Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 7297 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 7297 | beleidsregel |
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 71 van de Wet op de expertisecentra;
Besluit:
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WPO BES of artikel 1 van de WEC;
gemeente Amsterdam, gemeente Almere, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam en gemeente Utrecht;
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
personen, die worden ingezet op een school en die niet in het bezit zijn van een bevoegdheid bedoeld in artikel 3 van de WPO of artikel 3 van de WEC;
school als bedoeld in artikel 1 van de WPO of artikel 1 van de WEC;
Wet op de expertisecentra;
Wet medezeggenschap op scholen;
Wet op het primair onderwijs;
Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken:
a. wat het afwijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3 onder de aldaar genoemde voorwaarden, bij de deelnemende scholen voor effecten heeft op in ieder geval de thema’s: onderwijskwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid;
b. welke randvoorwaarden voorwaardelijk zijn om positieve effecten te verkrijgen; en
c. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.
1. Het bevoegd gezag van een school die is gevestigd binnen de G5 en deelneemt aan het experiment mag afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC en daarbij andere onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 9, van de WPO en artikel 13 van de WEC aanbieden, indien:
a. de afwijking niet ziet op onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke oefening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a tot en met c, van de WPO en in artikel 13, eerste lid, onder a tot en met d, van de WEC;
b. de activiteiten passen binnen de uitgangspunten van het onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC; en
c. de afwijking in ieder geval niet meer dan in totaal 22 uren per maand omvat van de onderwijstijd, bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een school maximaal 27,5 uur per maand afwijken van de artikelen, genoemd in de aanhef van het eerste lid, indien de school heeft gekozen voor wekelijks maximaal 5,5 uren op een vaste dag per week en die vaste dag in de betreffende maand in een vijfde week valt.
1. Het bevoegd gezag dat met een school wil deelnemen aan het experiment, genoemd in artikel 3, kan bij de minister een aanvraag doen.
2. Alleen scholen die liggen in een G5-gemeente kunnen deelnemen aan het experiment.
3. De aanvraag voor deelname aan het experiment kan worden ingediend in de periode van 9 april 2026 9:00 uur tot en met 30 april 2026 13:00 uur bij de minister per e-mail via onderwijstijdpo@minocw.nl. Een bevoegd gezag dat nog niet meedoet aan het experiment kan doorlopend tot uiterlijk 31 mei 2029 13:00 de aanvraag voor deelname indienen. Aanvragen ingediend na 31 mei 2029 13:00 uur worden afgewezen.
4. Een bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag:
a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;
b. de instellingscode van de school;
c. de gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om namens het bevoegd gezag op te treden met betrekking tot deze aanvraag;
d. een overzicht van de wijze waarop het bevoegd gezag voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3;
e. een lijst van scholen waarmee het bevoegd gezag voornemens is deel te nemen aan het experiment;
f. de wijze waarop de professionals worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3; en
g. een verklaring dat een school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan het experiment Vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd of een ander experiment van de minister dat ziet op de hoeveelheid onderwijstijd.
1. Voor toelating tot het experiment beoordeelt de minister of de aanvraag voldoet aan de voorschriften uit artikel 4.
2. De minister besluit uiterlijk 30 juni 2026 op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, derde lid, eerste volzin, tot deelname aan het experiment. De minister besluit in de daaropvolgende jaren:
a. uiterlijk op 1 januari op aanvragen ingediend vanaf 1 mei tot en met 30 november; en
b. uiterlijk op 1 juli op aanvragen ingediend vanaf 1 december tot en met 1 mei.
1. Het experiment begint op 1 augustus 2026 en eindigt op 31 juli 2030. De datalevering ten behoeve van het experiment eindigt op uiterlijk 31 december 2030.
2. Scholen die deelnemen aan het experiment voldoen vanaf de start van het schooljaar 2031–2032 weer aan de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.
1. Een school van een bevoegd gezag dat deelneemt aan het experiment kan pas gebruik maken van de in artikel 3 geboden mogelijkheden, nadat het bevoegd gezag melding heeft gemaakt bij het onderzoeksbureau, genoemd in artikel 8, van het gereed zijn van het plan voor de deelname en na instemming van de medezeggenschapsraad, genoemd in artikel 3 van de WMS. Indien het plan op schoolniveau is verlopen of inhoudelijk wordt gewijzigd, is opnieuw instemming van de medezeggenschapsraad nodig.
