Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2026, 7891 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2026, 7891 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies, investeringsvoorbereidingsprojecten en marktvalidaties van startups, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend in jaarlijkse openstellingen.
2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend vanaf 2 maart 2026 tot en met 31 december 2026.
3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.
4. Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1
1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, een totaal subsidieplafond van € 8,5 miljoen, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:
a. € 4,5 miljoen voor het ondersteunen van Nederlandse MKB-ondernemingen die zich richten op nieuwe activiteiten in opkomende en ontwikkelde markten;
b. € 4,0 miljoen voor het ondersteunen van Nederlandse MKB-ondernemingen die zich richten op nieuwe activiteiten in ontwikkelingslanden
2. Binnen elk van de subsidieplafonds bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, is maximaal € 0,5 miljoen beschikbaar voor aanvragen voor subsidieverlening voor marktvalidaties van startups.
3. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 gelden voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.
Dit besluit zal met de bijlage inclusief de annexen in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, namens deze, de waarnemend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, S. Collet
de Directeur-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen, M. Sweers
Economische groei en werkgelegenheid zijn onlosmakelijk verbonden met handhaving van de Nederlandse positie in de internationale handels- en investeringsstromen. Ruim 35% van ons inkomen wordt in het buitenland verdiend, handel bedraagt meer dan 85% van het BBP en levert 2,6 miljoen voltijdbanen op. De ambitie van overheid en bedrijfsleven is handhaving van de positie op ‘traditionele’ markten en versterking van de positie op ‘nieuwe’ markten. Het midden- en kleinbedrijf (MKB) is sterk afhankelijk van de binnenlandse markt en het is cruciaal dat ook zij kunnen internationaliseren en profiteren van groeikansen.
Onbekendheid met buitenlandse markten en de complexiteit daarvan vormen barrières die risico’s en kosten met zich meebrengen. Nederlandse MKB-ondernemingen kunnen daardoor kansen mislopen, mede omdat banken en investeerders het risico in bepaalde landen (opkomende markten) hoog inschatten en voorzichtig zijn met financieren en investeren. Dit terwijl er ondanks eventuele extra risico’s juist kansen zijn voor Nederlandse ondernemingen om bedrijfsactiviteiten uit te breiden naar het buitenland. Daarnaast bepaalt de omvang van de MKB-onderneming de financiële slagkracht van een onderneming om zich op nieuwe markten te begeven. Kleine ondernemingen hebben niet altijd de financiële middelen om hun product op een nieuwe markt te introduceren.
In het geval van ontwikkelingslanden kunnen deze Nederlandse ondernemingen een belangrijke en positieve impuls geven aan verdere lokale ontwikkeling. Export en investeringen kunnen een bijdrage leveren aan duurzame economische groei en lokale werkgelegenheid, aan overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en aan verbetering van lokale productiekracht.
De minister wil met het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 (hierna: subsidieprogramma of DHI), net als in het ‘Subsidieprogramma DHI 2019–2023’ en het ‘Subsidieprogramma DHI’ dat in 2024 en 2025 was opengesteld, de economische activiteiten van Nederlandse ondernemingen stimuleren die een bijdrage leveren aan het oplossen van bovengenoemde barrières, waardoor kansen gecreëerd worden om nieuwe activiteiten op nieuwe markten te ontplooien. Met het subsidieprogramma wordt een bijdrage geleverd aan de uitvoering van de SDG-agenda2.
Ook in deze subsidieprogramma periode zet de minister weer in om de drempels voor groene activiteiten te verlagen om zo meer groene banen en duurzame export te verwezenlijken. Dit betekent dat als ondernemingen kunnen aantonen dat de subsidiabele activiteiten groen zijn ze in aanmerking kunnen komen voor extra financiering (zie paragraaf 4.7).
Daarnaast wil de minister het subsidieprogramma uitbreiden met subsidie voor marktvalidaties waarmee startups een betere en snellere toegang kunnen krijgen tot nieuwe buitenlandse afzetmarkten (zie onderdeel d van paragraaf 4.4.). Juist voor startups geldt dat het vinden van de juiste product-marktfit een grote uitdaging is, zeker als het gaat om het buitenland. Ook andere knelpunten kunnen de marktentree belemmeren. Met een marktvalidatie kunnen technische, commerciële, economische of juridische knelpunten door middel van onderzoek worden weggenomen. In 2026 wordt voor marktvalidaties van startups maximaal € 1 miljoen gereserveerd binnen het totale beschikbare budget voor DHI, om te testen of het aan de voornoemde behoefte voldoet.
