A. TITEL

Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn;

Brussel, 26 mei 1997

B. TEKST1

Overeenkomst opgesteld op basis van Artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie,

Verwijzend naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 1997,

Overwegende dat de lidstaten de verbetering van de justitiële samenwerking bij de bestrijding van corruptie als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang beschouwen, die valt onder de bij titel VI van het Verdrag ingestelde samenwerking;

Overwegende dat de Raad bij de akte van 27 september 1996 een Protocol heeft opgesteld in het bijzonder ter bestrijding van daden van corruptie die de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen schaden of kunnen schaden en waarbij nationale ambtenaren of ambtenaren van de Europese Gemeenschappen betrokken zijn;

Overwegende dat, ter verbetering van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten, verder moet worden gegaan dan het bovengenoemd Protocol door een Overeenkomst op te stellen betreffende daden van corruptie in het algemeen waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of ambtenaren van de lidstaten betrokken zijn,

Strevend naar een samenhangende en doeltreffende toepassing van de onderhavige Overeenkomst op het gehele grondgebied van de Europese Unie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze Overeenkomst

  • a. wordt onder „ambtenaar" verstaan, een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen of een nationaal ambtenaar, met inbegrip van elke nationale ambtenaar van een andere lidstaat;

  • b. wordt onder „communautair ambtenaar" verstaan:

– een ieder die bij overeenkomst is aangesteld in de hoedanigheid van ambtenaar of ander personeelslid in de zin van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen;

– een ieder die door de lidstaten of door een overheids- of particuliere instelling ter beschikking van de Europese Gemeenschappen is gesteld om daar functies uit te oefenen die overeenstemmen met de functies die worden uitgeoefend door ambtenaren of andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

De leden van organen die overeenkomstig de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen zijn ingesteld en het personeel van dergelijke organen worden behandeld als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, voorzover het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen niet op hen van toepassing zijn;

  • c. wordt de term „nationaal ambtenaar" uitgelegd overeenkomstig de definitie van „ambtenaar" of „overheidspersoon" in de zin van het nationaal recht van de lidstaat waar de betrokkene die hoedanigheid heeft voor de toepassing van zijn strafrecht.

Wanneer evenwel door een lidstaat strafvervolging wordt ingesteld waarbij een ambtenaar van een andere lidstaat is betrokken, is eerstgenoemde lidstaat slechts gehouden de definitie van „nationaal ambtenaar" toe te passen voorzover die verenigbaar is met zijn nationaal recht.

Artikel 2 Passieve corruptie

1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst bestaat passieve corruptie in het feit dat een ambtenaar opzettelijk, onmiddellijk of middellijk, voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander vraagt of aanneemt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde in strijd met zijn ambtsplicht, een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten.

2. Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld.

Artikel 3 Actieve corruptie

1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst bestaat actieve corruptie in het feit dat iemand opzettelijk een ambtenaar onmiddellijk of middellijk een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor hemzelf of voor een ander belooft of verstrekt, om in strijd met zijn ambtsplicht een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten.

2. Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld.

Artikel 4 Assimilatie

1. Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in zijn strafrecht de in de artikelen 2 en 3 bedoelde omschrijvingen van overtredingen die door of tegen ministers van de Regering, verkozen leden van het Parlement, leden van de hoogste rechterlijke instanties of leden van de Rekenkamer in de uitoefening van hun ambt worden gepleegd, krachtens het strafrecht van dat land ook van toepassing zijn in gevallen waarin de feiten worden gepleegd door of jegens leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Europees Parlement, het Hof van Justitie en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen in de uitoefening van hun ambt.

2. Wanneer een lidstaat speciale wetgeving heeft uitgevaardigd met betrekking tot handelen of nalaten waarvoor ministers van de Regering zich moeten verantwoorden op grond van hun bijzondere politieke positie in die lidstaat, is lid 1 niet noodzakelijk van toepassing op die wetgeving, op voorwaarde dat de lidstaat ervoor zorgt dat leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ook vallen onder de strafwetgeving ter uitvoering van de artikelen 2 en 3.

3. De leden 1 en 2 zijn van toepassing onverminderd de bepalingen betreffende de strafvordering en de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid die van toepassing zijn in de afzonderlijke lidstaten.

4. Deze Overeenkomst is van toepassing onverminderd de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, het Statuut van het Hof van Justitie, alsmede de uitvoeringsbesluiten betreffende de opheffing van de immuniteiten.

Artikel 5 Sancties

1. Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde gedragingen, alsmede medeplichtigheid aan en uitdeling van die gedragingen, worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties waaronder, tenminste in ernstige gevallen, vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.

2. Lid 1 geldt onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden tegen nationale ambtenaren of communautaire ambtenaren door de bevoegde instanties. De nationale rechterlijke instanties kunnen bij de straftoemeting op grond van de beginselen van hun nationale recht rekening houden met eventuele disciplinaire straffen die dezelfde persoon voor dezelfde gedragingen reeds zijn opgelegd.

Artikel 6 Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden

Elke lidstaat treft de nodige maatregelen opdat ondernemingshoofden of personen die beslissings- of controlebevoegdheid binnen een onderneming hebben, overeenkomstig de beginselen van zijn nationaal recht, strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van corruptie als bedoeld in artikel 3 die voor rekening van de onderneming door een aan hen ondergeschikte persoon zijn begaan.

Artikel 7 Bevoegdheid

1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gestelde feiten, in de volgende gevallen:

  • a. het strafbare feit wordt geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied gepleegd,

  • b. de dader van het strafbare feit is een onderdaan of een ambtenaar van de betrokken lidstaat,

  • c. het strafbare feit is gepleegd tegen een in artikel 1 bedoelde persoon of tegen een van de leden van de in artikel 4, lid 1, bedoelde instellingen van de Europese Gemeenschappen, die tevens onderdaan is (zijn) van de betrokken lidstaat,

  • d. de dader van het strafbare feit is communautair ambtenaar in dienst van een instelling van de Europese Gemeenschappen of van een overeenkomstig de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen ingesteld orgaan dat zijn zetel in de betrokken lidstaat heeft.

