Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2026, nr. VO/20251121 houdende wijziging van de Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 en 2025/2026 in verband met de toevoeging van nieuwe aanvraagtijdvakken en enkele technische wijzigingen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 71 van de Wet op de expertisecentra, en artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 en 2025/2026 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd, die luiden:

informatiebijeenkomst:

regionale kennisbijeenkomst georganiseerd door het programmabureau van Ontwikkelkracht;

informatiegesprek:

gesprek met het programmabureau, welk gesprek onder andere betrekking heeft op de activiteiten die in het kader van het programma Ontwikkelkracht worden aangeboden en de stappen die moeten worden doorlopen tijdens het aanvraagproces;

schoolteam:

een groep onderwijsprofessionals die samenwerken om de leerlingen en de schoolorganisatie te ondersteunen;

B

Aan artikel 3, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • d. het door één en dezelfde vestiging met dezelfde vestigingscode deelnemen aan het aanbieden van leertrajecten aan lerende scholen als expertiseschool alsmede het deelnemen als lerende school aan het leertraject van een expertiseschool.

C.

Onder vernummering van Hoofdstuk 4 Slotbepalingen tot Hoofdstuk 5 Slotbepalingen wordt na Hoofdstuk 3 een nieuw hoofdstuk ingevoegd, dat luidt:

HOOFDSTUK 4. AANVRAAGRONDE 2026

Artikel 9a.1 Reikwijdte hoofdstuk 4

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 voor het schooljaar 2026/2027.

Artikel 9b.2 Aanvraag subsidie
  • 1. Een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen, voert voorafgaand aan de aanvraag een informatiegesprek met het programmabureau of neemt voorafgaand aan de aanvraag deel aan een informatiebijeenkomst.

  • 2. In afwijking van het eerste lid:

    • a. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, voorafgaand aan de aanvraag een evaluatiegesprek met Education Lab Netherlands, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een vestiging die voor het schooljaar 2025/2026 heeft deelgenomen als een co-creërende vestiging in een co-creatielab, waarbij een verslag van dit gesprek wordt opgenomen bij de subsidieaanvraag;

    • b. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, voorafgaand aan de aanvraag een intakegesprek met Education Lab Netherlands;

    • c. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, voorafgaand aan de aanvraag een evaluatiegesprek met het programmabureau, waarbij een verslag van dit gesprek wordt opgenomen bij de subsidieaanvraag;

  • 3. In aanvulling op het eerste lid:

    • a. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, een intakegesprek met het programmabureau;

    • b. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, een intakegesprek met de aanbieder van het onderzoeks- en verbetercultuurtraject;

    • c. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, een intakegesprek met de expertiseschool die een leertraject aanbiedt;

    • d. voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, een intakegesprek met Education Lab Netherlands.

  • 4. Een bevoegd gezag kan op basis van deze regeling voor vestigingen van eigen scholen per activiteit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, een aanvraag indienen.

  • 5. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, kan een bevoegd gezag ten behoeve van meerdere schoolteams subsidie aanvragen. Bij vestigingen waar op het moment van de aanvraag meer dan tachtig onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, mogen maximaal drie schoolteams van minimaal veertig onderwijsprofessionals deelnemen aan de trajecten. Bij vestigingen waar op het moment van aanvraag meer dan dertig onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging in het primair onderwijs betreft, mogen maximaal drie schoolteams van minimaal vijftien onderwijsprofessionals deelnemen aan de trajecten.

  • 6. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, kan ook door een samenwerking subsidie worden aangevraagd. Een samenwerking bestaat uit maximaal vijf vestigingen. De aanvraag voor een samenwerking geschiedt door een penvoerder.

  • 7. Een aanvraag voor subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a, b, d, e of f, kan worden ingediend van 9 maart 2026, 9.00 uur, tot en met 26 juni 2026, 16.00 uur.

  • 8. Een aanvraag voor subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, kan worden ingediend van 9 maart 2026, 9.00 uur, tot en met 26 juni 2026, 16.00 uur en van 2 oktober 2026, 9.00 uur, tot en met 27 november 2026, 16.00 uur.

