Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2026, nr. BZ2624947, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030)

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het vergroten van het netwerk en de kansen op internationaal ondernemen voor Nederlandse ondernemingen op strategische beurzen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend in halfjaarlijkse openstellingen.

  • 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend vanaf 23 februari 2026, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 20 maart 2026, 17:00 uur Nederlandse tijd.

  • 3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.

  • 4. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1.

Artikel 3

  • 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, een totaal subsidieplafond van € 1,3 miljoen, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:

    • a. € 400.000 voor categorie 1: aanvragen gericht op Nederlandse lounges, Nederlandse paviljoens en/of collectieve netwerkactiviteiten;

    • b. € 425.000 voor categorie 2: aanvragen gericht op Nederlandse paviljoens en/of collectieve netwerkactiviteiten op een beurs voor een strategisch aangemerkte sector;

    • c. € 475.000 voor categorie 3: aanvragen gericht op Nederlandse paviljoens en/of collectieve netwerkactiviteiten op strategisch aangemerkte beurzen.

  • 2. Als na toepassing van het eerste lid een deel van het totaal subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het totaal subsidieplafond voor de daaropvolgende openstelling.

  • 3. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, derde lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.

Artikel 4

De verdeling van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit oogpunt van doelmatigheid voor categorie 3, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, per kalenderjaar niet meer dan twee subsidieaanvragen per sector in aanmerking komen voor subsidieverlening.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 .

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, namens deze, de Directeur-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen, M. Sweers

BIJLAGE

1 Achtergrond

Met het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 (hierna: subsidieprogramma) wil de minister het Nederlandse bedrijfsleven ondersteunen bij het internationaal positioneren op strategische beurzen. Door middel van de inzet op strategische beurzen wordt bijgedragen aan het Nederlands verdienvermogen en de weerbaarheid van de Nederlandse economie, zoals uiteengez.et in onder andere de Kamerbrief over beleidsagenda Buitenlandse Handel2, de Nationale Technologie Strategie3, de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025-20294 en de Kamerbrief over industriebeleid met focus5.

Het subsidieprogramma is bedoeld voor Nederlandse branche- en ledenorganisaties en de Trade and Innovate NL partners die collectieve beursinzendingen bij internationale strategisch aangemerkte vakbeurzen in binnen- en buitenland kunnen realiseren. Hiermee wordt ingezet op het vergroten van het netwerk en de kansen op internationaal ondernemen van het Nederlandse bedrijfsleven.

De openstellingen voor het subsidieprogramma zijn in het voorjaar en het najaar omdat dit aansluit op het ritme van de strategische beurzen waarvan de deelname wordt gestimuleerd.

2. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:

brancheorganisatie:

stichting of vereniging die krachtens haar statuten de belangen behartigt van haar leden, bestaande uit ondernemingen die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

individuele deelnemer aan een Nederlands paviljoen:

onderneming die deelneemt aan het private gedeelte van een Nederlands6 paviljoen met een eigen stand voor economische activiteiten;

individuele deelnemer aan een Nederlandse lounge:

onderneming die deelneemt aan een Nederlandse lounge;

collectieve beursdeelname of beursinzending:

deelname aan een beurs met een groep ondernemingen;

Koninkrijk der Nederlanden:

de landen Nederland (inclusief de bijzondere gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba), Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

ledenorganisatie:

vereniging die krachtens haar statuten de belangen behartigt van haar leden, bestaande uit ondernemingen die een gemeenschappelijk doel nastreven;

Nederlandse onderneming:

onderneming die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar het recht van een van de landen uit het Koninkrijk der Nederlanden en een statutaire zetel in dat land heeft;

onderneming:

een rechtspersoon die economische activiteiten uitvoert, niet zijnde een maatschappelijke organisatie;

maatschappelijke organisatie:

een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie, met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over private rechtspersoonlijkheid in het land waar de organisatie statutair is gevestigd, en is ook als zodanig geregistreerd. De organisatie is niet door een overheidsinstantie opgericht, dan wel is na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd;

minister:

de Minister van Buitenlandse Zaken;

strategisch aangemerkte beurs:

een beurs die op basis van sectoren genoemd in relevante beleidsbrieven wordt geclassificeerd als strategisch, gepubliceerd op de website van RVO7;

strategisch aangemerkte sector:

een sector die op basis van relevante beleidsbrieven wordt geclassificeerd als strategisch, gepubliceerd op de website van RVO7;

Trade and Innovate NL partners:

de regionale ontwikkelingsmaatschappijen en de vertegenwoordigers van de drie belangrijkste steden – Amsterdam, Rotterdam en Regio Eindhoven.

4. Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026 - 2030

4.1 Doel en doelgroep

Dit subsidieprogramma heeft tot doel om Nederlandse ondernemingen te ondersteunen bij fysieke collectieve internationale beursdeelname op strategische beurzen waarmee hun netwerk en de kansen op internationaal ondernemen worden vergroot.

4.2 Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies zijn bedoeld voor branche- en ledenorganisaties en Trade and Innovate NL partners die internationaal ondernemen hebben opgenomen in hun meerjarenstrategie en die:

  • statutair gevestigd zijn in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • beschikken over een internationaliseringsstrategie ten behoeve van de sector van de beurs waar subsidie voor wordt aangevraagd;

  • gedurende minstens twee jaar voorafgaand aan het moment van aanvraag ervaring hebben opgedaan met fysieke collectieve internationale beursdeelname;

  • als subsidie wordt aangevraagd voor categorie 2 of 3: actief zijn in één van de strategisch aangemerkte sectoren;

  • de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen8 onderschrijven;

  • voor branche- en ledenorganisaties: aantoonbaar openstaan voor dienstverlening aan niet-leden onder dezelfde voorwaarden als aan eigen leden;

  • voor branche- en ledenorganisaties: minimaal 10 betalende leden hebben;

  • voor Trade and Innovate NL partners: aantoonbaar openstaan voor deelnemers buiten de eigen regio.

4.3 Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma moeten de activiteiten gericht zijn op het bereiken van het doel in paragraaf 4.1 en betrekking hebben op categorie 1, 2 of 3 (zie hieronder). Bij elke categorie moet de collectieve beursinzending onderdeel zijn van een meerjarige strategie van de aanvrager op de internationale positionering van de sector. Afhankelijk van de categorie waarvoor de subsidie wordt aangevraagd moet de inzending ook passen binnen de strategisch aangemerkte sectoren of betrekking hebben op een strategisch aangemerkte beurs. Per categorie gelden de volgende vereisten:

Categorie 1: Nederlandse lounges, Nederlandse paviljoens en/of collectieve netwerkactiviteiten

  • Geen beperkingen ten aanzien van de sectoren waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • Aan het Nederlandse paviljoen dienen minimaal 8 individuele deelnemers met een eigen stand deel te nemen.

  • Aan de Nederlandse lounge dienen minimaal 8 individuele deelnemers deel te nemen.

  • Aan de collectieve netwerkactiviteit dienen minimaal 8 individuele deelnemers deel te nemen.

Categorie 2: Nederlandse paviljoens en/of collectieve netwerkactiviteiten op een beurs voor een strategisch aangemerkte sector

  • De beurs is op het gebied van een door de minister bepaalde strategisch aangemerkte sector. De minister stelt de strategische sectoren jaarlijks vast. Voor de eerste openstelling zijn de strategische sectoren de volgende: HTSM, ICT, defensie-gerelateerde toepassingen, biotechnologie, LSH, innovatieve chemie, duurzame energie, agritech, water en maritiem en kritieke grondstoffen. Voor volgende openstellingen worden de strategische sectoren bij die openstelling gepubliceerd in de Staatscourant en via de website van RVO7.

  • Aan het Nederlandse paviljoen dienen minimaal 10 deelnemers met een eigen stand deel te nemen.

  • Aan de netwerkactiviteit dienen minimaal 10 deelnemers deel te nemen.

