Kennis in Actie Economische transitie: de kosten en baten van (n)iets doen, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Subsidieoproep

2026

Inhoudsopgave

1

Inleiding

1.1

Achtergrond

2

Doel

2.1

Doelstelling van de subsidie

2.2

Van analyse naar actie: Kennis-in-Actie Agenda

3

Voorwaarden voor aanvragers

3.2

Wie kan aanvragen

3.3

Het opstellen en indienen van het voorstel

3.4

Indieningsvoorwaarden

3.5

Subsidievoorwaarden

4

Beoordelingsprocedure

4.1

Procedure

4.2

Criteria

5

Subsidieverplichtingen

5.1

Start van het project

5.2

Monitoring en projectbeheer

5.3

Aanvullende voorwaarden

6

Contact en overige informatie

6.1

Contact

6.2

Overige informatie

1 Inleiding

In dit document lees je hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieoproep ‘Kennis in Actie – Economische Transitie: de kosten en baten van (n)iets doen. Deze subsidieoproep valt onder de verantwoordelijkheid van het Klimaatonderzoek Initiatief Nederland (KIN) – een regieorgaan van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Je vindt in deze subsidieoproep achtereenvolgens informatie over het doel van deze oproep (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor het subsidievoorstel (hoofdstuk 3) en hoe je voorstel wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heb je nodig om een voorstel voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vind je de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing. In hoofdstuk 6 staan de contactgegevens.

1.1 Achtergrond

1.1.1 Het KIN – Samen transities versnellen

Het KIN verbindt, verbreedt, verdiept en ontsluit kennis voor transities naar een klimaatneutrale en klimaatbestendige samenleving.

Om Nederland klimaatneutraal en klimaatbestendig te maken is systeemverandering noodzakelijk. Overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen voelen de urgentie van verandering, maar missen vaak de juiste kennis en het handelingsperspectief om échte transformatie teweeg te brengen. Het KIN is opgericht om daar verandering in te brengen. Door bestaande wetenschappelijke en praktijkkennis optimaal in te zetten, de onderlinge uitwisseling van kennis te bevorderen en nieuwe kennis te ontwikkelen voor de meest urgente en relevante klimaatvraagstukken, dragen we eraan bij dat iedereen de juiste puzzelstukken in handen krijgt om de nodige transities te versnellen.

Het KIN streeft ernaar dat klimaatverandering zo snel mogelijk wordt afgeremd (mitigatie), dat we de maatschappij helpen de benodigde aanpassingen te maken (adaptatie), en dat we bijdragen aan een rechtvaardige, mondiaal duurzame samenleving. De maatschappelijke transities die hiervoor nodig zijn, noemen we klimaattransities.

Lees meer over de missie en ambitie van het KIN in het KIN oprichtingsdocumenten op de KIN website.

1.1.2 Transitie vraagt meer dan een oplossing

Klimaattransities vragen om veranderingen in onze manier van leven die nodig zijn om klimaatverandering tegen te gaan, en de samenleving weerbaar te maken tegen de gevolgen van een veranderend klimaat. Klimaattransities zijn complex en vragen om een systemische blik.

Systemische blik bij klimaattransities

Een systeem bestaat uit verschillende elementen die met elkaar verbonden zijn. Het zijn juist deze onderlinge verbindingen die bepalen hoe het systeem als geheel functioneert. In de maatschappij ontstaan rond specifieke functies vaste structuren, culturen en werkwijzen die samen een systeem vormen. Deze systemen hebben meestal een lange geschiedenis. De structuren, culturen en werkwijzen zijn vaak ontstaan vanuit historische behoeften, urgentie of ambities – zonder dat er destijds werd nagedacht over negatieve gevolgen voor het klimaat, de biodiversiteit of mondiale rechtvaardigheid. Wil je klimaatverandering daadwerkelijk adresseren, dan zijn fundamentele veranderingen nodig in hoe we denken, werken en organiseren.

Met een systemische blik bedoelen we een manier van observeren, onderzoeken en redeneren die een (maatschappelijk deel-) systeem als geheel in acht neemt met alle verschillende processen, omstandigheden en actoren die daarbij horen. Verschillende elementen binnen een systeem moeten namelijk veranderen om het systeem als geheel te laten veranderen.

De nodige klimaattransities gaan dus veel verder dan alleen technologische verbetering zoals efficiëntere energieopwekking. Ze vereisen dat ook ingesleten structuren, culturen en werkwijzen rondom bijvoorbeeld wetgeving, gedrag en financiën mee veranderen. Met afzonderlijke maatregelen zoals alleen technische oplossingen wordt veelal te weinig effect bereikt, waardoor de lange termijn klimaatdoelstellingen niet behaald worden. Sterker nog: ze kunnen indirect zelfs nieuwe problemen veroorzaken.

Systemen bestaan uit vele elementen met onderlinge dwarsverbanden en terugkoppelingen (feedbackloops). Dit maakt de dynamiek ervan onzeker en niet volledig stuurbaar. Hierdoor is het vaak niet direct duidelijk hoe je systeemverandering kunt bewerkstelligen of versnellen. Daarnaast houden mensen en organisaties van nature vast aan bestaande structuren, routines en gewoonten en kan noodzakelijke systeemverandering ingaan tegen de belangen van gevestigde structuren.

Kennis-in-Actie aanpak

Transities naar rechtvaardige duurzaamheid vereisen een fundamenteel andere manier van onderzoek doen. Vanuit haar missie en kernwaarden zet KIN daarom in op transdisciplinair onderzoek dat samen met de praktijk alternatieven verkent voor onrechtvaardige en niet-duurzame systemen.

Rechtvaardigheid en duurzaamheid kennen geen eenduidige definities of oplossingen. Ze zijn contextafhankelijk, worden mede bepaald door de betrokkenen, en veranderen door voortschrijdend inzicht. Dit betekent dat er geen kant-en-klare recepten bestaan voor de gewenste transities.

De route naar systemische klimaattransities staat niet van tevoren vast – het is een proces van zoeken, leren en experimenteren. Transdisciplinair samenwerken1 gericht op transities draait daarom vooral om de kwaliteit van het proces zelf. Het stelt hoge eisen aan de gedrevenheid, transparantie, maar ook reflexiviteit en bescheidenheid van alle betrokken partijen.

Dit vraagt om een vernieuwende aanpak die ruimte biedt voor het gezamenlijk identificeren van de gewenste richting van transities. Samenwerking tussen verschillende actoren is hierbij essentieel – denk aan onderzoekers uit verschillende disciplines en professionals van maatschappelijke organisaties of bedrijven die in de praktijk werken aan transities. Door te werken aan het onderzoeken, verkennen en versnellen van gewenste transities ontstaat nieuwe, relevante en bruikbare kennis.

Deze aanpak vereist het formuleren van daaraan gerelateerde onderzoekende vragen en het transparant financieren en ondersteunen van transitiegerichte onderzoeksprojecten. Hierbij hoort ook het waarderen van verschillende vormen van kennis, het definiëren van nieuwe rollen voor onderzoekers, en het faciliteren en financieren van zowel onderzoekers als maatschappelijke actoren. Het doel is verschillende perspectieven en expertises samen te brengen om nieuwe inzichten, kennis en acties te ontwikkelen vanuit samenwerken aan transities.

1.1.3 Rechtvaardige klimaattransities

Het KIN werkt aan het versnellen van transities naar een klimaatneutrale en klimaatbestendige wereld op een rechtvaardige manier. Dat vraagt om een inclusief proces dat op gelijke wijze rekening houdt met de belangen, behoeften, risico’s, mogelijkheden, kansen en beperkingen van iedereen en alles – menselijk en niet-menselijk – met erkenning van het verleden, het heden en de toekomst.

Voor KIN is klimaatrechtvaardigheid een belangrijke voorwaarde. Met klimaatrechtvaardigheid bedoelt KIN het waarborgen van eerlijkheid bij het voorkomen, aanpakken en herstellen van de gevolgen van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ecologische ontwrichting. Dit is belangrijk omdat het gaat over ‘zoveel mogelijk recht doen aan alle mensen, dieren en natuur’ maar ook omdat de klimaattransities niet gaan lukken als deze niet rechtvaardig worden aangepakt door gebrek aan draagvlak bij de samenleving. Het doel is niet om een perfecte rechtvaardigheid te bereiken, maar om ongewenste ongelijkheden te verminderen en te voorkomen dat klimaattransities de kloof vergroot.

1.1.4 De vraag achter de vraag

KIN identificeert voortdurend urgente vraagstukken en transitieopgaven uit de praktijk. Vaak zit er veel meer achter deze vragen dan in eerste instantie verwacht. Om deze complexe transitieopgaven te kunnen duiden, faciliteerde het KIN voor het thema ‘Economische Transitie: de kosten en baten van (n)iets doen’ analyses met een systemische en rechtvaardigheidsblik. Hiervoor vonden transitiegesprekken en sessies plaats waarin experts uit wetenschap, praktijk, en beleid samen de praktijk en bestaande kennis analyseerden.

  • Wat zijn de alternatieven wanneer verbeteren en innoveren niet meer volstaan?

  • Welke niet-duurzame en onrechtvaardige elementen in het huidige systeem maken transitie noodzakelijk of onvermijdelijk?