  • 9. Subsidieaanvragen die buiten een aanvraagtijdvak worden ingediend, worden afgewezen.

  • 10. De subsidie wordt aangevraagd met het digitale aanvraagformulier dat daartoe op de website van DUS-I beschikbaar is gesteld.

  • 11. De subsidieaanvraag die namens een samenwerking wordt ingediend door de penvoerder, bedoeld in het zesde lid, bevat:

    • a. een verklaring, ondertekend door de penvoerder, waaruit blijkt dat de deelnemende partijen een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het dertiende lid hebben gesloten; en

    • b. een vermelding van de vestigingen waaruit de samenwerking bestaat.

  • 12. In de samenwerkingsovereenkomst tussen de penvoerder en de deelnemende partijen, bedoeld in het elfde lid, onderdeel a, wordt in ieder geval opgenomen:

    • a. de wijze waarop de vestigingen binnen de samenwerking met elkaar gaan samenwerken ten behoeve van deelname als co-creërende vestigingen in een co-creatie lab;

    • b. de voorgenomen verdeling van de subsidiemiddelen tussen de vestigingen binnen de samenwerking;

    • c. de wijze van informatieverstrekking en verantwoording aan de penvoerder door de overige vestigingen binnen de samenwerking, zodat de penvoerder aan de verplichtingen in deze regeling kan voldoen.

  • 13. De subsidie, bedoeld in het zesde lid, die wordt verstrekt ten behoeve van een samenwerking, wordt verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke vestiging feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

  • 14. Onvolledige subsidieaanvragen kunnen, binnen twee weken na de mededeling van de Minister dat de aanvraag onvolledig is, worden aangevuld door de subsidieaanvrager. Blijft tijdige en volledige aanlevering van de gegevens uit, dan wordt de betreffende aanvraag buiten behandeling gesteld.

  • 15. De Minister stelt een model voor de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het elfde lid, elektronisch beschikbaar.

Artikel 9c.3 Aanvraagvereisten
  • 1. De aanvraag bestaat uit een activiteitenplan, waarin onverminderd artikel 3.4 van de Kaderregeling ten minste wordt opgenomen:

    • a. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a:

      • 1°. voor zover de aanvrager voorafgaand aan de aanvraag niet heeft deelgenomen aan een informatiebijeenkomst van het programmabureau van Ontwikkelkracht, een verslag van het intakegesprek, bedoeld in artikel 9b.3a, met het programmabureau;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht en dat de aangeboden aanpak of werkwijze kansrijk is en gebaseerd is op relevante en recente inzichten uit de onderwijswetenschap;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject en dat er in de school voldoende draagvlak is;

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur heeft; en

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging in een bepaald leergebied een evidence-informed werkwijze of aanpak hanteert;

    • b. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b:

      • 1°. een omschrijving van de vraag of doelstelling die de vestiging heeft op het gebied van het versterken van haar onderzoeks- en verbetercultuur;

      • 2°. een ontwikkeldoel gericht op leerwinst;

      • 3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in de manier waarop het onderwijspersoneel betrokken is, de manier waarop de schoolleiding en het schoolbestuur betrokken zijn en welke rol eenieder heeft;

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor deelname aan het traject, en dat de onderwijsprofessionals waaronder de schoolleiding en het schoolbestuur, zich committeren aan het traject;

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat voldoende tijd zal worden vrijgemaakt voor de leraren en schoolleiding op de vestiging voor deelname aan het traject; en

      • 6°. een uiteenzetting die inzicht geeft in de wijze waarop het traject op de desbetreffende vestiging organisatorisch wordt vormgegeven;

    • c. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c:

      • 1°. een verslag van het gesprek, bedoeld in artikel 9b.2, derde lid, onderdeel c, met de expertiseschool die het te volgen leertraject aanbiedt;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het leertraject;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject; en

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat er in het team voldoende draagvlak is om de lessen uit het leertraject duurzaam in de school te borgen;

    • d. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d:

