Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2000, 27Verdrag

A. TITEL

Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, met Bijlagen;

Londen, 7 november 1996

B. TEKST

De Engelse en de Franse tekst van het Protocol zijn geplaatst in Trb. 1998, 134.

C. VERTALING

Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972

De Partijen bij dit Protocol,

Benadrukkende de noodzaak het mariene milieu te beschermen en een duurzaam gebruik en het behoud van de mariene bronnen te bevorderen;

Gelet in dit verband op hetgeen is bereikt binnen het kader van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, en in het bijzonder op de ontwikkeling naar een benadering die is gebaseerd op voorzorg en voorkoming;

Voorts gelet op de bijdrage in dit verband van aanvullende regionale en nationale instrumenten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu en die rekening houden met de specifieke omstandigheden en behoeften van de desbetreffende regio's en Staten;

Opnieuw bevestigend de waarde van een mondiale aanpak van deze zaken en met name het belang van voortdurende samenwerking en medewerking tussen de Partijen bij de implementatie van het Verdrag en het Protocol;

Erkennende dat het wenselijk kan zijn op nationaal of regionaal niveau strengere maatregelen aan te nemen met betrekking tot de voorkoming en beëindiging van verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt door het storten in zee dan die welke zijn voorzien in internationale verdragen of andere overeenkomsten met mondiale reikwijdte;

Rekening houdend met de desbetreffende internationale overeenkomsten en acties, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en Agenda 21;

Eveneens erkennende de belangen en capaciteiten van in ontwikkeling zijnde Staten en met name van kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn;

Ervan overtuigd dat verdere internationale maatregelen ter voorkoming, vermindering en waar praktisch uitvoerbaar ter beëindiging van verontreiniging van de zee veroorzaakt door storten onverwijld kunnen en moeten worden genomen teneinde het mariene milieu te beschermen en te behouden, en de menselijke activiteiten zodanig te beheren dat het mariene ecosysteem het rechtmatig gebruik van de zee kan blijven dragen en kan blijven voorzien in de behoeften van de huidige en toekomstige generaties;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol:

1. wordt onder „Verdrag" verstaan het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, zoals gewijzigd;

2. wordt onder „Organisatie" verstaan de Internationale Maritieme Organisatie;

3. wordt onder „Secretaris-Generaal" verstaan de Secretaris-Generaal van de Organisatie;

4. 1. wordt onder „storten" verstaan:

.1 het zich opzettelijk ontdoen in zee van afval of andere stoffen vanaf schepen, vanuit luchtvaartuigen, vanaf platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee;

.2 het zich opzettelijk ontdoen in zee van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee;.3 het opslaan van afval of andere stoffen in de zeebodem en de ondergrond daarvan afkomstig van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee; en .4 het achterlaten of ter plaatse kantelen van platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, met als enig doel het zich opzettelijk ontdoen hiervan;.2 wordt onder „storten" niet verstaan:.1 het zich op zee ontdoen van afval of andere stoffen verbonden met of afkomstig uit de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval of andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken;.2 het plaatsen van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Protocol; en.3 onverminderd het bepaalde in het vierde lid, sub 1, onder 4, het achterlaten in zee van stoffen (bijvoorbeeld kabels, pijpleidingen en voorzieningen voor zee-onderzoek) geplaatst met een ander oogmerk dan zich hiervan enkel en alleen te ontdoen;.3 het zich ontdoen of het opslaan van afval of andere stoffen, onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de ontginning en de verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden, valt niet onder de bepalingen van dit Protocol;

5. 1. wordt onder „verbranding op zee" verstaan de verbranding aan boord van een schip, platform of ander kunstmatig bouwwerk in zee van afval of andere stoffen met het oogmerk zich hiervan opzettelijk te ontdoen door middel van thermische vernietiging;

.2 wordt onder „verbranding op zee" niet verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, platform, of ander kunstmatig bouwwerk in zee, indien dit afval of deze andere stoffen voortkomen uit de normale exploitatie van dat schip, platform of kunstmatig bouwwerk in zee;

6. wordt onder „schepen en luchtvaartuigen" verstaan (lucht)vaartuigen, die zich op het water, in het water of door de lucht voortbewegen, ongeacht van welk type zij zijn. Hieronder worden mede verstaan luchtkussenvaartuigen en drijvende toestellen, al dan niet met eigen voortstuwingsmiddelen;

7. wordt onder „zee" verstaan alle mariene wateren met uitzondering van de binnenwateren van de Staten, alsmede de zeebodem en de ondergrond daarvan; de onder de zeebodem gelegen gewelven die uitsluitend vanaf het land bereikbaar zijn vallen niet onder deze begripsomschrijving;

8. wordt onder „afval of andere stoffen" verstaan materialen en substanties, ongeacht hun aard, vorm of omschrijving;

9. wordt onder „vergunning" verstaan de toestemming die van tevoren wordt verleend overeenkomstig de desbetreffende maatregelen aangenomen ingevolge artikel 4, eerste lid, onder 2, of artikel 8, tweede lid;

10. wordt onder „verontreiniging" verstaan het direct of indirect door menselijke activiteit in zee brengen van afval of andere stoffen hetgeen leidt of kan leiden tot nadelige gevolgen zoals schade aan de levende rijkdommen en de mariene ecosystemen, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van de activiteiten op zee, met inbegrip van de visvangst en ander rechtmatig gebruik van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater in verband met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve waarde.

Artikel 2 Doelstellingen

De Partijen beschermen en behouden, zowel afzonderlijk als collectief, het mariene milieu tegen alle bronnen van verontreiniging en nemen doeltreffende maatregelen, naar gelang van hun wetenschappelijke, technische en economische capaciteiten, om de verontreiniging veroorzaakt door het storten in zee of verbranden op zee van afval of andere stoffen te voorkomen, te verminderen en waar praktisch uitvoerbaar te beëindigen. Indien nodig stemmen zij hun beleid ter zake op elkaar af.

Artikel 3 Algemene verplichtingen

1. Bij het ten uitvoer brengen van dit Protocol passen de Partijen een voorzorgsbenadering toe met betrekking tot de bescherming van het milieu tegen het storten van afval of andere stoffen, waarbij gepaste preventieve maatregelen worden genomen, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat afval of andere stoffen die in het mariene milieu worden gebracht mogelijk schade kunnen veroorzaken, zelfs wanneer er geen afdoende bewijs is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het inbrengen van afval of andere stoffen en de gevolgen hiervan.

2. Rekening houdend met de benadering dat de vervuiler in beginsel de kosten van de verontreiniging dient te dragen, zet elke Partij zich in om praktijken te bevorderen waarbij degene die toestemming heeft gegeven over te gaan tot het storten in of verbranden op zee de kosten draagt die gemoeid zijn met het voldoen aan de vereisten voor de voorkoming en beheersing van verontreiniging die gelden voor de toegestane activiteiten, naar behoren rekening houdend met het openbaar belang.

3. Bij de uitvoering van de bepalingen van dit Protocol handelen de Partijen zodanig dat zij niet de schade of mogelijke schade, rechtstreeks of niet-rechtstreeks, van een deel van het milieu naar een ander deel verplaatsen of een vorm van verontreiniging vervangen door een andere vorm.

