Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum totstandkoming |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Tractatenblad 1996, 230 | Verdrag |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum totstandkoming |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Tractatenblad 1996, 230 | Verdrag |
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid van 14 december 1972, met bijlage;
Brussel, 24 juni 1996
Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake Sociale zekerheid van 14 december 1972 met bijlage en van een Administratieve Schikking ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid
Het Koninkrijk België
en
het Groothertogdom Luxemburg
en
het Koninkrijk der Nederlanden,
Gelet op artikel 19, b van het Unieverdrag,
Overwegende dat de toepassing van de artikelen 20, 21, 23 en 24 van Hoofdstuk 1 „Ziekte en Moederschap" van Titel III van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen afhankelijk is gesteld van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen,
Overwegende dat de toepassing van de eerste of de tweede afdeling van Hoofdstuk 6 „Gezinsuitkeringen" van Titel III van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen afhankelijk is gesteld van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen; dat het wenselijk is daarbij bijzondere geschikte modaliteiten vast te stellen,
Overwegende dat de toepassing van de artikelen 67, 69 en 70 van Titel IV van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen afhankelijk is gesteld van het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen deze Partijen,
Wensende om de betrekkingen op het gebied van de sociale zekerheid tussen de Overeenkomstsluitende Staten rekening houdend met de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en nr. 574/72 te vereenvoudigen,
Geleid door de wens terzake een multilaterale overeenkomst te sluiten,
Gelet op de artikelen 26, 58, 67, 69 en 70 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid,
Gelet op artikel 7 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid,
Zij het volgende overeengekomen:
Voor de toepassing van deze Overeenkomst:
a. wordt onder „Overeenkomstsluitende Staat" verstaan elke Staat welke de in artikel 15 van de Overeenkomst voorgeschreven formaliteiten heeft vervuld;
b. wordt onder „Verdrag" verstaan het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid van 14 december 1972;
c. wordt onder „Verordening" verstaan de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen met de inhoud op het ogenblik van de inwerkingtreding van de voorliggende Overeenkomst en de sindsdien erin aangebrachte wijzigingen.
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing wat de erin bedoelde takken en de personen betreft en in de gevallen die erdoor worden geregeld zodra de bepalingen van een bilaterale of multilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid van toepassing zijn die twee van de overeenkomstsluitende Staten hetzij de drie Overeenkomstsluitende Staten bindt.
De bepalingen van dit Hoofdstuk worden toegepast op personen op wie het Verdrag van toepassing is en die onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende prestaties bij ziekte en moederschap van een der Overeenkomstsluitende Staten alsmede op hun gezinsleden, voor zover zij of hun gezinsleden op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Staat wonen.
In plaats van de artikelen 20, 21, 23 en 24 van Hoofdstuk 1 van Titel III van het Verdrag passen de Overeenkomstsluitende Staten de overeenkomstige bepalingen van Hoofdstuk 1 van Titel III van de Verordening toe zoals deze bepalingen worden toegepast op de personen waarop de Verordening van toepassing is.
De bepalingen van dit Hoofdstuk worden toegepast op personen op wie het Verdrag van toepassing is en die onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende kinderbijslagen van een der Overeenkomstsluitende Staten, voor zover hun kinderen op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Staat wonen.
In plaats van de artikelen 59, 60, 61, 62 en 63 van Hoofdstuk 6 van Titel III van het Verdrag passen de Overeenkomstsluitende Staten de overeenkomstige bepalingen van Hoofdstuk 7 en Hoofdstuk 8 van Titel III van de Verordening toe zoals deze bepalingen worden toegepast op de personen waarop de Verordening van toepassing is.
De in de wetgevingen van de Overeenkomstsluitende Staten vastgelegde huisvestingstoelagen, opvoedings- en adoptiepremies worden niet uitgekeerd aan de betrokkenen die op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Staat dan de bevoegde Staat wonen.
De bepalingen van dit Hoofdstuk worden toegepast op personen op wie het Verdrag van toepassing is en die onderworpen zijn aan de wetgeving van een der Overeenkomstsluitende Staten alsmede op hun gezinsleden, voor zover zij of hun gezinsleden op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Staat wonen.
De Overeenkomstsluitende Staten passen artikel 67, eerste lid, artikel 69, eerste en tweede lid, en artikel 70, eerste lid, van het Verdrag toe, met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk.
