of entry into force of this Agreement.

Article XXVIII Cessation of the Previous Agreement

1. Subject to paragraph 2, on the entry into force of this Agreement, it shall supersede the previous Agreement.

2. If, after the date of entry into force of the previous Agreement but before the date of entry into force of this Agreement, a person submits an application for a benefit under the legislation of a Party, and if, on the date of entry into force of this Agreement, the competent institution of that Party has not yet reached a decision on that application, that competent institution shall apply the provisions of the previous Agreement when determining that person's entitlement to that benefit.

3. Benefits awarded through the application of the previous Agreement may be recalculated by the competent institutions, either directly or on request by the beneficiary, taking into account the provisions of this Agreement. In no case, however, shall the amount of a benefit be reduced as a result of such a recalculation.

Article XXIX Duration and Termination

1. This Agreement shall remain in force without any limitation on its duration. It may be terminated at any time by either Party giving twelve months' notice in writing to the other Party.

2. In the event of the termination of this Agreement, any right acquired by a person in accordance with its provisions or the provisions of the previous Agreement shall be maintained and negotiations shall take place for the settlement of any rights then in course of acquisition by virtue of those provisions.

Article XXX Entry into Force

1. The Parties shall notify each other in writing of the completion of their respective requirements for the entry into force of this Agreement. Subject to paragraph (2), this Agreement shall enter into force on the first day of the fourth month after the date of the last notification.

2. Article XVII shall enter into force retroactively as of 1 January 2000.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.

DONE in two copies at Brantford this 27th day of June 2001, in Dutch, English and French, each text being equally authentic.

For the Government of the Kingdom of the Netherlands

(s.) DIRK JAN VAN HOUTEN

Government of Canada

(s.) JANE STEWART


Protocol on mutual assistance pursuant to the Agreement on social security between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Canada

The government of the Kingdom of the Netherlands

and

the Government of Canada,

with the purpose of improving the administrative efficiency, cost effectiveness and integrity of their social security systems as they apply to benefits payable under the legislation specified in Article II of the Agreement on Social Security between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Canada, signed at Brantford on 27 June 2001 (hereinafter referred to as ``the Agreement"),

taking into account the provisions regarding mutual assistance found in Article XIX of the Agreement,

have agreed as follows:

Article 1 Definitions

Terms used in this Protocol have the same meaning as in the Agreement.

Article 2 Mutual Assistance

1. In accordance with the procedures to be outlined in one or more Administrative Understandings, the competent institutions and liaison agencies of the two Parties shall assist each other in administering the legislation specified in Article II of the Agreement.

2. In no case shall a competent institution or liaison agency of a Party be expected to:

  • a) carry out administrative measures at variance with the statutes or the administrative practice of that Party;

  • b) furnish information which is not obtainable under the legislation of that Party.

Article 3 Management

1. The program of mutual assistance shall be under the general direction of a Management Committee, whose function shall be to undertake an ongoing review of policy and procedures relating to the program. The Committee shall consist of four members, of which the competent institution and liaison agency of each Party shall designate two.

2. The Management Committee shall:

  • a) be responsible for the co-ordination, and any modification, of the program of mutual assistance to be set out later in one or more Administrative Understandings. The Committee shall review the various timeframes for the performance of functions set out in the Understandings in order to ensure that these standards are met to the extent possible or to modify the timeframes where appropriate;

  • b) be responsible for exchanging statistics and other information regarding workloads and other administrative matters associated with the program of mutual assistance. The content and form of the statistics and information to be exchanged shall be agreed upon by the Management Committee;

  • c) meet, as required, to review progress and establish program guidance and priorities.

Article 4 Expenses

The competent institution and liaison agency of each Party shall furnish mutual assistance in accordance with Article II of this Protocol without charge. The Management Committee shall periodically review the expenses involved in furnishing assistance under this Protocol with a view toward balancing the costs incurred.

Article 5 Interpretation and Application

Notwithstanding Article XXV of the Agreement, any disagreement regarding the interpretation or application of this Protocol or its Administrative Understandings shall be resolved by the Management Committee.

Article 6 Duration and Termination of the Protocol

This Protocol shall remain in force for an indefinite period. Either Party may terminate it at any time by giving six months' notice in writing to the other Party.

Article 7 Entry into Force

This Protocol shall enter into force on the same date as the Agreement and shall form an integral part of the Agreement.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, duly authorised thereto by their respective Governments, have signed this Protocol.

DONE in two copies at Brantford this 27th day of 2001, in Dutch, English and French, each text being equally authentic.

