Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/272176, houdende vaststelling van het voorbereidingsbesluit ten behoeve van de luchthaven Eelde

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Overwegende dat:

  • de regering op 27 oktober 2025 een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart voor de luchthaven Eelde (hierna: het luchthavenbesluit) heeft vastgesteld;

  • een ontwerp van het luchthavenbesluit in het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van 7 februari 2025 tot en met 20 maart 2025 ter inzage is gelegd;

  • het luchthavenbesluit omtrent de ruimtelijke indeling rond de luchthaven Eelde regels bevat ten aanzien van de functie en het gebruik van de locatie in verband met het externe-veiligheidsrisico en de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer, alsmede in verband met de vliegveiligheid;

  • gemeenten in de omgeving van de luchthaven Eelde op grond van artikel 8.8, derde lid, van de Wet luchtvaart, verplicht zijn om binnen een jaar nadat het luchthavenbesluit in werking is getreden hun omgevingsplan overeenkomstig het luchthavenbesluit vast te stellen;

  • de mogelijkheid bestaat dat een omgevingsplan een ruimtelijke ontwikkeling in strijd met de regels in het luchthavenbesluit niet uitsluit tot het moment waarop het omgevingsplan is vastgesteld overeenkomstig het luchthavenbesluit;

  • het derhalve noodzakelijk is om vanaf heden met toepassing van de bevoegdheid van artikel 8.70, tweede lid juncto artikel 8.47, tweede lid en 8.8, tweede lid, van de Wet luchtvaart en de artikelen 2.24 en 4.16, tweede tot met vijfde lid, van de Omgevingswet via een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan in alle hieronder in artikel 1 genoemde gemeenten te wijzigen met voorbeschermingsregels totdat het omgevingsplan door de gemeente is gewijzigd conform de regels in het luchthavenbesluit.

Artikel 1

Voor de omgevingsplannen van de gemeenten:

• Aa en Hunze

• Achtkarspelen

• Assen

• Borger-Odoorn

• Eemsdelta

• Groningen

• Heerenveen

• Het Hogeland

• Midden-Drenthe

• Midden-Groningen

• Noordenveld

• Oldambt

• Ooststellingwerf

• Opsterland

• Pekela

• Smallingerland

• Stadskanaal

• Tynaarlo

• Veendam

• Westerkwartier

• Westerveld

• Westerwolde

• Weststellingwerf

een voorbereidingsbesluit te nemen in verband met instructieregels als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, van de Omgevingswet, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan.

Artikel 2

Het omgevingsplan van gemeente Aa en Hunze te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 1 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 3

Het omgevingsplan van gemeente Achtkarspelen te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 2 bij dit besluit zijn opgenomen..

Artikel 4

Het omgevingsplan van gemeente Assen te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 3 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 5

Het omgevingsplan van gemeente Borger-Odoorn te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 4 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 6

Het omgevingsplan van gemeente Eemsdelta te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 5 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 7

Het omgevingsplan van gemeente Groningen te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 6 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 8

Het omgevingsplan van gemeente Heerenveen te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 7 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 9

Het omgevingsplan van gemeente Het Hogeland te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 8 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 10

Het omgevingsplan van gemeente Midden-Drenthe te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 9 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 11

Het omgevingsplan van gemeente Midden-Groningen te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 10 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 12

Het omgevingsplan van gemeente Noordenveld te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 11 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 13

Het omgevingsplan van gemeente Oldambt te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 12 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 14

Het omgevingsplan van gemeente Ooststellingwerf te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 13 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 15

Het omgevingsplan van gemeente Opsterland te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 14 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 16

Het omgevingsplan van gemeente Pekela te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 15 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 17

Het omgevingsplan van gemeente Smallingerland te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 16 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 18

Het omgevingsplan van gemeente Stadskanaal te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 17 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 19

Het omgevingsplan van gemeente Tynaarlo te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 18 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 20

Het omgevingsplan van gemeente Veendam te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 19 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 21

Het omgevingsplan van gemeente Westerkwartier te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 20 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 22

Het omgevingsplan van gemeente Westerveld te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 21 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 23

Het omgevingsplan van gemeente Westerwolde te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 22 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 24

Het omgevingsplan van gemeente Weststellingwerf te wijzigen met de voorbeschermingsregels, zoals in Bijlage 23 bij dit besluit zijn opgenomen.

