Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum totstandkoming |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Tractatenblad 1996, 8 | Verdrag |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum totstandkoming |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Tractatenblad 1996, 8 | Verdrag |
Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Estland, anderzijds, met Bijlagen en Protocollen;
Luxemburg, 12 juni 1995
Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Estland, anderzijds
Het Koninkrijk België,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
Ierland,
de Italiaanse Republiek,
het Groothertogdom Luxemburg,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Portugese Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
hierna „Lid-Staten" te noemen, en
de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
hierna „de Gemeenschap" te noemen,
optredende in het kader van de Europese Unie, enerzijds,
en de Republiek Estland, hierna „Estland" te noemen, anderzijds,
Herinnerende aan de historische banden tussen de Partijen en hun gemeenschappelijke waarden;
Erkennende dat de Gemeenschap en Estland deze banden wensen te versterken en nauwe en duurzame betrekkingen op basis van wederkerigheid tot stand wensen te brengen, teneinde Estland in staat te stellen deel te nemen aan het proces van Europese integratie, aan de versterking en verdere ontwikkeling van de eerder, met name door middel van de Overeenkomst inzake handel en commerciële en economische samenwerking en de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken, aangeknoopte betrekkingen;
Overwegende dat Partijen zich inzetten voor versterking van de politieke en economische vrijheden die de grondslag van deze Overeenkomst vormen en voor de verdere ontwikkeling van het nieuwe economische en politieke stelsel van Estland, dat – onder meer in overeenstemming met de in het kader van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa (CVSE) en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) gedane toezeggingen – de regels van de rechtsstaat en mensenrechten, inclusief de rechten van individuen die tot een minderheid behoren, een meerpartijenstelsel met vrije, democratische verkiezingen en liberalisering met het oog op de totstandbrenging van een markteconomie eerbiedigt;
Overwegende dat Partijen beiden van mening zijn dat Estland aanzienlijke, geslaagde hervormingsinspanningen op politiek en economisch gebied heeft verricht en dat deze inspanningen zullen worden voortgezet;
Overwegende dat Partijen zich hebben verplicht tot de tenuitvoerlegging van de in het kader van de CVSE gedane toezeggingen, met name die uiteengezet in de Slotakte van Helsinki, de slotdocumenten van de vergaderingen van Madrid, Wenen en Kopenhagen, het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa, de conclusies van de Conferentie van Bonn van de CVSE, het document van Helsinki van 1992 van de CVSE, het Europees Verdrag betreffende de Mensenrechten, het Europees Energiehandvest alsmede de Ministeriële Verklaring van de Conferentie van Luzern van 30 april 1993;
Verlangende nauwere contacten tussen hun burgers alsmede de vrije uitwisseling van informatie en ideeën te stimuleren, zoals de Partijen in het kader van de CVSE en de OVSE zijn overeengekomen;
Zich bewust zijnde van het belang van deze Overeenkomst voor het tot stand brengen en versterken van een Europees stelsel van stabiliteit, gegrondvest op samenwerking, waarbij de Europese Unie één van de pijlers is;
Erkennende dat de politieke en economische hervormingen in Estland met de hulp van de Gemeenschap dienen te worden voortgezet;
Rekening houdende met de wens van de Gemeenschap een bijdrage te leveren aan de tenuitvoerlegging van de hervormingen, en Estland te helpen het hoofd te bieden aan de economische en sociale gevolgen van de structurele aanpassing;
Erkennende dat de volledige tenuitvoerlegging van de Overeenkomst is gekoppeld aan de tenuitvoerlegging door Estland van een samenhangend programma van economische en politieke hervormingen;
Erkennende dat verdere regionale samenwerking tussen de Baltische Staten een noodzaak is en dat deze samenwerking gepaard dient te gaan met nauwere integratie tussen de Europese Unie en de Baltische Staten en tussen de Baltische Staten onderling;
Overwegende dat Partijen zich inzetten voor liberalisering van het handelsverkeer op basis van de beginselen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO);
Verwachtende dat deze Overeenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor hun onderlinge economische betrekkingen, en bovenal voor de ontwikkeling van handel en investeringen, wat onontbeerlijk is voor economische herstructurering en technologische vernieuwing;
Overwegende dat bij de gezamenlijke verklaring van mei 1992 een politieke dialoog inzake aangelegenheden van gemeenschappelijk belang is ingesteld;
Verlangende de regelmatige politieke dialoog te ontwikkelen en intensiveren in het multilaterale kader dat door de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 tot stand is gebracht en versterkt door het besluit van de Raad van de Europese Unie van 7 maart 1994 en de conclusies van de Europese Raad van Essen in december 1994;
Eraan herinnerende dat Estland sinds mei 1994 geassocieerd lid is van de Westeuropese Unie (WEU) en deelneemt aan het programma Partnerschap voor de Vrede van de Noordatlantische Verdragsorganisatie (NAVO);
Erkennende dat het Stabiliteitspact voor Europa kan bijdragen tot het bevorderen van stabiliteit en goed nabuurschap in het Balticum, en bevestigende dat zij vastbesloten zijn samen te werken aan het welslagen van dit initiatief;
Rekening houdende met de bereidheid van de Gemeenschap tot het instellen van instrumenten voor samenwerking en economische, technische en financiële bijstand op veelomvattende en meerjarige basis;
Gelet op de economische en sociale verschillen tussen de Gemeenschap en Estland en daarbij erkennende dat de doeleinden van deze associatie dienen te worden verwezenlijkt door middel van passende bepalingen van de Overeenkomst;
Verlangende culturele samenwerking tot stand te brengen en de uitwisseling van informatie te bevorderen;
Wensende een kader in te stellen voor samenwerking ter bestrijding van illegale activiteiten;
Erkennende dat het lidmaatschap van de Gemeenschap het uiteindelijke doel van Estland is en dat associatie door middel van deze Overeenkomst, naar het oordeel van de Partijen, Estland zal helpen dit doel te verwezenlijken;
Rekening houdende met de strategie ter voorbereiding op de toetreding die door de Europese Raad van Essen van december 1994 is goedgekeurd, welke politiek ten uitvoer wordt gelegd door gestructureerde betrekkingen tussen de geassocieerde staten en de Instellingen van de Europese Unie tot stand te brengen, welke het wederzijds vertrouwen bevorderen en een raamwerk bieden waarbinnen aangelegenheden van gemeenschappelijk belang kunnen worden behandeld,
Zijn als volgt overeengekomen:
1. Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar Lid-Staten, enerzijds, en Estland, anderzijds.
2. Deze associatie heeft ten doel:
– een passend kader tot stand te brengen voor de politieke dialoog tussen de Partijen met het oog op het onderhouden van nauwe politieke betrekkingen,
– een vrijhandelszone tussen de Gemeenschap en Estland verder te ontwikkelen die in essentie al het handelsverkeer tussen de Partijen omvat,
– uitbreiding van de handel en harmonieuze economische betrekkingen tussen de Partijen te bevorderen en aldus dynamische economische ontwikkeling en welvaart in de Gemeenschap en in Estland te stimuleren,
– de grondslag te leggen voor economische, financiële, culturele en sociale samenwerking, voor samenwerking bij het bestrijden van illegale activiteiten en voor de bijstand van de Gemeenschap aan Estland,
– steun te verlenen aan de inspanningen van Estland om zich economisch te ontwikkelen,
– een passend kader tot stand te brengen voor de geleidelijke integratie van Estland in de Europese Unie; Estland zal zich inzetten om aan de nodige voorwaarden ter zake te voldoen,
– instellingen in het leven te roepen die ervoor kunnen zorgen dat de associatie doelmatig verloopt.
1. Eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, als vastgelegd in de Slotakte van Helsinki en het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa, alsmede de beginselen van de markteconomie vormen de grondslag van het binnen- en buitenlands beleid van de Partijen en zijn een wezenlijk onderdeel van deze Overeenkomst.
2. Partijen zijn van mening dat het voor de toekomstige welvaart en stabiliteit van de regio van essentieel belang is dat de Baltische Staten hun onderlinge samenwerking bestendigen en ontwikkelen en alles in het werk stellen om dit proces te versterken.
De Associatieraad die er steeds rekening mee houdt dat de beginselen van de markteconomie van essentieel belang zijn voor deze associatie onderzoekt regelmatig hoe de Overeenkomst wordt toegepast en hoe door Estland de economische hervormingen ten uitvoer worden gelegd op grond van de in de preambule bedoelde beginselen.
De politieke dialoog tussen de Europese Unie en Estland wordt ontwikkeld en geïntensiveerd. Deze dialoog begeleidt en consolideert het proces van toenadering tussen de Europese Unie en Estland, ondersteunt de politieke en economische veranderingen die in Estland plaatsvinden of reeds zijn gerealiseerd, en draagt bij tot het tot stand brengen van nauwe banden van solidariteit en nieuwe vormen van samenwerking tussen de Partijen. Met name dient de politieke dialoog het volgende te bevorderen:
– geleidelijke toenadering van Estland tot de Europese Unie;
– grotere convergentie van standpunten over internationale vraagstukken, met name over aangelegenheden die belangrijke gevolgen voor één van de Partijen kunnen hebben;
– betere samenwerking op gebieden waarop het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van toepassing is;
– veiligheid en stabiliteit in Europa.
De politieke dialoog vindt plaats binnen het multilaterale kader, en overeenkomstig de vormen en praktijken, zoals die met de geassocieerde landen in Midden-Europa zijn overeengekomen.
1. Op ministerieel niveau vindt de politieke dialoog plaats in het kader van de Associatieraad, die de algemene verantwoordelijkheid draagt voor alle aangelegenheden die de Partijen de Associatieraad voorleggen.
2. Andere procedures voor de politieke dialoog, met name de hierna volgende, worden met instemming van de Partijen ingesteld:
– waar nodig vergaderingen tussen hoge functionarissen (op het niveau van politieke directeuren) van enerzijds Estland en anderzijds het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie en de Commissie;
– het optimaal gebruik maken van alle diplomatieke kanalen tussen de Partijen, met inbegrip van passende contacten in derde landen en binnen de Verenigde Naties, de OVSE en andere internationale fora;
– het opnemen van Estland in de groep van landen die regelmatig worden geïnformeerd over activiteiten die zijn behandeld in het kader van het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en het uitwisselen van informatie met het oog op het verwezenlijken van de in artikel 4 gestelde doeleinden;
– alle andere middelen die een nuttige bijdrage leveren tot het consolideren, ontwikkelen en intensiveren van deze dialoog.
Op parlementair niveau vindt de politieke dialoog plaats in het kader van het Parlementair Comité van de associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten en de Republiek Estland (hierna te noemen het „Parlementair Comité").
1. De Gemeenschap en Estland brengen bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken op 1 januari 1995, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en in overeenstemming met de bepalingen van de GATT en de WTO, een vrijhandelszone tot stand.
2. In het handelsverkeer tussen Partijen worden de goederen ingedeeld volgens de gecombineerde nomenclatuur.
3. Voor elk produkt waarop deze Overeenkomst van toepassing is, is het basisrecht het recht dat daadwerkelijk erga omnes wordt toegepast op 1 januari 1994.
De in deze Overeenkomst vastgestelde achtereenvolgende verlagingen worden toegepast op dit basisrecht.
4. Indien na 1 januari 1995 tariefverlagingen op erga omnes grondslag worden toegepast, in het bijzonder verlagingen die voortvloeien uit de tariefovereenkomst die in het kader van de Uruguay-ronde van de GATT is gesloten, komen deze verlaagde rechten vanaf de datum waarop de verlagingen toepassing vinden in de plaats van de in lid 3 bedoelde basisrechten.
5. De Gemeenschap en Estland delen elkaar hun respectieve basisrechten mede.
1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de in de hoofdstukken 25 tot en met 97 van de gecombineerde nomenclatuur bedoelde produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en Estland, met uitzondering van de in bijlage I genoemde produkten.
2. De handel tussen de Partijen in onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vallende produkten geschiedt overeenkomstig de bepalingen van dat Verdrag.
De douanerechten en kwantitatieve beperkingen bij invoer in de Gemeenschap en maatregelen van gelijke werking worden voor produkten van oorsprong uit Estland op 1 januari 1995 opgeheven.
Douanerechten en kwantitatieve beperkingen bij de invoer in Estland en maatregelen van gelijke werking worden op 1 januari 1995 opgeheven voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap.
De bepalingen betreffende de afschaffing van douanerechten bij invoer zijn eveneens van toepassing op de douanerechten van fiscale aard.
De Gemeenschap en Estland schaffen op 1 januari 1995 in hun onderlinge handelsverkeer alle heffingen van gelijke werking als douanerechten bij invoer af.
1. Alle douanerechten bij uitvoer en heffingen van gelijke werking worden op 1 januari 1995 tussen de Gemeenschap en Estland afgeschaft.
2. Kwantitatieve beperkingen bij uitvoer en maatregelen van gelijke werking worden op 1 januari 1995 tussen de Gemeenschap en Estland afgeschaft.
Specifieke regelingen van toepassing op de handel in textiel- en kledingprodukten van oorsprong uit Estland zijn opgenomen in Protocol nr. 1.
De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen beletsel voor een landbouwelement in de rechten die van toepassing zijn op de in bijlage II genoemde produkten.
1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op landbouwprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap en Estland.
2. Met „landbouwprodukten" worden bedoeld de produkten vermeld in de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur en de in bijlage I genoemde produkten, met uitzondering van de visserijprodukten zoals die in Verordening (EEG) nr. 3759/92 worden omschreven.
Protocol nr. 2 omvat de handelsregelingen voor de daarin vermelde verwerkte landbouwprodukten.
1. Met ingang van 1 januari 1995 zijn geen kwantitatieve beperkingen van toepassing op de invoer in de Gemeenschap van landbouwprodukten van oorsprong uit Estland en evenmin op de invoer in Estland van landbouwprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap.
2. De krachtens deze Overeenkomst verleende concessies zijn opgenomen in de bijlagen III, IV en V.
3. De in lid 2 bedoelde concessies kunnen in overleg tussen de Partijen binnen een periode die op 31 december 1997 afloopt op basis van de in lid 4 uiteengezette beginselen en procedures worden gewijzigd.
4. Rekening houdend met de omvang van hun onderlinge handelsverkeer in landbouwprodukten, de bijzondere gevoeligheid van deze produkten, de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Gemeenschap en van het landbouwbeleid van Estland, en het aandeel van de landbouw in de economie van Estland, onderzoeken de Gemeenschap en Estland in de Associatieraad per produkt systematisch en op basis van wederkerigheid de mogelijkheden om elkaar verdere concessies te verlenen.
Onverminderd andere bepalingen van deze Overeenkomst, in het bijzonder artikel 29, plegen beide Partijen, indien wegens de bijzondere gevoeligheid van de markten voor landbouwprodukten, de invoer van produkten van oorsprong uit de ene Partij, waarvoor overeenkomstig artikel 19 concessies zijn verleend, ernstige problemen veroorzaakt op de markt van de andere Partij, onverwijld overleg teneinde een passende oplossing te vinden. In afwachting van deze oplossing kan de betrokken Partij de maatregelen nemen die zij noodzakelijk acht.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op visserijprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap en Estland waarop Verordening (EEG) nr. 3759/92 van toepassing is.
1. De concessies die krachtens deze Overeenkomst worden verleend zijn opgenomen in bijlage VI.
2. De bepalingen van artikel 19, lid 4, artikel 20 en artikel 24, leden 2 en 3, zijn van overeenkomstige toepassing op visserijprodukten.
Behoudens andersluidende bepalingen in deze titel of in de Protocollen nr. 1 en nr. 2 zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op het handelsverkeer tussen de Partijen in alle produkten.
1. In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Estland worden met ingang van 1 januari 1995
– geen nieuwe douanerechten bij invoer of bij uitvoer of heffingen van gelijke werking ingesteld en worden de rechten of heffingen welke reeds van toepassing zijn niet verhoogd;
– geen nieuwe kwantitatieve beperkingen bij invoer of bij uitvoer of maatregelen van gelijke werking ingesteld en worden de bestaande beperkingen of maatregelen niet verscherpt.
2. Onverminderd de overeenkomstig artikel 19 gedane concessies vormen de bepalingen van lid 1 van dit artikel in geen enkel opzicht een beletsel voor de tenuitvoerlegging van het landbouwbeleid van Estland en dat van de Gemeenschap, noch voor het nemen van enige maatregel in het kader van dit beleid.
3. Rekening houdende met de op 1 januari 1995 van kracht zijnde tariefstructuur van Estland, waarin voor landbouwprodukten geen douanerechten zijn opgenomen, kan Estland, indien een nieuw tariefstelsel voor de invoer van landbouwprodukten wordt ingevoerd, in afwijking van het bepaalde in lid 1 en overeenkomstig zijn landbouwbeleid voor de binnenlandse produktie, voor een beperkt aantal landbouwprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap rechten instellen. Deze rechten mogen uiterlijk tot en met 31 december 1996 worden ingesteld, na overleg in de Associatieraad. In alle dergelijke gevallen voorziet Estland in een aanzienlijke preferentiemarge voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap. Indien noodzakelijk kan de bedoelde periode bij besluit van de Associatieraad met één jaar worden verlengd.
1. Beide Partijen onthouden zich van alle binnenlandse maatregelen of praktijken van fiscale aard, die rechtstreeks of onrechtstreeks, discrimineren tussen de produkten van de ene Partij en soortgelijke produkten van oorsprong uit de andere Partij.
2. Voor produkten die naar een der Partijen worden uitgevoerd mogen de terugbetaalde bedragen aan binnenlandse indirecte belastingen niet hoger zijn dan de bedragen van de op deze produkten rustende directe of indirecte belastingen.
1. Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor de handhaving of de oprichting van douane-unies, vrijhandelszones of regelingen voor grensverkeer, mits de in deze Overeenkomst neergelegde handelsregelingen daardoor niet worden gewijzigd.
2. De Partijen plegen in de Associatieraad overleg over overeenkomsten tot oprichting van douane-unies of vrijhandelszones en, desgewenst, over andere belangrijke onderwerpen in verband met hun handelspolitiek ten aanzien van derde landen. Dergelijk overleg vindt met name plaats bij de toetreding van een derde land tot de Gemeenschap, teneinde rekening te kunnen houden met de wederzijdse belangen van de Gemeenschap en Estland als omschreven in deze Overeenkomst.
Het is Estland toegestaan uitzonderingsmaatregelen van beperkte duur in de vorm van verhoogde douanerechten te nemen die afwijken van het bepaalde in artikel 11 en in artikel 24, lid 1, eerste streepje.
Deze maatregelen mogen uitsluitend worden genomen ten behoeve van jonge industrieën of van bepaalde sectoren waarin herstructurering plaatsvindt of die met grote moeilijkheden te kampen hebben, vooral wanneer deze moeilijkheden ernstige sociale gevolgen hebben.
De douanerechten bij invoer die krachtens deze maatregelen door Estland worden toegepast ten aanzien van produkten van oorsprong uit de Gemeenschap mogen niet meer dan 25% ad valorem bedragen en dienen een preferentie voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in te houden.
De totale waarde van de ingevoerde produkten waarop dergelijke maatregelen van toepassing zijn mag niet meer bedragen dan 15% van de totale invoer van industrieprodukten uit de Gemeenschap als omschreven in hoofdstuk I gedurende het laatste jaar waarvoor statistische gegevens beschikbaar zijn.
Deze maatregelen gelden voor een periode van ten hoogste twee jaar, tenzij de Associatieraad de toepassing ervan over een langere periode toestaat. Zij treden uiterlijk op 31 december 1997 buiten werking.
Deze maatregelen kunnen voor een bepaald produkt niet worden getroffen indien meer dan drie jaren zijn verstreken sedert de afschaffing voor dat produkt van alle rechten en kwantitatieve beperkingen of heffingen en maatregelen van gelijke werking.
Estland stelt de Associatieraad in kennis van alle buitengewone maatregelen die het voornemens is te treffen; op verzoek van de Gemeenschap vindt in de Associatieraad vooraf overleg plaats over deze maatregelen en de sectoren waarop zij betrekking hebben. Indien Estland dergelijke maatregelen neemt, is het gehouden de Associatieraad een tijdschema voor de afschaffing van de overeenkomstig dit artikel ingestelde douanerechten voor te leggen. De Associatieraad kan een ander tijdschema vaststellen.
Indien een der Partijen constateert dat in het handelsverkeer met de andere Partij dumping in de zin van artikel VI van de GATT plaatsvindt, kan zij passende maatregelen nemen tegen deze praktijk op grond van de bepalingen van de Overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT en haar nationale wettelijke regeling ter zake, en volgens de voorwaarden en procedures van artikel 32.
Indien de invoer van een produkt toeneemt tot hoeveelheden en plaatsvindt onder omstandigheden die:
– ernstige schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende produkten op het grondgebied van een der Partijen, of
– in enige sector van de economie aanleiding geven of kunnen geven tot moeilijkheden die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de economische situatie in een bepaald gebied,
kan de Gemeenschap of Estland passende maatregelen nemen overeenkomstig de bepalingen en procedures van artikel 32.
Wanneer de naleving van de artikelen 14 en 24:
i. ertoe leidt dat goederen wederuitgevoerd worden naar een derde land ten aanzien waarvan de exporterende Partij, voor het betrokken produkt, kwantitatieve uitvoerbeperkingen, uitvoerrechten of maatregelen van gelijke werking toepast, of
ii. ernstige tekorten aan produkten die van wezenlijk belang zijn voor de exporterende Partij doet ontstaan of dreigt te doen ontstaan,
en de bovenbedoelde situaties aanleiding geven of vermoedelijk zullen geven tot ernstige moeilijkheden voor de exporterende Partij, kan deze Partij passende maatregelen nemen overeenkomstig de bepalingen en procedures van artikel 32. Deze maatregelen mogen geen discriminerend karakter hebben en dienen te worden ingetrokken zodra zij niet meer gerechtvaardigd zijn.
De Lid-Staten van de Europese Unie en Estland passen alle staatsmonopolies van commerciële aard geleidelijk aan, in dier voege dat uiterlijk eind 1999 tussen onderdanen van de Lid-Staten en van Estland geen discriminatie meer bestaat ten aanzien van de omstandigheden waaronder goederen worden verworven en op de markt gebracht. De Associatieraad wordt in kennis gesteld van de maatregelen welke te dien einde worden genomen.
1. Indien de Gemeenschap of Estland de invoer van produkten die tot de in artikel 29 bedoelde moeilijkheden aanleiding zouden kunnen geven, aan een administratieve procedure onderwerpt die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van de handelsstromen, stelt de betrokken Partij de andere Partij hiervan in kennis.
2. In de in de artikelen 28, 29 en 30 bedoelde gevallen verstrekt de Gemeenschap of Estland, naar gelang van het geval, vóór zij de in de genoemde artikelen bedoelde maatregelen nemen of, in de gevallen waarop lid 3, onder d., van toepassing is, zo spoedig mogelijk, de Associatieraad alle ter zake dienende informatie teneinde een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te vinden.
Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren.
De vrijwaringsmaatregelen worden onverwijld ter kennis gebracht van de Associatieraad, die hiervoor periodiek overleg pleegt, met name met het oog op de vaststelling van een tijdschema voor de afschaffing ervan zodra de omstandigheden zulks toelaten.
3. Voor de toepassing van lid 2 geldt het hierna volgende:
a. de moeilijkheden welke voortvloeien uit de omstandigheden bedoeld in artikel 29 worden ter bespreking voorgelegd aan de Associatieraad, die alle noodzakelijke beslissingen kan nemen om een einde te maken aan deze moeilijkheden.
Indien de Associatieraad of de uitvoerende Partij geen beslissing heeft genomen die een einde maakt aan de moeilijkheden of geen andere bevredigende oplossing wordt gevonden binnen 30 dagen nadat de kwestie aan de Associatieraad is voorgelegd, kan de invoerende Partij passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen. Deze maatregelen mogen niet verder strekken dan hetgeen noodzakelijk is om een oplossing te vinden voor de gerezen moeilijkheden;
b. de Associatieraad wordt van de in artikel 28 bedoelde dumping in kennis gesteld zodra de autoriteiten van de invoerende Partij een onderzoek hebben geopend. Indien de dumping niet is beëindigd of geen andere bevredigende oplossing is gevonden binnen 30 dagen nadat de zaak aan de Associatieraad is voorgelegd, kan de invoerende Partij passende maatregelen nemen;
c. de moeilijkheden die voortvloeien uit de in artikel 30 bedoelde omstandigheden worden aan de Associatieraad voorgelegd.
De Associatieraad kan elke beslissing nemen die nodig is om een einde te maken aan de moeilijkheden. Indien de Associatieraad geen beslissing heeft genomen binnen 30 dagen nadat de zaak aan de Associatieraad is voorgelegd, kan de exporterende Partij passende maatregelen nemen ten aanzien van de uitvoer van het betrokken produkt;
d. wanneer uitzonderlijke omstandigheden die tot onmiddellijk optreden nopen voorafgaande kennisgeving of onderzoek, naar gelang van het geval, onmogelijk maken, kan de Gemeenschap of Estland, naar gelang van het geval, in de in de artikelen 28, 29 en 30 bedoelde omstandigheden, onverwijld de vrijwaringsmaatregelen toepassen die strikt noodzakelijk zijn om het probleem op te lossen.
In Protocol nr. 3 zijn de regels van oorsprong voor de toepassing van de in deze Overeenkomst vastgestelde tariefpreferenties en de methoden van administratieve samenwerking vastgesteld.
Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen op de invoer, de uitvoer of de doorvoer van goederen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde en veiligheid, de gezondheid en het leven van personen en dieren of het behoud van planten, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed of uit hoofde van de bescherming van de intellectuele, industriële of commerciële eigendom, noch voor voorschriften betreffende goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de Partijen bij de Overeenkomst vormen.
Protocol nr. 4 bevat de specifieke bepalingen betreffende het handelsverkeer tussen Estland, enerzijds, en Spanje en Portugal, anderzijds; het is geldig tot en met 31 december 1995.
VERKEER VAN WERKNEMERS, VESTIGING, VERRICHTEN VAN DIENSTEN
1. Met inachtneming van de in elke Lid-Staat geldende voorwaarden en modaliteiten:
– is de behandeling van werknemers van Estlandse nationaliteit die legaal op het grondgebied van een Lid-Staat zijn tewerkgesteld vrij van elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van de nationale onderdanen, wat betreft arbeidsvoorwaarden, beloning of ontslag;
– hebben de legaal op het grondgebied van een Lid-Staat verblijvende echtgenoot en kinderen van een legaal op het grondgebied van een Lid-Staat tewerkgestelde werknemer, met uitzondering van seizoenwerknemers en werknemers die onder bilaterale overeenkomsten in de zin van artikel 40 vallen, tenzij in dergelijke overeenkomsten anders is bepaald, gedurende de periode van het toegestane tewerkstellingsverblijf van die werknemer toegang tot de arbeidsmarkt van die Lid-Staat.
2. Estland verleent, met inachtneming van de in dat land geldende voorwaarden en modaliteiten, aan werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en die legaal op zijn grondgebied zijn tewerkgesteld alsmede aan hun echtgenoot en kinderen die aldaar legaal verblijven de in lid 1 vermelde behandeling.
1. Met het oog op de coördinatie van de sociale-zekerheidsregelingen voor legaal op het grondgebied van een Lid-Staat tewerkgestelde werknemers van Estlandse nationaliteit en hun aldaar legaal verblijvende gezinsleden, en met inachtneming van de in elke Lid-Staat geldende voorwaarden en modaliteiten,
– worden alle door dergelijke werknemers in de verschillende Lid-Staten vervulde perioden van verzekering, tewerkstelling of verblijf bijeengeteld voor ouderdoms-, invaliditeits- en overlijdenspensioenen en -renten, en voor de medische verzorging van genoemde werknemers en gezinsleden;
– kunnen alle pensioenen of renten uit hoofde van ouderdom, overlijden, een arbeidsongeval of een beroepsziekte dan wel wegens invaliditeit als gevolg daarvan, met uitzondering van uitkeringen waarvoor geen premie is betaald, vrij worden overgemaakt tegen de krachtens de wetgeving van de debiteuren-Lid-Staat of -Lid-Staten toegepaste koers;
– ontvangen bedoelde werknemers kinderbijslag voor hun in het voorgaande omschreven gezinsleden.
2. Estland kent aan legaal op zijn grondgebied tewerkgestelde werknemers die onderdaan van een Lid-Staat zijn en aan hun aldaar legaal verblijvende gezinsleden een soortgelijke behandeling toe als die welke in het tweede en derde streepje van lid 1 is bepaald.
1. De Associatieraad stelt bij besluit de passende bepalingen vast ter uitvoering van de in artikel 37 vermelde doelstelling.
2. De Associatieraad stelt bij besluit gedetailleerde regels vast voor administratieve samenwerking, waarbij wordt voorzien in de nodige beheer- en controlegaranties voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde bepalingen.
De door de Associatieraad overeenkomstig artikel 38 vastgestelde bepalingen doen geen afbreuk aan eventuele rechten of verplichtingen voortvloeiende uit bilaterale overeenkomsten tussen Estland en de Lid-Staten, wanneer deze overeenkomsten in een gunstiger behandeling van onderdanen van Estland of onderdanen van de Lid-Staten voorzien.