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:
een Nederlandse MKB-onderneming die zelfstandig subsidie aanvraagt of als penvoerder namens een samenwerkingsverband (bestaande uit projectpartners);
de landen waarmee Nederland een brede ontwikkelingsrelatie heeft, zoals vermeld op de RVO website3;
een buitenlandse organisatie die als gastheer optreedt voor een uit te voeren demonstratieproject, dan wel een investerende buitenlandse afnemer die overtuigd moet worden door middel van een haalbaarheidsstudie, dan wel een buitenlandse samenwerkingspartner waarmee een Nederlandse onderneming een investeringsproject wil opzetten, of een lokale (dat wil zeggen niet-Nederlandse) partij die over de noodzakelijke expertise beschikt om een marktvalidatie te faciliteren;
de Verordening (EU) 2023/2831 van de Europese Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 2023/2831);
land waar het project plaatsvindt, met dien verstande dat doelland slechts kan zijn:
• wat betreft aanvragers, statutair gevestigd in Europees Nederland: landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden en binnen het Koninkrijk der Nederlanden Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
• wat betreft aanvragers, statutair gevestigd op Aruba, Curaçao of Sint Maarten: landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden;
• wat betreft aanvragers, statutair gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius of Saba: landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden en binnen het Koninkrijk der Nederlanden Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
land waar export gerealiseerd kan worden als gevolg van het project;
de levering aan een buitenlandse afnemer van Nederlandse technologie, waarbij de door de aanvrager in Nederland aan de technologie toegevoegde eigen waarde de omvang van de export bepaalt;
Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
een onderneming behorende tot de bedrijfssector als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003, Pb 2003 L 124/36, betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;
Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
een in Nederland gevestigde entiteit met private rechtspersoonlijkheid die economische activiteiten verricht en die staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. ‘Economische activiteiten verrichten’ houdt in goederen of diensten op de markt aanbieden;
de landen vermeld op de DHI-landenlijst van de RVO website4;
een positieve bijdrage leverend aan minimaal één van de volgende aspecten, waarbij geldt dat de score op ten minste één van deze aspecten substantieel positief moet zijn en de score op de overige aspecten ten minste neutraal:
• Groei van de lokale werkgelegenheid;
• Duurzame overdracht van kennis en vaardigheden, technologie en innovatie;
• Het verbeteren van de lokale productiekracht van de betrokken lokale onderneming;
alle landen met uitzondering van Nederland en de ontwikkelingslanden;
de projectpartner in een samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband een subsidie aanvraagt. Als de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen;
een demonstratieproject, haalbaarheidsstudie, investeringsvoorbereidingsproject of marktvalidatie van startups;
een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit projectpartners met eigen private rechtspersoonlijkheid gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de projectpartners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt;
een innovatieve en technologie-gedreven MKB-onderneming die op zoek is naar een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel en (internationale) groeiambities heeft en die minder dan 10 jaar geleden is opgericht5.
product, aanpak of dienst.
Het subsidieprogramma heeft als doel om Nederlandse MKB-ondernemingen te ondersteunen bij het voorbereiden op export en investeringen in het buitenland. Het subsidieprogramma geeft mede invulling aan het beleid gericht op internationalisering van het Nederlandse MKB. Internationaal ondernemen is een belangrijk element in het streven naar duurzame economische groei in Nederland.
Het subsidieprogramma geeft tevens invulling aan de synergie tussen handel enerzijds en hulp anderzijds binnen de agenda van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, waarin stimulering van internationalisering van het MKB en bijdrage aan lokale en inclusieve economische groei samengaan. Met name voor ontwikkelingslanden geldt dat gezocht wordt naar ontwikkelingsrelevante economische activiteiten van het Nederlandse MKB dat daar marktkansen ziet.
De hoofddoelstelling van het subsidieprogramma is:
Het verhogen en versterken van het aantal Nederlandse ondernemingen dat succesvol internationaliseert door in een vroege fase te onderzoeken of een export-/investeringsproject haalbaar is of om te demonstreren dat een bepaalde technologie toepasbaar is of door knelpunten voor marktentree voor startups weg te nemen. Voor projecten in ontwikkelingslanden geldt dat hiermee tevens een positieve bijdrage wordt geleverd aan de lokale ontwikkeling van de landen waar deze internationaliseringen plaatsvinden.
Specifieke doelstellingen van het subsidieprogramma zijn:
– Het vergroten van het aantal Nederlandse ondernemingen dat zich (sterker) positioneert in nieuwe markten door het wegnemen van (financiële) knelpunten, als verdere stap in de internationalisering van deze ondernemingen;
– Het vergroten van de Nederlandse export;
– Het vergroten van de Nederlandse investeringen in het buitenland.
En via bovenstaande 3 doelstellingen tevens het leveren van een bijdrage aan duurzame lokale economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden, in de vorm van groei van de lokale werkgelegenheid, duurzame overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en verbetering van lokale productiekracht, in geval projecten in deze landen plaatsvinden.
Met het subsidieprogramma wil de minister Nederlandse MKB-ondernemingen ondersteunen en samenwerkingsverbanden namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt.
Een samenwerkingsverband bestaat uit twee of meer exporterende of investerende Nederlandse ondernemingen, waaronder ten minste één MKB-onderneming. De penvoerder moet een Nederlandse MKB-onderneming zijn en een substantieel aandeel in het project hebben.
