Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 maart 2026, nr. WJZ/101410909, tot wijziging van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 in verband met wijziging van Titel 5.6 ten behoeve van het toevoegen van de EIP module inzake de eco-regelingen op bedrijfsniveau [KetenID WGK 28326]

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op

  • verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021 L 435);

  • artikel 3, eerste, tweede en derde lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

  • artikelen 15 en 19 van de Landbouwwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 5.1.12a, tweede lid, wordt ‘twaalf’ vervangen door ‘dertien’.

B

In artikel 5.6.1. worden in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

agrarisch collectief:

organisatie met rechtspersoonlijkheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;

ANLb:

Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, als bedoeld in paragraaf 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies;

eco-regeling:

de Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving, bedoeld in paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;

SWOT analyse:

bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;

C

Artikel 5.6.2. wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het zesde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. het formuleren van een plan voor de doorontwikkeling van de eco-regeling, gericht op toekomstbestendige landbouw, waarbij de in het plan opgenomen maatregelen op bedrijfsniveau bijdragen aan het verlagen van de administratieve lasten voor landbouwers en ten minste één van de volgende doelen:

    • 1°. waterweerbaarheid en aanpassing aan klimaatverandering;

    • 2°. beperking van klimaatverandering;

    • 3°. bodemgezondheid;

    • 4°. behoud van biodiversiteit;

    • 5°. ontwikkeling van biologische landbouw;

    • 6°. diergezondheid of dierenwelzijn.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 13. In afwijking van het eerste lid verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel g, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste twee landbouwers die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief en ten minste één agrarisch collectief.

D

In artikel 5.6.3, tweede lid, wordt ‘artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel c’ vervangen door ‘artikel 5.6.2, zesde lid, onderdelen c en g’.

E

Aan artikel 5.6.4. wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, minimaal € 25.000 en maximaal € 100.000.

F

Aan artikel 5.6.5. wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het tweede lid is een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening afgerond en niet later dan 31 december 2028.

G

In artikel 5.6.8, zesde lid, wordt ‘onderdeel e’ vervangen door ‘onderdelen e en g’.

H

Aan artikel 5.6.10. worden de volgende leden toegevoegd, luidende:

  • 11. Onverminderd artikel 2.9 en het eerste lid bevat een aanvraag voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g:

    • a. het geldig certificaat van het collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;

    • b. een verklaring van de landbouwers die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief, als bedoeld in het vorige onderdeel, dat zij geen lid zijn van een agrarisch collectief, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 12. Onverminderd het eerste lid neemt de penvoerder in het projectplan van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, een SWOT analyse op waarin tenminste een beschrijving en een onderbouwing is opgenomen van de kansen en bedreigingen die van invloed zijn op de bijdrage aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g en waaruit de keuze volgt voor de bijdragen op de doelstellingen, bedoeld in dat artikel.

  • 13. Onverminderd artikel 2.19, vijfde lid, bevat het eindverslag van een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, ten minste:

    • a. een waardeberekening, gebaseerd op gederfde inkomsten en/of gemaakte kosten, van de in het plan opgenomen maatregelen;

    • b. een beschrijving van de toekomstige werkwijze van de eco-regeling, in samenhang met het beheer van het ANLb;

    • c. een uitwerking van de controleerbaarheid en verlaging van de administratieve lasten.

I

Aan artikel 5.6.11. wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g.

ARTIKEL II

In de tabel horende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling Openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt aan de rijen met betrekking tot Titel 5.6 de volgende rij toegevoegd:

 

5.6.2, eerste en zesde lid, onderdeel g

 

Het formuleren van een plan voor de doorontwikkeling van de eco-regeling, gericht op toekomstbestendige landbouw, waarbij de in het plan opgenomen maatregelen op bedrijfsniveau bijdragen aan het verlagen van de administratieve lasten voor landbouwers en ten minste één van de genoemde doelstellingen

16-06-2026 t/m 16-07-2026

€ 500.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 7 maart 2026

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

TOELICHTING

I. Algemeen

Deze regeling wijzigt de Regeling Europese EZK, LVVN- en KGG-subsidies 2021 (REES 2021) en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 in verband met het invoeren van een nieuwe submodule in Titel 5.6 van de REES 2021, die ziet op samenwerken aan innovatie door operationele groepen in het kader van het Europees Innovatie Partnerschap (EIP) (Hierna: EIP-regeling).

Hiernaast wordt het maximum aantal leden van de adviescommissie Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (hierna adviescommissie GLB) verhoogd van twaalf naar dertien. Zie voor een toelichting van deze wijziging de artikelsgewijze toelichting bij Artikel I, onderdeel A.