1. Rekening houdend met de situatie van de arbeidsmarkt in de betrokken Lid-Staat, zijn wetgeving en de regels die er gelden op het gebied van de mobiliteit van werknemers
– dienen de door de Lid-Staten in het kader van bilaterale overeenkomsten verleende tewerkstellingsmogelijkheden voor werknemers van Estlandse nationaliteit behouden te blijven en zo mogelijk te worden verbeterd;
– dienen de overige Lid-Staten de mogelijkheid van het sluiten van soortgelijke overeenkomsten te overwegen.
2. De Associatieraad onderzoekt de toekenning van andere verbeteringen, zoals bijvoorbeeld toegang tot beroepsopleiding, overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende regels en procedures en met inachtneming van de situatie van de arbeidsmarkt in de Lid-Staten en de Gemeenschap.
Eind 1999, of eerder indien de sociaal-economische situatie in Estland grotendeels in overeenstemming is gebracht met die in de Lid-Staten en indien de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap zulks toelaat, onderzoekt de Associatieraad verdere mogelijkheden tot verbetering van het verkeer van werknemers. De Associatieraad doet hiertoe aanbevelingen.
Teneinde de herschikking van de arbeidskrachten als gevolg van de economische herstructurering in Estland te vergemakkelijken, verleent de Gemeenschap technische bijstand voor de totstandbrenging van een passende sociale-zekerheidsregeling in Estland, zoals in artikel 92 van de Overeenkomst is uiteengezet.
1. De Gemeenschap en haar Lid-Staten verlenen, echter niet voor de sectoren die in bijlage VII zijn vermeld,
i. vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst voor de vestiging van Estlandse vennootschappen geen minder gunstige behandeling dan die welke de Lid-Staten aan de eigen vennootschappen verlenen, of aan vennootschappen van derde landen, indien deze gunstiger is;
ii. vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst aan op hun grondgebied gevestigde dochterondernemingen en filialen van Estlandse vennootschappen, ten aanzien van de activiteiten daarvan, een niet minder gunstige behandeling dan door de Lid-Staten wordt verleend aan hun eigen vennootschappen en filialen daarvan of aan op hun grondgebied gevestigde dochterondernemingen en filialen van vennootschappen uit derde landen, indien deze behandeling gunstiger is;
iii. vanaf 31 december 1999 voor de vestiging van Estlandse onderdanen en voor hun activiteiten, wanneer deze reeds gevestigd zijn, geen minder gunstige behandeling dan aan communautaire onderdanen wordt verleend, of aan onderdanen van derde landen, indien deze gunstiger is.
2. Estland verleent vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst
i. voor de vestiging van communautaire vennootschappen geen minder gunstige behandeling dan die welke aan Estlandse vennootschappen of aan vennootschappen uit derde landen wordt verleend, indien deze laatste gunstiger is;
ii. ten aanzien van de activiteiten van op zijn grondgebied gevestigde filialen en dochterondernemingen van communautaire vennootschappen een niet minder gunstige behandeling dan die welke wordt verleend aan Estlandse vennootschappen en filialen, of aan op zijn grondgebied gevestigde dochterondernemingen en filialen van vennootschappen uit derde landen, indien deze behandeling gunstiger is;
iii. voor de vestiging van communautaire onderdanen en voor hun activiteiten, wanneer deze reeds gevestigd zijn, geen minder gunstige behandeling dan aan Estlandse onderdanen wordt verleend, of aan onderdanen van derde landen, indien deze gunstiger is.
1. De bepalingen van artikel 43 zijn niet van toepassing op het luchtvervoer, op de binnenwateren en op cabotage in het zeevervoer.
2. De Associatieraad kan aanbevelingen doen voor het verbeteren van de condities voor vestiging en activiteiten als bedoeld in lid 1.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
a. „communautaire vennootschap" en „Estlandse vennootschap": een volgens het recht van respectievelijk een Lid-Staat of Estland opgerichte vennootschap die haar statutaire zetel, centrale administratie of belangrijkste handelsactiviteit op het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Estland heeft.
Indien een volgens het recht van respectievelijk de Gemeenschap of Estland opgerichte vennootschap uitsluitend haar statutaire zetel op het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Estland heeft, wordt deze vennootschap als een communautaire vennootschap of als een Estlandse vennootschap beschouwd indien uit haar transacties een werkelijke en permanente band met de economieën van respectievelijk de Lid-Staten of Estland naar voren treedt.
b. „dochteronderneming": een vennootschap waarover een andere vennootschap daadwerkelijk zeggenschap heeft.
c. „filiaal" van een vennootschap: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen management heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, in dier voege dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat indien nodig er een rechtsverhouding zal bestaan met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact dienen te hebben met deze moedermaatschappij doch hun transacties kunnen afhandelen met de genoemde handelszaak die het vorengenoemde agentschap vormt.
d. „vestiging"
i. voor onderdanen: het recht op toegang tot en uitoefening van economische activiteiten anders dan in loondienst, alsmede het recht ondernemingen, met name vennootschappen, waarover zij de daadwerkelijke controle hebben, op te richten en te beheren. De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de exploitatie van een handelsonderneming door onderdanen strekt zich niet uit tot het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt van een andere Partij en verleent geen recht op toegang tot de arbeidsmarkt van een andere Partij. Het bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op hen die niet uitsluitend zelfstandig zijn;
ii. voor communautaire of Estlandse vennootschappen: het recht op toegang tot en uitoefening van economische activiteiten door middel van de oprichting van dochterondernemingen en filialen in respectievelijk Estland en de Gemeenschap.
e. „activiteiten": het verrichten van economische handelingen.
f. „economische handelingen": met name activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen, alsmede activiteiten van ambachtslieden.
g. „communautaire onderdaan" en „Estlandse onderdaan": een natuurlijke persoon die een onderdaan is van respectievelijk een van de Lid-Staten of van Estland.
h. Wat het internationale vervoer over zee betreft, met inbegrip van het intermodale vervoer dat ten dele over zee plaatsvindt, zijn de bepalingen van de hoofdstukken II en III eveneens van toepassing op buiten de Gemeenschap of Estland gevestigde onderdanen van respectievelijk de Lid-Staten of Estland, en op buiten de Gemeenschap of Estland gevestigde scheepvaartondernemingen waarin onderdanen van respectievelijk een Lid-Staat of Estland een meerderheidsparticipatie hebben, indien hun vaartuigen respectievelijk in die Lid-Staat of in Estland geregistreerd zijn overeenkomstig de wettelijke voorschriften van respectievelijk die Lid-Staat of Estland.
1. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 43 en uitgezonderd de in bijlage VIII beschreven financiële diensten kan elke Partij de vestiging en de activiteiten van vennootschappen en onderdanen op haar grondgebied regelen, voor zover deze regelingen vennootschappen en onderdanen van de andere Partij niet discrimineren ten opzichte van de eigen vennootschappen en onderdanen.
2. Ten aanzien van financiële diensten vormt geen andere bepaling van deze Overeenkomst voor een Partij een beletsel voor het nemen van maatregelen inzake bedrijfseconomisch toezicht, met name ter bescherming van investeerders, bewaargevers, polishouders of personen die een fiduciaire rechtsverhouding hebben met een financiële dienstverlener, of ter bescherming van de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem. Dergelijke maatregelen mogen door een Partij niet worden aangewend om zich aan de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te onttrekken.
3. Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij een Partij ertoe verplicht informatie betreffende de zakelijke transacties en de boekhouding van individuele personen of vertrouwelijke of geoctrooieerde informatie die in het bezit is van overheidsinstanties vrij te geven.
1. Het bepaalde in de artikelen 43 en 46 vormt geen beletsel voor de toepassing door een Partij, met betrekking tot de vestiging en activiteiten op haar grondgebied van filialen van vennootschappen van een andere Partij die niet op het grondgebied van de eerste Partij zijn opgericht, van bijzondere regels die op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en filialen van vennootschappen die op het grondgebied van de eerste Partij zijn opgericht, of, wat financiële diensten betreft, om beleidsredenen gerechtvaardigd zijn.
2. Het verschil in behandeling blijft beperkt tot hetgeen als gevolg van dergelijke juridische of technische verschillen strikt noodzakelijk is, of, wat financiële diensten betreft, tot hetgeen om beleidsredenen noodzakelijk is.
1. Een op het grondgebied van Estland of de Gemeenschap gevestigde „communautaire vennootschap" respectievelijk „Estlandse vennootschap" heeft het recht, met inachtneming van de wetgeving van het gastland van vestiging, op het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Estland werknemers die onderdanen zijn van de Lid-Staten van de Gemeenschap of van Estland in dienst te nemen of deze door een van haar dochterondernemingen of filialen in dienst te laten nemen, mits dergelijke werknemers een sleutelpositie in de zin van lid 2 van dit artikel bekleden en zij uitsluitend door vennootschappen, dochterondernemingen of filialen tewerkgesteld worden.
De geldigheidsduur van de verblijfs- en werkvergunningen van deze werknemers is beperkt tot de periode waarin zij als zodanig werkzaam zijn.
2. Werknemers met een sleutelpositie die in dienst zijn van de vorengenoemde vennootschappen, hierna „organisaties" genoemd, zijn „binnen de onderneming overgeplaatste personen", als omschreven onder punt c. van dit lid, van de hierna volgende categorieën, met dien verstande dat de organisatie een rechtspersoon is en de betrokkenen gedurende ten minste het onmiddellijk aan de overplaatsing voorafgaande jaar in dienst waren van deze organisatie of daarin partners (doch geen aandeelhouders met een meerderheidsparticipatie) waren:
a. Leden van het hogere kader van een organisatie die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht en de leiding van met name de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen; deze personeelsleden:
– geven leiding aan de vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;
– houden toezicht op en controleren de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers;
– zijn persoonlijk bevoegd werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen.
b. Binnen een organisatie werkzame personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de dienstverlening van de vestiging, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management. Afgezien van de voor het functioneren van de betrokken vestiging vereiste specifieke kennis, kan deze kennis bestaan in de bekwaamheid bepaalde werkzaamheden uit te voeren of een bepaald beroep uit te oefenen waarvoor specifieke technische vaardigheden vereist zijn, evenals, in voorkomend geval, het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep.
c. Een „binnen de onderneming overgeplaatste persoon" is een natuurlijke persoon die voor een organisatie op het grondgebied van een Partij werkzaam is en die tijdelijk, voor het verrichten van economische handelingen naar het gebied van de andere Partij wordt overgeplaatst; de betrokken organisatie dient haar belangrijkste handelsactiviteit op het grondgebied van een Partij te hebben en de overplaatsing dient te geschieden naar een vestiging (dochteronderneming, filiaal) van deze organisatie die op het grondgebied van de andere Partij daadwerkelijk soortgelijke economische handelingen verricht.
3. Toegang tot het grondgebied van de Gemeenschap of Estland van respectievelijk Estlandse en communautaire onderdanen, wordt verleend en tijdelijk verblijf is toegestaan voor vertegenwoordigers van vennootschappen die deel uitmaken van het hogere kader, als in lid 2, onder a., gedefinieerd, van een vennootschap, en die belast zijn met het opzetten van een dochteronderneming of filiaal in de Gemeenschap van een Estlandse vennootschap, dan wel een dochteronderneming of filiaal in Estland van een communautaire vennootschap, mits
– die vertegenwoordigers niet betrokken zijn bij de rechtstreekse verkoop of het verstrekken van diensten;
– de vennootschap haar belangrijkste handelsactiviteit buiten respectievelijk de Gemeenschap of Estland heeft, en geen andere vertegenwoordiger, kantoor, filiaal of dochteronderneming in respectievelijk de betrokken Lid-Staat van de Gemeenschap of Estland heeft.
Teneinde het aanvangen en uitoefenen door communautaire onderdanen en Estlandse onderdanen van geregelde professionele activiteiten in respectievelijk Estland en de Gemeenschap te vereenvoudigen, onderzoekt de Associatieraad welke stappen dienen te worden ondernomen om te voorzien in wederzijdse erkenning van kwalificaties. Hij kan hiertoe alle noodzakelijke maatregelen nemen.
Tot eind 1999 kan Estland ten aanzien van de vestiging van communautaire vennootschappen en onderdanen maatregelen invoeren die van de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken, indien bepaalde industrieën:
– worden geherstructureerd, of
– in grote moeilijkheden verkeren, met name wanneer deze ernstige sociale problemen in Estland tot gevolg hebben of
– geconfronteerd worden met uitschakeling dan wel een forse daling van het totale marktaandeel van Estlandse vennootschappen of onderdanen in een bepaalde sector of bedrijfstak in Estland, of
– voor Estland nieuwe industrieën zijn.
Dergelijke maatregelen:
– vervallen uiterlijk op 31 december 1999, en
– zijn redelijk en afgestemd op het oplossen van de situatie, en
– hebben slechts betrekking op na de inwerkingtreding van dergelijke maatregelen in Estland op te richten vestigingen en mogen geen discriminatie betekenen voor de activiteiten van ten tijde van de invoering van een bepaalde maatregel reeds in Estland gevestigde communautaire vennootschappen of onderdanen ten opzichte van Estlandse vennootschappen of onderdanen.
Bij het ontwerpen en toepassen van dergelijke maatregelen verleent Estland, wanneer zulks mogelijk is, een voorkeursbehandeling aan communautaire vennootschappen en onderdanen, en in geen geval een behandeling die minder gunstig is dan die welke aan vennootschappen of onderdanen uit een derde land wordt verleend.
Estland raadpleegt de Associatieraad vóór de invoering van deze maatregelen en legt deze niet eerder ten uitvoer dan nadat één maand is verstreken na de kennisgeving aan de Associatieraad van de concrete door Estland in te voeren maatregelen, tenzij de dreiging van onherstelbare schade het treffen van urgente maatregelen vereist, in welk geval Estland de Associatieraad onmiddellijk na de invoering hiervan raadpleegt.
1. De Partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig de hierna volgende bepalingen de nodige stappen te ondernemen om geleidelijk het verrichten van diensten mogelijk te maken door communautaire respectievelijk Estlandse vennootschappen of onderdanen welke zijn gevestigd op het grondgebied van een andere Partij dan die van de persoon voor wie de diensten worden verricht.
2. Naarmate de in lid 1 bedoelde liberalisering tot stand komt en behoudens het bepaalde in artikel 55, staan de Partijen de tijdelijke verplaatsing toe van natuurlijke personen die de dienst verrichten of als werknemer voor de dienstverlener een sleutelpositie vervullen zoals omschreven in artikel 48, lid 2, met inbegrip van de natuurlijke personen die vertegenwoordigers zijn van een communautaire of Estlandse vennootschap of onderdaan en tijdelijk toegang wensen te krijgen voor onderhandelingen over de verkoop van diensten of voor het aangaan van overeenkomsten over de verkoop van diensten namens de dienstenverrichter, voor zover deze vertegenwoordigers niet zelf betrokken zijn bij de directe verkoop aan het publiek of bij de eigenlijke dienstverrichting.
3. Uiterlijk acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst neemt de Associatieraad de maatregelen die nodig zijn om geleidelijk uitvoering te geven aan lid 1 van dit artikel. Hierbij wordt rekening gehouden met de vorderingen die de Partijen maken bij de onderlinge aanpassing van hun wetgeving.
1. De Partijen treffen geen maatregelen en ondernemen geen acties die de voorwaarden voor het verrichten van diensten door communautaire en Estlandse vennootschappen of onderdanen welke zijn gevestigd op het grondgebied van een andere Partij dan die van de persoon voor wie de diensten worden verricht duidelijk restrictiever maken ten opzichte van de situatie die bestond op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst.
2. Indien een Partij van mening is dat door de andere Partij sedert de ondertekening van de Overeenkomst genomen maatregelen leiden tot een situatie die ten aanzien van het verrichten van diensten duidelijk restrictiever is dan die welke op de datum van ondertekening van de Overeenkomst bestond, kan eerstgenoemde Partij de andere Partij om overleg verzoeken.
1. Met betrekking tot het internationale zeevervoer verbinden de Partijen zich tot het daadwerkelijk toepassen van het beginsel van onbeperkte toegang tot de markt en het vervoer op commerciële basis.
a. Bovenstaande bepaling doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen in het kader van de Gedragscode van de Verenigde Naties voor Lijnvaartconferences zoals deze door de ene of de andere Partij bij deze Overeenkomst wordt toegepast. De niet bij conferences aangesloten lijnvaartmaatschappijen kunnen vrij met een conference concurreren zolang zij zich aan het beginsel van eerlijke concurrentie op commerciële basis houden.
b. De Partijen bevestigen dat zij de vrije concurrentie beschouwen als een fundamentele noodzaak voor het handelsverkeer in droge en vloeibare bulkgoederen.
2. De Partijen verbinden zich ertoe bij de toepassing van de beginselen van lid 1:
a. vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst geen bepalingen inzake vrachtverdeling van bilaterale overeenkomsten tussen een Lid-Staat van de Gemeenschap en de voormalige Sovjet-Unie toe te passen;
b. geen vrachtverdelingsregelingen op te nemen in toekomstige bilaterale overeenkomsten met derde landen, behalve in die uitzonderlijke gevallen waarin de lijnvaartmaatschappijen van een van de Partijen bij deze Overeenkomst anders geen reële kans zouden krijgen om aan het handelsverkeer van en naar het betrokken derde land deel te nemen;
c. geen vrachtverdelingsregelingen toe te laten in toekomstige bilaterale overeenkomsten betreffende het handelsverkeer in droge en vloeibare bulkgoederen;
d. bij het in werking treden van deze Overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op te heffen die restrictieve of discriminerende effecten zouden kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationaal maritiem vervoer.
Elke partij verleent aan schepen die geëxploiteerd worden door onderdanen of vennootschappen van de andere partij met name geen minder gunstige behandeling dan die welke zij aan haar eigen schepen verleent, ten aanzien van de toegang tot de voor buitenlandse vaartuigen toegankelijke havens, het gebruik van de infrastructuur en van de maritieme hulpdiensten van die havens evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en kosten, de douanefaciliteiten en de toewijzing van aanlegplaatsen en installaties voor het laden en lossen.
3. Het is communautaire vennootschappen en onderdanen die internationale maritieme vervoersdiensten verrichten toegestaan op het internationale zeevervoer aansluitende diensten te verrichten op de binnenwateren van Estland en vice versa.
4. De partijen komen overeen dat zij met het oog op de vrije doorvoer over het grondgebied van elke Partij zo spoedig mogelijk, vóór het einde van 1999, een overeenkomst zullen sluiten inzake de intermodale doorvoer over elkaars grondgebied.
5. Met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling en geleidelijke liberalisering van het vervoer tussen de partijen, in overeenstemming met hun respectieve commerciële behoeften, zullen de voorwaarden betreffende de wederzijdse toegang tot elkaars markten en het verrichten van vervoersdiensten in het overlandvervoer en indien van toepassing het luchtvervoer, worden vastgesteld in bijzondere vervoersovereenkomsten, waarover tussen de Partijen na het in werking treden van deze Overeenkomst zal worden onderhandeld.
6. De partijen nemen vóór het sluiten van de in lid 5 bedoelde overeenkomsten geen maatregelen welke een meer beperkende of discriminerende situatie tot gevolg hebben dan de situatie op de dag welke voorafgaat aan de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst.
7. Tot uiterlijk eind 1998 past Estland zijn wetgeving, met inbegrip van zijn administratieve, technische en andere voorschriften, geleidelijk aan de op dat ogenblik op het gebied van het luchtvervoer en het overlandvervoer bestaande communautaire wetgeving aan, voor zover deze gericht is op de liberalisering en op de wederzijdse toegang tot de markten van de partijen, en het verkeer van reizigers en van goederen vergemakkelijkt. De vooruitgang op dit gebied wordt in de Associatieraad ten minste eenmaal per twee jaar door de partijen gezamenlijk beoordeeld.
8. De Associatieraad onderzoekt, in overeenstemming met de gezamenlijke vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van dit hoofdstuk, hoe de voor het verbeteren van de vrijheid van dienstverrichting in het luchtvervoer en het overlandvervoer noodzakelijke voorwaarden tot stand kunnen worden gebracht.
1. De bepalingen van deze titel worden toegepast behoudens beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.
2. Zij zijn niet van toepassing op de werkzaamheden die op het grondgebied van een der partijen verband houden met de uitoefening van het openbare gezag, zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden.
Voor de toepassing van deze titel weerhoudt geen van de bepalingen van de Overeenkomst de partijen ervan hun wetten en voorschriften betreffende toelating en verblijf, het verrichten van arbeid, arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten van diensten toe te passen, op voorwaarde dat zulks niet op zodanige wijze geschiedt dat de toepassing de voor een partij uit een specifieke bepaling van de Overeenkomst voortvloeiende voordelen teniet doet of beperkt.
Vennootschappen welke gezamenlijk worden bestuurd door en de gemeenschappelijke exclusieve eigendom zijn van Estlandse vennootschappen of onderdanen en communautaire vennootschappen of onderdanen komen eveneens in aanmerking voor de bepalingen van hoofdstukken II, III en IV van deze titel.
1. De overeenkomstig de bepalingen van deze titel toegekende meestbegunstigingsbehandeling is niet van toepassing op de belastingvoordelen waarin de partijen voorzien of in de toekomst zullen voorzien in het kader van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere fiscale regelingen.
2. Niets in deze titel kan worden uitgelegd als een beletsel voor de vaststelling of tenuitvoerlegging door de partijen van maatregelen ter voorkoming van belastingvlucht of belastingontduiking overeenkomstig de belastingvoorschriften van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing en andere fiscale regelingen, of de nationale fiscale wetgeving.
3. Niets in deze titel kan worden uitgelegd als een beletsel voor de Lid-Staten of Estland om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun fiscaal recht een onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die zich niet in identieke situaties bevinden, in het bijzonder met betrekking tot hun woonplaats.
De bepalingen van deze titel worden door de partijen geleidelijk aangepast. Bij het opstellen van aanbevelingen hiertoe houdt de Associatieraad rekening met de respectieve verplichtingen van de partijen in het kader van de GATS, met name artikel V.
De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor de toepassing door de partijen van maatregelen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van het ontduiken van maatregelen met betrekking tot de toegang van derde landen tot hun markten op grond van deze Overeenkomst.
BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER, CONCURRENTIE EN ANDERE ECONOMISCHE BEPALINGEN; HARMONISATIE VAN WETGEVING
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe machtiging te verlenen tot alle betalingen en overdrachten, in vrij converteerbare valuta's, op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen ingezetenen van de Gemeenschap en van Estland, overeenkomstig het bepaalde in artikel VIII van de Articles of Agreement van het Internationaal Monetair Fonds.
1. Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans garanderen vanaf de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst zowel de Lid-Staten als Estland het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot directe investeringen in ondernemingen welke in overeenstemming met de wetten van het gastland zijn opgericht, en investeringen in overeenstemming met hoofdstuk II van titel IV, alsook de liquidatie of de repatriëring van die investeringen en van alle opbrengsten daarvan.
Behoudens artikel 43, lid 1, onder iii., wordt vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst het volledig vrij verkeer van kapitaal gegarandeerd met betrekking tot de vestiging en activiteiten van zelfstandigen, alsook de liquidatie of de repatriëring van die investeringen.
2. Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans garanderen vanaf de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst zowel de Lid-Staten als Estland het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot beleggingen. Dit is tevens van toepassing op het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot kredieten die verband houden met commerciële transacties of het verrichten van diensten waarbij een ingezetene van een der partijen betrokken is, alsmede op financiële leningen.
3. Onverminderd lid 1 stellen de Lid-Staten en Estland geen nieuwe beperkingen in op valutatransacties in het kader van het kapitaalverkeer en de daarmee verband houdende betalingsverrichtingen tussen ingezetenen van de Gemeenschap en van Estland, en brengen zij in de bestaande regelingen geen verdere restricties aan.
4. De Partijen plegen overleg teneinde het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Estland te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst.
1. De partijen nemen maatregelen met het oog op de totstandkoming van de voorwaarden welke nodig zijn voor de verdere geleidelijke toepassing van de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van kapitaal.
2. De Associatieraad gaat na op welke wijze de communautaire voorschriften met betrekking tot het kapitaalverkeer volledig kunnen worden toegepast.
MEDEDINGING EN ANDERE ECONOMISCHE BEPALINGEN
1. Onverenigbaar met de goede werking van deze Overeenkomst voor zover de handel tussen de Gemeenschap en Estland daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, zijn:
i. alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;
ii. misbruik van een machtspositie door een of meer ondernemingen op het grondgebied van de Gemeenschap of van Estland, of op een wezenlijk deel daarvan;
iii. alle overheidssteun die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalst of dreigt te vervalsen.
2. Alle handelwijzen die met dit artikel in strijd zijn, worden beoordeeld op grond van de criteria welke voortvloeien uit de toepassing van de voorschriften van de artikelen 85, 86 en 92 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of voor onder het EGKS-Verdrag vallende produkten op grond van de dienovereenkomstige bepalingen van het EGKS-Verdrag, met inbegrip van de afgeleide wetgeving.
3. De Associatieraad stelt uiterlijk op 31 december 1997 de nodige voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 en 2 vast.
In afwachting van de vaststelling van deze voorschriften worden de bepalingen van de Overeenkomst inzake de uitlegging en toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de GATT toegepast als voorschriften voor de tenuitvoerlegging van lid 1, onder iii), en de daarmee verband houdende gedeelten van lid 2.
4. a. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, onder iii., komen de partijen overeen dat tot en met 31 december 1999 alle door Estland toegekende overheidssteun wordt beoordeeld met inachtneming van het feit dat Estland wordt beschouwd als een regio zijnde gelijk aan de in artikel 92, lid 3, onder a., van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde streken van de Gemeenschap. De Associatieraad besluit, met inachtneming van de economische situatie in Estland, of die periode met verdere termijnen van drie jaar dient te worden verlengd.
b. Elke partij garandeert doorzichtigheid ten aanzien van de overheidssteun, met name door ieder jaar aan de andere partij mededeling te doen van het totale bedrag en de verdeling van de verstrekte steun en door op verzoek informatie over steunprogramma's te verstrekken. Op verzoek van een der partijen verstrekt de andere partij informatie over bepaalde afzonderlijke steunmaatregelen van de overheid.
5. Met betrekking tot produkten vermeld in de hoofdstukken II en III van titel III:
– is het bepaalde in lid 1, onder iii., niet van toepassing;
– dienen alle handelwijzen die in strijd zijn met lid 1, onder i., te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die door de Gemeenschap zijn vastgesteld op grond van de artikelen 42 en 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en in het bijzonder bij Verordening nr. 26/1962 van de Raad.
6. Indien de Gemeenschap of Estland van mening is dat een bepaalde handelwijze onverenigbaar is met lid 1 en:
– deze met de in lid 3 bedoelde uitvoeringsbepalingen niet afdoende kan worden tegengegaan, of dat
– bij ontstentenis van dergelijke bepalingen, de handelwijze de belangen van de andere partij ernstig schaadt of dreigt te schaden of aan haar binnenlandse industrie, met inbegrip van de dienstensector, aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen,
kunnen zij passende maatregelen nemen na overleg in het kader van de Associatieraad of na een termijn van 30 werkdagen volgende op het verzoek om dergelijk overleg.
Met betrekking tot handelwijzen welke onverenigbaar zijn met lid 1, onder iii., van dit artikel, kunnen, indien de GATT erop van toepassing is, deze passende maatregelen alleen worden vastgesteld in overeenstemming met de procedures en voorwaarden bepaald in de GATT en andere in het kader daarvan tot stand gekomen instrumenten die tussen de partijen van toepassing zijn.
7. In afwijking van eventueel daarmee strijdige bepalingen die overeenkomstig lid 3 zijn vastgesteld, wisselen de partijen informatie uit met inachtneming van de beperkingen welke voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.
1. De partijen streven ernaar het opleggen, om redenen verband houdende met de betalingsbalans, van beperkende maatregelen, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot de invoer, te vermijden. Indien dergelijke maatregelen worden genomen, verstrekt de partij die ze heeft genomen de andere partij zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing ervan.
2. Indien zich met betrekking tot de betalingsbalans van een of meer Lid-Staten van de Gemeenschap of van Estland ernstige moeilijkheden voordoen of hiervoor onmiddellijk gevaar bestaat, kan de Gemeenschap respectievelijk Estland in overeenstemming met de voorwaarden van de GATT beperkende maatregelen treffen, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot de invoer; deze maatregelen zijn van beperkte duur en mogen niet verder reiken dan wat noodzakelijk is om de situatie van de betalingsbalans te corrigeren. De Gemeenschap respectievelijk Estland stelt de andere partij daarvan onverwijld in kennis.
3. De beperkende maatregelen mogen geen betrekking hebben op overmakingen in verband met investeringen, inzonderheid de repatriëring van geïnvesteerde of geherinvesteerde bedragen en om het even welke daaruit voortvloeiende inkomsten.
