Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 1999, 167Verdrag

A. TITEL

Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, met Bijlage;

Londen, 17 februari 1978

B. TEKST

De Engelse en de Franse tekst van Protocol en Bijlage, zijn geplaatst in Trb. 1978, 188.

Voor wijzigingen van Protocol I bij het Verdrag, zoals gewijzigd door het onderhavige Protocol, zie rubriek J van Trb. 1997, 317.

Voor de ondertekeningen zie ook Trb. 1983, 127.

De Bijlage bij het Protocol is een aantal malen gewijzigd, zie rubriek J van Trb. 1985, 136, van Trb. 1986, 121, van Trb. 1988, 143, van Trb. 1990, 168, van Trb. 1992, 29, van Trb. 1993, 53 en 70, van Trb. 1994, 41 en 162, van Trb. 1995, 158, van Trb. 1996, 24, van Trb. 1997, 138, van Trb. 1997, 317 en rubriek J hieronder.

C. VERTALING

Zie Trb. 1978, 188

D. PARLEMENT

Zie Trb. 1983, 127, Trb. 1993, 147, Trb. 1996, 24 en Trb. 1997, 138.

E. BEKRACHTIGING

Zie Trb. 1983, 127, Trb. 1985, 136, Trb. 1986, 121, Trb. 1988, 1431 en Trb. 1993, 53.

F. TOETREDING

Zie Trb. 1983, 127, Trb. 1985, 136, Trb. 1986, 121, Trb. 1988, 143, Trb. 1990, 168, Trb. 1992, 29, Trb. 1993, 53 en 147, Trb. 1994, 141 en 162, Trb. 1995, 158, Trb. 1996, 24, Trb. 1997, 138 en Trb. 1997, 317.

Behalve de aldaar genoemde staten hebben nog de volgende staten in overeenstemming met artikel IV, eerste lid, letter c, van het Protocol een akte van toetreding nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie:

Mauritanië24 november 1997
Guyana10 december 1997
Saint Kitts en Nevis124 december 1997
Nieuw-Zeeland225 september 1998
Sao Tomé en Principe29 oktober 1998

G. INWERKINGTREDING

Zie Trb. 1983, 127, Trb. 1985, 136, Trb. 1986, 121, Trb. 1988, 143, Trb. 1990, 168, en Trb. 1992, 29.

H. TOEPASSELIJKVERKLARING

Zie Trb. 1985, 136, Trb. 1986, 121, Trb. 1988, 143, Trb. 1990, 168, Trb. 1993, 53, Trb. 1995, 158, Trb. 1996, 24, Trb. 1997, 138, en Trb. 1997, 317.

J. GEGEVENS

Zie Trb. 1978, 188, Trb. 1983, 127, Trb. 1985, 136, Trb. 1986, 121, Trb. 1988, 143, Trb. 1990, 168, Trb. 1992, 29, Trb. 1993, 53, 70 en 147, Trb. 1994, 41 en 162, Trb. 1995, 158, Trb. 1996, 24, Trb. 1997, 138 en Trb. 1997, 317.

Bijlagen

Bijlage III bij het Verdrag zoals gewijzigd door het Protocol is voorts nog aanvaard door de volgende staat:

Brazilië1 8 november 1995
Mauritanië24 november 1997
Guyana10 december 1997
Saint Kitts en Nevis24 december 1997
Ierland27 april 1998
Nieuw-Zeeland25 september 1998
Sao Tomé en Principe29 oktober 1998

Bijlage IV bij het Verdrag zoals gewijzigd door het Protocol is voorts nog aanvaard door de volgende staat:

Brazilië1 8 november 1995

Bijlage V bij het Verdrag zoals gewijzigd door het Protocol is voorts nog aanvaard door de volgende staten:

Brazilië1 8 november 1995
Mauritanië24 november 1997
Guyana10 december 1997
Saint Kitts en Nevis24 december 1997
Nieuw-Zeeland25 september 1998
Sao Tomé en Principe29 oktober 1998

Wijzigingen

Resolutie MEPC.75(40)

Op 25 september 1997 heeft de Commissie voor de bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met artikel VI van het Protocol en artikel 16 van het Verdrag een resolutie aangenomen houdende wijzigingen van Protocol I bij het Verdrag zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978.

In overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onderdeel f, (iii) van het Verdrag zijn de wijzigingen aanvaard op 1 augustus 1998. Ingevolge artikel 16, tweede lid, onderdeel g, (ii), van het Verdrag zijn de wijzigingen op 1 februari 1999 in werking getreden.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, gelden de wijzigingen voor het gehele Koninkrijk.

De Engelse tekst1 van de resolutie luidt als volgt:

Resolution MEPC.75(40) adopted on 25 September 1997

Amendments to the Annex of the Protocol of 1978 relating to the International Convention for the prevention of pollution from ships, 1973 (Amendments to regulation 10 and new regulation 25A of Annex I of MARPOL 73/78)

The Marine Environment Protection Committee,

Recalling Article 38(a) of the Convention on the International Maritime Organization concerning the function of the Committee conferred upon it by international conventions for the prevention and control of marine pollution,

Noting article 16 of the International Convention for the Prevention of Pollution from Ships, 1973 (hereinafter referred to as the “1973 Convention") and article VI of the Protocol of 1978 relating to the 1973 Convention (hereinafter referred to as the “1978 Protocol") which together specify the amendment procedure of the 1978 Protocol and confers upon the appropriate body of the Organization the function of considering and adopting amendments to the 1973 Convention, as modified by the 1978 Protocol (MARPOL 73/78),

Considering the proposal of the littoral States to make North West European waters a special area under Annex I of MARPOL 73/78,

Recognizing that there is a need to specify intact stability criteria for double hull tankers by adding an appropriate regulation to Annex I of MARPOL 73/78,

Having considered the amendments to regulation 10 and the new regulation 25A of Annex I of MARPOL 73/78, which were approved by the thirty-ninth session by the Committee and circulated in accordance with article 16(2)(a) of the 1973 Convention,

1. Adopts, in accordance with article 16(2)(d) of the 1973 Convention, the amendments to regulation 10 and the new regulation 25A of Annex I of MARPOL 73/78, the text of which is set out in the Annex to the present resolution;

2. Determines, in accordance with article 16(2)(f)(iii) of the 1973 Convention, that the amendments shall be deemed to have been accepted on 1 August 1998, unless prior to that date, not less than one-third of the Parties or the Parties, the combined merchant fleets of which constitute not less than fifty per cent of the gross tonnage of the world's merchant fleet, have communicated to the Organization their objections to the amendments;

3. Invites the Parties to note that, in accordance with article 16(2)(g)(ii) of the 1973 Convention, the amendments shall enter into force on 1 February 1999 in accordance with paragraph 2 above;

4. Requests the Secretary-General, in conformity with article 16(2)(e) of the 1973 Convention, to transmit to all Parties to MARPOL 73/78 certified copies of the present resolution and the text of the amendments contained in the Annex;

5. Requests further the Secretary-General to transmit to the Members of the Organization which are not Parties to MARPOL 73/78 copies of the resolution and its Annex.

Amendments to regulation 10 and new regulation 25a of Annex I of MARPOL 73/78

1. The existing text of regulation 10 of Annex I is amended as follows:

“Regulation 10 Methods for the prevention of oil pollution from ships while operating in special areas

(1) For the purpose of this Annex, the special areas are the Mediterranean Sea area, the Baltic Sea area, the Black Sea area, the Red Sea area, the `Gulfs area', the Gulf of Aden area, the Antarctic area and the North West European waters, which are defined as follows:

a) to g) No change.

  • h) The North West European waters include the North Sea and its approaches, the Irish Sea and its approaches, the Celtic Sea, the English Channel and its approaches and part of the North East Atlantic immediately to the west of Ireland. The area is bounded by lines joining the following points:

    • (i) 48°27'N on the French coast;

    • (ii) 48°27'N; 6°25'W;

    • (iii) 49°52'N; 7°44'W;

    • (iv) 50°30'N; 12°W;

    • (v) 56°30'N; 12°W;

    • (vi) 62°N; 3°W;

    • (vii) 62°N on the Norwegian coast;

    • (viii) 57°44.8'N on the Danish and Swedish coasts.

(2) to (6) No change.

(7) Reception facilities within special areas:

  • a) No change;

  • b) Red Sea area, Gulfs area, Gulf of Aden area and North West European waters:

    (i) to (vii) No change.

    (8) No change".