2. De melding, genoemd in het eerste lid, bevat in ieder geval:
a. de naam en nummer van het bevoegd gezag;
b. de instellingscode van de school;
c. een experimenteerplan waarin in ieder geval het volgende is opgenomen:
1°. Een overzicht van de wijze waarop het bevoegd gezag voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en
2°. De wijze waarop de professionals worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3; en
d. een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau.
3. Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens, genoemd in het tweede lid, dan wel indien een school de deelname aan het experiment beëindigt, meldt het bevoegd gezag dit bij het onderzoeksbureau. Het onderzoeksbureau geeft dit door aan de minister.
4. De wijziging of afmelding, genoemd in het derde lid, bevat:
a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;
b. instellingscode van de school waarop de afmelding betrekking heeft;
c. bij afmelding: de reden voor afmelding;
d. bij afmelding: of de datalevering doorgang vindt na de afmelding.
1. Scholen die deelnemen aan dit experiment werken mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat gericht is op het verschaffen van inlichtingen aan de minister ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid.
2. Bij het onderzoek zal in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze en in welke mate scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij wordt onderzocht:
a. de frequentie van de afwijkingen en het type afwijkingen; en
b. de impact van het onder a bedoelde op de kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, de omgang met de personeelstekorten, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.
3. De minister schakelt een onderzoeksbureau in ten behoeve van de meldingen, genoemd in artikel 7 en het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Indien naar aanleiding van het experiment wordt besloten tot aanpassing van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 2, kan de minister besluiten de duur van het experiment, genoemd in artikel 3, te verlengen tot de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke voorschriften.
De Beleidsregel vervolg andere dag- en weekindeling vormt de basis voor de uitvoering van de andere dag- en weekindeling op scholen voor primair onderwijs in de G5 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) biedt deze scholen meer ruimte om andere professionals dan bevoegde leraren in te zetten binnen de onderwijstijd. Sinds 1 augustus 2020 loopt reeds het experiment met een andere dag- en weekindeling binnen de G5. Het experiment is gericht op het borgen van de continuïteit van het onderwijs in een situatie waarin veel minder bevoegde leraren beschikbaar zijn. Deze regeling regelt de verlenging tot 1 augustus 2030.
In onderhavige beleidsregel staat van welke wet- en regelgeving kan worden afgeweken door scholen die deelnemen binnen de G5 en welke voorwaarden daarbij gelden. Het regelt ook hoe scholen de aanvraag voor deelname kunnen doen, en wat de looptijd van het experiment is.
Gebruik term schoolbestuur
Formeel is het bevoegd gezag, en niet de school, drager van rechten en plichten op grond van de onderwijswetgeving. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze toelichting het ‘bevoegd gezag van een school’ ook wel aangeduid als ‘schoolbestuur’.
Inleiding
In juli 2025 zijn drie experimenten op het gebied van onderwijstijd in het primair onderwijs aangekondigd.1 Aanleiding hiervoor is het regelmatig terugkerende politieke en maatschappelijke debat over de huidige wettelijke eisen voor invulling van de onderwijstijd in het primair onderwijs. Met het oog op de aanhoudende schaarste op de arbeidsmarkt komt de vraag op of de huidige wettelijke eisen, die in de kern gelijk zijn gebleven sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw, nog aansluiten bij de maatschappelijke behoefte en toekomstbestendig zijn.
De wettelijke eisen rond onderwijstijd bestaat uit een viertal kernelementen, te weten a) het aantal uren onderwijs, b) gegeven door een bevoegd docent, c) met een beperkt aantal vierdaagse schoolweken en d) met vooraf vastgestelde schoolvakanties. Op al deze kernelementen zullen experimenten gaan plaatsvinden. Zodat een zo goed als mogelijk zicht komt op de relatie tussen de wettelijke eisen aan onderwijstijd in het primair onderwijs en de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid van het onderwijs. Het betreft de experimenten Onderwijstijd in Balans (kernelement a), Andere dag- en weekindeling (kernelement b) en het Experiment Ruimte in Onderwijstijd (kernelement c en d). Deze beleidsregel heeft betrekking op het experiment Andere dag- en weekindeling. Dit experiment is gericht op het borgen van de continuïteit van het onderwijs in een situatie waarin veel minder bevoegde leraren beschikbaar zijn. Het doel van het bijbehorende onderzoek is om inzicht te krijgen in het effect op de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid van het onderwijs.