2. Elke lidstaat kan bij de in artikel 13, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat hij een of meer van de in lid 1, onder b), c) en d), genoemde regels ten aanzien van de bevoegdheid niet of slechts in bepaalde gevallen of onder bepaalde voorwaarden toepast.

Artikel 8 Uitlevering en vervolging

1. Elke lidstaat die ingevolge zijn nationale recht geen eigen onderdanen uitlevert, treft de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gestelde feiten die door deze onderdanen buiten zijn grondgebied worden begaan.

2. Wanneer een onderdaan van een lidstaat ervan wordt verdacht zich in een andere lidstaat schuldig te hebben gemaakt aan een krachtens de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 2, 3 of 4 strafbaar gesteld feit, en de lidstaat de betrokkene louter op grond van zijn of haar nationaliteit niet aan die andere lidstaat uitlevert, legt deze lidstaat de zaak aan zijn bevoegde autoriteiten voor opdat, indien daartoe aanleiding bestaat, een strafvervolging wordt ingesteld. Met het oog op de strafvervolging worden de dossiers, inlichtingen en voorwerpen die op het strafbaar feit betrekking hebben, overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 toegezonden. De verzoekende lidstaat wordt in kennis gesteld van de vervolging en de afloop daarvan.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder „onderdanen van een lidstaat" de personen verstaan als omschreven in de verklaringen die de betrokken lidstaat heeft afgelegd uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder b), van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, alsmede de personen bedoeld in lid 1, onder c), van dat artikel.

Artikel 9 Samenwerking

1. Wanneer twee of meer lidstaten betrokken zijn bij een procedure met betrekking tot een overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gesteld feit, werken deze lidstaten doeltreffend samen bij het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van het strafbaar feit, bijvoorbeeld door middel van wederzijdse rechtshulp, uitlevering, overdracht van strafvervolging of tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gewezen rechterlijke beslissingen.

2. Wanneer ten aanzien van een strafbaar feit meer dan één lidstaat bevoegd is en elk van hen ter zake van dezelfde feiten een vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg wie van hen de dader of daders zal vervolgen, met het doel de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te centraliseren.

Artikel 10 Ne bis in idem-beginsel

1. De lidstaten passen in hun nationale strafrecht het „ne bis in idem"-beginsel toe, volgens hetwelk een persoon die bij onherroepelijk vonnis in een lidstaat is berecht, in een andere lidstaat niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of feitelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende staat niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.

2. Bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 13, lid 2, kan een lidstaat verklaren dat hij in een of meer van de volgende gevallen niet door lid 1 van dit artikel is gebonden:

  • a. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, zich geheel of gedeeltelijk op zijn eigen grondgebied hebben afgespeeld. In het laatste geval is deze uitzondering echter niet van toepassing indien de feiten zich gedeeltelijk hebben afgespeeld op het grondgebied van de lidstaat waarin het vonnis werd gewezen;

  • b. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, een inbreuk vormen op de veiligheid of andere even wezenlijke belangen van deze lidstaat;

  • c. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, zijn begaan door een ambtenaar van deze lidstaat in strijd met zijn ambtsplichten.

3. Indien in een lidstaat een nieuwe vervolging wordt ingesteld tegen een persoon die ter zake van dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis in een andere lidstaat is berecht, dient iedere periode van vrijheidsbeneming die wegens deze feiten in laatstgenoemde lidstaat werd ondergaan, op de eventueel opgelegde straf of maatregel in mindering te worden gebracht. Voorzover de nationale wetgeving dit toelaat, wordt tevens rekening gehouden met andere straffen of maatregelen dan vrijheidsbeneming, voorzover deze ten uitvoer zijn gelegd.

4. Uitzonderingen ten aanzien waarvan een verklaring uit hoofde van lid 2 is afgelegd, zijn niet van toepassing wanneer de betrokken lidstaat ter zake van dezelfde feiten de andere lidstaat om vervolging heeft verzocht of heeft ingestemd met de uitlevering van de betrokken persoon.

5. Dit artikel laat de relevante bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten, alsmede de met betrekking daartoe afgelegde verklaringen, onverlet.

Artikel 11 Nationale bepalingen

Niets in deze Overeenkomst belet de lidstaten nationale bepalingen aan te nemen die verder gaan dan de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst.

Artikel 12 Hof van Justitie

1. Geschillen tussen de lidstaten over de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst waarvoor onderling geen oplossing kon worden gevonden, worden met het oog op een oplossing, in een eerste fase in de Raad besproken volgens de procedure van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Indien binnen zes maanden geen oplossing is gevonden, kan de zaak door een bij het geschil betrokken partij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd.

2. Ieder geschil tussen een of meer lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende artikel 1, met uitzondering van punt c), en betreffende de artikelen 2, 3 en 4, dat niet door onderhandelingen kon worden opgelost, kan, voorzover het een vraag met betrekking tot communautair recht of de financiële belangen van de Gemeenschappen betreft, dan wel leden of ambtenaren van communautaire instellingen of van uit hoofde van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen opgerichte organen daarbij zijn betrokken, door een bij het geschil betrokken partij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd.

3. Iedere gerechtelijke instantie van een lidstaat kan aan het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing vragen over een vraag betreffende de uitlegging van de artikelen 1 tot en met 4 en 12 tot en met 16, als die vraag is gesteld in een zaak die bij die instantie aanhangig is en leden of ambtenaren van de communautaire instellingen of uit hoofde van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen opgerichte organen daarbij zijn betrokken in de uitoefening van hun functies, en zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

4. Het Hof van Justitie bezit de in lid 3 bedoelde bevoegdheid alleen als de betrokken lidstaat daarmee instemt door middel van een verklaring in die zin die wordt afgelegd bij de in artikel 13, lid 2, bedoelde kennisgeving dan wel op een later tijdstip.

5. Een lidstaat die de in lid 4 bedoelde verklaring aflegt, kan de mogelijkheid om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie te vragen, beperken tot zijn gerechtelijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep.