2. The following new regulation 25A is added after regulation 25:

“Regulation 25A Intact stability

(1) This regulation shall apply to oil tankers of 5,000 tons deadweight and above:

  • a) for which the building contract is placed on or after 1 February 1999,

    or

  • b) in the absence of a building contract, the keels of which are laid or which are at a similar stage of construction on or after 1 August 1999, or

  • c) the delivery of which is on or after 1 February 2002, or

  • d) which have undergone a major conversion:

    • (i) for which the contract is placed after 1 February 1999; or

    • (ii) in the absence of a contract, the construction work of which is begun after 1 August 1999; or

    • (iii) which is completed after 1 February 2002.

(2) Every oil tanker shall comply with the intact stability criteria specified in subparagraphs a) and b) of this paragraph, as appropriate, for any operating draught under the worst possible conditions of cargo and ballast loading, consistent with good operational practice, including intermediate stages of liquid transfer operations. Under all conditions the ballast tanks shall be assumed slack.

  • a) In port, the initial metacentric height GMo, corrected for free surface measured at 0 heel, shall be not less than 0.15 m;

  • b) At sea, the following criteria shall be applicable:

    • (i) the area under the righting lever curve (GZ curve) shall be not less than 0.055 m.rad up to theta; = 30° angle of heel and not less than 0.09 m.rad up to θ = 40° or other angle of flooding θf* if this angle is less than 40°.

      Additionally, the area under the righting lever curve (GZ curve) between the angles of heel of 30° and 40° or between 30° and θf, if this angle is less than 40°, shall be not less than 0.03 m.rad;

    • (ii) the righting lever GZ shall be at least 0.20 m at an angle of heel equal to or greater than 30°;

    • (iii) the maximum righting arm shall occur at an angle of heel preferably exceeding 30° but not less than 25°; and

    • (iv) the initial metacentric height GMo, corrected for free surface measured at 0° heel, shall be not less than 0.15 m.

(3) The requirements of paragraph 2 shall be met through design measures. For combination carriers simple supplementary operational procedures may be allowed.

(4) Simple supplementary operational procedures for liquid transfer operations referred to in paragraph 3 shall mean written procedures made available to the master which:

    • (i) are approved by the Administration;

    • (ii) indicate those cargo and ballast tanks which may, under any specific condition of liquid transfer and possible range of cargo densities, be slack and still allow the stability criteria to be met. The slack tanks may vary during the liquid transfer operations and be of any combination provided they satisfy the criteria;

    • (iii) will be readily understandable to the officer-in-charge of liquid transfer operations;

    • (iv) provide for planned sequences of cargo/ballast transfer operations;

    • (v) allow comparisons of attained and required stability using stability performance criteria in graphical or tabular form;

    • (vi) require no extensive mathematical calculations by the officer-in-charge;

    • (vii) provide for corrective actions to be taken by the officer-in-charge in case of departure from recommended values and in case of emergency situations; and

    • (viii) are prominently displayed in the approved trim and stability booklet and at the cargo/ballast transfer control station and in any computer software by which stability calculations are performed."


De vertaling van de resolutie luidt als volgt:

Resolutie MEPC.75(40) aangenomen op 25 september 1997

Wijzigingen van de Bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (Wijzigingen van voorschrift 10 en een nieuw voorschrift 25A van Bijlage I van MARPOL 73/78)

De Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu,

In herinnering brengend artikel 38, onder a, van het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie inzake de taak die aan de Commissie is opgedragen door internationale verdragen ter voorkoming en beperking van verontreiniging van de zee,

Gelet op artikel 16 van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (hierna te noemen het „Verdrag van 1973") en op artikel VI van het Protocol van 1978 bij het Verdrag van 1973 (hierna te noemen het „Protocol van 1978"), die tezamen de procedure aangeven voor wijziging van het Protocol van 1978 en aan het bevoegde orgaan van de Organisatie de taak opdragen de wijzigingen van het Verdrag van 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 (MARPOL 73/78), te bestuderen en aan te nemen,

Gelet op het voorstel van de kuststaten de Noordwest-Europese wateren aan te wijzen als een bijzonder gebied krachtens Bijlage I van MARPOL 73/78,

Erkennend dat het noodzakelijk is criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand te formuleren voor dubbelwandige tankschepen door toevoeging van een passend voorschrift aan Bijlage I van MARPOL 73/78,

Na bestudering van de wijzigingen van voorschrift 10 en het nieuwe voorschrift 25A van Bijlage I van MARPOL 73/78, die door de Commissie werden goedgekeurd tijdens haar negenendertigste zitting en zijn verspreid in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onder a, van het Verdrag van 1973,