Met betrekking tot overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan speciale of exclusieve rechten zijn toegekend, ziet de Associatieraad erop toe dat vanaf 1 januari 1998 de beginselen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name van artikel 90, en de beginselen van het slotdocument van de bijeenkomst van april 1990 te Bonn van de CVSE, met name de besluitvormingsvrijheid van ondernemers, worden nageleefd.
1. In overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en van bijlage IX bevestigen de partijen het belang dat zij hechten aan een toereikende en doeltreffende bescherming en tenuitvoerlegging van de intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten.
2. Estland ziet verder toe op de verbetering van de bescherming van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten, ten einde uiterlijk op 31 december 1999 te kunnen voorzien in een bescherming overeenkomend met die welke bestaat in de Gemeenschap, met inbegrip van doeltreffende middelen om deze rechten te doen naleven.
3. Uiterlijk op 31 december 1999 treedt Estland toe tot de multilaterale overeenkomsten betreffende intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten bedoeld in punt 1 van bijlage IX, waarbij de Lid-Staten partij zijn of welke de facto door Lid-Staten worden toegepast overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van die overeenkomsten.
4. Indien er zich in verband met de intellectuele, industriële en commerciële eigendom problemen voordoen die van invloed zijn op de omstandigheden waarin het handelsverkeer plaatsvindt, zal op verzoek van een der partijen spoedoverleg worden gepleegd om tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen.
1. De partijen beschouwen de toegang tot overheidsopdrachten op basis van de beginselen van non-discriminatie en wederkerigheid, inzonderheid in de context van de GATT en de WTO, als een na te streven doelstelling.
2. Estlandse vennootschappen in de zin van artikel 45 van deze Overeenkomst krijgen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst toegang tot aanbestedingsprocedures in de Gemeenschap overeenkomstig de in de Gemeenschap geldende regelingen, waarbij zij niet minder gunstig mogen worden behandeld dan communautaire vennootschappen.
Communautaire vennootschappen en filialen van communautaire vennootschappen in de zin van artikel 45, alsmede dochterondernemingen van communautaire vennootschappen in de zin van artikel 45 en in de bij artikel 56 bedoelde vormen krijgen bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst toegang tot aanbestedingsprocedures in Estland, waarbij zij niet minder gunstig mogen worden behandeld dan Estlandse vennootschappen.
De bepalingen van dit lid zijn zodra Estland passende wetgeving heeft vastgesteld tevens van toepassing op openbare aanbestedingen waarop Richtlijn 93/38/EEG van 14 juni 1993 van toepassing is.
3. De artikelen 36 tot en met 59 van deze Overeenkomst zijn van toepassing op vestiging, activiteiten en dienstverrichtingen tussen de Gemeenschap en Estland, alsmede tewerkstelling en het verkeer van werknemers in verband met de uitvoering van overheidsopdrachten.
De partijen erkennen dat een belangrijke voorwaarde voor de economische integratie van Estland in de Gemeenschap de harmonisatie van de bestaande en toekomstige wetgeving van dat land met die van de Gemeenschap is. Estland streeft ernaar dat zijn wetgeving geleidelijk in overeenstemming met die van de Gemeenschap wordt gebracht.
De harmonisatie van de wetgeving omvat in het bijzonder de volgende terreinen: douanerecht, vennootschapsrecht, bankwetgeving, vennootschapsboekhouding en -belasting, intellectuele eigendom, financiële diensten, concurrentieregels, bescherming van de gezondheid en het leven van mensen, dieren en planten, bescherming van werknemers, met inbegrip van gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats, consumentenbescherming, indirecte belastingen, technische voorschriften en normen, wetgeving en reglementering op nucleair gebied, vervoer, telecommunicatie, milieu, overheidsopdrachten, statistiek en produktaansprakelijkheid.
Binnen deze terreinen is snelle vooruitgang bij de harmonisatie van wetgeving in het bijzonder geboden ten aanzien van de interne markt, mededinging, bescherming van werknemers, milieubescherming, consumentenbescherming, financiële diensten en technische voorschriften en normen.
De Gemeenschap verstrekt Estland technische bijstand bij de uitvoering van deze maatregelen, onder meer door:
– uitwisseling van deskundigen,
– verstrekking van tijdige informatie, vooral over relevante wetgeving,
– organisatie van seminars,
– opleidingsactiviteiten,
– steun voor de vertaling van communautaire wetgeving in de betrokken sectoren.
economische samenwerking
1. De Gemeenschap en Estland zetten de ontwikkeling voort van hun economische samenwerking die de ontwikkeling en het groeipotentieel van Estland helpt bevorderen. Die samenwerking versterkt de bestaande economische banden op een zo breed mogelijke basis, zulks ten voordele van beide partijen.
2. Beleidsmaatregelen en andere maatregelen zijn gericht op de economische en sociale ontwikkeling van Estland en gaan uit van het beginsel van duurzame ontwikkeling. Dit beleid houdt in dat vanaf de aanvang ook de milieu-aspecten volledig in het beleid worden geïntegreerd en worden gekoppeld aan de eisen van harmonieuze sociale ontwikkeling.
3. Hiertoe dient de samenwerking in het bijzonder te worden gericht op beleid en maatregelen met betrekking tot de industrie, investeringen, landbouw, de agro-industriële sector, energie, vervoer, regionale ontwikkeling en toerisme.
4. Bijzondere aandacht wordt besteed aan maatregelen die de samenwerking tussen de drie Baltische Staten kunnen bevorderen, evenals die met de overige Midden- en Oosteuropese landen en de overige landen aan de Oostzee, zulks met het oog op een harmonieuze ontwikkeling van de regio.
1. Bij de samenwerking wordt in het bijzonder de bevordering nagestreefd van:
– industriële samenwerking tussen het bedrijfsleven van de twee partijen, in het bijzonder om de particuliere sector in Estland te versterken;
– deelneming van de Gemeenschap aan de inspanningen van Estland om zowel in de openbare als in de particuliere sector zijn industrie te moderniseren en te herstructureren, zulks om de verdere ontwikkeling van een markteconomie op zodanige wijze te bewerkstelligen dat het milieu wordt beschermd;
– herstructurering van de afzonderlijke sectoren;
– vestiging van nieuwe ondernemingen op terreinen met een groeipotentieel, vooral op het gebied van geavanceerde technologie, schone technologieën, consumentengoederen, marktdiensten, branches van de lichte industrie en de houtindustrie.
2. Bij de initiatieven voor industriële samenwerking wordt rekening gehouden met de door Estland vastgelegde prioriteiten. Daarbij wordt in het bijzonder gestreefd naar het uitwerken van een passend kader waarbinnen de ondernemingen kunnen functioneren, het verbeteren van de management-know-how en het bevorderen van doorzichtigheid ten aanzien van afzetmogelijkheden en voorwaarden voor ondernemingen. De Gemeenschap verleent Estland waar nodig technische bijstand.
1. De samenwerking is gericht op instandhouding en indien nodig verbetering van het wettelijk kader alsmede een gunstig klimaat voor en bescherming van binnen- en buitenlandse particuliere investeringen, wat van essentieel belang is voor de economische en industriële wederopbouw en ontwikkeling in Estland. De samenwerking is tevens gericht op stimulering en bevordering van buitenlandse investeringen en privatisering in Estland.
2. De samenwerking is in het bijzonder gericht op:
– het verder ontwikkelen en in stand houden door Estland van een wettelijk kader dat gunstig is voor investeringen en deze beschermt;
– het sluiten door de Lid-Staten en Estland, waar nodig, van bilaterale overeenkomsten ter bevordering en bescherming van investeringen;
– verdere deregulering en verbetering van de economische infrastructuur;
– uitwisseling van informatie over investeringsmogelijkheden in de vorm van handelsbeurzen, tentoonstellingen, handelsweken en andere manifestaties.
De Gemeenschap kan in het beginstadium bijstand verlenen aan organisaties die buitenlandse investeringen bevorderen.
3. Estland zal de voorschriften inzake met handel verband houdende investeringsmaatregelen (TRIM's) naleven.
1. De partijen streven ernaar het midden- en kleinbedrijf en de samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) in de Gemeenschap en Estland te ontwikkelen en versterken.
2. Zij moedigen de uitwisseling van informatie en know-how door middel van:
– verbetering, waar nodig, van de wettelijke, bestuursrechtelijke, technische, fiscale en financiële voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van KMO's en voor grensoverschrijdende samenwerking;
– verlening van gespecialiseerde diensten waaraan de KMO's behoefte hebben (managementopleiding, boekhouding, marketing, kwaliteitscontrole e.d.) en versterking van de instanties die dergelijke diensten verlenen;
– totstandbrenging van de nodige banden met communautaire ondernemers via Europese netwerken voor samenwerking tussen ondernemingen, teneinde de informatiestroom naar KMO's te verbeteren en grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.
3. De samenwerking omvat mede het verstrekken van technische bijstand, met name om het midden- en kleinbedrijf op nationaal en regionaal niveau de nodige institutionele ondersteuning te bieden bij de dienstverlening inzake financiën, opleiding, adviesverstrekking, technologie en marketing.
1. De samenwerking tussen de partijen is met name gericht op verkleining van de verschillen op het gebied van standaardisering, technische regelgeving en conformiteitsbeoordelingsprocedures, waar nodig met steun van de Gemeenschap.
2. Daartoe streeft de samenwerking het volgende na:
– bevordering van het gebruik van communautaire technische voorschriften en Europese normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, met dien verstande dat het Estland toegestaan is om voor het verwezenlijken van zijn doelstellingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu indien nodig bijzondere (strengere) normen te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen;
– waar nodig, het sluiten van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning op deze gebieden;
– bevordering van actieve en regelmatige deelneming van Estland aan de werkzaamheden van gespecialiseerde organisaties (CEN, CENELEC, ETSI, EOTC, EUROMET);
– waar nodig, het sluiten van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning op deze gebieden;
– het bevorderen van de uitwisseling van technische en methodologische informatie op het gebied van kwaliteitscontrole en het produktieproces.
3. De Gemeenschap verleent Estland waar nodig technische bijstand.
1. De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling. Zij besteden daarbij bijzondere aandacht aan de volgende aspecten:
– uitwisseling van informatie over elkaars wetenschaps- en technologiebeleid;
– organisatie van gezamenlijke wetenschappelijke bijeenkomsten (seminars en werkgroepen);
– gezamenlijke O & O-activiteiten om de wetenschappelijke vooruitgang en de overdracht van technologie en know-how te bevorderen;
– opleidingsactiviteiten en programma's ter bevordering van de mobiliteit ten behoeve van onderzoekers en specialisten aan beide zijden;
– het creëren van een klimaat dat bevorderlijk is voor onderzoek, de toepassing van nieuwe technologieën en adequate bescherming van de intellectuele eigendom van onderzoeksresultaten;
– deelname van Estland aan communautaire onderzoeksprogramma's overeenkomstig lid 3.
Waar nodig wordt technische bijstand verleend.
2. De Associatieraad stelt passende procedures voor het ontwikkelen van de samenwerking vast.
3. De samenwerking die valt onder het kaderprogramma van de Gemeenschap op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling wordt ten uitvoer gelegd via afzonderlijke akkoorden waarvoor de onderhandelingen en de sluiting verlopen overeenkomstig de wettelijke procedures van de respectieve partijen.
1. De samenwerking is gericht op een harmonieuze ontwikkeling van het menselijk potentieel en het verhogen van het niveau van het algemeen onderwijs en de beroepskwalificaties in Estland, zowel in de openbare als in de particuliere sector, rekening houdend met de prioriteiten van Estland. Institutionele kaders en samenwerkingsprogramma's worden opgezet onder auspiciën van de Europese Stichting voor Opleiding, het Tempus-programma en de Eurofaculteit. In dit verband zal ook de deelname van Estland aan andere communautaire programma's worden onderzocht.
2. De samenwerking wordt in het bijzonder gericht op de volgende terreinen:
– hervorming van het onderwijs- en opleidingsstelsel in Estland;
– basisopleiding, bijscholing en herscholing, met inbegrip van de opleiding van leidinggevend personeel in de particuliere en overheidssector en hogere ambtenaren, met name op nog vast te stellen prioritaire terreinen;
– praktijkstages voor onderwijzend personeel;
– samenwerking tussen universiteiten onderling, samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen en mobiliteit voor onderwijzend personeel, studerenden, administrateurs en jongeren;
– bevordering van het onderwijs op het gebied van Europese studies in de relevante instellingen;
– wederzijdse erkenning van studieperioden en diploma's;
– het bevorderen van talenstudie in Estland, met name voor ingezetenen die tot een minderheidsgroep behoren;
– het doceren van communautaire talen, opleiding van vertalers en tolken en bevordering van het gebruik van communautaire normen en terminologie;
– ontwikkeling van afstandsonderwijs en nieuwe opleidingstechnieken;
– verstrekking van onderwijsmaterialen en hulpmiddelen;
– samenwerking met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (CEDEFOP).
1. De samenwerking op dit terrein is gericht op modernisering, herstructurering en privatisering van de landbouw, de zoetwatervisserij (op de binnenwateren) en de agro-industriële sector, alsmede de bosbouw. De samenwerking bevordert de bescherming en het duurzaam gebruik van het natuurlijke landschap en niet-vervuilde gronden.
De samenwerking beoogt hiertoe met name:
– ontwikkeling van particuliere landbouwbedrijven en distributiekanalen, opslagmethoden, marketing e.d.;
– modernisering van de plattelandsinfrastructuur (vervoer, watervoorziening, telecommunicatie);
– verbetering van de ruimtelijke ordening, met inbegrip van nieuwbouwplanning en stadsplanning;
– ontwikkeling van criteria voor de extensieve en intensieve landbouw, bosbouw en zoetwatervisserij (op de binnenwateren), overeenkomstig nationale en regionale bestemmingsplannen en ontwikkelingsprogramma's;
– het ontwikkelen en bevorderen van effectieve samenwerking op het gebied van landbouwinformatiesystemen;
– verbetering van de produktiviteit en de kwaliteit door het gebruik van passende methoden en produkten; opleiding voor en toezicht bij het gebruik van methoden voor bestrijding van met landbouwinputs verband houdende verontreiniging;
– bevordering van de ontwikkeling van organische landbouwmethoden, verwerking en marketing van de produktie;
– bevordering van het gebruik van communautaire voedselnormen;
– herstructurering, ontwikkeling en modernisering van voedselverwerkende bedrijven en hun afzetmethoden;
– bevordering van de complementariteit in de landbouw;
– bevordering van industriële samenwerking in de landbouwsector en van uitwisseling van know-how, in het bijzonder tussen de particuliere sector in de Gemeenschap en Estland;
– ontwikkeling van de samenwerking op het gebied van de gezondheid van dieren en planten, teneinde te komen tot een geleidelijke harmonisatie met de communautaire normen via bijstand voor de opleiding en het organiseren van controles;
– uitwisseling van informatie over landbouwpolitiek en wetgeving;
– bevordering van joint ventures, met name ten behoeve van samenwerking op de markt van derde landen.
2. Voor deze doeleinden wordt door de Gemeenschap waar nodig technische bijstand verleend.
1. De partijen ontwikkelen de samenwerking op het gebied van de visserij overeenkomstig de Overeenkomst inzake de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Estland.
2. Bij de samenwerking wordt met name acht geslagen op:
– de totstandbrenging van duurzame visserij in de wereldzeeën en de Oostzee;
– de traditionele samenwerking op visserijgebied;
– de noodzaak visserijcontrolesystemen, vangststatistieken en informatiesystemen te ontwikkelen;
– de ontwikkeling van het wetenschappelijk potentieel voor de studie van de visstand in de Oostzee en gezamenlijke maatregelen tot behoud en herstel van de visstand (met name van zalm en kabeljauw), alsmede de invoering van nieuwe technologieën op dit gebied;
– de geleidelijke modernisering van de Estlandse visserijvloot en de visverwerkende industrie door middel van het oprichten van joint ventures;
– de ontwikkeling van particuliere ondernemingen op dit gebied en de noodzaak van het benutten van de EG-ervaring met marketingtechnieken;
– de ontwikkeling van industriële samenwerking op het gebied van de visserij en uitwisseling van know-how;
– invoering in Estland van EG-normen voor produktiekwaliteit en gezondheid voor de visteelt (met inbegrip van de voeding);
– de uitwisseling van informatie over het visserijbeleid en de visserijwetgeving en de totstandbrenging van een markt voor visserijprodukten;
– samenwerking binnen internationale visserijorganisaties.
1. In het kader van de beginselen van de markteconomie en het Verdrag inzake het Europees Energiehandvest werken de partijen samen aan geleidelijke integratie van de energiemarkten in Europa.
2. De samenwerking is met name gericht op de volgende gebieden:
– formuleren en plannen van het energiebeleid, met inbegrip van de aspecten op lange termijn;
– beheer en opleiding in de energiesector;
– bevordering van energiebesparing en efficiënt gebruik van energie;
– ontwikkeling van energiebronnen;
– verbetering van de distributie en verbetering en diversificatie van de voorziening;
– milieu-effecten van energieproduktie en -verbruik;
– de sector kernenergie, met name nucleaire veiligheid;
– ruimere openstelling van de energiemarkt, met inbegrip van het vereenvoudigen van de doorvoer van gas en elektriciteit;
– de sectoren elektriciteit en gas, met inbegrip van onderzoek naar de mogelijkheid om de Europese voorzieningsnetten te koppelen;
– modernisering van de energie-infrastructuur;
– de opstelling van kadervoorwaarden voor samenwerking tussen ondernemingen in deze sector;
– overdracht van technologie en know-how;
– samenwerking op het gebied van het prijsbeleid en het fiscaal beleid in de energiesector;
– regionale samenwerking tussen de Oostzee-Staten in de energiesector, met name als belangrijke bijdrage tot de zekerheid van de energievoorziening in de regio.
3. Waar nodig wordt technische bijstand verleend.
1. Het doel van de samenwerking is mogelijkheden te verschaffen voor een veiliger gebruik van kernenergie.
2. De samenwerking op nucleair gebied bestrijkt met name de volgende terreinen:
– onderzoek en beschermingsmaatregelen ter verhoging van de veiligheid, met name met betrekking tot het afval van de uraniumertsverwerkingsfabriek te Sillamäe, en het voormalige sovjet-opleidingscentrum voor kernonderzeeërs te Paldiski;
– opleiding van personeel;
– verbetering van de wetten en voorschriften van Estland inzake nucleaire veiligheid en uitbreiding van de bevoegdheden van toezichthoudende autoriteiten en van hun middelen;
– nucleaire veiligheid, het voorbereid zijn op nucleaire noodsituaties en maatregelen bij nucleaire noodsituaties;
– stralingsbescherming, met inbegrip van meting van de straling in het milieu;
– vraagstukken in verband met de splijtstofcyclus, splijtstofbewaking en fysieke bescherming van nucleaire materialen;
– beheer van radioactieve afvalstoffen;
– buitenbedrijfstelling en ontmanteling van nucleaire installaties;
– ontsmetting;
– vaststelling van uniforme veiligheidsnormen ter bescherming van de gezondheid van werknemers, de bevolking en het milieu, en maatregelen ter verzekering van de toepassing ervan.
3. De samenwerking omvat de uitwisseling van informatie en ervaring alsmede O & O-activiteiten overeenkomstig de bepalingen inzake wetenschap en technologie.
4. De partijen zijn het eens over de noodzaak te streven naar samenwerking, binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden, ter bestrijding van het smokkelen van nucleaire materialen. De samenwerking op dit gebied dient onder meer in te houden uitwisseling van informatie, technische bijstand bij analyse, identificatie en verwijdering van het materiaal en administratieve bijstand bij het opzetten van efficiënte douanecontrole. Indien de noodzaak daartoe zich voordoet kunnen verdere samenwerkingsgebieden worden vastgesteld.
1. De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking op het gebied van milieubescherming en volksgezondheid.
2. De samenwerking heeft met name betrekking op:
– effectieve controle van het verontreinigingspeil;
– bestrijding van plaatselijke, regionale en grensoverschrijdende lucht- en waterverontreiniging;
– efficiënte, duurzame en schone technieken voor energieproduktie en -verbruik; de veiligheid van industriële installaties (met inbegrip van nucleaire faciliteiten);
– classificatie en veilige behandeling van chemische stoffen;
– de waterkwaliteit, in het bijzonder van grensoverschrijdende waterwegen (bescherming van de Oostzee tegen verontreiniging afkomstig van schepen, kunstmatige eilanden, platforms en andere bronnen);
– het verminderen, recycleren en veilig verwijderen van afvalstoffen; de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Bazel;
– duurzaam gebruik van niet-onuitputtelijke natuurlijke hulpbronnen;
– de milieu-effecten van de landbouw, bodemerosie en bodemverontreiniging door landbouwchemicaliën, eutrofiëring van het water;
– bescherming van bossen, flora en fauna;
– behoud van de biodiversiteit;
– beschermde gebieden;
– ruimtelijke ordening, met inbegrip van nieuwbouwplanning en stadsplanning;
– verbetering van het openbaar vervoer, met name in de steden;
– aanwending van economische en fiscale instrumenten;
– kustbeheer en voorkoming van zeeverontreiniging;
– klimaatverandering op wereldniveau;
– sanering van besmette gebieden;
– bescherming van de volksgezondheid tegen milieurisico's.
3. De samenwerking heeft met name op de volgende wijze plaats:
– uitwisseling van informatie en deskundigen, onder meer op het gebied van de overdracht van schone technologieën en het veilige gebruik van milieuvriendelijke biotechnologieën;
– institutionele versterking en opleidingsprogramma's;
– overdracht van technologie en know-how;
– harmonisatie van wetgeving (communautaire normen);
– samenwerking in regionaal verband (met inbegrip van samenwerking tussen de drie Baltische Staten en in het kader van het Europees Milieuagentschap) en in internationaal verband;
– uitstippelen van strategieën, vooral in verband met wereldomvattende en klimatologische kwesties;
– onderwijs en voorlichting inzake het milieu;
– milieu-effectrapportage.
1. De partijen ontwikkelen en intensiveren hun samenwerking op vervoersgebied om Estland in staat te stellen:
– het vervoer te herstructureren en te moderniseren;
– het verkeer van personen en goederen, en de toegang tot de vervoersmarkt te verbeteren door het wegwerken van administratieve, technische en andere belemmeringen;
– het communautaire transitovervoer over de weg, per spoor, over de waterwegen en in het kader van gecombineerd vervoer door Estland te vergemakkelijken;
– exploitatienormen tot stand te brengen die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap;
– de veiligheid van verkeer en vervoer te verbeteren en schadelijke effecten voor het milieu te reduceren.
2. De samenwerking omvat met name:
– economische, juridische en technische opleidingsprogramma's en het opzetten van het juridische en institutionele kader voor beleidsontwikkeling en -tenuitvoerlegging, met inbegrip van privatisering van de vervoerssector;
– het verlenen van technische bijstand en advies, en de uitwisseling van informatie (conferenties en seminars);
– ondersteuning van de ontwikkeling van infrastructuur in Estland.
3. De volgende samenwerkingsterreinen zijn prioritair:
– aanleg en modernisering van de infrastructuur met betrekking tot de wegen, spoorwegen, binnenwateren, havens en luchthavens, langs erkende transeuropese corridors en hoofdverbindingswegen van gemeenschappelijk belang;
– verbetering van condities, vermindering van wachttijden en vergemakkelijking van de doorvoer aan grensovergangen langs het Estlandse traject van de op Kreta vastgestelde multimodale corridor 1, overeenkomstig de normen voor interoperabiliteit die in internationale overeenkomsten van de Europese Unie zijn vastgesteld;
– beheer van spoorwegen, havens en luchthavens, met inbegrip van samenwerking tussen de ter zake bevoegde nationale instanties;
– ruimtelijke ordening, met inbegrip van nieuwbouwplanning en stadsplanning;
– verbetering van de technische installaties zodat deze aan de communautaire normen voldoen, vooral op het gebied van gecombineerd weg- en spoorwegvervoer, containerisering en overslag;
– bijdragen tot de ontwikkeling van vervoerbeleid dat verenigbaar is met dat van de Gemeenschap;
– bevordering van de korte vaart als alternatief voor het overlandvervoer en als voor het Oostzeegebied bijzonder geschikte vervoersvorm;
– bevordering van gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's;
– concrete projecten in tri- of multilateraal (Raad van de Oostzee-Staten) regionaal samenwerkingsverband, zoals de Via Baltica;
– uitwisseling van vervoersgegevens.
1. De partijen streven naar verruiming en versterking van hun samenwerking op het gebied van de telecommunicatie. Dit houdt in:
– de uitwisseling van informatie over het telecommunicatie-, post- en omroepbeleid;
– totstandbrenging van een stabiel en samenhangend regelgevingskader voor telecommunicatie, post en omroep;
– uitwisseling van technische en andere informatie en organisatie van seminars, werkgroepen en conferenties voor deskundigen van beide zijden;
– opleiding en adviesverlening;
– overdracht van technologie;
– gezamenlijke uitvoering van projecten door de bevoegde instanties aan beide zijden;
– bevordering van Europese normen en certificatiesystemen;
– bevordering van nieuwe communicatiemiddelen, -diensten en -installaties, met name met die commerciële toepassingen;
2. Deze activiteiten worden op de volgende prioritaire terreinen toegespitst:
– de ontwikkeling en toepassing van een sectoraal marktbeleid voor telecommunicatie, post en omroep in Estland en van wetten, regelingen en procedures;
– modernisering van het Estlandse telecommunicatienetwerk en de integratie daarvan in Europese en wereldomspannende netwerken;
– samenwerking in het kader van de Europese normalisatiestructuren;
– integratie van transeuropese systemen;
– juridische aspecten van de telecommunicatie;
– beheer van de telecommunicatie in het nieuwe Europese ondernemingsklimaat: organisatiestructuren, strategie en planning, inkoopbeginselen, tariefstructuur voor spraaktelefonie;
– ruimtelijke ordening, met inbegrip van nieuwbouwplanning en stadsplanning;
– modernisering van het datanetwerk en ontwikkeling van gecomputeriseerde informatiediensten.
De partijen streven naar verruiming en versterking van hun samenwerking teneinde een Wereldwijde Informatie-infrastructuur op te zetten. Dit houdt in:
– uitwisseling van informatie over beleid en programma's gericht op het opzetten van de informatie-infrastructuur en de daarop betrekking hebbende diensten;
– nauwe samenwerking tussen instellingen die bestaande informatienetwerken beheren (academische en/of overheidsinstanties);
– uitwisseling van informatie over technologieën, marktbehoeften en andere informatie, organisatie van seminars, werkgroepen en conferenties voor deskundigen en ondernemers van beide zijden;
– opleiding en adviesverlening;
– gezamenlijke uitvoering van projecten;
– bevordering en harmonisering van normalisatie, certificatie en keuring;
– bevordering van een passend regelgevingskader;
– activiteiten ter bevordering van de groei van informatiediensten en -infrastructuur;
1. De partijen werken samen aan vaststelling en ontwikkeling van passende maatregelen voor de stimulering van het bank- en verzekeringswezen en van de financiële dienstensector in Estland.
2. De samenwerking heeft voornamelijk betrekking op:
– verbetering van de doeltreffendheid van de accountancy- en boekhoudcontrolesystemen in Estland aan de hand van internationale regels en de in de Gemeenschap gehanteerde normen;
– uitbreiding en herstructurering van het bankwezen en de financiële diensten;
– verbetering en harmonisatie van het toezicht op en de reglementering van het bankwezen en van de financiële diensten;
– het opstellen van terminologische glossaria;
– uitwisseling van informatie, met name met betrekking tot wetten of wetsontwerpen;
– het opstellen en vertalen van communautaire en Estlandse wetgeving.
3. Met het oog op het bovenstaande omvat de samenwerking het verstrekken van technische bijstand en opleiding.
1. De partijen werken samen aan de ontwikkeling van doeltreffende financiële en boekhoudkundige controlesystemen voor het Estlandse overheidsapparaat, uitgaande van de in de Gemeenschap gangbare methoden en procedures.
2. De samenwerking heeft voornamelijk betrekking op:
– uitwisseling van nuttige informatie met betrekking tot boekhoudkundige controlesystemen;
– harmonisatie van voor boekhoudkundige controles te gebruiken bescheiden;
– opleiding en adviesverstrekking.
3. De Gemeenschap verstrekt met het oog op het bovenstaande zo nodig technische bijstand.
Op verzoek van de Estlandse autoriteiten verstrekt de Gemeenschap technische bijstand ter ondersteuning van het streven van Estland naar geleidelijke aanpassing van zijn beleid aan het Europees Monetair Stelsel. Dit houdt mede in informele uitwisseling van gegevens over de beginselen en de werking van het Europees Monetair Stelsel.
1. De partijen zijn het eens over de noodzaak van intensieve inspanningen en samenwerking om te voorkomen dat hun financiële bestel wordt gebruikt voor het witwassen van de opbrengst van criminele activiteiten in het algemeen en drugsmisdrijven in het bijzonder.
2. De samenwerking op dit gebied omvat administratieve en technische bijstand met het oog op de vaststelling van geschikte normen ter voorkoming van het witwassen van geld welke gelijkwaardig zijn aan die welke gehanteerd worden door de Gemeenschap en andere internationale instanties op dit gebied, in het bijzonder de Financial Action Task Force (FATF).