Als er sprake is van een samenwerkingsverband, dan kunnen ook grotere ondernemingen (in de zin van niet-MKB) subsidiemiddelen verkrijgen, voor zover dit binnen dat samenwerkingsverband noodzakelijk is voor het MKB waarmee zij samenwerken, en als in die samenwerking het accent op het MKB ligt.
a. Alleen Nederlandse binnen het project exporterende en/of in het buitenland investerende (MKB-) ondernemingen, met substantiële activiteiten in Nederland, komen voor subsidie in aanmerking;
b. Voor de aanvrager en de projectpartners geldt dat de reguliere activiteiten en/of strategie van de aanvrager logisch aansluiten bij het project;
c. De aanvrager dient substantiële omzet te hebben gerealiseerd, waarbij de gemiddelde jaaromzet over de laatste 3 kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag ten minste € 100.000 bedraagt. Dit vereiste is niet van toepassing:
i. als de aanvrager een startup is die subsidie vraagt voor een marktvalidatie (paragraaf 4.4., onderdeel d); en/of
ii. als de technologie die in het buitenland op de markt wordt gebracht onafhankelijk gevalideerd is en wordt aangetoond dat de aanvrager externe financiering van rechtspersonen ontvangt waarmee de groei van de bedrijfsactiviteiten in het buitenland gefinancierd kan worden.
d. De aanvrager dient minimaal 3 FTE in Nederland in loondienst te hebben. Dit vereiste is niet van toepassing:
i. als de aanvrager aantoonbaar aannemelijk maakt dat de uitvoeringscapaciteit gewaarborgd is door middel van structurele inzet van ingehuurde zelfstandigen; en/of
ii. als de aanvrager aantoonbaar aannemelijk maakt de productie van de te exporteren technologie structureel uit te besteden aan externe Nederlandse producenten, en de continuïteit van de activiteiten is zowel tijdens het project als daarna gewaarborgd.
e. De aanvrager beschikt aantoonbaar over voldoende relevante kennis en ervaring om het project succesvol te kunnen uitvoeren en om de beoogde export of investering te kunnen realiseren.
f. De aanvrager maakt onderbouwd aannemelijk in staat te zijn de eigen bijdrage voor de uitvoering van het project en voor de beoogde export of investering te kunnen bekostigen.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de aanvrager een integriteitsbeleid6 hebben en procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om grensoverschrijdend gedrag, daaronder onder andere begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden, bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de projectpartners (als er sprake is van een samenwerkingsverband) en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
Als een aanvrager overweegt een aanvraag voor subsidie in te gaan dienen, dan zal er een verplicht adviestraject plaatsvinden aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/dhi.
Met de verwerking van een verzoek om advies is tot twee weken gemoeid. Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur aan de potentiële aanvrager. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als vervolgens besloten wordt om een aanvraag in te dienen, is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen wordt voldaan.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten die bijdragen aan één gezamenlijk doel.
Het project moet gericht zijn op het bereiken van de doelen in paragraaf 4.1. en betrekking hebben op activiteiten in niet meer dan één doelland, tenzij er valide overwegingen van effectiviteit of doelmatigheid zijn om activiteiten naar een naburig land uit te breiden.
Er kan subsidie worden aangevraagd voor de projecten a tot en met d:
a. Demonstratieproject
Het demonstreren van een door de aanvrager zelf ontwikkelde Nederlandse technologie in het doelland, waarbij de toegevoegde waarde van de technologie in een reële praktijksituatie in het doelland aan een brede groep potentiële afnemers wordt aangetoond en waarmee een knelpunt voor marktentree wordt weggenomen. Om de brede doelgroep te kunnen overtuigen worden de resultaten die uit de demonstratie voortkomen ook met de brede doelgroep gedeeld. Er is ten minste sprake van een werkend prototype, klaar voor commerciële toepassing.
b. Haalbaarheidsstudie
In een haalbaarheidsstudie onderzoekt een aanvrager voor de beoogde buitenlandse afnemer of een investering door deze afnemer in de te leveren technologie in het doelland technisch en/of commercieel haalbaar is. Het eindresultaat is een rapport om de afnemer te overtuigen de technologie van de exporteur aan te schaffen. Het is mogelijk om in één studie twee investeringen voor twee potentiële afnemers te onderzoeken als overwegingen van effectiviteit of doelmatigheid dat noodzakelijk maken. Een kleine test kan onderdeel uitmaken van het project als de situatie dat noodzakelijk maakt.
c. Investeringsvoorbereidingsproject
Een project dat wordt uitgevoerd door een aanvrager die de intentie heeft om te investeren in het buitenland. Met investeren wordt bedoeld dat in het doelland een nieuwe productie- of dienstenfaciliteit, niet zijnde een verkoopkantoor, wordt neergezet. De investering dient logischerwijze voort te vloeien uit de huidige activiteiten, core business en strategie van de Nederlandse onderneming. Het project kan een kleine test- of proefproductie bevatten als de situatie dat noodzakelijk maakt.
d. Marktvalidatie van startups
Een activiteit in de doelmarkt waarmee startups met een eigen, uitontwikkelde en bewezen effectieve technologie een concreet knelpunt voor het betreden van de nieuwe doelmarkt kunnen wegnemen. De marktvalidatie is een technische, commerciële, juridische en/of economische validatie van de technologie in de doelmarkt en kan elementen van een demonstratieproject, een haalbaarheidsstudie of een investeringsvoorbereidingsproject bevatten. De marktvalidatie wordt uitgevoerd in samenwerking met een lokale partij (een partij waarmee de aanvrager in samenwerking een project uitvoert, deze partij beschikt over de noodzakelijke expertise om de marktvalidatie te faciliteren). Het mag geen onderzoek en/of productontwikkelingsactiviteiten (met uitzondering van het testen van een prototype) of activiteiten gericht op promotie of verkoop betreffen.