  • Wat houdt transitie tegen en de huidige situatie in stand?

  • Welke gewenste alternatieven en onderzoeksvragen moeten worden onderzocht om de gewenste verandering dichterbij te brengen?

Tijdens dit proces werden koplopers, plekken en ideeën geïdentificeerd die al richting geven aan de gewenste situatie, evenals de barrières en hefbomen die er zijn. Dit leidde tot gerichte oplossingsrichtingen, onderzoekende vragen, en transitieleerdoelen die samen zijn gevat in een Kennis-in-Actie agenda (zie paragraaf 2.2). Deze agenda vormt de thematische afbakening voor deze subsidieoproep. Per subthema van deze agenda kunnen projectvoorstellen worden ingediend.

1.1.5 Beschikbaar budget

Het subsidieplafond voor deze subsidieoproep bedraagt in totaal € 800.000. Het beschikbare subsidieplafond per subthema is € 100.000. Aanvragers kunnen voorstellen van maximaal € 50.000 indienen voor één van de subthema's.

1.1.6 Indieningsdeadline(s)

Bij het indienen van je voorstel in ‘ISAAC’, het online aanvraagsysteem van NWO-KIN, dien je ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze subsidieoproep met het indienen van jouw voorstel. Voorstellen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.

De deadline voor het indienen van voorstellen is dinsdag 14 april 2026, voor 14:00:00 CEST.

2 Doel

KIN wil via haar programma's kennis en wetenschap mobiliseren voor transities die Nederland klimaatneutraal en klimaatbestendig maken. Dit vereist fundamentele en duurzame maatschappelijke veranderingen die rechtvaardig zijn voor iedereen. Om dit te bereiken, is een nauwe samenwerking tussen wetenschap en praktijk essentieel, gericht op concrete kennis- en transitieopgaven.

Ondernemers, ondernemende burgers, creatieve professionals, actieonderzoekers en ondernemende ambtenaren spelen een cruciale rol. Deze pioniers experimenteren vaak al met gewenste alternatieven op kleine schaal en brengen veel ervaringskennis mee. Door hen te verbinden met onderzoekers ontstaan krachtige combinaties van praktijkkennis en wetenschappelijke methodes. De wetenschap kan bovendien helpen om transitiepraktijken te legitimeren en te onderbouwen.

Om transformatieve projecten sneller op te kunnen starten heeft KIN de Kennis-in-Actie subsidie ontwikkeld. Deze subsidie faciliteert en financiert zowel onderzoekers als maatschappelijke actoren die gezamenlijk werken aan rechtvaardige klimaattransities. Omdat bij dit soort complexe vraagstukken vooraf nog niet duidelijk is of interventies wel of niet werken en waarom, geeft de Kennis-in-Actie subsidie ruimte voor experimenteren met focus op actie: een cyclisch en lerend proces van uitproberen, onderzoeken en bijstellen.

Dit hoofdstuk beschrijft de verdere doelstelling van de subsidieoproep.

2.1 Doelstelling van de subsidie

De Kennis-in-Actie subsidie heeft als doel om de samenwerking tussen wetenschap en praktijk te stimuleren en gezamenlijk en onderzoekend stappen te zetten die rechtvaardige klimaattransities kunnen versnellen.

Het thematische kader hiervoor is vastgelegd in de bijbehorende Kennis-in-Actie agenda (zie paragraaf 2.2). Deze is in een eerder proces opgesteld door een diverse groep van experts en bevat een aantal gerichte oplossingsrichtingen, onderzoekende vragen en transitieleerdoelen, die binnen het thema ‘Economische Transitie: de kosten en baten van (n)iets doen’ gewenste transitie(s) kunnen versnellen. In projecten binnen deze subsidie wordt kennis in co-creatie ontwikkeld, toegankelijk en bruikbaar gemaakt voor concrete kennis- en transitieopgaven. Dit proces is dynamisch en lerend, met ruimte voor het testen van oplossingsrichtingen en het bijstellen van oorspronkelijke plannen. Zo leren projectpartners gezamenlijk en creëren ze handelingsperspectief voor de betrokken partijen en daarbuiten.

2.2 Van analyse naar actie: Kennis-in-Actie Agenda

Deze subsidieoproep is thematisch ingericht. Dat betekent dat een voorstel moet passen binnen de Kennis-in-Actie agenda: Economische Transitie: de kosten en baten van (n)iets doen.

Transitie-interventies als onderzoeksmethode

Het KIN zet in op het ondersteunen van onderzoek in en voor de (transitie)praktijk. We leggen daarom de nadruk op actie: door dingen gericht te doen ontstaat impact en inzicht. 'Transitie-interventies' zijn transdisciplinaire of transformatieve onderzoeksprojecten waarin onderzoekende vragen worden gesteld door mensen die met elkaar een route proberen te vinden naar een fundamenteel betere, meer rechtvaardige of duurzame toekomst.

Het gaat dus niet om 'zomaar doen' maar om al-doende-leren en al-lerende-doen. Dit vereist een integrale analyse van persistente problemen en vastzittende systemen, een set aan leidende principes en waarden, onderbouwde hypothesen en leerdoelen ten aanzien van gewenste transitie, een transparante en solide methodologische aanpak en een plan voor het faciliteren van co-creatie en leren.

Een transitie-interventie kan van alles zijn: (trans)disciplinair, beeldend, ontwerpend, ondernemend of juist heel procesmatig, reflecterend of activistisch. Zolang het maar gaat om een bundeling van krachten uit praktijk en onderzoek, gericht op het verder brengen van gewenste transitie. De uitdaging overstijgt elk individueel thema: we zoeken voorstellen die creativiteit, lef en verbeeldingskracht combineren met concrete maatschappelijke of ecologische impact. Projecten kunnen experimenteren met nieuwe vormen van samenwerking, kunst en cultuur als katalysator voor verandering, innovatieve financiële of juridische instrumenten, of experimentele interventies in wijken, gemeenschappen en ecosystemen.

De Kennis-in-Actie agenda omvat diverse subthema’s met uitdagingen en transitieleerdoelen en hier bijhorende onderzoekende vragen waarop voorstellen kunnen worden ingediend. De in te dienen voorstellen gaan in op de onderzoekende vragen door bijvoorbeeld oplossingsrichtingen te testen, te experimenteren, systeembarrières en hefbomen te analyseren, en/of transformatieve interventies uit te werken. Voorstellen kunnen de in de agenda geformuleerde onderzoekende vragen als vertrekpunt nemen, of geheel eigen onderzoekende vragen en gerelateerde hypotheses en leerdoelen formuleren passend bij de subthema’s. Het belangrijkste is dat ze de praktijk van de gewenste Economische Transitie verder helpen en in dat proces kennis en inzicht ontwikkelen en ontsluiten.

2.2.1 Introductie Economische Transitie

De moderne economie draait om een dominante maatstaf: groei van het bruto binnenlands product (bbp). Zolang het bbp stijgt, spreken we van vooruitgang. Maar het bbp meet uitsluitend financiële transacties, niet of deze bijdragen aan welzijn of een leefbare aarde. Schade en herstel, zoals olierampen en ziekenhuiszorg, tellen wél mee, maar de waarde van schone lucht, natuur en mantelzorg niet. Dit creëert verkeerde prikkels: beleid en investeringen richten zich op het vergroten van productie en consumptie, ongeacht sociale of ecologische gevolgen.

Nog veel van de belangrijkste spelers in onze economie versterken dit groeiparadigma. (Grote) bedrijven sturen vaak op winst en aandeelhouderswaarde en jagen consumptie aan. Banken creëren geld via kredietverlening die vooral naar gevestigde, vervuilende sectoren gaat. Overheden subsidiëren nog steeds fossiele bedrijven, mede onder invloed van lobby. De norm is dat burgers worden aangesproken als individuele consumenten en niet als collectieve burgers die mee kunnen sturen, initiëren, en uitvoeren. Het kennissysteem wordt gebruikt om dit te legitimeren door groei en efficiëntie als neutrale uitgangspunten te presenteren. Zo houdt het systeem zichzelf in stand, ook wanneer groei juist ecologische en sociale ontwrichting veroorzaakt. Mondiale schattingen laten zien dat twee derde van alle bedrijfswinsten ten koste gaat van mens en milieu.2

De kosten van niets doen

Een transitie voltrekt zich wanneer er een confrontatie ontstaat tussen een gevestigd regime (zoals dat van economische groei) en veranderende omstandigheden waaraan het zich steeds moeilijker kan aanpassen. Klimaatverandering, grondstoffen, geopolitieke spanningen en vergrijzing ondermijnen de basis van groei. Wereldwijde groeicijfers lopen dan ook al terug, en de groei die er nog is komt voor het overgrote deel terecht bij de financiële sector, en niet bij de reële economie. Voor burgers betekent dit dat bestedingsruimte, gezondheid en leefomgeving onder druk staan en achteruit gaan. De kosten van het huidige systeem lopen dan ook snel op. Actuarissen van de University of Exeter verwachten op korte termijn een financiële schade die aanzienlijk groter uitvalt dan de gehele economische crisis van 20083 Hoewel de exacte omvang van de monetaire schade uiteenloopt – met ramingen die variëren van honderden miljarden tot biljoenen per jaar, en verschillen per sector en schadepost – is er één conclusie onomstotelijk: niets doen is vele malen duurder dan tijdig en adequaat handelen.