6. Het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap en het Reglement voor de procesvoering van het Hof zijn van toepassing. Overeenkomstig dit statuut heeft elke lidstaat, ongeacht of hij de in lid 4 bedoelde verklaring heeft afgelegd, alsmede de Commissie het recht een memorie of schriftelijke opmerkingen aan het Hof voor te leggen in zaken die uit hoofde van lid 3 aanhangig gemaakt worden.

Artikel 13 Inwerkingtreding

1. Deze Overeenkomst wordt de lidstaten ter aanneming volgens hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen voorgelegd.

2. De lidstaten stellen de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van deze Overeenkomst vereiste procedures.

3. Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de lidstaat die als laatste daartoe overgaat.

4. Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan elke lidstaat bij de in lid 2 bedoelde kennisgeving, dan wel op een later tijdstip, verklaren dat deze Overeenkomst, met uitzondering van artikel 12, te zijnen aanzien van toepassing zal zijn op zijn betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde verklaring hebben afgelegd. De Overeenkomst wordt ten aanzien van de lidstaat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, van toepassing op de eerste dag van de maand die volgt op een periode van negentig dagen na de datum van nederlegging van die verklaring.

5. Een lidstaat die geen verklaring overeenkomstig lid 4 heeft afgelegd, kan de Overeenkomst ten aanzien van andere overeenkomstsluitende lidstaten toepassen op basis van bilaterale overeenkomsten.

Artikel 14 Toetreding van nieuwe lidstaten

1. Elke staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot deze Overeenkomst toetreden.

2. De door de Raad van de Europese Unie vastgestelde tekst van deze Overeenkomst in de taal van de toetredende staat is authentiek.

3. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de depositaris.

4. Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is nedergelegd, of op de datum van haar inwerkingtreding indien deze Overeenkomst bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking is getreden.

5. Indien deze Overeenkomst nog niet in werking is getreden bij de nederlegging van de akte van toetreding, is artikel 13, lid 4, van toepassing op de toetredende staten.

Artikel 15 Voorbehouden

1. Behoudens in de in artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, genoemde gevallen, kunnen er geen voorbehouden worden gemaakt.

2. Lidstaten die een voorbehoud hebben gemaakt, kunnen dat te allen tijde geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een kennisgeving aan de depositaris. De intrekking wordt van kracht op de datum waarop de depositaris de kennisgeving ontvangt.

Artikel 16 Depositaris

1. De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie is depositaris van deze Overeenkomst.

2. De depositaris maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de stand van de aannemingen en toetredingen, alsmede de verklaringen, voorbehouden en andere kennisgevingen met betrekking tot deze Overeenkomst bekend.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld.

GEDAAN te Brussel, de zesentwintigste mei negentienhonderd zevenennegentig, opgesteld in één exemplaar in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.


De Overeenkomst is op 26 mei 1997 ondertekend voor de volgende Staten:

België

Denemarken

Duitsland

Finland

Frankrijk

Griekenland

Ierland

Italië

het Koninkrijk der Nederlanden

Luxemburg

Oostenrijk

Portugal

Spanje

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Zweden

Convention drawn up on the basis of Article K.3(2)(c) of the Treaty on European Union on the fight against corruption involving officials of the European Communities or officials of member states of the European Union

The High Contracting Parties to this Convention, Member States of the European Union,

Referring to the Act of the Council of the European Union of 26 May 1997,

Whereas the Member States consider the improvement of judicial cooperation in the fight against corruption to be a matter of common interest, coming under the cooperation provided for in Title VI of the Treaty;

Whereas by its Act of 27 September 1996 the Council drew up a Protocol directed in particular at acts of corruption involving national or Community officials and damaging or likely to damage the European Communities' financial interests;

Whereas, for the purpose of improving judicial cooperation in criminal matters between Member States, it is necessary to go further than the said Protocol and to draw up a Convention directed at acts of corruption involving officials of the European Communities or officials of the Member States in general,

Desirous of ensuring consistent and effective application of this Convention throughout the European Union,

Have agreed on the following provisions:

Article 1 Definitions

For the purposes of this Convention:

  • a) “official" shall mean any Community or national official, including any national official of another Member State;

  • b) “Community official" shall mean:

– any person who is an official or other contracted employee within the meaning of the Staff Regulations of officials of the European Communities or the Conditions of Employment of other servants of the European Communities,

– any person seconded to the European Communities by the Member States or by any public or private body, who carries out functions equivalent to those performed by European Community officials or other servants.

Members of bodies set up in accordance with the Treaties establishing the European Communities and the staff of such bodies shall be treated as Community officials, inasmuch as the Staff Regulations of officials of the European Communities or the Conditions of Employment of other servants of the European Communities do not apply to them;

  • c) “national official" shall be understood by reference to the definition of “official" or “public officer" in the national law of the Member State in which the person in question performs that function for the purposes of application of the criminal law of that Member State.

Nevertheless, in the case of proceedings involving a Member State's official initiated by another Member State, the latter shall not be bound to apply the definition of “national official" except insofar as that definition is compatible with its national law.

Article 2 Passive corruption

1. For the purposes of this Convention, the deliberate action of an official, who, directly or through an intermediary, requests or receives advantages of any kind whatsoever, for himself or for a third party, or accepts a promise of such an advantage, to act or refrain from acting in accordance with his duty or in the exercise of his functions in breach of his official duties shall constitute passive corruption.

2. Each Member State shall take the necessary measures to ensure that conduct of the type referred to in paragraph 1 is made a criminal offence.

Article 3 Active corruption

1. For the purposes of this Convention, the deliberate action of whosoever promises or gives, directly or through an intermediary, an advantage of any kind whatsoever to an official for himself or for a third party for him to act or refrain from acting in accordance with his duty or in the exercise of his functions in breach of his official duties shall constitute active corruption.

2. Each Member State shall take the necessary measures to ensure that conduct of the type referred to in paragraph 1 is made a criminal offence.