EIP-regeling en module ‘eco-regelingen op bedrijfsniveau’

Doel van de overkoepelende EIP-regeling is het ontwikkelen van innovatieve initiatieven die bijdragen aan een duurzame en toekomstbestendige landbouw en de uitwisseling van kennis hierover. Oorspronkelijk bestond de EIP-regeling uit vijf ’categorieën van activiteiten’ (artikel 6). De regeling heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een modulaire regeling met thematische modules die los van elkaar opengesteld kunnen worden voor het aanvragen van subsidie. De EIP-regeling bestaat, inclusief de module die bij deze wijziging wordt geïntroduceerd, inmiddels uit zeven modules:

  • A) EIP Generatievernieuwing;

  • B) EIP Dierenwelzijn: verminderen staartcouperen in de varkenshouderij;

  • C) EIP Ontwerp gebiedsgerichte fieldlab

  • D) EIP Algemeen

  • E) EIP Digitalisering en Robotisering

  • F) EIP Dierwaardige ketendeals

  • G) EIP Eco-regelingen op bedrijfsniveau

Openstelling

De nieuwe module ‘eco-regelingen op bedrijfsniveau’ van de EIP-regeling is gepland om opengesteld te worden van 16 juni 2026 tot en met 16 juli 2026. Het openstellingsbudget bedraagt € 500.000. De openstelling is geregeld middels de wijziging van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026. Deze regeling wordt gefinancierd met middelen die het Kabinet heeft gereserveerd voor het Agrarisch Natuurbeheer (Kamerstuk II 2024/25, 33 576, nr. 402).

Aanleiding

In Europa en in Nederland zijn ontwikkelingen gaande die de eco-regeling raken. Vanwege de impact die deze ontwikkelingen kunnen hebben op landbouwers is het van belang om samen met landbouwers en andere belanghebbenden te toetsen wat wenselijke en haalbare eco-regelingen zijn die landbouwers in hun bedrijfsvoering op kunnen nemen. Deze eco-regelingen kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld grootvee-eenheid, minimaliseren gewasbescherming, terugdringen van stikstofemissies, gewasdiversificatie of aandeel 'niet productieve' grond binnen het bedrijf.

Het is wenselijk om nu al samen met alle betrokken partijen te bezien welke ideeën op dit vlak leven en die ideeën nu al, in de praktijk te testen middels zogenoemde pilots 'eco-regelingen op bedrijfsniveau'. De resultaten kunnen worden gebruikt voor het ontwerpplan van de toekomstige eco-regelingen op bedrijfsniveau. Om de eco-regeling goed uit te kunnen voeren is het van belang dat de operationele groepen de plannen in nauwe samenwerking met RVO en LVVN uitwerken.

Europese Unie

Met de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie voor het Meerjarig Financieel Kader na 2027 is er een momentum om de eco-regeling door te ontwikkelen zodat deze beter aansluit op de beleidsmatige wensen, knelpunten in de uitvoering kan verminderen en tot minder administratieve lasten voor de boer leidt. Met pilots worden mogelijkheden verkend die kennis opleveren voor de eco-regeling van het toekomstig GLB (Gemeenschappelijk landbouwbeleid).

Op 19 februari 2025 heeft de Europese Commissie een mededeling over de Visie voor Landbouw en Voedsel gepubliceerd.1 De mededeling bouwt voort op het eindrapport van de Strategische Dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU (hierna: de Strategische Dialoog) dat in september 2024 is gepubliceerd.2 De Europese Commissie wil een eerlijk en concurrerend voedselsysteem tot stand brengen, dat betaalbaar en duurzaam voedsel voor iedereen oplevert. Boeren moeten worden geholpen om zich te wapenen tegen bijvoorbeeld stijgende kosten, klimaatverandering en verstoringen van de toeleveringsketen. Tegelijkertijd moet Europa een koploper blijven bij de voedselproductie. Nauwe samenwerking met boeren, voedselproducenten, plattelandsgemeenschappen en maatschappelijke organisaties bij de uitvoering van de plannen moet uiteindelijk leiden tot een betere toekomst voor de landbouw en het voedsel in Europa. De Europese Commissie benadrukt hierbinnen de rol van het aankomende GLB dat naar verwachting in 2028 in zal gaan.