De baten van iets doen

Ondertussen groeit de veranderdruk. Alternatieve economische concepten winnen terrein: degrowth is een serieuze academische stroming, afbouw van vervuilende industrieën is realiteit, lokale overheden omarmen de donut-economie, en delen van de samenleving normaliseren minder of eerlijkere consumptie. Er is een opkomst van ondernemingen en organisaties die al actief werken aan verschillende onderdelen van “de nieuwe economie”, uiteenlopend van democratisch eigenaarschap tot duurzame bouw en landgebruik.4 Wat deze perspectieven blootleggen, is de vraag hoe we een manier van samenleven ontwikkelen waarin productie en consumptie binnen planetaire grenzen blijven en wat dat oplevert voor onze gezondheid, leefomgeving en geluk. Dat vraagt om het verbinden van partijen die binnen het oude regime willen veranderen maar vastlopen, met nieuwe initiatieven die vanuit de onderstroom opkomen. Cruciaal is om te kijken waar het al werkt en waarom, en hoe we dat kunnen samenbrengen en verspreiden.

2.2.2 Kennis-in-Actie Agenda Economische Transitie

In dit programma komen de kosten van niets doen samen met de baten van iets doen, waarbij kosten en baten voorbij geld gaan: de economische transitie die nagestreefd wordt is richting een economie waar welzijn, ecologie en rechtvaardigheid centraal staat en een financieel systeem dat die economie dient.

Deze oproep daagt maatschappelijke partijen en onderzoekers uit om in co-creatie en lerend concrete interventies te ontwikkelen die uitproberen hoe de transitie versneld kan worden door zowel nieuwe als bestaande (gewenste) praktijken uit de voeren en te onderzoeken. Op basis van een transitieanalyse en Crutzen workshop op 28 en 29 januari 2026, zijn onderstaande thema's en vragen naar voren gekomen die samen de gewenste economische transitie kunnen versnellen.

Subthema 1. Een financieel systeem zonder (geld-)groei

Het huidige financiële systeem is de belangrijkste aanjager van groei en legt lasten en risico’s neer bij toekomstige generaties. Doordat geldcreatie plaatsvind via rente en speculatie, staat een groot deel van de economische activiteit los van maatschappelijke en ecologische waarde. Dit thema onderzoekt hoe een financieel systeem zonder (geld-)groei eruit kan zien, waarin geld dienstbaar wordt aan maatschappelijke en ecologische transitie.

Mogelijke oplossingsrichtingen zijn rentevrij of gemeenschapsgedreven krediet, lokale geldschepping, sturen op (lokale) geldcirculatie en nieuwe waarderingsvormen waarin natuur, sociale cohesie en publieke waarde expliciet worden meegenomen en vertrouwen, wederkerigheid en lange termijn impact centraal staan – bijvoorbeeld via true pricing, social handprint of economy for the common good-benaderingen. De uitdagingen zijn echter aanzienlijk: het brede publiek heeft weinig begrip van geldcreatie en de noodzaak van hervorming, wat legitimiteit en draagvlak ondermijnt. Beleidsmakers, toezichthouders en financiële instellingen opereren binnen strak geïnstitutionaliseerde kaders waarin groei, rendement en risicomijding normatief zijn vastgelegd of als vanzelfsprekend uitgangspunt worden genomen.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Welke mentale, culturele, kennis, praktische en/of institutionele barrières spelen bij burgers, (lokale) ondernemers, beleidsmakers en financiële professionals ten aanzien van een geldsysteem zonder groei en hoe ga je daarmee om?

  • Welke zorgen, belangen en risico-opvattingen blokkeren alternatieven, en waar zitten juist

  • openingen en hoe zien die er uit?

  • Hoe organiseer je renteloze kredietverlening, risicodeling, sturen op geldcirculatie, verzekering en/of waardering, op een inclusieve en rechtvaardige manier?

  • Welke beleidsinstrumenten, producten en institutionele arrangementen zijn nodig om alternatieve geldsystemen praktisch toepasbaar, juridisch houdbaar en opschaalbaar te maken?

Leren richt zich op het zichtbaar maken van aannames over en machtsstructuren in het huidige financiële systeem, het ontwikkelen van gezamenlijke taal en verbeelding rond geld als publiek en relationeel instrument, en het verbinden van lokale experimenten met bredere systeemverandering. Daarbij gaat het om leren hoe vertrouwen, legitimiteit, rechtvaardigheid en economische uitwisseling kunnen worden georganiseerd zonder groeidwang, en hoe alternatieve financiële praktijken kunnen doorwerken in beleid, toezicht en dominante economische narratieven.

Subthema 2: Regelgeving, uitvoeringskracht en institutionele vernieuwing voor economische transitie

Economische transities stranden vaak niet op gebrek aan visie, maar op de uitvoeringspraktijk en het institutionele kader. Ambtenaren en uitvoerende organisaties ervaren gebrek aan handelingsperspectief door risicomijdende culturen en procedurele reflexen. Tegelijkertijd wordt transitie gefrustreerd door onoverzichtelijke en conflicterende wet- en regelgeving, versnipperde bevoegdheden en regels die het bestaande economische systeem beschermen in plaats van verandering mogelijk maken.

Dit thema richt zich op het creëren van inzicht en handelingsruimte: hoe kunnen regelgeving, beleid en organisatiepraktijken zo kunnen worden ingericht dat experimenteren, leren en opschalen mogelijk wordt. Centrale aangrijpingspunten zijn wetgeving, aanbestedingen, inkoop en contractering als transitiehefboom, evenals adaptieve instrumenten zoals pilots, living labs en regulatory sandboxes.

Cruciaal is het doorbreken van de “pilotval” door experimenten zó te organiseren dat ze kunnen opschalen, institutioneel worden ingebed en onomkeerbare dynamiek creëren, ook economisch.

Daarnaast vraagt dit thema aandacht voor cultuur, gedrag en samenwerking: het verminderen van angst voor bestuurlijk falen, het zichtbaar maken van maatschappelijke kosten en baten over beleidsdomeinen heen, en het begrijpelijk en toepasbaar maken van complexe regelgeving voor uitvoerders, lokale overheden en gemeenschappen. Zo kan regelgeving verschuiven van remmende factor naar enabler van een rechtvaardige en effectieve transitie.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Welke beleidsinterventies ondersteunen transformatieve innovatie in de uitvoering effectief?

  • Welke juridische en bestuurlijke instrumenten vergroten experimenteerruimte zonder rechtvaardigheid en transparantie te verliezen en hoe effectief zijn die in de praktijk?

  • Hoe kunnen pilots en/of lokale experimenten structureel worden opgeschaald en verankerd?

  • Welke vormen van inkoop, aanbesteding en contractering creëren een duurzaam transitie-vliegwiel en hoe pakken deze uit in de praktijk?

  • Hoe maken we leren en falen bestuurlijk acceptabel, zodat uitvoerders durven handelen?

Leren richt zich op het zichtbaar maken van hoe barrières in het juridische en institutionele systeem beleefd worden, hoe men deze al dan niet weet op te lossen, hoe kosten-baten over departementen heen zich verhouden, methoden om dynamiek rond aanbesteding en lage prijs te doorbreken en het ontwikkelen van institutionele arrangementen die transitie mogelijk, rechtvaardig en uitvoerbaar maken.

Subthema 3: Omgaan met verlies, niets doen en krimp

Verandering en transitie brengen verlies en onzekerheid met zich mee, of het nu gaat om het uitfaseren van oude systemen, het loslaten van bestaande zekerheden, of het ervaren van persoonlijke en collectieve angst. Verlies en het afbouwen van systemen zijn daarom vaak ongemakkelijk en krijgen in beleids- en economische contexten nauwelijks expliciete aandacht. Toch zijn ze onvermijdelijk in een transitie: sommige bedrijven, projecten of activiteiten moeten stoppen, natuurlijke systemen worden kleiner, en bestaande structuren verliezen hun waarde.

Oplossingsrichtingen richten zich daarom op bewust oefenen met verlies en transitie, bijvoorbeeld door begeleidingsmodellen geïnspireerd op hospicezorg, rituelen voor collectief rouwen, erkenning van menselijke maat, empathie en verantwoordelijkheid, en het integreren van natuurcycli in besluitvorming. Door verlies zichtbaar te maken en te begeleiden, ontstaat ruimte voor veerkracht, nieuwe initiatieven en regeneratie op lange termijn. De barrières zijn emotioneel en psychologisch: angst voor verlies, vastzitten in bezit en weerstand tegen verandering, controle- en machtsdynamieken en een cultuur die “niets doen” als falen ziet, remmen experimenten.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Hoe herkennen en erkennen we (soorten van) verlies en hoe kunnen we daarmee omgaan?

  • Wat leren we van bestaande voorbeelden, zoals begeleidingspraktijken, rituelen en community support, op hoe individuen en groepen kunnen omgaan met schuld en identiteitsverlies en hoe brengen we dat in de praktijk?

