Besluit van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 9 december 2025, kenmerk 2025014275, tot vaststelling van de Beleidsregels beheerskosten Wlz en overige zorgkosten 2026

Gelet op artikel 91, eerste lid en derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 4.4, derde lid, en artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv;

Besluit:

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Definities

Deze Beleidsregels verstaan onder:

Aanwijzingen:

Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz voor jaar t en de Nadere aanwijzingen middelen beheerskosten Wlz voor jaar t;

beheerskosten:

de beheerskosten als bedoeld in artikel 4.1, onder e, van het Besluit Wfsv;

beheerskostenbudget:

de ten laste van het Flz beschikbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de Wlz te maken beheerskosten;

CAK:

het CAK, genoemd in artikel 6.1.1 van de Wlz;

cliëntvertrouwenspersoon:

persoon die onafhankelijk advies en ondersteuning geeft in kwesties die te maken hebben met onvrijwillige zorg;

contracteerruimte:

het financiële kader als bedoeld in de Beleidsregel Budgettair kader Wlz van jaar t;

correctiebedrag:

een bedrag per Wlz-uitvoerder dat bij de overgang naar een nieuwe verdeelsystematiek in 2022 is vastgelegd voor de periode 2022 tot en met 2026;

deelbudget:

bedrag dat in deze beleidsregels is opgenomen voor een specifiek doel;

financieel verslag:

het financieel verslag van Wlz-uitvoerders, bedoeld in artikel 5 van Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder van jaar t;

Flz:

het Fonds langdurige zorg, genoemd in artikel 89 van de Wfsv;

jaar t:

het kalenderjaar waarop de vaststelling betrekking heeft;

jaar t–1:

het jaar voorafgaand aan het jaar t;

jaar t+1:

het jaar volgend op het jaar t;

jaar t+2:

het jaar dat ligt twee jaar na het jaar t;

minister:

de bewindspersoon die de Aanwijzingen voor besteedbare middelen beheerskosten Wlz voor jaar t ondertekent;

opgave van ZN:

brief van ZN aan het Zorginstituut over de afspraken van alle zorgkantoren en Wlz-uitvoerders over de verdeling van de deelbudgetten voor respectievelijk de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders;

onafhankelijke cliëntondersteuning:

onafhankelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz;

pgb:

persoonsgebonden budget, een subsidie als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz;

pgb subsidieplafond:

het financiële kader als bedoeld in de Beleidsregel Budgettair kader Wlz van de Nederlandse Zorgautoriteit;

reserve uitvoering Wlz:

de reserve die wordt aangehouden door een Wlz-uitvoerder, als bedoeld in artikel 4.6 van het Besluit Wfsv;

Wfsv:

de Wet financiering sociale verzekeringen;

Wlz:

deWet langdurige zorg;

Wlz-uitvoerder:

een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wlz;

Zorginstituut:

Zorginstituut Nederland;

zorgkantoor:

een ingevolge artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz voor een bepaalde regio aangewezen Wlz-uitvoerder;

ZN:

Zorgverzekeraars Nederland.

HOOFDSTUK II BEHEERSKOSTEN

§ 1 Algemeen beheerskosten

Artikel 2.1 Vaststelling van het beheerskostenbudget

Het Zorginstituut stelt een voorlopig, nader en definitief beheerskostenbudget voor jaar t vast met inachtneming van de Aanwijzingen voor jaar t.

Artikel 2.2 Afronding van het beheerskostenbudget

Het Zorginstituut rondt het voorlopige, het nadere en het definitieve beheerskostenbudget af op hele euro’s, waarbij het Zorginstituut bedragen van een halve euro en hoger afrondt naar boven en overige bedragen naar beneden.

Artikel 2.3 Bepaling van de verzekerdenaantallen Wlz

Het Zorginstituut bepaalt het aantal ingeschreven Wlz-verzekerden voor jaar t op het peilmoment 30 juni van het jaar t–1 op basis van de tweede kwartaalstaat Wlz van de Wlz-uitvoerder voor het jaar t–1.

§ 2 Voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget jaar t

Artikel 2.4 Voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget

Het Zorginstituut stelt in januari van jaar t het beheerskostenbudget voor jaar t voorlopig vast voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders.

Artikel 2.5 Voorlopige berekening van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren
  • 1. Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de zorgkantoren voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz als volgt:

    • a. een bedrag van 28,702 miljoen euro wordt verdeeld op basis van een gelijk bedrag per Wlz-uitvoerder met een zorgkantoorfunctie;

    • b. een bedrag van 3,479 miljoen euro voor maatwerk persoonsgebonden budget (pgb) wordt verdeeld op basis van de opgave van ZN;

    • c. het na toepassing van de onderdelen a en b resterende budget voor de zorgkantoren wordt verdeeld op basis van het aandeel van de Wlz-uitvoerder met zorgkantoorfunctie in de som van de contracteerruimte en het pgb subsidieplafond per oktober van jaar t–1.

  • 2. Indien het Zorginstituut geen opgave van ZN ontvangt voor de verdeling van het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde bedrag, verdeelt het Zorginstituut dit bedrag op basis van het aandeel van de Wlz-uitvoerder met zorgkantoorfunctie in de som van de contracteerruimte en het pgb subsidieplafond per oktober van jaar t–1.

Artikel 2.6 Voorlopige berekening van het beheerskostenbudget voor de Wlz-uitvoerders
  • 1. Het Zorginstituut verdeelt het bedrag voor de Wlz-uitvoerders voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv als volgt:

    • a. een bedrag van 2,998 miljoen euro op basis van een gelijk bedrag per Wlz-uitvoerder;

    • b. een bedrag van 3,604 miljoen euro op basis van het aantal bij hen ingeschreven Wlz-verzekerden;

    • c. een bedrag van 1,857 miljoen euro voor ondersteuningsteams voor regionale samenwerking op basis van de opgave van ZN;

    • d. een bedrag van 0,998 miljoen euro voor de aansluiting van zorgkantoren op de iWlz-registers op basis van de opgave van ZN;

    • e. een bedrag van 0,616 miljoen euro voor beheerskosten voor onafhankelijke cliëntondersteuning op basis van de opgave van ZN;

    • f. een bedrag van 2,695 miljoen euro voor de ontwikkeling van het netwerkmodel iWlz op basis van de opgave van ZN;

    • g. een bedrag van 0,218 miljoen euro voor de Projectleiding creëren langdurig klinisch wonen en verblijf op basis van de opgave van ZN;

    • h. een bedrag van 1,780 miljoen euro voor crisisinterventieteams op basis van de opgave van ZN;

    • i. een bedrag van 0,326 miljoen euro voor beheerskosten voor cliëntvertrouwenspersoon op basis van de opgave van ZN;

    • j. een correctiebedrag dat is opgenomen in onderstaande tabel;

    • k. het na toepassing van de onderdelen a tot en met j resterende budget voor de Wlz-uitvoerders op basis van het aantal bij hen ingeschreven Wlz-verzekerden.