For the government of the Kingdom of the Netherlands

(s.) DIRK JAN VAN HOUTEN

For the government of Canada

(s.) JANE STEWART


Administrative Arrangement for the implementation of the Agreement on social security between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Canada signed at Brantford on 27 june 2001

Pursuant to Article XX of the Agreement on Social Security between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Canada, signed at Brantford on 27 June 2001, the competent authorities:

for the Netherlands,

the Minister for Social Affairs and Employment

for Canada,

the Minister of Human Resources Development

and

the Minister of National Revenue

have agreed on the following provisions:

PART I

GENERAL PROVISIONS

Article 1 Definitions

1. For the application of this Administrative Arrangement, ``Agreement" means the Agreement on Social Security between the Government of Canada and the Government of the Kingdom of the Netherlands, signed at Ontario on 27 June 2001.

2. Other terms will have the meaning given to them in the Agreement.

Article 2 Liaison Agencies

1. Pursuant to Article XX of the Agreement, the following are designated as liaison agencies:

  • a) for Canada:

    • i) as regards all matters except the application of Article VI of the Agreement (Rules Regarding Coverage) and Part II of this Administrative Arrangement (Provisions Concerning the Applicable Legislation), the International Operations Division, Income Security Programs Branch, Department of Human Resources Development; and

    • ii) as regards the application of Article VI of the Agreement and Part II of this Administrative Arrangement, the Revenue Collections Division, Department of National Revenue;

  • b) for the Netherlands:

    • i) as regards old age and survivors' insurance: Sociale Verzekeringsbank (Social Insurance Bank), Amstelveen; and

    • ii) as regards invalidity insurance: National Institute Social Insurances c/o Gak Nederland BV, Amsterdam.

2. The duties of the liaison agencies are stated in this Arrangement. For the application of the Agreement, the liaison agencies may communicate directly with each other as well as with the persons concerned or their representatives. The liaison agencies of the Parties will assist each other in the application of the Agreement.

Article 3 Competent Institution

The competent institution for the application of Articles XII and XIII of the Agreement is the National Institute Social Insurances c/o Gak Nederland BV, Amsterdam.

PART II

PROVISIONS CONCERNING THE APPLICABLE LEGISLATION

Article 4

1. For the purposes of this Article, ``institution" means:

  • a) as regards Canada, the Revenue Collections Division, Department of National Revenue; and,

  • b) as regards the Netherlands, the Sociale Verzekeringsbank (Social Insurance Bank).

2. a) When the legislation of a Party is applicable in the circumstances described in paragraph 2 of Article VI of the Agreement, the institution of that Party will, at the request of the employed person or the employer of that person, issue a certificate certifying, in respect of the work in question, that the employed person is subject to that legislation until the date indicated.

  • b) When the employed person described in sub-paragraph a) takes on an employment in the territory of the other Party by a different employer located in that territory, the employed person must, without delay, inform the institution that issued the certificate. That institution will thereupon revoke the certificate and inform the institution of the other Party.

  • c) Until revoked, a certificate issued under sub-paragraph a) or under paragraph 3 of this Article will be accepted as evidence that the employed person is not subject to the legislation of the other Party in respect of the work or employment for which the certificate was issued.

3. When the legislation of a Party is applicable by reason of an agreement of the competent authorities under paragraph 5 of Article VI of the Agreement, the institution of that Party will issue a certificate certifying, in respect of the work or employment in question, that the employed person is subject to that legislation.

4. The institution of the Party that has issued a certificate under paragraph 2a) or 3 of this Article will send copies of it to the employed person as well as to that person's employer and the institution of the other Party.

PART III

PROVISIONS CONCERNING BENEFITS

Article 5 Processing an Application

1. The competent institution of one Party which receives an application for a benefit under the legislation of the other Party will, without delay, send the application form to the liaison agency of the other Party.

2. Along with the application form, the competent institution of the first Party will also transmit any documentation available to it which may be necessary for the competent institution of the other Party to establish the entitlement of the applicant to a benefit. In the case of an application for a benefit under theOld Age Security Act of Canada, this documentation will include, to the extent possible, certification of periods of residence completed in the territory of the Netherlands. In the case of an application for a benefit under the Netherlands legislation on invalidity insurance, this documentation will include a certificate of invalidity issued by a competent medical practitioner in which the initial date of incapacity for work is indicated.

3. The personal information regarding an individual contained in the application form will be duly certified by the competent institution of the first Party which will confirm that the information is corroborated by documentary evidence; the transmission of the form so certified will exempt the competent institution from sending the corroboratory documents.