  • Welke stappen zorgen dat het proces van verlies en hernieuwde groei systematisch worden

  • ingebed in beleid, projecten en organisatieontwikkeling?

  • Hoe kunnen zij die verlies ervaren door transitie en zij die in een nieuw economisch systeem juist de aanjagers zijn effectief samenwerken en elkaar wederzijds tot dienst zijn?

Leren gaat over het vergroten van veerkracht, het cultiveren van collectief helen en troost, en het ontwikkelen van structuren waarin afbouw en transitie niet als falen, maar als noodzakelijke stap voor duurzame ontwikkeling worden gezien.

Subthema 4: (Eigendom van) grond, ecosystemen en hulpbronnen in de (publieke) ruimte

De hedendaagse economie is in toenemende mate losgezongen van de fysieke en ecologische werkelijkheid waarin zij functioneert. Het succes van duurzame transities hangt zowel af van hoe we de economie verankeren in natuurlijke systemen als van hoe burgers deze waarden ervaren en ondersteunen. Economische besluitvorming die ecosystemen, biodiversiteit en maatschappelijke baten meeneemt, vereist een stevige basis in ruimte en ecologie, bijvoorbeeld via gebiedsfinanciering, uniforme waarderingsmethoden voor natuur en klimaatrisico’s, en investeringen in levensondersteunende praktijken. Daarnaast zijn financiële stromen vele malen groter dan de reële economie, terwijl grond, ecosystemen en publieke hulpbronnen grotendeels zijn geprivatiseerd of gecommodificeerd. Dit leidt tot kunstmatig gecreëerde schaarste, stijgende kosten en een structurele voorkeur voor korte termijn rendement boven langetermijn publieke en ecologische waarde.

De discussie over commons, grond en publiek eigendom raakt aan een fundamentele herordening van toegang, zeggenschap en verantwoordelijkheid voor hulpbronnen zoals land, voedsel, water, energie en zorg. Het gaat daarbij niet alleen om juridische eigendomstitels, maar om het opnieuw verankeren van economische besluitvorming in ruimte, ecosystemen en collectieve waarden. Een economie die geworteld is in lokale ecologie vraagt om eigendomsvormen die regeneratief gebruik mogelijk maken en publieke (gemeenschaps)baten versterken, onderling verbinden, zichtbaar maken en leidend maken.

Kansrijke oplossingsrichtingen verkennen hoe grond en hulpbronnen ‘van zichzelf’ kunnen zijn, met gebruiksrechten in plaats van extractieve eigendom. Voorbeelden zijn commons-structuren, eeuwigdurende erfpacht, gebiedsgebonden fondsen, as-a-service-modellen en juridische constructies waarin natuur rechten of een stem krijgt. Gebiedsfinanciering, gebiedsboekhoudingen en uniforme waarderingsmethoden voor natuur, biodiversiteit en klimaatrisico’s helpen om ecologische en maatschappelijke waarden expliciet mee te nemen in beleid en investeringen. Daarnaast zijn participatieve en culturele praktijken zoals onderwijs, kunst en lokale experimenten cruciaal om publieke waarden beleefbaar en gedeeld te maken.

Barrières zijn diep institutioneel en cultureel. Toegang tot grond is beperkt en duur, bevoegdheden en kennis zijn versnipperd, en maatschappelijke en ecologische baten blijven vaak onzichtbaar in bestaande afwegingskaders. Spanningen tussen publieke en private belangen worden versterkt door zorgen dat commons bestaande markten verdringen. Ook ontbreekt vaak een gedeeld maatschappelijk begrip van waarom eigendomsvormen fundamenteel anders moeten worden ingericht.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Hoe kan vanuit de geest van de wet meer ruimte worden gecreëerd voor vormen van publiek eigendom en welke stappen kunnen beleidsmakers en initiatiefnemers zetten om die ruimte daadwerkelijk te benutten?

  • Op welke manier kunnen ecologische en maatschappelijke waarden op gebiedsniveau worden

  • gewaardeerd en vervolgens institutioneel worden geborgd?

  • Hoe ziet het eruit als de staat en dynamiek van natuurlijke systeem (bodem, water, biodiversiteit) structureel worden geïntegreerd in economisch denken, ruimtelijke planning en lange-termijn-ontwikkelstrategieën?

  • Hoe organiseer je het actief betrekken van burgers en lokale ondernemingen/initiatieven actief bij eigendom, waardering en besluitvorming rond publieke hulpbronnen?

  • Welke strategieën zijn effectief om commons te verschuiven van uitzondering naar een nieuw normaal, waarin rechtvaardigheid, zeggenschap en lange termijn waarde centraal staan?

Leren richt zich op het zichtbaar maken van de relatie tussen eigendom, ecologie en economische uitkomsten; het ontwikkelen van overdraagbare modellen voor commons en gebiedsgericht eigendom; en het verbinden van lokale praktijken aan structurele veranderingen in beleid, financiering en wetgeving.

Subthema 5: Nieuw ondernemerschap en eigenaarschap voorbij aandeelhouderschap

Waar subthema 4 draait om eigendom van (publieke) hulpbronnen, richt dit subthema zich op eigenaarschap in organisaties en rechtsvormen: hoe ondernemingen, initiatieven en productiemiddelen worden georganiseerd, bestuurd en gefinancierd. In het dominante model van aandeelhouderschap leidt eigenaarschap tot een sterke focus op korte termijn financieel rendement, waardoor maatschappelijke en ecologische waarden structureel onder druk staan. Tegelijkertijd bestaat er een paradox: er is voldoende kapitaal beschikbaar in spaargeld, pensioenen en familiefondsen, maar dit bereikt regeneratieve en maatschappelijke ondernemingen nauwelijks.

Dit subthema onderzoekt hoe nieuw ondernemerschap vorm kan krijgen waarin eigenaarschap expliciet wordt gekoppeld aan publieke waarde, lange termijn belangen en brede welvaart. Het gaat om ondernemingsvormen waarin zeggenschap, winstbestemming en verantwoordelijkheid anders zijn georganiseerd, als volwaardig alternatief voor het dominante bedrijfsmodel.

Kansrijke oplossingsrichtingen liggen in modellen zoals steward-ownership, coöperaties, zoöps, maatschappelijke BV’s, en hybride structuren waarin winst wordt begrensd of herinvesteerd. Nieuwe rendementsparadigma’s gebaseerd op impact, gebiedswaarde en brede welvaart maken het mogelijk om financiering te koppelen aan maatschappelijke meerwaarde. Instrumenten als gebiedswaarde-coöperaties, gemeenschapsmunten en regeneratieve businessmodellen bieden aanknopingspunten, evenals samenwerking tussen bestaande bedrijven en nieuwe initiatieven om opschaling mogelijk te maken.

Barrières zijn structureel en persoonlijk. Ondernemers lopen aan tegen tijdelijke projectfinanciering, onzekerheid over schaal en afzet, gebrek aan passende impactmeting en juridische onduidelijkheid. Tegelijkertijd is er een cultureel en institutioneel probleem: financiële instellingen, investeerders en beleidssystemen zijn ingericht op groei en financieel rendement, waardoor ondernemers die andere waarden centraal stellen worden benadeeld. Daarnaast ervaren veel pioniers eenzaamheid en persoonlijke risico’s, terwijl ondernemerschap voor mensen aan de randen van het systeem nauwelijks toegankelijk is zonder verlies van bestaanszekerheid.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Hoe kunnen financiële systemen en investeringscriteria zo worden ingericht dat zij beter

  • aansluiten op maatschappelijke waarde en lange termijn risico’s?

  • Welke vormen van eigenaarschap maken het mogelijk om te ondernemen zonder groeidwang?

  • Hoe kunnen MKB, burgerinitiatieven en startende ondernemers overstappen naar nieuw rendementsdenken op een manier die hun continuïteit ondersteunt en zonder financieel te worden afgestraft?

  • Hoe kunnen regionale programma’s voor brede welvaart duurzame en structurele publiek-burger-private samenwerking en financiering organiseren?

  • Hoe kunnen succesvolle ondernemerschapsmodellen worden opgeschaald en gerepliceerd zonder verlies van lokale relevantie en impact en op welke manier kunnen zij elkaar onderling (economisch) versterken?

  • Hoe kan ondernemerschap toegankelijker worden voor mensen aan de randen van het systeem,

  • bijvoorbeeld vanuit de bijstand, zonder dat sociale zekerheid direct wordt ondermijnd.

Leren richt zich op het doorbreken van het aandeelhoudersparadigma, het ontwikkelen van juridisch en financieel robuuste eigenaarschapsmodellen, en het creëren van ecosystemen waarin ondernemers niet alleen kapitaal, maar ook legitimiteit, kennis, gedeelde verantwoordelijkheid en (professionele) verbinding met elkaar vinden.