  • 2. Indien het Zorginstituut geen opgave van ZN ontvangt voor de verdeling van een of meer van de in eerste lid, onderdeel c tot en met i, genoemde bedragen, verdeelt het Zorginstituut een of meer van deze bedragen op basis van het aantal bij de Wlz-uitvoerder ingeschreven Wlz-verzekerden.

    Tabel correctiebedragen voor 2026

    Wlz-uitvoerder

    Correctiebedrag in euro’s

    A.S.R. Wlz-uitvoerder B.V.

    –1.802

    Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V.

    0

    Stichting Zorgkantoor Menzis

    –476.286

    ONVZ Langdurige Zorg B.V.

    –694

    Zorgkantoor DSW B.V.

    0

    Salland Zorgkantoor B.V.

    –61.439

    Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid

    692.126

    VGZ Zorgkantoor B.V.

    –137.507

    CZ Zorgkantoor B.V.

    –14.398

    Totaal

    0

Artikel 2.7 Voorlopig vastgesteld bedrag bij uitbesteding van overige taken aan een zorgkantoor
  • 1. Het Zorginstituut stelt het bedrag per verzekerde voor de uitbesteding van de overige taken van een Wlz-uitvoerder aan een zorgkantoor, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, voorlopig vast op de uitkomst van de volgende berekening: het na toepassing van artikel 2.6, eerste lid, onderdelen a tot en met j resterende budget voor de Wlz-uitvoerders gedeeld door het aantal bij hen ingeschreven Wlz-verzekerden.

  • 2. Het Zorginstituut rondt het bedrag per Wlz-verzekerde af op 9 decimalen.

§ 3 Nadere vaststelling van het beheerskostenbudget jaar t

Artikel 2.8 Nadere vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders
  • 1. Uiterlijk op de eerste werkdag van februari van jaar t+1 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor het jaar t voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders nader vast op basis van de bedragen in de meest recente Aanwijzing voor jaar t.

  • 2. Het Zorginstituut berekent de nadere vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren overeenkomstig de verdeelmethode in artikel 2.5.

  • 3. Het Zorginstituut berekent de nadere vaststelling van het beheerskostenbudget voor de Wlz-uitvoerders overeenkomstig de verdeelmethode in artikel 2.6.

Artikel 2.9 Nader vastgesteld bedrag bij uitbesteding van overige taken aan een zorgkantoor

Het Zorginstituut stelt het bedrag voor de uitbesteding van de overige taken van een Wlz-uitvoerder aan een zorgkantoor, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, nader vast met de bedragen uit artikel 2.8 en overeenkomstig de methode in artikel 2.7.

§ 4 Definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget jaar t

Artikel 2.10 Definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders
  • 1. Uiterlijk in december van jaar t+2 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voor het jaar t voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders definitief vast op basis van de bedragen in de meest recente Aanwijzing voor jaar t.

  • 2. Het Zorginstituut berekent de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren overeenkomstig de verdeelmethode in artikel 2.5.

  • 3. Het Zorginstituut berekent het beheerskostenbudget voor de Wlz-uitvoerders overeenkomstig de verdeelmethode in artikel 2.6.

  • 4. Het Zorginstituut betrekt bij de definitieve vaststelling eventuele correcties van de Nederlandse Zorgautoriteit voor het beheerskostenbudget van de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders.

Artikel 2.11 Definitief vastgesteld bedrag bij uitbesteding van overige taken aan een zorgkantoor

Het Zorginstituut stelt het bedrag voor de uitbesteding van de overige taken van een Wlz-uitvoerder aan een zorgkantoor, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit Wfsv, definitief vast met de bedragen uit artikel 2.10 en overeenkomstig de methode in artikel 2.7.

HOOFDSTUK III OVERSCHRIJDING RESERVE UITVOERING WLZ

Artikel 3.1 Overschrijding reserve uitvoering Wlz

Het Zorginstituut stelt uiterlijk in december van jaar t+1 de overschrijding van de reserve uitvoering Wlz voor Wlz-uitvoerders vast op basis van het nader vastgesteld beheerskostenbudget en het financieel verslag over jaar t van de betreffende Wlz-uitvoerder.

HOOFDSTUK IV OVERIGE ZORGKOSTEN

Artikel 4.1 Definitieve vaststelling vergoeding kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald

  • 1. Op grond van artikel 4.2, van het Besluit Wfsv vergoedt het Zorginstituut uit het Flz jaarlijks aan de Wlz-uitvoerders de kosten van de zorg die niet door het CAK aan de zorgaanbieders worden uitbetaald.

  • 2. Het Zorginstituut stelt uiterlijk op de eerste werkdag in april van het jaar t+2 de vergoeding voor jaar t definitief vast.

  • 3. Het Zorginstituut bepaalt de hoogte van de vergoeding op het verschil tussen de rechtstreeks met het Flz te verrekenen kosten en baten, zoals blijkt uit de opgave over jaar t in het financieel verslag over jaar t van de betreffende Wlz-uitvoerder.

  • 4. Het Zorginstituut betrekt bij de definitieve vaststelling eventuele correcties van de Nederlandse Zorgautoriteit voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald over jaar t.

HOOFDSTUK V BETALINGEN

§ 1 Algemene bepaling voor het rentepercentage

Artikel 5.1 Bepaling rentepercentage
  • 1. Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de daaraan voorafgaande kalendermaand.

  • 2. De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend. Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.

  • 3. Indien het in het eerste lid bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal het Zorginstituut een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief hanteren.

§ 2 Betalingen voor het beheerskostenbudget jaar t

Artikel 5.2 Betaling voorlopig vastgesteld beheerskostenbudget
  • 1. Het Zorginstituut betaalt het voorlopig vastgesteld beheerskostenbudget voor jaar t, bedoeld in artikel 2.4, uit aan de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders.

  • 2. Het Zorginstituut stelt de maandelijks te betalen termijnen voor het voorlopig vastgesteld beheerkostenbudget vast met het percentage in het betalingsschema in het vierde lid.

  • 3. Het Zorginstituut betaalt de maandelijkse termijnen op de eerste werkdag van de maand uit.

  • 4. Het betalingsschema luidt als volgt:

    Betalingsschema

    Betaalmoment

    Betalingen aan Wlz-uitvoerders en zorgkantoren

    februari van jaar t

    20,0%

    maart van jaar t

    8,0%

    april van jaar t

    8,0%

    mei van jaar t

    8,0%

    juni van jaar t

    8,0%

    juli van jaar t

    8,0%

    augustus van jaar t

    8,0%

    september van jaar t

    8,0%

    oktober van jaar t

    8,0%

    november van jaar t

    8,0%

    december van jaar t

    8,0%

Artikel 5.3 Aanpassing beheerskostenbudget
  • 1. Bij de nadere vaststelling van het beheerskostenbudget voor jaar t, op grond van artikel 2.8, verrekent het Zorginstituut het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en het nader vastgesteld beheerskostenbudget.