4. Geen enkele bepaling van dit Protocol mag zodanig worden geïnterpreteerd dat de Partijen worden belet, afzonderlijk of gezamenlijk, strengere maatregelen in overeenstemming met het internationale recht te nemen met betrekking tot de voorkoming, vermindering en waar praktisch uitvoerbaar de beëindiging van verontreiniging.

Artikel 4 Het storten van afval of andere stoffen

1. 1 De Partijen verbieden het storten van afval of andere stoffen, met uitzondering van die welke worden genoemd in Bijlage 1.

.2 Voor het storten van afval of andere stoffen genoemd in Bijlage 1 is een vergunning vereist. De Partijen nemen administratieve of wettelijke maatregelen aan om ervoor zorg te dragen dat de verlening van vergunningen en de bijbehorende vergunningsvoorwaarden in overeenstemming zijn met de bepalingen van Bijlage 2. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de mogelijkheden storten te voorkomen en in plaats daarvan alternatieven te benutten die uit milieu-oogpunt de voorkeur genieten.

2. Geen enkele bepaling van dit Protocol mag worden geïnterpreteerd als beletsel voor een Partij om, wat haar betreft, het storten van afval of andere stoffen die in Bijlage 1 zijn genoemd te verbieden. De desbetreffende Partij stelt de Organisatie in kennis van dergelijke verbodsmaatregelen.

Artikel 5 Verbranding op zee

De Partijen verbieden de verbranding op zee van afval of andere stoffen.

Artikel 6 Uitvoer van afval of andere stoffen

De Partijen staan de uitvoer van afval of andere stoffen naar andere landen voor het storten in of verbranden op zee niet toe.

Artikel 7 Binnenwateren

1. Onverminderd alle overige bepalingen van dit Protocol heeft dit Protocol alleen betrekking op de binnenwateren voor zover wordt bepaald in de leden 2 en 3.

2. Elke Partij kiest naar eigen oordeel hetzij voor toepassing van de bepalingen van dit Protocol, hetzij voor aanneming van andere doeltreffende maatregelen met betrekking tot vergunningen en regulering om controle uit te oefenen op de activiteit van het zich opzettelijk ontdoen van afval of andere stoffen in mariene binnenwateren ingeval een dergelijke activiteit in de zin van artikel 1, indien deze op zee zou geschieden, „storten" of „verbranding op zee" zou inhouden.

3. Elke Partij dient de Organisatie inlichtingen te verschaffen betreffende de wetgeving en de institutionele mechanismen met betrekking tot de uitvoering, de naleving en de handhaving van de bepalingen in mariene binnenwateren. De Partijen dienen zich tevens tot het uiterste in te spannen om op vrijwillige basis overzichten te leveren inzake het type en de aard van de in de mariene binnenwateren gestorte materialen.

Artikel 8 Uitzonderingen

1. Het bepaalde in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, is niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is voor de veiligheid van mensenlevens of voor de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, mits het ernaar uitziet dat het storten in of verbranden op zee de enige oplossing is om de dreiging af te wenden en hierdoor naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt. Het storten of verbranden moet dan zodanig geschieden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten of verbranden in kennis te worden gesteld.

2. Een Partij mag, in afwijking van artikel 4, eerste lid, en artikel 5, een vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid, veiligheid of voor het mariene milieu onaanvaardbare risico's met zich brengen en waarvoor geen andere geschikte oplossing mogelijk is. Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de Partij ieder ander land of alle andere landen die erbij betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na de andere Partijen en de daarvoor in aanmerking komende bevoegde internationale organisaties te hebben geraadpleegd, overeenkomstig artikel 18, zesde lid, de Partij zo spoedig mogelijk aanbevelingen doen omtrent de te volgen werkwijzen die het meest geschikt zijn. De Partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, binnen de tijd waarin de nodige maatregelen moeten worden genomen, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij stelt de Organisatie in kennis van de door haar genomen maatregelen. De Partijen verbinden zich ertoe elkaar in dergelijke situaties onderling bijstand te verlenen.

3. Iedere Partij kan bij de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Protocol, of daarna, van haar in het tweede lid bedoelde rechten afzien.

Artikel 9 Verlening van vergunningen en verslaglegging

1. Iedere Partij wijst één of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn tot:

.1 het verlenen van vergunningen in overeenstemming met dit Protocol;

.2 het bijhouden van lijsten, waarop de aard en de hoeveelheden van alle afval of andere stoffen waarvoor stortingsvergunningen zijn verleend, en voor zover praktisch uitvoerbaar de daadwerkelijk gestorte hoeveelheden, alsmede de plaats, de datum en de wijze van storten worden vermeld; en.3 het afzonderlijk of in samenwerking met andere Partijen en de bevoegde internationale organisaties verrichten van controlemetingen betreffende de toestand van de zee ten behoeve van de uitvoering van dit Protocol.

2. De bevoegde autoriteit of autoriteiten van een Partij verlenen vergunningen in overeenstemming met dit Protocol voor afval of andere te storten stoffen, of, zoals bepaald in artikel 8, tweede lid, voor verbranding op zee:

.1 die geladen worden op haar grondgebied; en

.2 die geladen worden op een schip of een luchtvaartuig dat op haar grondgebied staat ingeschreven of dat haar vlag voert, wanneer het laden plaatsvindt op het grondgebied van een Staat die geen Partij is.

3. Bij het verlenen van vergunningen handelt de bevoegde autoriteit of handelen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de eisen van artikel 4 en overeenkomstig de aanvullende criteria, maatregelen en voorwaarden die zij ter zake dienende acht, respectievelijk achten.

4. Iedere Partij brengt, rechtstreeks of door tussenkomst van een bij regionale overeenkomst ingesteld secretariaat, aan de Organisatie en zo nodig aan andere Partijen verslag uit van:

.1 de informatie bedoeld in het eerste lid, onder 2 en 3;

.2 de genomen administratieve en wettelijke maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit Protocol, met inbegrip van een overzicht van handhavingsmaatregelen; en.3 de doeltreffendheid van de onder 2 bedoelde maatregelen en mogelijke problemen bij de toepassing daarvan.

De informatie bedoeld in het eerste lid, onder 2 en 3, moet jaarlijks worden verstrekt. De informatie bedoeld in het vierde lid, onder 2 en 3, moet op een regelmatige basis worden verstrekt.

5. Verslagleggingen die ingevolge het vierde lid, onder 2 en 3, worden gedaan, worden geëvalueerd door een geschikt ondersteunend orgaan zoals bepaald door de Vergadering van de Partijen. Dit orgaan brengt verslag uit van haar conclusies bij een Vergadering of Bijzondere Vergadering van de Partijen.

Artikel 10 Toepassing en handhaving

1. Iedere Partij past de voor de uitvoering van dit Protocol vereiste maatregelen toe op alle:

.1 schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied staan ingeschreven of die haar vlag voeren;

.2 schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied afval of andere stoffen laden die in zee gestort of op zee verbrand moeten worden; en.3 schepen, luchtvaartuigen en platforms of andere kunstmatige bouwwerken waarvan wordt aangenomen dat zij stortingswerkzaamheden in zee of verbrandingswerkzaamheden op zee verrichten in gebieden waarin zij in overeenstemming met het internationale recht bevoegd is rechtsmacht uit te oefenen.