Subthema 6: Afwentelingskosten en -baten, cascade-effecten en maatschappelijk risicobeheer

Het gebrek aan voortgang in economische transitie voorbij de groei hangt sterk samen met het negeren van (on)bekende cascade-effecten en langetermijnrisico’s in beleid, investeringen en verzekeren. Beslissingen vandaag kunnen morgen onbedoeld kosten of risico’s afwentelen op andere delen van de samenleving, de natuur of toekomstige generaties. Verzekeraars en financiële partijen kunnen hierin een cruciale rol spelen: als gespecialiseerde risicobeheerders bieden zij niet alleen financiële buffers, maar ook waardevolle inzichten in waar risico’s en kansen liggen, mits ze ESG-criteria, klimaatadaptatie en maatschappelijke impact expliciet in hun producten en diensten integreren, zoals in mondiale frameworks zoals de Principles for Sustainable Insurance wordt voorgesteld. Het in kaart brengen van (locatiespecifieke) (langetermijn)risico’s van klimaatverandering is daarbij nodig.

Oplossingsrichtingen omvatten het ontwikkelen van innovatieve verzekeringsproducten voor klimaat-en biodiversiteitsrisico’s, publiek-private partnerschappen voor gedeelde risicobeoordeling, en samenwerkingsmodellen waarin verzekeraars, overheden, onderzoeksorganisaties en gemeenschappen kennis en data delen om cascade-effecten kenbaar en zichtbaar te maken. Een voorbeeld hiervan is de Build Back Better-aanpak, die internationaal wordt gebruikt om herstel na crises duurzamer en robuuster te maken, maar die juridisch in Nederland en Europa beperkt kan worden door mededingingsregels en toezicht; dit illustreert de noodzaak om innovaties zorgvuldig binnen bestaande kaders vorm te geven. Belangrijk is dat deze instrumenten en samenwerkingen juridisch houdbaar zijn, marktverstoringen voorkomen en geen bevoordeling of monopolievorming veroorzaken. Barrières zijn onder meer het dominante korte-termijndenken, institutionele fragmentatie, juridische complexiteit rond publiek-private risico-contracten en de ontwerpuitdagingen van verzekeringsproducten.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Hoe kunnen cascade-effecten en lange termijn kosten en baten juridisch en financieel worden geadresseerd en welke oplossingen zijn hiervoor nodig?

  • Wat is nodig zodat verzekeraars hun rol als maatschappelijk risicobeheerders kunnen versterken binnen een veranderd risicolandschap?

  • Welke governance-arrangementen kunnen publieke en private partijen in staat stellen om risico’s en kansen gezamenlijk te beheersen in lijn met duurzame transitie-doelen?

  • Hoe beïnvloeden klimaat-gerelateerde risico’s de verzekerbaarheid van woningen, infrastructuur en landbouw, en welke benaderingen dragen bij aan het beperken van deze risico’s?

Leren richt zich op het zichtbaar maken van verborgen risico’s en cascade-effecten, het ontwikkelen van nieuwe financiële en verzekeringsinstrumenten die maatschappelijke en ecologische waarde meenemen, en het opbouwen van governance-modellen waarin publieke en private partijen gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor langetermijntransities.

Subthema 7: Tegenwerkende Krachten

Het beïnvloeden van beleid en publieke besluitvorming wordt vaak bemoeilijkt door krachtige,

gecoördineerde lobby’s van gevestigde belangen, terwijl initiatieven voor duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en transitie versnelling relatief versnipperd en weinig zichtbaar zijn. Niet alleen hebben deze minder organisatiekracht en kapitaal, ook missen ze vaak de relaties en institutionele toegang om beleid effectief te beïnvloeden.

Kansrijke oplossingsrichtingen richten zich op het versterken van collectieve capaciteiten om tegenkracht te organiseren, zoals educatie en training in lobbypraktijken, inzicht in retorische strategieën en desinformatie, en het opzetten van gezamenlijke actielijnen met bedrijven, NGO’s, academici en burgers. Het ontwikkelen van transparante communicatiestrategieën, experimenten met echte participatie en scenario’s waarin publieke opinie effectief kan worden gemobiliseerd, maakt het mogelijk om invloed uit te oefenen op beleidsprocessen die traditioneel door gevestigde machten worden gedomineerd. Barrières zijn onder meer gebrek aan coördinatie, beperkte toegang tot beleidsmakers en media, trage respons, en een dominante stem van het status quo die overtuigend, stellig en exclusief is.

Transitie-interventies kunnen de bovengenoemde oplossingsrichtingen met de volgende vragen al-doende onderzoeken:

  • Hoe kunnen organisaties en burgers in de praktijk effectief samenwerken om tegenkracht te bundelen en welke instrumenten zijn het meest impactvol voor het organiseren hiervan?

  • Hoe kunnen lobbypraktijken en kortetermijnwinst-retoriek worden doorbroken door alternatieve werkwijzen en besluitvormingsprocessen te ontwikkelen?

  • Op welke manier kan kennis over kritische besluitvorming en desinformatie breed worden verspreid binnen de gekozen context?

Leren richt zich op de vraag hoe een meer weerbare en democratische publieke arena kan ontstaan, waarin transitie-initiatieven reële invloed krijgen en beleidsmakers beter toegerust zijn om toekomstbestendige keuzes te maken.

3 Voorwaarden voor aanvragers

Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor het subsidievoorstel. Eerst wordt beschreven wat je kunt aanvragen (paragraaf 3.1) en door wie de subsidie aangevraagd kan worden (paragraaf 3.2) Vervolgens vind je de voorwaarden voor het opstellen en indienen van het voorstel (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).

3.1 Wat kan aangevraagd worden

Per project is maximaal € 50.000 subsidie aan te vragen. Dit bedrag wordt eenmalig als lumpsum uitbetaald. De gewenste looptijd van het voorgestelde project is negen maanden. Uitzonderingen hierop moeten voldoende onderbouwd worden en worden beoordeeld door de commissie. Het project dient binnen drie maanden na toewijzing van de subsidie te beginnen.

De financiering is bedoeld voor onderzoekers en praktijkpartners die in co-creatie een mogelijke oplossingsrichting willen verkennen op basis van de in de Kennis-in-Actie agenda gedefinieerde subthema’s (zie paragraaf 2.2). Het KIN verwelkomt creatieve en niet-traditionele activiteiten die bijdragen aan het doel van de subsidieoproep en moedigen betrokkenheid van professionals uit de creatieve sector aan. Het KIN kan aanvragers ondersteunen bij het contact leggen met professionals uit de creatieve sector. De personen die een actieve rol hebben bij de uitvoering van het project moeten bij het indienen van een voorstel een commitment letter afgeven waarin zij hun tijdsinvestering toezeggen en, indien van toepassing, de steun van hun directe leidinggevende (zie paragraaf 3.3, beschikbaar op de financieringspagina van deze subsidieoproep). Het aanstellen van nieuw wetenschappelijk personeel is niet mogelijk voor de uitvoering van het project, met uitzondering van studentassistenten. De projectpartners kunnen kosten aanvragen voor hun eigen salaris (zie de toelichting hieronder), materieel, tijdelijke inhuur van experts en andere project-gerelateerde activiteiten.

Voorbeelden van activiteiten waar de subsidie aan besteed kan worden:

  • Het testen van oplossingsrichtingen en ontwikkelen van nieuwe kennis;

  • Het toegankelijk en bruikbaar maken van bestaande kennis;

  • Het wetenschappelijk onderbouwen van bestaande en gewenste werkwijzen;

  • Het in een pilotsetting uitproberen van een specifieke ingreep, regeling, of juridische maatregel op de bijdrage tot transitie/gedragsverandering;

  • Het opzetten van een nieuw initiatief;

  • Het ontwikkelen van interventies gericht op handelingsperspectief;

  • Het ontwikkelen van communicatiematerialen en kennisbenuttingsactiviteiten zoals platforms, best practices, tentoonstellingen, een publieke dialoog, etc.;

  • Het organiseren van interviews, focusgroepen en expertsessies;

  • Het ontwikkelen en/of volgen van workshops/cursussen/trainingen;

  • Het experimenteren met verschillende vormen van onderzoek doen;

  • Het werken aan onderlinge verbinding en transitievaardigheden met de transdisciplinaire groep betrokkenen;

  • Het verbeelden of bouwen van een artistieke interventie.

Inzet van personeel

Voor personeel dat een bijdrage levert aan het ontwikkelen van het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2.2 gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel. Daarnaast wordt bij de berekening van het uurtarief uitgegaan van een standaard productief aantal uur van 1.354 per jaar. In het begrotingsformulier kies je voor de projectpartners die loonkosten zullen ontvangen een uurtarief dat overeenkomt met een tarief uit deze tabel.

In het project kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de universiteit of hogeschool. Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt het tarief volgens HOT-tabel 2.2 schaal 1.

Waarvoor kan géén financiering worden aangevraagd?

  • Het aanstellen van een nieuw wetenschappelijk personeel (met uitzondering van studentassistenten);

  • Basisvoorzieningen binnen de instelling (bijvoorbeeld laptop, kantoormeubilair etc.);

  • Onderhouds- en verzekeringskosten.

3.2 Wie kan aanvragen

3.2.1 Projectpartners

In deze subsidieoproep staat de samenwerking tussen wetenschap en praktijk centraal. De aanvragers moeten bestaan uit minimaal één kennisinstelling (Ad 1) en minimaal één maatschappelijke organisatie(Ad 2). Zij dienen gezamenlijk een voorstel in. Medewerkers van kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden kunnen een voorstel indienen. Alle projectpartners hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project en committeren zich aan de beloofde tijdsbesteding zoals beschreven in het voorstel en een de commitment letter.