Verlenging en looptijd
De schaarste op de onderwijsarbeidsmarkt verschilt per regio en is het grootst in de G5-gemeenten; Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Almere. In deze gemeenten worden daarom sinds 2020 extra maatregelen genomen die nodig zijn om de continuïteit, kwaliteit en kansengelijkheid van het onderwijs te borgen. Een van deze maatregelen is de ruimte voor een andere dag- en weekindeling zoals in artikel 3 van deze beleidsregel beschreven. Met deze regeling wordt deze ruimte verlengd tot 1 augustus 2030. Schoolbesturen in deze gemeenten dienen opnieuw een aanvraag te doen als ze gebruik willen maken van de geboden ruimte. Tevens dienen ze een melding te doen als ze tijdens de looptijd van het experiment niet langer gebruik willen maken van de ruimte.
De eerdere regeling binnen de G5 is eerder kwalitatief geëvalueerd. Om het leereffect vanuit deze situatie zo groot mogelijk te maken en scholen binnen de G5 op tijd zekerheid te geven voor hun strategische personeelsbeleid, wordt de regeling binnen de G5 verlengd en wordt het onderzoek verdiept. Binnen de G5 zijn er geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht aan de geboden experimenteerruimte in de beleidsregel.
Doel experiment
Doel van het (vervolg)experiment is om te onderzoeken wat de effecten zijn wanneer scholen afwijken van de gegeven ruimte zoals bedoeld in artikel 3 van de beleidsregel. Het gaat bij dit experiment met name om de effecten op de onderwijskwaliteit, continuïteit van onderwijs en kansengelijkheid. Daarnaast gaat het om het ontdekken van randvoorwaarden waaronder de inzet van andere professionals ten behoeve van het onderwijs mogelijk is. Tezamen met de inzichten uit de experimenten Onderwijstijd in Balans en Ruimte in onderwijstijd wordt bezien hoe de wettelijke eisen voor onderwijstijd toekomstbestendig kunnen worden vormgegeven.
De ruimte wordt geboden tot 1 augustus 2030.
Nadere beschrijving opzet experiment
Hieronder volgt een nadere beschrijving van de opzet van het experiment en de ruimte die op basis van deze beleidsregel geboden wordt. Daarbij moet aangetekend worden dat deze beleidsregel niet de mogelijkheid geeft om af te wijken van andere wet- en regelgeving, dan bedoeld in artikel 3. De overige wet- en regelgeving (en de daarmee samenhangende regels en voorschriften, zoals bijvoorbeeld uit de cao primair onderwijs) blijven onverkort gelden. Ook de andere eisen, zoals het minimaal aantal uren onderwijs blijven gelden.
Het blijft dus zo dat voor elke leerling, groep leerlingen en/of klas er een bevoegde leraar verantwoordelijk is. Deze beleidsregel creëert enkel de mogelijkheid om het onderwijs voor een deel van de onderwijstijd te laten verzorgen door andere professionals. De professionals moeten bekwaam worden geacht om activiteiten voor leerlingen te verzorgen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het schoolbestuur. Het schoolbestuur draagt ook de verantwoordelijkheid dat de andere professionals over een VOG beschikken en dat zij niet zijn uitgesloten van het geven van onderwijs door een rechterlijke uitspraak. Ook de andere voorschriften uit wet- en regelgeving blijven gelden.
Experimenteerruimte
Scholen binnen de G5 krijgen bij een geldige aanvraag in ieder geval experimenteerruimte. De beleidsregel biedt ruimte om maximaal 22 uur per maand – dus niet gemiddeld – het onderwijs door andere professionals te laten verzorgen. Dit komt neer op een dag (5,5 uur) per week. De professionals kunnen niet worden ingezet voor de vakken Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke opvoeding. Met zintuigelijke en lichamelijke opvoeding wordt het bewegingsonderwijs bedoeld dat binnen het curriculum valt. Sport- en spelactiviteiten die daarbuiten vallen mogen wel door andere professionals worden aangeboden. De wettelijke onderwijstijd blijft gelijk, maar wordt deels anders ingevuld.