4. In addition to the application form and documentation referred to in paragraphs 1 and 2, the competent institution of the first Party will send to the liaison agency of the other Party a liaison form which will indicate, in particular, the periods creditable under the legislation of the first Party.

5. On receipt of the liaison form, the liaison agency of the other Party will add the information concerning the periods creditable under the legislation which it administers and will, without delay, return the liaison form to the competent institution of the first Party.

6. Each competent institution will subsequently determine the applicant's eligibility and notify the other institution of the benefits, if any, granted to the applicant.

7. Subject to the Protocol on Mutual Assistance pursuant to the Agreement, paragraphs 1 to 6 will apply by analogy when the competent institution of a Party requests that the competent institution of the other Party verify the legitimacy of payments made to beneficiaries living or residing in the territory of that other Party.

PART IV

MISCELLANEOUS PROVISIONS

Article 6 Medical Examinations

1. The competent institution of one Party will, to the extent permitted by the legislation which it administers, provide, upon request, to the competent institution or liaison agency of the other Party such medical information and documentation as are available concerning the disability of a claimant or beneficiary.

2. If the competent institution of one Party requires that a claimant or a beneficiary who resides in the territory of the other Party undergo an additional medical examination, the liaison agency of the latter Party, at the request of the competent institution of the first Party, will make arrangements for carrying out this examination according to the rules applied by the liaison agency making the said arrangements and at the expense of the institution which requests the medical examination.

3. The amounts due as a result of applying the provisions of paragraph 2 will be reimbursed without delay by the competent institution of the first Party on receipt of a detailed statement of the costs incurred by the competent institution of the other Party.

4. a) Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2 of this Article, the competent institution of the Netherlands reserves the right to have the claimant or beneficiary examined by a doctor of its own choice or to summon the person concerned to undergo a medical examination in the territory of the Netherlands.

  • b) The costs, including travel and accommodation expenses, incurred as a result of applying the provisions of sub-paragraph a), will be borne by the competent institution of the Netherlands.

Article 7 Forms and Procedures

The liaison agencies of the Parties will agree on the forms and procedures necessary to implement the Agreement and this Administrative Arrangement.

Article 8 Exchange of Statistics

The liaison agencies of the Parties will exchange statistics on an annual basis, and in a form to be agreed upon, regarding the payments which each has made under the Agreement. The statistics will include data on the number of beneficiaries and the total amount of benefits paid, by type of benefit.

Article 9 Entry into Effect

This Administrative Arrangement will take effect on the date of entry into force of the Agreement and will have the same period of duration.

DONE in duplicate at Brantford, this 27th day of June, 2001, in the Dutch, English and French languages, each text being equally valid.

For the competent authority of the Kingdom of the Netherlands

(s.) DIRK JAN VAN HOUTEN

For the competent authorities of Canada

(s.) JANE STEWART


D. PARLEMENT

Het Verdrag behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring der Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan het Verdrag kan worden gebonden.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Verdrag, zullen ingevolge artikel XXX, eerste lid, van het Verdrag in werking treden op de eerste dag van de vierde maand volgend op de datum, waarop de Partijen elkaar er schriftelijk van in kennis hebben gesteld dat de onderscheiden vereisten voor inwerkingtreding zijn vervuld.

Ingevolge artikel XXX, tweede lid, zal artikel XVII van het Verdrag in werking treden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000.

De bepalingen van het Protocol zullen ingevolge artikel 7 van het Protocol op dezelfde datum als het Verdrag in werking treden.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zullen Verdrag en Protocol alleen voor Nederland gelden.

J. GEGEVENS

Van het op 26 februari 1987 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada, naar welk Verdrag in de preambule tot het onderhavige Verdrag wordt verwezen, is de tekst geplaatst in Trb. 1987, 66. Zie ook Trb. 1990, 126.

Op 27 juni 2001 is te Brantford nog tot stand gekomen het Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada. De Nederlandse en de Engelse tekst van dat Akkoord luiden als volgt:

Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada ondertekend te Brantford op 27 juni 2001

Overeenkomstig artikel XX van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada ondertekend te Brantford op 27 juni 2001, zijn de bevoegde autoriteiten:

voor Nederland,

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

voor Canada,

de Minister van „Human Resources Development"

en

de Minister van „National Revenue",

de volgende bepalingen overeengekomen:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities

1. Voor de toepassing van dit Administratief Akkoord, wordt onder „Verdrag" verstaan het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van Canada en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Ontario op 27 juni 2001.