Voor de invordering van premies passen de Overeenkomstsluitende Staten de terzake gesloten bilaterale overeenkomsten toe.
1. Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Staat naar aanleiding van schade welke voortvloeit uit een op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Staat voorgevallen gebeurtenis, gelden de in genoemde wetgeving voorkomende bepalingen inhoudende in welke gevallen de werkgevers of de bij hen in dienst zijnde werknemers van de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht ten opzichte van de rechthebbende op prestaties of ten overstaan van het bevoegde orgaan zijn ontheven.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing op de eventuele rechten welke het orgaan dat de prestaties verschuldigd is heeft ten overstaan van een werkgever of de bij deze werkgever in dienst zijnde werknemers, in de gevallen waarin zij niet van hun aansprakelijkheid zijn ontheven.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van twee of meer Overeenkomstsluitende Staten een overeenkomst hebben gesloten waarbij van vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen wordt afgezien, worden de eventuele rechten ten overstaan van een aansprakelijke derde als volgt geregeld:
a. wanneer het orgaan van de woon- of verblijfplaats prestaties verleent aan een persoon voor schade welke op zijn grondgebied is ontstaan, oefent bedoeld orgaan overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling het recht van subrogatie of rechtstreekse vordering uit jegens de schadeplichtige derde;
b. voor de toepassing van het bepaalde sub a) wordt:
i) de rechthebbende op prestaties geacht te zijn aangesloten bij het orgaan van de woon- of verblijfplaats,
en
ii) bedoeld orgaan aangemerkt als het orgaan dat de prestaties verschuldigd is.
De personen op wie ingevolge het bepaalde in artikel 15, derde lid, sub b) of c) van het Verdrag de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Staat van toepassing is, worden voor de toepassing van deze wetgeving aangemerkt alsof zij hun volledige beroepswerkzaamheden uitoefenden op het grondgebied van de betrokken Overeenkomstsluitende Staat.
De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Staten regelen de toepassingsmodaliteiten van deze Overeenkomst in een Administratieve Schikking.
1. Iedere Overeenkomstsluitende Staat deelt de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie mee wanneer in zijn land de grondwettelijke procedures, vereist voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, zijn vervuld. De Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie stelt de andere Overeenkomstsluitende Staten in kennis van deze mededeling binnen een maand na ontvangst ervan.
2. Deze Overeenkomst zal worden geratificeerd en de bekrachtigingsakten zullen bij het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie worden neergelegd. Zij zal in werking treden op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de derde bekrachtigingsakte werd neergelegd.
3. De Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis van de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
1. De Overeenkomstsluitende Staten kunnen bijzonderheden inzake de toepassing van hun wetgevingen in een Bijlage bij deze Overeenkomst vermelden.
2. Iedere Overeenkomstsluitende Staat deelt alle vermeldingen en wijzigingen daaraan in de Bijlage bij deze Overeenkomst mee aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie voor kennisgeving aan de andere Overeenkomstsluitende Staten en aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Indien binnen de drie maanden na deze kennisgeving door geen der andere Overeenkomstsluitende Staten bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie bezwaren zijn ingediend, worden de vermeldingen geacht te zijn aanvaard. De Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie stelt alle Overeenkomstsluitende Staten en de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa hiervan in kennis alsmede van de datum van inwerkingtreding hiervan.
3. Wanneer de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie in kennis wordt gesteld van bezwaren zal daarover worden onderhandeld tussen de betrokken Staten.
1. Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Iedere Overeenkomstsluitende Staat kan deze Overeenkomst opzeggen door daarvan kennisgeving te doen aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de andere Overeenkomstsluitende Staten en de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis stelt van deze opzegging binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie.
2. Bij opzegging van deze Overeenkomst wordt elk recht dat op grond van deze Overeenkomst is verkregen, gehandhaafd. Door de opzegging wordt geen afbreuk gedaan aan de rechten, welke op grond van tijdvakken, vervuld vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt, worden opgebouwd; het behoud ervan wordt in onderlinge overeenstemming vastgesteld of bij gebreke daarvan door de wetgeving die het betrokken orgaan toepast.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst alleen voor het Rijk in Europa.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
GEDAAN te Brussel, op 24 juni 1996 in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.