Indien een school een vaste dag in de week een alternatief programma heeft en deze dag vijf in plaats van vier keer in een maand voorkomt, dan valt de vijfde dag binnen de ruimte die in deze beleidsregel wordt geboden. Als een school bijvoorbeeld op vrijdag een alternatief programma aanbiedt aan leerlingen en de vrijdag komt vijf keer in een maand voor dan mag het alternatieve programma vijf keer in die maand op vrijdag worden georganiseerd.
Op grond van de Experimentenwet onderwijs geeft deze beleidsregel scholen voor primair onderwijs ruimte om af te wijken op twee punten van de WPO of de WEC. Deelnemende scholen krijgen tijdelijk en beperkt meer ruimte voor de inzet van andere professionals dan bevoegde leraren (hierna: andere professionals). Daarmee wordt afgeweken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b van de WEC. Daarbij is er ook ruimte om andere activiteiten aan te bieden binnen onderwijstijd als bedoeld in artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC.
Deelnemende scholen kunnen meerdere varianten kiezen. Ze kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om één hele dag in een week anders in te vullen voor een groep leerlingen of ze kunnen ervoor kiezen om dat over meerdere dagen in de week te verspreiden. Deze tijd kan bijvoorbeeld worden ingevuld met activiteiten gericht op creatieve, sociale of digitale vaardigheden die door andere professionals worden verzorgd. Andere activiteiten zijn ook mogelijk, zolang het doel past binnen de uitgangspunten en doelen van het onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC en de activiteiten niet louter gericht zijn op het opvangen van leerlingen. De andere professionals mogen niet worden ingezet voor de kernvakken Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke opvoeding.
Voorwaarden voor deelname aan het experiment
Aan deelname van het experiment worden een aantal voorwaarden gesteld. Deze zijn er ter waarborg van de onderwijskwaliteit, het draagvlak in de school en ten behoeve van het onderzoek.
Deelname aan maximaal één onderwijstijdexperiment
Voor een zo zuiver mogelijk onderzoek kunnen scholen aan maximaal één experiment dat ziet op onderwijstijd tegelijkertijd deelnemen. Scholen kunnen daarom niet tegelijkertijd meedoen aan de Andere dag- en weekindeling en het Experiment Ruimte in Onderwijstijd. De aanvraagtermijn voor de Andere dag- en weekindeling en Ruimte in Onderwijstijd vindt gelijktijdig plaats. Het bevoegd gezag dat de aanvraag doet mag daarom maar voor één betreffende school voor één experiment één aanvraag indienen. Mochten er in de toekomst nog andere, nieuwe experimenten rondom onderwijstijd gestart worden, dan geldt ook daarvoor dat scholen niet tegelijkertijd aan meerdere experimenten die zien op onderwijstijd mogen meedoen.
Experimenteerplan
Van scholen wordt gevraagd om een experimenteerplan op te stellen. Het experimenteerplan dient twee doelen. Het eerste doel is om ervoor te zorgen dat de scholen bedacht en onderbouwd hebben hoe ze het experiment willen invullen. Het tweede doel van het experimenteerplan is om informatie op te halen ten behoeve van het onderzoek. Voor het onderzoek is van belang om te weten hoe de scholen van plan zijn het experiment invulling te geven, zodat in de loop van de tijd ook gemeten kan worden of en waarom dat wel of niet gelukt is.
Instemming medezeggenschapsraad
Voor een andere indeling van de onderwijstijd moet voldoende draagvlag zijn bij personeel (schoolteam), ouders, leerlingen en het schoolbestuur. Het experiment maakt geen uitzondering op de Wet medezeggenschap op scholen (WMS). Dit betekent dat de oudergeleding instemmingsrecht heeft ten aanzien van de onderwijstijd (artikel 13, aanhef en onder h, WMS). Vanwege het belang van draagvlak en betrokkenheid van ouders en personeel wordt voor deelname aan het experiment tevens een verklaring van instemming van de medezeggenschapsraad verlangd.