2. Andere termen hebben de hun in het Verdrag toegekende betekenis.

Artikel 2 Verbindingsorganen

1. Overeenkomstig artikel XX van het Verdrag zijn de volgende verbindingsorganen aangewezen:

  • a. voor Canada:

    • i. met betrekking tot alle zaken, behoudens de toepassing van Artikel VI van het Verdrag (Regels met betrekking tot de dekking) en Titel II van dit Administratieve Akkoord (Bepalingen inzake de Toepasselijke Wetgeving), de „International Operations Division, Income Security Programs Branch", Department of Human Resources Development; en

    • ii. met betrekking tot de toepassing van Artikel VI van het Verdrag en Titel II van dit Administratieve Akkoord, de „Revenue Collections Division, Department of National Revenue".

  • b. voor Nederland:

    • i. voor wat betreft de ouderdoms- en nabestaandenverzekering: de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen; en

    • ii. voor wat betreft de invaliditeitsverzekering: het Landelijk instituut sociale verzekeringen p/a Gak Nederland BV, Amsterdam.

2. De taken van de verbindingsorganen zijn uiteengezet in dit Akkoord. Voor de toepassing van het Verdrag kunnen de verbindingsorganen zich zowel rechtstreeks met elkaar als met de betrokken personen of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen. De verbindingsorganen van de Partijen zijn elkaar bij de toepassing van het Verdrag behulpzaam.

Artikel 3 Bevoegd orgaan

Het bevoegde orgaan voor de toepassing van de artikelen XII en XIII van het Verdrag is het Landelijk instituut sociale verzekeringen, p/a Gak Nederland BV, Amsterdam.

TITEL II

BEPALINGEN INZAKE DE TOEPASSELIJKE WETGEVING

Artikel 4

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „orgaan" verstaan,

  • a. voor wat Canada betreft, de „Revenue Collections Division, Department of National Revenue",

  • b. voor wat Nederland betreft, de Sociale Verzekeringsbank.

2. a. Wanneer de wetgeving van een Partij in de in het tweede lid van artikel VI van het Verdrag beschreven omstandigheden van toepassing is, geeft het orgaan van die Partij, op verzoek van de werknemer of van zijn werkgever, een verklaring af waaruit blijkt dat met betrekking tot de desbetreffende werkzaamheden op deze werknemer tot de aangegeven datum die wetgeving van toepassing is.

  • b. Wanneer de in het tweede lid, sub a, van dit artikel bedoelde werknemer op het grondgebied van de andere Partij gaat werken in dienst van een andere werkgever gevestigd op dat grondgebied, dient de werknemer het orgaan dat de verklaring heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis te stellen. Dat orgaan trekt hierop de verklaring in en stelt het orgaan van de andere Partij hiervan in kennis.

  • c. Tot het moment van intrekking wordt de verklaring die is afgegeven op grond van het tweede lid, sub a, of het derde lid van dit artikel aanvaard als bewijs dat op de werknemer voor de werkzaamheden waarvoor de verklaring werd afgegeven, de wetgeving van de andere Partij niet van toepassing is.

3. Wanneer de wetgeving van een Partij van toepassing is op grond van een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten krachtens het vijfde lid van artikel VI van het Verdrag, geeft het orgaan van die Partij een verklaring af waaruit blijkt dat op de werknemer met betrekking tot de desbetreffende werkzaamheden die wetgeving van toepassing is.

4. Het orgaan dat op grond van het tweede lid, sub a, of het derde lid van dit artikel een verklaring heeft afgegeven, zendt hiervan kopieën aan de werknemer, zijn werkgever en het orgaan van de andere Partij.

TITEL III

BEPALINGEN INZAKE UITKERINGEN

Artikel 5 Behandeling van een aanvraag

1. Het bevoegde orgaan van een Partij dat een aanvraag ontvangt voor een uitkering krachtens de wetgeving van de andere Partij, zendt het aanvraagformulier onverwijld aan het verbindingsorgaan van de andere Partij.

2. Het bevoegde orgaan van de eerstbedoelde Partij draagt samen met het aanvraagformulier tevens alle voorhanden zijnde documentatie over die noodzakelijk kan zijn voor het bevoegde orgaan van de andere Partij om het recht op uitkering van de aanvrager vast te stellen. Wanneer het een aanvraag betreft voor een uitkering krachtens de „Old Age Security Act" van Canada (Wet op de ouderdomsverzekering), bevat deze documentatie zo mogelijk een verklaring betreffende de in Nederland vervulde tijdvakken van wonen. Wanneer het een aanvraag om uitkering krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de invaliditeitsverzekering betreft, bevat deze documentatie een door een bevoegde arts afgegeven arbeidsongeschiktheidsverklaring waarin de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid is vermeld.