1. Neemt aan, in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onder d, van het Verdrag van 1973, de wijzigingen van voorschrift 10 en het nieuwe voorschrift 25A van Bijlage I van MARPOL 73/78. De tekst van de wijzigingen en van het nieuwe voorschrift is vervat in de Bijlage bij deze resolutie;

2. Bepaalt, in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onder f, (iii) van het Verdrag van 1973, dat de wijzigingen worden geacht te zijn aanvaard op 1 augustus 1998, tenzij voorafgaande aan die datum een derde of meer van de Partijen, of de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de brutotonnage van de wereldkoopvaardijvloot, bij de Organisatie bezwaar hebben aangetekend tegen de wijzigingen;

3. Verzoekt de Partijen kennis te nemen van het feit dat de wijzigingen, in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onder g, (ii) van het Verdrag van 1973, van kracht worden op 1 februari 1999 in overeenstemming met het tweede lid hierboven;

4. Verzoekt de Secretaris-Generaal, in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, onder e, van het Verdrag van 1973, aan alle Partijen bij MARPOL 73/78 voor eensluidend gewaarmerkte afschriften te doen toekomen van deze resolutie en van de in de Bijlage vervatte tekst van de wijzigingen;

5. Verzoekt de Secretaris-Generaal voorts aan de Leden van de Organisatie die geen Partij zijn bij MARPOL 73/78 afschriften van de resolutie en van de Bijlage daarbij toe te zenden.

Wijzigingen van voorschrift 10 en een nieuw voorschrift 25A van Bijlage I van MARPOL 73/78

1. De huidige tekst van voorschrift 10 van Bijlage I wordt gewijzigd als volgt:

„Voorschrift 10 Methoden ter voorkoming van verontreiniging door olie door schepen die zich bevinden in bijzondere gebieden

(1) Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: het gebied van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden, het Antarctisch gebied en de Noordwest-Europese wateren, die als volgt worden omschreven:

a. tot en met g. Ongewijzigd.

  • h. De Noordwest-Europese wateren omvatten de Noordzee en zijn toegangen, de Ierse Zee en zijn toegangen, de Keltische Zee, het Engels Kanaal en zijn toegangen en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door de lijnen die de volgende punten verbinden:

    • i. 48° 27'noorderbreedte aan de Franse kust;

    • ii. 48° 27'noorderbreedte, 6° 25'westerlengte;

    • iii. 49° 52'noorderbreedte, 7° 44'westerlengte;

    • iv. 50° 30'noorderbreedte, 12°westerlengte;

    • v. 56° 30'noorderbreedte, 12°westerlengte;

    • vi. 62°noorderbreedte; 3°westerlengte;

    • vii. 62°noorderbreedte aan de Noorse kust;

    • viii. 57° 44,8'noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust.

(2) tot en met (6) Ongewijzigd.

(7) Ontvangstvoorzieningen binnen de bijzondere gebieden:

  • a. Ongewijzigd;

  • b. De gebieden van de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden en de Noordwest-Europese wateren:

    i. tot en met vii. Ongewijzigd.

    (8) Ongewijzigd."

2. Het volgende nieuwe voorschrift 25A wordt ingevoegd na voorschrift 25:

„Voorschrift 25A Stabiliteit in onbeschadigde toestand

(1) Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 tonmassa of meer:

  • a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of

  • b. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 augustus 1999; of

  • c. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 februari 2002; of

  • d. die een ingrijpende verbouwing hebben ondergaan:

    • i. waarvoor het contract is afgesloten na 1 februari 1999; of

    • ii. waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen na 1 augustus 1999; of

    • iii. die is voltooid na 1 februari 2002.

(2) Elk olietankschip dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven onder a en b van dit lid, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van vracht en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.

  • a. In de haven mag de aanvankelijke metacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, niet minder dan 0,15 m bedragen;

  • b. Op zee zijn de volgende criteria van toepassing:

    • i. het gebied onder de stabiliteitskromme (GZ-curve) dient niet kleiner te zijn dan 0,055 meterradiaal tot een hellingshoek van θ = 30° en niet minder dan 0,09 meterradiaal tot θ = 40° of een andere overstromingshoek θf1, indien deze hoek kleiner is dan 40°. Voorts dient het gebied onder de stabiliteitskromme(GZ-curve) tussen de hellingshoeken van 30° en 40° of tussen 30° en θf, indien deze hoek kleiner is dan 40°, niet minder te zijn dan 0,03 meterradiaal;

    • ii. de stabiliteitsarm GZ dient ten minste 0,20 m te zijn bij een hellingshoek gelijk aan of groter dan 30°;

    • iii. de maximum stabiliteitsarm dient op te treden bij een hellingshoek van bij voorkeur meer dan 30° maar niet minder dan 25°; en

    • (iv) de aanvangsmetacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, dient niet minder dan 0,15 m te zijn.