Op 16 juli 2025 heeft de Europese Commissie een voorstel uitgebracht over de toekomst van het GLB.3 Momenteel wordt er onderhandeld over deze voorstellen. In de voorstellen van de Europese Commissie moet het GLB ook in de toekomst bijdragen aan de omschakeling naar duurzame productiemethoden, klimaatneutraliteit in 2050, het beter belonen van bovenwettelijke prestaties en daarmee publieke diensten voor natuur en milieu, een betere balans tussen verplichtende voorwaarden van het systeem voor Rentmeesterschap van landbouwbedrijven (‘voorwaarden voor het ontvangen van inkomenssteun en een set aan beschermende praktijken, in het huidige GLB bekend als de ‘conditionaliteiten’), en vrijwillige stimulerende regelingen getiteld ‘agri-milieu-en-klimaat-acties’ die bijdragen aan het milieu, klimaat, dierenwelzijn en de transitie naar veerkrachtige productiesystemen. Gezien de oproep tot vereenvoudiging vanuit zowel de Europese Unie (landbouwomnibus) als de sector, moet ook binnen het toekomstige GLB aandacht worden besteed aan vereenvoudiging. De administratieve lasten voor landbouwers dienen te worden verminderd.

Groenblauwe architectuur

De eco-regeling biedt samen met onder andere het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer) een belangrijk fundament voor de realisatie van de Groenblauwe architectuur (hierna: GBA). De eco-regeling helpt met de inzet van de Groenblauwe dooradering van het landschap. Daarmee wordt een betere dooradering van het landschap bedoeld, met ruimte voor dieren en planten. Het draagt bij aan de biodiversiteit, schoon water en verbetert het de bodemkwaliteit. De GBA komt op verschillende niveaus terug in zowel nationaal als internationaal beleid.

EIP module ‘eco-regelingen op bedrijfsniveau’

Doel

De EIP module 'eco-regelingen op bedrijfsniveau' binnen het GLB heeft als doel te onderzoeken hoe de eco-regeling door te ontwikkelen tot verschillende eco-regelingen op bedrijfsniveau. Binnen deze eco-regelingen zullen naar verwachting in het toekomstige GLB, op of aanpalend aan landbouwgrond, doelgerichte betalingen kunnen worden ingezet voor het behalen van opgaven op het gebied van waterweerbaarheid, klimaatverandering, bodemgezondheid, biodiversiteit, biologische landbouw, diergezondheid en dierenwelzijn.

De innovatie die wordt gestimuleerd met deze EIP module zit niet primair in technische maatregelen op het boerenerf, maar in de systematiek, inrichting en uitvoerbaarheid van de eco-regeling zelf. De innovatie zit in het ontwerpen en testen van nieuwe, integrale, bedrijfsgerichte eco-regelingen die eenvoudiger uitvoerbaar zijn, minder administratieve lasten veroorzaken en beter aansluiten op het toekomstige GLB. De financiering van eventuele acties uit het plan valt buiten de reikwijdte van deze EIP-regeling. De regeling is juist bedoeld voor de ontwikkel- en ontwerpprojecten ter voorbereiding van de eco-regeling in de toekomstige GLB-periode 2028-2034. Door de projecten kunnen samenwerkingsverbanden inbreng leveren voor de toekomstige GLB-periode om zo beleid beter op de praktijk te laten aansluiten. De pilots hebben als doel om inzichtelijk te maken hoe een toekomstige werkwijze van de eco-regelingen in elkaar kan zitten, waarbij er rekening wordt gehouden met zowel de integraliteit van de regeling, de beheerpakketten van het ANLb, het ambitieniveau en de administratieve lasten voor de landbouwer. De EIP module vraagt om het ontwikkelen van het plan.

Huidige eco-regeling

Binnen de huidige eco-regeling verdienen boeren punten met specifieke éénjarige eco-activiteiten om een subsidie te ontvangen. Boeren moeten een minimale drempelwaarde behalen en voldoende punten verzamelen op de vijf doelen: klimaat, bodem, lucht, water, landschap en biodiversiteit. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de behaalde punten, waarbij de niveaus brons, zilver en goud een uitbetaling van respectievelijk € 60, € 100 en € 200 per hectare opleveren. Binnen het toekomstige systeem is het de bedoeling dat verschillende eco-activiteiten worden geclusterd in een overkoepelende eco-regeling waarbij agrariërs een subsidie ontvangen voor verduurzamingsmaatregelen.