Artikel 25

Na bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant, treedt dit besluit direct in werking.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

R. Tieman

Bijlage 1 bij artikel 2 gemeente Aa en Hunze

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Aa en Hunze in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor DVORDME Windturbine, VDF Windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage II Begrippen

bouwwerk

bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel

object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Bijlage 2 bij artikel 3 gemeente Achtkarspelen

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Achtkarspelen in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 3 bij artikel 4 gemeente Assen

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Assen in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

extramurale opslag of verwerking: opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Conical en Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor VDF Windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met vogelaantrekkende activiteiten en grondgebruik

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden gelegen binnen het gebied met vogelaantrekkende werking te gebruiken voor:

    • a.

      industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag;

    • b.

      viskwekerij met extramurale opslag;

    • c.

      opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking;

    • d.

      natuurgebied of vogelgebied;

    • e.

      moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan drie hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan drie hectare.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een studie naar de vogelaantrekkende werking van de voorgenomen activiteit verstrekt waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien op basis van een studie, als bedoeld in het tweede lid, kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend indien het gebruik van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een grondgebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 2.4 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 4 bij artikel 5 gemeente Borger-Odoorn

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 5 bij artikel 6 gemeente Eemsdelta

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Eemsdelta in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Eemsdelta/nld@2025‑11‑01

Bijlage 6 bij artikel 7 gemeente Groningen

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Groningen in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

extramurale opslag of verwerking: opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Approach, Take-off, Transitional, Inner horizontal, Conical en Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.Item

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor DME, ILS glidepad , ILS localizer, Zendstation A, Zendstation B, DVORDME EEL, DVORDME Windturbine, Noodzendstation, VDF EEL, VDF Windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met vogelaantrekkende activiteiten en grondgebruik

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden gelegen binnen het gebied met vogelaantrekkende werking te gebruiken voor:

    • a.

      industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag;

    • b.

      viskwekerij met extramurale opslag;

    • c.

      opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking;

    • d.

      natuurgebied of vogelgebied;

    • e.

      moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan drie hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan drie hectare.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een studie naar de vogelaantrekkende werking van de voorgenomen activiteit verstrekt waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien op basis van een studie, als bedoeld in het tweede lid, kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend indien het gebruik van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een grondgebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 2.4 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

DME

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DME_Groningen/nld@2025‑11‑01

ILS glidepad

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_ILS_glidepath_Groningen/nld@2025‑11‑01

ILS localizer

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_ILS_localizer_Groningen/nld@2025‑11‑01

Zendstation A

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Zendstation_A_Groningen/nld@2025‑11‑01

Zendstation B

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Zendstation_B_Groningen/nld@2025‑11‑01

DVORDME EEL

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DVORDME_eel_Groningen/nld@2025‑11‑01

Noodzendstation

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Noodzendstation_Groningen/nld@2025‑11‑01

VDF Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_VDF_wind_Groningen/nld@2025‑11‑01

TAR Eelde

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Radar_Groningen/nld@2025‑11‑01

VDF

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_VDF_Groningen/nld@2025‑11‑01

Take-off

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_takeoff_Groningen/nld@2025‑11‑01

Transitional

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_transitional_Groningen/nld@2025‑11‑01

Inner horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_innerhorizontal_Groningen/nld@2025‑11‑01

Conical

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_conical_Groningen/nld@2025‑11‑01

Outer horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_outerhorizontal_Groningen/nld@2025‑11‑01

Approach

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_approach_Groningen/nld@2025‑11‑01

gebied met vogelaantrekkende werking

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_vogelaantrekkende_werking_Groningen/nld@2025‑11‑01

DVORDME Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DVORDME_wind_Groningen/nld@2025‑11‑01

Bijlage 7 bij artikel 8 gemeente Heerenveen

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Heerenveen/nld@2025‑11‑01

Bijlage 8 bij artikel 9 gemeente Het Hogeland

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Het Hogeland in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels..

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor DVORDME WINDTURBINE en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 9 bij artikel 10 gemeente Midden-Drenthe

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 10 bij artikel 11 gemeente Midden-Groningen

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Midden-Groningen in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Take-off, Approach en Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor DVORDME Windturbine, DVORDME EEL, VDF Windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

Take-off

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_takeoff_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

Approach

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_approach_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

Outer horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_outerhorizontal_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

DVORDME EEL

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DVORDME_eel_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

VDF Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_VDF_wind_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

TAR Eelde

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Radar_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

DVORDME Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DVORDME_wind_Midden_Groningen/nld@2025‑11‑01

Bijlage 11 bij artikel 12 gemeente Noordenveld

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Noordenveld in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

extramurale opslag of verwerking: opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Take-off, Approach, Inner horizontal, Conical en Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor DVORDME Windturbine, VDF Windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met vogelaantrekkende activiteiten en grondgebruik

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden gelegen binnen het gebied met vogelaantrekkende werking te gebruiken voor:

    • a.

      industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag;

    • b.

      viskwekerij met extramurale opslag;

    • c.

      opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking;

    • d.

