Regeling van de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane van 30 januari 2026 inzake de wijziging van de regeling van 16 oktober 2002, nr. PBTW 2002/61, houdende nadere regels voor de toepassing van het BTW-compensatiefonds

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op de artikelen 8 en 9, negende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt na onderdeel b toegevoegd:

  • c. investeringsdiensten.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Met betrekking tot de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde roerende zaken en investeringsdiensten, wordt de bijdrage herzien in elk van de vier kalenderjaren, volgende op dat waarin het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam het goed of de investeringsdienst is gaan gebruiken. De herziening geschiedt telkens voor een vijfde gedeelte van de bijdrage op basis van de voor het kalenderjaar geldende gegevens bij de opgaaf over dat kalenderjaar.

B

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien een goed als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, in het kalenderjaar van aanschaf, of ingebruikneming, dan wel binnen de in artikel 8, tweede lid, of derde lid voor zover het betreft de aldaar bedoelde investeringsdiensten, bedoelde herzieningsperiode, al dan niet als ondernemer wordt geleverd, wordt het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam geacht dat goed of de aan het goed verrichte investeringsdiensten, vanaf het tijdstip van levering tot aan het einde van de vorenbedoelde herzieningsperiode te gebruiken voor activiteiten waarvoor geen recht op compensatie bestaat.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026.

Deze regeling zal (met toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, E.H.J. Heijnen

TOELICHTING

Algemeen

Met de huidige wijzigingen worden de artikelen acht en negen van de Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds in overeenstemming gebracht met de Wet op de Omzetbelasting 1968 (hierna: wet OB) voor zover het investeringsdiensten betreft. Deze wijziging heeft tot gevolg dat investeringsdiensten die het in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 genoemde bedrag overschrijden (nu: € 30.000) na het jaar van ingebruikneming nog vier jaar worden gevolgd. Gedurende deze periode wordt het bedrag dat voor compensatie in aanmerking komt telkens voor 1/5 deel herzien en in overeenstemming gebracht met het daadwerkelijke gebruik voor niet-ondernemersactiviteiten.

De reden hiervoor is de invoering van een herzieningsregeling in de wet OB voor zogenoemde investeringsdiensten (artikel 2a, eerste lid, onderdeel y, wet OB). Gelet op het feit dat de wet OB en de Wet op het BTW-compensatiefonds (hierna: wet BCF) veelal ‘communicerende vaten’ zijn dient de wet BCF ook hierop aangepast te worden. Zonder deze aanpassing kan de situatie ontstaan dat bij een wijziging van gebruik voor btw-belaste prestaties naar gebruik voor niet-ondernemersactiviteiten het, als gevolg van die wijziging, gedeeltelijk moeten herzien (terugbetalen) van btw niet wordt gevolgd door een aanvullend recht op compensatie (of omgekeerd).

VOORBEELD (zonder de onderhavige aanpassing)

Een gemeente geeft een aannemer opdracht tot het verbouwen van een pand voor € 100.000. De btw hierover bedraagt € 21.000. Deze verbouwing is aan te merken als een investeringsdienst.

Situatie 1:

De investeringsdienst wordt direct volledig voor belaste handelingen gebruikt:

  • BTW: volledig recht op aftrek: € 21.000

  • BCF: Geen recht op compensatie vanwege gebruik als ondernemer.

De investeringsdienst wordt vanaf jaar 2 volledig voor niet-ondernemersactiviteiten gebruikt.

  • BTW: Herziening gedurende 4 jaar: elk jaar moet 1/5 x € 21.000 worden terugbetaald.

  • BCF: Geen mogelijkheid tot herziening

Gevolg:

  • 1. BTW jaarlijks terugbetalen: 4 x € 4.200 = € 16.800.

  • 2. BCF: Geen compensatie mogelijk: financieel nadeel voor gemeente/provincie € 16.800.

Situatie 2:

De investeringsdienst wordt direct volledig voor niet-ondernemersactiviteiten gebruikt:

  • BTW: Geen recht op aftrek.

  • BCF: Volledig recht op compensatie: € 21.000

De investeringsdienst wordt vanaf jaar 2 volledig voor belaste ondernemershandelingen gebruikt.

  • BTW: Herziening gedurende 4 jaar, elk jaar 1/5 x € 21.000 in aftrek brengen.

  • BCF: Geen herziening mogelijk.

Gevolg:

  • 3. BTW: alsnog elk jaar teruggaaf: 4 x € 4.200 = € 16.800.

  • 4. BCF: geen herziening en dus blijft de volledige compensatie in stand: financieel nadeel voor het Rijk: € 16.800.

De onderhavige wijziging heeft tot gevolg dat in bovenbedoelde gevallen ook herziening plaatsvindt binnen de wet BCF.

Artikelsgewijs

Artikel 8

In het eerste lid wordt de reikwijdte van de herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten. Gelet op artikel 1, tweede lid, wet BCF is het niet nodig om het begrip investeringsdienst in de wet te definiëren.

Artikel 9

In het eerste lid wordt de herzieningsregeling uitgebreid naar investeringsdiensten. Dit betekent dat ook voor investeringsdiensten een herziening van de compensatie dient plaats te vinden indien de betrokken onroerende zaak of het recht waaraan het is onderworpen binnen de herzieningsperiode die geldt voor investeringsdiensten wordt geleverd (vijf jaar inclusief het jaar van ingebruikneming). Dit is dus bijvoorbeeld ook het geval als de herzieningsperiode voor de onroerende zaak zélf al is verstreken.

Voorbeeld:

Een gemeente neemt in 2017 een nieuw pand in gebruik voor niet-ondernemersactiviteiten. De hiermee gemoeide voorbelasting komt volledig voor compensatie in aanmerking. In 2026 wordt het pand verbouwd. Deze verbouwing kwalificeert als een investeringsdienst. De hieraan toe te rekenen btw komt eveneens volledig voor compensatie in aanmerking.

In 2028 wordt het pand geleverd aan een projectontwikkelaar. Op dat moment is de herzieningsperiode voor het pand zélf verstreken en vindt geen herziening meer plaats van de destijds gecompenseerde btw. Voor de investeringsdienst is de herzieningstermijn nog niet verstreken (deze periode verstrijkt ultimo 2030). Herziening dient plaats te vinden (in één keer) voor de resterende periode van 2028 en de jaren 2029 en 2030.

De Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, E.H.J. Heijnen

Naar boven