Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 9 maart 2026, nummer WBV 2026/1, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C7/32 Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

32. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan

32.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

32.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

32.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
32.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • Afrikaanse bevolkingsgroepen in het controlegebied van de Rapid Support Forces.

32.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C2/2.4 Vc

De IND merkt voor Sudan de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • politiek opposanten;

  • mensenrechtenactivisten;

  • personen die actief zijn in de journalistiek;

  • vrouwen en meisjes;

  • LHBTIQ+; en

  • Kanabi.

32.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
32.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, onderdeel 1° en 2°, Vw als bedoeld in paragraaf C2/3.3.2 Vc
32.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

32.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C2/2.4 Vc

De IND merkt voor Sudan de volgende groep aan als risicoprofiel:

  • humanitaire hulpverleners.

32.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3°, Vw als bedoeld in paragraaf C2/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Sudan aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de staten Khartoum, Noord-, Zuid-, West- en Centraal-Darfur, Kordofan en El Gezira.

De IND neemt voor Sudan aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de staten Oost-Darfur, Blauwe Nijl, Witte Nijl en Sennar.

De IND neemt voor Sudan aan dat in de staten Abyei, Noordelijke Staat, Nijl, Rode Zee, Gedaref en Kassala sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

32.5. Bescherming
32.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen, tenzij er individuele aanknopingspunten zijn op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.

32.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.

32.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Sudan geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

32.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 9 maart 2026

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

TOELICHTING

A

Op 1 december 2025 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een Algemeen ambtsbericht uitgebracht over de (veiligheids)situatie in Sudan. In de brief van 2 maart 2026 (kenmerk: 6793293) heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd dat het nieuwe ambtsbericht aanleiding is geweest om enkele wijzigingen door te voeren in het landgebonden asielbeleid voor Sudan (C7/32 Vc).

Op 15 april 2023 brak in Sudan een gewapend conflict uit tussen de Sudanese Armed Forces (hierna: SAF) en de Rapid Support Forces (hierna: RSF). Dit conflict heeft verstrekkende gevolgen voor de veiligheids-, mensenrechten- en humanitaire situatie. Op basis van de informatie uit het ambtsbericht zijn er aanpassingen verricht in paragraaf C7/32.4.2 Vc om de gradaties (‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’, ‘relatief hoger niveau van willekeurig geweld’ en ‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’) van het willekeurig geweld zoals bedoeld in paragraaf C2/3.3.3.3 Vc, op voornoemde staten van toepassing te achten.

De minister heeft besloten om voor de staat West-Darfur aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld gelet op, onder andere, het grootschalig gebruik van zeer ernstig geweld door de strijdende partijen, de fragiele veiligheidssituatie, de humanitaire situatie en het fors toenemende aantal geregistreerde dodelijke slachtoffers. Zo volgt uit het ambtsbericht dat de SAF grootschalige luchtaanvallen heeft gepleegd op onder meer burgerdoelen en humanitaire hulp heeft belemmerd. Voor de staten Khartoum, Noord-, Zuid- en Centraal-Darfur, Kordofan en El Gezira wordt onverminderd aangenomen dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.

Daarnaast heeft de minister besloten om voor de staten Oost-Darfur, Blauwe Nijl, Witte Nijl en Sennar aan te nemen dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld vanwege de fragiele veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden als gevolg van oorlogsmethodieken zoals uithongering door de strijdende partijen richting de burgerbevolking. Voor de overige staten in Sudan (Abyei, Noordelijke Staat, Nijl, Rode Zee, Gedaref en Kassala) wordt onverminderd aangenomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Naar aanleiding van onder andere het standpunt van de VN mensenrechtenraad dat de RSF diverse Afrikaanse bevolkingsgroepen tot doelwit van geweld maakt vanwege hun etniciteit, heeft de minister ook besloten om voor alle Afrikaanse bevolkingsgroepen die zich in het controlegebied van de RSF bevinden aan te nemen dat er sprake is van systematische blootstelling aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Dit is aangepast in paragraaf C7/32.3.1 Vc.

Uit het ambtsbericht blijkt verder dat niet alleen leden van de ‘Emergency Response Rooms’, maar ook andere hulpverleners het risico lopen op negatieve aandacht en gericht geweld door de strijdende partijen. Daarom is het risicoprofiel in paragraaf C7/32.4.1.2 Vc aangepast naar ‘humanitaire hulpverleners’.

Tot slot is er in paragraaf C7/32.3.2 Vc een nieuw risicoprofiel toegevoegd, omdat de minister voor onder meer de Kanabi heeft vastgesteld dat zij in de perceptie van de SAF loyaal zijn aan de RSF en daarom gevaar lopen gelet op, onder andere, het wraakgeweld van de SAF jegens de Kanabi.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de eerdergenoemde brief aan de Tweede Kamer.

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

Naar boven