Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2026, nr. WJZ/61832636, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van grote restauratieopgaven van niet-woonhuisrijksmonumenten (Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 7.3, tweede lid, juncto 7.7, tweede lid en 7.5, eerste lid, van de Erfgoedwet;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

AGVV:

Verordening (EU) 651/1024 van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187/1);

eigenaar:

natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een rijksmonument;

groen monument:

rijksmonument of zelfstandig onderdeel zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting, zoals een park- of tuinaanleg, met dien verstande dat verdedigingswerken zonder een rijksbeschermde groenaanleg niet worden aangemerkt als groen monument;

inspectierapport:

rapport dat de technische of fysieke staat van een rijksmonument beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik:

rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat functioneel bij een gebouw hoort dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging, vanwege het rechtstreeks met die gezamenlijke belijdenis in dat gebouw verbonden huidige gebruik;

kerkgebouw:

rijksmonument of zelfstandig onderdeel, dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

Leidraad:

Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

niet-woonhuisrijksmonument:

rijksmonument of zelfstandig onderdeel, dat geen woonhuis is;

nieuwe eigenaar:

natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht op een rijksmonument heeft verkregen door eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 16;

omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet;

professionele organisatie voor monumentenbehoud:

aangewezen organisatie als bedoeld in artikel 30 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten;

RCE:

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;

restauratiekosten:

kosten van restauratiewerkzaamheden en andere kosten die volgens de Leidraad als subsidiabel zijn aangemerkt;

restauratiewerkzaamheden:

werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de restauratie van het rijksmonument en daarmee samenhangend normaal onderhoud;

samenstel van rijksmonumenten:

twee of meer rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen gekenmerkt door hun onderlinge samenhang die mede bepalend is voor hun monumentale waarde;

woonhuis:

rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, met dien verstande dat niet als woonhuis wordt aangemerkt een kerkgebouw, kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik, kasteel, paleis, hoofdhuis van een buitenplaats, landhuis, gebouw van liefdadigheid, molen, gemaal, agrarisch gebouw, watertoren of gebouw dat deel uitmaakt van een geregistreerd museum;

zelfstandig onderdeel:

  • a. deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid,

  • b. deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een toren van een kerkgebouw, of

  • c. alle delen gezamenlijk van een rijksmonument, zijnde een aanleg zoals een park- of tuinaanleg, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling en AGVV

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister kan subsidie verstrekken aan een eigenaar voor de restauratiekosten ten behoeve van:

    • a. groene monumenten;

    • b. overige niet-woonhuisrijksmonumenten; of

    • c. een samenstel van rijksmonumenten, gevormd door onder a of b genoemde monumenten.

  • 2. Subsidiabel zijn de restauratiekosten, met dien verstande dat kosten waarvoor op grond van artikel 7 subsidie wordt geweigerd, als niet-subsidiabel worden aangemerkt.

  • 3. In afwijking van de artikelen 3.2, tweede lid, en 4.3, eerste lid, van de Kaderregeling zijn ook de restauratiekosten subsidiabel ten aanzien van de voorbereiding van de aanvraag, bestaande uit voor de restauratiewerkzaamheden noodzakelijke aanbestedingskosten, leges voor de omgevingsvergunning voor de restauratiewerkzaamheden, en kosten voor inspectie, onderzoek, planvorming of rapporten.

Artikel 4. Hoogte subsidiebedrag

  • 1. Het subsidiepercentage bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele restauratiekosten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het subsidiepercentage maximaal 30% van de subsidiabele restauratiekosten, indien de eigenaar op het moment van indienen van de aanvraag:

    • a. belastingplichtig is als bedoeld in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met dien verstande dat dit onderdeel niet van toepassing is indien de eigenaar uit hoofde van artikel 5, 6, 6a of 6b van die wet van de vennootschapsbelasting is vrijgesteld, hetgeen kan worden vastgesteld aan de hand van gegevens over het laatste boekjaar, voorafgaand aan het moment van aanvraag, waarvan de jaarrekening is vastgesteld en indien van toepassing de belastingaangifte is ingediend; of

    • b. de kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 3 voor het desbetreffende rijksmonument of zelfstandig onderdeel in aftrek zou kunnen brengen op hetzij de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, hetzij het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van die wet.

  • 3. Het subsidiebedrag wordt berekend over een bedrag van maximaal € 10 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten.

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing indien de eigenaar een professionele organisatie voor monumentenbehoud is.

  • 5. Indien een aanvraag wordt ingediend namens meerdere mede-eigenaren, en op één of meer van deze mede-eigenaren is het tweede lid van toepassing, geldt voor die aanvraag maximaal het subsidiepercentage, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5. Aanvraagperiode en subsidieplafond

  • 1. De hoogte van het subsidieplafond voor enige aanvraagronde wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

  • 2. In enig kalenderjaar kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd indien het subsidieplafond is bekendgemaakt in de Staatscourant. In dat geval kan een aanvraag worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 15 september van het kalenderjaar waarvoor het subsidieplafond is bekendgemaakt.

Artikel 6. Aanvraag subsidie

  • 1. Een eigenaar dient een subsidieaanvraag elektronisch in bij de RCE met gebruikmaking van een aanvraagformulier dat daartoe op www.cultureelerfgoed.nl beschikbaar is gesteld.

  • 2. Per aanvraag kan slechts voor één rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten subsidie worden aangevraagd.

  • 3. Per aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, tweede lid, kan voor hetzelfde rijksmonument of zelfstandig onderdeel maar één aanvraag worden ingediend.

  • 4. Een aanvraag mag alleen betrekking hebben op rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen die aan één eigenaar behoren, waaronder mede-eigenaren.

  • 5. Indien artikel 4, eerste lid, van toepassing is, kan een aanvraag worden ingediend voor één van de volgende subsidiepercentages van de subsidiabele restauratiekosten:

    • a. 20%;

    • b. 30%;

    • c. 40%;

    • d. 50%.

  • 6. Indien artikel 4, tweede lid, van toepassing is, kan een aanvraag worden ingediend voor één van de volgende subsidiepercentages van de subsidiabele restauratiekosten:

    • a. 10%;

    • b. 20%;

    • c. 30%.

  • 7. Een aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een actueel inspectierapport met een beschrijving van de technische staat van het rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten, en, voor zover niet in het inspectierapport opgenomen, overzichts- en detailfoto’s met een toelichting, die een duidelijke indruk geven van het monument en zijn gebreken;

    • b. tekeningen van de bestaande toestand van het rijksmonument en zijn gebreken, en tekeningen waarop de voorgenomen restauratiewerkzaamheden duidelijk staan aangegeven;

    • c. een werkomschrijving of bestek, gebaseerd op de beschrijving van de technische staat, met de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren en de wijze van uitvoering en verwerking;

    • d. een afschrift van de omgevingsvergunning, met de daaraan ten grondslag liggende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van de omgevingsvergunning, voor in ieder geval de eerste fase van de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • e. een gespecificeerde begroting van de restauratiekosten, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld begrotingsmodel, dat daartoe op www.cultureelerfgoed.nl beschikbaar is gesteld, waarin per werkzaamheid de daarbij behorende hoeveelheden en kosten van arbeid, materiaal en materieel zijn aangeven;

    • f. een planning van de restauratiewerkzaamheden en uitgaven, met een voorgenomen startdatum en einddatum, waaruit blijkt dat de restauratiewerkzaamheden binnen 18 maanden na de aanvraagperiode aanvangen en binnen vijf jaar na aanvang worden afgerond;

    • g. voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid of als een toren van een kerkgebouw: een tekening waarop het zelfstandige onderdeel duidelijk is weergegeven ten opzichte van aangrenzende zelfstandige onderdelen;

    • h. voor zover het een groen monument betreft:

      • 1°. één overzichtskaart van het groene monument, voorzien van een schaalstok en noordpijl, met de locatie van de restauratiewerkzaamheden;

      • 2°. voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft: een kaart met de betrokken kadastrale percelen;

    • i. indien het een samenstel van rijksmonumenten betreft:

      • 1°. een beknopte uitleg van de onderlinge samenhang;

      • 2°. een overzichtskaart waarop de desbetreffende rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen duidelijk zijn weergegeven;

    • j. in voorkomende gevallen rapporten inzake bouwfysische, bouwhistorische, constructieve, cultuurhistorische, decoratieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • k. in het geval van meerdere eigenaren: een machtigingsformulier, ondertekend door elk van de mede-eigenaren.