  • 2. Bij de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget voor jaar t, op grond van artikel 2.10, verrekent het Zorginstituut het verschil tussen het nader vastgesteld beheerskostenbudget en het definitief vastgesteld beheerskostenbudget.

  • 3. Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste en tweede lid resulteert in een positief saldo voor een zorgkantoor of Wlz-uitvoerder, betaalt het Zorginstituut dat saldo in één keer uit aan het betreffende zorgkantoor of de betreffende Wlz-uitvoerder.

  • 4. Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste en tweede lid resulteert in een negatief saldo voor een zorgkantoor of Wlz-uitvoerder, vordert het Zorginstituut dat saldo in één keer van het betreffende zorgkantoor of de betreffende Wlz-uitvoerder.

Artikel 5.4 Renteberekening bij aanpassing beheerskostenbudget
  • 1. Het Zorginstituut en het zorgkantoor of de Wlz-uitvoerder zijn over en weer rente verschuldigd over de verschillen, bedoeld in artikel 5.3.

  • 2. Het Zorginstituut berekent de rente, bedoeld in het eerste lid, bij de nadere vaststelling en de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget en verrekent de rente met afrekeningen die uit deze vaststellingen voortvloeien.

  • 3. Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil voor de periode van 1 juli van het jaar t tot de datum waarop de nadere vaststelling van het beheerskostenbudget wordt verrekend.

  • 4. Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil over de periode van 1 juli van het jaar t tot de datum waarop de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget wordt verrekend.

§ 3 Betalingen voor de overschrijding reserve uitvoering Wlz

Artikel 5.5 Percentage rente

Het Zorginstituut stelt het percentage rente dat de Wlz-uitvoerder over de reserve geacht wordt te maken vast conform het rentepercentage in artikel 5.1.

Artikel 5.6 Vordering bij overschrijding reserve uitvoering Wlz

Het Zorginstituut vordert de overschrijding van de reserve uitvoering Wlz, bedoeld in artikel 3.1, in één keer van de betreffende Wlz-uitvoerder.

§ 4 Betalingen voor de vergoeding kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald

Artikel 5.7 Afrekening definitief vastgestelde vergoeding voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald
  • 1. Indien de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 4.1, resulteert in een positief saldo voor een Wlz-uitvoerder, betaalt het Zorginstituut dat saldo in één keer uit aan de betreffende Wlz-uitvoerder.

  • 2. Indien de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 4.1, resulteert in een negatief saldo voor een Wlz-uitvoerder, vordert het Zorginstituut dat saldo in één keer van de betreffende Wlz-uitvoerder.

Artikel 5.8 Rente en renteberekening bij vergoeding voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald
  • 1. Het Zorginstituut en de Wlz-uitvoerder zijn over en weer rente verschuldigd over het saldo, bedoeld in artikel 4.1.

  • 2. Het Zorginstituut verwerkt de rente, bedoeld in het eerste lid, bij de definitieve vaststelling en verrekent de rente zo mogelijk met de betaling die uit deze vaststelling voortvloeit.

  • 3. Het Zorginstituut berekent rente over het saldo, bedoeld in artikel 4.1, voor de periode van 1 juli van het jaar t tot de datum waarop de definitieve vaststelling wordt verrekend.

HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari 2026.

Artikel 6.2 Vervallen beleidsregels

De beleidsregels vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat de beleidsregels van toepassing blijven op de verdeling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten Wlz voor het jaar 2026, de bepaling van de overschrijding van de reserve uitvoering Wlz voor het jaar 2026 en de vaststelling van de vergoeding kosten van overige zorgkosten voor het jaar 2026.

Artikel 6.3 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels beheerskosten Wlz en overige zorgkosten 2026.

Deze beleidsregels worden met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

Voorzitter Raad van Bestuur M.J. Janssen

Goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 05.01.2026, kenmerk 4323512-1092693-Z.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De Wet langdurige zorg (Wlz) regelt zware, intensieve zorg voor kwetsbare ouderen, mensen met een handicap en mensen met een psychische aandoening. De Wlz is een volksverzekering wat betekent dat iedereen die in Nederland woont, recht heeft op zorg uit de Wlz als hij aan de voorwaarden voldoet die daarvoor gelden. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor zorg vanuit de Wlz. De inhoud van de verzekerde zorg in de Wlz is wettelijk bepaald. Uitgangspunt is dat de Wlz-verzekerde de zorg krijgt die zoveel mogelijk aansluit bij zijn persoonlijke behoeften. De Wlz-verzekerde betaalt vanaf 18 jaar een eigen bijdrage waarvan de hoogte afhankelijk is van de leveringsvorm, zijn inkomen en zijn sociale situatie. De eigen bijdrage betaalt de Wlz-verzekerde aan het CAK.

Wlz-uitvoerders zijn wettelijk belast met de uitvoering van de Wlz, maar hebben de mogelijkheid om hun taken uit te besteden aan zorgkantoren. In de praktijk voeren zorgkantoren de Wlz uit. Het zorgkantoor moet ervoor zorgen dat de verzekerde de Wlz-zorg kan krijgen waarop hij is aangewezen. Zorgkantoren werken regionaal, per regio is vastgesteld welk zorgkantoor de Wlz uitvoert. De zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor de organisatie van de Wlz-zorg voor de Wlz-verzekerden, die binnen hun regio wonen. De zorgkantoren sluiten overeenkomsten met zorgaanbieders die Wlz-zorg in natura leveren. De zorgkantoren zijn ook verantwoordelijk voor de toekenning en vaststelling van persoonsgebonden budget (pgb) van verzekerden in hun regio. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft landelijk een rol in het betalingsverkeer bij pgb’s.

2. Doel beheerskostenbudget, reserve uitvoering Wlz, en vergoeding overige zorgkosten

Voor de uitvoering van de Wlz maken Wlz-uitvoerders, zorgkantoren en de SVB kosten. Daarom ontvangen zij een bedrag uit het Fonds langdurige zorg (Flz). De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) stelt de hoogte van dit bedrag, de besteedbare middelen ter dekking van de noodzakelijke uitgaven voor de uitvoering van de Wlz, jaarlijks vast in een Aanwijzing. Vervolgens stelt Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) beleidsregels vast ter verdeling van deze middelen. Op basis van de bedragen in de Aanwijzing en de beleidsregels stelt het Zorginstituut de beheerskostenbudgetten vast en verstrekt deze budgetten aan de Wlz-uitvoerders, zorgkantoren en de SVB.

Voor de uitvoering van de Wlz houden de Wlz-uitvoerders en de SVB een reserve uitvoering Wlz aan. Deze reserves mogen de wettelijk bepaalde hoogte niet overschrijden. Het Zorginstituut stelt de hoogte van de reserve uitvoering Wlz per Wlz-uitvoerder en voor de SVB vast. Bij overschrijding van de wettelijke bepaalde hoogte vordert het Zorginstituut het bedrag van overschrijding van de betreffende Wlz-uitvoerder of de SVB. Het gevorderde bedrag vloeit terug in het Flz.

Voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald, ontvangen de Wlz-uitvoerders uit het Flz een vergoeding op basis van de werkelijke kosten van de desbetreffende zorg. Het Zorginstituut stelt de hoogte van deze vergoedingen vast en betaalt de vergoeding uit aan de betreffende Wlz-uitvoerder.

Wettelijke kaders

Op grond van artikel 91 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en Hoofdstuk 4 van het Besluit Wfsv verstrekt het Zorginstituut de beheerskostenbudgetten aan de zorgkantoren, de Wlz-uitvoerders en de SVB. In artikel 4.3 van het Besluit Wfsv is bepaald dat de Minister van VWS het Zorginstituut jaarlijks een Aanwijzing geeft voor het beheerskostenbudget voor dat kalenderjaar voor alle Wlz-uitvoerders en de SVB gezamenlijk. In de Aanwijzing maakt de minister een onderscheid tussen een bedrag voor de beheerskosten van de zorgkantoren voor de taken, bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz, en het budget voor de beheerskosten van de Wlz-uitvoerders voor hun overige bij of krachtens de Wlz geregelde taken.

Artikel 4.4 van het Besluit Wfsv regelt de wettelijke basis voor de verdeling van de in de aanwijzing beschikbaar gestelde middelen, de vaststelling van de beheerskostenbudgetten, en uitkering uit het Flz. Artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv geeft de regels met betrekking tot de uitbesteding van de overige taken van de Wlz-uitvoerder aan een zorgkantoor. Op grond van artikel 4.4 en artikel 4.5 van het Besluit Wfsv stelt het Zorginstituut jaarlijks beleidsregels vast ter verdeling van de besteedbare middelen beheerskosten Wlz opgenomen in de Aanwijzing.

In artikel 4.6 van het Besluit Wfsv is de reserve uitvoering Wlz geregeld, de vaststelling door het Zorginstituut van een overschrijding van deze reserve en, bij overschrijding, de vordering van de Wlz-uitvoerder en storting aan het Flz.

Artikel 4.2 van het Besluit Wfsv regelt de wettelijke basis voor de vergoeding aan Wlz-uitvoerders van kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald.

Herziening opzet beleidsregels

De voor de uitvoering benodigde bepalingen in de Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015 zijn samengevoegd in de Beleidsregels beheerskosten Wlz en overige zorgkosten 2026. Gelijktijdig met deze samenvoeging is de opzet van de beleidsregels herzien en is waar nodig de tekst verduidelijkt. Inhoudelijk zijn de berekeningsmethoden ongewijzigd gebleven.

Deze beleidsregels bevatten geen bepalingen voor de verdeling van de besteedbare middelen beheerskosten Wlz voor de SVB. Het Zorginstituut informeert de SVB in de beschikkingsbrief van de voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget 2026 over de werkwijze bij de vaststellingen voor de SVB.

Met ingang van jaar 2026 zijn de budgetten voor de zorgkosten van Onafhankelijke Cliënt Ondersteuning (OCO) en de cliëntvertrouwenspersoon (CVP) overgeheveld naar de overige uitvoeringskosten. Het Ministerie van VWS, de Nederlandse Zorgautoriteit en het Zorginstituut zijn nog in overleg over de werkwijze voor de vaststelling van de overige uitvoeringskosten 2026 en de uitbetaling daarvan. Daarom informeert het Zorginstituut de Wlz-uitvoerders in de beschikkingsbrieven over de werkwijze en uitbetaling.

3. Cyclus vaststelling beheerskostenbudget

Het proces van het vaststellen van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders verloopt volgens een vier jaar durende cyclus.

  • Voorafgaand aan jaar t stelt de Minister van VWS de hoogte van de besteedbare middelen voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders vast voor jaar t in de Aanwijzing voor jaar t. Daarna stelt het Zorginstituut de beleidsregels ter verdeling van deze middelen vast.

  • In januari van jaar t stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget voorlopig vast per zorgkantoor en per Wlz-uitvoerder. Vanaf februari van jaar t betaalt het Zorginstituut deze budgetten uit aan de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders.

  • Indien de Minister van VWS extra middelen beschikbaar stelt in een Nadere aanwijzing voor jaar t, verwerkt het Zorginstituut deze bedragen door het beheerskostenbudget uiterlijk in februari van jaar t+1 nader vast te stellen.

  • Uiterlijk in jaar t+2 stelt het Zorginstituut het beheerskostenbudget definitief vast. Het Zorginstituut verwerkt daarin de meest recente Aanwijzing voor jaar t en betrekt de eventuele correcties van de Nederlandse Zorgautoriteit op het beheerskostenbudget van de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders.

4. Gegevens

Het Zorginstituut maakt gebruik van diverse gegevens bij de verdeling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten Wlz, de bepaling van de overschrijding van de reserve uitvoering Wlz en de bepaling van de vergoeding kosten van overige zorgkosten.

Verzekerdenstanden Wlz-verzekerden

Voor de bepaling van het aantal Wlz-verzekerden gebruikt het Zorginstituut de opgave van de verzekerdenstanden op het peilmoment 30 juni van het jaar t–1 uit de tweede kwartaalstaat voor het jaar t–1. Wlz-uitvoerders leveren deze kwartaalstaat in augustus van jaar t–1 aan bij het Zorginstituut. De aanlevering is geregeld in de Regeling structurele aanlevering gegevens Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg voor jaar t–1.

Financiële kaders

Voor de berekening van het beheerskostenbudget voor zorgkantoren zijn twee financiële kaders van belang: de contracteerruimte en het pgb subsidieplafond. De contracteerruimte vormt het totale budget waarbinnen de zorgkantoren jaarlijks zorg in natura contracteren bij zorgaanbieders. Het pgb subsidieplafond is het maximale bedrag dat beschikbaar is voor zorgkantoren voor de verlening van persoonsgebonden budgetten.

De Nederlandse Zorgautoriteit stelt voor ieder jaar de verdeling over de zorgkantoren vast in de Beleidsregel Budgettair kader Wlz en werkt deze stand meerdere keren bij. Het Zorginstituut gebruikt het aandeel van zorgkantoren in de som van de contracteerruimte en het pgb subsidieplafond voor de berekening van het beheerskostenbudget. Hierbij gaat het Zorginstituut uit van de stand in oktober van jaar t–1. In de beleidsregels van voorgaande jaren is abusievelijk over de contracteerruimte gesproken, waar ook de som van de contracteerruimte en het pgb subsidieplafond werd bedoeld. Aan de berekeningswijze is niets veranderd.

Financieel verslag

Bij de bepalingen van de hoogte van de reserve uitvoering Wlz en de hoogte van vergoeding kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald maakt het Zorginstituut gebruik van gegevens uit het financieel verslag over jaar t van de Wlz-uitvoerder.