Article 4 Assimilation

1. Each Member State shall take the necessary measures to ensure that in its criminal law the descriptions of the offences referred to in Articles 2 and 3 committed by or against its Government Ministers, elected members of its parliamentary chambers, the members of its highest Courts or the members of its Court of Auditors in the exercise of their functions apply similarly in cases where such offences are committed by or against Members of the Commission of the European Communities, the European Parliament, the Court of Justice and the Court of Auditors of the European Communities respectively in the exercise of their duties.

2. Where a Member State has enacted special legislation concerning acts or omissions for which Government Ministers are responsible by reason of their special political position in that Member State, paragraph 1 may not apply to such legislation, provided that the Member State ensures that Members of the Commission of the European Communities are also covered by the criminal legislation implementing Articles 2 and 3.

3. Paragraphs 1 and 2 shall be without prejudice to the provisions applicable in each Member State concerning criminal proceedings and the determination of the competent court.

4. This Convention shall apply in full accordance with the relevant provisions of the Treaties establishing the European Communities, the Protocol on the Privileges and Immunities of the European Communities, the Statutes of the Court of Justice and the texts adopted for the purpose of their implementation, as regards the withdrawal of immunity.

Article 5 Penalties

1. Each Member State shall take the necessary measures to ensure that the conduct referred to in Articles 2 and 3, and participating in and instigating the conduct in question, is punishable by effective, proportionate and dissuasive criminal penalties, including, at least in serious cases, penalties involving deprivation of liberty which can give rise to extradition.

2. Paragraph 1 shall be without prejudice to the exercise of disciplinary powers by the competent authorities against national officials or Community officials. In determining the penalty to be imposed, the national criminal courts may, in accordance with the principles of their national law, take into account any disciplinary penalty already imposed on the same person for the same conduct.

Article 6 Criminal liability of heads of businesses

1. Each Member State shall take the necessary measures to allow heads of businesses or any persons having power to take decisions or exercise control within a business to be declared criminally liable in accordance with the principles defined by its national law in cases of corruption, as referred to in Article 3, by a person under their authority acting on behalf of the business.

Article 7 Jurisdiction

1. Each Member State shall take the measures necessary to establish its jurisdiction over the offences it has established in accordance with the obligations arising out of Articles 2, 3 and 4 where:

  • a) the offence is committed in whole or in part within its territory;

  • b) the offender is one of its nationals or one of its officials;

  • c) the offence is committed against one of the persons referred to in Article 1 or a member of one of the European Community institutions referred to in Article 4(1) who is at the same time one of its nationals;

  • d) the offender is a Community official working for a European Community institution or a body set up in accordance with the Treaties establishing the European Communities which has its headquarters in the Member State in question.

2. Each Member State may declare, when giving the notification provided for in Article 13(2), that it will not apply or will apply only in specific cases or conditions one or more of the jurisdiction rules laid down in paragraph 1(b), (c), and (d).

Article 8 Extradition and prosecution

1. Any Member State which, under its law, does not extradite its own nationals shall take the necessary measures to establish its jurisdiction over the offences it has established in accordance with the obligations arising out of Articles 2, 3 and 4, when committed by its own nationals outside its territory.

2. Each Member State shall, when one of its nationals is alleged to have committed in another Member State an offence established in accordance with the obligations arising out of Articles 2, 3 and 4 and it does not extradite that person to that other Member State solely on the ground of his nationality, submit the case to its competent authorities for the purpose of prosecution if appropriate. In order to enable prosecution to take place, the files, information and exhibits relating to the offence shall be transmitted in accordance with the procedures laid down in Article 6 of the European Convention on Extradition of 13 December 1957. The requesting Member State shall be informed of the prosecution initiated and of its outcome.

3. For the purposes of this Article, the term “national" of a Member State shall be construed in accordance with any declaration made by that State under Article 6(1)(b) of the European Convention on Extradition and with paragraph 1(c) of that Article.

Article 9 Cooperation

1. If any procedure in connection with an offence established in accordance with the obligations arising out of Articles 2, 3 and 4 concerns at least two Member States, those States shall cooperate effectively in the investigation, the prosecution and in carrying out the punishment imposed by means, for example, of mutual legal assistance, extradition, transfer of proceedings or enforcement of sentences passed in another Member State.

2. Where more than one Member State has jurisdiction and has the possibility of viable prosecution of an offence based on the same facts, the Member States involved shall cooperate in deciding which shall prosecute the offender or offenders with a view to centralizing the prosecution in a single Member State where possible.

Article 10 Ne bis in idem

1. Member States shall apply, in their national criminal laws, the “ne bis in idem" rule, under which a person whose trial has been finally disposed of in a Member State may not be prosecuted in another Member State in respect of the same facts, provided that if a penalty was imposed, it has been enforced, is actually in the process of being enforced or can no longer be enforced under the laws of the sentencing State.

2. A Member State may, when giving the notification referred to in Article 13(2), declare that it shall not be bound by paragraph 1 of this Article in one or more of the following cases:

  • a) if the facts which were the subject of the judgment rendered abroad took place in its own territory either in whole or in part; in the latter case this exception shall not apply if those facts took place partly in the territory of the Member State where the judgment was rendered;

  • b) if the facts which were the subject of the judgment rendered abroad constitute an offence directed against the security or other equally essential interests of that Member State;

  • c) if the facts which were the subject of the judgment rendered abroad were committed by an official of that Member State contrary to the duties of his office.

3. If a further prosecution is brought in a Member State against a person whose trial, in respect of the same facts, has been finally disposed of in another Member State, any period of deprivation of liberty served in the latter Member State arising from those facts shall be deducted from any sanction imposed. To the extent permitted by national law, sanctions not involving deprivation of liberty shall also be taken into account insofar as they have been enforced.

4. The exceptions which may be the subject of a declaration under paragraph 2 shall not apply if the Member State concerned in respect of the same facts requested the other Member State to bring the prosecution or granted extradition of the person concerned.

5. Relevant bilateral or multilateral agreements concluded between Member States and relevant declarations shall remain unaffected by this Article.

Article 11 Internal provisions

No provision in this Convention shall prevent Member States from adopting internal legal provisions which go beyond the obligations deriving from this Convention.