      • 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging of samenwerking beschikt over expertise op het thema van het co-creatielab;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging of samenwerking reeds succesvol werkt met evidence-informed aanpakken op het thema van het co-creatielab;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging of samenwerking in staat is de pilotversie van een aanpak uit het co-creatielab te implementeren en mee te werken aan monitoring en evaluatie;

      • 4°. een uiteenzetting die inzicht geeft in de manier waarop het onderwijspersoneel betrokken is, welke rol eenieder heeft en de manier waarop de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging of samenwerking bereid is om samen te werken met andere vestigingen en onderzoekers in het desbetreffende co-creatielab; en

      • 6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging of samenwerking aantoonbare ervaring heeft met samenwerking met wetenschappelijke onderzoekers;

    • e. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e:

      • 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is om samen te werken met andere vestigingen en onderzoekers in het desbetreffende co-creatielab;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om deel te nemen aan het project en de activiteiten van het co-creatielab; en

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;

    • f. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, en voor zover de vestiging waarvoor de subsidie wordt aangevraagd aan het aspirant-traject expertisescholen heeft deelgenomen;

      • 1°. een verslag van het gesprek, bedoeld in artikel 9b.2, tweede lid, onderdeel b, met het programmabureau;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor het aanbieden van een of meer leertrajecten als expertiseschool en dat de onderwijsprofessionals waaronder de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging, betrokken zijn en zich committeren aan de inzet hiervoor;

      • 3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke manier het onderwijspersoneel op de vestiging betrokken is, op welke manier de schoolleiding en het schoolbestuur betrokken zijn, welke rol eenieder heeft, hoeveel tijd voor de verschillende deelnemers wordt vrijgemaakt en hoe de op de vestiging aan te bieden leertrajecten organisatorisch worden vormgegeven;

      • 4°. een beschrijving van het leertraject van de vestiging als expertiseschool en de vereisten voor deelname van de vestigingen die deelnemen als lerende scholen; en

      • 5°. een onderbouwing van het aantal beschikbare plaatsen, ten minste vier en ten hoogste zes plaatsen, voor vestigingen die deelnemen als lerende scholen per aangeboden leertraject voor schooljaar 2026/2027.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, en voor zover ten behoeve van meerdere schoolteams subsidie wordt aangevraagd, bevat de aanvraag een verklaring, ondertekend door het bevoegd gezag, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 9b.2, vijfde lid.

Artikel 9d.4 Overeenkomstige toepassing weigeringsgronden
  • 1. De weigeringsgronden, bedoeld in artikel 6, zijn van overeenkomstige toepassing voor de subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk, met dien verstande dat bij artikel 6, onderdeel a, voor ‘de gesprekken’ wordt gelezen de gesprekken als bedoeld in artikel 9b.2, eerste, tweede of derde lid en bij artikel 6, onderdeel d, voor ‘peildatum 1 januari 2024’ wordt gelezen ‘peildatum 1 januari 2026’.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid, wordt een aanvraag die betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, en die ten behoeve van meerdere schoolteams is aangevraagd, geweigerd indien niet wordt voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 9b.2, vijfde lid.

Artikel 9e.5 Subsidieplafonds en maximaal aantal deelnemende vestigingen per jaar
  • 1. Voor verstrekking van de subsidie op grond van dit hoofdstuk is in totaal een bedrag beschikbaar van € 20.383.644 voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs.

  • 2. Per activiteit waarvoor subsidie kan worden aangevraagd zijn ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. € 1.413.255,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, waarbij in het schooljaar 2026/2027 ten hoogste vijf vestigingen in het primair onderwijs en tien vestigingen in het voortgezet onderwijs kunnen deelnemen;

    • b. € 11.781.000,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, waarbij in het schooljaar 2026/2027 ten hoogste achtenzeventig vestigingen in het primair onderwijs en zevenenzeventig vestigingen in het voortgezet onderwijs deelnemen;

    • c. € 3.024.000,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, waarbij in het schooljaar 2026/2027 voor ten hoogste drieëndertig vestigingen in het primair onderwijs, ten hoogste zevenentachtig vestigingen in het voortgezet onderwijs en in totaal voor ten hoogste honderdtwintig vestigingen subsidie kan worden verstrekt;