Melding en afmelding
De verwachting is dat scholen die nog geen gebruikmaken van de andere dag- en weekindeling enige tijd nodig hebben om de invulling van het experiment ook praktisch te organiseren binnen de school. Daarom krijgen de scholen de tijd om zich praktisch voor te bereiden. De scholen dienen een melding te maken bij het onderzoeksbureau dat ze het experiment daadwerkelijk starten.
Een school kan gedurende het experiment om verschillende redenen willen stoppen met het experiment. De school dient zich in dat geval af te melden bij het onderzoeksbureau met opgaaf van de reden voor afmelding. Het stoppen van het experiment en de redenen waarom zijn belangrijke informatiepunten voor het begeleidend onderzoek.
Aanvraag deelname
Besturen kunnen in de periode van 9 april 2026 9:00 uur tot en met 30 april 2026 een aanvraag sturen aan het Ministerie van OCW via het e-mailadres onderwijstijdpo@minocw.nl. Bij de aanvraag moet in ieder geval worden aangegeven op welke manier het schoolbestuur voornemens is af te wijken van de wettelijke voorschriften, een lijst van scholen waarmee het bevoegd gezag voornemens is deel te nemen, de wijze waarop de professionals worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten en een verklaring dat een school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan het experiment vervolg en uitbreiding van ruimte in onderwijstijd of een ander experiment van de minister dat ziet op onderwijstijd.
Als een schoolbestuur een aanvraag doet, kunnen alle scholen binnen het schoolbestuur meedoen mits zij binnen de G5-gemeenten staan. Een schoolbestuur hoeft dus niet bij de aanvraag al te beslissen welke scholen gebruik gaan maken van de ruimte.
Besturen die in 2025 een aanvraag doen ontvangen een beschikking voor de komende vier schooljaren. Besturen die na 2025 een aanvraag doen, bijvoorbeeld omdat zij eerder nog niet meededen of hun aanvraag te laat was ingediend, ontvangen een beschikking voor de resterende schooljaren tot en met 31 juli 2030 In 2026, 2027, 2028 en 2029 kan gedurende het jaar een aanvraag worden ingediend, tot uiterlijk 31 mei 2029. Hierbij zijn er twee besluitmomenten in het jaar. De minister heeft de bevoegdheid om deelname van een schoolbestuur of een school te beëindigen indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het experiment.
Uitvoering en handhaving
Mochten er vooraf vragen zijn, dan kunnen deze via onderwijstijdpo@minocw.nl gesteld worden. Per 1 augustus 2026 start het experiment. De Inspectie van het Onderwijs is dan op de hoogte van het experiment en zal op de reguliere wijze toezicht houden.
Regeldruk
In dit hoofdstuk worden de (verwachte) effecten van de onderhavige regeling op de regeldruk beschreven. Daartoe wordt het ervaren nut van het wetsvoorstel, de werkbaarheid van het voorstel en de regeldrukkosten besproken.
Ervaren nut en toegevoegde waarde
Met dit experiment krijgen scholen in het primair onderwijs ruimte om voor 22 uur per maand andere professionals dan bevoegde leraren in te zetten onder onderwijstijd. De tekorten in het primair onderwijs bieden aanleiding om andere vormen van organiseren mogelijk te maken. Er zijn veel scholen die hier behoefte aan hebben en baat bij hebben. Tegelijkertijd zijn er vanuit (vertegenwoordigers van) leraren zorgen over het effect dat dit mogelijk kan hebben op het beroep van de leraar.
In de G5 zijn sinds 2020 al ervaringen opgedaan met de inzet van andere professionals, de evaluatie daarvan is (deels) positief De evaluatie was gebaseerd op kwalitatief onderzoek. Om een gefundeerd besluit te kunnen nemen over een eventuele landelijke wettelijke aanpassing, is eerst meer onderzoek nodig, aangezien het experiment raakt aan een fundamenteel onderdeel van de Wet Primair Onderwijs, namelijk de bevoegdheid. Daarom wordt het onderzoek verlengd en een verdieping in het onderzoek aangebracht.