      natuurgebied of vogelgebied;

    • e.

      moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan drie hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan drie hectare.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een studie naar de vogelaantrekkende werking van de voorgenomen activiteit verstrekt waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien op basis van een studie, als bedoeld in het tweede lid, kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend indien het gebruik van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een grondgebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 2.4 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

Take-off

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_takeoff_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

Approach

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_approach_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

Inner horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_innerhorizontal_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

Conical

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_conical_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

Outer horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_outerhorizontal_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

DVORDME Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DVORDME_wind_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

VDF Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_VDF_wind_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

TAR Eelde

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Radar_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

gebied met vogelaantrekkende werking

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_vogelaantrekkende_werking_Noordenveld/nld@2025‑11‑01

Bijlage 12 bij artikel 13 gemeente Oldambt

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Oldambt in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Oldambt/nld@2025‑11‑01

Bijlage 13 bij artikel 14 gemeente Ooststellingwerf

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Ooststellingwerf in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Approach en Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 14 bij artikel 15 gemeente Opsterland

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Opsterland in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Opsterland/nld@2025‑11‑01

Bijlage 15 bij artikel 16 gemeente Pekela

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Pekela in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 16 bij artikel 17 gemeente Smallingerland

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Smallingerland in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 17 bij artikel 18 gemeente Stadskanaal

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Stadskanaal/nld@2025‑11‑01

Bijlage 18 bij artikel 19 gemeente Tynaarlo

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Tynaarlo in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bedrijfswoning: woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

beperkt kwetsbaar gebouw: gebouw met een kantoor-, cel-, industrie-, sport- of logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

extramurale opslag of verwerking: opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw;

gebouw: gebouw als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

geluidgevoelig gebouw: gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

kwetsbaar gebouw: gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

minister: de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

overig gebouw: gebouw, niet zijnde een woning, een beperkt kwetsbaar gebouw of een kwetsbaar gebouw.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Ruimtelijke beperkingen in verband met het externe veiligheidsrisico

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied dat is gelegen op of binnen de 10e-5 plaatsgebonden risicocontour de volgende ruimtelijke bouwactiviteit uit te voeren: het bouwen van een gebouw.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend indien het betreft:

    • a.

      vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning;

    • b.

      vervangende nieuwbouw van een beperkt kwetsbaar gebouw; of

    • c.

      nieuwbouw van een overig gebouw.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval niet verleend indien de ruimtelijke bouwactiviteit de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied dat is gelegen op of binnen de 10e-6 plaatsgebonden risicocontouren en tussen deze contour en de daarbinnen liggende 10e-5 plaatsgebonden risicocontour, de volgende ruimtelijke bouwactiviteit uit te voeren: het bouwen van een gebouw.

  • 5.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het vierde lid, uitsluitend verleend indien het betreft:

    • a.

      nieuwbouw van een bedrijfswoning;

    • b.

      nieuwbouw van een beperkt kwetsbaar gebouw;

    • c.

      nieuwbouw van een woning of een kwetsbaar gebouw voor zover het betreft:

      • 1°.

        nieuwbouw op een open plek in bestaande bebouwing; of

      • 2°.

        verplaatsing van een kwetsbaar gebouw naar een minder risicodragende locatie binnen het gebied, bedoeld in het vijfde lid

    • d.

      nieuwbouw van een overig gebouw;

    • e.

      verandering van de functie van een gebouw naar een andere functie, niet zijnde een woning of een kwetsbaar gebouw.

  • 6.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval niet verleend indien de ruimtelijke bouwactiviteit de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 7.

    Het vijfde lid, aanhef en onderdeel c, onder 2o, wordt niet eerder toegepast dan nadat het oude kwetsbare gebouw aan de bestaande functie is onttrokken.

Artikel 2.2 Ruimtelijke beperkingen in verband met de geluidbelasting

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied dat is gelegen op of binnen de contour van 70 Lden, de volgende ruimtelijke bouwactiviteit uit te voeren: het bouwen van een gebouw.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend indien het betreft: een niet geluidgevoelig gebouw of de nieuwbouw van een bedrijfswoning.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval niet verleend indien de ruimtelijke bouwactiviteit de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied dat is gelegen op de contour van 56 Lden of in het gebied tussen die contour en de daarbinnen liggende contour van 70 Lden, de volgende ruimtelijke bouwactiviteit uit te voeren: het bouwen van een gebouw.

  • 5.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het vierde lid, uitsluitend verleend indien het betreft:

    • a.

      nieuwbouw van een bedrijfswoning;

    • b.

      nieuwbouw van een woning of een geluidgevoelig gebouw die:

      • 1°.

        een open plek in de bestaande bebouwing opvult;

      • 2°.

        zal dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing; of

      • 3°.

        binnen het desbetreffende gebied wordt verplaatst naar een locatie waar de geluidbelasting ten gevolge van het luchthavenluchtverkeer minder is.