    • d. € 991.615,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, waarbij in het schooljaar 2026/2027 voor ten hoogste vijf vestigingen per co-creatielab en in totaal voor ten hoogste tien vestigingen subsidie kan worden verstrekt;

    • e. € 817.994,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, waarbij in het schooljaar 2026/2027 in totaal voor ten hoogste honderdvijfenzestig vestigingen subsidie kan worden verstrekt; en

    • f. € 2.355.780,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, waarbij in het schooljaar 2026/2027 voor ten hoogste twintig vestigingen subsidie kan worden verstrekt.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid, onderdeel b, geldt voor het primair onderwijs dat het maximaal aantal beschikbare onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten vanuit de aanbieder Groeikracht en de aanbieder Transformatieve School respectievelijk vijfenvijftig en drieëntwintig bedraagt. Het maximaal aantal beschikbare onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten voor het voortgezet onderwijs bedraagt tweeëntwintig vanuit Groeikracht en vijfenvijftig vanuit de Transformatieve School.

  • 4. De Minister verdeelt de beschikbare bedragen in volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het plafond zou worden overschreden.

Artikel 9f.6 Subsidiebedrag
  • 1. Het subsidiebedrag per vestiging in het primair onderwijs voor het schooljaar 2026/2027 bedraagt:

    • a. € 94.217,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;

    • b. € 41.580,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

    • c. € 25.200,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c.

    • d. € 99.162,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;

    • e. € 4.958,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e; en

    • f. € 47.116,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, vermeerderd met een aanvullend bedrag per aangeboden leertraject per lerende school van € 11.779,–.

  • 2. Het subsidiebedrag per vestiging in het voortgezet onderwijs voor het schooljaar 2026/2027 bedraagt:

    • a. € 94.217,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;

    • b. € 110.880,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

    • c. € 25.200,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c;

    • d. € 99.162,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;

    • e. € 4.958,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e; en

    • f. € 47.116,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, vermeerderd met een aanvullend bedrag per aangeboden leertraject per lerende school van € 11.779,–.

  • 3. Voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland wordt het in het eerste en tweede lid bedoelde subsidiebedrag omgerekend in US-dollars tegen de vastgestelde wisselkoers.

  • 4. Het subsidiebedrag per vestiging bij een aanvraag als bedoeld in artikel 9b.2, vijfde lid, wordt berekend door de bedragen uit onderdelen b van het eerste of tweede lid, te vermenigvuldigen met het aantal schoolteams dat aan de trajecten deelneemt.

  • 5. Het subsidiebedrag bij een aanvraag die namens een samenwerking wordt ingediend, als bedoeld in artikel 9b.2, zesde lid, wordt berekend door de bedragen uit onderdelen d van het eerste of tweede lid, te vermenigvuldigen met het aantal vestigingen dat binnen een samenwerking als een co-creërende vestiging deelneemt in een co-creatielab.

Artikel 9g.7 Overeenkomstige toepassing subsidieverplichtingen

De subsidieverplichtingen, bedoeld in artikel 9, zijn van overeenkomstige toepassing voor de subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk, met dien verstande dat bij artikel 9, derde lid, voor ‘kalenderjaar 2025’ wordt gelezen ‘kalenderjaar 2027’ en de Minister in afwijking van het derde lid op een gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger die deelneemt aan activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, de in het derde lid genoemde termijn van één kalenderjaar waarin het traject uiterlijk moet zijn afgerond kan verlengen.

E

In artikel 14 wordt ‘Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 en 2025/2026’ vervangen door ‘Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025, 2025/2026 en 2026/2027’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking

TOELICHTING

Algemeen

Aanleiding

1. Deze regeling tot wijziging van de Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 en 2025/2026 geeft scholen de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het schooljaar 2026–2027. In de eerste plaats is een nieuw aanvraagtijdvak met een nieuw subsidieplafond vastgesteld voor het schooljaar 2026–2027. Voorts zijn de subsidiebedragen voor de nieuwe aanvraagronde vastgesteld. Daarnaast hebben de ervaringen uit de openstelling in 2025 geleid tot het doorvoeren van enkele aanpassingen. Deze wijzigingen betreffen onder andere de mogelijkheid om in het primair onderwijs meerdere schoolteams te laten deelnemen aan het onderzoeks- en verbetercultuurtraject alsmede de mogelijkheid om de termijn voor het afronden van het onderzoeks- en verbetercultuurtraject te verlengen. Tot slot zijn enkele nieuwe begrippen toegevoegd.