Wlz-uitvoerders leggen in dit verslag jaarlijks verantwoording af over de uitgaven in de Wlz. Daarnaast rapporteren zij over de rechtmatigheid van deze kosten in het rechtmatigheidsoverzicht. De accountants van de Wlz-uitvoerders controleren of de getrouwe weergave van deze cijfers en de gerapporteerde cijfers voldoen aan de vereisten van rechtmatigheid. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt toezicht op de Wlz uitvoerders en stelt vast of zij hun taken rechtmatig en doelmatig uitvoeren. Hierbij maakt Nederlandse Zorgautoriteit ook gebruik van de werkzaamheden van de accountants.

Wlz-uitvoerders leveren hun financieel verslag voor 1 juli van jaar t+1 aan de Nederlandse Zorgautoriteit. De aanlevering is geregeld in de Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder van jaar t. Het Zorginstituut ontvangt het financieel verslag van Wlz-uitvoerders via de Nederlandse Zorgautoriteit.

Opgave van ZN

Bij de verdeling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten Wlz voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave van Zorgverzekeraars Nederland (ZN). De zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders hebben afspraken gemaakt over de verdeling van een aantal deelbudgetten voor specifieke doeleinden. De verdeling is onder andere gebaseerd op de hoogte van de besteedbare middelen voor jaar t zoals vastgelegd in de Aanwijzing voor jaar t. ZN geeft deze afspraken per brief door aan het Zorginstituut aan het eind van jaar t–1.

Indien meer besteedbare middelen beschikbaar worden gesteld in een Nadere aanwijzing voor jaar t, kan ZN een nieuwe opgave verstrekken aan het Zorginstituut die dan zal worden gebruikt in de Nadere Vaststelling.

Het Zorginstituut maakt bij de voorlopige, nadere en definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget steeds gebruik van de bij het Zorginstituut meest recent aangeleverde brief.

II. Artikelsgewijs

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Definities

In dit artikel zijn de begripsbepalingen uit deze beleidsregels gedefinieerd.

HOOFDSTUK II BEHEERSKOSTEN

Artikel 2.1 Vaststelling van het beheerskostenbudget

Dit artikel regelt dat het Zorginstituut bedragen uit de Aanwijzingen voor jaar t in acht neemt bij de vaststelling van het beheerskostenbudget.

Artikel 2.2 Afronding van het beheerskostenbudget

Omwille van de eenvoud rondt het Zorginstituut de bedragen in het beheerskostenbudget af op hele euro’s.

Artikel 2.3 Bepaling van de verzekerdenaantallen Wlz

In dit artikel is geregeld dat het Zorginstituut het aantal ingeschreven Wlz-verzekerden voor jaar t bepaalt op basis van het aantal ingeschreven Wlz-verzekerden gepeild op 30 juni van het voorgaande jaar.

Artikel 2.4 Voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget

In de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2026 (hierna: Aanwijzing 2026) heeft de minister 272,027 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de beheerskosten in het kader van de uitvoering van de Wlz. Hiervan is 127,779 miljoen euro bestemd voor de zorgkantoren en 144,248 miljoen euro voor de Wlz-uitvoerders.

Het uitgangspunt voor de berekening van de besteedbare middelen beheerskosten Wlz voor het jaar t vormt het structurele bedrag dat voor jaar t–1 is vastgesteld. Dit structurele bedrag wordt aangepast voor loon- en prijsontwikkeling van jaar t (voor 2026: 3,67 procent).

Nadat de minister de Aanwijzing heeft gegeven en het Zorginstituut de beleidsregels ter verdeling van deze middelen heeft vastgesteld, zal het Zorginstituut de voorlopige beheerskostenbudgetten in januari van jaar t vaststellen.

Artikel 2.5 Voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren

In dit artikel is de verdeelmethode vastgelegd die het Zorginstituut hanteert voor de verdeling van de besteedbare middelen voor de zorgkantoren over de Wlz-uitvoerders met een zorgkantoorfunctie.

Lid 1, onderdeel a

Dit bedrag verdeelt het Zorginstituut op basis van een vast, gelijk bedrag per Wlz-uitvoerder met een zorgkantoorfunctie. Het uitgangspunt voor de berekening van dit vast bedrag voor jaar t vormt het oorspronkelijke vast bedrag dat het Zorginstituut heeft gehanteerd voor jaar 2022 bij de introductie van de huidige verdeelsystematiek. Vervolgens is dit oorspronkelijk bedrag jaarlijks verhoogd met de loon- en prijsindex van de betreffende jaren. Het oorspronkelijke bedrag is opgenomen in de Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022.

Voor 2025 bedroeg het bedrag per Wlz-uitvoerder met een zorgkantoorfunctie 3,955 miljoen euro. Voor 2026 bedraagt dit bedrag inclusief de verhoging voor de loon- en prijsontwikkeling voor jaar 2026 4,100 miljoen euro.

Lid 1, onderdeel b

Dit bedrag verdeelt het Zorginstituut op basis van de opgave van de ZN waarin de afspraken die Wlz-uitvoerders met een zorgkantoorfunctie hebben gemaakt over de verdeling van dit deelbudget zijn opgenomen.

Met ingang van januari 2025 wordt aan iedere Wlz-verzekerde een pgb op maat toegekend. Bij het pgb op maat kijkt het zorgkantoor eerst naar de specifieke zorgvraag van een cliënt. Het zorgkantoor gaat hier met de budgethouder over in gesprek. Daarna wordt een passend budget vastgesteld. Voor 2026 is voor de inkoop van deze zorg een bedrag van incidenteel 3,479 miljoen euro beschikbaar gesteld.

Lid 1, onderdeel c

Voor het overige deel van het budget en voor zorgkantoortaken waarvoor het Zorginstituut geen opgave van ZN heeft ontvangen, verdeelt het Zorginstituut op basis van het aandeel van de Wlz-uitvoerder met een zorgkantoorfunctie in de som van de contracteerruimte en het pgb subsidieplafond per oktober van jaar t–1.

Lid 2

Indien het Zorginstituut geen opgave van ZN heeft ontvangen voor de verdeling van het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde bedrag, hanteert het Zorginstituut de verdeelmethode zoals beschreven onder het eerste lid, onderdeel c, van dit artikel.

Artikel 2.6 Voorlopige vaststelling van het beheerskostenbudget voor de Wlz-uitvoerders

In het eerste lid van dit artikel is de verdeelmethode vastgelegd die het Zorginstituut hanteert voor de verdeling van de besteedbare middelen voor de Wlz-uitvoerders over de Wlz-uitvoerders.