    • c.

      nieuwbouw van een niet geluidgevoelig gebouw; of

    • d.

      verandering van de functie van een gebouw naar een andere functie, niet zijnde een woning of een geluidgevoelig gebouw.

  • 6.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het vierde lid, wordt in ieder geval niet verleend indien de ruimtelijke bouwactiviteit de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 7.

    Het vijfde lid, aanhef en onderdeel b, onder 30, wordt niet eerder toegepast dan nadat het oude geluidgevoelige gebouw aan de bestaande functie is onttrokken.

Artikel 2.3 Ruimtelijke beperkingen in verband met veiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied dat is gelegen binnen de contouren ter aanduiding van de veiligheidsgebieden een obstakel of een helling op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien het een obstakel of een helling betreft dat:

    • a.

      breekbaar en licht van constructie is;

    • b.

      voldoet aan de eisen ten aanzien van de vlakheid van het terrein als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens;

    • c.

      voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Regeling burgerluchthavens.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van het obstakel of de helling de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 4.

    Het eerste lid geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel of de helling is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • b.

      voor het obstakel of de helling vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • c.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 5.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.4 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Take-off, Approach, Transitional, Inner horizontal, Conical en Outer Horizontal, een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.5 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor DME, ILS glidepad, ILS localizer, Ontvangstation A, Ontvangststation B, Noodontvangststation, Zendstation A, Zendstation B, Noodzendstation, DVORDME Windturbine, VDF EEL, VDF windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.6 Beperkingen in verband met vogelaantrekkende activiteiten en grondgebruik

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden gelegen binnen het gebied met vogelaantrekkende werking te gebruiken voor:

    • a.

      industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag;

    • b.

      viskwekerij met extramurale opslag;

    • c.

      opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking;

    • d.

      natuurgebied of vogelgebied;

    • e.

      moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan drie hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan drie hectare.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een studie naar de vogelaantrekkende werking van de voorgenomen activiteit verstrekt waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien op basis van een studie, als bedoeld in het tweede lid, kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend indien het gebruik van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een grondgebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 2.7 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

gebied dat is gelegen op of binnen de 10-5-plaatsgebonden risicocontour

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_ev_binnen_10_5_risicocontour_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

gebied dat is gelegen op of binnen de 10-6-plaatsgebonden risicocontouren

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_ev_tussen_10_5_en_10_6_risicocontour_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

gebied dat is gelegen op of binnen de contour van 70 Lden

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_geluid_binnen_70_lden_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

gebied dat is gelegen op de contour van 56 Lden of in het gebied tussen die contour en de daarbinnen liggende contour van 70 Lden

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_geluid_tussen_56_70_lden_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

veiligheidsgebieden

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_veiligheidsgebieden_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Take-off

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_takeoff_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Approach

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_approach_Tynaarlo_20251101/nld@2025‑11‑01

Transitional

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_transitional_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Inner horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_innerhorizontal_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Conical

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_conical_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Outer Horizontal

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_vliegveilig_outerhorizontal_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

DME

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DME_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

ILS glidepad

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_ILS_glidepath_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

ILS localizer

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_ILS_localizer_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Ontvangstation A

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Ontvangstation_A_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Ontvangststation B

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Ontvangstation_B_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Zendstation A

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Zendstation_A_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Zendstation B

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Zendstation_B_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Noodzendstation

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Noodzendstation_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

DVORDME Windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_DVORDME_wind_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

VDF EEL

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_VDF_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

VDF windturbine

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_VDF_wind_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

TAR Eelde

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_Radar_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

gebied met vogelaantrekkende werking

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_vogelaantrekkende_werking_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Noodontvangststation

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_hoogteb_com_noodontvangststation_Tynaarlo/nld@2025‑11‑01

Bijlage 19 bij artikel 20 gemeente Veendam

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Veendam in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 20 bij artikel 21 gemeente Westerkwartier

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;

omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage 21 bij artikel 22 gemeente Westerveld

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Westerveld/nld@2025‑11‑01

Bijlage 22 bij artikel 23 gemeente Westerwolde

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

laserstraalvrij gebied

/join/id/regdata/mnre1130/2025/vb_lb_GAE_laserstraalvrij_gebied_Westerwolde/nld@2025‑11‑01

Bijlage 23 bij artikel 24 gemeente Weststellingwerf

Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Voorrangsbepaling



Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Weststellingwerf in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 1.1 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Besluit Motivering