Doorontwikkeling eco-regeling

Binnen de eco-regeling wordt gezocht naar een balans tussen (gebiedsgerichte) effectiviteit en beheersbare administratieve lasten voor de landbouwers. De doorontwikkeling van de eco-regeling mag niet ten koste gaan van de integraliteit en het ambitieniveau van de eco-regeling. In de huidige eco-regeling dient een landbouwer een bijdrage te leveren aan alle duurzaamheidsdoelen (water, bodem en lucht, klimaat, landschap, biodiversiteit) alvorens hij/zij aanspraak kan maken op een eco-premie. Hierbij wordt gewerkt met een puntensystematiek waarin de puntentoekenning de bijdrage aan het duurzaamheidsdoel weergeeft. Pas na het behalen van de puntenstapeis, een minimale bijdrage op alle duurzaamheidsdoelen, krijgt de landbouwer een eco-premie. Binnen de toekomstige eco-regelingen op bedrijfsniveau dient de integraliteit op alle duurzaamheidsdoelen te worden gewaarborgd. Binnen de pilot dienen operationele groepen uit te werken hoe deze integraliteit kan worden geborgd. Ook hierbij is het belangrijk dat er aandacht wordt besteed aan de complexiteit van de regeling. Idealiter doen landbouwers zelf hun subsidieaanvraag met de Gecombineerde Opgave. Hierdoor belandt meer geld direct op het boerenerf.

EIP-projecten

De projecten die met deze module van de EIP-regeling worden ondersteund, richten zich op samenwerkingen van landbouwers die niet deelnemen aan het ANLb en agrarische collectieven. In deze samenwerking staan innovatie en effectiviteit centraal. In de projecten is ruimte om bottom-up initiatieven uit de sector te ondersteunen, specifiek gericht op uitdagingen op het gebied van de duurzaamheidsdoelen. De eco-regeling wordt gebruikt als basis voor deze doorontwikkeling. Daarnaast bestaat binnen deze pilot binnen de projecten de ruimte om voor nieuwe thema's, zoals diergezondheid en dierenwelzijn, nieuwe eco-regelingen te ontwikkelen. Tevens staat het operationele groepen vrij om aanvullende eco-regelingen te bedenken mits deze binnen de beschreven doelstellingen passen en praktisch in te passen zijn binnen de systemen van de RVO. Naast grondgebonden eco-regelingen staat het de operationele groepen ook vrij om diergebonden eco-regelingen uit te werken. Hierbij is het wel van belang dat de regelingen controleerbaar moeten kunnen worden geïmplementeerd en dat de samenhang met de grondgebonden regelingen in het project moet zijn beschreven. Het staat de operationele groepen ook vrij om binnen het projectplan eco-regelingen te ontwikkelen die een meerjarig karakter hebben. Hierdoor kunnen landbouwers die meerjarige (in plaats van één jaar) inspanningen leveren voor de doelstellingen een vergoeding krijgen.

Verlaging administratieve lasten

Binnen de EIP-projecten dienen operationele groepen na te denken over hoe de administratieve lasten voor de landbouwer lager kunnen worden. Operationele groepen dienen uit te werken hoe de eco-regelingen bijdragen aan het verminderen van de administratieve lasten voor de landbouwer. Hierbij kunnen landbouwers nadenken over de controleerbaarheid van bepaalde eco-regelingen, bijvoorbeeld via het Areaal Monitoring Systeem.

Selectiecriteria

Aanvragen worden ingevolge artikel 5.6.8, eerste lid, gerangschikt op de criteria: effectiviteit, haalbaarheid, efficiëntie en mate van innovatie. Hieronder is uitgewerkt hoe deze criteria voor de submodule G worden ingevuld.

Effectiviteit

Effectiviteit gaat over de mate waarin het project voor deze pilot weet bij te dragen aan de duurzaamheidsdoelen van de eco-regeling en de administratieve lasten voor de landbouwers verlicht. Duurzaamheidsdoelen van de eco-regeling zijn:

  • 1°. waterweerbaarheid en aanpassing aan klimaatverandering;

  • 2°. beperking van klimaatverandering;

  • 3°. bodemgezondheid;

  • 4°. behoud van biodiversiteit;

  • 5°. ontwikkeling van biologische landbouw;

  • 6°. diergezondheid of dierenwelzijn.

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • Bij het criterium effectiviteit is met name van belang hoe het project bijdraagt aan de duurzaamheidsdoelen van de eco-regeling zoals vermeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g. Een projectvoorstel met alleen één duurzaamheidsdoel scoort lager dan een project met alle duurzaamheidsdoelen.

  • Hoe goed draagt het project bij aan de uitdagingen in de regio, bijvoorbeeld op het gebied van biodiversiteit, klimaat, bodem of water.

  • Levert het project ervaringen op waardoor de implementatie van de eco-regelingen effectiever wordt? Kan het resultaat snel breed worden toegepast?