Categorie 3: Nederlandse paviljoens en/of collectieve netwerkactiviteiten op strategisch aangemerkte beurzen

  • De minister bepaalt jaarlijks voor welke beurzen in deze categorie subsidie kan worden aangevraagd. Kenmerk van deze beurzen is dat deze van belang zijn voor zowel de sector waarop de beurs betrekking heeft, als voor de beleidsdoelstellingen van de minister;

  • Voor de eerste openstelling zijn de strategisch aangemerkte beurzen de volgende: BIO International Convention, DMEA, Greentech Amsterdam, Hannover Messe, HLTH, MEDICA, Photonics West, RSA Conference, Semicon Europe, Semicon West, SMM Hamburg en SXSW (VS). Voor volgende openstellingen worden de strategisch aangemerkte beurzen bij die openstelling gepubliceerd in de Staatscourant en via de website van RVO7. Ook het minimale aantal individuele deelnemers per beurs wordt via deze weg bekend gemaakt en tevens kunnen additionele eisen per beurs worden toegevoegd.

Voor alle drie de categorieën geldt dat vereist is dat Netherlands Branding (NL Branding) wordt toegepast in de standbouw en de collectieve uitingen. Uitgebreide richtlijnen en templates zijn te vinden in de NL Branding toolkit9.

Voor alle drie de categorieën zijn de volgende activiteiten subsidiabel:

Grondhuur

Het gaat hierbij om de collectieve vierkante meters grond die gehuurd worden van de beursorganisatie voor het plaatsen van een Nederlands paviljoen of Nederlandse lounge. Vierkante meters die gebruikt worden voor individuele stands van ondernemingen vallen hier buiten.

Standbouw

De fysieke invulling (realisatie van de stand) van het collectieve gedeelte op de gehuurde grond tijdens de vakbeurs. Afhankelijk van de opzet kan gekozen worden voor een Nederlandse Lounge of een Nederlands Paviljoen (zie hierna). Activiteiten voor de realisatie van het private gedeelte van het paviljoen vallen buiten de subsidiabele activiteiten.

Een Nederlandse Lounge is een gemeenschappelijke ruimte met bijvoorbeeld een bar voor koffie, frisdrank en kleine versnaperingen, spreektafels en een informatiebalie. De lounge kan ook dienen als presentatieruimte. Binnen deze gemeenschappelijke ruimte kunnen bijvoorbeeld vitrines worden neergezet waarin ondernemingen hun brochures kunnen leggen. Deze ondernemingen krijgen geen eigen ruimte in de lounge. Ook kunnen geen bedrijfsnamen/logo’s worden opgenomen in het ontwerp, met uitzondering van een aparte wand voor collectieve logo’s. Concreet betekent dit dat ondernemingen gebruik kunnen maken van de Nederlandse Lounge als zij de beurs bezoeken, daar gasten ontvangen en ontmoeten en zaken kunnen doen. Zij hebben geen individuele stand.

Een Nederlands Paviljoen bestaat uit de volgende twee onderdelen:

  • 1. Een gemeenschappelijke ruimte die open is voor beursdeelnemers en -bezoekers en waar ondernemingen hun gasten kunnen ontvangen en zaken kunnen doen. Deze ruimte bevat bijvoorbeeld een bar voor koffie, frisdrank en kleine versnaperingen, spreektafels en een informatiebalie. Het paviljoen kan ook dienen als presentatieruimte voor activiteiten op het paviljoen.

  • 2. Een ruimte waar individuele deelnemers (ondernemingen) hun eigen stand hebben voor individuele economische activiteiten Dit valt evenwel buiten de subsidiabele activiteiten.

Collectieve netwerkactiviteiten

Collectieve netwerkactiviteiten zijn activiteiten die binnen of rondom het Nederlands Paviljoen of de Nederlandse Lounge en de beurslocatie plaatsvinden en die gericht zijn op het versterken van internationale contacten, het bevorderen van samenwerking en het vergroten van de zichtbaarheid van de Nederlandse sector als geheel. De activiteiten moeten bijdragen aan het collectieve doel van de beursdeelname en toegankelijk zijn voor alle deelnemers. Individuele steun aan ondernemingen (zoals bijvoorbeeld individuele matchmaking) is niet subsidiabel.