Toelichting

Verhouding Omgevingswet – Wet luchtvaart en luchthavenbesluiten

Overeenkomstig het uitgangspunt bij de onderlinge afstemming van de Omgevingswet en de Wet luchtvaart is het de bedoelding dat de instructieregels over ruimtelijke beperkingen binnen beperkingengebieden rond luchthavens in het nieuwe stelsel van de Omgevingswet worden opgenomen. Dit vloeit voort uit artikel 2.29 van de Omgevingswet. Deze instructieregels zullen een plaats krijgen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en worden ingevoegd via een apart wijzigingsbesluit. Dit wijzigingsbesluit zal waarschijnlijk pas gereed zijn nadat de verschillende luchthavenbesluiten voor burgerluchthavens van nationale betekenis (zoals het luchthavenbesluit voor de luchthaven Eelde) zijn vastgesteld. Bij de vaststelling van deze luchthavenbesluiten worden de nadere regels van het Besluit burgerluchthavens in acht genomen. Dit volgt uit artikel 8.70, vierde lid, van de Wet luchtvaart.

De aanwijzing van de bij luchthavens behorende beperkingengebieden blijft plaatsvinden op grond van de Wet luchtvaart en gaat niet over naar het stelsel van de Omgevingswet. Dit in verband met de nauwe samenhang die bestaat tussen de omvang van de beperkingengebieden en het luchtverkeer naar de luchthaven.

Tot het moment dat deze luchthavenbesluiten zijn vastgesteld gelden voor deze luchthavens zogenaamde omzettingsregelingen. De vaststelling van een omzettingsregeling is het besluit dat voorziet in de overgang van het aanwijzingsbesluit dat in het verleden op grond van de Luchtvaartwet is vastgesteld en het nog vast te stellen luchthavenbesluit.

Ruimtelijke regels rondom luchthavens

Het gebruik van de luchthaven Eelde heeft gevolgen voor de ruimtelijke indeling in de omgeving van de luchthaven. Vanuit milieu- en externe-veiligheidsaspecten worden beperkingengebieden rondom de luchthaven vastgesteld. Binnen deze beperkingengebieden gaan regels gelden waarbij beperkingen worden gesteld aan de functie en het gebruik van locaties. De beperkingengebieden en de daarin geldende regels zijn recent vastgelegd in het Luchthavenbesluit Eelde.

Als gevolg van dit luchthavenbesluit mogen gemeenten in de omgeving van de luchthaven in hun omgevingsplan op bepaalde locaties bijvoorbeeld (als hoofdregel) geen nieuwbouw van gebouwen en woningen of obstakels met een bepaalde hoogte toelaten. Ook een bepaalde wijze van grondgebruik kan op bepaalde locaties niet toelaten zijn. Als dit in de huidige omgevingsplannen nog wel wordt toegelaten, moeten gemeenten hun omgevingsplannen hierop aanpassen. Volgens artikel 8.8, derde lid, van de Wet luchtvaart moet dit binnen een jaar gebeuren nadat het Luchthavenbesluit Eelde in werking is getreden.

Voorbescherming

Zolang de ruimtelijke regels in het Luchthavenbesluit Eelde nog niet in het omgevingsplan zijn verwerkt, hebben zij geen bindende werking richting burgers. Dit betekent dat zolang een omgevingsplan niet is gewijzigd en dit omgevingsplan bijvoorbeeld de bouw van nieuwbouwwoningen binnen een beperkingengebied mogelijk maakt, de bouw hiervan is toegestaan. Dit wordt niet wenselijk geacht. Daarom worden met dit voorbereidingsbesluit alle omgevingsplannen in de omgeving van luchthaven Eelde gewijzigd met voorbeschermingsregels. Hierdoor kunnen binnen de beperkingengebieden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die zich niet verhouden met de ruimtelijke regels in het luchthavenbesluit Eelde. Deze voorbereidingsregels vervallen op het moment dat een omgevingsplan in werking treedt dat aan de regels van het Luchthavenbesluit Eelde is aangepast.

Vanaf het moment dat het Luchthavenbesluit Eelde in werking is getreden, gelden ook de bepalingen van artikel 8.8 en artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. Uit deze artikelen volgt dat bij de vaststelling van een omgevingsplan voor een gebied dat is gelegen binnen het beperkingengebied of bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het luchthavenbesluit in acht wordt genomen. Van het luchthavenbesluit kan worden afgeweken als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft laten weten dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft. Uit het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023 volgt dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bevoegd is om namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een dergelijke verklaring van geen bezwaar (vvgb) te verlenen. Op deze wijze is bijvoorbeeld een uitzondering op de regel dat nieuwe obstakels niet door het obstakelvlak mogen heen steken mogelijk als hiervoor een vvgb is verleend. Ook kan door middel van een vvgb worden afgeweken van het verbod om de binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren. In de bepalingen over ruimtelijke beperkingen in verband met het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting is de zinsnede ‘onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart’ opgenomen. Hiermee wordt nogmaals uitdrukkelijk gewezen op de situaties waarin ingevolge de artikelen 12 en 13 van het Luchthavenbesluit Eelde in voorkomende gevallen een vvgb is vereist.