  • Hoeveel landbouwers en andere belanghebbenden worden bij het project betrokken? Is er een voldoende spreiding van relevante sectoren bij de subsidieaanvraag om de representativiteit te waarborgen? Hoe meer divers de deelname van relevante partijen aan de operationele groep is, hoe representatiever de operationele groep is.

  • Komt in het project duidelijk naar voren op welke manier de eco-regeling op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verlaging van de administratieve lasten voor de landbouwer?

Haalbaarheid

Bij het selectiecriterium haalbaarheid gaat het om de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en succesvol kan worden toegepast binnen de Nederlandse landbouw. Dit moet blijken uit een realistisch projectplan met haalbare, meetbare, concrete beoogde projectresultaten. Haalbaar houdt ook in dat de samenwerkende partijen erin moeten kunnen slagen een vruchtbare samenwerking tot stand te brengen op basis van onderlinge afspraken over taken, verantwoordelijkheden en over het gezamenlijk dragen van lasten en lusten. Daarnaast wordt een plan haalbaarder als blijkt dat gedegen nagedacht is over de technische en organisatorische haalbaarheid en over realistische marktmogelijkheden. De wijze waarop de kans op succes en haalbaarheid wordt gemeten heeft betrekking op zowel de oprichting van de operationele groep en de uitvoering van het projectplan.

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • Een omschrijving van het procesplan. Is de kwaliteit van het procesplan voldoende in beeld gebracht en toegelicht? Zijn er kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project?

  • Kwaliteit in relatie tot de breedte van de samenstelling, het kennisniveau en de werkafspraken van de operationele groep – past de samenstelling van de groep bij de ambitie?

  • Een realistisch plan voor implementatie, met duidelijke mijlpalen en beschikbare middelen om het project succesvol af te ronden.

  • De ervaring en capaciteiten van de projectuitvoerders om de geplande activiteiten effectief uit te voeren en eventuele uitdagingen aan te pakken.

  • Zegt de groep toe kennis uit te wisselen met het EIP-netwerk, LVVN, stakeholders van het Nationaal Regionaal Partnerschap Plan (NRPP) en RVO en is er blijk van een actieve opstelling hierbij?

  • Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen kennis – geeft de operationele groep er blijk van zich te hebben georiënteerd of te gaan oriënteren op bestaande kennis, aanbevelingen, mogelijke barrières inclusief Europese wet- en regelgeving, controle van maatregelen, cumulatie met het ANLb, met oplossingen die ook juridische en financiële aspecten goed afdekken en best practices en dergelijke rondom de opgave.

Innovatie

Voor de beoordeling van de mate van innovatie binnen het projectplan wordt het ambitieniveau van het plan meegewogen. De innovatie zit niet primair in technische maatregelen op het boerenerf, maar in de systematiek, inrichting en uitvoerbaarheid van de eco-regeling zelf. De innovatie zit in het ontwerpen en testen van nieuwe, integrale, bedrijfsgerichte eco-regelingen die eenvoudiger uitvoerbaar zijn, minder administratieve lasten veroorzaken en beter aansluiten op het toekomstige GLB. Bij het ambitieniveau wordt gekeken naar hoe methoden, maatregelen of een aanpak de integraliteit van de duurzaamheidsdoelstellingen, bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel g, subonderdelen 1 tot en met 6, bevorderen of een duurzamer bedrijfsplan stimuleren dan wat wettelijk vereist is. Hiermee wordt het stimulerend effect van de eco-regeling verhoogd. Als de operationele groep weet aan te tonen dat met de nieuwe eco-regelingen het ambitieniveau wordt verhoogd, dat wil zeggen belonen voor duurzame praktijken in de bedrijfsvoering, krijgt deze een hogere puntentoekenning.

In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • Het algemene ambitieniveau ten opzichte van de huidige eco-regeling wordt verhoogd. Dat wil zeggen dat de toekomstige eco-regelingen geen bestaande landbouwpraktijken maar een duurzamer bedrijfsplan stimuleren.

  • In hoeverre het project nieuwe oplossingen biedt voor bekende problemen (bijv. complexiteit, fragiliteit) rondom de eco-regeling binnen het GLB, zonder afbreuk te doen aan de integraliteit.

  • In hoeverre binnen de eco-regelingen op bedrijfsniveau de integraliteit op een alternatieve manier (bijdrage aan alle duurzaamheidsdoelen) kan worden verbeterd.

  • De mate van innovatie van de samenstelling van het samenwerkingsverband. Zijn landbouwers aan zet, samen met bijvoorbeeld collectieven en/of andere (natuur)partijen in hun regio, en worden gezamenlijk hun innovatieve ideeën rondom de gebiedsgerichte opgaves uitgewerkt en toegepast?