Voor het Koninkrijk der Nederlanden
(w.g.) R.G.J. STERNEBERG
Voor het Koninkrijk België
(w.g.) E. DERYCKE
Voor het Groothertogdom Luxemburg
(w.g.) J.S. POOS
Bijlage bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid
België
geen
Luxemburg
geen
Nederland
geen
Administratieve Schikking voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid
Voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, zijn de bevoegde autoriteiten van België, Luxemburg en Nederland op grond van artikel 14 van genoemde Overeenkomst, het volgende overeengekomen:
Voor de toepassing van deze Administratieve Schikking:
a. wordt onder „Overeenkomst" verstaan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in de artikelen 7, 26, 56, 58, 67, 69 en 70 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid;
b. wordt onder „Aanvullend Akkoord" verstaan het Aanvullend Akkoord ter toepassing van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid;
c. wordt onder „Toepassingsverordening" verstaande Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen met de inhoud op het ogenblik van de inwerkingtreding van de voorliggende Schikking en de sindsdien erin aangebrachte wijzigingen;
d. hebben de in deze Schikking vermelde termen de betekenis welke daaraan wordt gegeven in artikel 1 van de Overeenkomst.
Voor de tenuitvoerlegging van artikel 4 van de Overeenkomst passen de Overeenkomstsluitende Staten alle relevante bepalingen van de Toepassingsverordening toe, zoals die bepalingen worden toegepast tussen de organen en op de personen waarop de Verordening van toepassing is.
Voor de tenuitvoerlegging van artikel 6 van de Overeenkomst passen de Overeenkomstsluitende Staten alle relevante bepalingen van de Toepassingsverordening toe, zoals die bepalingen worden toegepast tussen de organen en op de personen waarop de Verordening van toepassing is.
1. Indien de zelfstandige, die zijn werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer Overeenkomstsluitende Staten pleegt te verrichten, en die een deel van zijn werkzaamheden verricht op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Staat waar hij woont, onderworpen is aan de wetgeving van deze Overeenkomstsluitende Staat, verstrekt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van laatstgenoemde Staat hem een bewijs waarin wordt verklaard dat hij aan de wetgeving van deze Overeenkomstsluitende Staat onderworpen is en zendt het een afschrift daarvan aan het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van elke andere Overeenkomstsluitende Staat op het grondgebied waarvan de betrokkene een deel van zijn werkzaamheden uitoefent.
2. Laatstbedoeld orgaan zendt voor zover nodig, aan het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Staat waarvan de wetgeving van toepassing is, de nodige gegevens voor de vaststelling van de premies of bijdragen die door de betrokkene ingevolge deze wetgeving verschuldigd zijn.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende organen aangewezen:
a. in België: Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
b. in Luxemburg: Centre commun de la sécurité sociale (Gemeenschappelijk Centrum van de sociale zekerheid);
c. in Nederland: Sociale Vezekeringsbank
Voor de toepassing van de Overeenkomst en deze Schikking gebruiken de betrokken organen de voor de toepassing van de Verordeningen opgestelde bewijsstukken en verklaringen.
Deze Schikking treedt in werking op dezelfde dag als de Overeenkomst.
GEDAAN te Brussel, op 24 juni 1996 in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.
Voor het Koninkrijk der Nederlanden
(w.g.) R.G.J. STERNEBERG
Voor het Koninkrijk België
(w.g.) E. DERYCKE
Voor het Groothertogdom Luxemburg
(w.g.) J.S. POOS
Accord entre le Royaume de Belgique, le Grand-Duché du Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas pris en exécution de la Convention européenne de sécurité sociale du 14 décembre 1972 avec annexe et d'un Arrangement administratif pris en exécution de la Convention européenne de sécurité sociale
Le Royaume de Belgique
et
le Grand-Duché de Luxembourg
et
le Royaume des Pays-Bas,
Vu l'article 19, b du Traité d'Union,
Considérant que l'application des articles 20, 21, 23 et 24 du Chapitre 1 «Maladie et maternité» du Titre III de la Convention européenne de sécurité sociale entre deux ou plusieurs Parties Contractantes est subordonnée à la conclusion d'accords bilatéraux ou multilatéraux entre ces Parties,
Considérant que l'application de la section 1 ou de la section 2 du Chapitre 6 «Prestations familiales» du Titre III de la Convention européenne de sécurité sociale entre deux ou plusieurs Parties Contractantes est subordonnée à la conclusion d'accords bilatéraux ou multilatéraux entre ces Parties; qu'il est souhaitable à cet égard de fixer des modalités particulières appropriées,
Considérant que l'application des articles 67, 69 et 70 du Titre IV de la Convention européenne de sécurité sociale entre deux ou plusieurs Parties Contractantes est subordonnée à la conclusion d'accords bilatéraux ou multilatéraux entre ces Parties,
Désireux de simplifier les relations entre les Etats contractants dans le domaine de la sécurité sociale en tenant compte des Règlements (CEE) n° 1408/71 et n° 574/72.