Gevolgen

Op grond van de voorbeschermingsregels die deel uitmaken van het omgevingsplan kan een aangevraagde omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld de bouw van nieuwbouwwoningen door het gemeentebestuur in ieder geval niet worden verleend als het een locatie betreft binnen een beperkingengebied van het Luchthavenbesluit Eelde dat de bouw van nieuwbouwwoningen niet toelaat. Uit de zinsnede ‘in ieder geval’ dat in diverse artikelonderdelen is opgenomen, volgt dat het gemeentebestuur de aanvraag om omgevingsvergunning ook op andere gronden dan de ‘luchthaven-gronden’ niet kan verlenen, zoals bijvoorbeeld op grond van welstand. Als de vergunning op grond van de in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels niet kan worden verleend en de aangevraagde omgevingsplanactiviteit heeft betrekking op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan, dan moet de aanvraag voor deze activiteiten worden geweigerd (artikel 8.0b, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Begripsbepalingen

In artikel 1 van de verschillende bijlagen zijn definities van een aantal gebruikte begrippen opgenomen. Voor deze begrippen is aansluiting gezocht bij definities van begrippen die worden gebruikt in het op de Wet luchtvaart gebaseerde Besluit burgerluchthavens. Zoals hiervoor al aangehaald, bepaalt artikel 8.70, vierde lid, van de Wet luchtvaart dat bij het vaststellen van een luchthavenbesluit de regels omtrent ruimtelijke ordening zoals vastgelegd in het Besluit burgerluchthavens, in acht moet worden genomen. Als gevolg hiervan kunnen de in dit voorbereidingsbesluit opgenomen definities afwijken van de definities van vergelijkbare begrippen in het kader van de Omgevingswet.

De begrippen geluidgevoelig gebouw en kwetsbaar gebouw hebben betrekking op respectievelijk gebouwen in een beperkingengebied in verband met de geluidbelasting en gebouwen in een beperkingengebied in verband met externe veiligheid. In dit besluit is geen definitie van het begrip ‘woning’ opgenomen, omdat ook de Omgevingswet en de daarop berustende bepalingen geen definitie van dit begrip bevatten. Om consistentie te waarborgen, is ervoor gekozen om in dit besluit evenmin een aparte definitie op te nemen.

Het begrip woning omvat alle bouwwerken met een woonfunctie dus ook een woonwagen of een woonboot. Recreatiewoningen hebben onder de Omgevingswet een logiesfunctie en worden daarom niet beschouwd als woningen of geluidsgevoelige gebouwen. Onder de luchtvaartwetgeving worden recreatiewoningen, die permanent door dezelfde gebruikers (zijnde eigenaren of huurders) worden bewoond, beschouwd als woningen. Bij de toepassing van de voorbeschermingsregels in dit voorbeschermingsbesluit, kunnen deze recreatiewoningen, als een woning worden beschouwd. Het begrip bedrijfswoning wordt gebruikt voor een agrarisch bedrijf (boerderij). Voor een goede bedrijfsuitoefening is een vrijwel permanente aanwezigheid van bepaalde bewoners nabij het bedrijf noodzakelijk. Bewoners zijn bijvoorbeeld de bedrijfseigenaar en zijn gezin. Woningen op een bedrijventerrein worden ook aangeduid als bedrijfswoningen. Deze bedrijfswoningen worden niet bedoeld met de luchtvaartwetgeving. Bewoners van bedrijfswoningen genieten minder bescherming tegen de gevolgen van luchtverkeer dan bewoners van woningen.

Beperkingengebieden

In het luchthavenbesluit zijn beperkingengebieden vastgelegd. Het vastleggen van de beperkingengebieden samenhangend met de 10–5 en 10–6 plaatsgebonden risicocontouren vindt zijn grondslag in artikel 8.70, derde lid, in samenhang met artikel 8.47, eerste lid, van de Wet luchtvaart en artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens. De grondslag voor het vastleggen van beperkingengebieden van respectievelijk de 70 en 56 Lden-contour en de ruimtelijke regels die daarin gelden is dezelfde als die voor het vastleggen van de beperkingengebieden en regels in verband met het externe veiligheidsrisico.