2. Iedere Partij neemt in overeenstemming met het internationale recht gepaste maatregelen ter voorkoming en indien nodig ter bestraffing van handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit Protocol.

3. De Partijen komen overeen samen te werken bij de opstelling van de procedures voor de doeltreffende toepassing van dit Protocol in gebieden buiten de rechtsmacht van enige Staat, met inbegrip van procedures voor het melden van schepen en luchtvaartuigen die worden waargenomen terwijl zij bezig zijn met het storten in of verbranden op zee in strijd met de bepalingen van dit Protocol.

4. Dit Protocol is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen die ingevolge het internationale recht soevereine immuniteit genieten. Door het nemen van gepaste maatregelen ziet iedere Partij er evenwel op toe dat dergelijke schepen en luchtvaartuigen die zij in bezit of in gebruik heeft, handelen overeenkomstig voorwerp en doel van dit Protocol; zij doet de Organisatie dienovereenkomstig mededeling.

5. Een Staat kan, bij het tot uitdrukking brengen van het feit dat hij ermee instemt door dit Protocol te worden gebonden, of op enig tijdstip daarna, verklaren dat hij de bepalingen van dit Protocol toepast op zijn in het vierde lid bedoelde schepen en luchtvaartuigen, met dien verstande dat alleen die Staat die bepalingen kan handhaven ten aanzien van deze schepen en luchtvaartuigen.

Artikel 11 Procedures voor naleving

1. Uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol, stelt de Vergadering van de Partijen de procedures en mechanismen vast voor de evaluatie en bevordering van de naleving van dit Protocol. Deze procedures en mechanismen worden zodanig opgezet dat een volledige en openlijke, constructieve uitwisseling van informatie wordt bevorderd.

2. Na volledige bestudering van de informatie die ingevolge dit Protocol aan haar wordt voorgelegd en van alle aanbevelingen die door middel van de krachtens het eerste lid ingestelde procedures en mechanismen aan haar worden gedaan, kan de Vergadering van Partijen aan de Partijen en aan niet-Partijen advies uitbrengen en bijstand of samenwerking aanbieden.

Artikel 12 Regionale samenwerking

Teneinde de doelstellingen van dit Protocol te bevorderen, stellen de Partijen die een gemeenschappelijk belang hebben bij de bescherming van het mariene milieu in een bepaald geografisch gebied, alles in het werk om, rekening houdend met regionale bijzonderheden, de regionale samenwerking te intensiveren, met inbegrip van het sluiten van regionale overeenkomsten die verenigbaar zijn met dit Protocol, ter voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, beëindiging van verontreiniging veroorzaakt door het storten in zee of verbranden op zee van afval of andere stoffen. De Partijen streven naar samenwerking met de partijen bij regionale overeenkomsten ter harmonisering van de door de Partijen bij de verschillende verdragen te volgen procedures.

Artikel 13 Technische samenwerking en bijstand

1. Door middel van samenwerking binnen de Organisatie en in coördinatie met andere bevoegde internationale organisaties bevorderen de Partijen bilaterale en multilaterale bijstand ter voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, ter beëindiging van verontreiniging veroorzaakt door het storten, zoals bepaald in dit Protocol, aan die Partijen die daarom verzoeken voor:

.1 het scholen van wetenschappelijk en technisch personeel voor onderzoek, controlemetingen en handhaving, met inbegrip van het naar behoefte leveren van de nodige uitrusting en voorzieningen, teneinde de nationale capaciteit te versterken;

.2 advies met betrekking tot de uitvoering van dit Protocol;.3 informatie en technische samenwerking met betrekking tot minimalisering van afval en schone produktieprocessen;.4 informatie en technische samenwerking met betrekking tot het zich ontdoen van en verwerking van afval en andere maatregelen ter voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, de beëindiging van verontreiniging ten gevolge van storting; en.5 toegang tot en overdracht van milieuvriendelijke technologieën en de daarbij behorende specialistische kennis, in het bijzonder voor ontwikkelingslanden en landen die overgaan op een markteconomie, onder gunstige voorwaarden, met inbegrip van milde en preferentiële voorwaarden, zoals onderling overeengekomen, rekening houdend met de noodzaak de intellectuele-eigendomsrechten te beschermen alsmede met de bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden en van landen die overgaan op een markteconomie.

2. De Organisatie verricht de volgende taken:

.1 het verzenden van verzoeken om technische samenwerking van Partijen aan andere Partijen, rekening houdend met bepaalde factoren zoals technisch vermogen;

.2 het coördineren van verzoeken om bijstand met andere bevoegde internationale organisaties, indien nodig; en.3 afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte middelen, het helpen van ontwikkelingslanden en van landen die overgaan op een markteconomie die te kennen hebben gegeven van plan te zijn Partijen te worden, bij het evalueren van de middelen die nodig zijn voor de volledige uitvoering hiervan.

Artikel 14 Wetenschappelijk en technisch onderzoek

1. De Partijen nemen de nodige maatregelen ter bevordering en vergemakkelijking van wetenschappelijk en technisch onderzoek naar de voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, de beëindiging van verontreiniging door storting en andere bronnen van mariene verontreiniging die onder dit Protocol vallen. Dit onderzoek dient met name te geschieden in de vorm van waarneming, meting, evaluatie en analyse van de verontreiniging door middel van wetenschappelijke methoden.

2. Teneinde de doelstellingen van dit Protocol te verwezenlijken bevorderen de Partijen de verstrekking van relevante informatie aan andere Partijen die hierom verzoeken, betreffende:

.1 wetenschappelijke en technische activiteiten en maatregelen genomen in overeenstemming met dit Protocol;

.2 mariene wetenschappelijke en technische programma's en de doelstellingen daarvan; en.3 de resultaten van de ingevolge artikel 9, eerste lid, onder 3, verrichte controlemetingen en evaluaties.

Artikel 15 Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid

In overeenstemming met de beginselen van het internationale recht met betrekking tot de aansprakelijkheid van Staten ter zake van schade toegebracht aan het milieu van andere Staten of aan iedere andere sector van het milieu, verbinden de Partijen zich tot het ontwikkelen van procedures voor het vaststellen van de aansprakelijkheid ten gevolge van het storten in of het verbranden op zee van afval of andere stoffen.

Artikel 16 Beslechting van geschillen

1. Geschillen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Protocol worden in eerste instantie beslecht door middel van onderhandelingen, bemiddeling of conciliatie, of andere vreedzame middelen die door de partijen bij het geschil worden gekozen.

2. Indien een oplossing niet mogelijk is binnen twaalf maanden nadat een van de Partijen een andere Partij in kennis heeft gesteld van het feit dat er een geschil tussen hen bestaat, wordt het geschil, op verzoek van een partij bij het geschil, beslecht door middel van de in Bijlage 3 bedoelde arbitrageprocedure, tenzij de partijen bij het geschil overeenkomen een van de procedures te gebruiken die worden genoemd in artikel 287, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982. De partijen bij het geschil kunnen hiertoe besluiten ongeacht het feit of zij al dan niet eveneens Staten zijn die Partij zijn bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982.