Artikel 7. Weigeringsgronden

Subsidie wordt in ieder geval geweigerd:

  • a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een woonhuis;

  • b. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een archeologisch monument;

  • c. indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op normaal onderhoud;

  • d. indien de aanvrager niet beschikt over de omgevingsvergunning voor in ieder geval de eerste fase van de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd;

  • e. voor zover de restauratiekosten betrekking hebben op restauratiewerkzaamheden die reeds zijn aangevangen of voltooid vóór de subsidieverlening, uitgezonderd de restauratiekosten, bedoeld in artikel 3, derde lid;

  • f. voor zover de subsidie naar het oordeel van de minister niet noodzakelijk is voor de instandhouding van het rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten;

  • g. voor zover de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd naar het oordeel van de minister niet sober en doelmatig zijn;

  • h. voor zover voor de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd reeds een rijkssubsidie of een lening als bedoeld in artikel 7.8 van de Erfgoedwet is verstrekt;

  • i. voor zover bij schade de restauratiekosten op grond van een verzekering worden gedekt;

  • j. voor zover de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 op verschuldigde omzetbelasting in aftrek kunnen worden gebracht of op verzoek kunnen worden terugbetaald, of op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds kunnen worden teruggevorderd;

  • k. voor zover voor hetzelfde rijksmonument of zelfstandig onderdeel in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de indiening van de aanvraag op grond van deze regeling reeds subsidie is verleend;

  • l. indien de aanvraag wordt ingediend buiten de periode bedoeld in artikel 5, tweede lid;

  • m. indien van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, minder dan € 2,5 miljoen als subsidiabel wordt aangemerkt, tenzij het samenstel, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, waarvoor een aanvraag wordt ingediend, uitsluitend bestaat uit monumenten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a;

  • n. indien van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of artikel 3, eerste lid, onderdeel c, indien het samenstel uitsluitend bestaat uit monumenten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, minder dan € 1 miljoen als subsidiabel wordt aangemerkt;

  • o. voor zover het totaal aan ontvangen subsidies en bijdragen van derden in combinatie met de subsidie die op grond van artikel 3 kan worden verstrekt, meer dan 100% van de subsidiabele restauratiekosten bedraagt;

  • p. indien ten aanzien van de aanvrager of één of meer mede-eigenaren een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de AGVV; of

  • q. indien de aanvrager of één of meer mede-eigenaren een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, van de AGVV.

Artikel 8. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. Indien de totale aangevraagde subsidie van alle aanvragen hoger is dan het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, dan wordt op die aanvragen in de volgende volgorde beslist:

    • a. aanvragen als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel a;

    • b. aanvragen, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel b en zesde lid, onderdeel a;

    • c. aanvragen, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel c en zesde lid, onderdeel b;

    • d. aanvragen, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdeel d en zesde lid, onderdeel c.

  • 2. Indien het subsidieplafond wordt bereikt binnen één van de onderdelen a tot en met d van het eerste lid, wordt de rangschikking binnen het desbetreffende onderdeel door loting bepaald.

  • 3. Indien het resterende budget lager is dan de totale begrote kosten vermenigvuldigd met het aangevraagde subsidiepercentage van de eerstvolgende aanvraag, dan wordt deze aanvraag afgewezen. De eerstvolgende aanvraag in de rangschikking waarvan de totale begrote kosten vermenigvuldigd met het aangevraagde subsidiepercentage wel binnen het resterende budget valt, wordt beoordeeld en toegekend voor zover deze voor subsidie in aanmerking komt.

  • 4. Als na toepassing van het derde lid nog budget resteert, is het derde lid van overeenkomstige toepassing voor de eerstvolgende aanvraag in de rangschikking waarvan de totale begrote kosten vermenigvuldigd met het aangevraagde subsidiepercentage binnen het resterende budget past.

  • 5. Indien het subsidieplafond voor enige aanvraagronde niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het bedrag dat voor subsidieverstrekking beschikbaar is voor de eerstvolgende aanvraagronde.

Artikel 9. Subsidieverlening en bevoorschotting

  • 1. De subsidie wordt verleend binnen 22 weken na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 2. In aanvulling op artikel 4.2 van de Kaderregeling neemt de minister in de verleningsbeschikking een datum op waarop de restauratiewerkzaamheden uiterlijk worden afgerond, gelegen uiterlijk vijf jaren na aanvang van de restauratiewerkzaamheden.

  • 3. De minister verleent voorschotten waarvan de hoogte en de termijnen in de verleningsbeschikking worden bepaald. De minister kan aan het verstrekken van voorschotten de voorwaarde verbinden dat offertes of facturen worden overgelegd. Het bevoorschottingsritme kan worden aangepast als de voortgang van de restauratiewerkzaamheden afwijkt van de bij de aanvraag ingediende planning, bedoeld in artikel 6, zevende lid, onderdeel f.

Artikel 10. Aanvullende subsidieverplichtingen

  • 1. De restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie wordt verstrekt, worden niet uitgevoerd zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning.

  • 2. De restauratiewerkzaamheden, anders dan die ter voorbereiding van de aanvraag als bedoeld in artikel 3, derde lid, vangen aan uiterlijk 18 maanden na de aanvraagperiode en de eigenaar doet hiervan binnen twee weken na aanvang van die restauratiewerkzaamheden schriftelijk melding aan de minister.

  • 3. Onverminderd het eerste lid kan de minister een eigenaar bij de subsidieverlening verplichten om:

    • a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel en publicatie van de resultaten van dat onderzoek;

    • b. de RCE uit te nodigen voor de startvergadering en de bouwvergaderingen over de restauratiewerkzaamheden en de verslagen van de bijeenkomsten te delen met de RCE;

    • c. mee te werken aan een onderzoek door een deskundige naar de uitvoering van de voorgenomen restauratiewerkzaamheden;

    • d. de restauratiewerkzaamheden uit te voeren volgens in de beroepsgroep geldende normen;

    • e. het rijksmonument of zelfstandig onderdeel te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het rijksmonument of zelfstandig onderdeel;

    • f. de restauratiewerkzaamheden onder nader door de minister te stellen voorwaarden te doen begeleiden, indien voor de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden specifieke kennis is vereist;

    • g. voor de duur van de werkzaamheden een Construction All Risk verzekering af te sluiten;

    • h. vanaf de aanvang van de werkzaamheden op eigen kosten het rijksmonument te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de restauratiewerkzaamheden daartegen verzekerd te houden;

    • i. voor zover de gesubsidieerde instandhoudingskosten bij schade worden gedekt op grond van een verzekering na de subsidieaanvraag, zo spoedig mogelijk aan de minister te melden welke instandhoudingskosten het betreft; of

    • j. in de opdrachtformulering voor het uitvoeren van de gesubsidieerde restauratiewerkzaamheden rekening te houden met het creëren van stage- en leerwerkplekken voor studenten.

Artikel 11. Intrekking subsidieverlening en uitstel startdatum

  • 1. De minister kan de subsidieverlening intrekken indien de eigenaar niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid.

  • 2. De minister kan de periode bedoeld in artikel 10, tweede lid, op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger éénmalig uitstellen met maximaal één jaar, indien het door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is om de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode aan te laten vangen.

  • 3. Een verzoek om uitstel bevat:

    • a. een motivering waaruit blijkt welke omstandigheden maken dat de activiteiten redelijkerwijs niet kunnen aanvangen op de oorspronkelijke startdatum; en

    • b. een nieuwe planning van de werkzaamheden en uitgaven, met een voorgenomen startdatum en einddatum, waaruit blijkt dat de restauratiewerkzaamheden binnen één jaar na de oorspronkelijke startdatum aanvangen en binnen vijf jaar na aanvang worden afgerond.

  • 4. De subsidieontvanger dient een aanvraag als bedoeld in het tweede lid onverwijld in en uiterlijk voor de oorspronkelijke startdatum waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 12. Verantwoording van subsidies tot € 125.000

  • 1. De eigenaar legt rekening en verantwoording af aan de hand van een prestatieverklaring over de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, dat daartoe op www.cultureelerfgoed.nl beschikbaar is gesteld.

  • 2. De prestatieverklaring gaat vergezeld van een inspectierapport per rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten, dat is opgesteld na afloop van het verrichten van de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie is verleend.

  • 3. Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de eigenaar zich niet aan de aan subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het eerste en derde lid, toont de eigenaar op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In de verleningsbeschikking wordt aangegeven op welke wijze dit desgevraagd wordt aangetoond.

Artikel 13. Verantwoording bij subsidies vanaf € 125.000

  • 1. De eigenaar legt rekening en verantwoording af aan de hand van een prestatieverklaring en een financieel verslag over de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, met gebruikmaking van door de minister vastgestelde modellen, die daartoe op www.cultureelerfgoed.nl beschikbaar zijn gesteld.

  • 2. De prestatieverklaring gaat vergezeld van een inspectierapport per rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten, dat is opgesteld na afloop van het verrichten van de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie is verleend.

  • 3. Indien de subsidie € 300.000 of meer bedraagt, gaat het financieel verslag vergezeld van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de accountant verklaart dat de bedragen in het financieel verslag juist zijn en een uitspraak doet over de naleving van de in het accountantsprotocol genoemde voorschriften.

