A. TITEL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake grensoverschrijdend politie-optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid tijdens het Europees Kampioenschap voetbal voor landenteams in het jaar 2000;

Bergen op Zoom, 26 april 1999

B. TEKST

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake grensoverschrijdend politie-optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid tijdens het Europees Kampioenschap voetbal voor landenteams in het jaar 2000

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Koninkrijk België,

hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen,

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 4, eerste lid, van de Europese Overeenkomst inzake gewelddadigheden gepleegd door en wangedrag van toeschouwers rond sportevenementen en in het bijzonder rond voetbalwedstrijden, Straatsburg, 19 augustus 1985;

Overtuigd van de noodzaak van een intensieve samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen bij het organiseren van een efficiënte handhaving van de openbare orde en veiligheid tijdens het Europees Kampioenschap voetbal voor landenteams in het jaar 2000;

Overwegende dat het gewenst is dat bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen elkaar kunnen verzoeken om wederzijdse bijstand bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid;

Overwegende dat het wenselijk is om de aanwezige middelen op een zo efficiënt mogelijke manier in te zetten, o.a. bij personele of materiële tekorten, bij onverwachte problemen inzake de openbare orde en veiligheid, of bij optreden waarvoor een ononderbroken beweging over de landsgrenzen heen aangewezen is;

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK I

Definities

Artikel 1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Grensoverschrijdend politie-optreden: elk optreden op basis van dit verdrag van politie-ambtenaren van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde en veiligheid;

Grensoverschrijdende politie-eenheid: een eenheid die in organisatorische en logistieke zin als één geheel deelneemt aan een grensoverschrijdend politie-optreden;

Grensoverschrijdende politie-ambtenaar:de politie-ambtenaar die, al dan niet als onderdeel van een grensoverschrijdende politie-eenheid, deelneemt aan een grensoverschrijdend politie-optreden;

Gaststaat: de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied een grensoverschrijdend politie-optreden plaatsvindt;

Zendstaat: de Verdragsluitende Partij die de middelen of het personeel voor een grensoverschrijdend politie-optreden levert;

Terreingedeelte: een zone, een plaats of een gebouw.

HOOFDSTUK II

Procedure; bevoegd gezag

Artikel 2

1. Een Verdragsluitende Partij voert een grensoverschrijdend politie-optreden slechts uit op schriftelijk verzoek van de andere Verdragsluitende Partij. Het verzoek wordt door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij gericht aan de daartoe bevoegde autoriteit van de ontvangende Partij. Het verzoek bevat een omschrijving van de aard van het gewenste grensoverschrijdende politie-optreden, alsmede van de operationele noodzaak daarvoor.

2. De daartoe bevoegde autoriteit van de ontvangende Partij neemt onverwijld een beslissing op het verzoek. Van de beslissing wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij.

3. Indien het vanwege de spoedeisendheid van het geval niet mogelijk is een verzoek voorafgaand aan het grensoverschrijdend politie-optreden te doen, kan de zendstaat met een grensoverschrijdend politie-optreden een begin maken onder de voorwaarde dat van het grensoverschrijdend politie-optreden zo spoedig mogelijk na het begin ervan mededeling wordt gedaan aan de bevoegde autoriteit van de gaststaat. De daartoe bevoegde autoriteit van de gaststaat kan bepalen dat het grensoverschrijdend politie-optreden door haar wordt overgenomen.

4. De Verdragsluitende Partijen delen elkaar mede welke autoriteiten optreden als bevoegde autoriteiten, bedoeld in dit artikel.

Artikel 3

1. De commandant van een grensoverschrijdende politie-eenheid of een grensoverschrijdende politie-ambtenaar dient zo spoedig mogelijk in het bezit te worden gesteld van de beslissing, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

2. De commandant van de grensoverschrijdende politie-eenheid of een grensoverschrijdende politie-ambtenaar dient in het bezit te zijn van een verzamelstaat van de meegevoerde middelen. Hij legt deze voor aan de daartoe bevoegde autoriteit van de gaststaat, indien deze laatste daar om verzoekt.