Guidés par le souhait de conclure à cet effet un accord multilatéral,
Vu les articles 26, 58, 67, 69 et 70 de la Convention européenne de sécurité sociale,
Vu l'article 7 de la Convention européenne de sécurité sociale,
Sont convenus de ce qui suit:
Pour l'application du présent Accord:
a) le terme «Etat contractant» désigne tout Etat qui a rempli les formalités prescrites à l'article 15 du présent Accord;
b) le terme «Convention» désigne la Convention européenne de sécurité sociale du 14 décembre 1972;
c) le terme «Règlement» désigne le Règlement (CEE) n° 1408/71 du Conseil, du 14 juin 1971, relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté, en sa teneur au moment de l'entrée en vigueur du présent Accord et tel qu'il sera modifié par la suite.
Les dispositions du présent accord ne sont pas applicables en ce qui concerne les branches et les personnes qu'il vise et dans les cas qu'il régit, dès lors que sont applicables les dispositions de toute convention bilatérale ou multilatérale en matière de sécurité sociale liant soit deux des Etats contractants, soit les trois Etats contractants.
Les dispositions du présent Chapitre s'appliquent aux personnes auxquelles la Convention est applicable et qui sont soumises à la législation relative aux prestations de maladie et de maternité d'un des Etats contractants ainsi qu'aux membres de leur famille, pour autant que ces personnes ou les membres de leur famille résident sur le territoire d'un Etat contractant.
Au lieu des articles 20, 21, 23 et 24 du chapitre 1er du Titre III de la Convention, les Etats contractants appliquent les dispositions correspondantes du chapitre 1er du Titre III du Règlement telles que ces dispositions sont appliquées aux personnes auxquelles le Règlement est applicable.
Les dispositions du présent Chapitre s'appliquent aux personnes auxquelles la Convention est applicable et qui sont soumises à la législation sur les allocations familiales d'un des Etats contractants, pour autant que leurs enfants résident sur le territoire d'un Etat contractant.
Au lieu des articles 59, 60, 61, 62 et 63 du Chapitre 6 du Titre III de la Convention, les Etats contractants appliquent les dispositions correspondantes du Chapitre 7 et du Chapitre 8 du Titre III du Règlement telles que ces dispositions sont appliquées aux personnes auxquelles le Règlement est applicable.
Les allocations de logement, les allocations d'éduction et les allocations d'adoption prévues par les législations des Etats contractants ne sont pas accordées aux intéressés résidant sur le territoire d'un Etat contractant autre que l'Etat compétent.
Les dispositions du présent Chapitre s'appliquent aux personnes auxquelles la Convention est applicable et qui sont soumises à la législation d'un des Etats contractants ainsi qu'aux membres de leur famille pour autant que ces personnes ou les membres de leur famille résident sur le territoire d'un Etat contractant.
Compte tenu des dispositions du présent Chapitre, le paragraphe 1 de l'article 67, les paragraphes 1 et 2 de l'article 69 et le paragraphe 1 de l'article 70 de la Convention sont applicables dans les relations entre les Etats contractants.
Le recouvrement des cotisations dues est opéré d'après les dispositions des accords bilatéraux conclus de la matière entre les Etats contractants.
1. Si une personne bénéficie de prestations en vertu de la législation d'un Etat contractant pour un dommage résultant de faits survenus sur le territoire d'un autre Etat contractant, les dispositions de ladite législation qui déterminent les cas dans lesquels est exclue la responsabilité civile des employeurs ou des travailleurs salariés qu'ils occupent sont applicables à l'égard de ladite personne ou de l'institution compétente.
2. Le paragraphe 1 est également applicable aux droits éventuels de l'institution débitrice à l'encontre d'un employeur ou des travailleurs salariés qu'il occupe, dans les cas où leur responsabilité n'est pas exclue.