  • 4. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht volgens een door de minister vast te stellen accountantsprotocol.

  • 5. Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de eigenaar zich niet aan de aan subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.

  • 6. Onverminderd het bepaalde in het eerste en vijfde lid, toont de eigenaar op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In de verleningsbeschikking wordt aangegeven op welke wijze dit desgevraagd wordt aangetoond.

  • 7. De minister kan de eigenaar verplichten de desbetreffende originele facturen en betalingsbewijzen te overleggen.

Artikel 14. Vaststelling subsidie

  • 1. De eigenaar dient uiterlijk 22 weken na afloop van de activiteitenperiode, bedoeld in artikel 9, tweede lid, een aanvraag tot vaststelling in, met gebruikmaking van het formulier dat daartoe op de website van de RCE beschikbaar is gesteld.

  • 2. De minister besluit binnen 22 weken op een aanvraag tot vaststelling.

Artikel 15. Verlenging activiteitenperiode

  • 1. De minister kan de periode waarvoor subsidie is verleend, bedoeld in artikel 9, tweede lid, op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger maximaal twee keer met anderhalf jaar verlengen, indien de subsidieontvanger door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

  • 2. Een verzoek om verlenging bevat:

    • a. een motivering waaruit blijkt welke omstandigheden maken dat de activiteiten redelijkerwijs niet binnen de oorspronkelijke activiteitenperiode kunnen worden afgerond;

    • b. een opgave van de restauratiewerkzaamheden waarvoor de verlenging noodzakelijk is; en

    • c. een nieuwe planning van de werkzaamheden en de uitgaven, met een voorgenomen einddatum waaruit blijkt dat de restauratiewerkzaamheden binnen 18 maanden na de oorspronkelijke einddatum worden afgerond.

  • 3. De subsidieontvanger dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid onverwijld in en uiterlijk voor het einde van de periode waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 16. Eigendomsoverdracht

  • 1. Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht van een rijksmonument of een zelfstandig onderdeel overdraagt aan een nieuwe eigenaar, dient de subsidieontvanger in afwijking van artikel 14, eerste lid, binnen drie maanden na de eigendomsoverdracht een aanvraag tot vaststelling in, met gebruikmaking van het formulier dat daartoe op de website van de RCE beschikbaar is gesteld.

  • 2. Na de vaststellingsbeschikking, volgend op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan de minister de nieuwe eigenaar op aanvraag subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van de restauratiewerkzaamheden.

Artikel 17. Aanvraag nieuwe eigenaar

  • 1. Een nieuwe eigenaar kan een aanvraag indienen nadat de subsidie van de vorige eigenaar is vastgesteld. In afwijking van artikel 6, zevende lid, bevat de aanvraag alleen de gegevens en bescheiden bedoeld in de onderdelen b, c, d, e, f, h onder 1°, j en k, voor zover die afwijken van de gegevens en bescheiden die door de vorige eigenaar zijn verstrekt.

  • 2. In afwijking van artikel 9, tweede lid, wordt de subsidie verleend voor maximaal de periode die resteerde op grond van de verleningsbeschikking van de vorige eigenaar.

  • 3. Onverminderd artikel 4 bedraagt het subsidiebedrag maximaal het verschil tussen de verleningsbeschikking, bedoeld in artikel 9, en de vaststellingsbeschikking, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

Artikel 18. Terugvordering

  • 1. De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling verplicht een eventueel teveel ontvangen voorschot onverwijld terug te betalen.

  • 2. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten kan de minister de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen.

Artikel 19. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 februari 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel 20. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes

TOELICHTING

Algemene toelichting

In de Kamerbrief Aanpak grote monumenten en religieus erfgoed is een aantal maatregelen aangekondigd om de financiering van de instandhouding van grote rijksmonumenten te verbeteren.* Onderdeel van de maatregelen is het opzetten van een subsidieregeling gericht op grote restauratieopgaven die – vanwege hun omvang – niet vanuit de provinciale restauratieregelingen kunnen worden bediend. Deze regeling richt zich specifiek op deze grote opgaven.

De uitgangspunten voor de Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten (hierna: subsidieregeling) zijn tot stand gekomen op basis van gesprekken met alle provincies, de Federatie Instandhouding Monumenten (FIM), eigenaren van grote rijksmonumenten, het Nationaal Restauratiefonds (NRF), de Federatie Grote Monumentengemeenten (FGM) en met vertegenwoordigers van marktpartijen werkzaam in de restauratiebranche. De Tweede Kamer is op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de uitgangspunten van de subsidieregeling.*

Doelgroep

De subsidie wordt ingezet voor de restauratie van rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt. Hierbij kan het zowel om gebouwde als om groene rijksmonumenten gaan, zoals een historische tuin- en parkaanleg. Vanwege de huidige beschikbare middelen en omdat de restauratieopgave het meest urgent is, komen alleen restauratiekosten en kosten voor normaal onderhoud die daarmee samenhangen voor subsidie in aanmerking.

Om te voorkomen dat de regeling concurreert met bestaande provinciale regelingen bevat deze een drempelbedrag van € 2,5 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten. Voor aanvragen voor groene rijksmonumenten is het drempelbedrag € 1 miljoen aan subsidiabele kosten. Restauratieopgaven die een samenstel van rijksmonumenten omvatten, kunnen ook in één aanvraag worden opgevoerd. Om te borgen dat de subsidie ten goede komt aan restauratieprojecten die gereed zijn voor uitvoering is een verleende omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen.

Subsidiepercentage en maximumbedrag

Voor eigenaren die op grond van deze subsidieregeling voor subsidie in aanmerking komen, is het subsidiepercentage maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten. Omdat eigenaren die vennootschapsbelasting betalen de restauratiekosten ook ten laste kunnen brengen van de winst, geldt voor deze groep net als bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) een lager percentage, van maximaal 30 procent. Professionele organisaties voor monumentenbehoud (POM’s) komen in aanmerking voor het maximale subsidiepercentage van 50 procent. De subsidiabele kosten waarover het subsidiebedrag wordt berekend, bedragen maximaal € 10 miljoen. De subsidieregeling bevat de mogelijkheid om de subsidie te combineren met een subsidie vanuit decentrale overheden. Eigenaren kiezen zelf één van de subsidiepercentages, genoemd in artikel 6, vijfde en zesde lid, waarvoor zij een aanvraag willen doen.

Selectiemethode

Indien het beschikbare budget ontoereikend is om alle aanvragen te honoreren, vindt er selectie plaats op basis van het aangevraagde subsidiepercentage. Eigenaren kunnen kiezen uit een aantal vaste subsidiepercentages. Hierbij geldt dat aanvragen voor een lager subsidiepercentage dan het maximale subsidiepercentage waarop aanspraak kan worden gemaakt, voorrang krijgen boven aanvragen voor een hoger percentage ten opzichte van het maximale percentage. Als er binnen een categorie aanvragen worden ingediend waarvan de totale begrote kosten bij elkaar opgeteld boven het totale resterende budget uitkomen, dan wordt de rangschikking binnen die categorie door loting bepaald. Vervolgens worden de aanvragen beoordeeld op grond van een combinatie van lotingsrangorde, totale begrote kosten en het gevraagde subsidiepercentage. In de volgorde van de rangorde van de loting wordt steeds gekeken of het totaalbedrag van de begroting in de aanvraag in combinatie met het gevraagde subsidiepercentage past binnen het resterende subsidiebudget. Zo ja, dan wordt de aanvraag beoordeeld op subsidiabele kosten en wordt er subsidie verleend voor zover de aanvraag daarvoor in aanmerking komt. Deze werkwijze voorkomt dat aanvragen geheel moeten worden beoordeeld voordat duidelijk wordt of ze nog binnen het resterende subsidiebudget passen. Dit stimuleert aanvragers om geen (evident) niet-subsidiabele kosten in de begroting op te nemen.

Consultatie

Zoals aangegeven zijn de uitgangspunten voor de regeling tot stand gekomen op basis van gesprekken met medeoverheden en partijen uit het monumentenveld. De ontwerpversie van de regeling is vervolgens voorgelegd aan provincies, de FIM en het Nationaal Restauratiefonds. Uit de gesprekken kwam naar voren dat deze partijen de inhoud van de regeling in algemene zin onderschrijven. Naar aanleiding van het overleg met de FIM heeft er nog een aanpassing plaatsgevonden in artikel 6 die het mogelijk maakt dat eigenaren die meerdere rijksmonumenten in bezit hebben niet per aanvraagronde slechts voor één rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van monumenten subsidie kunnen aanvragen. Verder is de regeling nog op enkele plekken verduidelijkt.

Regeldruk

Met de uitvoering van deze regeling zijn administratieve lasten gemoeid voor de eigenaren. Onder administratieve lasten wordt verstaan: de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid.