Artikel 4

1. De grensoverschrijdende politie-eenheden en de grensoverschrijdende politie-ambtenaren staan onder het gezag van de ter plaatse voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid bevoegde autoriteit.

2. De grensoverschrijdende politie-eenheden en de grensoverschrijdende politie-ambtenaren staan onder het operationale bevel van de commandant bevoegd tot de handhaving van de openbare orde en veiligheid op het terreingedeelte waar het grensoverschrijdend politie-optreden wordt uitgevoerd.

Artikel 5

De zendstaat kan op verzoek van de gaststaat middelen leveren ter handhaving van de openbare orde en veiligheid. Artikel 3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK III

Bevoegdheden

Artikel 6

De grensoverschrijdende politie-eenheden en de grensoverschrijdende politie-ambtenaren zijn, met inachtneming van de wettelijke voorschriften van de gaststaat, bevoegd om:

1°. de onmiddellijke beveiliging of nabije bescherming van personen voort te zetten wanneer deze personen het grondgebied van de gaststaat betreden;

2°. te patrouilleren: toezicht te houden op een terreingedeelte met de bedoeling informatie in te winnen en personen, dieren, voertuigen of voorwerpen die de openbare orde en veiligheid bedreigen of kunnen bedreigen, te lokaliseren;

3°. te controleren: toegangen tot een terreingedeelte te controleren of de toegang tot het terreingedeelte te ontzeggen, met als doel de wettelijke maatregelen van de gaststaat te doen naleven en de openbare orde en veiligheid te handhaven;

4°. het geven van aanwijzingen aan het verkeer;

5°. te doorzoeken: een terreingedeelte systematisch te doorzoeken om personen, dieren, voertuigen of voorwerpen die de openbare orde en veiligheid bedreigen of kunnen bedreigen, te lokaliseren;

6°. te begeleiden: met als doel incidenten te voorkomen en de openbare orde te handhaven, mee te reizen met een groep personen, op de groep ononderbroken toezicht te houden, en de groep of leden daarvan zo nodig aan te spreken op hun gedragingen en te wijzen op hun verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de mogelijke gevolgen van die gedragingen.

Artikel 7

1. Tijdens een grensoverschrijdend politie-optreden dragen de grensoverschrijdende politie-ambtenaren hun uniform en zijn zij voorzien van het tot hun basisuitrusting behorende persoonlijke dienstwapen en de tot hun basisuitrusting behorende korte wapenstok, voor zover in de gaststaat wettelijk toegestaan. In afwijking van de eerste volzin, zijn zij daartoe niet verplicht, indien het een grensoverschrijdend politie-optreden betreft als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder 1°. Andere dan de in de eerste volzin bedoelde bewapening of geweldmiddelen kunnen worden gedragen en meegevoerd, indien dat noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de aard van het grensoverschrijdend politie-optreden en het bevel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, voor zover in de gaststaat wettelijk toegestaan.

2. Andere dan de in het eerste lid bedoelde dienstwapens mogen worden meegevoerd, indien zij op het eigen grondgebied niet veilig kunnen worden afgelegd en opgeborgen. Deze dienstwapens mogen evenwel niet worden gebruikt.

Artikel 8

1. Het gebruik van geweld of het uitvoeren van een veiligheidsfouillering door grensoverschrijdende politie-ambtenaren is toegestaan conform het bevel van de plaatselijk bevoegde commandant, en onder dezelfde voorwaarden die gelden voor de politie-ambtenaren van de gaststaat. Het gebruik van het tot de basisuitrusting behorende persoonlijke dienstwapen is uitsluitend in geval van noodweer of wettige verdediging toegestaan.

2. Het toepasselijke recht inzake noodweer of wettige verdediging is het recht van de gaststaat.

HOOFDSTUK IV

Kosten en schadevergoeding

Artikel 9

1. De kosten voor het grensoverschrijdend politie-optreden, met inbegrip van kosten, ontstaan door geheel of gedeeltelijk verlies van de meegevoerde uitrusting, bewapening en middelen, komen ten laste van de zendstaat.