1. De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van de regionale ontwikkeling en de ruimtelijke ordening.
2. Te dien einde kunnen de volgende maatregelen worden genomen:
– uitwisseling van informatie door nationale, regionale of plaatselijke instanties over het beleid inzake regionale planning en ruimtelijke ordening, en waar nodig het verstrekken van bijstand aan Estland voor het uitwerken van dat beleid;
– gezamenlijke acties van regionale en plaatselijke instanties op het gebied van de economische ontwikkeling;
– het bestuderen van een gezamenlijke aanpak van de ontwikkeling van interregionale samenwerking met de communautaire regio's aan de Oostzee;
– wederzijdse bezoeken om de mogelijkheden voor samenwerking en bijstand na te gaan;
– uitwisseling van ambtenaren en deskundigen;
– het verstrekken van technische bijstand met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van achtergebleven gebieden;
– programma's voor de uitwisseling van informatie en ervaringen, met name in het kader van seminars.
1. Op het gebied van de gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats en de volksgezondheid is de samenwerking tussen de partijen erop gericht het peil van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te verhogen, met als referentiepunt de mate van bescherming die in de Gemeenschap bestaat. De samenwerking heeft in het bijzonder betrekking op:
– technische bijstand;
– uitwisseling van deskundigen;
– samenwerking tussen ondernemingen;
– informatie en opleidingsacties;
– samenwerking op het gebied van de volksgezondheid.
2. Op het gebied van de werkgelegenheid heeft de samenwerking tussen de partijen met name betrekking op:
– de organisatie van de arbeidsmarkt;
– modernisering van diensten voor arbeidsbemiddeling en loopbaanadvies;
– planning en tenuitvoerlegging van regionale herstructureringsprogramma's;
– het stimuleren van de plaatselijke werkgelegenheid.
De samenwerking op dit gebied heeft plaats in de vorm van studies, het ter beschikking stellen van deskundigen en het verstrekken van voorlichting en opleiding.
3. Met betrekking tot de sociale zekerheid is de samenwerking tussen de partijen gericht op de aanpassing van het sociale-zekerheidsstelsel in Estland aan de nieuwe economische en sociale situatie, in hoofdzaak via de terbeschikkingstelling van deskundigen, voorlichting en opleiding.
De partijen intensiveren en ontwikkelen hun samenwerking op het gebied van het toerisme, welke met name gericht is op:
– vergemakkelijking van de toeristenindustrie;
– het verbeteren van de informatiestroom via internationale netwerken, databanken e.d.;
– overdracht van know-how via opleiding, uitwisseling en seminars;
– intensivering van regionale samenwerkingsprojecten;
– het bestuderen van de mogelijkheden voor gezamenlijke acties (grensoverschrijdende projecten, stedenjumelages, enz.);
– het invoeren van geautomatiseerde boekings- en informatiesystemen (bij voorkeur voor alle drie de Baltische Staten gemeenschappelijk) en van normen voor de consumentenbescherming van toeristen.
1. De Gemeenschap en Estland ondernemen op het gebied van informatie en communicatie de nodige stappen om een doeltreffende onderlinge uitwisseling van informatie te stimuleren. Prioriteit wordt verleend aan programma's om het publiek te voorzien van basisinformatie over de Gemeenschap, en om specifieke kringen in Estland meer gespecialiseerde informatie te verstrekken, waar mogelijk met inbegrip van toegang tot communautaire databanken.
2. De partijen coördineren en harmoniseren waar nodig hun beleid met betrekking tot regelgeving voor grensoverschrijdende omroep, technische normen en de promotie van Europese audiovisuele technologie.
3. De samenwerking kan waar nodig inhouden het organiseren van uitwisselingsprogramma's, het verstrekken van toelagen en opleidingsfaciliteiten voor journalisten en deskundigen op mediagebied.
1. De partijen werken samen om te komen tot volledige verenigbaarheid van de regelingen inzake consumentenbescherming in Estland en de Gemeenschap. Doeltreffende bescherming van de consument is noodzakelijk voor een goed functionerende markteconomie.
2. Met dit doel en gezien hun gemeenschappelijke belangen stimuleren de partijen en verplichten zij zich tot:
– een beleid van actieve bescherming van de consument overeenkomstig de communautaire wetgeving en alle relevante VN-richtlijnen inzake consumentenbescherming;
– aanpassing van de wetgeving en de consumentenbescherming in Estland aan die van de Gemeenschap;
– doeltreffende juridische bescherming van consumenten, teneinde de kwaliteit van consumptiegoederen te verhogen en passende veiligheidsnormen te handhaven.
3. De samenwerking houdt mede in:
– uitwisseling van informatie over gevaarlijke produkten;
– opleiding van deskundigen op het gebied van consumentenbescherming ten behoeve van de overheid en van NGO's;
– steun bij het opzetten van onafhankelijke organisaties om de bewustheid van de consumenten te verhogen, met name door het geven van voorlichting;
– het opzetten van informatie- en adviescentra voor het beslechten van geschillen en het verstrekken van juridisch en ander advies aan consumenten; er wordt voorzien in samenwerking tussen centra in Estland en in de Gemeenschap;
– toegang tot communautaire databanken;
– het opzetten van uitwisselingsregelingen voor consumentenvertegenwoordigers.
4. Waar nodig verleent de Gemeenschap technische bijstand.
1. De partijen verbinden zich ertoe de samenwerking op douanegebied te ontwikkelen teneinde ervoor zorg te dragen dat de vast te stellen bepalingen in verband met het handelsverkeer worden nageleefd en dat het Estlandse douanesysteem aan dat van de Gemeenschap wordt aangepast, waardoor de in het kader van deze Overeenkomst geplande stappen in de richting van liberalisering worden vergemakkelijkt.
2. De samenwerking omvat in het bijzonder:
– uitwisseling van informatie, ook met betrekking tot onderzoeksmethoden;
– ontwikkeling van infrastructuur aan de grensovergangen;
– invoering van het enig document en koppeling van de stelsels voor douanevervoer van de Gemeenschap en Estland;
– vereenvoudiging van controles en formaliteiten voor het goederenvervoer;
– organisatie van seminars en stages;
– bijstand bij de invoering van moderne douane-informatiesystemen;
– aanpassing van de Estlandse nomenclatuur van goederen aan de Gecombineerde Nomenclatuur van de Gemeenschap;
– aanpassing van de structuur van het Estlandse stelsel van douanetarieven aan dat van de Gemeenschap.
Waar nodig wordt technische bijstand verleend.
3. Onverminderd de verdere bepalingen inzake samenwerking van deze Overeenkomst en in het bijzonder artikel 99 en Titel VII vindt de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten op douanegebied van de partijen plaats overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 5.
1. De samenwerking op dit gebied beoogt het ontwikkelen van een efficiënt statistiekstelsel om snel en tijdig de nodige betrouwbare statistieken op te stellen om het economisch hervormingsproces te ondersteunen en te volgen en om bij te dragen tot de ontwikkeling van het particulier ondernemerschap in Estland.
2. De samenwerking tussen de partijen is in het bijzonder gericht op:
– versterking van het statistische stelsel van Estland;
– harmonisatie met internationale (met name communautaire) methoden, normen en classificaties;
– het beschikbaar maken van de gegevens die nodig zijn om de economische hervormingen in stand te houden en te controleren;
– het ter beschikking stellen van de nodige macro- en micro-economische gegevens aan de particuliere sector, de pers en andere maatschappelijke en economische subjecten;
– het waarborgen van de vertrouwelijkheid van gegevens;
– uitwisseling van statistische informatie.
3. Waar nodig wordt door de Gemeenschap technische bijstand verleend.
1. De Gemeenschap en Estland vergemakkelijken het proces van economische hervormingen en integratie door samenwerking gericht op een beter inzicht in de basisbeginselen van hun respectieve economieën en op het uitstippelen en uitvoeren van een economisch beleid in het kader van een vrije-markteconomie.
2. De Gemeenschap en Estland zullen met het oog daarop:
– informatie uitwisselen over macro-economische prestaties en vooruitzichten en over ontwikkelingsstrategieën;
– gezamenlijk economische kwesties van wederzijds belang analyseren, met inbegrip van het uitstippelen van een economisch beleid en de instrumenten voor de tenuitvoerlegging daarvan;
– met name in het kader van het actieprogramma voor samenwerking op economisch gebied (ACE: Action for Cooperation in Economics) een brede samenwerking tussen economen en managers in de Gemeenschap en Estland aanmoedigen, teneinde de overdracht van know-how voor het uitwerken van een economisch beleid te versnellen en te zorgen voor de ruime verspreiding van onderzoekresultaten die voor het beleid van belang kunnen zijn.
De partijen bevorderen samenwerking tussen hun overheidsinstanties, waaronder het opzetten van uitwisselingsprogramma's, teneinde de wederzijdse bekendheid met de structuur en het functioneren van elkaars systemen te vergroten.
1. Binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen aan het verhogen van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het beleid en de maatregelen om de illegale produktie en aanvoer van en handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, evenals het oneigenlijk gebruik van precursoren, te bestrijden, alsmede aan bevordering van de preventie en terugdringing van de vraag naar verdovende middelen.
2. De partijen komen overeen welke samenwerkingsmethoden er nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken, met inbegrip van de wijze van tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke acties.
3. Hun optreden wordt gebaseerd op overleg en nauwe coördinatie met betrekking tot de doelstellingen en beleidsmaatregelen op de in lid 1 genoemde terreinen, en houdt mede in het verstrekken van technische bijstand door de Gemeenschap waar dit mogelijk is.
De samenwerking ter bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen omvat technische en administratieve bijstand, zoals:
– uitwerking en tenuitvoerlegging van nationale wetgeving;
– oprichting of versterking van instellingen en informatiecentra en van centra voor sociale gezondheidszorg;
– het verhogen van de doeltreffendheid van instellingen die betrokken zijn bij de bestrijding van de illegale drugshandel;
– opleiding van personeel; onderzoek;
– preventie van het onrechtmatig gebruik van precursoren en andere belangrijke chemische stoffen die gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, door het vaststellen van passende normen, gelijkwaardig met die van de Gemeenschap en van relevante internationale organen, inzonderheid de Chemical Action Task Force (CATF).
De partijen kunnen overeenkomen de samenwerking tot andere terreinen uit te breiden.
SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN VOORKOMING VAN ILLEGALE ACTIVITEITEN
1. De partijen werken binnen de grenzen van hun bevoegdheden samen ter voorkoming van illegale activiteiten, zoals met name:
– illegale immigratie en de illegale aanwezigheid van hun onderdanen op het grondgebied van de andere partij, met inachtneming van het beginsel en de praktijk van wedertoelating;
– corruptie;
– illegale transacties met betrekking tot industriële afvalstoffen en vervalste produkten;
– illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
– georganiseerde misdaad;
– mensensmokkel en criminaliteit in verband met de activiteiten van illegale immigratienetwerken;
– diefstal van en illegale handel in radioactieve en nucleaire materialen;
– illegale overbrenging van motorvoertuigen.
2. De samenwerking op de in lid 1 genoemde terreinen is gebaseerd op wederzijds overleg en nauwe coördinatie tussen de partijen en omvat technische en administratieve bijstand met betrekking tot:
– het opstellen van nationale wetgeving;
– de oprichting van informatiecentra en databases;
– verhoging van de doeltreffendheid van instellingen die belast zijn met het voorkomen van illegale activiteiten;
– de opleiding van personeel en de ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuur;
– de uitwerking van voor beide partijen aanvaardbare maatregelen ter bestrijding van illegale activiteiten.
De partijen kunnen overeenkomen de samenwerking tot andere terreinen uit te breiden.
1. De partijen verbinden zich tot het bevorderen, aanmoedigen en vergemakkelijken van de culturele samenwerking. Waar nodig kunnen de communautaire programma's voor culturele samenwerking of de programma's van een of meer Lid-Staten tot Estland worden uitgebreid en verdere maatregelen van wederzijds belang worden ontwikkeld.
Deze samenwerking kan met name betrekking hebben op:
– vertaling van literaire werken;
– uitwisseling van niet-commerciële kunstwerken en van kunstenaars;
– het conserveren en restaureren van monumenten en plaatsen (het architectonisch en cultureel erfgoed);
– opleiding, met name op het gebied van kunstmanagement;
– culturele evenementen (bijvoorbeeld muziekfestivals);
– publiciteit over belangrijke culturele evenementen.
2. De partijen kunnen samenwerken op het gebied van de promotie van de Europese audiovisuele industrie. Met name is het mogelijk dat de Estlandse audiovisuele sector deelneemt aan activiteiten die door de Gemeenschap in het kader van het MEDIA-programma worden georganiseerd, overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld door de instanties die voor de diverse activiteiten verantwoordelijk zijn, alsmede het besluit van de Raad van 21 december 1990 waarbij het programma werd ingesteld.
De partijen coördineren en waar nodig harmoniseren hun beleid inzake de reglementering van grensoverschrijdende radio- en televisie-uitzendingen, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan vraagstukken met betrekking tot de verkrijging van intellectuele-eigendomsrechten voor satelliet- of kabeluitzendingen, inzake technische normen en de promotie van Europese audiovisuele technologie.
De samenwerking kan onder andere inhouden uitwisseling van programma's, studietoelagen en opleidingsfaciliteiten voor journalisten en andere mediaspecialisten.
Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst, in overeenstemming met de artikelen 103, 104, 105 en 106, en onverminderd artikel 105, ontvangt Estland tijdelijk financiële bijstand van de Gemeenschap in de vorm van subsidies en leningen, met inbegrip van leningen van de Europese Investeringsbank (EIB), overeenkomstig artikel 18 van het Statuut van de Bank, teneinde de economische hervorming van Estland te versnellen.
Deze financiële bijstand wordt verstrekt:
– hetzij in het kader van een indicatief PHARE-meerjarenprogramma, zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad, als gewijzigd, hetzij in het kader van een nieuw meerjarig financieringsplan dat door de Gemeenschap wordt opgezet na overleg met Estland en met inachtneming van de overwegingen van de artikelen 104 en 105;
– in de vorm van een lening of leningen van de EIB met een nog vast te stellen maximum en looptijd; een en ander na overleg met Estland overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
De doelstellingen en terreinen van de financiële bijstand van de Gemeenschap worden door de partijen in overleg in een indicatief programma vastgelegd. De partijen stellen de Associatieraad daarvan in kennis.
1. Indien zich bijzondere behoeften voordoen, onderzoekt de Gemeenschap, met inachtneming van de beschikbaarheid van alle financiële middelen, op verzoek van Estland en in coördinatie met de internationale financiële instellingen in het kader van de G-24 de mogelijkheid om tijdelijk financiële bijstand te verlenen
– ter ondersteuning van maatregelen voor het handhaven van de convertibiliteit van de Estlandse munteenheid;
– ter ondersteuning van maatregelen op de middellange termijn voor stabilisering en structurele aanpassing, onder meer via steun voor de betalingsbalans.
2. Deze financiële bijstand wordt verleend op voorwaarde dat Estland door het Internationaal Monetair Fonds in het kader van de G-24 ondersteunde programma's indient voor convertibiliteit en/of voor herstructurering van zijn economie, naar gelang van de behoeften, dat de Gemeenschap met die programma's instemt, dat Estland zich aan die programma's blijft houden en, als uiteindelijk doel, dat een snelle overgang naar financiering uit particuliere bronnen tot stand komt.
3. De Associatieraad wordt ingelicht over de voorwaarden waaronder de bijstand wordt verleend en over de wijze waarop Estland zijn verplichtingen met betrekking tot de bijstand nakomt.
De financiële bijstand van de Gemeenschap wordt beoordeeld in het licht van de behoeften en van het ontwikkelingspeil van Estland, met inachtneming van de vastgestelde prioriteiten, de absorptiecapaciteit van de Estlandse economie, het vermogen van het land om leningen af te lossen, en de verdere ontwikkeling van de markteconomie en herstructurering in Estland.
Om optimaal profijt te kunnen trekken uit de beschikbare middelen zorgen de partijen ervoor dat de bijdragen van de Gemeenschap worden toegekend in nauwe coördinatie met die uit andere financieringsbronnen, zoals de Lid-Staten, andere landen, onder meer die van de G-24, en internationale financiële instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds, de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.
Estland neemt deel aan kaderprogramma's, specifieke programma's, projecten en andere activiteiten van de Gemeenschap op de in bijlage XX vastgestelde gebieden. De Associatieraad stelt de voorwaarden voor de deelname van Estland aan de in bijlage XX genoemde activiteiten vast onverminderd de huidige deelname van Estland aan die activiteiten. Bij het vaststellen van de financiële bijdrage van Estland aan de in bijlage XX genoemde activiteiten wordt uitgegaan van het beginsel dat de kosten die uit de deelname van Estland voortvloeien door Estland zelf worden gedragen. Indien nodig kan de Gemeenschap per afzonderlijk geval, overeenkomstig de voorschriften die op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn, besluiten tot een aanvulling op Estlands bijdrage.
INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN
Er wordt een Associatieraad opgericht die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst. De Associatieraad komt eens per jaar of telkens wanneer de omstandigheden zulks vereisen op ministerieel niveau bijeen. Hij behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van de Overeenkomst voordoen en alle andere bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.
1. De Associatieraad bestaat uit leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en uit door de Regering van Estland benoemde leden, anderzijds.
2. De leden van de Associatieraad mogen regelingen treffen om zich te doen vertegenwoordigen, overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde van de Associatieraad vast te stellen voorwaarden.
3. De Associatieraad stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast.
4. De Associatieraad wordt beurtelings voorgezeten door een lid van de Raad van de Europese Unie en door een lid van de Regering van Estland, zulks overeenkomstig de in het reglement van orde van de Associatieraad vast te stellen bepalingen.
5. Waar nodig neemt de EIB als waarneemster aan de werkzaamheden van de Associatieraad deel.
De Associatieraad heeft, voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst, in de in de Overeenkomst genoemde gevallen beslissingsbevoegdheid. Zijn besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. De Associatieraad kan tevens alle nuttige aanbevelingen doen.
De besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.
1. Elk van beide partijen kan ieder geschil dat verband houdt met de toepassing of de interpretatie van deze Overeenkomst aan de Associatieraad voorleggen.
2. De Associatieraad kan het geschil bij besluit beslechten
3. Elk van beide partijen is verplicht de voor de uitvoering van het in lid 2 bedoelde besluit vereiste maatregelen te treffen.
4. Indien het geschil niet overeenkomstig lid 2 kan worden beslecht, kan elk van beide partijen de andere ervan in kennis stellen dat zij een arbiter heeft aangewezen, waarop de andere partij binnen twee maanden een tweede arbiter moet aanwijzen. Voor de toepassing van deze procedure worden de Gemeenschap en de Lid-Staten geacht één partij bij het geschil te zijn.
De Associatieraad wijst een derde arbiter aan.
De arbiters beslissen bij meerderheid van stemmen.
Elke partij bij het geschil dient de nodige stappen te ondernemen om de beslissing van de arbiters ten uitvoer te leggen.
De Associatieraad wordt bij de vervulling van zijn taken bijgestaan door een Associatiecomité, bestaande uit vertegenwoordigers van de leden van de Raad van de Europese Unie en van leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en uit vertegenwoordigers van de Regering van Estland, anderzijds; in beginsel zijn dit hogere ambtenaren.
De Associatieraad bepaalt in zijn reglement van orde de taken van het Associatiecomité, waaronder de voorbereiding van de vergaderingen van de Associatieraad, alsmede de werkwijze van het Comité.
2. De Associatieraad kan elk van zijn bevoegdheden aan het Associatiecomité delegeren. In dat geval neemt het Associatiecomité zijn besluiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 112.
De Associatieraad kan tot de oprichting besluiten van ieder ander speciaal comité of lichaam dat hem bij de uitvoering van zijn taken kan bijstaan.
In zijn reglement van orde legt de Associatieraad de samenstelling van deze comités of lichamen vast en bepaalt hij hun taken en werkwijze.
Er wordt een Parlementair Comité opgericht. Dit dient als forum voor ontmoetingen en gedachtenwisseling tussen leden van het Estlandse Parlement en het Europees Parlement. Het Comité komt bijeen met door het Comité te bepalen tussenpozen.
1. Het Parlementair Comité bestaat uit leden van het Europees Parlement, enerzijds, en uit leden van het Estlandse Parlement, anderzijds.
2. Het Parlementair Comité stelt zijn reglement van orde vast.
3. Het Parlementair Comité wordt bij toerbeurt door het Europees Parlement en door het Estlandse Parlement voorgezeten, volgens de in zijn reglement van orde op te nemen bepalingen.
Het Parlementair Comité kan bij de Associatieraad om ter zake doende inlichtingen over de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst verzoeken. De Associatieraad verstrekt het Parlementair Comité de verlangde informatie.
Het Parlementair Comité wordt ingelicht over de besluiten van de Associatieraad.
Het Parlementair Comité kan aanbevelingen doen aan de Associatieraad.
Binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst verbindt elk van beide partijen zich ertoe erop toe te zien dat natuurlijke personen en rechtspersonen van de andere partij, zonder discriminatie ten opzichte van de eigen onderdanen, toegang hebben tot de ter zake bevoegde rechterlijke en administratieve instanties van de partijen, ter bescherming van hun persoonlijkheidsrechten en hun eigendomsrechten, met inbegrip van die met betrekking tot hun intellectuele, industriële en commerciële eigendom.
Niets in de Overeenkomst belet een partij maatregelen te nemen:
a. die zij nodig acht om de onthulling van informatie die tegen haar vitale veiligheidsbelangen indruist te beletten;
b. die verband houden met de produktie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmaterieel of met onderzoek, ontwikkeling of produktie die voor defensiedoeleinden onmisbaar zijn, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de concurrentievoorwaarden voor produkten die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn;
c. die zij van vitaal belang voor haar eigen veiligheid acht, in geval van ernstige binnenlandse onrust waardoor de openbare orde wordt bedreigd, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden, of om verplichtingen na te komen die zij voor de bewaring van de vrede en de internationale veiligheid heeft aangegaan.
d. die zij noodzakelijk acht voor het nakomen van haar internationale verplichtingen en verbintenissen met betrekking tot de controle op industriële goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik.
1. Op de door deze Overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin vervatte bijzondere bepalingen geldt het volgende:
– de regelingen die Estland ten opzichte van de Gemeenschap toepast mogen geen aanleiding geven tot discriminatie tussen de Lid-Staten, hun onderdanen dan wel hun vennootschappen of filialen;
– de regelingen die de Gemeenschap ten opzichte van Estland toepast mogen geen aanleiding geven tot discriminatie tussen Estlandse onderdanen of vennootschappen of filialen.
2. Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de partijen om de ter zake doende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen op belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren ten aanzien van hun woonplaats.
Produkten van oorsprong uit Estland krijgen bij invoer in de Gemeenschap geen gunstigere behandeling dan die welke de Lid-Staten onderling toepassen.
De behandeling waarop Estland krachtens Titel IV en Hoofdstuk I van Titel V aanspraak heeft, mag niet gunstiger zijn dan die welke de Lid-Staten onderling toepassen.
1. De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze Overeenkomst te voldoen. Zij zien erop toe dat de in de Overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.
2. Indien een der partijen van mening is dat de andere partij een verplichting van de Overeenkomst niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Alvorens dit te doen verstrekt zij, behalve in bijzonder dringende gevallen, de Associatieraad alle ter zake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden.
Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de goede werking van de Overeenkomst het minst verstoren. Deze maatregelen worden onmiddellijk ter kennis van de Associatieraad gebracht; op verzoek van de andere partij wordt daaromtrent in de Associatieraad overleg gepleegd.
Tot in het kader van deze Overeenkomst gelijkwaardige rechten zijn verwezenlijkt voor personen en ondernemers, doet de Overeenkomst geen afbreuk doen aan rechten die hun worden verleend bij bestaande overeenkomsten tussen een of meer Lid-Staten, enerzijds, en Estland, anderzijds, met uitzondering van sectoren die onder de communautaire bevoegdheid vallen en onverminderd de voor de Lid-Staten uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen in sectoren waarvoor zij bevoegd zijn.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „partijen" verstaan de Gemeenschap, of haar Lid-Staten, of de Gemeenschap en haar Lid-Staten, in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en Estland, anderzijds.
De Protocollen 1 tot en met 5 en de bijlagen I tot en met X vormen een integrerend bestanddeel van deze Overeenkomst.
Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
Elk der beide partijen kan deze Overeenkomst door kennisgeving aan de andere partij opzeggen. Deze Overeenkomst houdt op van toepassing te zijn zes maanden na de datum van die kennisgeving.
De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie is de depositaris van deze Overeenkomst.
Deze Overeenkomst is van toepassing op, enerzijds, de grondgebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, onder de in die Verdragen vastgestelde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van de Republiek Estland.
Deze Overeenkomst is opgesteld in tweevoud in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse, de Zweedse en de Estlandse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.
Deze Overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen procedures goedgekeurd.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop de partijen elkander kennisgeving doen van het feit dat de in de eerste alinea bedoelde procedures zijn voltooid.
Bij haar inwerkingtreding vervangt deze Overeenkomst de op 11 mei 1992 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Estland inzake handel en economische en commerciële samenwerking.
Deze Overeenkomst is gedeeltelijk gebaseerd op, in een verdere uitwerking van en bevat de wezenlijke bepalingen van de op 18 juli 1994 ondertekende Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal enerzijds en de Republiek Estland anderzijds. Bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst komt zij in de plaats van de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken.
De besluiten van het Gemengd Comité dat bij de Overeenkomst inzake handel en economische en commerciële samenwerking is ingesteld, en dat tevens de taken uitvoert die aan dit Comité zijn toegewezen bij de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken, blijven van toepassing totdat zij bij besluiten van de Associatieraad worden ingetrokken.
Tijdens de eerste vergadering van de Associatieraad stelt deze alle wijzigingen van deze Overeenkomst – met name van de protocollen en bijlagen – vast die vereist zijn om de Overeenkomst aan te passen aan wijzigingen van de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken die door het Gemengd Comité in de periode tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zijn vastgesteld.
GEDAAN te Luxemburg, de twaalfde juni negentienhonderd vijfennegentig.
De Overeenkomst is op 12 juni 1995 ondertekend voor:
België1
de Bondsrepubliek Duitsland
Denemarken
Estland
Finland
Frankrijk
Griekenland
Ierland
Italië
het Koninkrijk der Nederlanden
Luxemburg
Oostenrijk
Portugal
Spanje
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Zweden
de Europese Gemeenschappen
LIJST VAN BIJLAGEN1
| I | Artikelen 9 en 17 | Definitie van industriële en landbouwprodukten |
| II | Artikel 16 | Verwerkte landbouwprodukten |
| III | Artikel 19, lid 2 | Landbouwconcessies van de Gemeenschap - rechtenconcessies |
| IV | Artikel 19, lid 2 | Landbouwconcessies van de Gemeenschap - regeling voor de invoer van dieren en vlees |
| V | Artikel 19, lid 2 | Landbouwconcessies van Estland - tariefcontingenten |
| VI | Artikel 22, lid 1 | Visserijconcessies van de Gemeenschap |
| VII | Artikel 43, lid 1 | Voorbehouden van de Gemeenschap ten aanzien van de vestiging |
| VIII | Artikel 46 | Financiële diensten |
| IX | Artikel 66 | Bescherming van intellectuele, industriële en commerciële eigendom |
| X | Artikel 108 | Deelname van Estland aan communautaire programma's |
Betreffende artikel 43, lid 1
Besluiten met betrekking tot onroerend-goedbezit in grensgebieden, overeenkomstig de geldende wetgeving in bepaalde Lid-Staten van de Gemeenschap
Dit voorbehoud mag niet worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de meestbegunstigingsbehandeling.
Betreffende artikel 46
Financiële diensten: definities
Een financiële dienst is een dienst van financiële aard die door een financiële dienstverlener van een partij wordt aangeboden. Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:
A. Alle verzekeringsdiensten en daarmee verband houdende diensten
1. Directe verzekering (met inbegrip van co-assurantie):
i) levensverzekering;
ii) niet-levensverzekering.
2. Herverzekering en retrocessie.
3. Verzekeringsbemiddeling, zoals diensten van makelaars en agenten.
4. Nevendiensten van het verzekeringsbedrijf, zoals diensten op het gebied van advisering, actuariaat, risicobeoordeling en schaderegeling.
B. Bancaire en andere financiële diensten (verzekeringen niet inbegrepen)
1. In ontvangst nemen van deposito's en andere terugbetaalbare gelden van het publiek.
2. Verstrekken van leningen, met inbegrip van onder meer consumentenkrediet, hypothecair krediet, factoring en financiering van handelstransacties.
3. Financiële leasing.
4. Alle betalings- en geldovermakingsdiensten, met inbegrip van krediet- en betaalkaarten, reischeques en kredietbrieven.