3. Indien overeenstemming wordt bereikt over het gebruik van een van de procedures genoemd in artikel 287, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, zijn de bepalingen genoemd in Deel XV van dat Verdrag die betrekking hebben op de gekozen procedure mutatis mutandis eveneens van toepassing.

4. Het in het tweede lid bedoelde tijdsbestek van twaalf maanden kan met twaalf maanden worden verlengd indien de betrokken partijen daartoe gezamenlijk overeenkomen.

5. Niettegenstaande het bepaalde in het tweede lid kan elke Staat, op het moment dat hij tot uitdrukking brengt ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, indien hij een partij is bij een geschil betreffende de interpretatie of toepassing van artikel 3, eerste of tweede lid, zijn instemming vereist is voordat het geschil beslecht kan worden door middel van de in Bijlage 3 bedoelde arbitrageprocedure.

Artikel 17 Internationale samenwerking

De Partijen bevorderen de doelstellingen van dit Protocol binnen de bevoegde internationale organisaties.

Artikel 18 Vergaderingen van de Partijen

1. Tijdens Vergaderingen of Bijzondere Vergaderingen wordt de uitvoering van dit Protocol door de Partijen voortdurend getoetst en de doeltreffendheid ervan geëvalueerd teneinde de middelen vast te stellen om maatregelen aan te scherpen, indien nodig, ter voorkoming, vermindering en, voor zover praktisch uitvoerbaar, beëindiging van verontreiniging veroorzaakt door het storten in of verbranding op zee van afval of andere stoffen. Hiertoe kunnen de Partijen tijdens hun Vergaderingen of Bijzondere Vergaderingen met name:

.1 wijzigingen van dit Protocol bestuderen en aannemen in overeenstemming met de artikelen 21 en 22;

.2 naar behoefte ondergeschikte organen in het leven roepen belast met de bestudering van alle aangelegenheden ter bevordering van de doeltreffende uitvoering van dit Protocol;.3 deskundige instanties uitnodigen voor advisering van de Partijen of de Organisatie met betrekking tot aangelegenheden die betrekking hebben op dit Protocol;.4 de samenwerking bevorderen met bevoegde internationale organisaties die betrokken zijn bij de voorkoming en de beheersing van verontreiniging;.5 de informatie bestuderen die ingevolge artikel 9, vierde lid, wordt verstrekt;.6 in overleg met de bevoegde internationale organisaties de in artikel 8, tweede lid, bedoelde procedures ontwikkelen of aannemen, met inbegrip van basiscriteria voor de vaststelling van uitzonderlijke en noodsituaties, en procedures voor consultatief advies en de veilige verwijdering van stoffen op zee in dergelijke gevallen;.7 resoluties bestuderen en aannemen; en .8 eventueel vereiste aanvullende maatregelen in overweging nemen.

2. De Partijen stellen tijdens hun eerste Vergadering de door hen nodig geachte reglement van orde op.

Artikel 19 Taken van de Organisatie

1. De Organisatie is verantwoordelijk voor de secretariaatswerkzaamheden met betrekking tot dit Protocol. Elke Partij die geen lid is van de Organisatie levert een gepaste bijdrage in de kosten die de Organisatie bij de uitvoering van deze taken maakt.

2. Secretariaatswerkzaamheden nodig voor de administratieve uitvoering van dit Protocol zijn onder meer:

.1 het bijeenroepen van jaarlijkse Vergaderingen van Partijen, tenzij anders wordt beslist door de Partijen, en van Bijzondere Vergaderingen van de Partijen op elk tijdstip op verzoek van twee derde van de Partijen;

.2 het op verzoek verlenen van advies betreffende de uitvoering van dit Protocol en betreffende de met toepassing van dit Protocol opgestelde richtlijnen en procedures;.3 het in behandeling nemen van verzoeken en informatie van Partijen, het met hen en de bevoegde internationale organisaties overleg plegen, alsmede het doen van aanbevelingen aan de Partijen in aangelegenheden die betrekking hebben op dit Protocol, maar waar dit Protocol niet specifiek op doelt;.4 in overleg met de Partijen en de bevoegde internationale organisaties, het voorbereiden van en het helpen bij de ontwikkeling en uitvoering van de in artikel 18, zesde lid, bedoelde procedures;.5 het bekendmaken aan de betrokken Partijen van alle kennisgevingen die door de Organisatie in overeenstemming met dit Protocol worden ontvangen; en.6 het voorbereiden, elke twee jaar, van een begroting en een financieel overzicht ten behoeve van de administratieve uitvoering van dit Protocol, die aan alle Partijen worden toegezonden.

3. In aanvulling op de in artikel 13, tweede lid, onder 3, genoemde taken heeft de Organisatie als taak, mits hiervoor voldoende middelen beschikbaar zijn:

.1 mee te werken aan beoordelingen van de toestand van het mariene milieu; en

.2 samen te werken met de bevoegde internationale organisaties die betrokken zijn bij de voorkoming en de beheersing van verontreiniging.

Artikel 20 Bijlagen

De Bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend onderdeel van dit Protocol.

Artikel 21 Wijziging van het Protocol

1. Elke Partij kan voorstellen doen voor wijziging van de artikelen van dit Protocol. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ten minste zes maanden voorafgaand aan de behandeling ervan tijdens een Vergadering of een Bijzondere Vergadering van de Partijen door de Organisatie bekendgemaakt aan de Partijen.

2. Wijzigingen van de artikelen van dit Protocol worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de voor dit doel aangewezen Vergadering of Bijzondere Vergadering van de Partijen.

3. Een wijziging wordt van kracht voor de Partijen die haar hebben aanvaard op de zestigste dag nadat twee derde van de Partijen een akte van aanvaarding van de wijziging bij de Organisatie hebben nedergelegd. Daarna wordt de wijziging voor elke andere Partij van kracht op de zestigste dag na de datum waarop de desbetreffende Partij haar akte van aanvaarding van de wijziging heeft nedergelegd.

4. De Secretaris-Generaal stelt de Partijen op de hoogte van alle wijzigingen aangenomen tijdens Vergaderingen van de Partijen en van de datum waarop deze wijzigingen algemeen en ten aanzien van elke Partij van kracht wordt.

5. Nadat een wijziging van dit Protocol van kracht is geworden, wordt elke Staat die Partij bij dit Protocol wordt, een Partij zoals gewijzigd, tenzij twee derde van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de Vergadering of Bijzondere Vergadering van de Partijen die de wijziging aannemen anderszins overeenkomen.

Artikel 22 Wijziging van de Bijlagen

1. Elke Partij kan voorstellen doen voor wijziging van de Bijlagen bij dit Protocol. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ten minste zes maanden voorafgaand aan de behandeling ervan tijdens een Vergadering of een Bijzondere Vergadering van de Partijen door de Organisatie bekendgemaakt aan de Partijen.