In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:
– Onderzoek en productontwikkeling, met uitzondering van het testen van een prototype binnen een marktvalidatie van startups;
– Verkoop(gerelateerde)activiteiten, algemene promotionele activiteiten, activiteiten gerelateerd aan algemeen promotiemateriaal;
– Activiteiten gericht op algemeen marktonderzoek;
– Demonstratie van de betreffende technologie aan slechts één potentiële afnemer en/of op een beurs of tentoonstelling;
– Activiteiten die leiden tot een verlies aan arbeidsplaatsen in Nederland;
– Activiteiten die als export- of investeringsactiviteiten zijn aan te merken, waarbij moet worden gedacht aan:
• Projecten waarbij vooraf of tijdens het project een technologie aan de betrokken gastheer wordt verkocht;
• Projecten waarbij in het kader van een proefproductie al een aanzienlijke investering wordt gedaan;
– Leningen op revolverende financiering aan derde partijen.
Voorts wordt geen subsidie verleend voor steenkolenprojecten en voor de exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland, noch voor activiteiten op bestaande voorraden olie en gas, behalve daar waar sprake is van verbetering van de milieuprestatie en/of veiligheid en/of gezondheid en op voorwaarde dat de economische levensduur van de fossiele infrastructuur niet wordt verlengd.
De projecten in het kader van het subsidieprogramma moeten worden uitgevoerd binnen een maximale termijn van:
– 3 jaar voor een demonstratieproject;
– 2 jaar voor een haalbaarheidsstudie en investeringsvoorbereidingsproject;
– 1 jaar voor een marktvalidatie van startups.
Per aanvrager kan hoogstens sprake zijn van één DHI-subsidieverlening tegelijkertijd, dat wil zeggen dat gedurende de periode waarin een subsidieontvanger bezig is met de uitvoering van een onder het DHI-subsidieprogramma gesubsidieerd project, er geen andere subsidie onder dit subsidieprogramma wordt verleend. Voor marktvalidaties van startups geldt daarnaast dat per aanvrager maximaal twee keer per jaar subsidie kan worden verleend.
De subsidie bedraagt per aanvraag ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:
– € 200.000 voor demonstratieprojecten;
– € 100.000 voor haalbaarheidsstudies;
– € 100.000 voor investeringsvoorbereidingsprojecten.
– € 25.000 voor marktvalidaties van startups
In het geval van projecten, met uitzondering van marktvalidatie van startups, die positief uit de toets voor groene projecten komen geldt een subsidiepercentage van ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten, tot bovengenoemde maximale bedragen. Deze toets wordt verricht aan de hand van het Toetsingskader groene projecten opgenomen in Annex 2 bij deze beleidsregels.
Positief betekent dat de kernactiviteit bijdraagt aan één of meer van de in het Toetsingskader genoemde categorieën van vergroeningsdoelen en een substantiële bijdrage levert aan de betreffende vergroeningsdoelen, zonder daarbij – en goed onderbouwd – schade te berokkenen aan de andere categorieën.
Met kernactiviteit wordt bedoeld: de specifieke technologie die centraal staat in de aanvraag. Met de subsidie wordt een onderneming geholpen om een ‘technologie’ op een nieuwe markt te brengen. Die technologie, of de directe uitwerking ervan, moet vergroenend zijn, ten einde in aanmerking te kunnen komen voor het hogere subsidiepercentage en moet bijdragen aan de transitie naar een groeninclusieve toekomstbestendige economie.
Met substantieel wordt hier bedoeld: de bijdrage aan de vergroening moet centraal staan (of op z’n minst een grote rol spelen) bij de implementatie van de betreffende technologie, en mag niet slechts een beperkt neveneffect (bijvangst) zijn.
DHI-subsidies worden verstrekt onder de toepassing van de De-minimisverordening. Hiervoor geldt een maximaal drempelbedrag van € 300.000 voor 3 jaren per onderneming, waarbij een groep van ondernemingen gezien wordt als één onderneming. Vanaf 1 januari 2026 wordt de de-minimissteun in een verplicht (Europees) register opgenomen7. De de-minimisverklaring blijft wel als aanvraagvereiste gelden.
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de aanvrager zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Deze mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inclusief de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Een financiële bijdrage van derden (bijvoorbeeld van de buitenlandse klant of van een overheidspartij) in de kosten van het project leidt tot een even zo grote verlaging van het subsidiebedrag.