2. Uitvoerbaarheid en Regeldruk

ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft. De regeling is uitvoerbaar en zal net zoals in de eerdere aanvraagrondes worden uitgevoerd door Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). De nieuwe subsidieronde, die door deze wijzigingsregeling aan de subsidieregeling wordt toegevoegd, brengt regeldruk met zich. Bij deelname is er sprake van regeldruk. Deze regeldruk is min of meer gelijk aan de regeldruk bij de eerdere subsidierondes.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

De begripsbepalingen ‘informatiegesprek’, ‘schoolteam’ en ‘informatiebijeenkomst’ zijn toegevoegd. Het begrip informatiegesprek is voor het schooljaar 2026–2027 geïntroduceerd ter vervanging van het begrip verkennend gesprek. Gebleken is dat het begrip verkennend gesprek niet de lading van het gesprek dekt zoals deze is bedoeld, omdat een groot deel van de deelnemende scholen reeds voorafgaand aan de aanvraag via de uitvoerder een verkennend gesprek hebben gevoerd. Het doel van het informatiegesprek is erop gericht potentiële subsidieaanvragers te informeren over de activiteiten die door het programma Ontwikkelkracht worden aangeboden en de stappen die tijdens het aanvraagproces doorlopen moeten worden. Het begrip schoolteam maakte al onderdeel uit van de subsidieregeling, echter dit begrip was nog niet omschreven en wordt nu opgenomen in de begripsbepalingen. Voor de aanvraagronde 2026 is de begripsbepaling informatiebijeenkomst toegevoegd in verband met de keuzeoptie die in het nieuwe artikel 9b.2, eerste lid, is opgenomen. Een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a, b en c behoeft voorafgaand aan de aanvraag geen informatiegesprek met het programmabureau te voeren indien zij voorafgaand aan de subsidieaanvraag deel heeft genomen aan informatiebijeenkomst van Ontwikkelkracht.

Artikel I, onderdeel B

Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat een lerende school dat deelneemt aan het leertraject van een expertiseschool niet tegelijkertijd kan deelnemen aan het aanbieden van leertrajecten aan lerende scholen als expertiseschool voor zover het één en dezelfde vestiging met dezelfde vestigingscode betreft.

Artikel I, onderdeel C

Dit nieuwe hoofdstuk bevat de nieuwe artikelen 9a.1 tot en met 9g.7, die betrekking hebben op de uitbreiding van de regeling met een nieuwe aanvraagronde in 2026.

Artikel 9b.2 Aanvraag subsidie

Er wordt een nieuwe aanvraagronde toegevoegd. De subsidieaanvragen voor de nieuwe aanvraagronde voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a, b, d, e en f, kunnen worden ingediend in de periode van 9 maart 2026, 9.00 uur, tot en met 26 juni 2026, 16.00 uur. De subsidieaanvraag voor de nieuwe aanvraagronde voor de activiteit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, kan worden ingediend in de periode van 9 maart 2026, 9.00 uur, tot en met 26 juni 2026, 16.00 uur en van 2 oktober 2026, 9.00 uur, tot en met 27 november 2026, 16.00 uur. Informatie gesprekken die op verzoek van een bevoegd gezag en voorafgaand aan de subsidieaanvraag worden gevoerd vinden plaats op volgorde van aanmelding.

In tegenstelling tot voorgaande jaren kunnen vestigingen in het primair onderwijs onder voorwaarden meerdere schoolteams laten deelnemen aan het onderzoeks- en verbetercultuurtraject. Voor grote vestigingen in het voortgezet onderwijs bestond deze mogelijkheid al en voor aanvraagronde 2026 wordt het voor grote vestigingen in het primair onderwijs ook mogelijk om meerdere schoolteams te laten deelnemen aan het onderzoeks- en verbetercultuurtraject.