Het in het luchthavenbesluit vastleggen van de contouren ter aanduiding van de veiligheidsgebieden vloeit voort uit voormelde wetsartikelen en artikel 9, aanhef en onderdeel e, van het Besluit burgerluchthavens. De ruimtelijke regels die in deze gebieden gelden vinden hun grondslag in artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens en artikel 7 van de Regeling burgerluchthavens. De omvang van de gebieden is overeenkomstig de voorschriften van bijlage 3 van die regeling vastgesteld.

Het toevoegen van woningen (waaronder inbegrepen standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonboten) binnen de 10-5 plaatsgebonden riscocontour en binnen de 70 Lden-contour is nooit toegestaan. Het luchthavenbesluit onttrekt woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, en kwetsbare en/of geluidgevoelig gebouwen aan hun bestaande functie als ze gelegen zijn binnen dit gebied. Het toevoegen van bedrijfswoningen en andere kwetsbare en/of geluidgevoelige gebouwen in deze beperkingengebieden is mogelijk, maar wordt bij voorkeur niet toegestaan. Het hele gebied zou vrij moeten zijn van woningen, inclusief bedrijfswoningen, en kwetsbare gebouwen en geluidgevoelige gebouwen. Het risico op gezondheidsschade en (voortijdig) overlijden in relatie met de geringe omvang van deze gebieden, weegt zwaar mee in de afweging om dit na te streven.

Binnen het gebied begrenst door de 10-6 plaatsgebonden riscocontour en de 56 Lden-contour worden bij voorkeur geen extra woningen (inclusief bedrijfswoningen) en kwetsbare en/of geluidsgevoelige gebouwen toegevoegd. Bestaande woningen, kwetsbare en/of geluidsgevoelige gebouwen mogen blijven. Ook hiervoor geldt dat het risico op gezondheidsschade en (voortijdig) overlijden meeweegt in de afweging gebouwen toe te laten tot het beperkingengebied. Door het streven naar niet toelaten nemen de mogelijke gevolgen van het risico niet verder toe.

Veiligheidsgebieden en overige gebieden met beperkingen

Het artikel over ‘Ruimtelijke beperkingen in verband met veiligheid’ heeft betrekking op het veiligheidsgebied dat zich bevindt in het verlengde van de start- en landingsbanen op de luchthaven. Dit gebied dient zo min mogelijk objecten of hoogteverschillen (zoals greppels, sloten, steile hellingen) te bevatten om het risico op schade aan een vliegtuig ten gevolge van het doorschieten of het te vroeg landen ervan te verminderen. Voor zover uit dit artikel volgt dat een omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend als het een obstakel of een helling breekbaar en licht van constructie is, dient dit te worden beoordeeld aan de hand van de in bijlage 4 bij de Regeling burgerluchthavens opgenomen voorschriften van de VN Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO DOC 9157 Aerodrome Design Manual Part 6 – Frangibility) ten aanzien van de breekbaarheid en lichtheid.

Met de vaststelling van het Luchthavenbesluit Eelde zijn ook gebieden met hoogtebeperkingen vastgesteld. Specifiek voor obstakels, anders dan bouwwerken, zoals bomen of struiken maar bijvoorbeeld ook bouwkranen geldt op grond van het Luchthavenbesluit Eelde in relatie tot deze hoogtebeperkingen automatisch een vergunningplicht op grond van hoofdstuk 10 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is het bevoegd gezag voor een enkelvoudige aanvraag en heeft deze bevoegdheid gemandateerd aan de ILT (Bij een meervoudige aanvraag is meestal de gemeente het bevoegd gezag, maar is de minister betrokken via een advies- en instemmingsrecht.

Met betrekking tot de gebieden met hoogtebeperkingen geldt dat nieuwe obstakels die door het obstakelvlak heen steken er alleen nog kunnen komen als het obstakels betreft waarvoor een omgevingsvergunning moet worden verleend. Een dergelijke omgevingsvergunning kan, gelet op de artikelen 14 en 15 van het Luchthavenbesluit Eelde, uitsluitend worden verleend nadat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft laten weten dat hij in dit geval tegen de afwijking van deze artikelen geen bezwaar heeft. Bij het beoordelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt betrokken of de hoogte van het obstakel de vliegveiligheid negatief beïnvloedt (hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid) danwel of de werking van de apparatuur wordt verstoord door de hoogte, de situering, de vorm of het materiaalgebruik van het obstakel en hierdoor de vliegveiligheid negatief beïnvloed wordt. Als er sprake is van een dergelijke negatieve beïnvloeding, zal, een vvgb worden geweigerd. De ter plaatse geldende hoogtebeperkingen zijn ook in te zien op de website https://hoogtebeperkingen-luchtvaart.nl/.