Deze regeling biedt deelnemende scholen verschillende voordelen/opbrengsten. Scholen die deelnemen aan het experiment kunnen andere professionals inzetten tijdens onderwijstijd (waar binnen de G5 veel behoefte aan is) en dragen bij aan onderzoek. Het experiment is geslaagd als na afloop meer inzicht is verkregen in de volgende vragen:
1. wat het afwijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3 bij de deelnemende scholen voor effecten heeft op de onderwijskwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid;
2. welke randvoorwaarden voorwaardelijk zijn om positieve effecten te verkrijgen; en
3. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.
Werkbaarheid
Scholen dienen bij de start van het experiment een experimenteerplan in van hoe zij het experiment op hun school vormgeven. Daarmee wordt geborgd dat scholen het afwijken van de in de regeling beschreven artikelen op een werkbare manier vormgeven. Met de doorlooptijden van het experiment is daarnaast rekening gehouden met de tijd die het kost om het op school georganiseerd te krijgen. Ook hebben scholen na afloop van het experiment een jaar de tijd om de organisatie weer terug te veranderen als wetgeving niet wordt aangepast.
Met vragen over het onderzoek kunnen scholen terecht bij de onderzoekers of bij de contactpersoon bij het Ministerie van OCW via onderwijstijdpo@minocw.nl.
Regeldrukkosten
De administratieve lasten die deze beleidsregel met zich brengt, zijn in kaart gebracht. De kosten zijn berekend volgens het standaardkostenmodel (SKM) dat is opgesteld door het Ministerie van Financiën. Aangezien de verplichting, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, voor het aanleveren van informatie door de scholen die willen deelnemen aan dit experiment verandert, heeft deze beleidsregel gevolgen voor de administratieve lasten van deze scholen. In totaal bedragen de administratieve lasten € 440.000,00. Dit is het gevolg van het indienen van de aanvraag, het maken van een experimenteerplan en het meewerken aan de monitoring en evaluatie van dit experiment.
Voor deelname aan het experiment wordt geen verdere verantwoording van schoolbesturen of scholen gevraagd. Daarom zijn hier geen aanvullende kosten voor opgenomen in de regeldruktabel.
|
Doelgroep |
Handeling |
Structurele kosten per handeling (P) |
Aantal handelingen (inschatting Q) |
Totaal (PxQ) |
||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Instellingen |
Tijds besteding |
Uurtarief |
Totaal |
Aantal |
Frequentie |
Totaal Q |
||
|
Scholen |
Plan maken en indienen |
24 |
€ 50,00 |
€ 1.200,00 |
100 |
1 |
100 |
€ 120.000,00 |
|
Informatie aanleveren voor de monitoring |
16 |
€ 50,00 |
€ 800,00 |
100 |
4 |
400 |
€ 320.000,00 |
|
|
Totaal |
€ 440.000,00 |
|||||||
Advies ATR
Op 8 december 2025 is het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) om advies gevraagd voor een eerdere versie van de beleidsregel (dit is gecombineerd met een adviesaanvraag voor het experiment ‘vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd’). Het ATR beoordeelt de regeldrukgevolgen van de regeling aan de hand van het volgende toetsingskader:
1. Nuloptie (nut en noodzaak): is er een taak voor de overheid en is wetgeving het meest aangewezen instrument?
2. Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk?
3. Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de doelgroepen die de wetgeving moeten naleven?
4. Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld gebracht?
Het college adviseert om toe te lichten welke toegevoegde waarde het verlengde experiment met betrekking tot de dag- en weekindeling heeft, uitgaande van de bekende resultaten van inzet van andere professionals, en bij welke resultaten het experiment geslaagd is. Dit is in bovenstaande toelichting gedaan. Verder adviseert het college om na te gaan of de monitorings- en evaluatieverplichtingen voor scholen werkbaar zijn. Dat is gedaan, onder andere via vertegenwoordigers vanuit de G5. Het college adviseert ook om de regeldrukberekeningen aan te vullen met een inschatting van de verantwoordingskosten, conform de Rijksbrede methodiek. Ook dat is verwerkt in de toelichting.
Overige opmerkingen uit het ATR-advies hadden betrekking op een eerdere versie van de beleidsregel of op het experiment ‘vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd’.
Financiële gevolgen
Het ministerie betaalt de kosten voor het monitoren en onderzoeken van dit experiment.