Ten aanzien van de met het project gemoeide kosten geldt dat er sprake moet zijn van minimaal € 50.000 aan subsidiabele kosten.
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
– voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd wordt geen subsidie verleend;
– voor kosten gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag wordt geen subsidie verleend;
– de subsidie mag enkel worden aangewend voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd en mag niet worden verpand;
– voor kosten voor projectmanagement, waaronder het opstellen van rapportages aan RVO, wordt geen subsidie verleend;
– voor personeelskosten voor deskresearch, zoals het raadplegen van openbare bronnen, wordt geen subsidie verleend;
– de interne kosten worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;
– kosten in het buitenland worden aan lokale maatstaven getoetst.
a. Personeelskosten: het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken expert(s) ten behoeve van het project hebben gemaakt vermenigvuldigd met € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. Hierbij geldt een maximum van € 700 per dag. Voor personeel in het buitenland kan een uurtarief naar lokale maatstaven worden vastgesteld tot ten hoogste € 87,50. Een expert is een medewerker (in dienst of in opdracht werkzaam) die over aantoonbare expertise beschikt op het onderdeel waarop deze in een project functioneel wordt ingezet, niet zijnde ondersteunende werkzaamheden en blijkend uit het cv.
b. Afschrijvingskosten van activa, met uitzondering van grond en bestaande gebouwen, gedurende de looptijd van het project. De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de aanschafprijs, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met eventuele aanpassingskosten. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:
○ Machines en installaties: 5 jaar;
○ Gebouwen: 30 jaar;
○ Software (geen eigen software): 3 jaar;
c. Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen maal de logies- en overige kosten conform de Tarieflijsten verblijfkosten buitenlandse dienstreizen8, geldend op de startdatum van het project.
d. Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten, waaronder internationale reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class. Waarbij geldt tot een maximum van 50% van de totale projectkosten voor wat betreft demonstratieprojecten, investeringsvoorbereidingsprojecten en marktvalidaties van startups en 25% voor wat betreft haalbaarheidsstudies. Voornoemde maximering geldt niet voor de kosten derden die bestaan uit personele kosten van met de aanvrager of projectpartner verbonden ondernemingen. Voor de inhuur van experts, bijvoorbeeld ZZP-ers, wordt een maximum uurtarief van € 87,50 gehanteerd.
Voor demonstratieprojecten geldt dat de kosten voor tijdbesteding in Nederland niet hoger mogen zijn dan de begrote kosten voor tijdbesteding in het buitenland.
Voor investeringsvoorbereidingsprojecten geldt dat de kosten voor tijdbesteding in Nederland en tijdbesteding in het buitenland samen maximaal € 75.000 mogen bedragen. Als er een proefproductie wordt uitgevoerd, kan hiervoor extra tijdbesteding worden begroot.
Voor de verschillende soorten projecten dient een begroting te worden aangeleverd conform het model opgenomen op de RVO website9.
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
– kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die ten behoeve van de indiening van de aanvraag zijn gemaakt;
– financieringskosten en rentevergoedingen;
– omzetbelasting;
– kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;
– kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom;
– kosten van eigen software van de aanvrager of projectpartner(s);
– kosten voor aanschaf van licenties en software, voor zover deze niet exclusief voor het project worden aangeschaft;
– kosten voor daadwerkelijke certificering van een technologie;
– kosten voor aanpassing van de betreffende technologie, voor zover deze niet specifiek zijn, niet direct gerelateerd zijn aan het doel van het project en daarvoor niet noodzakelijk zijn en niet in redelijke verhouding tot de totale projectkosten staan;
– kosten voor het ontwikkelen van trainingsprogramma’s;
– invoerheffingen.
De aanvraag wordt ingediend in de Nederlandse of Engelse taal met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/dhi beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde
bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.
De aanvraag bevat in ieder geval:
– Quickscancode van het ontvangen RVO-advies;
– Indien van toepassing: machtiging van projectpartners aan de penvoerder;
– Projectplan;
– Begroting met een hieraan aansluitend activiteitenplan;
– Ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring voor zowel de aanvrager als, in het geval van een samenwerkingsverband, de overige projectpartners;
– Voor een project in een ontwikkelingsland een bijlage over de ontwikkelingsrelevantie van het project;
– Voor haalbaarheidsstudies: een intentieverklaring van de buitenlandse potentiële afnemer;
– Voor demonstratieprojecten: een intentieverklaring van de gastheer als het demonstratieproject wordt uitgevoerd bij een externe organisatie die als gastheer optreedt;
– Voor investeringsvoorbereidingsprojecten: een intentieverklaring van een onderneming in het doelland als deze onderneming mede zal gaan investeren in het investeringsproject;
– Voor marktvalidatie van startups: een offerte of intentiebrief van de betrokken lokale partij;
– Indien van toepassing: ondertekende samenwerkingsovereenkomst die de medewerking van de projectpartners aan de uitvoering van het project en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen.
– Cv’s van de experts die onder de tijdbesteding Nederland en het buitenland worden opgevoerd;
– De meest recente (indien aanwezig goedgekeurde) jaarrekening van de aanvrager10.