Ad 1 – Kennisinstellingen

Onder kennisinstellingen vallen:

  • universiteiten en hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • universitair medische centra, waarmee wordt bedoeld de academische ziekenhuizen zoals bedoeld

  • in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • KNAW- en NWO-instituten;

  • het Nederlands Kanker Instituut;

  • het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;

  • NCB Naturalis;

  • Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);

  • Prinses Máxima Centrum;

  • Biomedical Primate Research Centre (BPRC);

  • CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek);

  • CMO STAMM;

  • Stichting Control in Food & Flowers (SCFF);

  • Deltares (TO2);

  • IHE Delft Institute for Water Education;

  • IMEC-NL;

  • Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV);

  • Instituut voor Nederlandse Taal (INT);

  • KNMI;

  • KNCV Tuberculosefonds;

  • Marin (TO2);

  • NIVEL;

  • NLDA – Nederlandse Defensie Academie;

  • NLR (TO2);

  • RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu);

  • Stichting Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions (AMS Institute);

  • Stichting Centre of Expertise Water Technology (CEW);

  • Stichting Control in Food & Flowers (SCFF);

  • Stichting Mijn Data Onze Gezondheid;

  • Stichting Mulier Instituut;

  • Stichting Wageningen Research (TO2);

  • TNO (TO2);

  • Trimbos instituut;

  • Waag Futurelab.

Om als aanvullende kennisinstelling (die dus niet in de bovenstaande lijst staat) in aanmerking te komen, zijn er twee opties:

Optie 1: Aanvullende kennisinstelling met toets en zonder de-minimis verklaring:

Aanvullende kennisinstellingen die cumulatief voldoen aan de volgende eisen (toetsing) kunnen als projectpartner kennisinstelling deelnemen zonder een de-minimisverklaring in te vullen. De aanvullende kennisinstelling:

  • is gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • is een stichting, vereniging, publiekrechtelijke- of privaatrechtelijke rechtspersoon;

  • houdt zich zelf in de hoofdzaak bezig met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;

  • kan verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.

Let op: Voorafgaand aan het indienen van een voorstel wordt door NWO-KIN aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als projectpartner kennisinstelling in deze subsidieoproep mag deelnemen. NWO-KIN voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun.

De organisatie van de beoogde projectpartner kennisinstelling levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 15 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan programmas@hetkin.nl (dus uiterlijk 24 maart 2026 voor 14:00:00 CET) de volgende documenten aan:

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring5;

  • de ingevulde ‘Verklaring Onderzoeksorganisatie’, beschikbaar op de financieringspagina van deze

  • subsidieoproep.

Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Ook kan NWO-KIN om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als projectpartner kennisinstelling.

Als de organisatie van de beoogde projectpartner kennisinstelling binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden en niet in de boven genoemde lijst staat, neem dan tijdig voor de deadline contact op met NWO-KIN via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.

Indien de organisatie van de beoogde projectpartner de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO-KIN de betreffende organisatie niet als projectpartner kennisinstelling accepteren. Deze organisatie kan als projectpartner ‘maatschappelijke organisatie’ of via optie 2 deelnemen mits een de-minimisverklaring (zie paragraaf 3.5) wordt ingevuld en ingediend.

Optie 2: Aanvullende kennisinstelling zonder toets en met de-minimis verklaring:

Aanvullende kennisinstellingen kunnen ervoor kiezen om in plaats van de toetsing zoals boven

beschreven, de ‘Verklaring aanvullende kennisinstelling zonder toets’ en een de-minimisverklaring in te vullen om als projectpartner kennisinstelling deel te nemen, meer informatie over de de-minimis staat in paragraaf 3.5.

Ad 2 Maatschappelijke organisaties

Onder maatschappelijke organisatie verstaat het KIN ondernemingen en overige publieke en private organisaties (hierna: maatschappelijke organisaties) zoals NGO’s, stichtingen, bedrijven, zzp’ers,

(regionale) overheden, veiligheidsregio’s en overige publieke en private organisaties anders dan de kennisinstellingen die vallen onder de onder Ad. 1 Kennisinstellingen.

Let op: Maatschappelijke organisaties die als projectpartner deelnemen, dienen een de-minimisverklaring in te vullen, meer informatie hierover staat in paragraaf 3.5.

3.2.2 Hoofdaanvrager

Een van de projectpartners treedt op als hoofdaanvrager en dient het voorstel in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO-KIN. Tijdens het beoordelingsproces communiceert KIN met de hoofdaanvrager. De organisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder die het budget volgens de begroting aan andere projectpartners verdeelt.

Let op: In de rol als hoofdaanvrager mogen er maximaal twee voorstellen ingediend worden. In het geval dat een projectpartner twee voorstellen indient als hoofdaanvrager, moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de twee voorstellen in het vrijmaken van uren en de tijdsbesteding via de letter of commitment. De twee voorstellen worden separaat ingediend en onafhankelijk van elkaar beoordeeld.

3.2.3 Samenwerkingspartner

Overige organisaties die in deels bijdragen aan de samenwerking kunnen optreden als samenwerkingspartners. Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen kan geen subsidie voor salariskosten als projectpartner worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via materiaalkosten.

3.3 Het opstellen en indienen van het voorstel

Het KIN is onderdeel van NWO en maakt gebruik van de NWO infrastructuur. Het opstellen van je voorstel bestaat uit de volgende stappen:

  • download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);

  • vul het aanvraagformulier in;

  • sla het formulier op als pdf en dien het met de verplichte bijlage(n) in ISAAC in;

  • vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.

Verplichte bijlage(n) beschikbaar op de financieringspagina van deze subsidieoproep:

  • begroting;

  • letter of commitment per projectpartner;

  • de-minimis verklaringen voor maatschappelijke organisaties en aanvullende kennisinstellingen die zonder de toetsing deelnemen als projectpartner kennisinstelling (verplicht indien van toepassing);

  • verklaring aanvullende kennisinstelling zonder toetsing (verplicht indien van toepassing);

De bijlagen dienen volgens het door KIN aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van het voorstel in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC. Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.

Het is verplicht je voorstel in het Nederlands of Engels op te stellen.

Indienen via ISAAC

Het indienen van een voorstel kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Voorstellen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.

Je bent als hoofdaanvrager verplicht een voorstel via het eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.

Het is belangrijk om tijdig te beginnen met het voorstel indienen in ISAAC:

  • indien je nog geen ISAAC-account hebt, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;

  • nieuwe organisaties moeten eventueel nog toegevoegd worden aan ISAAC;

  • je moet ook online nog gegevens invoeren.

Voorstellen die na de deadline worden ingediend, neemt KIN niet in behandeling.

Voor vragen van technische aard verzoeken wij je contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).

Werkt een projectpartner bij een organisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC?

Je kan dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de organisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit minimaal 10 werkdagen voor de deadline te melden (dus uiterlijk 31 maart 2026 voor 14:00:00 CEST).

KIN gaat ervan uit dat de aanvrager de organisatie waar zij/hij werkzaam is heeft geïnformeerd over het indienen van het voorstel en dat de organisatie de subsidievoorwaarden van deze subsidieoproep aanvaardt.

3.4 Indieningsvoorwaarden

3.4.1 Formele voorwaarden voor indiening

KIN toetst het voorstel op alle in deze subsidieoproep gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als het voorstel aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. Je wordt gevraagd om na indiening van een voorstel beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.

Deze voorwaarden zijn:

  • de projectpartners voldoen aan de in paragraaf 3.2 gestelde voorwaarden;

  • het voorstel is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;

  • het voorstel is ontvangen voor de gestelde deadline;

  • het voorstel is in het Nederlands of Engels opgesteld;

  • de begroting in het voorstel is volgens de voorwaarden van deze subsidieoproep opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format);

  • Alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze subsidieoproep opgesteld en ingediend.

3.5 Subsidievoorwaarden

Op alle voorstellen zijn de paragrafen 1.2 (Begunstigden), 2.1 (Algemene principes en specifieke selectiecriteria), 2.3 (Besluit en bezwaar), 3.1 (Algemene verplichtingen), 3.2 (Start van het project), en 4 (Publicatie en kennisbenutting), en artikel 3.3.1, lid 1, aanhef a, (Rapportage) van de NWO Subsidieregeling 2024 van toepassing, tenzij daarvan expliciet wordt afgeweken in deze subsidieoproep.

De-minimisverordening

Onder deze subsidieoproep wordt subsidie verstrekt op grond van de de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun). Op grond van de de-minimisverordening kan een maatschappelijke organisatie of aanvullende kennisinstelling zonder toetsing (zie paragraaf 3.2.1) gedurende drie belastingjaren maximaal € 300.000 aan overheidssteun ontvangen zonder dat dit ongeoorloofde staatssteun oplevert. Alle maatschappelijke organisaties en aanvullende kennisinstelling zonder toetsing die optreden als projectpartners dienen met een verklaring de-minimissteun aan te tonen dat de de-minimisdrempel uit de de-minimisverordening niet wordt overschreden. Indien een maatschappelijke organisatie of aanvullende kennisinstelling zonder toetsing constateert dat met de subsidie van KIN de de-minimisgrens zal worden overschreden, kan deze maatschappelijke organisatie of aanvullende kennisinstelling zonder toetsing geen voorstel indienen als projectpartner bij KIN. De Verklaring de-minimissteun maakt onderdeel uit van het subsidievoorstel.