Efficiëntie

Bij het criterium efficiëntie gaat het om het zo efficiënt (doelmatig) mogelijk uitvoeren van het project. Om dit te kunnen beoordelen wordt in het algemeen gekeken naar de verhouding tussen de input (geld, kennis, kunde, overige middelen) die wordt ingezet om de output (prestaties, resultaten) te kunnen realiseren. In samenhang worden de volgende aspecten bezien:

  • De operationele groep geeft in het voorstel aan dat het zich heeft georiënteerd op gelijksoortige projecten in Nederland en/of de EU, en maakt waar mogelijk bij de projectuitvoering gebruik van de uitwisseling en toepassing van kennis en ervaring.

  • Redelijkheid van kosten – staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie. Hoe is dit aannemelijk gemaakt?

  • Relevantie van de kosten – wordt de gevraagde bijdrage aan de juiste zaken besteed. Zijn alle begrote kosten wel strikt noodzakelijk voor het project?

  • Efficiënt gebruik van kennis, kunde en arbeid – in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut. Maakt de operationele groep voldoende gebruik van bestaande rapporten en evaluaties over de doorontwikkeling van de eco-regeling?

Regeldruk

De submodule EIP module 'eco-regelingen op bedrijfsniveau' volgt dezelfde uitvoeringssystematiek als de andere submodules van de EIP-regeling, waardoor de rekensom voor het berekenen van de regeldruk vergelijkbaar is. Voor de submodule EIP module 'eco-regelingen op bedrijfsniveau' is het openstellingsbudget in 2026, € 500.000,–. De gemiddelde projectomvang is ca. € 100.000,– Dit levert ongeveer 5 projecten op die gesubsidieerd kunnen worden. Per project wordt gerekend op 60 uur aan administratieve lasten, waarvan 50% door de aanvragers zelf en 50% door ingehuurde adviseurs. Hierbij wordt uitgegaan van een uurtarief van € 50,– voor eigen arbeid en € 78,– voor adviseurs. Dit komt neer op € (30*78 = 2.340 + 30*50 = 1.500) 3.840,– per project. De regeldruk bedraagt voor deze submodule (5*€ 3.840,–) 19.200/500.000. Uitgedrukt in een percentage is dit 3,8%. De regeldruk is naar verwachting lager indien de aanvrager gebruik maakt van de Vereenvoudigde Kostenoptie (VKO) voor het berekenen van arbeidskosten of voor overige kosten. Op basis van ervaringen met het beschikbaar stellen van VKO’s wordt de reductie van de administratieve lastendruk ingeschat op 15% (15% van 19.200 = 2.880). De totale regeldruk daalt hierdoor naar 3,3% (19.200–2.880 = 16.320/500.000*100).

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft besloten om geen formeel advies uit te brengen, omdat er geen of beperkte gevolgen zijn voor de regeldruk.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Met de wijziging van artikel 5.1.12a, tweede lid, wordt het maximum aantal leden van de adviescommissie GLB verhoogd van twaalf naar dertien leden. Vanwege de diversiteit aan thematische submodules binnen de EIP-regeling en de aantallen aanvragen die moeten worden beoordeeld door de leden van de adviescommissie, is het nodig om een extra lid toe te voegen om de benodigde expertise en menskracht te creëren om alle aanvragen tijdig en adequaat te kunnen beoordelen.

Artikel I, onderdeel B

Met de wijziging van artikel 5.6.1 worden vier begrippen aan de regeling toegevoegd, namelijk de begripsbepalingen van agrarisch collectief, ANLb, eco-regeling en SWOT analyse.

Een ‘agrarisch collectief’ is een begrip dat wordt gebruikt binnen het ANLb en is een organisatie die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer. Deze certificaten worden verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied het werkgebied van de organisatie is gelegen. Het ANLb wordt namelijk uitgevoerd door de provincies. Zij stellen daarom ook een eigen subsidieverordening vast. In de begripsomschrijving van ‘ANLb’ in artikel 5.6.1. wordt hiernaar verwezen.

Waar in deze regeling wordt gesproken over ‘eco-regeling’ wordt de Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving bedoeld uit paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023.

Een ‘SWOT analyse’ is een bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert.