3. De persoonlijke informatie die het aanvraagformulier bevat wordt naar behoren geverifieerd door het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij, die bevestigt dat de informatie wordt gestaafd door bewijzen; het overmaken van het aldus geverifieerde formulier ontslaat het bevoegde orgaan van het zenden van bewijsstukken.

4. Naast het aanvraagformulier en de in het eerste en tweede lid bedoelde documentatie, stuurt het bevoegde orgaan van de eerstbedoelde Partij aan het verbindingsorgaan van de andere Partij een contactformulier waarop in het bijzonder de verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij zijn vermeld.

5. Na ontvangst van het contactformulier voegt het verbindingsorgaan van de andere Partij de informatie betreffende de verzekeringstijdvakken krachtens de wetgeving die het uitvoert erbij en stuurt het contactformulier onverwijld terug aan het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij.

6. Elk bevoegd orgaan stelt vervolgens het recht van de aanvrager vast en stelt het andere orgaan in kennis van de eventuele uitkeringen die aan de aanvrager zijn toegekend.

7. Onder voorbehoud van het Protocol inzake wederzijdse bijstand behorend bij het Verdrag, zullen de leden 1 tot en met 6 van analoge toepassing zijn wanneer het bevoegde orgaan van een Partij aan het bevoegde orgaan van de andere Partij verzoekt de rechtmatigheid van betalingen aan gerechtigden die leven of wonen op het grondgebied van die andere Partij te verifiëren.

TITEL IV

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 6 Medische onderzoeken

1. Het bevoegde orgaan van een Partij verstrekt, voor zover zulks is toegestaan ingevolge de wetgeving die het uitvoert, op verzoek aan het bevoegde orgaan of het verbindingsorgaan van de andere Partij, die medische informatie en documentatie betreffende de arbeidsongeschiktheid van een aanvrager of een rechthebbende die voorhanden is.

2. Indien het bevoegde orgaan van een Partij verlangt dat een aanvrager of een rechthebbende die op het grondgebied van de andere Partij woont, een aanvullend medisch onderzoek ondergaat, neemt het verbindingsorgaan van deze Partij, op verzoek van het verbindingsorgaan van eerstbedoelde Partij, maatregelen om dit onderzoek plaats te doen vinden overeenkomstig de regels die door het verbindingsorgaan dat de bedoelde maatregelen neemt worden toegepast en op kosten van het bevoegde orgaan dat het medische onderzoek vraagt.

3. De bedragen die ten gevolge van de toepassing van het tweede lid verschuldigd zijn, worden door het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij onverwijld vergoed na ontvangst van een gedetailleerde specificatie van de kosten die zijn gemaakt door het bevoegde orgaan van de andere Partij.

4. a. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel behoudt het bevoegde orgaan van Nederland het recht de aanvrager of gerechtigde door een medicus van zijn eigen keuze te laten onderzoeken of om de betreffende persoon een medisch onderzoek te laten ondergaan op het grondgebied van Nederland.

  • b. De kosten, inclusief reis- en verblijfskosten, die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen onder a van dit lid, zullen worden gedragen door het bevoegde orgaan van Nederland.

Artikel 7 Formulieren en procedures

De verbindingsorganen van de Partijen stellen de formulieren en de procedures vast die nodig zijn voor de uitvoering van het Verdrag en van dit Administratief Akkoord.

Artikel 8 Uitwisseling van statistieken

De verbindingsorganen van de Partijen wisselen jaarlijks en op nader overeen te komen wijze statistieken uit betreffende de betalingen die krachtens het Verdrag zijn verricht. Deze statistieken bevatten gegevens over het aantal rechthebbenden en het totale bedrag van de betaalde uitkeringen, per soort van uitkering.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Dit Administratief Akkoord treedt gelijktijdig met het Verdrag in werking en heeft dezelfde werkingsduur.

GEDAAN in tweevoud te Brantford, op 27 juni 2001, in de Nederlandse, de Engelse en de Franse taal, zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Nederlandse bevoegde autoriteit

(w.g.) DIRK JAN VAN HOUTEN

Voor de Canadese bevoegde autoriteiten

(w.g.) JANE STEWART


De bepalingen van het Administratief Akkoord zullen ingevolge artikel 9 van het Akkoord op dezelfde datum als het onderhavige Verdrag in werking treden.

Uitgegeven de derde augustus 2001

De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.,

A. H. KORTHALS


XNoot
1

De Franse tekst is niet afgedrukt.

Naar boven