Lid 1, onderdeel a

Dit bedrag verdeelt het Zorginstituut op basis van een vast, gelijk bedrag per Wlz-uitvoerder. Het uitgangspunt voor de berekening van dit vast bedrag voor 2026 vormt het oorspronkelijke vast bedrag dat het Zorginstituut heeft gehanteerd voor jaar 2022 bij de introductie van de huidige verdeelsystematiek. Vervolgens is dit oorspronkelijk bedrag jaarlijks verhoogd met de loon- en prijsindex van de betreffende jaren. Het oorspronkelijke bedrag is opgenomen in de Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022.

Voor 2025 bedroeg het vaste bedrag per Wlz-uitvoerder 0,321 miljoen euro. Voor 2026 bedraagt dit vaste bedrag inclusief de verhoging voor de loon- en prijsontwikkeling voor jaar 2026 0,333 miljoen euro.

Lid 1, onderdeel b

Dit bedrag verdeelt het Zorginstituut op basis van het aantal ingeschreven Wlz-verzekerden bij de betreffende Wlz-uitvoerder. Voor de berekening van het totaal te verdelen bedrag voor 2026 is dezelfde methode gebruikt als beschreven in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.

Voor 2025 werd in totaal 3,476 miljoen euro verdeeld onder de Wlz-uitvoerders. Voor 2026 wordt in totaal en inclusief de verhoging voor de loon- en prijsontwikkeling voor jaar 2026 3,604 miljoen euro verdeeld onder de Wlz-uitvoerders.

Lid 1, onderdelen c tot en met i

De bedragen genoemd in de onderdelen c tot en met i verdeelt het Zorginstituut op basis van de opgave van de ZN waarin de afspraken die Wlz-uitvoerders hebben gemaakt over de verdeling van deze deelbudgetten voor specifieke doeleinden zijn opgenomen. Voor de berekening van het totaal te verdelen bedrag van ieder deelbudget voor 2026 is dezelfde methode gebruikt als beschreven in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel.

Onderdeel c regelt de verdeling van het deelbudget voor ondersteuningsteams voor regionale samenwerking. Voor 2026 wordt incidenteel een bedrag van 1,857 miljoen euro verdeeld over de Wlz-uitvoerders.

Onderdeel d regelt de verdeling van het deelbudget voor het aansluiten van de backoffice systemen van zorgkantoren op de iWlz registers (indicatie-, bemiddelings- en zorgleveringsregister) die ontwikkeld zijn/worden binnen het netwerkmodel iWlz. De zorgkantoren ontvangen een bedrag als tegemoetkoming in de aansluitkosten op deze registers. Voor 2026 bedraagt het incidenteel 0,998 miljoen euro.

In onderdeel e is geregeld dat de Wlz-uitvoerders het beheerskostenbudget ontvangen voor de uitvoering van de Onafhankelijke Cliënt Ondersteuning (OCO). Met ingang van jaar 2026 zijn de zorgkosten van OCO overgeheveld naar de overige uitvoeringskosten. In de Aanwijzing 2026 zijn daarom alleen besteedbare middelen beschikbaar gesteld voor de beheerskosten van OCO. Voor 2026 wordt in totaal en inclusief de verhoging voor de loon- en prijsontwikkeling voor jaar 2026 0,616 miljoen euro verdeeld.

Onderdeel f regelt de verdeling van het deelbudget voor de ontwikkeling van het netwerkmodel iWlz. De ontwikkeling betreft een modernisering van het huidige estafettemodel i-Wlz berichtenverkeer naar een netwerkmodel, om het zo toekomstbestendig te maken. In verband met de stapsgewijze ontwikkeling van het netwerkmodel iWlz is voor 2026 een incidenteel bedrag van 2,695 miljoen euro beschikbaar gesteld dat wordt verdeeld over de Wlz-uitvoerders.

Onderdeel g regelt de verdeling van de besteedbare middelen voor Projectleiding creëren langdurig klinisch wonen en verblijf. Vanuit de praktijk blijkt dat het momenteel ontbreekt aan een langdurige (beveiligde) woonvoorziening voor cliënten die vanwege de ernst van hun problematiek, vaak met forensisch profiel, nu nergens terecht kunnen, vaak met een lange (minstens 15 jaar) behandelhistorie en veel verhuizingen vanwege ongewenst, team-ontwrichtend gedrag. Gezien de verantwoordelijkheid van Wlz-uitvoerders om gegeven hun zorgplicht ook dit soort zorg in te kopen, zijn de kosten voor de projectleiding ondergebracht bij de beheerskosten van Wlz-uitvoerders. Voor 2026 wordt in totaal 0,218 miljoen euro verdeeld.

Onderdeel h regelt de verdeling van het deelbudget voor de crisis- en ondersteuningsteams vanuit het Programma ‘Volwaardig leven’. De crisis- en ondersteuningsteams worden opgezet voor cliënten met een complexe zorgvraag die in crisis (dreigen te) raken. Crisisregisseurs dragen er zorg voor dat deze cliënten bij deze teams terecht komen.

In 2025 werd 1,717 miljoen euro verdeeld. Voor 2026 wordt in totaal en inclusief de verhoging voor de loon- en prijsontwikkeling voor jaar 2026 1,780 miljoen euro verdeeld.

In onderdeel i is geregeld dat de Wlz-uitvoerders het beheerskostenbudget ontvangen voor de uitvoering van de cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Met ingang van jaar 2026 zijn de zorgkosten van CVP overgeheveld naar de overige uitvoeringskosten. In de Aanwijzing 2026 zijn daarom alleen besteedbare middelen beschikbaar gesteld voor de beheerskosten van CVP.

Voor de beheerskosten van de CVP werd voor 2025 in totaal structureel 0,314 miljoen euro verdeeld. Voor 2026 wordt in totaal en inclusief de verhoging voor de loon- en prijsontwikkeling voor jaar 2026 0,326 miljoen euro verdeeld.

Lid 1, onderdeel j

Dit onderdeel regelt het gebruik van de correctiebedragen in het nieuwe verdeelmodel. Met ingang van 2022 zijn voor zowel de zorgkantoren als de Wlz-uitvoerders nieuwe verdeelmodellen van het beheerskostenbudget ingevoerd. Met de invoering beoogt het Zorginstituut een vereenvoudiging van de verdeling, een verdeling die een direct gevolg is van de uitgevoerde werkzaamheden en een verdeling die alle Wlz-uitvoerders in staat stelt zijn taken uit te voeren. Om de nieuwe verdeling gefaseerd in te kunnen voeren, is gebruik gemaakt van een correctiebedrag en flankerend beleid.

Conform afspraak is de inzet van flankerend beleid met ingang van 2024 beëindigd. De inzet en de hoogte van de huidige correctiebedragen is vastgesteld voor de periode 2022 tot en met 2026.

De hoogte van de correctiebedragen zijn als volgt bepaald: Indien een Wlz-uitvoerder onder de nieuwe verdeelsystematiek minder dan 95,5 procent van het beheerskostenbudget van 2021, exclusief incidentele deelbudgetten, ontvangt, is een correctiebedrag van toepassing. Dit zorgt voor een aanvulling tot 95,5 procent van het beheerskostenbudget van 2021, exclusief incidentele deelbudgetten. De aanvulling is afkomstig van de Wlz-uitvoerders die een hoger beheerskostenbudget ontvangen onder de nieuwe verdeelsystematiek dan in 2021. Het totaal van de correctiebedragen is dus 0 euro.