5. Verlenen van garanties en stellen van borgtochten.
6. Transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, hetzij ter beurze, hetzij op een markt buiten de beurs, hetzij anderszins, met betrekking tot:
a. geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten en dergelijke);
b. vreemde valuta's;
c. afgeleide produkten, zoals bijvoorbeeld futures en opties;
d. wisselkoers- en rente-instrumenten, met inbegrip van produkten zoals swaps, rentetermijncontracten, enz.;
e. effecten;
f. andere waardepapieren en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver.
7. Deelneming aan emissies van diverse soorten effecten, met inbegrip van het overnemen en plaatsen van emissies als agent (openbaar of particulier) en het verlenen van daarmee verband houdende diensten.
8. Bemiddeling op de interbankmarkten.
9. Beheer van activa, bij voorbeeld geld- of vermogensbeheer, alle vormen van beheer van collectieve belegging, beheer van pensioenfondsen alsmede bewaar-, deposito- en trustdiensten.
10. Vereffenings- en verrekeningsdiensten voor financiële activa met inbegrip van effecten, afgeleide produkten en andere waardepapieren.
11. Advisering en andere financiële nevendiensten in verband met de in de punten 1 tot en met 10 genoemde activiteiten, met inbegrip van kredietreferenties en -analyse, onderzoek en advies in verband met beleggingen en portefeuillesamenstelling, alsmede advies over overnames en over bedrijfsreorganisatie en -strategie.
12. Verstrekken en overdragen van financiële informatie, financiële gegevensverwerking en bijbehorende software door verleners van andere financiële diensten.
De volgende activiteiten zijn van de definitie van financiële diensten uitgesloten:
a. Activiteiten van centrale banken of andere overheidsinstellingen voor de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.
b. Activiteiten die voor rekening of met garantie van de Staat worden verricht door centrale banken, overheidsinstanties of -organisaties of openbare instellingen, behalve wanneer die activiteiten door financiële dienstverleners in concurrentie met die overheidslichamen mogen worden uitgevoerd.
c. Activiteiten die deel uitmaken van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid of van wettelijke pensioenregelingen, behalve wanneer die activiteiten door financiële dienstverleners in concurrentie met overheidslichamen of particuliere instellingen mogen worden uitgevoerd.
Betreffende artikel 66
1. Artikel 66, lid 3, heeft betrekking op de volgende multilaterale verdragen:
– Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (Rome 1961);
– Overeenkomst van Nice betreffende internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken (Genève 1977, gewijzigd in 1979);
– Protocol betreffende de Schikking van Madrid inzake de internationale inschrijving van merken (Madrid 1989);
– Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening (1977, gewijzigd in 1980);
– Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (UPOV) (Akte van Genève 1991).
De Associatieraad kan besluiten dat artikel 66, lid 3, nog op andere multilaterale verdragen van toepassing is. Estland staat in dit verband positief ten opzichte van toetreding tot de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken (Akte van Stockholm 1967, gewijzigd in 1979).
2. De partijen bevestigen het belang dat zij hechten aan de verplichtingen die uit de volgende multilaterale verdragen voortvloeien:
– Overeenkomst van Parijs voor de bescherming van de industriële eigendom (Akte van Stockholm 1967, gewijzigd in 1979);
– Verdrag inzake samenwerking bij octrooien (Washington 1970, gewijzigd in 1979 en 1984);
– Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs 1971).
3. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst verleent Estland ten aanzien van de erkenning en bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendom aan communautaire vennootschappen en onderdanen een niet minder gunstige behandeling dan die welke Estland op grond van bilaterale overeenkomsten aan derde landen verleent.
4. De bepalingen van lid 3 zijn niet van toepassing op voordelen die Estland op basis van daadwerkelijke wederkerigheid toekent aan derde landen.
1. inzake de handel in kleding en kledingprodukten 2. betreffende het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Estland van verwerkte landbouwprodukten 3. betreffende de definitie van produkten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking 4. specifieke bepalingen betreffende de handel tussen Estland en Spanje en Portugal 5. betreffende wederzijdse bijstand tussen administratieve autoriteiten in douanezaken
Protocol Nr. 1 betreffende de handel in textiel- en kledingprodukten
Gedurende de looptijd van dit Protocol gelden voor invoer in de Gemeenschap van de textielprodukten van bijlage I en van oorsprong uit Estland geen kwantitatieve maxima of maatregelen van gelijke werking, tenzij hierover in dit Protocol anders is bepaald.
1. Worden kwantitatieve maxima ingesteld, dan is de uitvoer van textielprodukten van oorsprong uit Estland naar de Gemeenschap waarop kwantitatieve maxima van toepassing zijn, onderworpen aan het in aanhangsel A omschreven stelsel van dubbele controle.
2. Bij de inwerkingtreding van dit Protocol wordt de uitvoer naar de Gemeenschap van de in bijlage II genoemde produkten van oorsprong uit Estland waarvoor geen kwantitatieve maxima gelden onderworpen aan toezicht volgens het in lid 1 bedoelde stelsel van dubbele controle.
3. Na overleg overeenkomstig de procedure van artikel 15 kan de uitvoer naar de Gemeenschap van de in bijlage I genoemde produkten van oorsprong uit Estland waarop geen andere kwantitatieve maxima van toepassing zijn dan die welke in bijlage II zijn vermeld, na de inwerkingtreding van dit Protocol, onderworpen worden aan de in lid 1 bedoelde dubbele controle of aan een systeem van voorafgaand toezicht van de Gemeenschap.
1. De bij dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima zijn niet van toepassing op de invoer in de Gemeenschap van onder dit Protocol vallende textielprodukten, indien deze voor wederuitvoer uit de Gemeenschap worden aangegeven, in ongewijzigde staat of na veredeling in het kader van het bestaande stelsel van administratieve controle in de Gemeenschap.
Produkten die onder de hierboven uiteengezette voorwaarden in de Gemeenschap worden ingevoerd, kunnen echter eerst voor binnenlands gebruik worden vrijgegeven na overlegging van een door de Estse autoriteiten afgegeven uitvoervergunning en een bewijs van de oorsprong dat aan de in aanhangsel A omschreven voorwaarden voldoet.
2. Indien de autoriteiten van de Gemeenschap vaststellen dat de invoer van textielprodukten is afgeboekt op een bij deze Overeenkomst vastgesteld kwantitatief maximum, maar dat de produkten nadien weer uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd, delen zij de autoriteiten van Estland binnen vier weken mede om welke hoeveelheden het gaat en staan zij de invoer van dezelfde hoeveelheid produkten van dezelfde categorie toe zonder dat deze wordt afgeboekt op het kwantitatieve maximum dat bij dit Protocol voor het lopende of het daarop volgende jaar is vastgesteld.
3. De Gemeenschap en Estland erkennen het bijzondere en wel te onderscheiden karakter van de wederinvoer van textielprodukten in de Gemeenschap, na veredeling in Estland, als zijnde een bijzondere vorm van industriële en handelssamenwerking.
Worden op grond van artikel 5 kwantitatieve maxima ingesteld, dan zijn deze kwantitatieve beperkingen niet van toepassing op deze wederinvoer, mits daarbij de communautaire wetgeving inzake economische passieve veredeling in acht wordt genomen en de in aanhangsel C opgenomen bijzondere regelingen daarop van toepassing zijn.
Worden krachtens artikel 5 kwantitatieve maxima ingesteld, dan zijn de volgende bepalingen van toepassing:
1. Vervroegde benutting in een toepassingsjaar van het Protocol van een gedeelte van een voor een volgend jaar vastgesteld kwantitatief maximum is voor alle categorieën produkten toegestaan tot 5% van het kwantitatieve maximum van het lopende toepassingsjaar van het Protocol.
Vervroegde leveringen worden in mindering gebracht op het betrokken kwantitatieve maximum voor het volgende toepassingsjaar van het Protocol.
2. Overboeking naar het overeenkomstige kwantitatieve maximum voor het volgende toepassingsjaar van het Protocol van hoeveelheden die tijdens een toepassingsjaar van het Protocol niet zijn benut, is voor alle categorieën produkten toegestaan tot 7% van het kwantitatieve maximum van het lopende toepassingsjaar van het Protocol.
3. Overboekingen naar categorieën van Groep I zijn slechts toegestaan in de volgende gevallen:
– tussen de categorieën 2 en 3, en van categorie 1 naar de categorieën 2 en 3, tot 4% van het kwantitatieve maximum van de categorie waarnaar wordt overgeboekt;
– tussen de categorieën 4, 5, 6, 7 en 8, tot 4% van het kwantitatieve maximum van de categorie waarnaar wordt overgeboekt.
Overboekingen naar elke categorie van de Groepen II, III, IV en V vanuit een of meer categorieën van de Groepen I, II, III, IV en V is toegestaan tot 5% van het kwantitatieve maximum van de categorie waarnaar wordt overgeboekt.
4. De equivalentietabel voor de bovengenoemde overboekingen is in bijlage I opgenomen.
5. De toename van een categorie produkten ten gevolge van de gecumuleerde toepassing van de leden 1, 2 en 3 tijdens een toepassingsjaar van het Protocol mag de volgende percentages niet overschrijden:
– 13% voor de categorieën produkten in Groep I;
– 13,5% voor de categorieën produkten in de Groepen II, III, IV en V.
6. De Estse autoriteiten stellen de andere partij minstens 15 dagen van tevoren in kennis van het feit dat zij gebruik maken van het bepaalde in de leden 1, 2 en 3.
1. Op de uitvoer van de in bijlage I van dit Protocol vermelde textielprodukten mogen kwantitatieve maxima worden toegepast onder de hierna omschreven voorwaarden.
2. Mocht de invoer van textielprodukten van oorsprong uit Estland en vallende onder dit Protocol in dusdanig gestegen hoeveelheden plaatsvinden, of onder zulke omstandigheden dat de Gemeenschapsproduktie van soortgelijke of rechtstreeks concurrende produkten daardoor ernstige schade wordt of dreigt te worden berokkend, dan kan de Gemeenschap volgens de procedure van artikel 15 van dit Protocol overleg aanvragen teneinde tot overeenstemming te komen over een passend niveau van kwantitatieve beperking voor de produkten van die categorie.
3. In afwachting van een voor beide partijen bevredigende oplossing verbindt Estland zich ertoe, vanaf de datum van kennisgeving van het verzoek om overleg, de uitvoer van produkten van de betrokken categorie naar de Gemeenschap of naar de door de Gemeenschap aangegeven regio('s) van de Gemeenschap te schorsen of te beperken tot het door de Gemeenschap aangegeven niveau.
De Gemeenschap staat de invoer toe van produkten van de desbetreffende categorie die uit Estland zijn verzonden vóór de datum waarop het verzoek om overleg werd ingediend.
4. Indien de partijen tijdens het overleg binnen de in artikel 15 vermelde termijn geen bevredigende oplossing kunnen vinden, heeft de Gemeenschap het recht een definitief kwantitatief maximum in te stellen op een jaarniveau dat niet lager is dan 106% van de invoer in het kalenderjaar voorafgaande aan dat waarin de invoer tot het verzoek om overleg aanleiding heeft gegeven.
Het aldus vastgestelde jaarniveau wordt na overleg overeenkomstig artikel 15 naar boven bijgesteld, indien de ontwikkeling van de totale invoer van het betrokken produkt in de Gemeenschap dit noodzakelijk maakt.
5. Het jaarlijkse groeipercentage voor de kwantitatieve maxima die op grond van dit artikel worden ingesteld, wordt vastgesteld na overeenstemming tussen partijen overeenkomstig de overlegprocedures van artikel 15.
6. Bij toepassing van de leden 2, 3 en 4 verbindt Estland zich ertoe uitvoervergunningen af te geven voor produkten die gedekt zijn door contracten die voor de instelling van het kwantitatieve maximum zijn gesloten, tot het vastgestelde kwantitatieve maximum is bereikt.
7. Tot de datum van mededeling van de in artikel 12, lid 6, bedoelde statistieken wordt bij de toepassing van lid 2 uitgegaan van de eerder door de Gemeenschap medegedeelde jaarstatistieken.
1. Met het oog op de goede uitvoering van dit Protocol, komen Estland en de Gemeenschap overeen volledig samen te werken om te voorkomen dat de bepalingen van dit Protocol door wederverzending of routeverlegging van de goederen, valse verklaringen inzake land of plaats van oorsprong, vervalsing van documenten, een onjuiste opgave van de vezelsamenstelling, de hoeveelheid of indeling van de goederen of anderszins worden geschonden, en daartoe het nodige onderzoek in te stellen en de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen te nemen. Estland en de Gemeenschap komen derhalve overeen de nodige juridische maatregelen en bestuursprocedures vast te stellen om tegen dergelijke schendingen te kunnen optreden, met inbegrip van de vaststelling van juridisch bindende sancties ten aanzien van de betrokken exporteurs en/of importeurs.
2. Is de Gemeenschap op grond van beschikbare gegevens van oordeel dat de bepalingen van dit Protocol worden geschonden, dan pleegt zij overleg met Estland teneinde een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden. Dit overleg vindt zo spoedig mogelijk plaats en uiterlijk 30 dagen na indiening van het verzoek daartoe.
3. In afwachting van de resultaten van het in lid 2 bedoelde overleg neemt Estland, op verzoek van de Gemeenschap, bij voldoende bewijs dat het Protocol is geschonden, uit voorzorg alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de aanpassing van de krachtens artikel 5 ingestelde kwantitatieve maxima waartoe eventueel bij het in lid 2 bedoelde overleg wordt besloten, kan worden verricht voor het contingentjaar waarin het verzoek om het in lid 2 bedoelde overleg is gedaan, of voor het volgende jaar indien het maximum van het lopende jaar reeds is bereikt.
4. Kunnen partijen tijdens het in lid 2 bedoelde overleg geen bevredigende oplossing vinden, dan heeft de Gemeenschap het recht:
a. bij voldoende bewijs dat produkten van oorsprong uit Estland in strijd met deze Overeenkomst zijn ingevoerd, de betrokken hoeveelheden af te boeken op de bij artikel 5 vastgestelde maxima;
b. bij voldoende bewijs dat valse verklaringen inzake vezelsamenstelling, hoeveelheid, aard of indeling van produkten van oorsprong uit Estland zijn afgeven, de invoer van deze produkten te weigeren;
c. wanneer blijkt dat wederverzending of routeverlegging plaatsvindt op het grondgebied van Estland van produkten die niet uit dit land van oorsprong zijn, kwantitatieve maxima in te voeren voor dezelfde categorieën produkten van oorsprong uit Estland, indien daarvoor nog geen kwantitatieve maxima golden, of andere dienstige maatregelen te nemen.
5. Partijen komen, overeenkomstig het bepaalde in aanhangsel A bij dit Protocol, overeen een systeem van administratieve samenwerking op te zetten om te voorkomen dat het Protocol wordt geschonden en om problemen in verband met schendingen te regelen.
1. De bij dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima voor invoer in de Gemeenschap van textielprodukten van oorsprong uit Estland worden door de Gemeenschap niet in regionale quota onderverdeeld.
2. Partijen werken samen om plotselinge en schade veroorzakende wijzigingen in de traditionele handelsstromen die tot een regionale concentratie van de rechtstreekse invoer in de Gemeenschap leiden, te voorkomen.
3. Estland houdt toezicht op de uitvoer van aan beperkingen of controle onderworpen produkten naar de Gemeenschap. Mochten zich plotselinge en schade veroorzakende wijzigingen in de traditionele handelsstromen voordoen, dan kan de Gemeenschap vragen dat overleg wordt gepleegd om voor dit probleem een bevredigende oplossing te vinden. Dit overleg moet binnen 15 werkdagen plaatsvinden nadat hierom door de Gemeenschap is verzocht.
4. Estland streeft ernaar de uitvoer in de Gemeenschap van textielprodukten waarop kwantitatieve beperkingen van toepassing zijn zo gelijkmatig mogelijk over het jaar te spreiden, waarbij evenwel meer bepaald met seizoensinvloeden rekening moet worden gehouden.
Bij opzegging van dit Protocol overeenkomstig artikel 18, lid 1, worden de krachtens dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima in verhouding tot de tijdsduur aangepast, tenzij de partijen in onderling overleg anders beslissen.
De Estse uitvoer van weefsels van de huisindustrie, geweven op met de hand of met de voet bediende weefgetouwen, van kledingstukken of andere textielartikelen die met de hand uit dergelijke weefsels zijn vervaardigd en van traditionele met de hand gemaakte folkloristische produkten is niet aan kwantitatieve maxima onderworpen, mits deze produkten van oorsprong uit Estland aan de in de aanhangsel B neergelegde voorwaarden voldoen.
1. Indien de Gemeenschap van oordeel is dat een onder dit Protocol vallend textielprodukt uit Estland in de Gemeenschap wordt ingevoerd tegen prijzen die onder de prijzen liggen bij normale concurrentieverhoudingen, waardoor de producenten van de Gemeenschap van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende produkten ernstige schade lijden of dreigen te lijden, kan zij om overleg krachtens artikel 15 verzoeken en zijn de hierna volgende bepalingen van toepassing.
2. Wordt na dergelijk overleg gezamenlijk overeengekomen dat de in lid 1 omschreven situatie zich voordoet, dan neemt Estland, binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, de nodige maatregelen om hiervoor een oplossing te vinden, met name ten aanzien van de verkoopprijs van het produkt.
3. Teneinde te bepalen of de prijs van een textielprodukt abnormaal onder het normale concurrentieniveau ligt, kan deze worden vergeleken met:
– de prijzen die algemeen worden toegepast voor soortgelijke produkten die op normale handelsvoorwaarden door andere exporterende landen in het land van invoer worden verkocht;
– de prijzen van soortgelijke eigen produkten op een vergelijkbaar handelsniveau in het land van invoer;
– de laagste prijzen waartegen dezelfde produkten in het kader van normale handelstransacties door een ander derde land worden verkocht in de drie maanden voorafgaande aan het verzoek om overleg en die niet tot maatregelen van de Gemeenschap hebben geleid.
4. Is tijdens het in lid 2 bedoelde overleg binnen 30 dagen nadat de Gemeenschap om overleg heeft verzocht geen overeenstemming bereikt, dan kan de Gemeenschap de invoer van dat produkt tegen de in lid 1 bedoelde lage prijzen tijdelijk schorsen tot dit overleg een voor beide partijen bevredigende oplossing heeft opgeleverd.
5. In buitengewoon ernstige omstandigheden, wanneer bepaalde textielprodukten uit Estland tegen dermate onder het normale concurrentieniveau liggende prijzen in de Gemeenschap worden ingevoerd dat dit waarschijnlijk tot moeilijk te herstellen schade zal leiden, kan de Gemeenschap, in afwachting van de resultaten van het overleg, dat zo spoedig mogelijk plaatsvindt, deze invoer tijdelijk schorsen. Partijen zullen er zoveel mogelijk naar streven binnen tien werkdagen na opening van het overleg tot een wederzijdse aanvaardbare oplossing te komen.
6. Neemt de Gemeenschap een van de in de leden 4 en 5 genoemde maatregelen, dan kan Estland steeds om overleg verzoeken teneinde de mogelijkheid te bespreken deze maatregelen op te schorten of te wijzigen, voor zover de oorzaak van die maatregelen heeft opgehouden te bestaan.
1. De indeling van de onder dit protocol vallende produkten geschiedt aan de hand van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief en de tarief- en statistieknomenclatuur van de Gemeenschap (hierna „gecombineerde nomenclatuur" of, afgekort, „GN" genoemd) en de wijzigingen daarop.
Houdt een indelingsbesluit een wijziging in van de indelingspraktijk of van de categorie van een onder dit Protocol vallend produkt, dan geldt voor dat produkt de handelsregeling die na die wijziging op die praktijk of categorie van toepassing is.
Wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur (GN), overeenkomstig de in de Gemeenschap geldende procedures, die betrekking hebben op onder dit Protocol vallende categorieën produkten, of besluiten in verband met de indeling van goederen, mogen geen vermindering van de bij dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima tot gevolg hebben.
2. De oorsprong van de onder dit Protocol vallende produkten wordt overeenkomstig de in de Gemeenschap geldende regels vastgesteld.
Wijzigingen in deze regels van oorsprong worden aan Estland medegedeeld en mogen geen vermindering van de krachtens dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima tot gevolg hebben.
De wijze waarop de oorsprong van bovenbedoelde textielprodukten wordt gecontroleerd is in aanhangsel A omschreven.
1. Estland verstrekt de Gemeenschap nauwkeurige statistische gegevens over alle afgegeven uitvoervergunningen voor categorieën produkten waarvoor de bij dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima gelden of waarop de dubbele controle van toepassing is, per Lid-Staat van de Gemeenschap, uitgedrukt in hoeveelheden en waarde, en over alle door de bevoegde overheden van Estland afgegeven certificaten voor de in artikel 9 genoemde produkten waarop aanhangsel B van toepassing is.
2. De Gemeenschap verstrekt van haar kant de autoriteiten van Estland nauwkeurige statistische gegevens over invoervergunningen die door de autoriteiten van de Gemeenschap zijn afgegeven en over de invoer van produkten waarop de in artikel 5, lid 2, bedoelde administratieve controle van toepassing is.
3. De bovengenoemde gegevens worden voor alle categorieën produkten verstrekt vóór het eind van de maand volgende op de maand waarop de statistieken betrekking hebben.
4. Estland verstrekt op verzoek van de Gemeenschap invoerstatistieken voor alle in bijlage I opgenomen produkten.
5. Mocht bij onderzoek van de uitgewisselde gegevens blijken dat er significante verschillen bestaan tussen de uitvoer- en de invoercijfers, dan kan tot overleg worden overgegaan volgens de procedure van artikel 15 van dit Protocol.
6. Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 5 verplicht de Gemeenschap zich ertoe de autoriteiten van Estland vóór 15 april van elk jaar de statistieken te verstrekken betreffende de invoer van alle onder dit Protocol vallende textielprodukten in het voorafgaande jaar, onderverdeeld per leveranciersland en Lid-Staat van de Gemeenschap.
Estland zal bij de toekenning van uitvoervergunningen of bescheiden genoemd in de aanhangsels A en B afzien van discriminatie.
De partijen komen overeen de ontwikkkeling van de handel in textiel en kledingprodukten elk jaar in het kader van het overleg zoals bedoeld in artikel 15 en aan de hand van de in artikel 12 genoemde statistieken te onderzoeken.
1. Behoudens andersluidende bepalingen in dit Protocol gelden voor de in dit Protocol vermelde overlegprocedures de volgende bepalingen:
– voor zover mogelijk wordt regelmatig overleg gepleegd. Voorts kan eveneens bijzonder aanvullend overleg plaatsvinden;
– elk verzoek om overleg wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de andere partij;
– zo nodig dient het verzoek om overleg binnen een redelijke termijn (en in elk geval binnen 15 dagen na de kennisgeving) te worden gevolgd door een verslag waarin de aanvrager van het overleg uiteenzet waarom hij het overleg heeft aangevraagd;
– het overleg tussen de partijen wordt binnen een maand na kennisgeving van het verzoek geopend teneinde uiterlijk binnen de volgende maand tot overeenstemming of tot een wederzijds aanvaardbare conclusie te komen;
– de bovengenoemde periode van één maand waarin overeenstemming of een wederzijds aanvaardbare conclusie dient te worden bereikt, kan in onderling overleg worden verlengd.
2. De Gemeenschap kan overeenkomstig lid 1 om overleg verzoeken wanneer zij vaststelt dat er in een bepaald toepassingsjaar van het Protocol moeilijkheden in de Gemeenschap of een van haar regio's ontstaan als gevolg van de, in vergelijking met het voorgaande jaar, sterke stijging van de invoer van een bepaalde categorie produkten van Groep I, waarop de krachtens dit Protocol vastgestelde kwantitatieve maxima van toepassing zijn.
3. Op verzoek van een der partijen kan overleg plaatsvinden over alle vraagstukken die uit de toepassing van dit Protocol voortvloeien. Het overleg krachtens dit artikel vindt plaats in een geest van samenwerking en met de wil om de onderlinge geschillen tussen de partijen te regelen.
De partijen verbinden zich ertoe de uitwisseling van personen, groepen en delegaties uit de economische, handels- en industriële wereld te bevorderen, contacten op industrieel, commercieel en technisch gebied in verband met handel en samenwerking in de textiel- en kledingsector te vergemakkelijken, en de organisatie van beurzen en tentoonstellingen van wederzijds belang te ondersteunen.
Wat de intellectuele eigendom betreft, plegen de partijen op verzoek van één van hen overleg, volgens de procedure van artikel 15, om een billijke oplossing te vinden voor problemen die zich in verband met de bescherming van merken, tekeningen en modellen van kledingartikelen en textielprodukten mochten voordoen.
1. Partijen kunnen te allen tijde wijzigingen in deze Overeenkomst voorstellen of deze Overeenkomst opzeggen, met inachtneming van een termijn van ten minste zes maanden. In dat geval verstrijkt de Overeenkomst aan het einde van de opzeggingstermijn.
2. De bijlagen, aanhangsels, processen-verbaal en gezamenlijke verklaringen bij dit Protocol maken daarvan deel uit.
1. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap verbinden zich ertoe Estland van wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur (GN) in kennis te stellen voordat deze in de Gemeenschap in werking treden.
2. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap stellen de bevoegde autoriteiten van Estland in kennis van alle besluiten betreffende de indeling van onder dit Protocol vallende produkten, binnen één maand nadat deze besluiten zijn genomen. Een dergelijke mededeling omvat:
a. een omschrijving van de betrokken produkten;
b. de betrokken categorie en GN-code;
c. de redenen die tot het besluit hebben geleid.
3. Houdt het indelingsbesluit een wijziging in van de indelingspraktijk of van de categorie van een onder deze Overeenkomst vallend produkt, dan staan de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap voor de inwerkingtreding van het besluit een termijn van 30 dagen toe, vanaf de mededeling van de Gemeenschap. Voor produkten die vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit zijn verzonden blijft de vroegere indelingspraktijk gelden, mits deze goederen binnen 60 dagen na die datum voor invoer worden aangeboden.
4. In geval een indelingsbesluit van de Gemeenschap, leidende tot een verandering van indelingspraktijk of een verandering van categorie-indeling van een produkt van het Protocol, van invloed is op een categorie waarvoor kwantitatieve maxima gelden, komen de Partijen overeen overeenkomstig de procedures van artikel 15 van het Protocol in overleg te treden teneinde de verplichting krachtens artikel 11, lid 1, tweede alinea, van het Protocol na te komen.
5. Bij uiteenlopende opvattingen tussen de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap en van Estland bij het punt van binnenkomst in de Gemeenschap inzake de indeling van produkten van dit Protocol, wordt de indeling voorlopig gebaseerd op aanwijzingen van de Gemeenschap, houdende overleg overeenkomstig artikel 15 met de bedoeling om over een definitieve indeling van de betrokken produkten overeenstemming te bereiken.
1. Produkten van oorsprong uit Estland mogen overeenkomstig de bij dit Protocol vastgestelde regeling naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, indien zij vergezeld gaan van een certificaat van oorsprong uit Estland dat met het bij dit aanhangsel gevoegde model overeenstemt.
2. Dit certificaat van oorsprong wordt door de bevoegde autoriteiten van Estland overeenkomstig de Estse wetgeving afgegeven indien de produkten overeenkomstig de communautaire wetgeving beschouwd kunnen worden van oorsprong uit Estland te zijn.
3. Produkten van de groepen III, IV en V kunnen echter volgens de bij dit Protocol vastgestelde regeling in de Gemeenschap worden ingevoerd op overlegging van een verklaring van de exporteur op de factuur of een ander handelsdocument dat de betrokken produkten overeenkomstig de communautaire wetgeving van oorsprong zijn uit Estland.
4. Het in lid 1 bedoelde certificaat van oorsprong is niet vereist voor de invoer van goederen die van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of formulier EUR.2 vergezeld gaan dat overeenkomstig de desbetreffende EG-regels is afgegeven.
Het certificaat van oorsprong wordt, op schriftelijk verzoek van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, op schriftelijk verzoek van zijn vertegenwoordiger afgegeven. De autoriteiten van Estland die hiertoe volgens de Estse wetgeving bevoegd zijn, zien erop toe dat de certificaten van oorsprong correct zijn ingevuld. Zij kunnen te dien einde alle bewijsmateriaal opvragen of alle controles verrichten die zij dienstig achten.
Wanneer verschillende criteria gelden voor het vaststellen van de oorsprong van produkten van dezelfde categorie, dienen de certificaten of verklaringen van oorsprong een voldoende gedetailleerde beschrijving van de goederen te bevatten om het Estse criterium te kunnen bepalen op grond waarvan het certificaat werd afgegeven of de verklaring opgesteld.
Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het certificaat van oorsprong en die op de documenten die in verband met de formaliteiten bij invoer bij het douanekantoor worden aangeboden, dan zijn de gegevens op het certificaat daardoor niet automatisch ongeldig.
De bevoegde autoriteiten van Estland geven een uitvoervergunning af voor de uitvoer uit Estland van alle textielprodukten waarop op grond van artikel 5 van het Protocol definitieve of voorlopige kwantitatieve maxima van toepassing zijn tot deze maxima, die eventueel op grond van de artikelen 4, 6 en 8 van het Protocol zijn gewijzigd, zijn bereikt, en voor de uitvoer van alle textielprodukten waarvoor geen kwantitatieve maxima gelden, maar die wel aan een dubbele controle zijn onderworpen, als bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3 van het Protocol.