Een uitzondering op de hoofdregel dat obstakels niet door het obstakelvlak heen mogen steken betreft bomen en struiken. Dit is slechts anders als deze bomen of struiken een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid opleveren of tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven leiden. Of er sprake van een dergelijk onaanvaardbaar risico is, wordt beoordeeld door de ILT.

De artikelen in de verschillende bijlagen over ‘Beperkingen in verband met vogelaantrekkende activiteiten en grondgebruik’ zijn opgenomen omdat aanvaringen tussen luchtvaartuigen en vogels een ernstig gevaar vormen voor de luchtvaart. Van de in dit artikel opgenomen vormen van grondgebruik bijvoorbeeld viskwekerijen met extramurale bassins, kan in redelijkheid worden aangenomen dat deze – door te dienen als locatie met voedselaanbod, rustplaats of slaapplaats – grote vogelconcentraties kunnen aantrekken. Dergelijke activiteiten zijn binnen het gebied met vogelaantrekkende werking in beginsel niet toegestaan.

Een uitzondering op deze regel is mogelijk als overeenkomstig artikel 8.9, derde lid, van de Wet luchtvaart hiervoor een vvgb is verleend. Bij de afweging omtrent de afgifte van een vvgb wordt betrokken of door de vogelaantrekkende activiteit het risico voor het luchtverkeer toeneemt.

Daarnaast kan voor een dergelijke nieuwe activiteit een omgevingsvergunning worden verleend indien uit een studie blijkt dat de vogelaantrekkende werking van de nieuwe activiteit zo gering is dat deze geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert. De mate van vogelaantrekkende werking van de voorgenomen nieuwe ontwikkeling zal sterk afhangen van de soort van activiteit en van de locatie en de afstand tot de (baan van de) luchthaven. Het is de initiatiefnemer van voorgenomen activiteit die de studie naar de vogelaantrekkende werking zal moeten uitvoeren en betalen. De initiatiefnemer zal met de studie moeten aantonen dat ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling het risico op vogelaanvaringen niet toeneemt. De studie kan de vorm hebben van een deskundigenadvies van een ecologisch onderzoeksbureau. Activiteiten mogen niet in strijd met het omgevingsplan plaatsvinden. Bij het aanvragen van een vergunning voor mogelijk vogelaantrekkende activiteiten is de gemeente het bevoegd gezag voor toetsing aan het omgevingsplan. Met de vergunningaanvraag dient de initiatiefnemer de studie naar vogelaantrekkende werking bij de gemeente in. Omdat in de studie de conclusie moet zijn opgenomen of de voorgenomen activiteit leidt tot een onaanvaardbaar risico op vogelaanvaringen voor vliegtuigen, kan de gemeente derhalve beslissen of de vergunning verleend kan worden.

De artikelen in de verschillende bijlagen inzake ‘Laserstraalvrij gebied’ zijn opgenomen omdat het gebruik van lasers van invloed kan zijn op de luchtvaartveiligheid. In het geval dat de vliegers in (oog)contact komen met de lichtbundel kan dit leiden tot een schrikreactie, tijdelijke verblinding en in uitzonderlijke gevallen zelfs blindheid. Met name in de buurt van luchthavens is het effect van laserlicht het grootst aangezien de vliegtuigen relatief laag vliegen en – als gevolg daarvan – dichter bij de lichtbron. Het risico is het grootst tijdens de nadering. Hierbij bevindt het vliegtuig zich in een van de meest kritieke fasen van de vlucht. Tijdens deze vluchtfase wordt door vliegers naar buiten gekeken voor visuele referentie. Wanneer de bemanning hierbij wordt afgeleid, gehinderd of zelfs verblind kan dit de veiligheid sterk beïnvloeden. In uitzonderlijke situaties kan dit leiden tot luchtvaartongevallen. Om het risico van lasers op de luchtvaartveiligheid te beperken, wordt in het Luchthavenbesluit Eelde een laserstraalvrij gebied vastgesteld. In dit gebied is het gebruik van laserstralen die een verstorend effect kunnen hebben op de vliegveiligheid verboden. Het laserstraalvrije gebied is bepaald overeenkomstig artikel 10 van de Regeling burgerluchthavens. Een omgevingsvergunning om in het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken kan, gelet op artikel 18 van het Luchthavenbesluit Eelde, uitsluitend worden verleend nadat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft laten weten dat hij in dit geval tegen de afwijking van deze artikelen geen bezwaar heeft. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een vvgb zal door de ILT worden beoordeeld of de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid in gevaar brengt. Een reeds bestaand gebruik of functie, overeenkomstig het tweede lid van deze artikelen, is toegestaan indien het gebruik of die functie rechtmatig was vóór het moment van inwerkingtreding van dit besluit.

Naar boven