Article 12 Court of Justice

1. Any dispute between Member States on the interpretation or application of this Convention which it has proved impossible to resolve bilaterally must in an initial stage be examined by the Council in accordance with the procedure set out in Title VI of the Treaty on European Union with a view to reaching a solution. If no solution has been found within six months, the matter may be referred to the Court of Justice of the European Communities by one of the parties to the dispute.

2. Any dispute between one or more Member States and the Commission of the European Communities concerning Article 1, with the exception of point (c), or Articles 2, 3 and 4, insofar as it concerns a question of Community law or the Communities' financial interests, or involves members or officials of Community institutions or bodies set up in accordance with the Treaties establishing the European Communities, which it has proved impossible to settle through negotiation, may be submitted to the Court of Justice by one of the parties to the dispute.

3. Any court in a Member State may ask the Court of Justice to give a preliminary ruling on a matter concerning the interpretation of Articles 1 to 4 and 12 to 16 raised in a case pending before it and involving members or officials of Community institutions or bodies set up in accordance with the Treaties establishing the European Communities, acting in the exercise of their functions, if it considers that a decision on that matter is necessary to enable it to give judgment.

4. The competence of the Court of Justice provided for in paragraph 3 shall be subject to its acceptance by the Member State concerned in a declaration to that effect made at the time of the notification referred to in Article 13(2) or at any subsequent time.

5. A Member State making a declaration under paragraph 4 may restrict the possibility of asking the Court of Justice to give a preliminary ruling to those of its courts against the decisions of which there is no judicial remedy under national law.

6. The Statute of the Court of Justice of the European Community and its Rules of Procedure shall apply. In accordance with those Statutes, any Member State, or the Commission, whether or not it has made a declaration pursuant to paragraph 4, shall be entitled to submit statements of case or written observations to the Court of Justice in cases which arise under paragraph 3.

Article 13 Entry into force

1. This Convention shall be subject to adoption by the Member States in accordance with their respective constitutional requirements.

2. Member States shall notify the Secretary-General of the Council of the European Union of the completion of the procedures laid down by their respective constitutional requirements for adopting this Convention.

3. This Convention shall enter into force ninety days after the notification, referred to in paragraph 2, by the last Member State to fulfil that formality.

4. Until the entry into force of this Convention, any Member State may, when giving the notification referred to in paragraph 2 or at any time thereafter, declare that this Convention, with the exception of Article 12 thereof, shall apply to it in its relationships with those Member States which have made the same declaration. This Convention shall become applicable in respect of the Member State that makes such a declaration on the first day of the month following the expiry of a period of ninety days after the date of deposit of its declaration.

5. A Member State that has not made any declaration as referred to in paragraph 4 may apply this Convention with respect to the other contracting Member States on the basis of bilateral agreements.

Article 14 Accession of new Member States

1. This Convention shall be open to accession by any State that becomes a member of the European Union.

2. The text of this Convention in the language of the acceding State, drawn up by the Council of the European Union, shall be authentic.

3. Instruments of accession shall be deposited with the depositary.

4. This Convention shall enter into force with respect to any State acceding to it ninety days after the date of deposit of its instrument of accession or on the date of entry into force of the Convention if it has not already entered into force at the time of expiry of the said period of ninety days.

5. If this Convention has not yet entered into force when the instrument of accession is deposited, Article 13(4) shall apply to acceding States.

Article 15 Reservations

1. No reservation shall be authorized with the exception of those provided for in Articles 7(2) and 10(2).

2. Any Member State which has entered a reservation may withdraw it at any time in whole or in part by notifying the depositary. Withdrawal shall take effect on the date on which the depositary receives the notification.

Article 16 Depositary

1. The Secretary-General of the Council of the European Union shall act as depositary of this Convention.

2. The depositary shall publish in the Official Journal of the European Communities information on the progress of adoptions and accessions, declarations and reservations and any other notification concerning this Convention.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned Plenipotentiaries have hereunto set their hand.

DONE at Brussels, on the twenty-sixth day of May in the year one thousand nine hundred and ninety-seven in a single original, in the Danish, Dutch, English, Finnish, French, German, Greek, Irish, Italian, Portuguese, Spanish and Swedish languages, each text being equally authentic, such original remaining deposited in the archives of the General Secretariat of the Council of the European Union.


(Voor de ondertekeningen zie blz. 10 van dit Tractatenblad)

Convention établie sur la base de l'Article K.3 paragraphe 2, point c), du Traité sur l'union européenne relative à la lutte contre la corruption impliquant des fonctionnaires des Communautés européennes ou des fonctionnaires des états membres de l'Union européenne

Les Hautes Parties Contractantes à la présente convention, Etats membres de l'Union européenne,

Se référant à l'acte du Conseil de l'Union européenne du 26 mai 1997,

Considérant que les Etats membres estiment que le renforcement de la coopération judiciaire dans la lutte contre la corruption est une question d'intérêt commun qui relève de la coopération instituée par le titre VI du traité;

Considérant que le Conseil a établi, par acte du 27 septembre 1996, un protocole visant notamment la lutte contre les actes de corruption dans lesquels des fonctionnaires, tant nationaux que communautaires, sont impliqués et qui portent atteinte ou sont susceptibles de porter atteinte aux intérêts financiers des Communautés européennes;

Considérant que, aux fins du renforcement de la coopération judiciaire en matière pénale entre les Etats membres, il est nécessaire d'aller au-delà dudit protocole et d'établir une convention visant les actes de corruption dans lesquels sont impliqués des fonctionnaires des Communautés ou des fonctionnaires des Etats membres en général;

Soucieuses d'assurer une application cohérente et effective de la présente convention sur tout le territoire de l'Union européenne,

Sont convenues des dispositions qui suivent:

Article 1 Définitions

Aux fins de la présente convention:

  • a) l'expression «fonctionnaire» désigne tout fonctionnaire tant communautaire que national, y compris tout fonctionnaire national d'un autre Etat membre;

  • b) l'expression «fonctionnaire communautaire» désigne:

– toute personne qui a la qualité de fonctionnaire ou d'agent engagé par contrat au sens du Statut des fonctionnaires des Communautés européennes ou du régime applicable aux autres agents des Communautés européennes;

– toute personne mise à la disposition des Communautés européennes par les Etats membres ou par tout organisme public ou privé, qui exerce des fonctions équivalentes à celles qu'exercent les fonctionnaires ou autres agents des Communautés européennes.