Naar verwachting zal een eigenaar ongeveer 18 uur nodig hebben voor het aanvragen van subsidie op grond van deze regeling. Daarbij gaat het om handelingen als het kennisnemen van de regeling, het invullen van het aanvraagformulier en het begrotingsmodel en het verzamelen of opstellen van de vereiste documenten (artikel 6 van deze regeling). Omdat het een open regeling betreft, is moeilijk in te schatten hoeveel eigenaren subsidie zullen gaan aanvragen. Uitgaande van 40 subsidieaanvragen bedragen de totale administratieve lasten voor het indienen van aanvragen per aanvraagronde: 40 (aanvragen) × 18 (uur) × € 50 (uurtarief) = € 36.000.

De verwachting is dat in de eerste aanvraagronde aan ongeveer 10 eigenaren subsidie kan worden verleend. Deze eigenaren moeten voldoen aan de subsidieverplichtingen en de subsidie verantwoorden. Inschatting is dat eigenaren hiervoor in totaal nog ongeveer 20 uur nodig hebben. De nalevings- en verantwoordingskosten bedragen: 10 (aanvragen) × 20 (uur) × € 50 (uurtarief) = € 10.000. Op basis van de eerste aanvraagronde bedragen de totale administratieve lasten dus € 36.000 + € 10.000 = € 46.000.

De subsidieregeling is met een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van de gevolgen voor de regeldruk aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) voorgelegd. ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen heeft voor de regeldruk.

Caribisch Nederland

Deze regeling is gebaseerd op de Erfgoedwet en deze is niet van toepassing in Caribisch Nederland.

Uitvoerbaarheid

De regeling is voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De RCE heeft de regeling als uitvoerbaar beoordeeld.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In artikel 1 worden begripsbepalingen gedefinieerd die van belang zijn voor de subsidieregeling.

eigenaar

Het gaat zowel om particuliere eigenaren als om organisaties, zoals een bedrijf, stichting, vereniging of gemeente. Als er sprake is van gedeeld eigendom of een gedeeld zakelijk recht (mede-eigenaren), dan worden de eigenaren of rechthebbenden samen als de eigenaar gezien. Andere zakelijk rechten dan eigendom zijn bijvoorbeeld erfpacht of vruchtgebruik. Economisch eigendom geldt niet als eigendom als bedoeld in deze subsidieregeling.

inspectierapport

Het inspectierapport beschrijft de technische of fysieke staat van een rijksmonument, en moet zijn opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie. Bij gebouwde monumenten gaat het om een bouwkundig inspectierapport. Bij een historisch tuin- of parkaanleg of ander groen monument gaat het om een rapport waaruit de fysieke (onderhouds-)staat van het monument blijkt. Het inspectierapport moet een actueel inzicht geven in de staat van het monument en zijn gebreken, en in de oorzaak en de eventuele gevolgen daarvan. Daarnaast bevat een inspectierapport adviezen over de uit te voeren werkzaamheden in volgorde van urgentie en over de termijn van aanpak.

niet-woonhuisrijksmonument/woonhuis

Of een rijksmonument of zelfstandig onderdeel als woonhuis wordt aangemerkt, hangt af van dezelfde criteria als in de Sim. Het wordt niet beïnvloed door de vraag of het samen met een ander soort gebouw onder één rijksmonumentnummer staat geregistreerd in het rijksmonumentenregister. Als een van de gebouwen onder hetzelfde rijksmonumentnummer een woonhuis is en het andere niet, dan is het woonhuis een zelfstandig onderdeel waarvoor geen aanspraak op subsidie bestaat op grond van deze regeling.

Onder woonhuizen vallen in de eerste plaats rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen (beide hierna kortweg aangeduid als ‘monument’) die in oorsprong geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd voor bewoning. Behalve om monumenten die geheel als woonhuis zijn vervaardigd, gaat het ook om monumenten met in oorsprong gemengde functies. Denk aan: wonen/horeca, wonen/kantoor, wonen/pakhuis, wonen/werken en wonen/winkel. Daarnaast vallen er monumenten onder die oorspronkelijk een andere functie dan bewoning hadden, maar die nu voor meer dan de helft (in m2) voor bewoning in gebruik zijn. Kelders, zolders, bergingen en garages worden hierbij aangemerkt als ruimtes met een woonfunctie. Bij gebouwen zoals kazernes, kloosters en internaten is veelal sprake van een oorspronkelijke specifieke woonfunctie, maar het karakter van deze gebouwen wordt primair bepaald door respectievelijk hun militaire, religieuze en onderwijsfunctie. Daarom gelden zij, zolang zij hun oorspronkelijke functie hebben, niet als woonhuizen. Indien zij hun oorspronkelijke functie verloren hebben en nu voor meer dan de helft worden bewoond, worden zij wel als woonhuis aangemerkt.

Bepaalde monumenten worden nooit als woonhuis aangemerkt, ook niet als ze inmiddels worden bewoond. Dit is het geval als het een kerkgebouw, kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik kasteel, paleis, hoofdhuis van een buitenplaats, landhuis, gebouw van liefdadigheid, molen, gemaal, agrarisch gebouw of watertoren betreft, of als het gebouw onderdeel uitmaakt van een geregistreerd museum. Bij een kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik gaat het behalve om kerkelijke dienstwoningen ook om woonhuizen (dienstgebouwen) die bij een kerkgebouw horen vanwege een gebruik dat direct gelieerd is aan de kerkelijke functie van het kerkgebouw, zoals een consistorie of kerkenraadskamer. Een kerkelijk dienstgebouw wordt ook niet als woonhuis aangemerkt als het in kerkelijk gebruik is ten behoeve van de kerkelijke functie van een kerkgebouw dat geen rijksmonument is. Onder agrarische gebouwen vallen zowel hoofd- als bijgebouwen van boerderijen, alsmede vrijstaande gebouwen zoals schuren en schaapskooien. Ook het woonhuisgedeelte van de boerderij valt onder de agrarische gebouwen. Daarbij maakt het niet uit of het vrij staat of aan het bedrijfsgedeelte is vastgebouwd. Of sprake is van een dergelijke verbinding is streekgebonden, maar het principe van woon- en bedrijfsgedeelte is overal hetzelfde. Evenals bij voornoemde kazernes, kloosters en internaten staat bij boerderijen de woonfunctie niet voorop. De huidige functie doet bij agrarische gebouwen niet ter zake. Dus ook als in het bedrijfsgedeelte thans wordt gewoond, geldt dit niet als woonhuis. Een monument dat in oorsprong als woonhuis is vervaardigd en dat deel uitmaakt van een (collectie van een) in het Museumregister Nederland geregistreerd museum, wordt niet aangemerkt als woonhuis. Het Museumregister Nederland wordt beheerd door de Stichting Het Nederlands Museumregister.

restauratiewerkzaamheden

Het gaat bij restauratiewerkzaamheden om die werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de restauratie van het rijksmonument en daarmee samenhangende reguliere onderhoudswerkzaamheden (normaal onderhoud als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dat onderhoud kan direct samenhangen met de restauratie, maar kan ook in dezelfde bouwstroom worden meegenomen omdat het efficiënter is om het uit te voeren als er toch al steigers tegen het monument staan.

samenstel van rijksmonumenten

Een samenstel van rijksmonumenten kan een samenstel zijn van meerdere rijksmonumenten, maar ook van een rijksmonument en een zelfstandig onderdeel van een ander rijksmonument, of van zelfstandige onderdelen van verschillende rijksmonumenten. Het is niet van belang hoeveel rijksmonumentnummers er aan zijn toegekend. Wel moet er sprake zijn van een onderlinge samenhang die medebepalend is voor de monumentale waarde van het geheel, zoals het geval is binnen een complex van rijksmonumenten. Zo zullen rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen van dezelfde historische buitenplaats als een samenstel van rijksmonumenten worden aangemerkt, maar geldt dat niet voor rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen van verschillende historische buitenplaatsen. Men kan ook denken aan een kerk en kerktoren met verschillende rijksmonumentnummers. Het moet zowel een ruimtelijke als een cultuurhistorische samenhang zijn, waaraan de rijksmonumenten (een deel van) hun monumentale waarde ontlenen. Onder ruimtelijke samenhang wordt verstaan dat de gebouwen in een ruimtelijke relatie tot elkaar staan door fysieke nabijheid of doordat er sprake is van een ruimtelijk verbindende historische aanleg, een bepaalde terreininrichting of een stedenbouwkundig concept. Een historische stads- of dorpskern of stadsuitbreiding met veel rijksmonumenten is op zichzelf echter geen samenstel.