1. De uitvoervergunning voor produkten waarop de in dit Protocol vermelde kwantitatieve maxima van toepassing zijn stemt overeen met model 1 in de bijlage bij dit aanhangsel en is geldig voor uitvoer naar het gehele douanegebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is. Doet de Gemeenschap echter een beroep op de artikelen 5 en 7 van het Protocol, overeenkomstig het Proces-verbaal nr. 1 of op het Proces-verbaal nr. 2, dan kunnen de door de uitvoervergunningen gedekte textielprodukten uitsluitend in de in deze vergunningen genoemde regio('s) van de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht.
2. Op uitvoervergunningen voor produkten waarvoor bij dit Protocol kwantitatieve maxima zijn vastgesteld, moet onder meer worden vermeld dat de betrokken hoeveelheid is afgeboekt op het kwantitatieve maximum dat voor de betrokken produktcategorie is vastgesteld. Een uitvoervergunning kan slechts betrekking hebben op één produktcategorie waarop kwantitatieve maxima van toepassing zijn, maar kan worden gebruikt voor een of meer zendingen van de betrokken produkten.
3. De uitvoervergunning voor produkten waarop geen kwantitatieve maxima van toepassing zijn, maar die wel aan een dubbele controle zijn onderworpen, stemt overeen met model 2 in de bijlage bij dit aanhangsel en kan slechts betrekking hebben op één produktcategorie. Zij kan wel voor een of meer zendingen van de betrokken produkten worden gebruikt.
De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap worden onverwijld in kennis gesteld van iedere intrekking of wijziging van reeds afgegeven uitvoervergunningen.
1. De uitvoer van textielprodukten krachtens dit Protocol wordt afgeboekt op de kwantitatieve maxima van het jaar waarin de goederen zijn verzonden, zelfs indien de uitvoervergunning na de verzending werd afgegeven.
2. Voor de toepassing van lid 1 worden de goederen geacht te zijn verzonden op de datum waarop zij, met het oog op de uitvoer, in het vliegtuig, het voertuig of het schip werden geladen.
De uitvoervergunning wordt, overeenkomstig artikel 12, niet later aangeboden dan op 31 maart van het jaar volgende op het jaar waarin de goederen waarop ze betrekking heeft werden verzonden.
Textielprodukten die op grond van dit Protocol aan kwantitatieve maxima of een dubbele controle zijn onderworpen kunnen uitsluitend na overlegging van een invoervergunning in de Gemeenschap worden uitgevoerd.
1. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap geven de in artikel 11 bedoelde invoervergunning binnen vijf werkdagen af nadat de importeur het origineel van de overeenkomstige uitvoervergunning heeft overgelegd.
2. De invoervergunningen voor produkten waarop overeenkomstig dit Protocol kwantitatieve maxima van toepassing zijn, zijn na afgifte zes maanden geldig voor invoer in het gehele douanegebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is.
Doet de Gemeenschap echter een beroep op de artikelen 5 en 7 van het Protocol, overeenkomstig het Proces-verbaal nr. 1, of op het Proces-verbaal nr. 2, dan kunnen de door de invoervergunningen gedekte produkten slechts in de in die vergunningen genoemde regio('s) in het vrije verkeer worden gebracht.
3. De invoervergunningen voor produkten waarop geen kwantitatieve maxima van toepassing zijn, maar die wel aan een dubbele controle zijn onderworpen, zijn na afgifte zes maanden geldig voor invoer in het gehele douanegebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is.
4. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap annuleren de reeds afgegeven invoervergunning indien de overeenkomstige uitvoervergunning wordt ingetrokken.
Indien de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap echter eerst in kennis worden gesteld van de intrekking of annulering van de uitvoervergunning nadat de produkten in de Gemeenschap zijn ingevoerd, worden de betrokken hoeveelheden afgeboekt op de kwantitatieve maxima voor de betrokken categorie en het betrokken contingentjaar.
1. Stellen de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap vast dat Estland voor een bepaalde categorie produkten uitvoervergunningen heeft afgegeven voor grotere hoeveelheden dan de maximumhoeveelheid die voor deze categorie overeenkomstig artikel 5 van dit Protocol is vastgesteld, en eventueel overeenkomstig de artikelen 4, 6 en 8 van dit Protocol gewijzigd, dan mogen deze autoriteiten de verdere afgifte van invoervergunningen schorsen. Deze beslissing wordt de autoriteiten van Estland onmiddellijk medegedeeld en de bijzondere overlegprocedure overeenkomstig artikel 15 van dit Protocol wordt onmiddellijk ingeleid.
2. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap kunnen weigeren een invoervergunning af te geven voor produkten van oorsprong uit Estland die aan kwantitatieve maxima of een dubbele controle zijn onderworpen en die niet worden gedekt door een Estse uitvoervergunning die overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol is afgegeven.
Indien de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap echter toestaan dat dergelijke produkten in de Gemeenschap worden ingevoerd, worden de betrokken hoeveelheden eerst afgeboekt op de desbetreffende kwantitatieve maxima die krachtens dit Protocol zijn vastgesteld, nadat Estland hiertoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, behoudens het bepaalde in artikel 6 van de Overeenkomst.
VORM EN WIJZE VAN OVERLEGGING VAN UITVOERVERGUNNINGEN EN CERTIFICATEN VAN OORSPRONG EN ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITVOER NAAR DE GEMEENSCHAP
1. De uitvoervergunning en het certificaat van oorsprong mogen in meerdere exemplaren worden opgesteld, indien op de extra exemplaren duidelijk is aangegeven dat het om kopieën gaat. Zij worden in het Engels of het Frans opgesteld. Indien ze met de hand worden ingevuld, moet dit met inkt en in blokletters gebeuren. Het formaat van deze documenten is 210 × 297 mm. Het te gebruiken papier is wit, zo gelijmd dat het goed te beschrijven is en met een gewicht van ten minste 25 g/m2. Indien de documenten uit verschillende exemplaren bestaan heeft alleen het bovenste blad, dat het origineel is, een geguillocheerde ondergrond. Op dit blad dient duidelijk „origineel" en op de andere exemplaren „kopie" te zijn vermeld. Slechts het origineel wordt door de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap als geldig erkend voor de controle op de uitvoer naar de Gemeenschap overeenkomstig het bepaalde in het Protocol.
2. Elk document is ter identificatie van een al dan niet gedrukt volgnummer voorzien dat als volgt is samengesteld:
– twee letters om het land van uitvoer aan te geven: EE;
– twee letters om het land van inklaring aan te geven, namelijk:
AT = Oostenrijk,
BL = Benelux,
DE = Bondsrepubliek Duitsland,
DK = Denemarken,
EL = Griekenland,
ES = Spanje,
FI = Finland,
FR = Frankrijk,
GB = Verenigd Koninkrijk,
IE = Ierland,
IT = Italië,
PT = Portugal,
SE = Zweden,
– een cijfer dat het contingentjaar aangeeft, overeenkomend met het laatste cijfer van het betrokken jaar, bij voorbeeld 4 voor 1994;
– een getal van twee cijfers, uit de reeks van 01 tot en met 99, om het kantoor van afgifte in het land van uitvoer aan te geven;
– een volgnummer van vijf cijfers, uit de reeks van 00001 tot en met 99999, dat aan de Lid-Staat van inklaring wordt toegekend.
De uitvoervergunning en het certificaat van oorsprong mogen worden afgegeven na verzending van de produkten waarop zij betrekking hebben. In dergelijk geval wordt daarop „issued retrospectively" of „délivré a posteriori" vermeld.
1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een uitvoervergunning of een certificaat van oorsprong, kan de exporteur bij de bevoegde Estse instantie die het document heeft afgegeven een duplicaat aanvragen dat wordt opgesteld aan de hand van exportdocumenten waarover hij beschikt. Op het aldus afgegeven duplicaat wordt „duplicate" of „duplicata" vermeld.
2. Het duplicaat draagt de datum van de originele uitvoervergunning of van het originele certificaat van oorsprong.
De Gemeenschap en Estland werken nauw samen bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit aanhangsel. Beide partijen zorgen er te dien einde voor dat contacten en gedachtenwisselingen, ook over technische aangelegenheden, kunnen plaatsvinden.
Met het oog op de correcte toepassing van dit aanhangsel verlenen de Gemeenschap en Estland elkaar bijstand bij de controle op de echtheid en de juistheid van de in het kader van dit aanhangsel afgegeven uitvoervergunningen, certificaten van oorsprong en verklaringen.
Estland doet de Commissie van de Europese Gemeenschappen de namen en adressen toekomen van de instanties die bevoegd zijn uitvoervergunningen en certificaten van oorsprong af te geven en te controleren, te zamen met de afdrukken van de stempels die door deze instanties worden gebruikt en voorbeelden van de handtekeningen van de beambten die bevoegd zijn de uitvoervergunningen te ondertekenen. Estland stelt de Commissie in kennis van elke wijziging van deze gegevens.
1. De certificaten van oorsprong en uitvoervergunningen worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en wanneer de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het certificaat of de vergunning of aan de juistheid van de daarop vermelde gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten.
2. In dergelijke gevallen zenden de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap het certificaat van oorsprong, de uitvoervergunning of een kopie daarvan terug aan de bevoegde Estse autoriteiten, zo nodig, onder opgave van de formele en/of materiële redenen van het verzoek om controle. Indien de factuur werd voorgelegd, wordt deze, of een kopie daarvan, bij het certificaat of de vergunning, of een kopie daarvan, gevoegd. De autoriteiten geven tevens alle beschikbare informatie door waardoor het vermoeden is ontstaan dat de gegevens op bedoeld certificaat of bedoelde vergunning niet juist zijn.
3. Lid 1 is ook van toepassing op controles achteraf van de verklaringen inzake de oorsprong als bedoeld in artikel 2 van dit aanhangsel.
4. De resultaten van de controle achteraf die overeenkomstig de leden 1 en 2 wordt verricht, worden de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap binnen drie maanden medegedeeld. Uit deze mededeling moet blijken of het betwiste certificaat, of de betwiste vergunning of verklaring, van toepassing is op de uitgevoerde goederen en of deze goederen in aanmerking komen om volgens de regels van deze Overeenkomst te worden uitgevoerd. Op verzoek van de Gemeenschap worden bij deze mededeling tevens kopieën gevoegd van alle documenten die nodig zijn om de feiten, en met name de werkelijke oorsprong van de goederen, te kunnen vaststellen.
Mocht bij dergelijke controles blijken dat stelselmatig onregelmatigheden plaatsvinden bij het gebruik van verklaringen inzake de oorsprong, dan kan de Gemeenschap artikel 2, lid 1, van dit aanhangsel toepassen op de invoer van de betrokken produkten.
5. Met het oog op de controle achteraf van de certificaten van oorsprong of de uitvoervergunningen, worden kopieën van deze certificaten en van de bijbehorende uitvoerdocumenten ten minste twee jaar door de bevoegde Estse autoriteiten bewaard.
6. De steekproeven voor de controle achteraf, zoals in dit artikel bedoeld, mogen geen belemmering vormen voor toelating tot het vrije verkeer van de betrokken produkten.
1. Wanneer de in artikel 20 bedoelde controles of informatie waarover de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap of van Estland beschikken erop wijzen of lijken te wijzen dat de bepalingen van dit Protocol worden geschonden, werken beide partijen nauw en met de nodige spoed samen om dergelijke schendingen tegen te gaan.
2. De bevoegde autoriteiten van Estland voeren te dien einde, op eigen initiatief of op verzoek van de Gemeenschap, het nodige onderzoek uit, of laten dit uitvoeren, naar de transacties die met de bepalingen van dit Protocol strijdig zijn of volgens de Gemeenschap lijken te zijn. De bevoegde autoriteiten van Estland delen de resultaten van een dergelijk onderzoek aan de Gemeenschap mede en stellen de Gemeenschap tevens in kennis van alle andere gegevens aan de hand waarvan de werkelijke oorsprong van de goederen kan worden vastgesteld.
3. Bij overeenkomst tussen de Gemeenschap en Estland kunnen door de Gemeenschap aangewezen vertegenwoordigers bij het in lid 2 bedoelde onderzoek aanwezig zijn.
4. In het kader van de in lid 1 bedoelde samenwerking, wisselen de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap en van Estland alle gegevens uit die zij met het oog op het voorkomen van inbreuken op de bepalingen van dit Protocol nuttig achten. Deze uitwisseling kan informatie omvatten over de textielproduktie in Estland en de handel tussen Estland en derde landen in het soort textielprodukten waarop dit Protocol betrekking heeft, met name wanneer de Gemeenschap redenen heeft om aan te nemen dat deze produkten over het grondgebied van Estland worden vervoerd alvorens in de Gemeenschap te worden ingevoerd. Deze informatie kan, op verzoek van de Gemeenschap, kopieën van alle ter zake dienende documenten omvatten.
5. Zijn er voldoende gegevens waaruit blijkt dat inbreuk is gemaakt op de bepalingen van dit Protocol, dan kunnen de bevoegde autoriteiten van Estland en de Gemeenschap overeenkomen de in artikel 6, lid 4, van het Protocol bedoelde maatregelen of andere maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen.
De Bijlagen bij het Aanhangsel zullen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Aanhangsel B zoals bedoeld in artikel 9
1. De vrijstelling bedoeld in artikel 9 met betrekking tot produkten van de huisindustrie geldt alleen voor de volgende produkten:
a. weefsels die zijn vervaardigd op met de hand of met de voet bediende weefgetouwen, van het soort dat traditioneel in de huisindustrie van Estland wordt vervaardigd;
b. kledingstukken of andere textielartikelen die traditioneel in de huisindustrie van Estland worden gemaakt, met de hand vervaardigd uit de hierboven beschreven weefsels en uitsluitend met de hand ineengenaaid zonder gebruikmaking van machines;
c. traditionele folkloristische, in de huisindustrie van Estland met de hand vervaardigde produkten, als vermeld in een tussen de Gemeenschap en Estland overeen te komen lijst van dergelijke produkten.
De vrijstelling geldt alleen voor produkten die vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteiten van Estland afgegeven certificaat dat overeenkomt met het aan dit Protocol gehechte model en waarop de reden van de vrijstelling is aangegeven. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap aanvaarden deze certificaten na te hebben nagegaan dat de betrokken produkten aan de in dit Protocol vermelde voorwaarden voldoen. Certificaten die betrekking hebben op de onder c bedoelde produkten zijn op duidelijke wijze van het stempel „FOLKLORE" voorzien. Bij verschil van mening tussen partijen over de aard van deze produkten wordt binnen een maand overleg gepleegd teneinde een oplossing te vinden.
Indien de invoer van een van bovenbedoelde produkten zulk een omvang aanneemt dat hierdoor in de Gemeenschap problemen ontstaan, wordt zo spoedig mogelijk, overeenkomstig de procedure van artikel 15 van deze Overeenkomst, met Estland overleg gepleegd, teneinde een oplossing te vinden, zonodig door het invoeren van een kwantitatief maximum.
2. De bepalingen van de titels IV en V van aanhangsel A zijn van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 van dit aanhangsel bedoelde produkten.
De Bijlage bij het Aanhangsel zal worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
De bepalingen van dit aanhangsel zijn van toepassing bij de wederinvoer in de Gemeenschap, in de zin van artikel 3, lid 3, van dit Protocol, van de in de bijlage bij dit aanhangsel genoemde produkten, tenzij hieronder anders is bepaald:
1. Onder voorbehoud van punt 2, wordt uitsluitend de wederinvoer in de Gemeenschap van produkten waarop de in de bijlage bij dit aanhangsel vastgestelde bijzondere kwantitatieve maxima van toepassing zijn, beschouwd als wederinvoer in de zin van artikel 3, lid 3, van het Protocol.
2. Bijzondere kwantitatieve maxima kunnen worden ingevoerd voor de wederinvoer van produkten die niet in de bijlage bij dit aanhangsel zijn vermeld, overeenkomstig de in artikel 15 van het Protocol omschreven procedure, maar die op grond van dit aanhangsel aan kwantitatieve beperkingen, aan een dubbele controle of toezicht zijn onderworpen.
3. Met inachtneming van de belangen van beide partijen kan de Gemeenschap op eigen initiatief, of in het kader van een op grond van artikel 15 van het Protocol ingediend verzoek, onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor:
a. overboekingen tussen categorieën, vervroegde benutting of overdracht naar het volgende jaar, van gedeelten van bijzondere kwantitatieve maxima;
b. een verhoging van de bijzondere kwantitatieve maxima.
4. De Gemeenschap kan echter de in punt 3 genoemde mogelijkheden tot flexibiliteit slechts binnen de volgende begrenzingen automatisch toestaan:
a. wanneer tussen categorieën niet meer wordt overgeboekt dan 20% van de hoeveelheid waarnaar wordt overgeboekt;
b. wanneer de overdracht van een bijzonder kwantitatief maximum naar een volgend jaar niet meer bedraagt dan 10,5% van de hoeveelheid voor het jaar van daadwerkelijke benutting;
c. wanneer de vervroegde benutting van een bijzonder kwantitatief maximum niet meer bedraagt dan 7,5% van de hoeveelheid voor het jaar van daadwerkelijke benutting.
5. De Gemeenschap stelt Estland in kennis van de maatregelen die op grond van bovenstaande bepalingen zijn genomen.
6. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap boeken de in punt 1 bedoelde bijzondere kwantitatieve maxima af op het moment dat de voorafgaande vergunning die volgens de regels inzake economische passieve veredeling is vereist (Verordening (EEG) nr. 636/82 van de Raad), wordt afgegeven. De afboeking op een bijzonder kwantitatief maximum geschiedt voor het jaar waarin de voorafgaande vergunning is afgegeven.
7. Een certificaat van oorsprong wordt door de instanties die hiertoe volgens het Estlandse recht bevoegd zijn, overeenkomstig aanhangsel A bij het Protocol, afgegeven voor alle onder dit aanhangsel vallende produkten. Op dit certificaat wordt verwezen naar de in punt 6 bedoelde voorafgaande vergunning als bewijs van het feit dat de daarin omschreven veredeling in Estland is verricht.
8. De Gemeenschap doet Estland de namen en adressen toekomen van de autoriteiten in de Gemeenschap die bevoegd zijn de in punt 6 bedoelde voorafgaande vergunning af te geven, alsmede afdrukken van de stempels die deze autoriteiten gebruiken.
9. Onverminderd de punten 1 tot en met 8, blijven Estland en de Gemeenschap overleg plegen teneinde voor beide partijen aanvaardbare oplossingen te vinden waardoor de bepalingen van het Protocol betreffende passieve veredeling beide partijen tot voordeel strekken, om zodoende daadwerkelijk bij te dragen tot de ontwikkeling van de handel in textielprodukten tussen Estland en de Gemeenschap.
De Bijlage bij het Aanhangsel zal worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 1
In het kader van Protocol nr. 1 betreffende de handel in textiel- en kledingprodukten zijn partijen overeengekomen dat artikel 5 van het Protocol niet belet dat de Gemeenschap, indien de voorwaarden daartoe zijn vervuld, vrijwaringsmaatregelen neemt ten behoeve van een of meer regio's, met inachtneming van de beginselen van de interne markt.
In dergelijk geval zal Estland tevoren worden medegedeeld welke bepalingen van aanhangsel A bij het Protocol worden toegepast.
Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 2
In afwijking van artikel 7, lid 1, van Protocol nr. 1 betreffende de handel in textiel- en kledingprodukten, kan de Gemeenschap, om dwingende technische of administratieve redenen, om een oplossing te vinden voor de economische problemen die door de regionale concentratie van de invoer ontstaan, of om ontduiking van de bepalingen van dit Protocol en fraude tegen te gaan, voor een beperkte tijd een bijzonder systeem van beheer instellen, zulks in overeenstemming met de beginselen van de interne markt.
Zijn partijen echter niet in staat tijdens het in artikel 7, lid 3, bedoelde overleg een bevredigende oplossing te vinden, dan verbindt Estland zich ertoe, indien de Gemeenschap hierom verzoekt, tijdelijk maxima in acht te nemen bij uitvoer naar een of meer regio's van de Gemeenschap. In dergelijk geval belet de toepassing van deze maxima niet dat in de betrokken regio('s) produkten worden ingevoerd die reeds uit Estland waren verzonden op grond van uitvoervergunningen die waren afgegeven voordat de Gemeenschap Estland officieel in kennis stelde van de invoering van voornoemde maxima.
De Gemeenschap zal Estland in kennis stellen van de technische en administratieve maatregelen die door beide partijen genomen moeten worden teneinde het bovenstaande overeenkomstig de beginselen van de interne markt ten uitvoer te leggen.
Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 3
In het kader van Protocol nr. 1 betreffende de handel in textiel- en kledingprodukten zijn partijen overeengekomen dat Estland zal trachten bepaalde regio's van de Gemeenschap die traditioneel slechts over een betrekkelijk klein EG-quotum beschikten voor de invoer van produkten die als grondstof voor hun industrie dienden, te blijven bevoorraden.
De Gemeenschap en Estland zijn voorts overeengekomen zo nodig overleg te plegen om problemen die zich in dit verband kunnen voordoen te voorkomen.
Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 4
In het kader van Protocol nr. 1 betreffende de handel in textiel- en kledingprodukten heeft Estland erin toegestemd, vanaf de datum waarop een verzoek tot overleg als bedoeld in artikel 7, lid 3, wordt ingediend en in afwachting van de resultaten van dit overleg, medewerking te verlenen door geen uitvoervergunningen meer af te geven die de problemen die door de regionale concentratie van de rechtstreekse invoer in de Gemeenschap zijn ontstaan, nog zouden verergeren.
Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 5
Partijen zijn in het kader van Protocol nr. 1 betreffende de handel in textiel- en kledingprodukten overeengekomen dat er, uiterlijk bij het begin van het derde jaar van de toepassing van dit Protocol, specifiek overleg wordt aangegaan ten behoeve van herziening van de toepassing van het stelsel van dubbele controle, met in het bijzonder een bespreking van de lijst van produkten waarvoor het toezicht dubbele controle geldt.
De Bijlagen bij het Protocol zullen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Protocol Nr. 2 betreffende het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Estland van verwerkte landbouwprodukten
1. De Gemeenschap verleent voor verwerkte landbouwprodukten van oorsprong uit Estland de in bijlage I bedoelde tariefconcessies. Voor de produkten van bijlage II worden de verlagingen van het landbouwelement evenwel toegepast binnen de grenzen van de hierin vastgestelde hoeveelheden.
2. De Associatieraad kan:
– de lijst van de in dit Protocol bedoelde verwerkte landbouwprodukten uitbreiden;
– de hoeveelheden verwerkte landbouwprodukten waarop de in dit Protocol vastgestelde tariefconcessies van toepassing zijn verhogen.
3. De Associatieraad kan de concessies vervangen door een stelsel van compenserende bedragen, zonder kwantitatieve beperking, vastgesteld op basis van de op de respectieve markten van de Gemeenschap en Estland geconstateerde prijsverschillen voor landbouwprodukten die daadwerkelijk bij de vervaardiging van de onder dit Protocol vallende verwerkte landbouwprodukten zijn gebruikt. De Associatieraad stelt een lijst op van de goederen waarop deze bedragen van toepassing zijn, evenals een lijst van de basisprodukten, en stelt te dien einde de algemene uitvoeringsbepalingen vast.
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
– goederen: de in dit Protocol bedoelde verwerkte landbouwprodukten;
– landbouwelement: het gedeelte van de heffing dat overeenkomt met het verschil tussen de prijzen op de binnenlandse markt van de overeenkomstsluitende partijen van de landbouwprodukten die voor de produktie van de goederen zouden zijn gebruikt en de prijzen van die landbouwprodukten die in de invoer uit derde landen zijn opgenomen;
– niet-landbouwelement: het deel van de heffing dat overblijft wanneer het landbouwelement van de totale heffing wordt afgetrokken;
– basisprodukten: de landbouwprodukten die voor de vervaardiging van de goederen in de zin van Verordening (EEG) nr. 3448/93 zouden zijn gebruikt;
– basisbedrag: het bedrag dat ingevolge artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3448/93 voor een basisprodukt is berekend en dat ertoe dient het landbouwelement vast te stellen dat, overeenkomstig de bewoordingen van deze verordening, op goederen van een bepaalde soort van toepassing is.
1. De Europese Gemeenschap verleent Estland de volgende concessies:
– het niet-landbouwelement van de heffing zal overeenkomstig bijlage I worden verlaagd;
– voor de goederen waarvoor in bijlage I in een verlaagd landbouwelement (MOBR) wordt voorzien, wordt dit berekend door de basishoeveelheden van de basisprodukten waarvoor een verlaging van de heffing wordt toegekend, in 1995 met 20%, in 1996 met 40% en vanaf 1997 met 60% te verminderen en door het basisbedrag voor de andere basisprodukten voor dezelfde jaren respectievelijk met 10%, 20% en 30% te verminderen. Deze verlagingen worden binnen de grenzen van de in bijlage II vastgestelde tariefcontingenten toegekend. Voor de hoeveelheden die deze tariefcontingenten overschrijden, wordt ten aanzien van derde landen het landbouwelement toegepast.
2. De landbouwelementen worden door verlaagde landbouwelementen vervangen in het geval van goederen die overeenkomstig de in artikel 1, lid 2, beschreven procedure zijn toegevoegd.
Estland past de rechten per 1 januari 1995 toe op de invoer van verwerkte landbouwprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap en vallende onder Verordening (EEG) nr. 3448/93. Indien Estland echter overeenkomstig artikel 24, leden 2 en 3, van deze Overeenkomst rechten wenst toe te passen, legt Estland deze aan de Associatieraad voor. Estland maakt uiterlijk op 31 december 1996 onderscheid tussen het landbouwelement en het niet-landbouwelement van de rechten. Estland verwijdert binnen drie jaar na de datum waarop tussen de rechtenelementen onderscheid is gemaakt, in drie gelijke jaarlijkse stappen, het niet-landbouwelement van de aldus onderscheiden rechten. Het landbouwelement van het recht wordt door de Associatieraad verlaagd volgens de in artikel 3, lid 1, tweede streepje, genoemde beginselen.
De Bijlagen bij het Protocol zullen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Protocol 3 betreffende de definitie van het begrip „produkten van oorsprong" en methoden van administratieve samenwerking
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
a. „vervaardiging": elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
b. „materiaal": alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen enz., die bij de vervaardiging van het produkt worden gebruikt;
c. „produkt": het verkregen produkt, zelfs indien het bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander produkt te worden gebruikt;
d. „goederen": zowel materialen als produkten;
e. „douanewaarde": de waarde zoals bepaald overeenkomstig de op 12 april 1979 te Genève ondertekende Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel;
f. „prijs af fabriek": de prijs die voor het produkt af fabriek is betaald aan de fabrikant in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen produkt wordt uitgevoerd;
g. „waarde van de materialen": de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de betrokken gebieden is betaald;
h. „waarde van de materialen van oorsprong": de waarde van deze materialen als omschreven onder g), welke omschrijving van dienovereenkomstige toepassing is;
i. „toegevoegde waarde": de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van elk van de erin opgenomen produkten die niet van oorsprong waren in het land waar die produkten werden verkregen;
j. „hoofdstukken" en „posten": de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit Protocol „het geharmoniseerde systeem" of „GS" genoemd;
k. „ingedeeld": de indeling van een produkt of materiaal onder een bepaalde post;
l. „zending": produkten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur.
DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUKTEN VAN OORSPRONG”
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van dit Protocol worden voor de toepassing van deze Overeenkomst beschouwd als:
1. produkten van oorsprong uit de Gemeenschap:
a. geheel en al in de Gemeenschap verkregen produkten in de zin van artikel 5 van dit Protocol;
b. in de Gemeenschap verkregen produkten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in de Gemeenschap een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6 van dit Protocol;
2. produkten van oorsprong uit Estland:
a. geheel en al in Estland verkregen produkten, in de zin van artikel 5 van dit Protocol;
b. in Estland verkregen produkten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in Estland een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6 van dit Protocol.
1. In afwijking van artikel 2, lid 1, onder b), worden materialen van oorsprong uit Estland in de zin van dit Protocol beschouwd als materialen van oorsprong uit de Gemeenschap en is het niet noodzakelijk dat deze in de Gemeenschap een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits ze evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 7 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.
2. In afwijking van artikel 2, lid 2, onder b), worden materialen van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van dit Protocol beschouwd als materialen van oorsprong uit Estland en is het niet noodzakelijk dat deze in Estland een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits ze evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 7 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.
1. a. In afwijking van artikel 2, lid 1, onder b., en onder voorbehoud van de leden 2 en 3 worden materialen van oorsprong uit Letland of Litouwen in de zin van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomsten tussen de Gemeenschap en deze landen beschouwd als materialen van oorsprong uit de Gemeenschap en is het niet noodzakelijk dat deze in de Gemeenschap een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits ze evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 7 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.
b. In afwijking van artikel 2, lid 2, onder b., en onder voorbehoud van de leden 2 en 3, worden materialen van oorsprong uit Letland of Litouwen in de zin van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomsten tussen de Gemeenschap en deze landen beschouwd als materialen van oorsprong uit Estland en is het niet noodzakelijk dat deze materialen een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits ze evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 7 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.