2. In afwijking van het eerste lid, komen de kosten voor de huisvesting en het levensonderhoud van de grensoverschrijdende politie-eenheden en de grensoverschrijdende politie-ambtenaren ten laste van de gaststaat.

Artikel 10

1. Indien het betreft een grensoverschrijdend politie-optreden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of een levering van middelen als bedoeld in artikel 5, is de gaststaat aansprakelijk voor schade, toegebracht ten gevolge van het grensoverschrijdend politie-optreden.

2. Indien het betreft een grensoverschrijdend politie-optreden als bedoeld in artikel 2, derde lid, zijn de artikelen 42 en 43 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 11

De Minister van Binnenlandse Zaken van België en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland zijn belast met de uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 12

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het grondgebied van het Koninkrijk in Europa.

Artikel 13

Dit Verdrag treedt in werking op de 21ste dag voorafgaand aan de datum waarop het Europees Kampioenschap voetbal voor landenteams begint en eindigt op de 21ste dag volgend op de datum waarop het Europees Kampioenschap eindigt.

Artikel 14

Uiterlijk zes maanden na afloop van de looptijd van dit Verdrag brengen de in artikel 11 genoemde Ministers een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van dit Verdrag in de praktijk.

GEDAAN te Bergen op Zoom, op 26 april 1999

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

(w.g.) A. PEPER A. Peper

Voor het Koninkrijk België,

De Minister van Binnenlandse Zaken,

(w.g.) L. VAN DEN BOSSCHE Luc Van den Bossche


Traité entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique en matière d'intervention policière transfrontalière pour maintenir l'ordre public et la sécurité au cours du Championnat européen des Nations de Football en l'an 2000

Le Royaume des Pays-Bas

et

le Royaume de Belgique,

dénommés ci-après les Parties contractantes,

Vu l'article 3, alinéa 1er, points a et b et l'article 4, alinéa 1er, de la Convention européenne sur la violence et les débordements de spectateurs lors de manifestations sportives et notamment de matches de football, Strasbourg, le 19 août 1985;

Convaincus de la nécessité d'une coopération intensive entre les Parties contractantes lors de l'organisation d'un maintien efficace de l'ordre public et de la sécurité au cours du Championnat européen des Nations de Football en l'an 2000;

Considérant qu'il est souhaitable que les autorités compétentes des Parties contractantes puissent solliciter une assistance réciproque dans le cadre du maintien de l'ordre public et de la sécurité;

Considérant qu'il est souhaitable d'engager les moyens présents de la manière la plus efficace possible, entre autres en cas de manques de personnel ou de matériel, en cas de problèmes imprévus en matière d'ordre public et de sécurité, ou lors d'interventions pour lesquelles un mouvement transfrontalier continu est indiqué;

Ont convenu ce qui suit:

CHAPITRE IER

Définitions

Article 1er

Dans la présente convention, il convient d'entendre par:

Intervention policière transfrontalière: chaque intervention, sur base de ce traité, de fonctionnaires de police d'une des Parties contractantes sur le territoire de l'autre Partie contractante afin de prévenir toute perturbation de l'ordre public et de la sécurité;

Unité transfrontalière de police: une unité qui, au sens organisationnel et logistique du terme, participe comme un tout à une intervention policière transfrontalière;

Fonctionnaire de police transfrontalier: le fonctionnaire de police qui, en tant qu'élément ou non d'une unité transfrontalière de police, prend part à une intervention policière transfrontalière;

Etat d'accueil: la Partie contractante sur le territoire de laquelle a lieu une intervention policière transfrontalière;

Etat expéditeur: la Partie contractante qui fournit les moyens ou le personnel pour une intervention policière transfrontalière;

Partie de terrain: une zone, un endroit ou un bâtiment.

CHAPITRE II

Procédure; autorité compétente

Article 2

1. Une Partie contractante ne procédera à une intervention policière transfrontalière qu'à la demande écrite de l'autre Partie contractante. La requête est adressée par l'autorité compétente de la partie requérante à l'autorité compétente de la partie réceptrice. La demande contient une description de la nature de l'intervention policière transfrontalière souhaitée de même qu'une description de la nécessité opérationnelle de cette intervention.