Aanvullende voorwaarden

Verder moeten voorstellen – inden van toepassing – rekening houden met:

  • Naleving Nationale leidraad kennisveiligheid: Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van het voorstel committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. Meer informatie: Home | Loket Kennisveiligheid.

  • Wetenschappelijke integriteit: Het project dat NWO-KIN financiert moet uitgevoerd worden in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit. Met het indienen van het voorstel committeert de aanvrager zich aan deze code. Meer informatie: Wetenschappelijke integriteit | NWO

  • Datamanagement: Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. KIN verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door KIN zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. KIN hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”.

  • Open Science: Alle vormen van output als gevolg van deze subsidie moeten open toegankelijk zijn, en worden bij voorkeur ook gepubliceerd op de KIN website of andere publiek toegankelijke kennisportalen. Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO-KIN zie: Open Science | NWO.

  • Ethische verklaring of Vergunning: Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is.

4 Beoordelingsprocedure

Dit hoofdstuk beschrijft hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.1) en op welke criteria het voorstel wordt getoetst (paragraaf 4.2).

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken KIN-medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).

Het gebruik van generatieve AI is volledig uitgesloten bij de beoordeling van een aanvraag. Meer informatie over het beleid op generatieve AI vindt u op de website ( NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO).

NWO en KIN streven naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). KIN stimuleert leden van een beoordelingscommissie/jury actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. KIN voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een voorstel te verbeteren.

4.1 Procedure

De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:

  • indiening van het voorstel;

  • in behandeling nemen van het voorstel;

  • preadvisering beoordelingscommissie;

  • vergadering van de beoordelingscommissie;

  • selectie (indien van toepassing);

  • besluitvorming.

Voor deze subsidieoproep wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissies ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de praktijk met een brede expertise op het onderwerp en bijbehorende transities. De taak van de beoordelingscommissie is om de ingediende voorstellen en de daarop betrekking hebbende stukken op eigen merites te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria beschreven in deze subsidieoproep.

Vanwege de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise, heeft KIN besloten om bij de beoordeling van de voorstellen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.

4.1.1 Indiening van een voorstel

Voor indiening van het voorstel is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze subsidieoproep op de NWO website. In je voorstel moet je je houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet je je houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.

Het volledig ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.1.6). Na dit tijdstip worden voorstellen niet meer in behandeling genomen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van het voorstel een ontvangstbevestiging.

4.1.2 In behandeling nemen van het voorstel

Zo snel mogelijk nadat je jouw voorstel hebt ingediend, hoor je of KIN jouw voorstel in behandeling neemt. KIN bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4.1). Alleen als het voorstel hieraan voldoet, kan KIN deze in behandeling nemen.

Houdt er rekening mee dat KIN je binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. Je krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijg je vijf werkdagen de tijd.

4.1.3 Preadvisering beoordelingscommissie

Hierna wordt je voorstel voor commentaar voorgelegd aan (enkele leden van) de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op het voorstel. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.2) en beoordelen elk sub-criterium met een voldoende (=+1) of onvoldoende (=-1). Om een positief advies te ontvangen moet elk hoofd-criterium zijn beoordeeld met een voldoende (som van alle sub-criteria is >0).

4.1.4 Vergadering van de beoordelingscommissie

De beoordelingscommissie beoordeelt elke voorstel afzonderlijk op basis van de inhoudelijke beoordelingscriteria in paragraaf 4.2. Hierbij geldt dat de preadviezen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar niet per se onverkort worden overgenomen door de beoordelingscommissie.

De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan de KIN stuurgroep over de kwaliteit van de voorstellen.

4.1.5 Selectie

Stap 1: Selectieprocedure per subthema

Indien er meer voorstellen een positief advies ontvangen dan het beschikbare budget per subthema toelaat, stelt de beoordelingscommissie per subthema een rangschikking samen van alle voorstellen die voldoen aan de gestelde minimumkwalificaties (paragraaf 4.1.3). Deze rangschikking wordt opgesteld op basis van de totaalscores (som van alle sub-criteria). Subsidietoekenning vindt plaats in volgorde van deze rangschikking tot het subsidieplafond per subthema is bereikt.

Stap 2: Verdeling van resterende budget

Indien na stap 1 het totale subsidieplafond van de subsidieoproep nog niet is bereikt, worden alle resterende voorstellen die aan de minimumkwalificaties voldoen opnieuw beoordeeld en geprioriteerd op complementariteit, specifiek op de mate waarin het voorstel aanvullend is op de in stap 1 geselecteerde voorstellen, waarbij overlap wordt vermeden en toegevoegde waarde wordt gecreëerd door het vullen van lacunes of het versterken van de in stap 1 geselecteerde voorstellen en het afdekken van de Kennis-in-Actie agenda in het geheel. In deze prioritering mogen voorstellen niet op dezelfde positie eindigen. Per voorstel stelt de beoordelingscommissie een korte schriftelijke toelichting op die de gegeven prioritering onderbouwt. Voorstellen worden op volgorde van de prioritering geselecteerd totdat het totale subsidieplafond is bereikt.

Ex aequo

Onder ex aequo verstaat NWO-KIN de situatie waarin twee of meer voorstellen op basis van hun totale score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de grens van de selectiegrens (stap 1). Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van de selectiegrens per subthema (stap 1), wordt de score van hoofdcriterium 3 gehanteerd als beslissend criterium. Indien geen consensus over de prioritering wordt bereikt, wordt de ex aequo situatie voorgelegd aan het besluitnemend orgaan.

4.1.6 Besluitvorming

Tot slot toetst de stuurgroep van het KIN de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt de KIN stuurgroep de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de voorstellen.

4.1.7 Tijdpad

Hieronder tref je het tijdpad aan voor deze subsidieoproep. Het kan zijn dat KIN het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze subsidieoproep aan te brengen. Uiteraard ontvang je hierover op tijd bericht.

23 maart 2026

Deadline NWO toets aanvullende kennisinstelling/onderzoeksorganisatie (indien van toepassing)

14 april 2026, 14:00:00 uur CEST

Deadline voorstellen

14 april – 1 mei 2026

In behandeling nemen van de voorstellen

25 mei – 4 juni 2026

Vergadering beoordelingscommissie

25 mei – 4 juni 2026

Selectie (indien van toepassing)

Juni 2026

Besluit KIN stuurgroep

Startdatum project

Uiterlijk drie maanden na toewijzingsdatum

Einddatum project

Uiterlijk negen maanden na startdatum

4.2 Criteria

4.2.1 Inhoudelijke beoordelingscriteria

Voorstellen die binnen deze subsidieoproep worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria. Er is geen weging voor de criteria, maar alle hoofd-criteria moeten beoordeeld worden met een voldoende (zie ook paragraaf 4.1.3).

  • 1. Relevantie voor de Kennis-in-Actie agenda

    • a. Het project sluit aantoonbaar aan bij de opgestelde Kennis-in-Actie agenda van deze subsidieoproep en draagt daarom bij aan de daarin geïdentificeerde transitieopgaven.

  • 2. Kwaliteit van het voorstel

    • a. Het (leer)doel, de leidende (onderzoeks)vragen, en/of oplossingsrichtingen van het project zijn duidelijk beschreven en goed onderbouwd.

    • b. De voorgestelde aanpak is passend voor het nastreven van het beoogde (leer)doel, het beantwoorden van de leidende (onderzoeks)vragen, en/of het experimenteren met oplossingsrichtingen van het project.

    • c. Het voorstel beschrijft hoe leren, reflecteren en bijsturen onderdeel is van de werkwijze.

    • d. Er wordt een visie beschreven hoe de kennis geborgd en verspreid zou kunnen worden.

    • e. Er wordt gereflecteerd hoe rechtvaardigheid6 en duurzaamheid7 wordt gewaarborgd in de aanpak en de beoogde resultaten/interventies.

  • 3. Co-creatie8 en kennisontwikkeling

    • a. Het project integreert verschillende typen kennis (wetenschappelijke, praktijkgerichte, ervaringsgerichte, lokale en/of culturele kennis,…) die relevant zijn voor het beoogde doel. Indien van toepassing: het voorstel beschrijft duidelijk hoe de in de Kennis-in-Actie agenda aanbevolen actoren en/of kennis worden betrokken of meegenomen of onderbouwd waarom juist niet.

    • b. Het voorstel maakt duidelijk dat alle projectpartners actief betrokken zijn (geweest) bij het opstellen van het voorstel en de uitvoering hiervan.

    • c. Het is duidelijk beschreven hoe de ontwikkelde kennis en interventies (in de toekomst) kan leiden tot handelingsperspectief voor alle betrokkenen actoren (en daarbuiten).

  • 4. Passendheid en haalbaarheid van activiteiten en budget

    • a. Het voorgestelde aanpak en de activiteiten zijn passend en geschikt gezien de beoogde doelstellingen. Indien van toepassing: een looptijd langer dan 9 maanden is goed onderbouwd.