Lid 1, onderdeel k

Voor het overige deel van het budget en voor taken van Wlz-uitvoerders waarvoor het Zorginstituut geen opgave van ZN heeft ontvangen, verdeelt het Zorginstituut op basis van het aantal ingeschreven Wlz-verzekerden bij de betreffende Wlz-uitvoerder.

Lid 2

Indien het Zorginstituut geen opgave van ZN heeft ontvangen voor de verdeling van het in het eerste lid, onderdelen c tot en met i, genoemde deelbudgetten, hanteert het Zorginstituut de verdeelmethode zoals beschreven in het eerste lid, onderdeel k, van dit artikel.

Artikel 2.7 Voorlopig vastgesteld bedrag bij uitbesteding van overige taken aan een zorgkantoor

Aangezien elke Wlz-uitvoerder Wlz-verzekerden heeft die niet in de zorgkantoorregio’s wonen die aan hem zijn toegewezen, kan de Wlz-uitvoerder zijn taken voor die Wlz-verzekerden uitbesteden aan de Wlz-uitvoerder die als zorgkantoor is aangewezen voor die regio waar de betreffende Wlz-verzekerde woont. Dit geldt eveneens voor de twee Wlz-uitvoerders, ASR en ONVZ, die geen zorgkantoorfunctie hebben. De Wlz-uitvoerder dient een bedrag per Wlz-verzekerde te betalen aan het zorgkantoor waaraan hij deze taken uitbesteedt. Dit artikel regelt de vaststelling van dit bedrag door het Zorginstituut. In het eerste lid is berekening van het bedrag per Wlz-verzekerde vastgelegd. Het tweede lid regelt de afronding van dit bedrag op 9 decimalen.

Artikel 2.8 Nadere vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders

Dit artikel regelt de nadere vaststelling van het beheerskostenbudget door het Zorginstituut. De minister kan in een Nadere aanwijzing meer middelen beschikbaar stellen voor de uitvoering van de Wlz voor jaar t. Uiterlijk op de eerste werkdag van februari van jaar t+1 zal het Zorginstituut het voorlopig vastgesteld beheerskostenbudget aanpassen op basis van de bedragen in de meeste recente Nadere aanwijzing in een nadere vaststelling. De vaststelling is geregeld in het eerste lid van dit artikel.

Het vaste, gelijk bedrag zoals genoemd in artikel 2.6, onderdelen a, wijzigt in jaar t niet. Het bedrag van het resterende budget dat het Zorginstituut verdeelt in artikel 2.6, onderdeel b, wijzigt uitsluitend indien de minister extra middelen toezegt voor de zorgkantoren die niet op basis van de opgave van ZN worden verdeeld. Het Zorginstituut verdeelt het resterende budget overeenkomstig de verdeelmethode in artikel 2.5. Deze verdeelmethode is geregeld in het tweede lid van dit artikel.

De bedragen zoals genoemd in artikel 2.7, onderdelen a en b, wijzigen in jaar t niet. Een bedrag dat het Zorginstituut verdeelt in artikel 2.7, onderdeel c tot en met g, wijzigt uitsluitend indien de minister extra middelen voor het betreffende deelbudget toezegt.

Het bedrag van het resterende budget dat het Zorginstituut verdeelt in artikel 2.7, onderdeel i, wijzigt uitsluitend indien de minister extra middelen toezegt voor de Wlz-uitvoerders die niet op basis van de opgave van ZN worden verdeeld. Het Zorginstituut verdeelt de deelbudgetten en het resterende budget overeenkomstig de verdeelmethode in artikel 2.6. Deze verdeelmethode is geregeld in het derde lid van dit artikel.

Artikel 2.9 Nader vastgesteld bedrag bij uitbesteding van overige taken aan een zorgkantoor

Indien bij een nadere vaststelling het bedrag van het resterende budget voor de Wlz-uitvoerders wijzigt, dan wijzigt ook het berekende bedrag per Wlz-verzekerde. In dit artikel is geregeld dat bij een nadere vaststelling het Zorginstituut het bedrag per Wlz-verzekerde nader vaststelt.

Artikel 2.10 Definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget voor de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders

Dit artikel regelt de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget door het Zorginstituut. Het Zorginstituut stelt uiterlijk in jaar t+2 het beheerskostenbudget definitief vast op basis van de bedragen in de meest recente Aanwijzing voor jaar t. Het Zorginstituut hanteert daarbij de dezelfde verdeelmethoden als in voorlopige en nadere vaststelling. De vaststelling en de verdeelmethoden zijn geregeld in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel.

De Nederlandse Zorgautoriteit beoordeelt financiële rechtmatigheid van de uitvoering van de Wlz, in overeenstemming met artikel 28 Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Deze financiële rechtmatigheid bevat de financiële rechtmatigheid van de zorgkosten en de financiële rechtmatigheid van de beheerskosten. Zorgkosten bestaan uit kosten voor zorg in natura (zin) en pgb.

De Nederlandse Zorgautoriteit publiceert de uitkomsten van dit onderzoek voor jaar t aan het eind van jaar t+1. Daarna voert het Zorginstituut op basis van dit rapport en in afstemming met de Nederlandse Zorgautoriteit de eventuele correcties op het beheerskostenbudget van de zorgkantoren en de Wlz-uitvoerders uit bij de definitieve vaststelling. Het betrekken van de kostencorrecties is geregeld in het vierde lid van dit artikel.

Artikel 2.11 Definitief vastgesteld bedrag bij uitbesteding van overige taken aan een zorgkantoor

In dit artikel is de definitieve vaststelling van het bedrag per Wlz-verzekerde geregeld. Bij de definitieve vaststelling van het beheerskostenbudget stelt het Zorginstituut het bedrag per Wlz-verzekerde definitief vast. Het Zorginstituut hanteert daarbij dezelfde berekening als in de voorlopige en nadere vaststelling.

HOOFDSTUK III OVERSCHRIJDING RESERVE UITVOERING WLZ

Artikel 3.1 Overschrijding reserve uitvoering Wlz

In dit artikel is de vaststelling van de overschrijding door het Zorginstituut geregeld. Wlz-uitvoerders geven de stand van hun reserve uitvoering Wlz op 31 december van jaar t op in hun financieel verslag over jaar t. In artikel 4.6, vierde lid, van het Besluit Wfsv, is het maximum van de hoogte van de reserve uitvoering Wlz voor jaar t vastgelegd als percentage van het beheerskostenbudget voor jaar t. Het Zorginstituut bepaalt op basis van het nader vastgesteld beheerskostenbudget voor jaar t en het financieel verslag over jaar t of er sprake is van een overschrijding van de reserve uitvoering Wlz voor jaar t.