Artikel I, onderdeel C

Met de wijziging van artikel 5.6.2 wordt een categorie toegevoegd die de doelstelling van de EIP eco-regelingen op bedrijfsniveau omvat. De duurzaamheidsdoelen, zoals vermeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel 9, komen uit de voorstellen voor het toekomstige GLB die op 16 juli 2025 zijn gepubliceerd door de Europese Commissie. De doelen komen grotendeels overeen met de doelen van de eco-regeling. Enkel de doelen diergezondheid en dierenwelzijn zullen worden toegevoegd aan het doelenkader van de eco-regelingen. Zo kunnen operationele groepen voorstellen doen voor maatregelen die binnen de werkwijze van de eco-regeling passen en een bijdrage leveren aan deze doelstellingen. Dit sluit aan bij de wensen van de boerenpraktijk om meer maatregelen in het kader van het GLB te financieren.

Hiernaast wordt een dertiende lid toegevoegd, waarin is opgenomen dat de samenstelling van de operationele groep voor de submodule EIP eco-regelingen op bedrijfsniveau moet bestaan uit ten minste twee landbouwers die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief en een agrarisch collectief. Deze samenstelling is belangrijk om te zorgen dat de ingediende projectvoorstellen breed toepasbaar zijn binnen de diverse Nederlandse landbouwpraktijk. Door zowel individuele landbouwers als een agrarisch collectief te betrekken, wordt een breed spectrum aan praktijkervaringen en bedrijfsmodellen ingebracht. De individuele landbouwers vertegenwoordigen het perspectief van ondernemers die zelfstandig(er) opereren. Het agrarisch collectief daarentegen brengt kennis en ervaring in vanuit gebiedsgerichte samenwerking en ecologisch beheer.

Artikel I, onderdeel D

In artikel 5.6.3, tweede lid, wordt een wijziging doorgevoerd ten behoeve van de subsidiabele kosten voor deze regeling. Investeringen zijn niet subsidiabel in het kader van deze subsidiemodule.

Artikel I, onderdeel E

Met de wijziging van artikel 5.6.4 worden de minimale en maximale hoogte van de subsidie vastgesteld. De totale subsidie bedraagt dus project minimaal € 25.000 en ten hoogste € 100.000. Met het minimumbedrag worden de hoeveelheid aanvragen beheersbaar gehouden voor de adviescommissie.

Artikel I, onderdeel F

Met de wijziging onder 5.6.5 wordt met het nieuwe vierde lid voor deze regeling de maximale realisatietermijn gewijzigd in één jaar.

Artikel I, onderdeel G

Bij het selecteren van de te ondersteunen projecten wordt gebruik gemaakt van de rangschikkingscriteria effectiviteit, haalbaarheid, efficiëntie en mate van innovatie. Bij de submodule G EIP Eco-regelingen op bedrijfsniveau worden hierbij respectievelijk de volgende wegingsfactoren gehanteerd: 4, 2, 1 en 3. De punten (0-5) per criterium bepalen in combinatie met de wegingsfactoren de score per project. Aanvragen voor subsidie worden afgehandeld van hoge naar lage score totdat het beschikbare budget is uitgeput. De adviescommissie beoordeelt de projectvoorstellen op de mate waarin het project bijdraagt aan de hieronder beschreven rangschikkingscriteria. Het is daarom van belang dat in het projectplan onderbouwd wordt hoe het project kan bijdragen aan de beleidsdoelen (effectiviteit), wat de kans is dat het plan uitgevoerd wordt zoals beoogd (haalbaarheid), of de begroting redelijk is (efficiëntie) en hoe innovatief het project is (innovatie).

Artikel I, onderdeel H

Met de wijziging van artikel 5.6.10 wordt er verder gespecificeerd welke informatie moet worden opgenomen in de aanvraag, het projectplan en het eindverslag bij de module EIP Eco-regelingen op bedrijfsniveau.

Op basis van het elfde lid wordt het certificaat van de gedeputeerde staten waaruit blijkt dat een agrarisch collectief daadwerkelijk deelneemt aan het ANLb bijgevoegd bij de aanvraag. Ook verklaren de landbouwers uit de operationele groep, die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief, dat zij geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief.

Bij de aanvraag moet aan de hand van een SWOT analyse de keuze voor de bijdragen op de doelstellingen worden toegelicht. Hiertoe moet een situatieschets worden gegeven van de huidige situatie in het gebied of sector. Deze schets kan vervolgens de keuze voor één of meerdere doelstellingen verklaren.

