Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 17 maart 2026, nummer WBV 2026/16, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf B11/2.5 Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

2.5 Beoordeling schrijnende situatie

Inleiding

De IND kan in de hieronder genoemde situaties een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen als sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen:

  • ambtshalve gelet op artikel 3.6ba Vb onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, Vb totdat de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag verblijfsvergunning asiel of aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden; of

  • namens de minister, op grond van zijn discretionaire bevoegdheid ontleend aan artikel 14, eerste lid, Vw als de vreemdeling bij zijn tweede en volgende aanvraag een met documenten onderbouwd verzoek indient om toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid.

B

Paragraaf B11/2.5.1 Vreemdelingencirculaire 2000 is nieuw toegevoegd en komt te luiden:

2.5.1. Verblijf conform artikel 3.6ba Vb (ambtshalve toets schrijnende situatie bij eerste aanvraag)

Geen ambtshalve besluit artikel 3.6ba Vb

De IND neemt geen ambtshalve besluit in de zin van artikel 3.6ba Vb als:

  • een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld op grond artikel 4:5 Awb, artikel 24, tweede lid, Vw of artikel 30c Vw;

  • op de vreemdeling de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is;

  • er een ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw of een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw is of wordt opgelegd;

  • een besluit tot signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf is of wordt opgelegd; of

  • de asielaanvraag is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw of de reguliere aanvraag is afgewezen op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid.

Omstandigheden en beoordeling

De IND maakt zeer terughoudend gebruik van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, Vb.

De IND verleent geen vergunning, als het samenstel van omstandigheden te zeer verband houdt met (één van) de in artikel 3.4, eerste lid, Vb genoemde beperkingen.

De IND verstaat onder bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3.6ba Vb in ieder geval dat omstandigheden individueel van aard zijn. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, kent de IND niet op voorhand een bepaald gewicht toe aan omstandigheden. Hoe omstandigheden meewegen in de beoordeling hangt af van het samenstel van aangevoerde omstandigheden.

De IND hanteert geen limitatieve opsomming van te betrekken omstandigheden. Bijzondere en individuele omstandigheden kunnen – onder meer – hun oorzaak vinden in:

  • (ernstige) medische problemen (van één of meerdere gezinsleden);

  • overlijden in Nederland van een gezinslid;

  • gendergerelateerde aspecten met name eerwraak en huiselijk geweld; of

  • traumatiserende ervaringen die in Nederland hebben plaatsgevonden.

De IND maakt alleen gebruik van deze bevoegdheid indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen.

Bij de beoordeling of sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden kent de IND een beperkt gewicht toe aan omstandigheden die zijn gerezen tijdens een periode van niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling.

Contra-indicaties

Bij de beoordeling worden contra-indicaties in het nadeel van de vreemdeling betrokken. In ieder geval worden de volgende contra-indicaties betrokken:

  • de vreemdeling wordt vervolgd of is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten;

  • aan de vreemdeling is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen;

  • de vreemdeling vormt een gevaar voor de nationale veiligheid;

  • identiteitsfraude of twijfel aan de identiteit van de vreemdeling dan wel andere vormen van fraude;

  • niet rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vw.

Het voorgaande laat onverlet de gebruikelijke afwijzingsgronden voor reguliere verblijfsvergunningen als bedoeld in artikel 16 Vw en paragraaf B1/4 Vc.

Advies

Indien de IND dit noodzakelijk acht voor een zorgvuldige beoordeling zal de IND onafhankelijk advies vragen omtrent voor de besluitvorming specifieke relevante aspecten. Dit geldt in het bijzonder wanneer kinderen met een specifieke problematiek bij de procedure zijn betrokken. De IND vraagt geen advies over de (algemene) vraag of sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen zoals bedoeld in artikel 3.6ba Vb.

C

Paragraaf B11/2.5.2 Vreemdelingencirculaire 2000 is nieuw toegevoegd en komt te luiden:

2.5.2. Verblijf conform discretionaire bevoegdheid minister artikel 14 Vw (toets schrijnende situatie bij tweede en volgende aanvraag)

Geen gebruik van de bevoegdheid artikel 14 Vw

De IND maakt geen gebruik van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen als sprake is van een van de situaties als genoemd in het onderdeel ‘Geen ambtshalve besluit artikel 3.6ba Vb’ van paragraaf 2.5.1.

Omstandigheden en beoordeling

De IND maakt zeer terughoudend gebruik van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, Vb. De IND maakt alleen gebruik van deze bevoegdheid indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die zich in Nederland voordoen.