2. Wijzigingen van de Bijlagen, behoudens van Bijlage 3, dienen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke of technische overwegingen en in de wijzigingen kan, naar gelang van hetgeen van toepassing is, rekening worden gehouden met juridische, sociale en economische factoren. Deze wijzigingen worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de voor dit doel aangewezen Vergadering of Bijzondere Vergadering van de Partijen.

3. De Organisatie stelt de Partijen onverwijld in kennis van de wijzigingen van de Bijlagen die zijn aangenomen tijdens een Vergadering of Bijzondere Vergadering van de Partijen.

4. Met uitzondering van het bepaalde in het zevende lid, worden wijzigingen van de Bijlagen voor iedere Partij onmiddellijk van kracht op het tijdstip dat zij de Organisatie van haar aanvaarding in kennis stelt of honderd dagen na de datum van hun aanneming tijdens een Vergadering van de Partijen, ingeval deze laatste datum later is, behalve voor die Partijen die voorafgaande aan het verstrijken van de termijn van honderd dagen hebben verklaard op dat ogenblik de wijziging niet te kunnen aanvaarden. Iedere Partij kan een eerder gedane verklaring van bezwaar te allen tijde vervangen door een verklaring van aanvaarding en de wijziging waartegen voordien bezwaar bestond, wordt dan van kracht voor die Partij.

5. De Secretaris-Generaal doet alle Partijen onverwijld kennisgeving van de nederlegging bij de Organisatie van de akten van aanvaarding of bezwaar.

6. Een nieuwe Bijlage of een wijziging van een Bijlage die betrekking heeft op een wijziging van de artikelen van dit Protocol wordt niet van kracht voordat de wijziging van de artikelen van dit Protocol van kracht wordt.

7. Ten aanzien van wijzigingen van Bijlage 3 betreffende de Arbitrageprocedure en ten aanzien van de aanneming en het van kracht worden van nieuwe Bijlagen zijn de procedures voor de wijziging van de artikelen van dit Protocol van toepassing.

Artikel 23 Verhouding tussen het Protocol en het Verdrag

Dit Protocol vervangt het Verdrag tussen de Partijen bij dit Protocol die eveneens Partij zijn bij het Verdrag.

Artikel 24 Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1. Dit Protocol staat van 1 april 1997 tot en met 31 maart 1998 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening door iedere Staat en blijft daarna openstaan voor toetreding door iedere Staat.

2. Staten kunnen Partij worden bij dit Protocol door middel van:

.1 ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of

.2 ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of.3 toetreding.

3. De bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door middel van nederlegging van de desbetreffende akte bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 25 Inwerkingtreding

1. Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag volgende op de datum waarop:

.1 ten minste zesentwintig Staten tot uitdrukking hebben gebracht ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden overeenkomstig artikel 24; en

.2 ten minste vijftien van de Staten bedoeld in het eerste lid, onder 1, Partijen zijn bij het Verdrag.

2. Ten aanzien van elke Staat die tot uitdrukking heeft gebracht ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden overeenkomstig artikel 24, na de in het eerste lid bedoelde datum, treedt dit Protocol in werking op de dertigste dag na de datum waarop de desbetreffende Staat zijn instemming tot uitdrukking heeft gebracht door dit Protocol te worden gebonden.

Artikel 26 Overgangsperiode

1. Iedere Staat die vóór 31 december 1996 geen Partij bij het Verdrag was en vóór de inwerkingtreding ervan of binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan tot uitdrukking brengt, ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden, kan, op het tijdstip dat hij zijn instemming tot uitdrukking brengt, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat hij vanwege de in de kennisgeving vermelde redenen, niet in staat is specifieke bepalingen van dit Protocol anders dan die welke in het tweede lid worden bedoeld, na te leven gedurende een overgangsperiode die het in het vierde lid genoemde tijdvak niet zal overschrijden.

2. Geen enkele ingevolge het eerste lid gedane kennisgeving doet afbreuk aan de verplichtingen van een Partij ten aanzien van de verbranding op zee of het storten in zee van radioactief afval of andere radioactieve stoffen.

3. Iedere Partij die de Secretaris-Generaal ingevolge het eerste lid kennisgeving heeft gedaan dat zij voor de aangegeven overgangsperiode geheel of ten dele niet in staat is de bepalingen van artikel 4, eerste lid of artikel 9 na te leven, verbiedt gedurende deze periode niettemin het storten van afval of andere stoffen waarvoor zij geen vergunning heeft afgegeven, doet haar best om administratieve of wettelijke maatregelen aan te nemen om ervoor zorg te dragen dat de verlening van vergunningen en de daarbij geldende voorwaarden in overeenstemming zijn met de bepalingen van Bijlage 2, en doet de Secretaris-Generaal kennisgeving van alle verleende vergunningen.

4. Iedere overgangsperiode aangegeven in een kennisgeving ingevolge het eerste lid, mag niet langer zijn dan een termijn van vijf jaar na indiening van deze kennisgeving.

5. De Partijen die een kennisgeving ingevolge het eerste lid hebben gedaan, leggen aan de eerste Vergadering van de Partijen die plaatsvindt na de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een programma en tijdschema voor ter volledige naleving van dit Protocol, tezamen met eventuele verzoeken om relevante technische samenwerking en bijstand overeenkomstig artikel 13 van dit Protocol.

6. De Partijen die een kennisgeving ingevolge artikel 1 hebben gedaan, stellen voor de overgangsperiode procedures op en mechanismen in voor de uitvoering van en controle op de voorgelegde programma's gericht op de volledige naleving van dit Protocol. De desbetreffende Partijen leggen een verslag betreffende de voortgang in de naleving van deze programma's voor aan elke Vergadering van Partijen die wordt gehouden gedurende de desbetreffende overgangsperiode, teneinde de nodige maatregelen te treffen.

Artikel 27 Opzegging

1. Iedere Partij kan dit Protocol opzeggen op elk tijdstip na het verstrijken van twee jaren vanaf de datum waarop dit Protocol voor die Partij in werking treedt.

2. Opzegging geschiedt door de nederlegging van een akte van opzegging bij de Secretaris-Generaal.

3. De opzegging wordt van kracht een jaar na de ontvangst door de Secretaris-Generaal van de akte van opzegging of na het verstrijken van een in deze akte aangegeven langere periode.

Artikel 28 Depositaris

1. Dit Protocol wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

2. Naast de in artikel 10, vijfde lid, artikel 16, vijfde lid, artikel 21, vierde lid, artikel 22, vijfde lid en artikel 26, vijfde lid, aangegeven taken, is het de taak van de Secretaris-Generaal:

.1 alle Staten voor welke dit Protocol is ondertekend of die hiertoe zijn toegetreden kennisgeving te doen van:

.1 elke nieuwe ondertekening of nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, tezamen met de datum van deze ondertekening of nederlegging;.2 de datum van inwerkingtreding van dit Protocol; en.3 de nederlegging van elke akte van opzegging uit dit Protocol tezamen met de datum waarop deze is ontvangen en de datum waarop de opzegging van kracht wordt;.2 voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Protocol te doen toekomen aan alle Staten voor welke dit Protocol is ondertekend of die hiertoe zijn toegetreden.