De cultuurhistorische samenhang kan bijvoorbeeld blijken uit een historisch-functionele verbinding tussen de rijksmonumenten. Dit is het geval als er sprake was van één eigenaar of bedrijf, zoals bij de verschillende gebouwen op een boerenerf of bij de fabrieksgebouwen van één (historische) onderneming. Ook valt te denken aan een ziekenhuiscomplex (met afzonderlijke gebouwen zoals ziekenhuis, kerk en zusterinternaat) of een kazernecomplex (met afzonderlijke gebouwen zoals hoofdgebouw, barakken, mess en garages). Er kan ook sprake zijn van een cultuurhistorische samenhang vanuit ontwerp, zoals bij een groep gebouwen van één en dezelfde architect.

Dat twee monumenten dezelfde eigenaar hebben, is niet voldoende om van een samenstel van rijksmonumenten te spreken.

zelfstandig onderdeel

Het begrip zelfstandig onderdeel is nodig vanwege de verschillende registratiewijzen die in de loop der jaren zijn gehanteerd in het rijksmonumentenregister. Het begrip samenstel van rijksmonumenten wordt om dezelfde reden gehanteerd. Zo kan een eigenaar voor elk monument of samenhangende groep monumenten een subsidieaanvraag indienen, ongeacht hoeveel of hoe weinig rijksmonumentnummers daar in het verleden aan zijn toegekend.

Er worden drie soorten zelfstandig onderdelen onderscheiden:

  • 1°. Een zelfstandige bouwkundige eenheid.

    Gebouwde monumenten kunnen bestaan uit één ondeelbaar geheel of uit meerdere zelfstandige onderdelen. Of sprake is van een zelfstandige bouwkundige eenheid, hangt in hoge mate af van de feitelijke situatie en kan op verschillende manieren worden vastgesteld. Ten eerste kan worden afgegaan op het begrip onroerende zaak als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. Eén onroerende zaak geldt in beginsel als één zelfstandige bouwkundige eenheid. Bestanddelen van een onroerende zaak zijn niet zelfstandig en worden dus ook niet aangemerkt als zelfstandige bouwkundige eenheid. Een vertrek, uitbouw, kap, fundering, gevel – allemaal bestanddelen van een onroerende zaak – zijn dus niet aan te merken als zelfstandig onderdeel in de zin van dit besluit. Ook een orgel geldt niet als een zelfstandig onderdeel maar als een bestanddeel van het gebouw waarin het is bevestigd, doorgaans een kerkgebouw.

    Niet altijd staat vast wat als één onroerende zaak moet worden aangemerkt. Dit speelt bijvoorbeeld bij grotere fabriekscomplexen in handen van één eigenaar. In dergelijke gevallen kunnen de zelfstandige bouwkundige eenheden vanuit bouwkundige optiek worden vastgesteld. Bij een fabriek die bestaat uit één grote ruimte is sprake van één zelfstandige bouwkundige eenheid. Constructief en functioneel vormt het immers één geheel. Indien een fabriek uit meerdere bouwdelen bestaat, kan er nog steeds sprake zijn van één zelfstandige bouwkundige eenheid. Dit is het geval indien tussen de verschillende bouwdelen geen scheidingsmuren staan en de bouwdelen geen eigen ingang hebben. Alleen als de fabriek bestaat uit verschillende afgesloten bouwdelen met elk een eigen ingang, kan sprake zijn van verschillende zelfstandige bouwkundige eenheden. In het algemeen zullen vrijstaande bouwwerken worden aangemerkt als zelfstandige bouwkundige eenheden. Bij aan elkaar vastgebouwde bouwwerken kan worden gesproken van verschillende zelfstandige bouwkundige eenheden, indien ze in constructief èn in functioneel opzicht te onderscheiden zijn. Te denken valt aan een kerk met een aangebouwde kerkhofmuur, of aan een vestingmuur met daarop een molen.

  • 2°. Deel van een rijksmonument dat is aan te merken als een toren van een kerkgebouw

    De toren van een kerkgebouw wordt altijd aangemerkt als zelfstandig onderdeel, hoewel dit niet altijd een zelfstandige bouwkundige eenheid is. De eigendom van de toren en de rest van het kerkgebouw is in veel gevallen om historische redenen in verschillende handen. De toren is dan eigendom van de burgerlijke gemeente en de rest van de kerk van de kerkelijke gemeente. De constructieve en functionele verwevenheid is daarmee sinds de Staatsregelingen van 1798 en 1801 ondergeschikt aan het eigendomsrecht. De zelfstandige bouwkundige eenheid van de kerk wordt door het eigendomsrecht dus doorbroken. Daar komt bij dat de eigendomsverhoudingen met betrekking tot kerktorens niet altijd juist zijn vermeld in het kadaster en dat de Staatsregelingen niet overal zijn opgevolgd. Om discussies over de eigendomsverhoudingen over kerktorens te voorkomen, wordt een kerktoren, evenals de rest van de kerk, steeds als een zelfstandig onderdeel beschouwd.

  • 3°. Alle delen gezamenlijk van een rijksmonument, zijnde een aanleg zoals een park- of tuinaanleg, die aan één eigenaar behoren, en niet het gehele rijksmonument omvatten.

    Groene monumenten, zoals een tuin en park van een historische buitenplaats, vormen in beginsel één geheel. Alle onderdelen van een beschermde tuin- en parkaanleg, zoals bomen, heestergroepen, gazons, paden en waterpartijen, gaan allemaal op in één groter geheel: de historische aanleg. Alleen in het geval er sprake is van meerdere eigenaren, kunnen binnen een beschermde aanleg meerdere zelfstandige onderdelen worden onderscheiden. Als één zelfstandig onderdeel gelden dan de gezamenlijke kadastrale percelen en beplantingen die in handen zijn van één eigenaar. De zich hier op of in bevindende gebouwen of werken, zoals bruggetjes, theekoepels, standbeelden, of oranjerieën, vallen hier in beginsel niet onder. Dit zijn aparte zelfstandige onderdelen, want aan te merken als zelfstandige bouwkundige eenheden.

Artikel 2

De subsidieregeling is in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: Kaderregeling), met uitzondering van de bepalingen waar in de subsidieregeling specifiek van wordt afgeweken. In de subsidieregeling zijn afwijkende regels gesteld omtrent het financieel verslag, het aanvraagformulier, de bij de aanvraag in te dienen documenten en de verantwoording. De andere voorschriften volgens uit de Kaderregeling zijn wel van toepassing, zoals bijvoorbeeld de administratieplicht uit artikel 5.2, de meewerkplicht uit artikel 5.4 en de meldingsplicht uit artikel 5.7 van de Kaderregeling.

Artikel 3

Subsidie kan worden verstrekt aan een eigenaar van een groen monument, een overig niet-woonhuisrijksmonument, of een samenstel van deze rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen. Subsidiabel op grond van deze subsidieregeling zijn restauratiekosten en bepaalde in het derde lid genoemde kosten die gemaakt zijn ten aanzien van de voorbereiding van de aanvraag. Welke restauratiekosten subsidiabel worden geacht, volgt uit de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen als bijlage bij de Sim (hierna: de Leidraad).

In het tweede lid wordt geregeld dat de restauratiekosten subsidiabel zijn, tenzij subsidie voor die kosten op grond van artikel 7 (weigeringsgronden) wordt geweigerd. Die kosten worden dus niet aangemerkt als subsidiabele kosten, zelfs als ze volgens de Leidraad subsidiabel zijn. Dit is relevant, omdat er op grond van artikel 7, onderdeel b en c, een drempelbedrag aan subsidiabele kosten geldt, waaronder een aanvraag wordt afgewezen. Kosten waarvoor subsidie wordt geweigerd, tellen niet mee bij de vaststelling van het bedrag aan subsidiabele kosten van de aanvraag, dat op of boven het drempelbedrag moet uitkomen.

Artikel 4

Een belangrijk uitgangspunt bij de subsidieregeling is dat eigenaren zelf ook bijdragen aan de instandhouding. Daarom wordt een maximaal subsidiepercentage gehanteerd.

In het eerste en tweede lid van dit artikel zijn twee maximale subsidiepercentages bepaald. Het subsidiepercentage van maximaal 30% van de restauratiekosten, zoals geregeld in het tweede lid, geldt voor eigenaren die vennootschapsbelastingplichtig zijn of de restauratiekosten in aftrek kunnen brengen op hetzij de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, hetzij het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van die wet (hierna: vpb-plichtige eigenaren). Het tweede lid is niet van toepassing indien de eigenaar is vrijgesteld van het betalen van vennootschapsbelasting uit hoofde van artikel 5, 6, 6a, of 6b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In dat geval geldt het maximale subsidiepercentage van 50%.

Het subsidiepercentage van maximaal 50% geldt voor overige eigenaren en POM’s. De reden voor het verschil is dat vennootschapsbelastingplichtige eigenaren de restauratiekosten in beginsel ook ten laste kunnen brengen van de winst. Verder geldt het subsidiepercentage van maximaal 50% ook voor eigenaren die een aanvraag indienen namens mede-eigenaren, waarvan een deel van die mede-eigenaren vpb-plichtig is. Dit is geregeld in het vierde lid.