Het eindverslag moet een waardeberekening bevatten van de eco-regeling. De operationele groepen moeten een waarde onderbouwing per voorgestelde eco-regeling berekenen. Ook dienen operationele groepen toe te lichten hoe ze bij deze waarde zijn gekomen. De waarde van een eco-activiteit wordt vastgesteld op basis van de gemaakte kosten en gederfde inkomsten. Daarbij wordt gegarandeerd dat nooit meer wordt uitbetaald dan op basis van inkomensderving, daadwerkelijk gemaakte kosten en transactiekosten is toegestaan, nadat eventuele ongeoorloofde dubbele financiering van het te betalen subsidiebedrag is afgetrokken. Deze onderbouwing helpt bij het inschatten van het benodigde budget voor de agro-milieu- en klimaatacties onder artikel 10 van het voorstel van de Europese Commissie voor het GLB 2028-20344. Ten tweede geeft het de Technisch Economische Werkgroep en RVO (in samenwerking met een groep onafhankelijke experts van de WUR) inzicht in de onderliggende rekenmethodes. Vanuit de sector is de wens geuit om voor bepaalde maatregelen en eco-activiteiten ruimere vergoedingen mogelijk te maken, zodat er een sterker verdienmodel ontstaat voor het leveren van ecosysteemdiensten. De vergoeding voor eco-activiteiten moet echter wel in overeenstemming zijn met de afspraken in het kader van de ‘Agreement on Agriculture’ van de Wereld Handelsorganisatie (WHO), waarbij de toelaatbaarheid van verschillende vormen van subsidies wordt bepaald aan de hand van een boxensysteem (oranje, blauw, groen), op basis van hun invloed op de handel. Voor subsidies aan landbouwers voor milieu- en klimaatacties zoals de eco-regeling geldt dat deze toelaatbaar zijn als ze niet meer vergoeden dan de gederfde inkomsten en extra kosten van de door de overheid omschreven maatregelen. Dit is een belangrijk uitgangspunt van de subsidies die worden gefinancierd als onderdeel van het GLB, zowel nu als in de toekomst. Hiermee wordt gestreefd naar een voldoende eerlijke concurrentie tussen Europese boeren en ten opzichte van boeren in andere werelddelen, ondanks subsidies voor groene doelen.

Verder dient de operationele groep in het eindverslag uit te werken hoe de administratieve lasten voor landbouwers kunnen worden verlaagd. Denk hierbij aan een beschrijving hoe bijvoorbeeld het berekenen van de eco-premie wordt vergemakkelijkt of hoe het invullen van de Gecombineerde Opgave met de eco-regelingen versimpeld kan worden door te werken met maatregelen op bedrijfsniveau in plaats van perceelsniveau. Tot slot dienen operationele groepen een beschrijving te geven van de werkwijze van de eco-regelingen op bedrijfsniveau met daarbij aandacht voor hoe de eco-regelingen zich verhouden met beheerpakketten in het ANLb. Denk hierbij aan de jaarlijkse bedragen die per bedrijf worden ontvangen tegenover de hectare vergoeding in het ANLb alswel de relatie tussen beheerpakketten en eco-regelingen. Een belangrijke vraag hierbij is hoe mogelijke cumulatie kan worden voorkomen. Ook is het belangrijk om aan te tonen of de eco-regelingen door elke landbouwer kunnen worden uitgevoerd of dat tussenkomst van een agrarisch collectief nodig is voor de correcte uitvoering hiervan.

Artikel I, onderdeel I

Met de wijziging van artikel 5.6.11. wordt geregeld dat voor de submodule EIP eco-regelingen op bedrijfsniveau geen deelbetaling mogelijk is. Er is gekozen de mogelijkheid tot deelbetaling voor deze submodule uit te sluiten wegens de looptijd van één jaar voor het project.

Artikel II

In artikel II wordt de openstelling van de EIP-regeling onderdeel G inzake eco-regelingen op bedrijfsniveau geregeld. De openstellingsperiode is van 16 juni 2026 tot en met 16 juli 2026. Er is een bedrag van € 500.000,– beschikbaar.

Artikel III

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2026. Om samenloop met andere, per 1 april 2026 geplande, wijzigingen van de REES 2021 te voorkomen en daarnaast te voorzien in tijdige inwerkingtreding in verband met de beoogde openstelling wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten. Dit is het belang van zowel de begunstigden als de uitvoering.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen


X Noot
1

Een visie voor landbouw en voedsel – Samen de landbouw- en voedselsector van de EU aantrekkelijk maken voor de toekomstige generaties (COM (2025) 75)

X Noot
3

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034 – COM(2025) 560 final 2025/0241 (COD).

X Noot
4

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en De Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034 COM(2025) 560 final.


X Noot
1

Een visie voor landbouw en voedsel – Samen de landbouw- en voedselsector van de EU aantrekkelijk maken voor de toekomstige generaties (COM (2025) 75)

X Noot
3

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034 – COM(2025) 560 final 2025/0241 (COD).

X Noot
4

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en De Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028-2034 COM(2025) 560 final.

Naar boven