3. Zodra dit Protocol in werking treedt wordt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan door de Secretaris-Generaal toegezonden aan het Secretariaat van de Verenigde Naties voor registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 29 Authentieke teksten

Dit Protocol is opgesteld in een enkel origineel in de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te Londen, de zevende november negentienhonderd zesennegentig.

(Voor de ondertekeningen zie blz. 36 van Trb. 1998, 134)


Bijlage 1

Afval en andere stoffen die in aanmerking kunnen worden genomen voor storting

1. De volgende afval of andere stoffen kunnen in aanmerking worden genomen voor storting, rekening houdend met de in de artikelen twee en drie bedoelde doelstellingen en algemene verplichtingen van dit Protocol:

.1 baggerspecie;

.2 zuiveringsslib;.3 visafval of materiaal afkomstig van op industriële wijze verwerkte vis;.4 schepen en platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee;.5 inerte, anorganisch geologisch materiaal;.6 organisch materiaal van natuurlijke oorsprong; en.7 grote voorwerpen, die hoofdzakelijk bestaan uit ijzer, staal, beton en vergelijkbare onschadelijke stoffen waarvan de fysieke aanwezigheid problemen veroorzaakt, en alleen in de gevallen waarin deze afval wordt geproduceerd op plaatsen zoals kleine eilanden met geïsoleerde gemeenschappen en voor wie geen andere praktische oplossing bestaat voor het verwijderen dan storting in zee.

2. De in punt 1.4 en 1.7 genoemde afval of andere stoffen mogen voor storting in aanmerking worden genomen, mits materialen die drijvende resten of andere verontreiniging van het mariene milieu kunnen veroorzaken zo veel mogelijk zijn verwijderd en mits het gestorte materiaal geen ernstig obstakel vormt voor de visserij of de scheepvaart.

3. Onverminderd het hierboven bepaalde, mogen de materialen genoemd in punt 1.1 tot en met 1.7 die de „de minimis" (toegelaten) niveaus van radioactiviteit bevatten zoals omschreven door de IAEA en aangenomen door de Partijen, niet in aanmerking worden genomen voor storting; voorts wordt bepaald dat binnen een termijn van 25 jaar vanaf 20 februari 1994, en vervolgens elke 25 jaar daarna, de Partijen een wetenschappelijke studie verrichten met betrekking tot alle radioactieve afval en andere radioactieve stoffen anders dan hoog-radioactieve afval of hoog-radioactieve stoffen, rekening houdend met andere door hen nuttig geachte factoren, en dat zij het verbod op het storten van deze stoffen zullen heroverwegen overeenkomstig de in artikel 22 bedoelde procedures.


Bijlage 2

De beoordeling van afval of andere stoffen die in aanmerking kunnen worden genomen voor storting

ALGEMEEN

1. De aanvaarding van storting onder bepaalde omstandigheden doet geen afbreuk aan de verplichting ingevolge deze Bijlage verdere inspanningen te verrichten ter vermindering van de noodzaak tot storting.

CONTROLE BETREFFENDE DE VOORKOMING VAN AFVAL

2. De initiële fasen bij het beoordelen van alternatieven voor storting bevatten, naar behoefte, een evaluatie van:

.1 de soorten, aantallen en relatieve gevaren van de geproduceerde afval;

.2 exacte gegevens betreffende het produktieproces en de oorsprong van de afval binnen dat proces; en.3 haalbaarheid van de volgende technieken voor vermindering/voorkoming van afval:.1 herformulering van produkten;.2 schone produktietechnologieën;.3 aanpassing van het produktieproces;.4 inputvervanging; en.5 in situ-recycling in een gesloten circuit.

3. In het algemeen geldt dat, indien uit de voorgeschreven controle blijkt dat er mogelijkheden bestaan voor voorkoming van afvalproduktie aan de bron, van een aanvrager wordt verlangd dat hij, in samenwerking met de desbetreffende lokale en nationale instanties, een strategie formuleert en uitvoert voor de voorkoming van afvalproduktie, die precieze doelen voor de vermindering van de afvalproduktie en vervolgcontroles betreffende de voorkoming van de produktie van afval omvat teneinde ervoor zorg te dragen dat deze doelen worden gerealiseerd. Bij de beslissing tot het verlenen of verlengen van vergunningen moet worden gewaarborgd dat de daaruit voortvloeiende vereisten met betrekking tot de vermindering en voorkoming van afval worden nageleefd.

4. Met betrekking tot baggerspecie en zuiveringsslib dient de identificatie en beheersing van de bronnen van vervuiling het doel van het afvalbeheer te zijn. Dit doel dient te worden verwezenlijkt door de uitvoering van strategieën voor de voorkoming van afval en hiervoor is samenwerking vereist tussen de desbetreffende lokale en nationale instanties betrokken bij het beheersen van puntbronnen en diffuse bronnen van verontreiniging. Totdat dit doel is verwezenlijkt kan het probleem van de vervuilde baggerspecie worden aangepakt door middel van opruimingsbeheertechnieken te land of ter zee.

OVERWEGING VAN DE MOGELIJKHEDEN OP HET GEBIED VAN AFVALBEHEER

5. Bij de aanvragen voor vergunning voor het storten van afval of andere stoffen moet worden aangetoond dat naar behoren in overweging is genomen de volgende volgorde van opties voor het beheer van afval, die een toenemende mate van belasting voor het milieu betekenen:

.1 hergebruik;

.2 recycling elders;.3 vernietiging van gevaarlijke componenten;.4 behandeling ter vermindering of verwijdering van gevaarlijke componenten;.5 opruiming te land, in de lucht of in het water.

6. Een vergunning voor het storten van afval of andere stoffen dient te worden geweigerd indien de vergunningverlenende instantie van mening is dat er geschikte mogelijkheden bestaan voor het hergebruik, de recycling of de behandeling van het afval zonder onnodige schade te berokkenen aan de gezondheid van de mens of het milieu of zonder dat dit buitensporig hoge kosten met zich meebrengt. Op basis van een vergelijkend onderzoek naar de risico's van storting in zee en de alternatieve wijzen van opruiming moet worden overwogen of er praktisch uitvoerbare andere wijzen van opruiming bestaan.

CHEMISCHE, FYSISCHE EN BIOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

7. Een gedetailleerde omschrijving en kenmerking van het afval zijn essentieel voor de beoordeling van alternatieve methoden en vormen de basis voor het besluit of afval al dan niet mag worden gestort. Wanneer afval zodanig slecht wordt gekenmerkt dat geen goede beoordeling kan worden gemaakt van de mogelijke effecten ervan voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, mag dit afval niet worden gestort.

8. Bij het kenmerken van afval en de componenten daarvan moet rekening worden gehouden met de volgende elementen:

.1 oorsprong, totale hoeveelheid, vorm en gemiddelde samenstelling;

.2 eigenschappen: fysische, chemische, biochemische en biologische;.3 toxiciteit;.4 persistentie: fysisch, chemisch en biologisch; en.5 accumulatie en biologische omzetting in biologisch materiaal of sedimenten.