In samenspraak met de Nederlandse Zorgautoriteit is afgesproken de berekening van de overschrijding te baseren op het beheerskostenbudget uit de nadere vaststelling. Deze nadere vaststelling vindt plaats uiterlijk in februari jaar t+1 waardoor het Zorginstituut de overschrijding uiterlijk december van jaar t+1 kan vaststellen. De definitieve vaststelling vindt pas in jaar t+2 plaats en uitgaan van die vaststelling in de berekening zou leiden tot een onnodige vertraging.

HOOFDSTUK IV OVERIGE ZORGKOSTEN

Artikel 4.1 Definitieve vaststelling vergoeding kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald

In het eerste en tweede van dit artikel is geregeld dat het Zorginstituut uiterlijk op de eerste werkdag in april van het jaar t+2 de hoogte van de vergoeding van kosten van zorg die niet door het CAK worden uitbetaald definitief vaststelt.

In het financieel verslag over jaar t verantwoorden de Wlz-uitvoerders de rechtstreeks met het Flz te verrekenen kosten en baten over jaar t. In het derde lid van dit artikel is geregeld dat het Zorginstituut dit verslag van de betreffende Wlz-uitvoerder gebruikt om de hoogte van de vergoeding te bepalen op het verschil tussen de rechtstreeks met het Flz te verrekenen de kosten en baten.

Bij de definitieve vaststelling voert het Zorginstituut eventuele correcties door op basis van de uitkomsten van het onderzoek door de Nederlandse Zorgautoriteit naar financiële rechtmatigheid van de uitvoering van de Wlz voor jaar t en in afstemming met de Nederlandse Zorgautoriteit. Het betrekken van de kostencorrecties is geregeld in het vierde lid van dit artikel.

HOOFDSTUK V BETALINGEN

Artikel 5.1 Bepaling rentepercentage

In dit artikel is de bepaling van het rentepercentage bij toepassing van rente in deze beleidsregels geregeld. Bij de toepassing van rente gaat het Zorginstituut voor het rentepercentage uit van gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand. Het tweede lid legt de berekening van de samengestelde rente op maandbasis vast. Het derde lid voorziet het Zorginstituut de mogelijkheid om een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief hanteren in het geval dat het in het eerste lid bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast.

Artikel 5.2 Betaling voorlopig vastgesteld beheerskostenbudget

Dit artikel regelt de uitbetaling van het voorlopig vastgesteld beheerskostenbudget voor jaar t. Het Zorginstituut betaalt dit beheerskostenbudget uit in 11 maandelijkse termijnen, op de eerste werkdag van februari tot en met december van het jaar t. Het betalingsschema is opgenomen in het vierde lid van dit artikel.

Artikel 5.3 Aanpassing beheerskostenbudget

In dit artikel zijn de betalingen naar aanleiding van de aanpassing van het beheerskostenbudget in de nadere en definitieve vaststelling geregeld. Bij een vaststelling verrekent het Zorginstituut het verschil met de voorgaande vaststelling.

Bij de nadere vaststelling betreft dit het verschil tussen de reeds betaalde termijnen uit de voorlopige vaststelling, en het nader vastgesteld beheerskostenbudget. Bij de definitieve vaststelling betreft dit het verschil tussen het nader vastgesteld beheerskostenbudget en het definitief vastgesteld beheerskostenbudget. Bij een positief saldo, betaalt het Zorginstituut dat saldo in één keer uit aan het betreffende zorgkantoor of de betreffende Wlz-uitvoerder. Bij een negatief saldo, vordert het Zorginstituut dat saldo in één keer van het betreffende zorgkantoor of de betreffende Wlz-uitvoerder

Artikel 5.4 Renteberekening bij aanpassing beheerskostenbudget

Dit artikel regelt de rente bij aanpassing van het beheerskostenbudget. Het eerste lid legt vast dat het Zorginstituut en het zorgkantoor of de Wlz-uitvoerder over en weer rente zijn verschuldigd over de verschillen, bedoeld in artikel 5.3.

Het tweede lid regelt dat het Zorginstituut rente berekent bij de nadere vaststelling en bij de definitieve vaststelling. Daarnaast zorgt dit lid ervoor dat de berekende rente wordt verrekend met afrekeningen die uit deze vaststellingen voortvloeien en voorkomt daarmee het ontstaan van separate betalingen voor de aanpassing van het beheerskostenbudget en de berekende rente.

Het derde en vierde lid leggen de periode vast waarover het Zorginstituut de rente berekent bij de nadere vaststelling en de definitieve vaststelling.

Artikel 5.5 Percentage rente

In dit artikel is geregeld dat het Zorginstituut het percentage rente vast dat de Wlz-uitvoerder over de reserve geacht wordt te maken vast conform het rentepercentage in artikel 5.1.

Het Zorginstituut stelt dit percentage vast op grond van artikel 4.6, derde lid van het Besluit Wfsv.

Artikel 5.6 Vordering bij overschrijding reserve uitvoering Wlz

Dit artikel regelt de vordering van de Wlz-uitvoerder bij de overschrijding wettelijke reserve Wlz. Het Zorginstituut vordert de overschrijding in één keer van Wlz-uitvoerder. De Wlz-uitvoerder dient het bedrag van de overschrijding binnen vier weken terug te betalen aan het Zorginstituut waarna dit bedrag terugvloeit naar het Flz.

Artikel 5.7 Afrekening definitieve vastgestelde vergoeding voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald

Dit artikel regelt de afrekening van de definitieve vastgestelde vergoeding voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald. Bij een positief saldo, betaalt het Zorginstituut dat saldo in één keer uit aan het betreffende zorgkantoor of de betreffende Wlz-uitvoerder. Bij een negatief saldo, vordert het Zorginstituut dat saldo in één keer van het betreffende zorgkantoor of de betreffende Wlz-uitvoerder.

Artikel 5.8 Rente en renteberekening bij vergoeding voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald

Dit artikel regelt de rente bij de vergoeding voor de kosten van zorg die niet door CAK worden uitbetaald. Het eerste lid legt vast dat het Zorginstituut en de Wlz-uitvoerder over en weer rente zijn verschuldigd over het saldo, bedoeld in artikel 4.1. Het tweede lid regelt dat het Zorginstituut de rente verwerkt bij definitieve vaststelling en zo mogelijk verrekent met de betaling die uit deze vaststelling voortvloeit. Deze bepaling voorkomt daarmee dat het ontstaan van een separate betalingen voor de vergoeding en de berekende rente. Het derde lid legt de periode vast waarover het Zorginstituut de rente berekent bij de definitieve vaststelling.

HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN

In dit hoofdstuk zijn de slotbepalingen opgenomen met de inwerkingtreding, het vervallen van de beleidsregels en de citeertitel.

Voorzitter Raad van Bestuur M.J. Janssen

Naar boven