Het derde lid bevat een maximumbedrag van € 10 miljoen aan subsidiabele kosten waarover de te verlenen subsidie kan worden berekend. Bij een aanvraag voor een restauratieopgave van meer dan € 10 miljoen aan – door de minister vast te stellen – subsidiabele kosten, wordt de subsidie verleend voor het gehele ingediende restauratieplan. Er vindt in de beschikking op de aanvraag dus geen specificatie plaats welke kosten van welke restauratiewerkzaamheden die € 10 miljoen aan subsidiabele kosten betreffen. Als de subsidieontvanger minder restauratiewerkzaamheden wil uitvoeren dan opgenomen in de subsidieaanvraag en -beschikking, zal daarvan op grond van artikel 5.7 van de Kaderregeling een melding moeten worden gedaan bij de RCE. De beschikking kan daarop dan worden aangepast. Dit kan ook relevant zijn als de eigenaar kosten die uitstijgen boven het maximumbedrag aan subsidiabele kosten van € 10 miljoen wil opvoeren in een subsidieaanvraag op grond van een andere subsidieregeling.

Artikel 5

De hoogte van het subsidieplafond zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant.

Op deze manier kan de subsidieregeling worden opengesteld wanneer er budget beschikbaar is. Indien het subsidieplafond bekend is gemaakt in de Staatscourant, is de aanvraagperiode van 1 september tot en met 15 september.

Artikel 6

Dit artikel regelt de subsidieaanvraag. Een aanvraag kan elektronisch worden ingediend door een eigenaar, via aanvraagformulier dat door RCE beschikbaar is gesteld op www.cultureelerfgoed.nl. Is er sprake van meerdere mede-eigenaren, dan wordt bij de subsidieaanvraag een machtigingsformulier overlegd dat is getekend door alle eigenaren. Indien een samenstel verschillende eigenaren heeft, dan wordt door iedere eigenaar voor hun eigen monument(en) een aanvraag ingediend, en dus niet voor het samenstel als geheel.

Voorbeeld:

Een samenstel bestaat uit rijksmonument 1, rijksmonument 2 en zelfstandig onderdeel 3. Eigenaar X is eigenaar van rijksmonument 1; eigenaar Y is eigenaar van rijksmonument 2 en zelfstandig onderdeel 3. Er kan geen aanvraag worden ingediend voor dit gehele samenstel.

Eigenaar Y kan wel een aanvraag indienen voor een samenstel van rijksmonument 2 en zelfstandig onderdeel 3. Eigenaar X kan een aanvraag indienen voor rijksmonument 1.

Bij mede-eigendom binnen een samenstel van rijksmonumenten geldt dat alle mede-eigenaren (bijvoorbeeld appartementsgerechtigden of huwelijkspartners) samen als één eigenaar worden gezien. De situatie als geschetst in het voorbeeld geldt dus niet als mede-eigendom. Eigenaar X is immers geen eigenaar van rijksmonument 2 en zelfstandig onderdeel 3 en eigenaar Y niet van rijksmonument 1. De aanvrager moet (mede-)eigenaar zijn van alle in de aanvraag betrokken rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen. Dat geldt voor alle mede-eigenaren. Er kan dus voor het samenstel uit het voorbeeld geen aanvraag worden ingediend als eigenaar X wel eigenaar/mede-eigenaar zou zijn van de drie samenstellende onderdelen, maar eigenaar Y alleen mede-eigenaar zou zijn van rijksmonument 2 en zelfstandig onderdeel 3.

Per aanvraag kan slechts voor één rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten subsidie worden aangevraagd. Ook kan er voor hetzelfde rijksmonument of zelfstandig onderdeel maar één aanvraag worden ingediend. Dat geldt ook rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen die onderdeel uitmaken van een samenstel van rijksmonumenten.

Subsidie kan worden aangevraagd voor bepaalde vaste subsidiepercentages van de restauratiekosten, van 10%, 20% of 30% voor eigenaren die vennootschapsbelastingplichtig zijn, en van 20%, 30%, 40% of 50% voor overige eigenaren en POM’s. Hoe lager het percentage dat wordt aangevraagd, hoe hoger de kans dat de aanvraag in het geval van overvraag gehonoreerd wordt. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 8. Afwijking van de subsidiepercentages genoemd in dit artikel is niet mogelijk. Overigens kan het uiteindelijke subsidiepercentage de facto wel lager zijn dan wordt aangevraagd, omdat in de beoordeling ook wordt meegenomen dat er nooit meer dan 100% subsidie mag worden ontvangen. Daardoor kan het zijn dat het te ontvangen subsidiebedrag lager uitkomt dan er op basis van het aangevraagde percentage mogelijk zou zijn geweest.

In het zevende lid zijn de documenten opgesomd die nodig (kunnen) zijn voor een volledige aanvraag.

Onderdeel a betreft een actueel inspectierapport. Voor een toelichting op wat een inspectierapport inhoudt, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1. Indien de aanvraag meerdere rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen omvat, moet het inspectierapport op al deze rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen betrekking hebben. Een inspectierapport wordt geacht voldoende actueel te zijn als het op het moment van indiening ongeveer twee jaar oud is.

Overzichts- en detailfoto’s dienen om een actueel beeld te krijgen van het beschermde monument of zelfstandig onderdeel en zijn gebreken. Indien het inspectierapport al voldoende foto’s bevat, zijn aanvullende foto’s niet nodig. Anders dienen aanvullende foto’s te worden bijgevoegd. Deze moeten, voorzien van een korte toelichting op wat er op de foto’s te zien is en welk onderdeel van het rijksmonument het betreft, een duidelijke indruk geven van het monument en de aard en omvang van zijn gebreken.

Onderdeel b betreft tekeningen van de bestaande toestand van het rijksmonument en zijn gebreken, en tekeningen waarop de voorgenomen restauratiewerkzaamheden duidelijk staan aangegeven.

Tekeningen van de bestaande toestand worden ook wel opnametekeningen genoemd. Het gaat om de toestand van het monument voorafgaand aan de werkzaamheden. Het kan gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en dakaanzichten. Welke soorten tekeningen nodig zijn, hangt af van de aard, omvang en plaats van de werkzaamheden. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de werkzaamheden ook impact hebben op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en een dakaanzicht nodig zijn. Gebrekentekeningen zijn opnametekeningen van de te verhelpen gebreken. Voor de gebrekentekeningen kunnen de opnametekeningen als basis gebruikt worden.

Tekeningen waarop de voorgenomen restauratiewerkzaamheden staan aangegeven, heten ook wel plantekeningen. Plantekeningen bevatten de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te herstellen of te vervangen onderdelen en de te verhelpen gebreken.

Onderdeel c betreft een werkomschrijving of bestek van de restauratiewerkzaamheden. Hierin worden opgenomen de te gebruiken materialen (soort en hoeveelheden), de te vervangen materialen (soort en hoeveelheden), de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering en verwerking van het voorgaande.

Onderdeel d betreft een afschrift van de verleende omgevingsvergunning voor een rijksmonumentactiviteit. De omgevingsvergunning moet in ieder geval verleend zijn voor de eerste fase van de restauratiewerkzaamheden. Deze wordt gevraagd in het kader van de subsidieaanvraag om te borgen dat de subsidiemiddelen terecht komen bij projecten die gereed zijn voor uitvoering. Er hoeft niet voor alle restauratiewerkzaamheden in de begroting al een omgevingsvergunning te zijn. Hele grote restauratieprojecten worden in de praktijk namelijk vaak opgeknipt in deelrestauraties. Voor elke deelrestauratie kan dan een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Niet alle voor de gehele restauratie vereiste omgevingsvergunningen zullen altijd op het moment van de subsidieaanvraag al zijn verleend.

Onderdeel e betreft een gespecificeerde begroting van de restauratiekosten. Hiervoor stelt de RCE een verplicht model met toelichting beschikbaar op de website www.cultureelerfgoed.nl. Per werkzaamheid worden de daarbij behorende hoeveelheden en kosten van arbeid, materiaal en materieel aangeven. Daarnaast moeten de staartkosten worden ingevuld. Het model berekent zelf de totalen. De RCE gebruikt het model bij de beoordeling van de subsidiabele kosten en geeft erin aan welke kosten subsidiabel zijn en welke niet. Het model bevordert een transparante en uniforme beoordeling van de aanvragen.

Onderdeel f betreft een planning van de voorgenomen restauratiewerkzaamheden en van de uitgaven. Op basis van deze planning kan in de beschikking een aanvangsdatum en einddatum – de activiteitenperiode – worden opgenomen, en kan het bevoorschottingsritme worden bepaald.