2. L'autorité compétente de la Partie réceptrice prend, sans délai, une décision relative à la requête. La décision est communiquée aussi rapidement que possible à l'autorité compétente de la Partie requérante.

3. Si, en raison du caractère urgent du cas, il n'est pas possible de faire une requête préalable à l'intervention policière transfrontalière, l'Etat expéditeur peut commencer l'intervention policière transfrontalière à condition que cette intervention policière transfrontalière soit communiquée aussi vite que possible après son commencement à l'autorité compétente de l'Etat d'accueil. L'autorité compétente de l'Etat d'accueil peut décider de poursuivre elle-même l'intervention policière transfrontalière.

4. Les Parties contractantes se communiquent mutuellement quelles autorités interviennent comme autorités compétentes au sens du présent article.

Article 3

1. Le commandant d'une unité transfrontalière de police ou un fonctionnaire de police transfrontalier doit, aussi rapidement que possible, être mis en possession de la décision visée à l'article 2, alinéa 2.

2. Le commandant de l'unité transfrontalière de police ou un fonctionnaire de police transfrontalier doit être en possession d'un état récapitulatif des moyens qu'il a apportés. Il le soumet à l'autorité compétente de l'Etat d'accueil, si celui-ci le requiert.

Article 4

1. Les unités transfrontalières de police et les fonctionnaires de police transfrontaliers dépendent de l'autorité compétente sur place pour le maintien de l'ordre public et la sécurité.

2. Les unités transfrontalières de police et les fonctionnaires de police transfrontaliers se trouvent sous la direction opérationnelle du commandant compétent en matière de maintien de l'ordre public et de la sécurité sur la partie de terrain où l'intervention transfrontalière de police est exécutée.

Article 5

A la demande de l'Etat d'accueil, l'Etat expéditeur peut fournir des moyens destinés au maintien de l'ordre public et de la sécurité. L'article 3, alinéa 2 est applicable par analogie.

CHAPITRE III

Compétences

Article 6

Dans le respect des prescriptions légales de l'Etat d'accueil, les unités transfrontalières de police ou les fonctionnaires de police transfrontaliers sont compétents:

1°. pour continuer à assurer la sécurité immédiate ou la protection rapprochée de personnes lorsque ces personnes pénètrent sur le territoire de l'Etat d'accueil;

2°. pour patrouiller: surveiller une partie de terrain en vue de recueillir des informations et de localiser des personnes, des animaux, des véhicules ou des objets qui menacent ou peuvent menacer l'ordre public et la sécurité;

3°. pour contrôler: surveiller les accès à une partie de terrain ou interdire l'accès à cette partie de terrain, dans le but de faire respecter les dispositions légales de l'Etat d'accueil et de maintenir l'ordre public et la sécurité;

4°. pour donner des indications à la circulation;

5°. pour fouiller: systématiquement fouiller une partie de terrain afin de localiser des personnes, des animaux, des véhicules ou des objets qui menacent ou qui peuvent menacer l'ordre public et la sécurité;

6°. pour accompagner: avec comme but d'éviter des incidents et de maintenir l'ordre public, voyager avec un groupe de personnes, surveiller le groupe de façon ininterrompue et réprimander si nécessaire le groupe ou certains de ses membres sur leur comportement et attirer leur attention sur la responsabilité qu'ils encourent pour les éventuelles conséquences de ces comportements.

Article 7

1. Au cours d'une intervention policière transfrontalière, les fonctionnaires de police transfrontaliers portent leur uniforme et leur arme de service qui fait partie de leur équipement de base, ainsi que la matraque courte faisant également partie de cet équipement de base, pour autant que ce soit autorisé légalement dans l'Etat d'accueil. Par dérogation à la première phrase, ils n'y sont pas obligés si cela concerne une intervention policière transfrontalière, telle que visée à l'article 6, sous 1°. Un autre armement ou d'autres moyens de contrainte que ceux visés dans la première phrase peuvent être portés et apportés, si cela découle inévitablement de la nature de l'intervention policière transfrontalière et de l'ordre, visés à l'article 4, pour autant que ce soit autorisé légalement dans l'Etat d'accueil.