2. Produkten die het karakter van produkt van oorsprong door toepassing van lid 1 hebben verkregen worden slechts als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Estland beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde de waarde van de gebruikte materialen uit Letland of Litouwen overschrijdt.
Indien dit niet het geval is, worden de betrokken produkten met het oog op de toepassing van deze Overeenkomst of van de Overeenkomsten tussen de Gemeenschap en Letland of Litouwen beschouwd als van oorsprong uit Letland of Litouwen al naar gelang van de hoogste waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van deze landen.
3. Voor de toepassing van dit artikel gelden de in dit Protocol omschreven regels van oorsprong in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Letland en Litouwen en in het handelsverkeer tussen Estland en deze twee landen, alsmede in het handelsverkeer tussen deze drie landen onderling.
1. Als geheel en al in de Gemeenschap of in Estland verkregen, in de zin van artikel 2, lid 1, onder a., en lid 2, onder a., worden beschouwd:
a. uit hun bodem of hun zeebodem gewonnen produkten;
b. aldaar geoogste produkten van het plantenrijk;
c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;
d. produkten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;
e. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
f. produkten van de zeevisserij en andere door hun schepen uit de zee gewonnen produkten;
g. produkten uitsluitend uit de onder f. bedoelde produkten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;
h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen; met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
i. afval afkomstig van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen;
j. produkten, gewonnen van of vanonder de zeebodem buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a. tot en met j. bedoelde produkten zijn vervaardigd.
2. De termen „hun schepen" en „hun fabrieksschepen" in lid 1, onder f. en g., zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen
– die in Estland of een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn ingeschreven of geregistreerd;
– die de vlag van Estland of van een Lid-Staat van de Gemeenschap voeren;
– die voor minstens de helft toebehoren aan onderdanen van Estland of van Lid-Staten van de Gemeenschap of aan een vennootschap die haar hoofdkantoor in een van deze Staten of in Estland heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van beheer of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van Estland of van Lid-Staten van de Gemeenschap, en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan deze Staten, aan Estland of aan de openbare lichamen of onderdanen van deze Staten of
– waarvan de kapitein en de officieren allen onderdanen zijn van Estland of van een Lid-Staat van de Gemeenschap;
– waarvan de bemanning voor ten minste 75% bestaat uit onderdanen van Estland of van een Lid-Staat van de Gemeenschap.
3. De termen „Estland" en „de Gemeenschap" hebben ook betrekking op de territoriale wateren van Estland en de Lid-Staten van de Gemeenschap.
Schepen waarmede in volle zee wordt gevist, met inbegrip van fabrieksschepen waarop de gevangen vis wordt be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van de Gemeenschap of van Estland voor zover zij voldoen aan de voorwaarden van lid 2.
1. Voor de toepassing van artikel 2 worden niet van oorsprong zijnde materialen geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan, wanneer het verkregen produkt onder een andere post wordt ingedeeld dan die waaronder alle niet van oorsprong zijnde materialen vallen die bij de vervaardiging zijn gebruikt, onder voorbehoud van de leden 2 en 3.
2. Wanneer een produkt in de kolommen 1 en 2 van de lijst in bijlage II is vermeld, moet aan de voorwaarden worden voldaan die voor dit produkt in kolom 3 zijn vermeld in plaats van aan het bepaalde in lid 1.
Wanneer in de lijst van bijlage II een percentageregel wordt toegepast voor de bepaling van de oorsprong van een in de Gemeenschap of in Estland verkregen produkt, stemt de door de be- of verwerking toegevoegde waarde overeen met de prijs af fabriek van het verkregen produkt, verminderd met de waarde van de in de Gemeenschap of in Estland uit derde landen ingevoerde materialen.
3. Deze voorwaarden geven voor alle produkten welke onder de Overeenkomst vallen, aan welke be- of verwerkingen de gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen moeten hebben ondergaan bij de vervaardiging van deze produkten en zijn slechts op deze materialen van toepassing. Hieruit volgt dat wanneer een produkt dat het karakter van produkt van oorsprong heeft verkregen omdat het aan de voorwaarden in de lijst voor dit produkt heeft voldaan, bij de vervaardiging van een ander produkt wordt gebruikt, de voorwaarden die van toepassing zijn op het produkt waarin het is verwerkt niet van toepassing zijn op het verwerkte produkt. Er wordt dan evenmin rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging van het verwerkte produkt kunnen zijn gebruikt.
Voor de toepassing van artikel 6 worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om het karakter van produkt van oorsprong te verlenen, ongeacht het feit of er een verandering van post plaatsvindt:
a. behandelingen welke dienen om de produkten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitspreiden, drogen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere produkten zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde gedeelten en soortgelijke verrichtingen);
b. eenvoudige verrichtingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen), wassen, verven en snijden;
c. i. veranderen van verpakkingen, splitsen en samenvoegen van colli;
ii. eenvoudig bottelen, verpakken in flacons, zakken, etuis, dozen of blikken, bevestigen op kaartjes of plankjes, enzovoort, en alle andere handelingen in verband met de opmaak;
d. het aanbrengen van merken, etiketten of soortgelijke onderscheidingstekens op de produkten zelf of op hun verpakkingen;
e. eenvoudig mengen van produkten, ook van verschillende soorten, indien een of meer bestanddelen van het mengsel niet voldoen aan de voorwaarden van dit Protocol om als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Estland te worden beschouwd;
f. eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig produkt;
g. twee of meer van de onder a. tot en met f. vermelde behandelingen te zamen;
h. het slachten van dieren.
1. De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol is het produkt dat bij het vaststellen van indeling in de nomenclatuur volgens het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.
Hieruit volgt dat:
a. wanneer een produkt, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, volgens het geharmoniseerde systeem onder één enkele post wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
b. wanneer een zending bestaat uit een aantal eendere produkten die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem worden ingedeeld, elk produkt voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol afzonderlijk moet worden genomen.
2. Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.
Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.
Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit produkten van oorsprong en produkten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de produkten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 procent van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.
Om te bepalen of een produkt van oorsprong is uit de Gemeenschap of uit Estland wordt niet nagegaan of de energie, brandstof, fabrieksuitrusting, machines en werktuigen die zijn gebruikt om dit produkt te verkrijgen van oorsprong zijn en wordt ook niet nagegaan of goederen die tijdens het produktieproces zijn gebruikt, maar die in de uiteindelijke samenstelling van het produkt niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen, van oorsprong zijn.
Aan de in titel II genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van het karakter van produkt van oorsprong moet zonder onderbreking in de Gemeenschap of in Estland zijn voldaan, behoudens het bepaalde in de artikelen 3 en 4.
Behoudens het bepaalde in de artikelen 3 en 4 worden produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of Estland die naar een ander land worden uitgevoerd en teruggezonden, niet als van oorsprong beschouwd tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:
a. de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en
b. zij in dat land toen, bij uitvoer geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren.
1. De in de Overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is slechts van toepassing op produkten of materialen die niet via het grondgebied van een ander land tussen het grondgebied van de Gemeenschap en dat van Estland of wanneer artikel 4 van toepassing is, van Letland of Litouwen, worden vervoerd. Goederen van oorsprong uit Estland of de Gemeenschap die één enkele zending vormen die niet wordt gesplitst, kunnen via een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Estland of, wanneer artikel 4 van toepassing is, van Letland of van Litouwen worden vervoerd met eventueel overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voor zover de goederen in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven, en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.
Het vervoer per pijpleiding van produkten van oorsprong uit Estland of de Gemeenschap mag via een ander grondgebied gaan dan dat van de Gemeenschap of van Estland.
2. Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:
a. hetzij een in het land van uitvoer afgegeven doorvoercognossement ter dekking van het vervoer door het land van doorvoer;
b. hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:
i. de produkten nauwkeurig zijn omschreven,
ii. de data zijn vermeld waaronder de produkten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder opgave van de naam van de gebruikte schepen; en
iii. een verklaring betreffende de voorwaarden waarop de produkten in het land van doorvoer verbleven;
c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.
1. Op produkten die uit een van de overeenkomstsluitende partijen naar een tentoonstelling in een derde land worden gezonden en na de tentoonstelling voor invoer in een andere overeenkomstsluitende partij worden verkocht, zijn bij invoer de bepalingen van de Overeenkomst van toepassing, voor zover de produkten aan de voorwaarden van dit Protocol voldoen om als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Estland te worden beschouwd, en voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:
a. een exporteur deze produkten vanuit een van de overeenkomstsluitende partijen naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en ze daar heeft tentoongesteld;
b. de exporteur de produkten heeft verkocht of op andere wijze afgestaan aan een geadresseerde in een andere overeenkomstsluitende partij;
c. de produkten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan naar laatstgenoemde overeenkomstsluitende partij zijn verzonden; en
d. de produkten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op de tentoonstelling te worden vertoond.
2. Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel IV afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer ingediend. Op dit bewijs staan de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de aard van de produkten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld.
3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter, welke niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten worden gehouden, gedurende welke de produkten onder douanetoezicht blijven.
Het karakter van produkt van oorsprong, in de zin van dit Protocol, wordt aangetoond door middel van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan een model in bijlage III bij dit Protocol is opgenomen.
1. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.
2. Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen.
Deze formulieren worden ingevuld in een van de talen waarin de Overeenkomst is opgesteld, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de formulieren met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De produkten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.
3. De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoekt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, op ieder moment de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken produkten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.
De exporteur bewaart de in dit lid bedoelde bewijsstukken gedurende ten minste twee jaar.
Aanvragen om certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer gedurende ten minste twee jaar bewaard.
4. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van artikel 2, lid 1, van dit Protocol. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van Estland indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit Estland in de zin van artikel 2, lid 2, van dit Protocol.
5. Wanneer de bepalingen inzake cumulatie van de artikelen 2 tot en met 4 van toepassing zijn, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten van de Gemeenschap of van Estland certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven op de in dit Protocol vermelde voorwaarden, indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong in de zin van dit Protocol, en voor zover de goederen waarop de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking hebben zich in de Gemeenschap of in Estland bevinden.
In deze gevallen worden de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgegeven na overlegging van bewijsstukken ten aanzien van de oorsprong die eerder werden afgegeven of opgesteld. Dit bewijs van de oorsprong wordt gedurende ten minste drie jaar door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer bewaard.
6. De met de afgifte belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de produkten inderdaad van oorsprong zijn en gaan na of aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de boeken van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.
De met de afgifte belaste douaneautoriteiten zien er ook op toe dat de in lid 2 genoemde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zo is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.
7. De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in dat deel van het certificaat dat voor de douaneautoriteiten is bestemd.
8. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven wanneer de produkten waarop het betrekking heeft worden uitgevoerd. Het wordt ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat ze zullen worden uitgevoerd.
1. In afwijking van artikel 17, lid 8, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, wanneer
a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of andere bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;
b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wel was afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.
2. Met het oog op de toepassing van lid 1 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de produkten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.
3. De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de in de aanvraag van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.
4. Op a posteriori afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 komt een van de volgende aantekeningen voor:
»NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT«, «DÉLIVRÉ A POSTERIORI», «RILASCIATO A POSTERIORI», „AFGEGEVEN A POSTERIORI", “ISSUED RETROSPECTIVELY", »UDSTEDT EFTERFØLGENDE«, «EKΔOΘEN EK TΟN YΣTEΡΟN», «EXPEDIDO A POSTERIORI», «EMITADO A POSTERIORI», «TGANTJÂRELE VÂLJAANTUD», «ANNETTU JÄLKIKÄTEEN», «UTFÄRDAT I EFTERHAND».
5. De in lid 4 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak "Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.
2. Op het aldus afgegeven certificaat wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:
»DUPLIKAT«, «DUPLICATA», «DUPLICATO», „DUPLICAAT", «DUPLICATE», «ANTIΓΡAΦO», «DUPLICADO», «SEGUNDA VIA», «DUPLIKAAT», «KAKSOISKAPPALE», «DUPLIKAT».
3. De in lid 2 bedoelde aantekening, de datum van afgifte en het serienummer van het oorspronkelijke certificaat worden aangebracht in het vak "Opmerkingen" van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
4. Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, geldt vanaf die datum.
1. Vervanging van een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 door een of meer andere certificaten is steeds mogelijk, voor zover dit geschiedt door het douanekantoor of de andere bevoegde instanties die met het toezicht op de goederen zijn belast.
2. Het vervangende certificaat wordt met het oog op de toepassing van dit Protocol, met inbegrip van dit artikel, als een definitief certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 beschouwd.
3. Het vervangende certificaat wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van degene die de wederuitvoer verricht, nadat de betrokken instanties de door de aanvrager verstrekte gegevens hebben gecontroleerd. De datum en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden in vak 7 vermeld.
1. In afwijking van de artikelen 17, 18 en 19 kan volgens onderstaande bepalingen een vereenvoudigde procedure voor de afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden toegepast.
2. De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen een exporteur, hierna „toegelaten exporteur" genoemd, die veelvuldig goederen verzendt waarvoor certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 kunnen worden afgegeven en die, ten genoegen van de bevoegde instanties, de nodige waarborgen biedt wat de controle van de oorsprong van de produkten betreft, vergunning verlenen om bij uitvoer bij het douanekantoor van de Staat van uitvoer noch de goederen, noch een aanvraag om een certificaat EUR.1 ten aanzien van deze goederen aan te bieden teneinde een certificaat EUR.1 te verkrijgen onder de bij artikel 17 vastgestelde voorwaarden.
3. In de in lid 2 bedoelde vergunning wordt naar keuze van de bevoegde instanties bepaald dat vak 11 „Visum van de douane" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1:
a. hetzij van tevoren wordt voorzien van het stempel van het bevoegde douanekantoor van de Staat van uitvoer, alsmede van de geschreven of anderszins aangebrachte handtekening van een ambtenaar van dit kantoor,
b. hetzij door de toegelaten exporteur wordt voorzien van een speciaal stempel dat door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer is goedgekeurd en overeenkomt met het model dat in bijlage V is opgenomen. Dit stempel mag ook van tevoren op de formulieren worden gedrukt.
4. In de in lid 3, onder a., bedoelde gevallen wordt in vak 7 „Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 een van de volgende vermeldingen aangebracht:
«PROCEDIMENTO SIMPLIFICADO», »FORENKLET PROCEDURE«, »VEREINFACHTES VERFAHREN«, «AΠΛOYΣTEYMENH ΔIAΔIKAΣIA», “SIMPLIFIED PROCEDURE", «PROCÉDURE SIMPLIFIÉE», «PROCEDURA SEMPLIFICATA», „VEREENVOUDIGDE PROCEDURE", «PROCEDIMENTO SIMPLIFICADO», «LIHTSUSTATUD PROTSEDUUR», «YKSINKERTAISTETTU MENETTELY», «FÖRENKLAD PROCEDUR».
5. Vak 11 „Visum van de douane" van het certificaat EUR.1 wordt zo nodig door de toegelaten exporteur ingevuld.
6. De toegelaten exporteur vermeldt zo nodig in vak 13 „Verzoek om controle" van het certificaat EUR.1 naam en adres van de instantie die bevoegd is dit certificaat te controleren.
7. De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen voorschrijven dat bij toepassing van de vereenvoudigde procedure de certificaten EUR.1 van een speciaal merkteken worden voorzien.
8. De bevoegde instanties geven in de in lid 2 bedoelde vergunning met name aan:
a. op welke wijze de aanvragen om certificaten EUR.1 worden ingediend;
b. op welke wijze deze aanvragen gedurende ten minste drie jaar worden bewaard;
c. in de in lid 3, onder b., bedoelde gevallen, de instantie die bevoegd is de in artikel 30 bedoelde controle achteraf uit te voeren.
9. De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer mogen bepaalde categorieën goederen van de in lid 2 bedoelde speciale behandeling uitsluiten.
10. De in lid 2 bedoelde vergunning wordt geweigerd wanneer de exporteur niet alle waarborgen biedt die de douaneautoriteiten nodig achten. De bevoegde instanties kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij moeten dit doen wanneer de toegelaten exporteur niet meer aan de voorwaarden voldoet of niet langer de nodige waarborgen biedt.
11. De toegelaten exporteur kan worden verplicht de bevoegde instanties, op de wijze die deze bepalen, over zijn voorgenomen zendingen in te lichten, zodat deze instanties eventueel de door hen nodig geachte controles kunnen uitvoeren alvorens de goederen worden verzonden.
12. De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen elke door hen nodig geachte controle uitvoeren bij de toegelaten exporteurs. Deze exporteurs kunnen zich hiertegen niet verzetten.
13. De bepalingen in dit artikel doen geen afbreuk aan de in de Gemeenschap, de Lid-Staten en Estland geldende voorschriften inzake douaneformaliteiten en het gebruik van douanedocumenten.
1. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is vier maanden geldig vanaf de datum van afgifte in de Staat van uitvoer. Het moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer.
2. Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden.
3. In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van de Staat van invoer de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.
Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Bedoelde autoriteiten kunnen een vertaling van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of de factuurverklaring verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten aan de voorwaarden voor de toepassing van de Overeenkomst voldoen.
Wanneer, op verzoek van de importeur en op de voorwaarden die door de douaneautoriteiten van de Staat van invoer zijn vastgesteld, gedemonteerde of niet-gemonteerde produkten in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de hoofdstukken 84 en 85 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt voor dergelijke produkten één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.
1. In afwijking van artikel 16 wordt het bewijs van oorsprong, in de zin van dit Protocol, voor zendingen die slechts produkten van oorsprong bevatten en waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 3.000 ecu per zending, geleverd door formulier EUR.2, waarvan het model in bijlage IV bij dit Protocol is opgenomen.
2. Het formulier EUR.2 wordt door de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, door zijn gemachtigde vertegenwoordiger, overeenkomstig dit Protocol, ingevuld en ondertekend.
3. Voor elke zending wordt een formulier EUR.2 ingevuld.
4. Wanneer de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer hierom verzoeken, overlegt de exporteur die het formulier EUR.2 heeft aangevraagd alle bewijsstukken betreffende het gebruik van dit formulier.
5. De artikelen 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing op het formulier EUR.2.
1. Produkten die door particulieren in kleine zendingen aan particulieren worden verzonden of deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als produkten van oorsprong toegelaten zonder dat het nodig is een formeel bewijs van oorsprong over te leggen, voor zover aan zulke produkten ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit Protocol voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat. In geval van postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier C2/CP3 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.
2. Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van produkten die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, de reiziger of de leden van zijn gezin, voor zover noch de aard noch de hoeveelheid van de produkten op commerciële doeleinden wijzen.
3. Voorts mag de totale waarde van deze produkten niet meer bedragen dan 300 ecu voor kleine zendingen of 800 ecu voor produkten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.
1. Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens die voorkomen op het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of op een formulier EUR.2 en die welke voorkomen op de documenten die met het oog op het vervullen van de douaneformaliteiten bij de invoer van produkten bij het douanekantoor worden ingediend, dan is het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2 hierdoor niet automatisch ongeldig, indien wordt vastgesteld dat het document wel degelijk met de aangebrachte produkten overeenstemt.
2. Kennelijke vormfouten zoals typefouten op het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of op het formulier EUR.2 maken dit document niet ongeldig indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de in dit document vermelde gegevens.
1. Het land van uitvoer stelt de bedragen in zijn nationale valuta vast die gelijk zijn aan de in ecu uitgedrukte bedragen en deelt deze aan de andere partijen mede.
Indien deze bedragen hoger zijn dan de overeenkomstige door het land van invoer vastgestelde bedragen, worden ze door laatstgenoemd land aanvaard indien de produkten gefactureerd zijn in de valuta van het land van uitvoer of van een van de andere in artikel 4 van dit Protocol bedoelde landen.
Indien de produkten gefactureerd zijn in de valuta van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, aanvaardt het land van invoer het door het betrokken land medegedeelde bedrag.
2. Tot en met 30 april 2000 is de waarde van de in een bepaalde nationale valuta uitgedrukte ecu gelijk aan de waarde van de ecu in die nationale valuta per 1 oktober 1994.
Voor iedere daaropvolgende periode van vijf jaar worden de in ecu uitgedrukte bedragen en hun tegenwaarde in de nationale valuta van de Staten door de Associatieraad herzien aan de hand van de wisselkoers van de ecu op de eerste werkdag in oktober van het onmiddellijk aan die periode van vijf jaar voorafgaande jaar.
Bij deze herziening ziet de Associatieraad erop toe dat de te gebruiken bedragen in nationale valuta niet worden verminderd en zal voorts onderzoeken of het wenselijk is de gevolgen van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Te dien einde kan hij besluiten de in ecu uitgedrukte bedragen te wijzigen.
REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING
De douaneautoriteiten van de Lid-Staten en van Estland doen elkaar, via de Commissie van de Europese Gemeenschappen, afdrukken toekomen van de stempels die in hun douanekantoren worden gebruikt bij de afgifte van certificaten EUR.1, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de controle van deze certificaten en de formulieren EUR.2.
1. De certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en wanneer de douaneautoriteiten van de Staat van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken produkten of de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.
2. Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en het formulier EUR.2, of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd.
3. De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Te dien einde zijn zij gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen en de boeken van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.
4. Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de produkten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
5. De douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd worden binnen ten hoogste tien maanden van de resultaten van deze controle in kennis gesteld. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken produkten werkelijk beschouwd kunnen worden als van oorsprong en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.
6. Indien bij gegronde twijfel binnen de termijn van tien maanden geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, worden door de aanvragende douaneautoriteiten de algemene tariefpreferenties niet toegekend, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden.
Geschillen ten aanzien van de in artikel 30 bedoelde controleprocedures die niet onderling geregeld kunnen worden door de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die met deze controle zijn belast, en problemen in verband met de interpretatie van dit Protocol worden aan de Associatieraad voorgelegd.
In alle gevallen is de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van de Staat van invoer onderworpen aan de wetgeving van deze Staat.
Tegen een ieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel produkten onder de preferentiële regeling te doen vallen, worden sancties getroffen.
1. De Lid-Staten en Estland nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat produkten die onder geleide van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden verhandeld en tijdens hun vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 dienen de bevoegde douaneautoriteiten, wanneer produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Estland die onder dekking van een certificaat EUR.1 in een vrije zone worden ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat EUR.1 af te geven indien de be- of verwerking waartoe is overgegaan overeenstemmen met het in dit Protocol bepaalde.
1. De in dit Protocol gebruikt term „Gemeenschap" heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. De term „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" heeft geen betrekking op produkten van oorsprong uit deze gebieden.
2. Dit Protocol is van overeenkomstige toepassing op produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, met inachtneming van de in artikel 35 vastgestelde bijzondere voorwaarden.
1. De volgende bepalingen zijn van toepassing in plaats van artikel 2 en de verwijzingen naar dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing op onderhavig artikel.
2. Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, worden beschouwd als:
1. produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:
a. geheel en al in Ceuta en Melilla verkregen produkten;
b. in Ceuta en Melilla verkregen produkten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a. bedoelde produkten zijn gebruikt, mits:
i. deze produkten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 6, of
ii. deze produkten van oorsprong zijn uit Estland of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer omvatten dan de in artikel 7 bedoelde ontoereikende be- of verwerkingen;
2. produkten van oorsprong uit Estland:
a. geheel en al in Estland verkregen produkten;
b. in Estland verkregen produkten waarin andere dan de onder a) bedoelde produkten zijn gebruikt, voor zover:
i. deze produkten een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6 van dit Protocol, of voor zover
ii. deze produkten van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol, mits zij een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 7 omschreven ontoereikende be- of verwerkingen.
3. Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.
4. De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „Estland" en „Ceuta en Melilla" in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. In het geval van produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla wordt dit bovendien vermeld in vak 4 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
5. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit Protocol in Ceuta en Melilla.
De Associatieraad stelt om de twee jaar, of wanneer Estland of de Gemeenschap hierom verzoekt, een onderzoek in naar de toepassing van dit Protocol teneinde eventueel noodzakelijk geachte wijzigingen of aanpassingen aan te brengen.
Bij dit onderzoek wordt met name rekening gehouden met de deelname van de overeenkomstsluitende partijen aan vrijhandelszones of douane-unies met derde landen.
1. Er wordt een Comité douanesamenwerking ingesteld, dat belast is met de tenuitvoerlegging van de administratieve samenwerking met het oog op de juiste en uniforme toepassing van dit Protocol en dat met elke andere taak op douanegebied kan worden belast.
2. Het Comité is samengesteld uit deskundigen van de Lid-Staten en met douanezaken belaste ambtenaren van de diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en door Estland benoemde deskundigen anderzijds.
De bijlagen bij dit Protocol maken deel uit van dit Protocol.
De Gemeenschap en Estland nemen, ieder voor zich, de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol.
De partijen bij deze overeenkomst nemen de nodige maatregelen om met Letland en Litouwen regelingen met het oog op de toepassing van dit Protocol te treffen. De partijen bij deze Overeenkomst stellen elkaar van deze maatregelen in kennis.
De Overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit Protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken in doorvoer zijn of die in de Gemeenschap of in Estland zijn, of, voor zover de bepalingen van artikel 2 van toepassing zijn, in Letland of Litouwen tijdelijk in douane-entrepots zijn opgeslagen of zich daar in een vrije zone bevinden, mits binnen vier maanden na die datum een certificaat EUR.1 bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer wordt ingediend dat achteraf door de bevoegde instanties van de Staat van uitvoer is afgetekend, vergezeld van documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd.
De Bijlagen bij het Protocol zullen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Protocol 4 specifieke bepalingen betreffende de handel tussen Estland en Spanje en Portugal
SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE HANDEL TUSSEN SPANJE EN ESTLAND
De bepalingen van titel II van de Overeenkomst betreffende het handelsverkeer worden als volgt gewijzigd teneinde rekening te houden met de maatregelen en verbintenissen die zijn opgenomen in de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen (hierna de „Toetredingsakte" genoemd).
Krachtens de Toetredingsakte past Spanje ten aanzien van produkten van oorsprong uit Estland geen gunstiger behandeling toe dan ten aanzien van de invoer van produkten van oorsprong uit andere Lid-Staten of van produkten die zich in andere Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden.
De uitvoering door Spanje van de verplichtingen uit hoofde van artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst geschiedt op het tijdstip dat voor de overige Lid-Staten is vastgesteld, op voorwaarde dat Estland is geschrapt van de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 519/94 inzake gemeenschappelijke regels voor de invoer uit bepaalde derde landen.
De invoer in Spanje van de in bijlage A vermelde produkten van oorsprong uit Estland kan tot en met 31 december 1995 aan kwantitatieve beperkingen worden onderworpen.
Dit Protocol is van toepassing onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1911/91 van de Raad van 26 juni 1991 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht op de Canarische eilanden en het bepaalde in Besluit 91/314/EEG van de Raad van 26 juni 1991 tot instelling van een programma van speciaal op het afgelegen en insulaire karakter van de Canarische eilanden afgestemde maatregelen (POSEICAN).
SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE HANDEL TUSSEN PORTUGAL EN ESTLAND
De bepalingen van titel II van de Overeenkomst betreffende het handelsverkeer worden als volgt gewijzigd teneinde rekening te houden met de maatregelen en verplichtingen die zijn opgenomen in de Akte van Toetreding van de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen (hierna „Toetredingsakte" genoemd).
Krachtens de Toetredingsakte past Portugal ten aanzien van produkten van oorsprong uit Estland geen gunstiger behandeling toe dan ten aanzien van de invoer van produkten van oorsprong uit andere Lid-Staten of van produkten die zich in andere Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden.
De uitvoering door Portugal van de verplichtingen uit hoofde van artikel 4, lid 2, van de Overeenkomst geschiedt op het tijdstip dat voor de overige Lid-Staten is vastgesteld, op voorwaarde dat Estland is geschrapt van de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 519/94 inzake gemeenschappelijke regels voor de invoer uit bepaalde derde landen.
De invoer in Portugal van de in bijlage B vermelde produkten van oorsprong uit Estland kan tot en met 31 december 1995 aan kwantitatieve beperkingen worden onderworpen.
De Bijlagen bij het Protocol zullen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Protocol 5 betreffende wederzijdse bijstand tussen administratieve autoriteiten in douanezaken
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
a. „douanewetgeving": de door de Gemeenschap en Estland vastgestelde voorschriften betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder enige andere douaneregeling, met inbegrip van de ingestelde verboden, beperkingen en controlemaatregelen;
b. „douanerechten": alle rechten, belastingen, vergoedingen en andere heffingen die ter uitvoering van de douanewetgeving op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen worden toegepast en ingevorderd, met uitzondering van de vergoedingen en heffingen waarvan het bedrag bij benadering gelijk is aan de kosten van de verleende diensten;
c. „verzoekende autoriteit": een bevoegde administratieve autoriteit welke hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die een verzoek om administratieve bijstand in douanezaken indient;
d. „aangezochte autoriteit": een bevoegde administratieve autoriteit welke hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die een verzoek om administratieve bijstand in douanezaken ontvangt;
e. „overtreding": elke inbreuk op de douanewetgeving en elke poging daartoe.