Onderdeel g (bij een aanvraag voor een zelfstandig onderdeel dat een zelfstandige bouwkundige eenheid of toren van een kerkgebouw is) betreft een tekening waarop het zelfstandig onderdeel ten opzichte van andere onderdelen duidelijk is aangegeven. Dit indieningsvereiste geldt dus niet als het gehele beschermde monument bestaat uit één zelfstandige bouwkundige eenheid of kerktoren. Wat voor tekening moet worden overgelegd, hangt af van de specifieke situatie. Uit de tekening moet duidelijk blijken dat het om een zelfstandig bouwkundig geheel gaat, dat wil zeggen bouwkundig gescheiden van de aangrenzende bebouwing met een eigen toegang (aan- of uitbouwen zijn geen zelfstandige bouwkundige eenheden). Bij kerktorens en vrijstaande gebouwen of bouwwerken kan worden volstaan met een overzichts- of situatietekening. Bij aan elkaar gebouwde zelfstandige bouwkundige eenheden is een nauwkeuriger inzicht in de bouwkundige én de functionele scheiding nodig. In een dergelijk geval bevat de tekening de dakplattegrond alsmede de plattegronden van de begane grond en verdiepingen met daarin aangegeven de dragende en scheidende wanden alsmede de toegangs- en binnendeuren.

Onderdeel h (bij een aanvraag voor een groen monument) betreft één overzichtskaart met daarop aangegeven de omvang van de groenaanleg, een schaalstok en noordpijl en de locatie van de restauratiewerkzaamheden. Dit ten behoeve van de beoordeling van de noodzaak en omvang van de werkzaamheden. Als het een zelfstandig onderdeel van een groen monument betreft, bevat de kaart ook de desbetreffende kadastrale percelen, inclusief de perceelnummers, zodat de omvang van het zelfstandig onderdeel (alle kadastrale percelen van één eigenaar) kan worden vastgesteld. Voor de kaart kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een kopie van een kadastrale kaart of een kopie van de kaartbijlage bij het aanwijzingsbesluit van het rijksmonument. Vaak bevat een beheerplan, dat veel eigenaren van groene monumenten toch al laten maken, ook kaartmateriaal dat hiervoor kan worden gebruikt.

Onderdeel i (bij een samenstel van rijksmonumenten) betreft een overzichtskaart waaruit duidelijk wordt uit welke rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen het samenstel bestaat. Ook moet de samenhang kort toegelicht worden. Uiteindelijk is het ter beoordeling van de minister of er sprake is van een ruimtelijke en cultuurhistorische samenhang.

Onderdeel j (bij ingrijpende werkzaamheden) betreft deskundigenrapporten die nodig zijn voor de beoordeling van de noodzaak van restauratiewerkzaamheden. In de toelichting bij het aanvraagformulier wordt nader toegelicht welke stukken bij welke veel voorkomende ingrijpende werkzaamheden nodig zijn.

Onderdeel j betreft de mogelijkheid om aan een subsidieontvanger de verplichting op te leggen om voorwaarden te stellen met betrekking tot het creëren van stage- en leerwerkplekken voor studenten die een opleiding volgen in het restauratieambacht. Een eigenaar kan hiermee bijvoorbeeld verplicht worden om in de opdracht het creëren van leerwerkplekken als voorwaarde op te nemen. Met dit onderdeel wordt aangesloten bij de Kamerbrief van 3 oktober 2025* waarin staat aangegeven dat wordt bekeken hoe hier in het kader van de subsidieregeling aandacht aan kan worden besteed.

Artikel 7

Subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien sprake is van een van de in dit artikel opgesomde weigeringsgronden.

Onderdelen a en b bepalen dat twee categorieën rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen niet voor subsidie in aanmerking komen op grond van deze regeling: woonhuizen en archeologische monumenten. Voor een toelichting op het begrip woonhuis wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1.

Op grond van onderdeel c wordt de subsidie geweigerd indien de aanvraag alleen betrekking heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden (normaal onderhoud als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Onderdeel d bepaalt dat de aanvrager moet beschikken over de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit voor in elk geval de eerste fase van de restauratiewerkzaamheden. Doel van deze weigeringsgrond is dat het duidelijk moet zijn dat de restauratie waarvoor subsidie wordt aangevraagd ook daadwerkelijk mag worden uitgevoerd. Voor restauratiewerkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Bij grote restauraties is het niet ongebruikelijk dat er met omgevingsvergunningen voor deelrestauraties wordt gewerkt. Daarom wordt ook een omgevingsvergunning voor een eerste fase van een grotere restauratie geaccepteerd. De omgevingsvergunning voor de volgende fase(n) van de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie wordt gevraagd hoeft voor de beoordeling van de aanvraag niet meer te worden overgelegd. De subsidieontvanger is echter op grond van artikel 10, eerste lid, verplicht geen restauratiewerkzaamheden uitvoeren waarvoor geen omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit is verleend. Overigens zal voor eventueel tegelijk met de restauratie uit te voeren normaal onderhoud dat voldoet aan de voorwaarden uit artikel 13.11, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geen omgevingsvergunning vereist zijn.

Verder wordt subsidie op grond van onderdeel f geweigerd als die naar het oordeel van de minister niet noodzakelijk is voor de instandhouding van een rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten. Dit betekent dat de werkzaamheden zelf noodzakelijk moeten zijn, maar ook dat er een daadwerkelijke subsidiebehoefte moet zijn. Worden restauratiekosten geheel door derden gefinancierd, of zijn de werkzaamheden al uitgevoerd (onderdeel e), dan is de subsidie niet noodzakelijk. Onderdeel e bepaalt ook dat de restauratiewerkzaamheden waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet mogen zijn aangevangen. De reden is dat de noodzaak van de werkzaamheden na indiening van de aanvraag ook ter plaatse moet kunnen worden beoordeeld door de RCE. Dat is niet meer mogelijk voor zover de werkzaamheden als zijn begonnen.

De werkzaamheden dienen ook sober en doelmatig te zijn (onderdeel g). Sober betekent dat er niet meer wordt gesubsidieerd dan nodig vanuit oogpunt van instandhouding van het monument. Doelmatig wil zeggen dat het voor subsidie ingediende restauratieplan in beginsel betrekking dient te hebben op de werkzaamheden die in het inspectierapport als het meest urgent zijn aangemerkt. Voor zover dit niet het geval is, dient de aanvrager toe te lichten waarom hij een andere keuze maakt en wanneer de niet opgenomen urgente werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

Aanvragen worden ook afgewezen voor zover de kosten al worden gedekt door een andere rijkssubsidieregeling, een verzekering of in aftrek kunnen worden gebracht op de omzetbelasting (onderdelen h, i en j). Of kosten daadwerkelijk bij een verzekeraar worden geclaimd of in aftrek worden gebracht, doet niet ter zake. Onderdelen g en h van het derde lid van artikel 10, waarin is bepaald dat de eigenaar verplicht kan worden een verzekering af te sluiten, sluiten hierop aan. Wanneer een verzekering als daar bedoeld is afgesloten en sprake is van schade, zal de vergoeding ook betrekking hebben op de subsidiabele kosten. In dat geval zal bovenop de uitkering niet tevens subsidie worden verstrekt in de subsidiabele restauratiekosten. Deze weigeringsgrond in onderdeel i ziet ook op de situatie waarin anderszins sprake is van een verzekering die de subsidiabele restauratiekosten dekt.

Onderdeel k bepaalt dat de subsidie wordt geweigerd voor zover er in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag op grond van deze regeling reeds een subsidie is verleend voor hetzelfde rijksmonument of zelfstandige onderdeel. Dit geldt ook als dat rijksmonument of zelfstandig onderdeel toen of nu deel uitmaakt(e) van een samenstel van rijksmonumenten.

Zoals reeds eerder toegelicht onder artikel 3, gelden voor deze subsidieregeling drempelbedragen (onderdelen m en n). Voor een aanvraag die alleen betrekking heeft op één of meer groene monumenten geldt een drempelbedrag van € 1 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten en voor overige niet-woonhuisrijksmonumenten en een samenstel van rijksmonumenten geldt een drempelbedrag van € 2,5 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten. Hiermee wordt bedoeld dat de gehele subsidieaanvraag wordt afgewezen indien de restauratiekosten op grond van de Leidraad en het bepaalde in artikel 3, tweede lid, (dat verwijst naar de overige weigeringsgronden van artikel 7) voor minder dan het toepasselijke drempelbedrag als subsidiabel worden aangemerkt.

Deze subsidieregeling bevordert cofinanciering door andere overheden. Het is echter niet de bedoeling dat er in totaal voor meer dan 100% van de restauratiekosten subsidie wordt verstrekt (onderdeel o; zie ook onderdeel f). Ook zou dat strijd kunnen opleveren met de regels voor geoorloofde staatssteun uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) van de Europese Unie, met het risico van een bevel tot terugvordering. Onderdeel p is ook met dat oogmerk opgenomen. Tot slot bepaalt onderdeel q in overeenstemming met de AGVV dat er ook geen subsidie wordt verleend als de subsidieontvanger in (financiële) moeilijkheden verkeert. Het risico is dan immers groot dat eventuele voorschotten niet ten goede te komen aan restauratiewerkzaamheden, maar bijvoorbeeld worden aangewend in het kader van het afwenden of afwikkelen van een faillissement.