De aanvrager verklaart dat hij op de hoogte is van, en zal handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen11. Dit betekent dat er gepaste zorgvuldigheid (due diligence) wordt toegepast in overeenstemming met deze richtlijnen om (potentiële) negatieve effecten op mens en milieu in eigen activiteiten en de waardeketen te identificeren en waar nodig aan te pakken, en hier transparant over te communiceren. Ook wordt verklaard dat er geen activiteiten worden ondernomen die op de FMO-uitsluitingenlijst12 staan.
Na het indienen van de aanvraag kan de aanvrager worden gevraagd een MVO-zelfscan in te vullen13. Dit is een korte vragenlijst die inzicht biedt in de stappen van gepaste zorgvuldigheid en de toepassing hiervan door de onderneming. RVO kan naar aanleiding van de ingevulde MVO-zelfscan contact opnemen.
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. De kans dat de aanvraag dan moet worden afgewezen in verband met uitputting van de beschikbare subsidiemiddelen neemt in dit geval wel toe.
Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Als onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.
De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij het moment geldt waarop de aanvraag is ontvangen dan wel in geval waarin om aanvulling is gevraagd (zie paragraaf 6.2) het moment waarop de aanvulling is ontvangen. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Als blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere complete aanvragen op volgorde van binnenkomst worden beoordeeld. Mochten op één zelfde tijdstip binnengekomen aanvragen in geval van toekenning de voor de betreffende openstelling beschikbare middelen overtreffen, dan wordt de volgorde van behandeling bepaald door middel van loting.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in hoofdstuk 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de hierna volgende criteria.
1. Criteria voor demonstratieprojecten
a. Er is sprake van een introductie van een eigen technologie van de betrokken Nederlandse onderneming(en) op een voor de onderneming nieuwe doelmarkt.
b. De technologie is uitontwikkeld; Technology Readiness Level 8 of 914.
c. Het lukt de onderneming(en) niet of niet op korte termijn om zonder overheidsondersteuning de nieuwe markt te betreden door onbekendheid met die betreffende buitenlandse markten en de complexiteit daarvan.
d. De inzet van de demonstratie is dat de toegevoegde waarde van de technologie in een reële praktijksituatie in het doelland wordt aangetoond aan een brede groep potentiële afnemers, niet zijnde consumenten.
e. De omvang en duur zijn niet groter dan noodzakelijk om de toegevoegde waarde van de technologie aan te tonen.
f. Er is sprake van een noodzaak om de technologie in het land te demonstreren om deze te kunnen introduceren.
g. Er wordt voldoende bijgedragen aan de positionering van de betreffende Nederlandse onderneming(en) in het land.
h. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is dat binnen 3 jaar na uitvoering van de demonstratie de betrokken Nederlandse onderneming(en) (gezamenlijk) export met een omvang van ten minste tienmaal het subsidiebedrag zal/zullen realiseren, of in het geval van projecten in ontwikkelingslanden met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag.
2. Criteria voor haalbaarheidsstudies
a. Een buitenlandse potentiële afnemer moet door middel van een studie overtuigd worden dat de beoogde investering in Nederlandse technologie technisch en/of commercieel in het land haalbaar is. Deze afnemer geeft door middel van een intentieverklaring aan dat er een voornemen bestaat tot samenwerking met de betrokken Nederlandse onderneming(en) bij de totstandkoming van de investering.
b. Vóór aanvang van de studie bestaat voldoende duidelijkheid over de omvang van de markt, de beoogde opzet van de investering, de locatie, de exploitatie, de financiering en de lokale impact. De studie heeft als doel om de details rond de voorgenomen investering helder te krijgen. In de studie wordt de beoogde investering ontworpen op hoofdlijnen (basic design).
c. De technologie is uitontwikkeld’; Technology Readiness Level 8 of 9.
d. De studie resulteert in een rapport in de vorm van een businessplan of een projectplan, op basis waarvan de buitenlandse potentiële afnemer een investeringsbesluit kan nemen.
e. Er is een noodzaak dat de betrokken Nederlandse onderneming(en) een haalbaarheidsstudie uitvoert/uitvoeren waarmee de buitenlandse potentiële afnemer in staat wordt gesteld een investeringsbesluit te nemen.
f. Onderbouwd en aannemelijk is gemaakt dat de beoogde investering leidt tot export van Nederlandse technologieën door de betrokken Nederlandse onderneming(en) met een omvang van ten minste tienmaal het subsidiebedrag, of in het geval van studies in ontwikkelingslanden met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag.