(3) Aan de vereisten van het tweede lid dient te worden voldaan door middel van maatregelen ten aanzien van het ontwerp. Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende werkprocedures worden toegestaan.

(4) Onder eenvoudige aanvullende werkprocedures voor de verplaatsing van vloeistoffen als bedoeld in het derde lid wordt verstaan schriftelijke procedures die ter beschikking worden gesteld van de kapitein en die:

    • i. worden goedgekeurd door de Administratie;

    • ii. de lading- en ballasttanks aangeven die, onder specifieke omstandigheden bij de verplaatsing van vloeistoffen en mogelijke variaties in ladingsdichtheden, gedeeltelijk gevuld mogen zijn, en het toch mogelijk maken te voldoen aan de stabiliteitscriteria. De gedeeltelijk gevulde tanks kunnen in samenstelling variëren tijdens de verplaatsing van vloeistoffen en in elke combinatie voorkomen mits zij voldoen aan de criteria;

    • iii. gemakkelijk te begrijpen zijn voor de officier die verantwoordelijk is voor de verplaatsing van vloeistoffen;

    • iv. geschikt zijn voor de geplande opeenvolging van vracht- en ballastverplaatsingen;

    • v. vergelijkingen mogelijk maken tussen de bereikte en de vereiste stabiliteit met behulp van stabiliteitsprestatiecriteria in grafische of tabelvorm;

    • vi. geen uitgebreide wiskundige berekeningen door de dienstdoende officier vereisen;

    • vii. voorzien in corrigerende handelingen door de dienstdoende officier te verrichten in geval van afwijking van de aanbevolen waarden en in noodsituaties; en

    • viii. duidelijk weergegeven worden in het goedgekeurde trim- en stabiliteitsboekje en in het controlestation voor vracht- en ballastverplaatsingen en in alle computersoftware waarmee stabiliteitsberekeningen worden uitgevoerd."

Resolutie MEPC.77(41)

Op 2 april 1998 heeft de Commissie voor de bescherming van het Mariene Milieu een resolutie aangenomen houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen van voorschrift 10 van bijlage I bij het onderhavige Protocol met betrekking tot de „North West European Waters Special Area".

De wijzigingen zijn aanvaard op 1 augustus 1998. De wijzigingen zijn op 1 augustus 1999 in werking getreden.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, gelden de wijzigingen voor het gehele Koninkrijk.

De Engelse tekst1 van de resolutie luidt als volgt:

Resolution MEPC 77(41) adopted on 2 April 1998

Establishment of the date on which the amendments to regulation 10 of Annex I of MARPOL 73/78 in respect of the North West European Waters special area shall take effect

The Marine Environment Protection Committee,

Recalling Article 38 of the Convention on the International Maritime Organization concerning the functions of the Committee,

Noting resolution MEPC.75(40) by which the Committee adopted amendments to regulation 10 of Annex I of the International Convention for the Prevention of Pollution from Ships, 1973, as modified by the Protocol of 1978 relating thereto (MARPOL 73/78), to designate North West European Waters as a special area,

Noting also the definition of the special area under MARPOL Annex I, i.e. a sea area where for recognised technical reasons in relation to its oceanographical and ecological condition and to the particular character of its traffic the adoption of special mandatory methods for the prevention of pollution of the sea by oil is required,

Noting further the information provided in document MEPC 41/7/1 submitted by all the States bordering the North West European Waters - Belgium, Denmark, France, Germany, Ireland, the Netherlands, Norway, Sweden and the United Kingdom - that adequate reception facilities are provided in all ports within the North West European Waters special area, in accordance with the provisions of regulation 10(7)b)(iii) of MARPOL Annex I,

Having considered the request of the above States to establish the date on which the requirements of regulation 10 of MARPOL Annex I in respect of the North West European Waters special area shall take effect,

1. Decides that the requirements of regulation 10 of MARPOL Annex I concerning the North West European Waters special area shall take effect on 1 August 1999 with the proviso that the said amendments are deemed to have been accepted on 1 August 1998;