Monitoring en evaluatie
Voor de monitoring en evaluatie van deze beleidsregel wordt een onafhankelijk onderzoeksbureau geworven. De onderzoekers zullen het experiment gedurende de gehele looptijd volgen en monitoren en tegen het einde van het experiment een eindrapport uitbrengen met de evaluatie van het experiment. Op basis van dit onderzoek, in combinatie met het onderzoek bij de experimenten Ruimte in onderwijstijd en Onderwijstijd in Balans, kan worden bepaald of de uitkomsten aanleiding geven voor wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van onderwijstijd. Ten behoeve van de monitoring en evaluatie zullen gegevens uit verschillende bronnen worden gecombineerd. Voor de onderzoeksthema’s kwaliteit, kansengelijkheid en continuïteit kan gebruik gemaakt worden van onder andere leerlingenprestatiegegevens en ontwikkelingsgegevens (bijv. onderbouwsucces VO), verzuimgegevens en gegevens over de school (bijv. schoolweging). De invulling van het onderzoek zal in overleg met het onderzoeksbureau vorm krijgen. Bij de aanvraag voor deelname aan het experiment geven scholen aan dat zij mee zullen werken aan het onderzoek en hiertoe informatie zullen verstrekken. Deze voorwaarde zal ook in het besluit worden opgenomen.
Dit artikel geeft het doel aan van het experiment. Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken welke impact de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3 heeft op de kwaliteit, continuïteit, kansengelijkheid, werkdruk, aantrekkelijkheid, organiseerbaarheid en financiering van het onderwijs van de deelnemende scholen. Daarnaast is het doel om te onderzoeken welke randvoorwaarden voorwaardelijk zijn om positieve effecten te verkrijgen; en te onderzoeken of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.
Dit experiment maakt het mogelijk voor schoolbesturen om onder voorwaarden op twee punten af te wijken van de WPO en WEC, namelijk ten aanzien van degene die voor de klas staat, namelijk ten aanzien van de inhoud van het onderwijs en ten aanzien van degene die voor de klas staat.
Afwijken van artikel 9 van de WPO of artikel 13 van de WEC – het aanbieden van activiteiten als onderwijstijd
artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC regelen de inhoud van het onderwijs. De artikelen bepalen onder andere dat het onderwijs de volgende onderwijsactiviteiten (waar mogelijk in samenhang) omvat: zintuiglijke en lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, Engelse taal, enkele kennisgebieden, expressie-activiteiten, bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer, bevordering van gezond gedrag. Bij de kennisgebieden wordt volgens dit artikel in elk geval aandacht besteed aan: aardrijkskunde, geschiedenis, de natuur, waaronder biologie, maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting en geestelijke stromingen.
Het schoolbestuur dat met een school deelneemt aan het experiment mag andere onderwijsactiviteiten aanbieden dan bedoeld in artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC als onderwijs en die mee laten tellen als onderwijstijd. De activiteiten passen binnen de uitgangspunten en doelen van het onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC en zijn niet louter gericht op het opvangen van leerlingen.
Afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC
Dit artikel regelt dat het schoolbestuur voor het geven van onderwijs onder voorwaarden mag afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en de WEC. Dat betekent dat het schoolbestuur iemand onderwijs mag laten geven die níet in het bezit is van een WHW-getuigschrift, een erkenning van beroepskwalificaties of een geschiktheidsverklaring als bedoeld in genoemd artikel.
De voorwaarden voor deze afwijkingen
Het schoolbestuur mag alleen onder bepaalde volgende voorwaarden gebruik maken van deze mogelijkheid om af te wijken van de WPO of WEC. Het onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en voor zintuigelijke en lichamelijke oefening dient te allen tijde te worden gegeven door een docent die overeenkomstig de WPO/WEC bevoegd en bekwaam is. Voor deze vakken geldt de afwijkingsmogelijkheid niet. Met zintuigelijke en lichamelijke opvoeding wordt het bewegingsonderwijs bedoeld dat binnen het curriculum valt. Sport- en spelactiviteiten die daarbuiten vallen mogen wel door andere professionals worden aangeboden.
Er moet sprake zijn van een tijdelijke afwijking. Deze afwijking mag in ieder geval niet meer dan in totaal 22 uur per maand van de onderwijstijd als bedoeld in artikel 8, negende lid, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC betreffen. Indien een school een vaste dag in de week een alternatief programma heeft en deze dag vijf in plaats van vier keer in een maand voorkomt, dan valt de vijfde dag binnen de ruimte die met deze beleidsregel wordt geboden.