3. Criteria voor investeringsvoorbereidingsprojecten
a. Het project moet worden uitgevoerd door de betrokken Nederlandse onderneming(en) om duidelijk te krijgen dat de voorgenomen investering technisch en/of commercieel haalbaar is met een duidelijk plan van aanpak en gedefinieerde uitgangspunten.
b. Vóór aanvang van het project bestaat voldoende duidelijkheid over de omvang van de markt, de beoogde opzet van de investering, de locatie, de exploitatie, de benodigde financiering en de lokale impact. Het project heeft als doel de details rond de voorgenomen investering nader helder te krijgen of te valideren. Tijdens het project worden de grootste risico’s voor de investering onderzocht en worden de uitgangspunten gevalideerd.
c. De uitkomst van het project is een rapport met bevindingen van het onderzoek die relevant zijn voor het te nemen investeringsbesluit. Als een proefproductie deel uitmaakt van het project is een beschrijving van de uitvoering en de conclusies voor de voorgenomen investering opgenomen in het rapport.
d. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is, dat als de voorgenomen investering haalbaar blijkt, de aanvrager binnen 3 jaar na uitvoering van het project de aanvrager een investering in het doelland zal doen met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag.
e. De beoogde investering heeft een positieve substantiële impact op de Nederlandse aanvrager en daarmee op de Nederlandse economie.
4. Criteria voor marktvalidaties van startups
a. Er sprake is van een introductie van een eigen zelf ontwikkelde technologie van de betrokken onderneming(en) op een voor de onderneming nieuwe doelmarkt.
b. De technologie is uitontwikkeld; Technology Readiness Level 8 of 9.
c. Overheidsondersteuning is nodig om een of meer concrete knelpunten voor marktentree op de doelmarkt weg te nemen, niet zijnde de consumentenmarkt.
d. De marktvalidatie heeft betrekking op het testen, onderzoeken of aantonen van de technische, commerciële, juridische en/of economische haalbaarheid van de technologie in de doelmarkt, niet zijnde activiteiten gericht zijn op productontwikkeling of op marketing/verkoop.
e. De marktvalidatie wordt uitgevoerd in samenwerking met een lokale partij die over de noodzakelijke expertise beschikt om de marktvalidatie te faciliteren. Voor de inzet wordt een offerte of intentiebrief aangeleverd.
f. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is dat binnen 3 jaar na de marktvalidatie de betrokken Nederlandse onderneming(en) export naar de doelmarkt of investeringen in het doelland met een omvang van minimaal 5 maal het subsidiebedrag zal/zullen realiseren.
5. Beleidsmatige criteria voor alle aanvragen
a. Onbekendheid met de buitenlandse markt. Aanvrager is niet eerder commercieel actief geweest op de doelmarkt. Als dit wel het geval is, moet de aanvrager overtuigend hebben gemotiveerd dat er sprake is van risico’s die veroorzaakt worden door complexe omstandigheden waardoor subsidie noodzakelijk is om de vervolgstap op de markt te kunnen zetten.
b. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is dat er een rechtvaardiging is voor het ontvangen van overheidsondersteuning en dat het project noodzakelijk is om de buitenlandse markt te kunnen betreden.
c. In het geval van de uitvoering van een project in ontwikkelingslanden moet het project substantieel ontwikkelingsrelevant zijn.
d. Het project mag geen negatief effect hebben op de Nederlandse economie en/of werkgelegenheid in Nederland.
e. Onderbouwd aannemelijk is gemaakt dat na de projectperiode de doelmarkt de betreffende technologie kan bekostigen/financieren, dan wel dat de uiteindelijke investering gefinancierd kan worden.
6. Criteria ter beoordeling van de beoogde uitvoering van een project voor alle aanvragen
a. De uitvoering moet voldoen aan de volgende vereisten:
– Doelstellingen, knelpunten en beoogde resultaten zijn voldoende duidelijk, reëel, meetbaar en tijdgebonden.
– Het projectplan en het activiteitenplan zijn voldoende duidelijk, logisch en gespecificeerd.
– Voor de uitvoering worden slechts experts betrokken die aantoonbaar over voldoende, relevante en specifieke kennis en ervaring beschikken en die noodzakelijk zijn om het project succesvol uit te voeren.
– Het project is lokaal geborgd, dan wel zijn er lokaal maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat het project succesvol wordt opgezet en uitgevoerd.
– De projectbegroting moet voldoen aan redelijkheid en noodzakelijkheid.
– Het projectplan dient een adequate risicoanalyse en adequate mitigerende maatregelen te bevatten.
b. Het project is in overeenstemming met de IMVO richtlijnen15 en beschreven is dat het project geen negatieve effecten heeft op onderwerpen als milieu, arbeidsomstandigheden en land- en mensenrechten.
c. De belangrijkste IMVO risico’s zijn in kaart zijn gebracht en er zijn maatregelen geformuleerd om de belangrijkste IMVO risico’s te mitigeren. Als enkele project specifieke MVO onderwerpen bij aanvraag nog onzeker zijn dan moeten deze minimaal onderdeel te zijn van de studie.
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden.
RVO kan de ambassade vragen om deel te nemen aan de beoordeling van de aanvragen. RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts.
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of als de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend zijn.
Aanvragen ten behoeve van transacties in een land waarop een sanctieregime van de Veiligheidsraad en/of van de Europese Unie van toepassing is, zullen met extra zorg beoordeeld worden. In geen geval mag de beoogde transactie leiden tot overtreding of ontduiking van de sancties of tot ondergraving van het Nederlandse beleid ten aanzien van het onder sancties vallende land. Het VR- en EU-sanctiebeleid wordt – uiteraard – in alle gevallen gehandhaafd. Vigerend exportbeleid en restricties die hieruit voortvloeien, zoals betreffende export van strategische goederen, worden in alle gevallen gehandhaafd.