Les membres des organismes créés en application des traités instituant les Communautés européennes et le personnel de ces organismes sont assimilés aux fonctionnaires communautaires lorsque le Statut des fonctionnaires des Communautés européennes ou le régime applicable aux autres agents des Communautés européennes ne leur sont pas applicables.

  • c) l'expression «fonctionnaire national» est interprétée par référence à la définition de «fonctionnaire» ou d'«officier public» dans le droit national de l'Etat membre où la personne en question présente cette qualité aux fins de l'application du droit pénal de cet Etat membre.

    Néanmoins, si des poursuites impliquant un fonctionnaire d'un Etat membre sont engagées par un autre Etat membre, ce dernier n'est tenu d'appliquer la définition de «fonctionnaire national» que dans la mesure où celle-ci est compatible avec son droit national.

Article 2 Corruption passive

1. Aux fins de la présente convention, est constitutif de corruption passive le fait intentionnel, pour un fonctionnaire, directement ou par interposition de tiers, de solliciter ou de recevoir des avantages de quelque nature que ce soit, pour lui-même ou pour un tiers, ou d'en accepter la promesse, pour accomplir ou ne pas accomplir, de façon contraire à ses devoirs officiels, un acte de sa fonction ou un acte dans l'exercice de sa fonction.

2. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour assurer que les comportements visés au paragraphe 1 sont érigés en infractions pénales.

Article 3 Corruption active

1. Aux fins de la présente convention, est constitutif de corruption active le fait intentionnel, pour quiconque, de promettre ou de donner, directement ou par interposition de tiers, un avantage de quelque nature que ce soit, à un fonctionnaire, pour lui-même ou pour un tiers, pour qu'il accomplisse ou s'abstienne d'accomplir, de façon contraire à ses devoirs officiels, un acte de sa fonction ou un acte dans l'exercice de sa fonction.

2. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour assurer que les comportements visés au paragraphe 1 sont érigés en infractions pénales.

Article 4 Assimilation

1. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour assurer que, dans son droit pénal, les qualifications des infractions visées aux articles 2 et 3 commises par ou envers les ministres de son gouvernement, les élus de ses assemblées parlementaires, les membres de ses plus hautes juridictions ou les membres de sa Cour des comptes dans l'exercice de leurs fonctions sont applicables de la même façon aux cas dans lesquels les infractions sont commises par ou envers les membres de la Commission des Communautés européennes, du Parlement européen, de la Cour de justice et de la Cour des comptes des Communautés européennes, respectivement, dans l'exercice de leurs fonctions.

2. Si un Etat membre a adopté des lois spéciales portant sur des actes ou omissions dont les ministres de son gouvernement doivent répondre en raison de la position politique particulière qu'ils occupent dans cet Etat, le paragraphe 1 peut ne pas s'appliquer à ces lois, à condition que l'Etat membre garantisse que les lois pénales qui mettent en oeuvre les articles 2 et 3 visent aussi les membres de la Commission des Communautés européennes.

3. Les paragraphes 1 et 2 s'entendent sans préjudice des dispositions applicables dans chaque Etat membre en ce qui concerne la procédure pénale et la détermination des juridictions compétentes.

4. La présente convention s'applique dans le plein respect des dispositions pertinentes des traités instituant les Communautés européennes, du protocole sur les privilèges et immunités des Communautés européennes, des statuts de la Cour de justice, ainsi que des textes pris pour leur application, en ce qui concerne la levée des immunités.

Article 5 Sanctions

1. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour assurer que les comportements visés aux articles 2 et 3, ainsi que la complicité et l'instigation auxdits comportements, sont passibles de sanctions pénales effectives, proportionnées et dissuasives, incluant, au moins dans les cas graves, des peines privatives de liberté pouvant entraîner l'extradition.

2. Le paragraphe 1 s'entend sans préjudice de l'exercice des pouvoirs disciplinaires par les autorités compétentes à l'encontre des fonctionnaires nationaux ou des fonctionnaires communautaires. Dans la détermination d'une sanction pénale à imposer, les juridictions nationales peuvent prendre en compte, selon les principes de leur droit national, toute sanction disciplinaire déjà imposée à la même personne pour le même comportement.

Article 6 Responsabilité pénale des chefs d'entreprise

1. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour permettre que les chefs d'entreprise ou toute personne ayant le pouvoir de décision ou de contrôle au sein d'une entreprise puissent être déclarés pénalement responsables selon les principes définis par son droit interne, en cas d'actes de corruption tels que visés à l'article 3, commis par une personne soumise à leur autorité pour le compte de l'entreprise.

Article 7 Compétence

1. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour établir sa compétence à l'égard des infractions qu'il a instituées conformément aux obligations découlant des articles 2, 3 et 4 dans les cas où:

  • a) l'infraction est commise, en tout ou en partie, sur son territoire;

  • b) l'auteur de l'infraction est un de ses ressortissants ou un de ses fonctionnaires;

  • c) l'infraction est commise à l'encontre des personnes visées à l'article 1er ou d'un des membres des institutions des Communautés européennes visées à l'article 4, paragraphe 1, qui est en même temps un de ses ressortissants;

  • d) l'auteur de l'infraction est un fonctionnaire communautaire au service d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé conformément aux traités instituant les Communautés européennes et ayant son siège dans l'Etat membre concerné.

2. Tout Etat membre peut déclarer, lors de la notification prévue à l'article 13, paragraphe 2, qu'il n'applique pas, ou n'applique que dans des cas ou dans des conditions spécifiques, une ou plusieurs des règles de compétence énoncées au paragraphe 1, points b), c) et d).

Article 8 Extradition et poursuites

1. Tout Etat membre qui, en vertu de sa législation, n'extrade pas ses propres ressortissants prend les mesures nécessaires pour établir sa compétence sur les infractions qu'il a instituées conformément aux obligations découlant des articles 2, 3 et 4 lorsqu'elles sont commises par ses propres ressortissants hors de son territoire.