    • b. De voorgestelde activiteiten zijn haalbaar binnen de gegeven context en tijdslijn.

    • c. De gevraagde middelen zijn onderbouwd en in verhouding tot het activiteitenplan.

5 Subsidieverplichtingen

In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.

5.1 Start van het project

Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager automatisch de projectleider en het aanspreekpunt voor NWO-KIN. Projectpartners hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project en worden medeprojectleiders.

De projectleider van het project ontvangt namens KIN stuurgroep een subsidieverleningsbesluit. Daarin staan ook specifieke formulieren of richtlijnen vermeld. Het startformulier dient voor aanvang van het project te worden ingediend. Zonder deze documenten mag het project niet starten. De subsidie wordt uitbetaald in lumpsum nadat aan alle startvoorwaarden is voldaan. Projectleiders kunnen anderen machtigen om administratieve acties voor hun project uit te voeren in het ISAAC systeem. Meer informatie over de machtigingsregeling voor projectleiders staat hier: Machtigingsregeling voor projectleiders | NWO.

5.2 Monitoring en projectbeheer

Tijdens de loop van het project houdt de projectleider NWO-KIN op de hoogte van de voortgang. Dit gebeurt op verschillende manieren.

5.2.1 Integratie en communicatie

Er zullen één of meerdere personen worden aangesteld die de rol van integratiemanagers op zich nemen. Zij zorgen voor de integratie van de onderlinge projecten binnen deze subsidieoproep met elkaar en naar buiten, zoals nationale programma’s, nieuwe samenwerkingen of delen van onderzoeksresultaten. Door een aanvraag in te dienen voor deze subsidie ga je ermee akkoord dat, indien toegekend, een deel van jouw voorstel (voorstelformulier 1.1, 1.3, 1.4, 2.1, 2.2, 2.3, en de activiteitenbeschrijving van 2.5) en beoordeling wordt gedeeld met deze personen. Dit is voor de integratiemanagers nodig om een beeld te krijgen van jullie voorstel en aanpak om daar zo goed mogelijk bij te helpen en om in te spelen op adviezen van de beoordelingscommissie. In aanvulling daarop biedt het voorstelformulier ook de mogelijkheid om de gehele aanvraag te delen met met de integratiemanagers.

Het KIN wil zo goed mogelijk communiceren over de projecten. KIN heeft daarom de intentie om na de beoordelingsprocedure, na goedkeuring van de hoofdaanvrager namens alle projectpartners, naast de publiekssamenvatting ook het voorstel te delen op de KIN website. Dit is optioneel en wordt uitgevraagd in het voorstelformulier. Verder worden de projectaanvragers gevraagd proactief informatie over hun projecten te delen.

5.2.2 Bijeenkomsten

Er worden bijeenkomsten door NWO-KIN mede-georganiseerd waarbij de projectleider en/of projectpartners worden geacht aanwezig te zijn. De volgende bijeenkomsten worden gepland:

  • Kick-off: 1 dagdeel vlak voor of na de start van het project. Richttijd september 2026

  • Eindbijeenkomst: 1 dagdeel aan het einde van het project. Richttijd mei 2027

  • Optioneel: intervisiesessie (1 dagdeel). Richttijd maart 2027.

Daarnaast wordt het aanvragers aangeraden om tussendoor te overleggen met de integratiemanager(s) als daar behoefte voor is.

Het wordt de projectleider aangeraden om in de begroting een budget te alloceren voor deelname aan deze bijeenkomsten.

5.2.3 Output

Alle vormen van output (bijvoorbeeld rapportages, traingingen, tools of presentaties) die als gevolg van deze subsidie worden gegenereerd moeten open toegankelijk zijn, en worden bij voorkeur ook gepubliceerd op de KIN platform VEDA en/of andere publiek toegankelijke kennisportalen.

5.2.4 Wijzigingen en verantwoording

De Kennis-In-Actie subsidie ondersteunt experimenterende en lerende voorstellen. Het kan goed zijn dat de situatie tijdens het project om een andere aanpak vraagt en dat plannen veranderen. Hiervoor biedt de subsidie ruimte, wel zijn de projectpartners verplicht om deze wijzigingen met de projectleiders van de integratie projecten te bespreken en het KIN hierover te informeren.

5.3 Aanvullende voorwaarden

5.3.1 Intellectueel eigendom

Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2024.

Aanvragers moeten een door NWO-KIN gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de kennisinstelling werken. Indien een aanvrager of een door NWO-KIN gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.

5.3.2 Maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze subsidieoproep ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licenseren, zoals opgenomen in het NFU rapport “ Maatschappelijk Verantwoord Licenseren”.

6 Contact en overige informatie

6.1 Contact

6.1.1 Inhoudelijke vragen

Voor inhoudelijke vragen over deze subsidieoproep kan je contact opnemen met KIN via programmas@hetkin.nl.

6.1.2 Technische vragen over het elektronisch aanvraagsysteem ISAAC

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC). Daarnaast kan er contact opgenomen worden met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur CET/CEST op telefoonnummer +31 (0)70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.

6.2 Overige informatie

KIN verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.

KIN kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.


X Noot
1

Met transdisciplinair samenwerken verstaat het KIN het samenwerken tussen tenminste verschillende actoren uit wetenschap, beleid, praktijk, en/of bedrijfsleven etc. Vaak is de samenwerking bovendien ook tussen verschillende inhoudelijke disciplines. Zie ook https://www.transdisciplinairwerken.nl/

X Noot
2

Claassen, R., Schoenmaker, D., & Schramade, W. (2024). Ruim twee derde bedrijfswinsten is ten koste van mens en milieu. ESB, 109(4838).

X Noot
3

Institute and Faculty of Actuaries & University of Exeter. (2026). Parasol Lost: Recovery plan needed [Report]. Institute and Faculty of Actuaries.

X Noot
4

Monaghan, C. (2025). Fertile Ground: Europe’s new economy landscape: Mapping and analysing actors working to transform Europe’s economic system (Commissioned by Partners for a New Economy). Metabolic.

X Noot
5

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
6

Een brede opvatting van rechtvaardigheid begint met de erkenning dat verschillende groepen, zoals toekomstige generaties en mensen elders, net als dier- en plantensoorten, onrecht kunnen ondervinden door klimaatverandering of het aanpakken ervan. Rechtvaardigheid heeft verschillende aspecten: Verdelende rechtvaardigheid, Procedurele rechtvaardigheid, Herstellende rechtvaardigheid. Zie voor meer info: https://hetkin.nl/klimaatrechtvaardigheid/

X Noot
7

Duurzaamheid is contextspecifiek. Over het algemeen kan het worden gezien als het streven naar een harmonieus evenwicht dat zowel de planeet als toekomstige generaties beschermt. In het Brundtland-rapport (1987) wordt duurzaamheid gedefinieerd als het voldoen aan de behoeften van het heden zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen.

X Noot
8

Co-creatie is een bijzondere vorm van samenwerking waar gelijkwaardigheid en procesgericht handelen centraal staan. Het vereist een gelijkwaardige en betrokken samenwerking die gericht is op het gezamenlijk creëren van iets nieuws.


X Noot
1

Met transdisciplinair samenwerken verstaat het KIN het samenwerken tussen tenminste verschillende actoren uit wetenschap, beleid, praktijk, en/of bedrijfsleven etc. Vaak is de samenwerking bovendien ook tussen verschillende inhoudelijke disciplines. Zie ook https://www.transdisciplinairwerken.nl/

X Noot
2

Claassen, R., Schoenmaker, D., & Schramade, W. (2024). Ruim twee derde bedrijfswinsten is ten koste van mens en milieu. ESB, 109(4838).

X Noot
3

Institute and Faculty of Actuaries & University of Exeter. (2026). Parasol Lost: Recovery plan needed [Report]. Institute and Faculty of Actuaries.

X Noot
4

Monaghan, C. (2025). Fertile Ground: Europe’s new economy landscape: Mapping and analysing actors working to transform Europe’s economic system (Commissioned by Partners for a New Economy). Metabolic.

X Noot
5

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
6

Een brede opvatting van rechtvaardigheid begint met de erkenning dat verschillende groepen, zoals toekomstige generaties en mensen elders, net als dier- en plantensoorten, onrecht kunnen ondervinden door klimaatverandering of het aanpakken ervan. Rechtvaardigheid heeft verschillende aspecten: Verdelende rechtvaardigheid, Procedurele rechtvaardigheid, Herstellende rechtvaardigheid. Zie voor meer info: https://hetkin.nl/klimaatrechtvaardigheid/

X Noot
7

Duurzaamheid is contextspecifiek. Over het algemeen kan het worden gezien als het streven naar een harmonieus evenwicht dat zowel de planeet als toekomstige generaties beschermt. In het Brundtland-rapport (1987) wordt duurzaamheid gedefinieerd als het voldoen aan de behoeften van het heden zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen.

X Noot
8

Co-creatie is een bijzondere vorm van samenwerking waar gelijkwaardigheid en procesgericht handelen centraal staan. Het vereist een gelijkwaardige en betrokken samenwerking die gericht is op het gezamenlijk creëren van iets nieuws.

Naar boven