Tot deze activiteiten behoren onder meer gezamenlijke netwerkbijeenkomsten, recepties, of andere ontmoetingsmomenten met een zakelijk karakter die bijdragen aan het collectieve doel van de beursdeelname, zoals beschreven in het plan van aanpak. Alsook gezamenlijke seminars en rondetafelgesprekken die plaatsvinden in het kader van de internationale vakbeurs en waaraan meerdere organisaties uit de sector waarop de beurs betrekking heeft, deelnemen.

Organisatie van de beurs

Hierbij gaat het om activiteiten die verricht worden voor de organisatie van de beursdeelname, waaronder het neerzetten van een Nederlandse Lounge of Nederlands paviljoen, de organisatie van de netwerkactiviteiten en de marketing en communicatie ten behoeve van de beursdeelname.

Promotiematerialen

Het maken van materialen voor de promotie van de beurs. Denk aan flyers en campagnes, voorafgaand, maar ook een aftermovie na afloop van de beurs.

In alle gevallen geldt dat de subsidie geen individuele onderneming mag bevoordelen. Economische activiteiten, dat wil zeggen commerciële promotie van goederen en diensten van individuele ondernemingen, zijn niet subsidiabel.

4.4 Looptijd van de activiteiten

De activiteiten in het kader van het subsidieprogramma moeten worden uitgevoerd binnen 18 maanden na subsidie-aanvraag.

4.5 Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag ten hoogste 80% van de totale subsidiabele kosten en voor:

  • categorie 1: minimaal € 25.000 en maximaal € 49.999;

  • categorie 2: minimaal € 50.000 en maximaal € 124.999;

  • categorie 3: minimaal € 125.000 en maximaal € 200.000.

Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de aanvrager zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van de Nederlandse overheid.

Een aanvrager kan maximaal vier subsidies per openstelling toegekend krijgen, waarvan maximaal twee voor categorie 3 (strategisch aangemerkte beurzen). Voor branche- en ledenvereniging met meer dan 500 leden geldt dat zij maximaal zes subsidies toegekend kunnen krijgen, waarvan maximaal twee in categorie 3.

5. Subsidiabele kosten

5.1 Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • kosten moeten aantoonbaar redelijk, logisch en noodzakelijk10 zijn;

  • kosten moeten naar hun aard passend zijn;

  • kosten moeten direct gerelateerd zijn aan de uitvoering van de activiteiten en mogen geen onvoorziene kosten zijn;

  • kosten die in de begroting opgenomen worden, moeten gemaakt worden door de aanvrager van de subsidie;

  • kosten voor organisatiekosten en promotiematerialen bedragen samen niet meer dan 20% van de totale subsidiabele kosten;

  • kosten gemaakt na afloop van de beurs zijn niet subsidiabel, met uitzondering van kosten voor de verplichte controle door een externe, onafhankelijke accountant ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie (geldt alleen voor categorie 3) en met uitzondering van een aftermovie of soortgelijke activiteit die pas na de beurs zal worden opgeleverd (in dat geval zal het subsidietijdvak van de subsidie ook langer zijn).

5.2 Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de aanvrager zelf te maken kosten:

Grondhuur

  • De collectieve vierkante meters grond die gehuurd worden van de beursorganisatie voor het plaatsen van een Nederlandse paviljoen of Nederlandse lounge.

  • Collectieve registratie of deelname aan het beursplatform.

Standbouw

  • Standbouw van het collectieve deel op het paviljoen/de lounge;

  • Ontwerp-, bouw- en inrichtingskosten;

  • Technische voorzieningen (elektra, verlichting, audiovisuele apparatuur, internet);

  • Transport, montage, demontage en opslag van standonderdelen;

  • Grafische vormgeving (NL Branding).

Collectieve netwerkactiviteiten

  • Huur van ruimten of faciliteiten voor netwerkactiviteiten.

  • Technische voorzieningen (elektra, verlichting, audiovisuele apparatuur, internet).