2. Chaque Etat membre doit, lorsqu'un de ses ressortissants est présumé avoir commis dans un autre Etat membre une infraction instituée en vertu des obligations découlant des articles 2, 3 ou 4 et qu'il n'extrade pas cette personne vers cet autre Etat membre uniquement en raison de sa nationalité, soumettre l'affaire à ses autorités compétentes aux fins de poursuites, s'il y a lieu. Afin de permettre l'exercice des poursuites, les dossiers, informations et objets relatifs à l'infraction seront adressés selon les modalités prévues à l'article 6 de la convention européenne d'extradition du 13 décembre 1957. L'Etat membre requérant sera informé des poursuites engagées et de leurs résultats.

3. Aux fins du présent article, les termes «ressortissants» d'un Etat membre sont interprétés conformément à toute déclaration faite par cet Etat en vertu de l'article 6, paragraphe 1, point b), de la convention européenne d'extradition et au paragraphe 1, point c), de ce même article.

Article 9 Coopération

1. Si une procédure relative à une infraction instituée conformément aux obligations découlant des articles 2, 3 et 4 concerne au moins deux Etats membres, ceux-ci coopèrent de façon effective à l'enquête, aux poursuites judiciaires et à l'exécution de la sanction prononcée au moyen, par exemple, de l'entraide judiciaire, de l'extradition, du transfert des poursuites ou de l'exécution des jugements prononcés dans un autre Etat membre.

2. Lorsqu'une infraction relève de la compétence de plus d'un Etat membre et que n'importe lequel de ces Etats peut valablement engager des poursuites sur la base des mêmes faits, les Etats membres concernés coopèrent pour décider lequel d'entre eux poursuivra le ou les auteurs de l'infraction avec pour objectif de centraliser, si possible, les poursuites dans un seul Etat membre.

Article 10 Ne bis in idem

1. Les Etats membres appliquent en droit pénal interne le principene bis in idem en vertu duquel une personne qui a été définitivement jugée dans un Etat membre ne peut être poursuivie pour les mêmes faits dans un autre Etat membre, à condition qu'en cas de condamnation, la sanction ait été exécutée, soit en cours d'exécution ou ne puisse plus être exécutée selon la loi de l'Etat de condamnation.

2. Tout Etat membre peut déclarer, lors de la notification visée à l'article 13, paragraphe 2, qu'il n'est pas lié par le paragraphe 1 du présent article dans un ou plusieurs des cas suivants:

  • a) lorsque les faits visés par le jugement rendu à l'étranger ont eu lieu, en tout ou en partie, sur son territoire. Dans ce dernier cas, cette exception ne s'applique cependant pas si ces faits ont eu lieu en partie sur le territoire de l'Etat membre où le jugement a été rendu;

  • b) lorsque les faits visés par le jugement rendu à l'étranger constituent une infraction contre la sûreté ou d'autres intérêts également essentiels de cet Etat membre;

  • c) lorsque les faits visés par le jugement rendu à l'étranger ont été commis par un fonctionnaire de cet Etat membre en violation des obligations de sa charge.

3. Si une nouvelle poursuite est intentée dans un Etat membre contre une personne qui a été définitivement jugée pour les mêmes faits dans un autre Etat membre, toute période de privation de liberté subie dans ce dernier Etat en raison de ces faits doit être déduite de la sanction qui sera éventuellement prononcée. Il sera également tenu compte, dans la mesure où les législations nationales le permettent, des sanctions autres que celles privatives de liberté qui ont déjà été subies.

4. Les exceptions qui ont fait l'objet d'une déclaration au titre du paragraphe 2 ne s'appliquent pas lorsque l'Etat membre concerné a, pour les mêmes faits, demandé la poursuite à l'autre Etat membre ou accordé l'extradition de la personne concernée.

5. Les accords bilatéraux ou multilatéraux conclus entre les Etats membres en la matière et les déclarations y relatives ne sont pas affectés par le présent article.

Article 11 Dispositions internes

Aucune disposition de la présente convention n'empêche les Etats membres d'adopter des dispositions de droit internes allant au-delà des obligations découlant de cette convention.

Article 12 Cour de justice

1. Tout différend entre Etats membres relatif à l'interprétation ou à l'application de la présente convention qui n'a pu être résolu bilatéralement, doit, dans une première étape, être examiné au sein du Conseil selon la procédure prévue au titre VI du traité sur l'Union européenne, en vue d'une solution. A l'expiration d'un délai de six mois, si une solution n'a pu être trouvée, la Cour de justice des Communautés européennes peut être saisie par une partie au différend.

2. Tout différend relatif à l'article 1er, à l'exception du point c), et aux articles 2, 3 et 4 entre un ou plusieurs Etats membres et la Commission des Communautés européennes, dans la mesure où il concerne une question relevant du droit communautaire ou des intérêts financiers des Communautés, ou impliquant des membres ou des fonctionnaires de leurs institutions ou des organismes crées en application des traités instituant les Communautés européennes, qui n'a pu être réglé par la voie de négociation, peut être soumis à la Cour de justice par une partie au différend.

3. Toute juridiction d'un Etat membre peut demander à la Cour de justice de statuer à titre préjudiciel sur une question concernant l'interprétation des articles 1er à 4 et 12 à 16, soulevée dans une affaire dont elle est saisie, impliquant des membres ou des fonctionnaires des institutions communautaires ou des organismes crées en application des traités instituant les Communautés européennes, agissant dans l'exercice de leurs fonctions, dès lors qu'elle estime qu'une décision sur ce point est nécessaire pour rendre son jugement.

4. La compétence de la Cour de justice prévue au paragraphe 3 est subordonnée à son acceptation par l'Etat membre concerné sous la forme d'une déclaration en ce sens faite lors de la notification visée à l'article 13 paragraphe 2, ou à tout moment ultérieur.

5. Un Etat membre qui fait une déclaration au titre du paragraphe 4 peut limiter la faculté de demander à la Cour de justice de statuer à titre préjudiciel à ses juridictions dont les décisions ne sont pas susceptibles d'un recours juridictionnel de droit interne.