Voor aanvraagronde 2026 is een nieuw tweede lid toegevoegd. Indien ten behoeve van meerdere schoolteams subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, omvat de aanvraag een verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 9b.2, vijfde lid.

Artikel 9c.3 Aanvraagvereisten

In het tweede lid is een nieuw aanvraagvereiste geïntroduceerd. Voor zover ten behoeve van meerdere schoolteams subsidie wordt aangevraagd, bevat de aanvraag een verklaring waaruit blijkt dat er in vestigingen in het voortgezet onderwijs op moment van aanvraag meer dan tachtig onderwijsprofessionals werkzaam zijn. Er mogen maximaal drie schoolteams bestaande uit minimaal veertig onderwijsprofessionals deelnemen aan de trajecten. Voor vestigingen in het primair onderwijs bevat de aanvraag een verklaring waaruit blijkt dat er op moment van aanvraag meer dan dertig onderwijsprofessionals werkzaam zijn. Er mogen maximaal drie schoolteams van minimaal vijftien onderwijsprofessionals deelnemen aan de trajecten. Een verklaring van het bevoegd gezag waarin wordt verklaard dat wordt voldaan aan dit vereiste van het aantal werkzame onderwijsprofessionals op een vestiging volstaat.

Artikel 9d.4 Overeenkomstige toepassing weigeringsgronden

Artikel 9d.4 bevat ten opzichte van de aanvraagronde 2025 een nieuwe weigeringsgrond. In aanvulling op het eerste lid, wordt een aanvraag die betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, en door een samenwerking is aangevraagd, geweigerd indien niet wordt voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 9b.2, vijfde lid.

Artikel 9e.5 Subsidieplafonds en maximaal aantal deelnemende vestigingen per jaar

Met deze wijziging wordt het subsidieplafond voor de nieuw open te stellen aanvraagronde in 2026 geregeld. Voor de nieuwe aanvraagronde is een totaalbedrag van € 20.383.644,– beschikbaar. Dit subsidieplafond is hoger dan in de vorige aanvraagronde en heeft te maken met dat het aantal deelnemende vestigingen aan enkele activiteiten is verhoogd. Daartoe is besloten vanwege de vooraf bepaalde opschaling van het programma Ontwikkelkracht.

Artikel 9f.6 Subsidiebedrag

De subsidiebedragen voor de aanvraagperiode 2026 zijn gelijk ten opzichte van de subsidiebedragen voor aanvraagronde 2025. In het derde en vierde lid is verduidelijkt hoe de subsidiebedragen per vestiging worden berekenend in het geval een bevoegd gezag ten behoeve van meerdere schoolteams subsidie aanvraagt alsmede bij aanvragen die namens een samenwerking worden ingediend.

Artikel 9g.7 Overeenkomstige toepassing subsidieverplichtingen

De wijziging van de subsidieverplichtingen ten opzichte van aanvraagronde 2025 strekt tot versoepeling van de looptijd voor het afronden van het onderzoeks- en verbetercultuurtraject. Uit de openstelling in 2025 is gebleken dat een aantal schoolvestigingen de periode waarin het onderzoeks- en verbetercultuurtraject moet worden uitgevoerd als te krap ervaren. Daarom is besloten dat in aanvraagronde 2026 de termijn van één kalenderjaar waarin het onderzoeks- en verbetercultuurtraject uiterlijk moet zijn afgerond, bedoeld in het derde lid, op verzoek kan worden verlengd. Indien het onderzoeks- en verbetercultuurtraject wegens onvoorziene omstandigheden niet binnen het kalenderjaar 2027 kan worden afgerond, kan de subsidieontvanger uiterlijk binnen het kalenderjaar waarin het traject moet zijn afgerond een schriftelijk gemotiveerd verzoek indienen bij de Minister tot verlenging van de in het derde lid bedoelde termijn.

Artikel II

De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking

Naar boven