Bij de beoordeling van een gemotiveerd en met documenten onderbouwd verzoek of er ten aanzien van de vreemdeling sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere en individuele omstandigheden geldt dat zeer gering gewicht toekomt aan omstandigheden die in Nederland zijn ontstaan na het onherroepelijk worden van de beslissing op de eerste verblijfsaanvraag. De vreemdeling was of had op de hoogte kunnen zijn van het feit dat hij geen aanspraak maakte op rechtmatig verblijf in Nederland.

Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, kent de IND niet op voorhand een bepaald gewicht toe aan omstandigheden. Hoe omstandigheden meewegen in de beoordeling hangt af van het samenstel van aangevoerde omstandigheden. De IND hanteert geen limitatieve opsomming van te betrekken omstandigheden.

De IND verstaat onder bijzondere omstandigheden in ieder geval niet als de vreemdeling:

  • stelt dat hij geworteld is in Nederland als gevolg van langdurig verblijf, al dan niet met een geldige verblijfstitel;

  • als asielzoeker is uitgeprocedeerd en asielgerelateerde gronden aanvoert;

  • stelt dat hij niet uit Nederland kan vertrekken; of

  • medische omstandigheden aanvoert.

Contra-indicaties

Bij de beoordeling worden in ieder geval de volgende contra-indicaties in het nadeel van de vreemdeling betrokken:

  • de vreemdeling wordt vervolgd of is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten;

  • aan de vreemdeling is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen;

  • de vreemdeling vormt een gevaar voor de nationale veiligheid;

  • identiteitsfraude of twijfel aan de identiteit van de vreemdeling dan wel andere vormen van fraude;

  • niet rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vw; en

  • niet meewerken aan terugkeer.

Het voorgaande laat onverlet de gebruikelijke afwijzingsgronden voor reguliere verblijfsvergunningen als bedoeld in artikel 16 Vw en paragraaf B1/4 Vc.

D

Paragraaf B11/3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

3.1 Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling’.

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.31 Vb aan de vreemdeling op wie artikel 13 besluit 1/80 van toepassing is, onder de beperking: ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’.

Op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16a VV verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten onder de beperking ‘verblijf conform beschikking staatssecretaris’.

Op grond van artikel 3.6ba, eerste lid Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’. De IND vermeldt bij de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf conform artikel 3.6ba Vb’ of het verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Als de IND dit niet aangeeft, is het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard.

Op grond van artikel 14, eerste lid, Vw verleent de IND de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf conform beschikking minister’. De IND vermeldt bij de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf conform beschikking minister’ of het verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Als de IND dit niet aangeeft, is het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard.

Op grond van artikel 3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16b VV verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk. Dit in verband met grenscontroles ten behoeve van het rechtstreekse treinverkeer op het traject tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

E

Paragraaf C1/7. Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

7. Ambtshalve toets

Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb.

Algemeen uitgangspunt is dat ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen slechts plaatsvindt in het kader van eerste aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel.

Bij een tweede of volgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND daarom niet ambtshalve of op verzoek aan:

  • artikel 3.6a Vb;

  • artikel 3.6b Vb; en

  • of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.

Bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND evenmin ambtshalve of op verzoek of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.

Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen.

Voor wat betreft de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb wordt verwezen naar paragraaf A3/7.2.3 Vc.

De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling al eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd.

Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning zoals bedoeld in paragraaf B8/6 Vc.

F

Paragraaf C6/8.2 Vc. Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor:

  • een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste en vijfde lid, Vb en de onder de in dit artikel genoemde beperkingen; of

  • uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie verder paragraaf C1/7 Vc onder ‘ambtshalve toets’).

Als er een zwaar inreisverbod is of wordt opgelegd, laat de IND de ambtshalve toets op grond van artikel 3.6a Vb achterwege, behoudens de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM. Zie hiervoor C1/7 Vc.

Bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND niet ambtshalve of op verzoek of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.

Daarnaast blijft bij het vervallen van de verleningsgrond de ambtshalve toets achterwege in de situatie wanneer de vreemdeling niet in Nederland verblijft.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 17 maart 2026

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

TOELICHTING

A–F

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 27 augustus 2025 uitspraak gedaan (kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:4130) in een zaak waarin door een vreemdeling in een opvolgende aanvraag een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ wegens schrijnende omstandigheden was aangevraagd.