Lorsque les autorités compétentes de deux ou plusieurs Etats contractants ont conclu un accord de renonciation au remboursement entre les institutions relevant de leur compétence, les droits éventuels à l'encontre d'un tiers responsable sont réglés de la manière suivante:
a) lorsque l'institution du lieu de séjour ou de résidence accorde à une personne des prestations pour un dommage survenu sur son territoire, cette institution exerce, conformément aux dispositions de la législation qu'elle applique, le droit de subrogation ou d'action directe à l'encontre du tiers tenu à la réparation du dommage;
b) pour l'application de la lettre a):
i) le bénéficiaire des prestations est considéré comme affilié à l'institution du lieu de séjour ou de résidence,
et
ii) ladite institution est considérée comme institution débrice.
Les personnes auxquelles s'applique la législation d'un Etat contractant conformément aux dispositions de l'alinéa b) ou c) du paragraphe 3 de l'article 15 de la Convention, sont traitées, aux fins de l'application de cette législation, comme si elles exerçaient l'ensemble de leurs activités sur le territoire de l'Etat contractant concerné.
Dispositions transitoires et finales
Les autorités compétentes des Etats contractants déterminent dans un Arrangement administratif les modalités d'application du présent Accord.
1. Chaque Etat contractant informe le Secrétaire général de l'Union économique Benelux que les procédures constitutionnelles requises par sa législation pour l'entrée en vigueur du présent Accord, sont accomplies. Le Secrétaire général de l'Union économique Benelux notifie dans un délai d'un mois, à dater de sa réception, cette information aux autres Etats contractants.
2. Le présent Accord sera ratifié et les instruments de ratification seront déposés auprès du Secrétariat général de l'Union économique Benelux. Il entrera en vigueur le premier jour du mois qui suivra la date du dépôt du troisièment instrument de ratification.
3. Le Secrétaire général de l'Union économique Benelux notifie au Secrétaire général du Conseil de l'Europe la date d'entrée en vigueur du présent Accord.
1. Les Etats contractants peuvent mentionner des particularités concernant l'application de leurs législations dans une Annexe au présent Accord.
2. Chaque Etat contractant informe le Secrétaire général de l'Union économique Benelux de toute mention ou modification à apporter à l'Annexe au présent Accord en vue de la notification aux autres Etats contractants et au Secrétaire général du Conseil de l'Europe. Ces mentions ou modifications sont considérées comme adoptées si dans les trois mois qui suivent la notification aucun Etat contractant ne s'y est opposé par notification au Secrétaire général de l'Union économique Benelux. Le Sécretaire général de l'Union economique Benelux en informe, ainsi que de leur date d'entrée en vigueur, tous les Etats contractants et le Secrétaire général du Conseil de l'Europe.
3. En cas de notification, au Secrétaire général de l'Union économique Benelux d'une telle opposition, le différend fera l'objet de pourparlers entre les Etats concernés.
1. Le présent Accord est conclu pour une durée indéterminée. Chaque Etat contractant peut dénoncer l'Accord en adressant une notification au Secrétaire général de l'Union économique Benelux qui notifie cette dénonciation, dans un délai d'un mois à dater de sa réception, aux autres Etats contractants et au Secrétaire général du Conseil de l'Europe. La dénonciation prend effet six mois après la date de la notification par le Secrétaire général de l'Union économique Benelux.
2. En cas de dénonciation du présent Accord, tout drois acquis en vertu de ses dispositions est maintenu. Les droits en cours d'acquisition relatifs aux périodes accomplies avant la date à laquelle la dénonciation prend effet ne s'éteignent pas par la dénonciation; leur maintien ultérieur est déterminé par voie d'un commun accord ou, à défaut d'un tel accord, par la législation qu'applique l'institution en cause.
Pour ce qui concerne le Royaume des Pays-Bas, le présent Accord ne s'applique qu'au Royaume en Europe.
EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés, ont signé le présent Accord.
FAIT à Bruxelles, le 24 juin 1996, en trois exemplaires, en langues francaise et néerlandaise, les deux textes faisant également foi.
Pour le Royaume des Pays-Bas
(s.) R.G.J. STERNEBERG
Pour le Royaume de Belgique
(s.) E. DERYCKE
Pour le Grand-Duché de Luxembourg
(s.) J.S. POOS
Annexe à l'Accord entre le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas pris en exécution de la Convention européenne de sécurité sociale
Belgique
néant
Luxembourg
néant
Pays-Bas
néant
De Overeenkomst en de in rubriek J afgedrukte Administratieve Beschikking behoeven ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan Overeenkomst en Administratieve Schikking kan worden gebonden.