1. De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar binnen hun bevoegdheden bijstand, op de wijze en onder de voorwaarden vastgesteld in dit Protocol, met het oog op de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder wat de preventie, de opsporing en het onderzoek van overtredingen van deze wetgeving betreft.
2. De bijstand in douanezaken waarin dit Protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de overeenkomstsluitende partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit Protocol. De bijstand in douanezaken doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden welke op verzoek van de rechterlijke autoriteiten worden uitgeoefend, tenzij deze autoriteiten hiermee instemmen.
1. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verschaft de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, met inbegrip van informatie betreffende transacties waarvan bekend is dat zij hebben plaatsgevonden of gepland zijn en die een overtreding vormen of zouden vormen van deze wetgeving.
2. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede of goederen die uit het grondgebied van een der partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze naar het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.
3. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit zorgt de aangezochte autoriteit ervoor dat toezicht wordt gehouden op:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen ten aanzien waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat zij de douanewetgeving overtreden of overtreden hebben;
b. plaatsen waar er op dusdanige wijze voorraden goederen zijn bijeengebracht dat er gerede aanleiding is om te veronderstellen dat deze bedoeld zijn als leveranties voor verrichtingen die met de wetgeving van de andere partij strijdig zijn;
c. goederenbewegingen waarvan wordt bericht dat zij aanleiding kunnen geven tot ernstige overtredingen van de douanewetgeving;
d. vervoermiddelen waarvan op redelijke gronden wordt vermoed dat zij voor het plegen van inbreuken op de douanewetgeving werden gebruikt, worden gebruikt of zouden kunnen worden gebruikt.
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar, ongevraagd, in overeenstemming met hun wetten, regels en andere rechtsinstrumenten, bijstand indien zij zulks noodzakelijk achten voor de juiste toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder bij het verkrijgen van informatie omtrent:
– transacties die een inbreuk vormden, vormen of zouden vormen op deze wetgeving en die van belang kunnen zijn voor de andere overeenkomstsluitende partijen;
– nieuwe middelen of methoden die bij dergelijke transacties worden gebruikt;
– goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van een ernstige overtreding van de douanewetgeving in verband met de invoer, de uitvoer of de doorvoer, dan wel van enige andere douaneregeling.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar eigen wetgeving, de nodige maatregelen voor:
– de afgifte van alle documenten,
– de kennisgeving van alle besluiten,
waarop het bepaalde in dit Protocol van toepassing is, aan een geadresseerde die op haar grondgebied verblijft of gevestigd is. In dergelijk geval is artikel 6, lid 3, van toepassing.
1. Verzoeken in het kader van dit Protocol worden schriftelijk gedaan en gaan vergezeld van de voor de behandeling ervan noodzakelijke bescheiden. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.
2. De overeenkomstig het bepaalde in lid 1 ingediende verzoeken bevatten de hierna volgende gegevens:
a. de naam van de verzoekende autoriteit,
b. de gevraagde maatregel,
c. het voorwerp en de reden van het verzoek,
d. de relevante wetten, regels en andere voorschriften,
e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie betreffende de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft,
f. een overzicht van de relevante feiten, behalve in de in artikel 5 bedoelde gevallen.
3. De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal.
4. Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling daarvan worden verzocht. Er kunnen echter voorzorgsmaatregelen worden genomen.
1. De aangezochte autoriteit of, indien deze niet tot zelfstandig handelen bevoegd is, de administratieve dienst waaraan het verzoek door deze autoriteit werd gericht, behandelt verzoeken om bijstand, binnen de perken van de haar verleende bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelde, met name door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten.
2. Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wetten, reglementen en andere rechtsvoorschriften van de aangezochte overeenkomstsluitende partij.
3. Ter zake bevoegde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere betrokken partij en onder de door deze laatste vastgestelde voorwaarden, van de diensten van de aangezochte autoriteit of van een andere autoriteit die onder de aangezochte autoriteit ressorteert, informatie betreffende inbreuken op de douanewetgeving verkrijgen die de verzoekende autoriteit nodig heeft ter uitvoering van het bepaalde in dit Protocol.
4. Ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde partij wordt verricht.
1. De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit mede in de vorm van bescheiden, voor echt gewaarmerkte afschriften van bescheiden, rapporten en dergelijke.
2. De in lid 1 bedoelde bescheiden kunnen worden vervangen door informatie welke met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking in om het even welke vorm voor hetzelfde doeleinde wordt verstrekt.
1. De partijen kunnen de in dit Protocol bedoelde bijstand weigeren wanneer het verlenen daarvan:
a. hun soevereiniteit, openbare orde, veiligheid of andere wezenlijke belangen in het gedrang zou kunnen brengen;
b. de toepassing inhoudt van valuta- of belastingregelingen andere dan die welke betrekking hebben op de douanerechten, of
c. zou leiden tot de schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim.
2. Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit bepaalt zelf hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
3. Indien bijstand wordt geweigerd, dienen het daartoe strekkende besluit en de redenen welke eraan ten grondslag liggen onverwijld aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.
1. Alle informatie die ter uitvoering van dit Protocol in om het even welke vorm wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter. Zij valt onder de geheimhoudingsplicht en geniet de bescherming van de ter zake geldende wettelijke voorschriften in de overeenkomstsluitende partij die ze heeft ontvangen en van de overeenkomstige bepalingen waaraan de communautaire autoriteiten onderworpen zijn.
2. Persoonsgebonden gegevens worden niet verstrekt wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de mededeling of het gebruik daarvan strijdig zou zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van een der partijen en, in het bijzonder, indien de betrokken persoon hiervan onrechtmatig nadeel zou ondervinden. De partij die de gegevens ontvangt, deelt de partij die de gegevens verstrekt desgevraagd mede voor welk doel deze zullen worden gebruikt en welke resultaten ermee werden bereikt.
3. Persoonsgebonden gegevens mogen uitsluitend worden medegedeeld aan douaneautoriteiten en, indien vereist ten behoeve van rechtsvervolging, aan het Openbaar Ministerie en de rechterlijke autoriteiten. Andere personen of autoriteiten kunnen dergelijke informatie uitsluitend verkrijgen na voorafgaande toestemming van de autoriteiten die ze verstrekt.
4. De partij die de gegevens verstrekt, controleert de juistheid daarvan. Wanneer blijkt dat verstrekte gegevens onjuist zijn of dienen te worden geschrapt, wordt de ontvangende partij daarvan onverwijld in kennis gesteld. Laatstgenoemde partij is gehouden de correctie of de schrapping uit te voeren.
5. Behalve in gevallen waarin zulks strijdig is met het algemeen belang, kan de betrokken persoon, op zijn verzoek, informatie verkrijgen omtrent opgeslagen gegevens en de redenen welke aan deze opslag ten grondslag liggen.
1. De verkregen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de toepassing van het bepaalde in dit Protocol. Het gebruik van deze informatie door een overeenkomstsluitende partij voor andere doeleinden is afhankelijk gesteld van de voorafgaande schriftelijke toestemming van de administratieve autoriteit die ze heeft verstrekt en is aan de door deze autoriteit vastgestelde beperkingen onderworpen. Deze bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de voor dit Protocol verkregen informatie ook kan worden gebruikt voor de bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dergelijke informatie mag worden doorgegeven aan andere autoriteiten die rechtstreeks bij de bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen betrokken zijn, binnen de perken van artikel 2.
2. Het bepaalde in lid 1 vormt geen beletsel voor het gebruik van informatie in gerechtelijke of administratieve procedures die achteraf worden ingesteld wegens niet-naleving van de douanewetgeving.
3. De overeenkomstsluitende partijen kunnen de overeenkomstig het bepaalde in dit Protocol verkregen informatie en geraadpleegde bescheiden in hun rapporten, getuigenissen en gerechtelijke procedures als bewijsmateriaal gebruiken.
Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, binnen de perken van de hem verleende machtiging, in het rechtsgebied van een andere overeenkomstsluitende partij als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op onderwerpen waarop dit Protocol van toepassing is en daarbij de voor het gerechtelijk onderzoek noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of voor echt gewaarmerkte afschriften van bescheiden voor te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welk onderwerp en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.
De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven welke ter uitvoering van het bepaalde in dit Protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.
1. Het beheer van dit Protocol wordt uitgeoefend door de Afdeling Douane van het Ministerie van Financiën van de Republiek Estland, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de Lid-Staten van de Europese Unie, anderzijds. Deze instanties stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit Protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de Associatieraad aanbevelingen doen voor wijzigingen die huns inziens in dit Protocol dienen te worden aangebracht.
2. De overeenkomstsluitende partijen plegen overleg en geven elkaar vervolgens kennis van alle uitvoeringsbepalingen die overeenkomstig dit Protocol worden genomen.
1. Dit Protocol vormt een aanvulling op alle overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die zijn gesloten of kunnen worden gesloten tussen een of meer Lid-Staten van de Europese Unie en Estland. Het staat niet in de weg aan de toepassing van deze overeenkomsten of aan de ruimere wederzijdse bijstand die daarin eventueel is voorzien.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 11 doen deze overeenkomsten geen afbreuk aan de communautaire bepalingen betreffende de uitwisseling, tussen de bevoegde diensten van de Commissie en de douaneautoriteiten van de Lid-Staten, van alle met betrekking tot douanezaken verkregen informatie die voor de Gemeenschap van belang kan zijn.
De Overeenkomst behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan de Overeenkomst kan worden gebonden.
In overeenstemming met artikel 130 van de Overeenkomst heeft de volgende Staat kennisgeving gedaan van het feit dat de noodzakelijke procedures ter goedkeuring van de Overeenkomst zijn voltooid:
| Estland | 3 oktober 1995 |
De bepalingen van de Overeenkomst, alsmede van de Protocollen en bijlagen, zullen ingevolge artikel 130, tweede lid, juncto artikel 125 van de Overeenkomst in werking treden op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop de Partijen elkander kennisgeving hebben gedaan van het feit dat de goedkeuringsprocedures zijn voltooid.
Bij gelegenheid van de ondertekening van de onderhavige Overeenkomst te Luxemburg op 12 juni 1995 werd eveneens de volgende Slotakte ondertekend:
De gevolmachtigden van:
het Koninkrijk België,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
Ierland,
de Italiaanse Republiek,
het Groothertogdom Luxemburg,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Portugese Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
hierna „de Lid-Staten" te noemen, en van
de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
hierna „de Gemeenschap" te noemen,
optredende in het kader van de Europese Unie, enerzijds, en
de gevolmachtigden van de Republiek Estland,
hierna „Estland" te noemen, anderzijds,
bijeengekomen te Luxemburg op twaalf juni negentienhonderd vijfennegentig, voor de ondertekening van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en Estland, anderzijds, hierna de „Europa-Overeenkomst" te noemen, hebben de volgende teksten aangenomen:
de Europa-Overeenkomst en de volgende protocollen:
Protocol nr. 1 de handel in textiel en kledingprodukten
Protocol nr. 2 betreffende het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Estland van verwerkte landbouwprodukten
Protocol nr. 3 betreffende de definitie van produkten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking
Protocol nr. 4 betreffende specifieke bepalingen betreffende de handel tussen Estland en Spanje en Portugal
Protocol nr. 5 betreffende wederzijdse bijstand tussen administratieve autoriteiten in douanezaken.
De gevolmachtigden van de Lid-Staten en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van Estland hebben de volgende gemeenschappelijke verklaringen aangenomen, die aan deze Slotakte zijn gehecht:
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 36, lid 1, van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 36, van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 37, van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende Hoofdstuk II van Titel IV van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 45, onder d., sub i., van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 65 van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 66 van de Europa-Overeenkomst
Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 114 van de Europa-Overeenkomst
De gevolmachtigden van de Lid-Staten en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van Estland hebben kennis genomen van de volgende briefwisselingen, die aan deze Slotakte zijn gehecht:
Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Estland inzake zeevervoer
Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Estland betreffende de regionale afbakening van de Afrikaanse varkenspest in het Koninkrijk Spanje
De gevolmachtigden van Estland hebben kennis genomen van de volgende eenzijdige verklaring, die aan deze Slotakte is gehecht:
Verklaring van de Franse regering
De gevolmachtigden van de Lid-Staten en van de Gemeenschap hebben kennis genomen van de hierna genoemde eenzijdige verklaring, die aan de Slotakte is gehecht:
Verklaring van Estland
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN
1. Artikel 36, lid 1
Er wordt overeengekomen dat het begrip „de in elke Lid-Staat geldende voorwaarden en modaliteiten" waar van toepassing ook communautaire voorschriften inhoudt.
2. Artikel 36
Er wordt overeengekomen dat het begrip „kinderen" wordt gedefinieerd overeenkomstig de nationale wetgeving van het desbetreffende gastland.
3. Artikel 37
Er wordt overeengekomen dat het begrip „gezinsleden" wordt gedefinieerd overeenkomstig de nationale wetgeving van het desbetreffende gastland.
4. Hoofdstuk II van titel IV
Onverminderd de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel IV komen de partijen overeen dat de behandeling van de onderdanen of vennootschappen van een partij geacht wordt minder gunstig te zijn dan de behandeling welke wordt verleend aan die van de andere partij, indien deze behandeling formeel of de facto minder gunstig is dan de behandeling welke wordt verleend aan die van de andere partij.
5. Artikel 45, onder d., sub i.
Onverminderd het bepaalde in artikel 45 komen de partijen overeen dat geen van de bepalingen van de Overeenkomst zodanig kan worden uitgelegd dat zij de partijen het recht ontzegt op controle en regelgeving met het doel zich ervan te verzekeren dat natuurlijke personen voor wie het recht van vestiging geldt daadwerkelijk als zelfstandigen werkzaam zijn.
6. Artikel 65
De Concessie-overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Estland en de Estlandse Telefoonmaatschappij Ltd. (Aktsiaselts Eesti Telefon) van 16 december 1992 wordt geacht verenigbaar te zijn met artikel 65 van deze Overeenkomst, mits
– op verzoek binnen redelijke termijn huurlijnen ter beschikking worden gesteld voor bedrijfsnetwerken en gesloten gebruikersgroepen voor eigen gebruik, met inbegrip van spraaktelefonie en datadiensten, vanaf de in artikel 65 vastgestelde datum;
– met de regulering vanaf de in artikel 65 vastgestelde datum een van de telecommunicatie-organisatie onafhankelijke instantie wordt belast.
7. Artikel 66
De partijen komen overeen dat voor de toepassing van de Overeenkomst de intellectuele, industriële en commerciële eigendom in het bijzonder inhoudt: auteursrecht voor computerprogramma's en naburige rechten, rechten met betrekking tot octrooien, industriële ontwerpen, geografische aanduidingen, waaronder oorsprongsbenamingen, handelsmerken en dienstmerken, topografieën van geïntegreerde schakelingen, alsmede bescherming tegen oneerlijke concurrentie als bedoeld in artikel 10 bis van de Overeenkomst van Parijs voor de bescherming van de industriële eigendom, en de bescherming van niet openbaar gemaakte informatie met betrekking tot know-how.
8. Artikel 114
De partijen komen overeen dat de Associatieraad overeenkomstig artikel 114 van de Overeenkomst de mogelijkheid zal onderzoeken om een raadgevend lichaam op te richten bestaande uit leden van het Economisch en Sociaal Comité van de Gemeenschap en hun Estlandse equivalenten.
Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Estland inzake zeevervoer
A. Brief van de Gemeenschap
Mijnheer,
Wij zouden het op prijs stellen indien u kunt bevestigen dat uw Regering met het navolgende instemt:
Toen de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en Estland werd ondertekend, hebben partijen zich ertoe verbonden om zaken met betrekking tot de scheepvaart, in het bijzonder ingeval de ontwikkeling van de handel zou worden gehinderd, op passende wijze aan te vatten. Wederzijds bevredigende oplossingen inzake de scheepvaart zullen worden nagestreefd, terwijl het beginsel van een vrije en eerlijke mededinging op commerciële grondslag in acht wordt genomen.
Tevens is ermee ingestemd dat dergelijke zaken eveneens door het Gemengd Comité moeten worden besproken.
Gelieve, Mijnheer, de verzekering van onze bijzondere hoogachting te aanvaarden.
Namens de Raad van de Europese Unie
B. Brief van de Republiek Estland
Mijnheer,
Ik heb de eer de ontvangst van uw brief te bevestigen en tevens te bevestigen dat mijn Regering met het navolgende instemt:
Toen de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en Estland werd ondertekend, hebben partijen zich ertoe verbonden om zaken met betrekking tot de scheepvaart, in het bijzonder ingeval de ontwikkeling van de handel zou worden gehinderd, op passende wijze aan te vatten. Wederzijds bevredigende oplossingen inzake de scheepvaart zullen worden nagestreefd, terwijl het beginsel van een vrije en eerlijke mededinging op commerciële grondslag in acht wordt genomen.
Tevens is ermee ingestemd dat dergelijke zaken eveneens door het Gemengd Comité moeten worden besproken.
Gelieve, Mijnheer, de verzekering van onze bijzondere hoogachting te aanvaarden.
Voor de Regering van de Republiek Estland
Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Estland betreffende de regionale afbakening van de Afrikaanse varkenspest in het Koninkrijk Spanje
A. Brief van de Republiek Estland
Mijnheer,
Ik heb de eer te verwijzen naar de besprekingen tussen de Gemeenschap en Estland betreffende de handelsregelingen voor bepaalde landbouwprodukten, die in het bestek van de onderhandelingen over de Vrijhandelsovereenkomst hebben plaatsgevonden.
Ik bevestig hierbij dat Estland aanvaardt te erkennen dat het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van de provincies Badajoz, Huelva, Sevilla en Córdoba, vrij is van Afrikaanse varkenspest onder dezelfde termen als is vastgesteld in Beschikking 89/21/EEG van de Raad van 14 december 1988 en de daaropvolgende beschikkingen van de Commissie.
Estland aanvaardt deze afwijking zonder dat dit afdoet aan enige andere vereiste van de Estlandse veterinaire wetgeving.
Ik moge u verzoeken de aanvaarding door de Gemeenschap van de inhoud van deze brief te willen bevestigen.
Gelieve, Mijnheer, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.
Voor de Regering van de Republiek Estland
B. Brief van de Gemeenschap
Mijnheer,
Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw brief van heden die als volgt luidt:
Ik heb de eer te verwijzen naar de besprekingen tussen de Gemeenschap en Estland betreffende de handelsregelingen voor bepaalde landbouwprodukten, die in het bestek van de onderhandelingen over de Vrijhandelsovereenkomst hebben plaatsgevonden.
Ik bevestig hierbij dat Estland aanvaardt te erkennen dat het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van de provincies Badajoz, Huelva, Sevilla en Córdoba, vrij is van Afrikaanse varkenspest onder dezelfde termen als is vastgesteld in Beschikking 89/21/EEG van de Raad van 14 december 1988 en de daaropvolgende beschikkingen van de Commissie.
Estland aanvaardt deze afwijking zonder dat dit afdoet aan enige andere vereiste van de Estlandse veterinaire wetgeving.
Ik moge u verzoeken de aanvaarding door de Gemeenschap van de inhoud van deze brief te willen bevestigen.
Ik heb de eer U te bevestigen dat de Gemeenschap met de inhoud van uw brief kan instemmen.
Gelieve, Mijnheer, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te aanvaarden.
Namens de Raad van de Europese Unie
Verklaring van de Franse Regering
Frankrijk merkt op dat de Europa-Overeenkomst met de Republiek Estland niet van toepassing is op de landen en gebieden overzee welke uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap met de Europese Gemeenschap geassocieerd zijn.
Verklaringen van de Republiek Estland
Indien tussen 1 januari 1994 en de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst in Estland tarieven voor landbouwprodukten worden ingesteld, wordt de procedure die is vastgesteld in artikel 24, lid 3, van de Overeenkomst door Estland op dienovereenkomstige wijze toegepast.
De Slotakte is op 12 juni 1995 ondertekend voor de volgende Staten:
België1
de Bondsrepubliek Duitsland
Denemarken
Estland
Finland
Frankrijk
Griekenland
Ierland
Italië
het Koninkrijk der Nederlanden
Luxemburg
Oostenrijk
Portugal
Spanje
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Zweden
de Europese Gemeenschappen
Verwijzingen
De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal is ingesteld bij het op 18 april 1951 te Parijs gesloten Verdrag, waarvan tekst en vertaling zijn geplaatst in Trb. 1951, 82. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 77.
De Europese (Economische) Gemeenschap is ingesteld bij het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1957, 92. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 76.
De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) is ingesteld bij het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1957, 92. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 78.
Van het op 8 april 1965 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, is de Nederlandse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1965, 130. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 266.
Van het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie, naar welk Verdrag wordt verwezen in de preambule tot de onderhavige Overeenkomst is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1992, 74. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 28.
Van het op 4 november 1950 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, naar welk Verdrag wordt verwezen in de preambule tot de onderhavige Overeenkomst, zijn tekst en vertaling geplaatst in Trb. 1951, 154. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1990, 156.
Van de op 15 april 1994 te Marrakesh tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), naar welke Organisatie wordt verwezen in de preambule tot de onderhavige Overeenkomst, is de Engelse tekst geplaatst in Trb. 1994, 235 en de vertaling in Trb. 1995, 130; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 261. De Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT 1994), welke mede bestaat uit, de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1947, zoals verbeterd, aangevuld of gewijzigd, is als Bijlage 1 A opgenomen bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
De West Europese Unie, naar welke Organisatie wordt verwezen in de preambule tot de onderhavige Overeenkomst, is opgericht bij het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van de economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve verdediging, waarvan de Engelse en de Franse tekst, alsmede de vertaling zijn geplaatst inStb. I 51. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 102.
De NAVO, naar welke Organisatie wordt verwezen in de preambule tot de onderhavige Overeenkomst, is opgericht bij het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord Atlantisch Verdrag. De tekst en vertaling van dat Verdrag zijn geplaatst in Stb. J 355. Zie ook, laatstelijk, Trb. 1982, 104.
Van de op 15 april 1994 te Marrakesh tot stand gekomen Algemene Overeenkomst inzake de Handel in Diensten (GATS), naar welke Overeenkomst wordt verwezen in artikel 58 van de onderhavige Overeenkomst, is de Engelse tekst geplaatst in Trb. 1994, 235 (blz. 304 e.v.) en de vertaling in Trb. 1995, 130 (blz. 331 e.v.); zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 261.
Het Internationale Monetair Fonds, naar welk Fonds onder meer wordt verwezen in artikel 60 van de onderhavige Overeenkomst, is opgericht bij een op 27 december 1945 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst. Van deze Overeenkomst zijn tekst en vertaling, zoals deze luiden sinds 1 april 1978 geplaatst in Trb. 1977, 40; zie ook Trb. 1991, 70.
Van het op 17 december 1994 te Lissabon tot stand gekomen Verdrag inzake het Energiehandvest, naar welk Verdrag wordt verwezen in artikel 80 van de onderhavige Overeenkomst, zijn de Engelse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1995, 108 en de vertaling in Trb. 1995, 250.
Van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank, naar welke Statuten wordt verwezen in artikel 102 van de onderhavige Overeenkomst, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1957, 91; zie blz. 130 e.v.; zie ook Trb. 1957, 249. Vergelijk ook het op 10 juli 1975 te Brussel tot stand gekomen Verdrag houdende wijziging van een aantal bepalingen van het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank (tekst in Trb. 1975, 119; zie ook Trb. 1977, 59). Vergelijk ook Trb. 1993, 95.
De Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, naar welke Bank onder meer wordt verwezen in artikel 107 van de onderhavige Overeenkomst, is opgericht bij de op 27 december 1945 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst. Van deze Overeenkomst zijn tekst en vertaling geplaatst in Stb. G 278. Zie ook, laatstelijk Trb. 1989. 121.
De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, naar welke Bank onder meer wordt verwezen in artikel 107 van de onderhavige Overeenkomst, is opgericht bij een op 29 mei 1990 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst. Van deze Overeenkomst zijn tekst en vertaling geplaatst in Trb. 1990, 143; zie ook Trb. 1991, 81.
Van de op 11 mei 1992 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Estland inzake handel en commerciële en economische samenwerking, tot vervanging van welke Overeenkomst ingevolge haar artikel 130 de onderhavige Overeenkomst strekt, is de tekst geplaatst in Pb EG L 403 van 31 december 1992.
Van de op 18 juli 1994 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor kolen en staal, enerzijds, en de Republiek Estland, anderzijds, tot vervanging van welke Overeenkomst ingevolge haar artikel 130 de onderhavige Overeenkomst strekt, is de tekst geplaatst in Pb EG L 373 van 31 december 1994.
In Bijlage IX bij de onderhavige Overeenkomst wordt verwezen naar de volgende verdragen:
– de op 26 oktober 1961 te Rome tot stand gekomen Internationale Overeenkomst ter bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en radio-omroeporganisaties, waarvan tekst en vertaling zijn geplaatst in Trb. 1986, 192; zie ook Trb. 1993, 133.
– het op 14 juli 1967 te Stockholm tot stand gekomen Herzien Internationaal Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, waarvan de Franse tekst is geplaatst in Trb. 1969, 144 en de vertaling in Trb. 1970, 187; zie ook, laatstelijk, Trb. 1988, 22. Voor de op 28 september 1979 te Genève tot stand gekomen Wijzigingen van het Verdrag zie Trb. 1980, 31; zie ook Trb. 1984, 74.
– de op 24 juli 1971 te Parijs tot stand gekomen Herziene Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, waarvan de Franse en de Engelse tekst zijn geplaatst in Trb. 1972, 157; zie ook, laatstelijk, Trb. 1985, 151.
– op 29 oktober 1971 is te Genève tot stand gekomen de Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen, waarvan de Engelse en de Franse tekst, alsmede de vertaling zijn geplaatst in Trb. 1986, 183; zie ook Trb. 1993, 134.
– het op 28 april 1977 te Boedapest tot stand gekomen Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening, waarvan de Engelse en de Franse tekst, alsmede de vertaling zijn geplaatst in Trb. 1978, 90; zie ook, laatstelijk, Trb. 1987, 62.
– de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en te Genève op 13 mei 1977, waarvan de Engelse en de Franse tekst, van de herziening, alsmede de vertaling zijn geplaatst in Trb. 1978, 60; zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 194.
– het op 28 juni 1989 te Madrid tot stand gekomen Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, waarvan de Engelse en de Franse tekst, alsmede de vertaling zijn geplaatst in Trb. 1990, 44.
– het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, zoals herzien te Genève op 10 november 1972, 23 oktober 1978 en 19 maart 1991, waarvan de Engelse en de Franse tekst van de herziening van 1991 zijn geplaatst in Trb. 1992, 52 en de vertaling in Trb. 1993, 153.
– het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, waarvan de Engelse en de Franse tekst, alsmede de vertaling zijn geplaatst in Trb. 1973, 20; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 113.
Van het op 12 juni 1985 te Lissabon / Madrid tot stand gekomen Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de verdragen, met Bijlagen, Protocollen en Verklaringen, naar welk Verdrag wordt verwezen in artikel 6 van Protocol 4 bij de onderhavige Overeenkomst, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1985, 135; zie ook Trb. 1986, 33.
Uitgegeven de vierentwintigste januari 1996
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. VAN MIERLO
| A. | TITEL | 1 |
| B. | TEKST | 1 |
| Europa-Overeenkomst | 1 | |
| Ondertekeningen | 59 | |
| Lijst van Bijlagen | 60 | |
| Bijlagen VII en VIII | 61 | |
| Bijlage IX | 63 | |
| Lijst van Protocollen | 64 | |
| Protocol nr. 1 | 64 | |
| Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 1 | 84 | |
| Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 2 | 84 | |
| Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 3 | 85 | |
| Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 4 | 85 | |
| Proces-verbaal van Overeenkomst nr. 5 | 85 | |
| Protocol nr. 2 | 86 | |
| Protocol nr. 3 | 88 | |
| Protocol nr. 4 | 109 | |
| Protocol nr. 5 | 111 | |
| D. | PARLEMENT | 117 |
| E. | BEKRACHTIGING | 118 |
| G. | INWERKINGTREDING | 118 |
| J. | GEGEVENS | 118 |
| Slotakte | 118 | |
| Gemeenschappelijke verklaringen | 120 | |
| Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Estland inzake zeevervoer | 122 | |
| Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Estland betreffende de regionale afbakening van de Afrikaanse varkenspest in Spanje | 123 | |
| Verklaring van de Franse Regering | 124 | |
| Verklaring van de Republiek Estland | 124 | |
| Ondertekeningen | 125 | |
| Verwijzingen | 125 |
Onder de volgende verklaring: „Deze handtekening verbindt tevens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
Alleen de Bijlagen VII, VIII en IX zijn afgedrukt. De overige Bijlagen zullen worden bekendgemaakt in het Publikatiebladvan de Europese Gemeenschappen.
Onder de volgende verklaring: „Deze handtekening verbindt tevens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
De Deense, de Duitse, de Engelse, de Estlandse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse tekst zijn niet afgedrukt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/trb-1996-8.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.