2. Requests the Secretary-General to notify, in conformity with regulation 10(7)(b)(iii) of MARPOL Annex I, all Parties to MARPOL 73/78 of the aforementioned decision;

3. Further requests the Secretary-General to notify all Members of the Organization of the aforementioned decision.


De vertaling van de resolutie luidt als volgt:

Resolutie MEPC 77(41) aangenomen op 2 april 1998

Vaststelling van de datum waarop de wijzigingen van voorschrift 10 van Bijlage I van MARPOL 73/78 met betrekking tot het bijzondere gebied van de Noordwest-Europese wateren van kracht worden

De Commissie voor de Bescherming van het Marine Milieu,

In herinnering brengend artikel 38 van het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie inzake de taken van de Commissie,

Gelet op resolutie MEPC.75(40) waarbij de Commissie wijzigingen heeft aangenomen van voorschrift 10 van Bijlage I van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978 (MARPOL 73/78), teneinde de Noordwest-Europese wateren aan te wijzen als een bijzonder gebied,

Tevens gelet op de omschrijving van bijzonder gebied in Bijlage I van MARPOL zijnde een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie wordt vereist,

Voorts gelet op de informatie verschaft in document MEPC 41/7/1 ingediend door alle Staten grenzend aan de Noordwest-Europese wateren – België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Nederland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden – dat toereikende ontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn in alle havens binnen het bijzondere gebied van de Noordwest-Europese wateren, overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 10, zevende lid, onder b, (iii) van MARPOL, Bijlage I,

Na bestudering van het verzoek van bovengenoemde Staten de datum vast te stellen waarop de vereisten van voorschrift 10 van MARPOL, Bijlage I, ten aanzien van het bijzondere gebied van de Noordwest-Europese wateren van kracht worden,

1. Besluit dat de vereisten van voorschrift 10 van MARPOL, Bijlage I, betreffende het bijzondere gebied van de Noordwest-Europese wateren van kracht worden op 1 augustus 1999 met als voorwaarde dat genoemde wijzigingen worden geacht te zijn aanvaard op 1 augustus 1998;

2. Verzoekt de Secretaris-Generaal, in overeenstemming met voorschrift 10, zevende lid, onder (b), iii van MARPOL, Bijlage I, alle Partijen bij MARPOL 73/78 op de hoogte te stellen van het voornoemde besluit;

3. Verzoekt de Secretaris-Generaal voorts alle Leden van de Organisatie op de hoogte te stellen van het voornoemde besluit.


In overeenstemming met artikel 19, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bepaald dat de wijzigingen zullen zijn bekendgemaakt in het gehele Koninkrijk op de dag na de datum van uitgifte van dit Tractatenblad.

Uitgegeven de twintigste oktober 1999

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. VAN AARTSEN


XNoot
1

Op 6 maart 1998 heeft de regering van Brazilië de intrekking van de voorbehouden met betrekking tot artikel 10 van het Verdrag en met betrekking tot Protocol II (zie Trb. 1988, 143 rubriek E) bevestigd.

XNoot
1

Met het volgende voorbehoud:

“The Federation of Saint Kitts and Nevis will find it difficult on the practical level to implement the inspection and equipment requirements of MARPOL. There is concern about the ability to meet the equipment requirements. Secondly, there is concern about the necessary expertise to carry out the inspection process. Such expertise is very scarce in the Federation."

XNoot
2

Onder de volgende verklaring:

“and declares that it does not accept Annex IV of the Protocol of 1978, except in relation to the Antarctic Special Area."

XNoot
1

Op 6 maart 1998 heeft de regering van Brazilië haar instemming door de Bijlagen III, IV en V te worden gebonden, bevestigd.

XNoot
1

De Franse, de Russische en de Spaanse tekst zijn niet afgedrukt.

XNoot
*

θf is the angle of heel at which openings in the hull, superstructures or deck-houses, which cannot be closed watertight, immerse. In applying this criterion, small openings through which progressive flooding cannot take place need not be considered as open.

XNoot
1

De Franse, de Russische en de Spaanse tekst zijn niet afgedrukt.

XNoot
1

θf is de hellingshoek waarbij openingen in de scheepsromp, bovenbouwen of dekhuizen die niet waterdicht kunnen worden afgesloten, onder de waterspiegel komen. Bij toepassing van dit criterium behoeven kleine openingen waardoor niet voortdurend meer water kan binnenstromen niet als open te worden beschouwd.