  • Kosten voor catering uitsluitend ten behoeve van collectieve netwerkactiviteiten.

Organisatiekosten

  • Kosten voor organisatie van de activiteit (uren voor projectmanagement), inclusief uren voor marketing en communicatie met een maximum van € 700 per persoon per dag;

  • Bij een subsidie vanaf € 125.000: kosten voor de controleverklaring van een onafhankelijke accountant, conform het controleprotocol.

Promotiematerialen

Kosten voor gedrukte of digitale producten, zoals bijvoorbeeld flyers of een aftermovie.

5.3 Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

  • btw op facturen van derden als de aanvrager btw-plichtig is;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • kosten voor productontwikkeling;

  • kosten van tenaamstelling, instandhouding en bescherming van rechten van intellectueel eigendom;

  • kosten voor catering niet zijnde voor collectieve netwerkactiviteiten;

  • kosten die gemaakt worden voor de invulling van de inhoudelijke activiteiten, waaronder het inhuren van sprekers;

  • kosten voor de grondhuur van private vierkante meters (grond voor de individuele stands van de deelnemers);

  • kosten voor de standbouw van individuele stand van de deelnemers;

  • kosten voor individuele matchmaking;

  • reis- en verblijfkosten van de aanvrager of deelnemers;

  • onvoorziene kosten;

  • kosten die primair gericht zijn op de promotie van één organisatie of product;

  • kosten die sociaal of toeristisch van aard zijn (feesten, diners, excursies);

  • kosten die geen directe relatie hebben met de beursdeelname;

  • kosten voor activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of andere overheden wordt ontvangen;

  • kosten voor bedrijfsbezoeken;

  • kosten voor collectief vervoer.

6. Aanvraag

6.1 Vereisten

De aanvraag voor subsidie wordt maximaal één jaar tot uiterlijk één maand voor de start van de strategische beurs ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden. Deze worden beschikbaar gesteld via de website van RVO7.

De aanvraag bevat in ieder geval:

  • plan van aanpak waarin het belang van de inzet van de subsidiabele activiteit wordt onderbouwd en waarin wordt aangegeven wat het beoogde resultaat is. Het plan bevat tenminste:

    • naam van de beurs en datum van de beurs;

    • naam van de projectleider;

    • gevraagde subsidiebedrag;

    • ervaring met organisatie van collectieve beursdeelname;

    • Aantoonbaar openstaan voor deelnemers buiten de eigen sector/regio;

    • meerjarige buitenlandstrategie met een uitleg waarom de beurs of vergelijkbare activiteit door de aanvrager als strategisch wordt aangemerkt en hoe dit past binnen de meerjarige strategie;

    • welke specifieke kansen zich voordoen en wat de doelstellingen en verwachte resultaten zijn;

    • welke opvolgacties gedaan zullen worden door de aanvrager om de sector waarop de beurs en beursdeelname zich richten verder te ondersteunen;

    • het aantal te verwachten deelnemers en de oppervlakte van de stand van de collectieve inzending;

    • (beurs)programma met een overzicht van de geplande activiteiten;

  • Begroting van de totale subsidiabele activiteiten.

De aanvrager verklaart dat hij op de hoogte is van, en zal handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen11. Dit betekent dat er gepaste zorgvuldigheid (due diligence) wordt toegepast in overeenstemming met deze richtlijnen om (potentiële) negatieve effecten op mens en milieu in eigen activiteiten en de waardeketen te identificeren en waar nodig aan te pakken, en hier transparant over te communiceren. Ook wordt verklaard dat er geen activiteiten worden ondernomen die op de FMO-uitsluitingenlijst12 staan.

6.2 Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. De kans dat de aanvraag dan moet worden afgewezen in verband met uitputting van de beschikbare subsidiemiddelen neemt in dit geval wel toe.

Hierbij geldt ook dat hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een onvolledige aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot afwijzing van de subsidieaanvraag.

Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.

De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij het moment geldt waarop de aanvraag compleet bevonden is, dan wel de laatst mogelijke aanvulling is ontvangen (zie hierboven, paragraaf 6.2).

Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Indien blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van binnenkomst.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten.

Daarnaast worden de aanvragen vallend onder categorie 3 ook inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria. De aanvraag dient voor elk afzonderlijk criterium het aangegeven minimum aantal punten te behalen, met een minimaal totaal van 65 punten op de 100 punten die maximaal kunnen worden behaald.

Criteria

Maximale punten

1. Meerjarenstrategie en doelstellingen (minimaal 45 punten)

1.1 De mate waarin de beurs zal bijdragen aan de meerjarige buitenland strategie voor de (beoogde) groep deelnemers.

10

1.2 De mate waarin de geplande beursdeelname en activiteiten bijdragen aan een verbeterde positie van de sector als geheel op de doelmarkt(en).

15

1.3 De mate waarin specifieke kansen zich zullen voordoen op de beurs en de mate waarin deze bijdragen aan de doelstellingen.

15

1.4 De mate waarin verwachte resultaten duidelijk gespecifieerd en meetbaar zijn.

10

1.5 De mate waarin de opvolgacties die gedaan zullen worden door de aanvrager om de sector verder te ondersteunen concreet zijn gemaakt.

15

2. Plan van aanpak (minimaal 15 punten)

2.1 De mate waarin de activiteiten zijn uitgewerkt met een overzicht van de geplande activiteiten.

10

2.2 Het aantal te verwachten deelnemers en mate van inspanning die geleverd wordt om deelnemers te werven.

10

2.3 De mate waarin wordt samen gewerkt met (overheids)partners (bijvoorbeeld postennet).

5

3. Ervaring en organisatiecapaciteit (minimaal 5 punten)

3.1 De mate waarin de aanvrager relevante ervaring heeft met organisatie van activiteiten zoals die waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

10

Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden.

RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of als de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend zijn.

9. Toezicht

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

10. Verplichtingen

In de subsidieverleningsbeschikking zal in ieder geval worden opgenomen dat de subsidieontvanger de plicht heeft om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren.

Ook wordt als subsidieverplichting opgenomen dat de subsidieontvanger en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik mogen maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid13, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze organisaties onverwijld te melden bij RVO.

Subsidieontvangers moeten signalen of omstandigheden die duiden op betrokkenheid bij een schending van de OESO-richtlijnen onmiddellijk melden aan RVO, waaronder schendingen van mensenrechten of significante milieuschade. Wanneer over een subsidieontvanger een melding is (of wordt) ingediend bij het Nederlandse Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen, moeten subsidieontvangers dit melden bij RVO en medewerking verlenen aan het NCP.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 2,7% bedraagt.


X Noot
1

Documenten beschikbaar via: www.rvo.nl/subsidies-financiering.nl/sbp

X Noot
2

Kamerbrief van 27 juni 2025, Kamerstukken II, 2024-2025, 36 180, nr. 168, Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

X Noot
4

Kamerbrief van 4 april 2025, Kamerstukken II, 2024-2025, 31 125, nr. 134, Defensie Industrie Strategie.

X Noot
5

Kamerbrief van 17 oktober 2025, Kamerstukken II, 2025–2026, 29 826, nr. 277, Industriebeleid.

X Noot
6

‘Nederlands’ in de zin van de vier landen uit het Koninkrijk der Nederlanden.

X Noot
10

Zie ook artikel 14 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
13

elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.


X Noot
1

Documenten beschikbaar via: www.rvo.nl/subsidies-financiering.nl/sbp

X Noot
2

Kamerbrief van 27 juni 2025, Kamerstukken II, 2024-2025, 36 180, nr. 168, Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

X Noot
4

Kamerbrief van 4 april 2025, Kamerstukken II, 2024-2025, 31 125, nr. 134, Defensie Industrie Strategie.

X Noot
5

Kamerbrief van 17 oktober 2025, Kamerstukken II, 2025–2026, 29 826, nr. 277, Industriebeleid.

X Noot
6

‘Nederlands’ in de zin van de vier landen uit het Koninkrijk der Nederlanden.

X Noot
10

Zie ook artikel 14 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
13

elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.

Naar boven