Subsidie kan ook worden geweigerd als verstrekking niet verenigbaar is met kenbaar Nederlandse beleid op het gebied van de buitenlandse betrekkingen, de buitenlandse handel en de ontwikkelingshulp, zie artikel 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken16.
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.
In de subsidieverleningsbeschikking zal in ieder geval worden opgenomen dat de subsidieontvanger de plicht heeft om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren.
Ook wordt als subsidieverplichting opgenomen dat de subsidieontvanger en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik mogen maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid17, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze organisaties onverwijld te melden bij RVO.
Subsidieontvangers moeten signalen of omstandigheden die duiden op betrokkenheid bij een schending van de OESO-richtlijnen onmiddellijk melden aan RVO, waaronder schendingen van mensenrechten of significante milieuschade. Wanneer over een subsidieontvanger een melding is (of wordt) ingediend bij het Nederlandse Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen, moeten subsidieontvangers dit melden bij RVO en medewerking verlenen aan het NCP.
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4% bedraagt.
De gekozen methodiek voor het soort projecten is de resultaatketen. Deze fungeert tevens als basis voor de monitoring en evaluatie. De resultaatketen beschrijft de logische stappen tussen de input van het project en korte- en langetermijneffecten die ermee worden beoogd. De resultaatketen bestaat uit de volgende hieronder beschreven afzonderlijke stappen.
|
Inputs |
Activiteiten |
Immediate outcomes |
Outcomes |
Impact |
|---|---|---|---|---|
|
Financiering (subsidie) Tijdinvestering Posten en Bedrijven |
Projectwerving Projectselectie Project ondersteuning Project subsidiëring Monitoring- en Effectmeting Verantwoording |
Afgeronde DHI-projecten, resulterend in: – Nieuwe contacten (partners, klanten) – Meer marktkennis (marktvraag, zaken doen) – Betere positionering (heldere business case) – Hogere investerings-bereidheid |
Succesvolle marktintroductie in het doelland, resulterend in: – Marktdifferentiatie – Toename export uit Nederland – Investeringen in het doelland – Capaciteitsopbouw – Werkgelegenheid |
Hoger duurzaam verdienvermogen Nederlandse private sector Private sectorontwikkeling (SDG 8), Armoedebestrijding (SDG 1) in doellanden |
|
Categorie vergroeningsdoel |
Nadere definiëring |
|---|---|
|
1. Beperking van (de snelheid van) klimaatverandering |
Het voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. |
|
2. Aanpassing van de effecten van klimaatverandering |
Het voorbereiden op, en maatregelen nemen tegen de risico’s danwel reeds zichtbare veranderingen die samengaan met een veranderend klimaat en het preventief / anticiperend aanpassen danwel weerbaar maken van de (gebouwde) omgeving daaraan. |
|
3. Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen |
Het behoud en/of verbeteren van voldoende en kwalitatief goed oppervlakte- en grondwater en zeewater als ook het in stand houden van een goed functionerend waterstroomgebied en mariene systeem. |
|
4. Transitie naar een circulaire economie |
Het versterken van het sluiten van kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en systeemdenken centraal staat. |
|
5. Preventie en bestrijding van vervuiling |
Maatregelen of de inzet van technologieën ter preventie of bestrijding van vervuiling van lucht, bodem, grond- en oppervlaktewater (land en zee), licht en geluid. |
|
6. Bescherming en herstel van biodiversiteit en ecosystemen |
Het beschermen en herstellen van biodiversiteit en ecosystemen op grote schaal. |
Indien de onderneming recent is opgericht en er nog geen jaarrekening beschikbaar is, voldoet de openingsbalans of een actueel overzicht uit de boekhouding met balansgegevens.
Als RVO al in het bezit is van een geldige MVO-zelfscan van de Nederlandse onderneming(en) of als het project naar verwachting niet wordt verleend, zal deze zelfscan niet (nogmaals) worden opgevraagd
In het bijzonder internationale raamwerken zoals de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights en Europese IMVO- en gerelateerde wet- en regelgeving zoals CSDDD, ontbossingsverordening, dwangarbeidverordening, conflictmineralenverordening, enzovoorts.
Elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.
Indien de onderneming recent is opgericht en er nog geen jaarrekening beschikbaar is, voldoet de openingsbalans of een actueel overzicht uit de boekhouding met balansgegevens.
Als RVO al in het bezit is van een geldige MVO-zelfscan van de Nederlandse onderneming(en) of als het project naar verwachting niet wordt verleend, zal deze zelfscan niet (nogmaals) worden opgevraagd
In het bijzonder internationale raamwerken zoals de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights en Europese IMVO- en gerelateerde wet- en regelgeving zoals CSDDD, ontbossingsverordening, dwangarbeidverordening, conflictmineralenverordening, enzovoorts.
Elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-7891.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.