Bekrachtiging van de Overeenkomst is voorzien in artikel 15, tweede lid.
De bepalingen van de Overeenkomst zullen ingevolge artikel 15, tweede lid, in werking treden op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de derde akte van bekrachtiging is nedergelegd.
Van het op 14 december 1972 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag inzake sociale zekerheid is de tekst geplaatst inTrb. 1976, 54 en de vertaling in Trb. 1976, 158; zie ook, laatstelijk, Trb. 1996, 157.
Op 24 juni 1996 is te Brussel nog tot stand gekomen de Administratieve Schikking voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid. De tekst van de Administratieve Schikking luidt als volgt:
Arrangement administratif pour l'application de l'Accord entre le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas pris en exécution de la Convention européenne de sécurité sociale
Pour l'application de l'Accord entre le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas pris en exécution de la Convention européenne de sécurité sociale, les autorités compétentes de la Belgique, du Luxembourg et des Pays-Bas, sur base de l'article 14 dudit Accord, convenus de ce qui suit:
Pour l'application du présent Arrangement administratif:
a) le terme «Accord» désigne l'Accord entre le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg et le Royaume des Pays-Bas pris en exécution de la Convention européenne de sécurité sociale;
b) le terme »Accord complémentaire» désigne l'Accord complémentaire pour l'application de la Convention européenne de sécurité sociale;
c) le terme «Règlement d'application» désigne le Règlement (CEE) n° 574/72 du Conseil, du 21 mars 1972, fixant les modalités d'application du Règlement (CEE) n° 1408/71 relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non-salariés et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté, en sa teneur au moment de l'entrée en vigueur du présent Arrangement et tel qu'il sera modifié par le suite;
d) les autres termes utilisés dans le présent Arrangement ont la signification qui leur est donnée à l'article 1 de l'Accord.
Pour la mise en oeuvre de l'article 4 de l'Accord, les Etats contractants appliquent toutes les dispositions pertinentes du Règlement d'application telles que ces dispositions sont appliqueés entre les institutions et aux personnes auxquelles le Règlement est applicable.
Pour la mise en oeuvre de l'article 6 de l'Accord, les Etats contractants appliquent toutes les dispositions pertinentes du Règlement d'application telles que ces dispositions sont appliquées entre les institutions et aux personnes auxquelles le Règlement est applicable.
1. Si le travailleur indépendant, qui exerce normalement son activité professionnelle sur le territoire de deux ou plusieurs Etats contractants et qui exerce une partie de son activité sur le territoire de l'Etat contractant où il réside, est soumis à la de cet Etat contractant lui remet un certificat attestant qu'il est soumis à la législation de cet Etat contractant, l'institution désignée par l'autorité compétente de cet Etat contractant et en transmet une copie à l'institution désignée par tout autre Etat contractant sur le territoire duquel l'intéressé exerce une partie de son activité.
2. Cette dernière institution communique, en cas de besoin, à l'institution désignée par l'autorité compétente de l'Etat contractant dont la législation est applicable, les informations nécessaires à l'établissement des cotisations dont l'intéressé est redevable au titre de cette législation.
3. Pour l'application du présent article, les institutions désignées sont:
a) en Belgique: Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
b) au Luxembourg: Centre commun de la sécurité sociale;
c) aux Pays-Bas: Sociale Verzekeringsbank (Conseil de l'assurance sociale).
Pour l'application de l'Accord et du présent Arrangement, les institutions concernées utilisent les certificats et attestations établis pour l'application des Règlements.
Le présent Arrangement entre en vigueur à la même date que l'Accord.
FAITt à Bruxelles, le 24 juin 1996 en trois exemplaires, en langues francaise et néerlandaise, les deux textes faisant également foi.
Pour le Royaume des Pays-Bas
(s.) R.G.J. STERNEBERG
Pour le Royaume de Belgique
(s.) E. DERYCKE
Pour le Grand-Duché de Luxembourg
(s.) J.S. POOS
De bepalingen van de Administratieve Schikking zullen ingevolge haar artikel 6 in werking treden op dezelfde dag als de Overeenkomst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/trb-1996-230.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.