Eerste, tweede en derde lid
Bevoegd gezagen die willen deelnemen aan het experiment kunnen bij de minister een aanvraag doen. Voor dit deel van het experiment geldt dat dit alleen van toepassing is op scholen (en daaronder vallende vestigingen) binnen de G5. Zowel scholen in de G5 die al meedoen aan het bestaande experiment, als scholen binnen de G5 die nog niet deelnemen aan het bestaande experiment kunnen zich aanmelden. De aanvraag wordt gedaan in de periode van 9 april 2026 9:00 uur tot en met 30 april 2026 13:00. Een bevoegd gezag kan in de daaropvolgende jaren op elk moment tot uiterlijk 31 mei 2029 de aanvraag voor deelname indienen. In artikel 5 wordt ingegaan op de beslismomenten.
Vierde lid
Voor zowel een bevoegd gezag dat reeds een beschikking heeft voor toelating tot het experiment andere dag en weekindeling tot en met 1 augustus 2026 als een bevoegd gezag dat dit niet heeft, geldt dat zij bij hun aanvraag de contactgegevens van het bevoegd gezag voegen, de instellingscode van de school, de contactgegevens van de contactpersoon die bevoegd is om op te treden met betrekking tot deze aanvraag, een overzicht van de wijze waarop zij voornemens zijn gebruik te maken van de wettelijke voorschriften, een lijst van scholen waarmee het bevoegd gezag voornemens is deel te nemen aan het experiment, de wijze waarop de professionals worden begeleid en tot slot een verklaring dat een school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan een ander experiment van de minister dat ziet op onderwijstijd.
De minister beoordeelt of de aanvraag voldoet aan de voorschriften uit artikel 4. In het tweede lid is uitgewerkt op welke momenten de minister beslist.
Eerste lid
Het experiment begint op 1 augustus 2026 en eindigt op 31 juli 2030. De datalevering loopt door tot 31 december 2030.
Tweede lid
Scholen dienen vanaf de start van schooljaar 2031–2032 weer aan de wettelijke voorschriften te voldoen. Op die manier hebben scholen een jaar na afloop van het experiment om hun organisatie weer in lijn te brengen met de wettelijke voorschriften
Eerste lid
Scholen die deelnemen moeten dat op het moment dat zij gebruik maken van de ruimte in deze beleidsregel melden bij het onderzoeksbureau. Hetzelfde geldt als het gebruik van de ruimte die in de beleidsregel wordt geboden wordt beëindigd.
Tweede lid
Een melding moet de contactgegevens van het schoolbestuur en de instellingscode van de betreffende school bevatten, een experimenteerplan en een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad.
Derde lid
Indien een schoolbestuur gedurende het experiment besluit niet langer te willen deelnemen aan het experiment of als er iets wijzigt in de gegevens, genoemd in het tweede lid, doet hij hiervan melding bij het onderzoeksbureau.
Vierde lid
De afmelding bevat de contactgegevens van het schoolbestuur, de instellingscode van de school, en indien van toepassing: de reden van afmelding en of de datalevering doorgang vindt na de afmelding.
Eerste lid
Het experiment zal – zoals gebruikelijk bij experimenten – begeleid worden door een onderzoek en evaluatie ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid. Deelnemers aan dit experiment zijn verplicht mee te werken aan door of namens de minister hiertoe ingestelde onderzoekingen.
Tweede lid
Het onderzoek zal onder meer gericht zijn op de wijze en de mate waarin scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij wordt onderzocht wat de impact hiervan is op de kwaliteit, continuïteit, kansengelijkheid, werkdruk, aantrekkelijkheid, organiseerbaarheid en financiering van het onderwijs.
Derde lid
De minister schakelt een onderzoeksbureau in om het onderzoek en de procedure rond de meldingen uit te voeren.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025. https://open.overheid.nl/documenten/57c7b137-973d-4554-a04d-bba6138891e9/file
Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025. https://open.overheid.nl/documenten/57c7b137-973d-4554-a04d-bba6138891e9/file
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-7297.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.