ACTIELIJST

9. Elke Partij ontwikkelt een nationale Actielijst teneinde een selectiemechanisme in te stellen voor kandidaatafval en de componenten daarvan, op basis van de mogelijke effecten daarvan voor de gezondheid van de mens en het mariene milieu. Bij de selectie van stoffen voor opname in de Actielijst dient prioriteit te worden gegeven aan toxische, persistente en bioaccumulatieve stoffen van antropogene oorsprong (bijvoorbeeld cadmium, kwik, gehalogeneerde koolwaterstofverbindingen, koolwaterstoffen uit aardolie en, in voorkomend geval, arsenicum, lood, koper, zink, beryllium, chroom, nikkel, vanadium, organosiliconverbindingen, cyanide, fluoriden en pesticiden of hun bijprodukten anders dan gehalogeneeerde koolwaterstofverbindingen). Een Actielijst kan eveneens dienen als aanzet voor verdere overwegingen ter voorkoming van de produktie van afval.

10. Op een Actielijst dient een bovengrens te worden aangegeven en kan eveneens een ondergrens worden aangegeven. De bovengrens wordt aangegeven ter voorkoming van acute of chronische gevolgen voor de gezondheid van de mens of van kwetsbare zeeorganismen die representatief zijn voor het mariene ecosysteem. Uit de toepassing van een Actielijst komen drie mogelijke categorieën afval voort:

.1 afval dat specifieke stoffen bevat, of biologische reacties oproept, en de toepasselijke bovengrens overschrijdt, mag niet worden gestort, tenzij storting door middel van beheerstechnieken of -procédés acceptabel wordt gemaakt;

.2 afval dat specifieke stoffen bevat, of biologische reacties oproept, en onder de toepasselijke ondergrens blijft, moet met het oog op storting worden beschouwd als weinig schadelijk voor het milieu; en.3 afval dat specifieke stoffen bevat, of biologische reacties oproept, en onder de toepasselijke bovengrens blijft, maar boven de toepasselijke ondergrens is gesitueerd, vereist een nadere beoordeling voordat kan worden vastgesteld of deze voor storting in aanmerking komt.

KEUZE VAN DE STORTPLAATS

11. De vereiste gegevens voor de keuze van een stortplaats zijn onder meer:

.1 de fysische, chemische en biologische kenmerken van de waterkolom en de zeebodem;

.2 de ligging van recreatieoorden, waardevolle aspecten en ander gebruik van de zee in het betrokken gebied;.3 beoordeling van de stromen van componenten verbonden aan het storten in verhouding tot de in het mariene milieu reeds bestaande stromen van stoffen; en.4 de economische en praktische haalbaarheid.

BEOORDELING VAN DE MOGELIJKE EFFECTEN

12. De beoordeling van de mogelijke effecten moet leiden tot een beknopte presentatie van de mogelijke gevolgen van de mogelijkheden voor opruiming op zee of te land, de zogenaamde „effecthypothese". Deze dient als basis voor de beslissing of de voorgestelde opruimingsoptie dient te worden goedgekeurd of afgekeurd en voor de vaststelling van de vereisten met betrekking tot toezicht op het milieu.

13. Bij de beoordeling van de storting dienen gegevens te worden betrokken betreffende de kenmerken van het afval, de omstandigheden op de voorgestelde stortplaats(en), stromen en voorgestelde opruimingstechnieken, en dienen de mogelijke effecten voor de gezondheid van de mens, de levende rijkdommen, de recreatiegebieden en op het andere legitieme gebruik van de zee te worden vermeld. Bij de beoordeling dienen de aard, de tijd- en ruimtegegevens en de duur van de mogelijke effecten te worden aangegeven, gebaseerd op tamelijk voorzichtige hypotheses.

14. Elke opruimingsoptie dient te worden geanalyseerd in het kader van een vergelijkende beoordeling van de volgende elementen: risico's voor de gezondheid van de mens, kosten voor het milieu, gevaren (met inbegrip van ongevallen), economische aspecten en uitsluiting van toekomstig gebruik. Indien uit deze beoordeling blijkt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om de mogelijke effecten van de voorgestelde opruimingsoptie vast te stellen, wordt deze optie niet verder bestudeerd. Daarnaast mag geen stortingsvergunning worden verleend wanneer uit de vergelijkende beoordeling blijkt dat de stortingsoptie niet de voorkeur geniet.

15. Elke beoordeling dient te worden afgesloten met een slotverklaring waarin de beslissing om een vergunning tot storting te verlenen of te weigeren wordt gemotiveerd.

CONTROLE

16. Controle heeft als doel te verifiëren of aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder de vergunning is verleend (controle op de naleving), en om na te gaan of de ten tijde van de beoordeling van de vergunning en gedurende de keuze van de stortplaats de aangenomen hypotheses juist waren en voldoende waren om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen (controle in het veld). Het is essentieel dat deze controleprogramma's een duidelijk omschreven doel hebben.

VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGVOORWAARDEN

17. Het besluit een vergunning te verlenen mag alleen worden genomen nadat alle evaluaties van de effecten zijn afgerond en de nodige vereisten ten behoeve van de controle zijn vastgesteld. Voor zover praktisch uitvoerbaar dienen de bepalingen van de vergunning erin te voorzien dat de verstorende of schadelijke gevolgen voor het milieu tot het minimum worden beperkt en de voordelen zo groot mogelijk zijn. Een vergunning dient de volgende gegevens en inlichtingen te bevatten:

.1 de soorten en de oorsprong van de te storten materialen;

.2 de ligging van de stortplaats(en); .3 de stortmethode; en.4 de vereisten met betrekking tot controle en verslaglegging.

18. Vergunningen dienen regelmatig opnieuw te worden beoordeeld, rekening houdend met de resultaten van de controle en met de doelstellingen van de controleprogramma's. Aan de hand van de beoordeling van de resultaten van de controles kan worden bepaald of de programma's in het veld moeten worden voortgezet, gewijzigd of beëindigd en kunnen gegronde beslissingen worden genomen met betrekking tot de verlenging, wijziging of intrekking van vergunningen. Op deze wijze heeft men de beschikking over een belangrijk mechanisme voor de terugkoppeling van informatie voor de bescherming van de gezondheid van de mens en van het mariene milieu.


Bijlage 3

Arbitrageprocedure

Artikel 1

1. Een Scheidsgerecht (hierna te noemen „het Scheidsgerecht") wordt ingesteld wanneer een Partij hiertoe een verzoek indient bij een andere Partij overeenkomstig artikel 16 van dit Protocol. Het verzoek om arbitrage bestaat uit een uiteenzetting van het desbetreffende geval met eventuele documenten ter adstructie.

2. De verzoekende Partij doet de Secretaris-Generaal mededeling van:

.1 haar verzoek om arbitrage;

.2 de bepalingen van dit Protocol over de uitleg of toepassing waarvan, volgens haar, onenigheid bestaat.

3. De Secretaris-Generaal zendt deze mededeling naar alle Partijen.

Artikel 2

1. Het Scheidsgerecht bestaat uit een enkele scheidsman indien hierover tussen de partijen bij het geschil overeenstemming is bereikt binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek om arbitrage.

2. Bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of verzuim van de scheidsman kunnen de partijen bij het geschil binnen 30 dagen daarna besluiten tot vervanging.

Artikel 3

1. Indien de partijen bij een geschil geen overeenstemming bereiken ten aanzien van een Scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van deze Bijlage, zal het Scheidsgerecht bestaan uit drie leden:

.1 een scheidsman benoemd door iedere partij bij het geschil; en

.2 een derde scheidsman die zal worden benoemd bij overeenstemming tussen de eerste twee scheidsmannen en die zal optreden als voorzitter van het Scheidsgerecht.

2. Indien de voorzitter van een Scheidsgerecht niet is benoemd binnen 30 dagen na de benoeming van de tweede scheidsman, leggen de partijen bij het geschil, op verzoek van een partij, aan de Secretaris-Generaal, binnen de daaropvolgende 30 dagen, een overeengekomen lijst van deskundigen voor. Uit deze lijst kiest de Secretaris-Generaal zo spoedig mogelijk de voorzitter. Hij kiest niet een voorzitter die onderdaan is of is geweest van een partij bij het geschil, tenzij met toestemming van de andere partij bij het geschil.

3. Indien een partij bij een geschil niet binnen 60 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om arbitrage een scheidsman benoemt zoals bedoeld in het eerste lid, onder 1, van dit artikel, kan de andere partij verzoeken dat binnen 30 dagen een overeengekomen lijst van deskundigen wordt voorgelegd aan de Secretaris-Generaal. Uit deze lijst kiest de Secretaris-Generaal zo spoedig mogelijk de voorzitter van het Scheidsgerecht. De voorzitter verzoekt vervolgens de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks alsnog te doen. Indien deze partij binnen 15 dagen na dit verzoek geen scheidsman heeft aangewezen, zal de Secretaris-Generaal, op verzoek van de voorzitter, de scheidsman aanwijzen uit de deskundigen van de overeengekomen lijst.

4. Bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of verzuim van een scheidsman wijst de partij bij het geschil die deze scheidsman had benoemd, binnen 30 dagen een vervanger aan. Indien de partij geen vervanger aanwijst, wordt de arbitrage voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. Bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of verzuim van de voorzitter wordt binnen 90 dagen een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, onder 2, en het tweede lid.

5. Er wordt een lijst met scheidsmannen bijgehouden door de Secretaris-Generaal, bestaande uit door de Partijen aangewezen deskundigen. Iedere Partij kan voor opname op de lijst vier deskundigen aanwijzen die geen onderdaan van die Partij behoeven te zijn. Indien de partijen bij het geschil niet binnen de vastgestelde termijn aan de Secretaris-Generaal een in het tweede, derde en vierde lid bedoelde overeengekomen lijst van deskundigen hebben voorgelegd, kiest de Secretaris-Generaal uit de door hem bijgehouden lijst de nog niet aangewezen scheidsman of scheidsmannen.

Artikel 4

Het Scheidsgerecht kan tegeneisen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van het geschil, in behandeling nemen en hierover uitspraak doen.

Artikel 5

Iedere partij bij het geschil draagt de kosten die zijn verbonden aan de voorbereiding van haar eigen zaak. De bezoldiging van de leden van het Scheidsgerecht en de betaling van algemene kosten verbonden aan de arbitrage worden gelijkelijk door de partijen bij het geschil gedragen. Het Scheidsgerecht houdt een overzicht bij van al zijn uitgaven en verstrekt daarvan een eindafrekening aan de partijen.

Artikel 6

Iedere Partij die een belang van juridische aard heeft, welk belang zou kunnen worden getroffen door het ter zake te nemen besluit, kan nadat zij schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de partijen bij het geschil die de zaak oorspronkelijk aanhangig hebben gemaakt, met goedvinden van het Scheidsgerecht en op haar eigen kosten tot de arbitrageprocedure worden toegelaten. De aldus tussengekomen Partij heeft het recht om, overeenkomstig de ingevolge artikel 7 van deze Bijlage vastgestelde procedures, bewijsmateriaal te leveren en schriftelijke en mondelinge uiteenzettingen te geven over zaken welke tot haar tussenkomst hebben geleid, doch heeft geen rechten met betrekking tot de samenstelling van het Scheidsgerecht.

Artikel 7

Een Scheidsgerecht dat is ingesteld krachtens het bepaalde in deze Bijlage stelt zijn eigen procedureregels vast.

Artikel 8

1. Tenzij een Scheidsgerecht bestaat uit een enkele scheidsman, worden de besluiten van het Scheidsgerecht betreffende de te volgen procedure, plaats van samenkomst en iedere aangelegenheid betreffende het hem voorgelegde geschil, genomen met een meerderheid van stemmen van zijn leden. Afwezigheid van of onthouding door een lid van het Scheidsgerecht dat door een partij bij het geschil is aangewezen, betekent echter voor het Scheidsgerecht geen belemmering om te komen tot een besluit. Bij het staken der stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

2. De partijen bij het geschil bevorderen de werkzaamheden van het Scheidsgerecht en zullen in het bijzonder, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle tot hun beschikking staande middelen:

.1 het Scheidsgerecht alle nodige documenten en inlichtingen verschaffen; en

2 het Scheidsgerecht in staat stellen hun grondgebied te betreden, getuigen of deskundigen te horen en ter plaatse een onderzoek in te stellen.

3. Indien een partij bij het geschil niet voldoet aan het bepaalde in het tweede lid, betekent dit voor het Scheidsgerecht geen belemmering om tot een beslissing te komen en uitspraak te doen.

Artikel 9

Het Scheidsgerecht doet zijn uitspraak binnen vijf maanden na de datum waarop het is ingesteld, tenzij het Scheidsgerecht het noodzakelijk acht deze periode met ten hoogste vijf maanden te verlengen. De uitspraak van het Scheidsgerecht gaat vergezeld van een met redenen omklede uiteenzetting. De uitspraak is definitief en onherroepelijk en wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal die de Partijen hiervan in kennis stelt. De partijen bij het geschil geven onmiddellijk uitvoering aan de uitspraak.


D. PARLEMENT

Zie Trb. 1998, 134.

E. BEKRACHTIGING

In overeenstemming met artikel 24, derde lid, van het Protocol hebben de volgende staten een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie:

Duitsland16 oktober 1998
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland115 december 1998
Spanje24 maart 1999
Noorwegen16 december 1999

F. TOETREDING

In overeenstemming met artikel 24, derde lid, van het Protocol hebben de volgende staten een akte van toetreding nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie:

Zuid-Afrika23 december 1998
Vanuatu18 februari 1999

G. INWERKINGTREDING

Zie Trb. 1998, 134.

J. GEGEVENS

Zie Trb. 1998, 134.

Uitgegeven de vierentwintigste maart 2000

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. VAN AARTSEN


XNoot
1

Onder de verklaring dat het Verdrag van toepassing is op het baljuwschap Jersey, het eiland Man, de Bermuda's, de Britse Maagdeneilanden, de Cayman-eilanden, de Falkland-eilanden, Montserrat, St. Helena met onderhorigheden en Zuid-Georgia en de Zuid-Sandwich-eilanden.