Op grond van het in 2019 aangepaste artikel 3.6ba Vreemdelingenbesluit (Vb) is de discretionaire verleningsbevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister) in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) ingeperkt. De discretionaire bevoegdheid om te beoordelen of een verblijfsvergunning op grond van schrijnendheid kan worden verleend is sindsdien bij de hoofddirecteur van de IND komen te liggen. De IND toetst daarom tijdens de eerste aanvraagprocedure ambtshalve of sprake is van (onder meer) een schrijnende situatie, terwijl bij tweede of volgende aanvraagprocedures geen gebruik kan worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid in geval van schrijnendheid.

De Afdeling heeft echter bepaald dat ondanks voornoemde wijziging in het Vb de minister nog altijd over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat die bevoegdheid niet is ingeperkt en dat de minister die bevoegdheid nog steeds zelf kan uitoefenen. Om aan de uitspraak van de Afdeling te voldoen, wordt met het onderhavige WBV het beleidskader over het al dan niet gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid in tweede of volgende aanvragen vastgelegd in paragraaf B11/2.5.2 Vc.

Het uitgangspunt van het beleidskader voor tweede of volgende aanvragen is om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij hetgeen is geregeld in artikel 3.6ba Vb. Hieruit volgt dat zeer terughoudend gebruik zal worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid bij tweede of volgende aanvragen. Daarbij geldt nadrukkelijk dat zeer gering gewicht toekomt aan omstandigheden die in Nederland zijn ontstaan na het onherroepelijk worden van de eerste verblijfsaanvraag. Immers, in de eerste in Nederland ingediende aanvraagprocedure wordt in de meeste gevallen al ambtshalve beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie. Als de vreemdeling na afwijzing van de eerste in Nederland ingediende aanvraag toch in Nederland blijft, dan wel na zijn uitzetting naar Nederland terugkeert, komt dit in beginsel voor risico van de vreemdeling en kan dit dus niet leiden tot gebruik van de discretionaire bevoegdheid.

Paragraaf B11/2.5.2 Vc bevat daarnaast een opsomming van omstandigheden die samenhangen met een verblijfsdoel waarvoor een afzonderlijk beleidskader bestaat. In het kader van een beroep op de discretionaire bevoegdheid in opvolgende aanvragen worden deze omstandigheden niet als bijzonder aangemerkt. De vreemdeling kan deze omstandigheden aanvoeren binnen een aanvraag die ziet op dat specifieke verblijfsdoel. Alleen wanneer er sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden dat nadrukkelijk niet binnen een bestaand verblijfsdoel past en een schrijnende situatie oplevert, kan namens de minister toepassing worden gegeven aan de discretionaire bevoegdheid. Het is ook niet voldoende als de omstandigheden weliswaar bijzonder te noemen zijn, maar (in zijn algemeenheid) op meerdere vreemdelingen van toepassing te beschouwen zijn. De omstandigheden dienen daarom naast bijzonder ook individueel van aard te zijn.

Dit betekent dat de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden binnen een eerste aanvraag op een andere manier beoordeeld worden dan bij een tweede of volgende aanvraag het geval is bij een beroep op dezelfde omstandigheden. Zo is in paragraaf B11/ 2.5.2 Vc vastgelegd dat medische omstandigheden in een tweede of volgende aanvraag niet als bijzonder worden aangemerkt, terwijl bij een eerste aanvraag (ernstige) medische omstandigheden wel degelijk onderdeel uit kunnen maken van het samenstel van de te wegen bijzondere en individuele omstandigheden. Dit is gelegen in de praktijk dat binnen een tweede of volgende aanvraag aangevoerde omstandigheden waarvoor een zelfstandig beleidskader bestaat niet worden meegewogen in de beoordeling of sprake is van een schrijnende situatie.

Verder is in paragraaf C1/7. Vc toegevoegd dat de IND bij tweede of volgende aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel en bij intrekkingen asiel niet ambtshalve of op verzoek toetst aan de discretionaire bevoegdheid als bedoel in artikel 14, eerste lid, Vw. Afwijking van dit uitgangspunt zou ertoe kunnen leiden dat tweede of volgende aanvragen worden ingediend hoofdzakelijk of alleen om een ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen te bewerkstelligen. Hier is de asielprocedure uitdrukkelijk niet voor bedoeld.

Tot slot is in paragraaf B11/3.1 Vc vastgelegd onder welke beperking de verblijfsvergunning regulier op grond van schrijnendheid namens de minister verleend wordt.

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

Naar boven