Artikel 8

Indien het subsidieplafond lager is dan het totaalbedrag van alle aangevraagde subsidies, wordt beslist op de aanvragen in de volgorde van categorieën, die in dit artikel is vastgelegd. Daarbij is het uitgangspunt dat de aanvragen die een lager subsidiepercentage aanvragen ten opzichte van het maximaal aan te vragen percentage, voorrang krijgen. Hiervoor is gekozen om zo veel mogelijk aanvragen te kunnen honoreren met het beschikbare budget.

De eerste categorie die voorrang krijgt betreft de aanvragen van overige eigenaren (eigenaren waarop artikel 4, tweede lid, niet van toepassing is) en POM’s die 20% van de subsidiabele restauratiekosten aan subsidie aanvragen. Vervolgens wordt het eventueel resterende bedrag verdeeld over de aanvragen van overige eigenaren en POM’s die 30% en vpb-plichtige eigenaren (eigenaren waarop artikel 4, tweede lid, van toepassing is) die 10% van de subsidiabele restauratiekosten aanvragen. Als er dan nog budget resteert, komen de aanvragen van overige eigenaren en POM’s die 40%, en vpb-plichtige eigenaren die 20% van de subsidiabele restauratiekosten aanvragen voor subsidie in aanmerking. En ten slotte, als er nog budget resteert, komen de eigenaren die het maximale subsidiepercentage op grond van deze regeling aanvragen, namelijk 50% voor overige eigenaren en POM’s en 30% voor vpb-plichtige eigenaren.

 

Overige eigenaren / POM

Eigenaar als bedoeld in artikel 4, tweede lid (vpb-plichtig)

Categorie 1

20%

 

Categorie 2

30%

10%

Categorie 3

40%

20%

Categorie 4

50%

30%

Figuur 1: Volgorde van categorieën, waarbij categorie 1 vóór categorie 2 gaat etc.

Als het subsidieplafond wordt overschreden binnen een categorie, wordt de rangschikking door loting bepaald. Dit betekent concreet dat de aanvraag met rangnummer 1 het eerst aan de beurt komt, gevolgd door de aanvraag met rangnummer 2, etc. Indien het op enig moment resterende budget lager is dan de totale begrote kosten vermenigvuldigd met het aangevraagde subsidiepercentage van de eerstvolgende aanvraag, wordt deze overgeslagen. In plaats daarvan wordt de eerstvolgende aanvraag in de rangschikking waarvan het bedrag aan totale begrote kosten vermenigvuldigd met het aangevraagde subsidiepercentage wel binnen het resterende budget valt, beoordeeld en toegekend voor zover de kosten voor subsidie in aanmerking komen. Dit kan ertoe leiden dat een aanvraag met een hogere rangschikking toch buiten de boot valt en een aanvraag met een lagere rangschikking wordt gehonoreerd. Dit kan zich zelfs tussen twee categorieën voordoen.

Artikel 9

Artikel 9 regelt een beslistermijn van 22 weken, die ingaat op de dag na afloop van de aanvraagperiode.

Bij de verleningsbeschikking wordt – in aanvulling op de uiterlijke startdatum, die volgt uit artikel 10, tweede lid – een einddatum opgenomen voor afronding van de restauratiewerkzaamheden. Hierbij wordt in beginsel uitgegaan van de planning van de restauratiewerkzaamheden die door de aanvrager wordt ingediend. De einddatum die de minister opneemt in de verleningsbeschikking kan echter nooit meer dan zes jaar en zes maanden na de aanvraagperiode liggen (5 jaar + 18 maanden) (zie artikel 6, zevende lid, onderdeel f).

Het bevoorschottingsritme wordt eveneens afgestemd op de planning van de restauratiewerkzaamheden en de daarmee samenhangende uitgaven. Als de voortgang van de restauratiewerkzaamheden afwijkt van de planning, kan de minister het bevoorschottingsritme daarop aanpassen, door wijziging van de verleningsbeschikking.

Artikelen 10 en 11

Artikel 10 bevat de subsidieverplichtingen in aanvulling op de verplichtingen op grond van de Kaderregeling. Het artikel regelt in de eerste plaats twee subsidieverplichtingen die altijd van toepassing zijn. De restauratiewerkzaamheden mogen niet plaatsvinden in afwijking van de omgevingsvergunning en de uitvoering restauratiewerkzaamheden moet binnen 18 maanden na de aanvraagperiode zijn gestart. Het gaat hierbij niet om de werkzaamheden ter voorbereiding van de subsidieaanvraag, maar de restauratiewerkzaamheden aan het monument zelf. Hiervan doet de subsidieontvanger binnen twee weken na de start van die werkzaamheden schriftelijk melding bij de RCE. Indien de subsidieontvanger geen melding maakt of niet binnen 18 maanden na de aanvraagperiode tot uitvoering van de restauratiewerkzaamheden is overgegaan, kan de minister de subsidieverlening intrekken. In het geval de subsidieontvanger redelijkerwijs niet in staat is om aan deze verplichting te voldoen, biedt artikel 11, tweede lid, de mogelijkheid om een schriftelijk verzoek in te dienen tot verlenging van deze periode met maximaal één keer één jaar. Dit verzoek moet worden ingediend zodra duidelijk is dat de oorspronkelijke startdatum niet wordt gehaald, doch uiterlijk op die dag. Daarnaast somt artikel 10, derde lid, een aantal facultatieve subsidieverplichtingen op, die kunnen worden opgelegd in de verleningsbeschikking. Deze subsidieverplichtingen hangen samen met de aard en omvang van de restauratiewerkzaamheden.

Onderdeel i bevat een meldplicht voor situaties waarin kosten na de subsidieaanvraag alsnog door een verzekering worden vergoed. De subsidieontvanger moet dan specificeren welke kosten in de begroting het dan betreft.

Onderdeel j betreft de mogelijkheid om aan een subsidieontvanger de verplichting op te leggen om voorwaarden te stellen met betrekking tot het creëren van stage- en leerwerkplekken voor studenten die een opleiding volgen in het restauratieambacht. Een eigenaar kan hiermee bijvoorbeeld verplicht worden om in de opdracht het creëren van leerwerkplekken als voorwaarde op te nemen. Met dit onderdeel wordt aangesloten bij de Kamerbrief van 3 oktober 2025* waarin staat aangegeven dat wordt bekeken hoe hier in het kader van de subsidieregeling aandacht aan kan worden besteed.

Artikelen 12 en 13

In deze artikelen wordt de verantwoording van de subsidie geregeld. Artikel 12 gaat over de verantwoording van subsidies die minder dan € 125.000 bedragen en artikel 13 over subsidies die € 125.000 of meer bedragen.

In plaats van de controleverklaring, bedoeld in onderdeel d van de begripsomschrijving van het begrip ‘financieel verslag’ in de Kaderregeling, wordt pas bij subsidies vanaf € 300.000 euro een verklaring van een accountant gevraagd. Dit is bedoeld om administratieve lasten te beperken voor subsidies die lager zijn.

Artikel 15

Indien de subsidieontvanger door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet in staat is om de restauratiewerkzaamheden binnen de in de verleningsbeschikking gestelde activiteitenperiode af te ronden, biedt de subsidieregeling een mogelijkheid tot verlenging van de activiteitenperiode met maximaal twee keer anderhalf jaar. Hiertoe moet de subsidieontvanger vóór het einde van de oorspronkelijke activiteitenperiode onverwijld een aanvraag indienen bij RCE.

Een aanvraag om verlenging moet worden gemotiveerd en bevat een aangepaste planning van de werkzaamheden en de uitgaven, met een nieuwe einddatum waaruit blijkt dat de restauratiewerkzaamheden binnen anderhalf jaar na de oorspronkelijke einddatum worden afgerond.

Artikel 16 en 17

Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht overdraagt aan een nieuwe eigenaar, moet de eigenaar binnen drie maanden een verzoek doen tot vaststelling van de subsidie. Vervolgens kan de nieuwe eigenaar subsidie aanvragen om de restauratiewerkzaamheden af te ronden. Het maximale subsidiepercentage wordt op grond van artikel 4 bepaald door de vraag of de nieuwe eigenaar vpb-plichtig is of niet. De hoogte van de subsidie is maximaal het verschil tussen de verleningsbeschikking en de vaststellingsbeschikking van de vorige eigenaar.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes


X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 156, nr. 140.

X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 556.

X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 556.

X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 556.


X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 156, nr. 140.

X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 556.

X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 556.

X Noot
*

Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 556.

Naar boven