2. Les armes de service autres que celles visées à l'alinéa 1er peuvent être apportées si elles ne peuvent pas être déposées ou rangées en toute sécurité sur leur territoire propre. Ces armes de service ne pourront toutefois pas être utilisées.

Article 8

1. L'usage de la force ou l'exécution d'une fouille de sécurité par les fonctionnaires de police transfrontaliers sont autorisés conformément à l'ordre du commandant local compétent et aux mêmes conditions que celles qui s'appliquent aux fonctionnaires de police de l'Etat d'accueil. L'utilisation de l'arme de service personnelle, qui fait partie de l'équipement de base, est exclusivement autorisée en cas de force majeure ou de légitime défense.

2. Le droit applicable en matière de force majeure ou de légitime défense est le droit de l'Etat d'accueil.

CHAPITRE IV

Frais et dédommagements

Article 9

1. Les frais de l'intervention policière transfrontalière, en ce compris les frais engendrés par une perte totale ou partielle de l'équipement, de l'armement et des moyens apportés, sont à charge de l'Etat expéditeur.

2. Par dérogation à l'alinéa 1er, les frais de logement et d'entretien des unités transfrontalières de police et des fonctionnaires de police transfrontaliers sont à charge de l'Etat d'accueil.

Article 10

1. S'il s'agit d'une intervention policière transfrontalière telle que visée à l'article 2, alinéa 1er ou d'une fourniture de moyens telle que visée à l'article 5, l'Etat d'accueil est responsable des dégats subis en conséquence de l'intervention policière transfrontalière.

2. S'il s'agit d'une intervention policière transfrontalière telle que visée à l'article 2, alinéa 3, les articles 42 et 43 de la Convention d'Application de Schengen sont applicables par analogie.

CHAPITRE V

Dispositions finales

Article 11

Le Ministre de l'Intérieur de Belgique et le Ministre de l'Intérieur et des Relations du Royaume des Pays-Bas sont chargés de l'exécution du présent Traité.

Article 12

En ce qui concerne le Royaume des Pays-Bas, le présent Traité s'applique exclusivement au territoire du Royaume en Europe.

Article 13

Le présent Traité entre en vigueur le 21ème jour précédant la date à laquelle le Championnat Européen des Nations de Football commence et prend fin le 21ème jour qui suit la date à laquelle le Championnat Européen se termine.

Article 14

Au plus tard six mois après la fin de la durée de validité du présent Traité, les Ministres mentionnés à l'article 11 rédigent un rapport sur l'efficacité et les effets du présent Traité dans la pratique.

FAIT à Bergen op Zoom, le 26 avril 1999

Pour le Royaume des Pays-Bas,

Le Ministre de l'Intérieur et des Relations du Royaume,

(s.) A. PEPER A. Peper

Pour le Royaume de Belgique,

Le Ministre de l'Intérieur,

(s.) L. VAN DEN BOSSCHE Luc Van den Bossche


D. PARLEMENT

Het Verdrag behoeft ingevolge artikel 7, onderdeel c, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen niet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens in werking te kunnen treden.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Verdrag zullen ingevolge artikel 13 op 20 mei 2000 in werking treden.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal het Verdrag ingevolge artikel 12 alleen voor Nederland gelden.

J. GEGEVENS

Van de op 19 augustus 1985 te Straatsburg tot stand gekomen Europese Overeenkomst inzake gewelddadigheden door en wangedrag van toeschouwers rond sportevenementen en in het bijzonder rond voetbalwedstrijden, naar welke Overeenkomst in de preambule tot het onderhavige Verdrag wordt verwezen, zijn tekst en vertaling geplaatst in Trb. 1985, 133; zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 259.

Van de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, is de tekst geplaatst in Trb. 1990, 145; zie ook, laatstelijk, Trb. 1998, 262.

Uitgegeven de zevenentwintigste mei 1999

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. VAN AARTSEN

Naar boven