6. Le statut de la Cour de justice de la Communauté européenne et son règlement de procédure sont applicables. Conformément à ce statut, tout Etat membre, ainsi que la Commission, a le droit, qu'il ait ou non fait une déclaration au titre du paragraphe 4, de déposer devant la Cour de justice un mémoire ou des observations écrites dans les affaires dont elle est saisie en vertu du paragraphe 3.

Article 13 Entrée en vigueur

1. La présente convention est soumise à l'adoption par les Etats membres selon leurs règles constitutionnelles respectives.

2. Les Etats membres notifient au Secrétaire général du Conseil de l'Union européenne l'accomplissement des procédure requises par leurs règles constitutionnelles respectives pour l'adoption de la présente convention.

3. La présente convention entre en vigueur quatre-vingt-dix jours après la notification visée au paragraphe 2 par l'Etat membre qui procède le dernier à cette formalité.

4. Jusqu'à l'entrée en vigueur de la présente convention, chaque Etat membre peut, lors de la notification visée au paragraphe 2 ou à tout moment ultérieur, déclarer que la convention, à l'exception de son article 12, sera applicable à son égard, dans ses rapports avec les Etats membres qui auront fait la même déclaration. La présente convention devient applicable à l'égard de l'Etat membre ayant fait une telle déclaration le premier jour du mois qui suit l'expiration d'une période de quatre-vingt-dix jours suivant la date du dépôt de sa déclaration.

5. Un Etat membre qui n'a fait aucune déclaration selon le paragraphe 4 peut appliquer la présente convention à l'égard des autres Etats membres contractants sur la base d'accords bilatéraux.

Article 14 Adhésion de nouveaux Etats membres

1. La présente convention est ouverte à l'adhésion de tout Etat qui devient membre de l'Union européenne.

2. Le texte de la présente convention dans la langue de l'Etat adhérent, établi par le Conseil de l'Union européenne, fait foi.

3. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du dépositaire.

4. La présente convention entre en vigueur à l'égard de tout Etat qui y adhère quatre-vingt-dix jours après la date de dépôt de son instrument d'adhésion ou à la date de l'entrée en vigueur de cette convention, si elle n'est pas encore entrée en vigueur au moment de l'expiration de ladite période de quatre-vingt-dix jours.

5. Dans le cas où la présente convention n'est pas encore entrée en vigueur au moment du dépôt de l'instrument d'adhésion, l'article 13, paragraphe 4, est applicable aux Etats adhérents.

Article 15 Réserves

1. Aucune réserve n'est admise, à l'exception de celles prévues à l'article 7, paragraphe 2, et à l'article 10, paragraphe 2.

2. Tout Etat membre qui a formulé une réserve peut la retirer à tout moment, en tout ou en partie, en adressant une notification au dépositaire. Le retrait prend effet à la date de réception de la notification par le dépositaire.

Article 16 Dépositaire

1. Le Secrétaire général du Conseil de l'Union européenne est dépositaire de la présente convention.

2. Le dépositaire publie au Journal officiel des Communautés européennes l'état des adoptions et adhésions, les déclarations et les réserves, ainsi que toute autre notification relative à la présente convention.

EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires ont apposé leurs signatures au bas de la présente convention.

FAIT à Bruxelles, le vingt-six mai mil neuf cent quatre-vingt-dix-sept, en un exemplaire unique, en langues allemande, anglaise, danoise, espagnole, finnoise, française, grecque, irlandaise, italienne, néerlandaise, portugaise et suédoise, tous ces textes faisant également foi, exemplaire qui est déposé dans les archives du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne.


(Voor de ondertekeningen zie blz. 10 van dit Tractatenblad)

D. PARLEMENT

De Overeenkomst behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan de Overeenkomst kan worden gebonden.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van de Overeenkomst zullen ingevolge artikel 13, derde lid, in werking treden op negentig dagen na de datum waarop de laatste Lid-Staat de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis heeft gesteld van de voltooiing van de overeenkomstig de grondwettelijke bepalingen vereiste procedures.

J. GEGEVENS

Van het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie, naar welk Verdrag in de titel van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1992, 74; zie ook, laatstelijk, Trb. 1997, 74.

Van het op 27 september 1996 te Dublin tot stand gekomen Protocol bij de Overeenkomst aangaande bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, naar welk Protocol in de preambule tot de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, zijn de Nederlandse, de Engelse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1996, 330.

Van het op 18 april 1951 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, naar welk Verdrag in onder meer artikel 4, vierde lid, van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, zijn de Franse tekst en de vertaling geplaatst in Trb. 1951, 82; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 77.

Van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, naar welk Verdrag in onder meer artikel 4, vierde lid, van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, is de Franse tekst geplaatst in Trb. 1957, 75 en de Nederlandse tekst in Trb. 1957, 92; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 78.

Van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, naar welk Verdrag in onder meer artikel 4, vierde lid, van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, is de Franse tekst geplaatst in Trb. 1957, 74. De Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1957, 91; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 76.

Van het op 8 april 1965 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, met Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, naar welk Protocol in artikel 4, vierde lid, van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, zijn de Nederlandse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1965, 130; zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 266.

Van het op 17 april 1957 te Brussel tot stand gekomen Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, naar welk Protocol in artikel 4, vierde lid, van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, zijn de Nederlandse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1957, 94; zie ook laatstelijk, Trb. 1995, 182.

Van het op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag betreffende uitlevering, naar welk Verdrag in onder meer artikel 8, tweede lid, van de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen, zijn de Nederlandse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1965, 9; zie ook laatstelijk, Trb. 1997, 247.

De tekst van de onderhavige Overeenkomst is eveneens geplaatst inPb EG  C 195 van 25 juni 1997, blz. 2 e.v.

Uitgegeven de elfde september 1997

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. VAN MIERLO


XNoot
1

De Engelse en de Franse tekst zijn afgedrukt op blz. 12 e.v. van dit Tractatenblad.

De Deense, de Duitse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse tekst zijn niet afgedrukt.

Naar boven