Beleidsregel stage en patronaat 2026

Inleiding

In deze beleidsregel is vastgelegd hoe de raad van de orde omgaat met de hem op grond van de Advocatenwet (Aw) en de Verordening op de Advocatuur (Voda) toekomende bevoegdheden met betrekking tot de stage van advocaten. Deze beleidsregel is niet alleen van toepassing op verzoeken die zien op de aanvang van de stage, maar ook gedurende de stage – zoals bij een wisseling van een patroon en/of kantoor.

TOEGANG TOT DE BALIE (paragraaf 1, artt. 1-9aa Aw; hoofdstuk 3 Voda; hoofdstuk 3, bijlage 1 Roda)

Goedkeuring stage en patroon (paragraaf 3.1.2. Voda)

Artikel 1. Verzoek en beoordeling goedkeuring stage en patroon
  • 1. Bij gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 3.6 lid 1 Voda betrekt de raad van de orde de tuchtrechtelijke maatregelen die in het tijdvak van drie jaar voorafgaand aan het verzoek tot goedkeuring aan de beoogd patroon zijn opgelegd.

  • 2. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring indien onregelmatigheden zijn gebleken (artikel 3.6 Voda) aan de raad van de orde, die plaatsvonden in het tijdvak van drie jaar voorafgaand aan het goedkeuringsverzoek en die onregelmatigheden zien op de begeleiding van stagiaires of praktijkvoering door de beoogd patroon of door een of meer van zijn kantoorgenoten, voor zover de laatstbedoelde(n) ten tijde van het goedkeuringsverzoek nog aan het kantoor verbonden is/zijn.

  • 3. Indien de beoogd patroon korter dan zeven jaar maar langer dan vijf jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest (artikel 3.6 lid 1 sub c Voda), beoordeelt de raad of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a) de beoogd patroon beschikt over voldoende ervaring om de stagiaire te begeleiden;

    • b) het patronaat geen buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer betreft;

    • c) de beoogd patroon geen andere stagiaires heeft en ook geen begeleiding geeft aan een of meer juridisch medewerkers;

    • d) de beoogd patroon en stagiaire aannemelijk maken dat het vinden van een andere patroon onevenredig bezwaarlijk is; en

    • e) er geen andere overwegende bezwaren tegen goedkeuring bestaan, zoals bedoeld in artikel 3.6 lid 1 Voda.

  • 4. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring aan het verzoek indien het een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer betreft en de beoogd patroon reeds begeleiding geeft aan een stagiaire. Evenzo onthoudt de raad van de orde goedkeuring indien de patroon reeds een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer begeleidt en de patroon een stagiaire wil aannemen (artikel 3.6 lid 1 sub d Voda).

  • 5. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring indien de beoogd patroon al twee stagiaires begeleidt (artikel 3.6 lid 1 sub e Voda).

  • 6. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring indien de beoogd patroon reeds patroon is van een stagiaire waarvan de duur van de stage korter is dan een jaar, mede in het licht van de overige begeleiding die aan de stagiaire kan worden gegeven.

  • 7. Bij de beoordeling of te verwachten valt dat er onvoldoende begeleiding van de stagiaire in de praktijkuitoefening zal zijn, houdt de raad van de orde rekening met eventuele begeleiding die de beoogd patroon aan juridisch medewerkers geeft (artikel 3.6 lid 1 sub h Voda).

  • 8. Indien een stagiaire in een ander arrondissement de stageverklaring is geweigerd of zou worden geweigerd op grond van een ambtshalve beslissing als bedoeld in artikel 3.4 lid 1 sub d Voda, onthoudt de raad van de orde goedkeuring.

Artikel 2. Beoordeling stukken vereist voor goedkeuring (artikel 3.5 Voda)
  • 1. Voor de goedkeuring van de stage van de stagiaire werkzaam in loondienst moet in ieder geval aan de volgende eisen zijn voldaan:

    • a) De stage kan worden afgerond gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst, uitgaande van de bij de aanvang overeengekomen wekelijkse arbeidsduur.

    • b) De arbeidsovereenkomst kan door beide partijen tussentijds worden opgezegd.1

    • c) Het salaris van de stagiaire is voldoende om de onafhankelijkheid van de stagiaire in zijn hoedanigheid van advocaat te waarborgen. De raad adviseert jaarlijks over het minimumsalaris voor het eerste jaar van de stage.

    • d) Er geldt geen concurrentiebeding.

    • e) Een eventueel relatiebeding heeft een duur van maximaal een jaar.

    • f) Bij een eventueel boetebeding bedraagt de boete maximaal een bruto maandsalaris, onverminderd het recht van het kantoor om daarnaast vergoeding te vorderen van de schade die is ontstaan als gevolg van het tekortschieten in de nakoming van de verbintenis.

    • g) Indien de arbeidsovereenkomst een proeftijdbeding bevat wordt de stage niet eerder goedgekeurd dan na afloop van die proeftijd.

  • 2. Voor de goedkeuring van de stage van de stagiaire werkzaam als stagiaire-ondernemer wordt acht geslagen op het volgende:

    • a) In het ondernemingsplan dient te worden onderbouwd naar welke omzet gedurende de verschillende jaren van de stage wordt gestreefd en dient voorts te worden onderbouwd dat de stagiaire-ondernemer zich gedurende de stage een redelijk inkomen kan verwerven dat zich in het eerste jaar ten minste op het niveau bevindt van het salaris hiervoor in lid 1 sub c bedoeld, vermeerderd met de praktijkkosten. De in het ondernemingsplan genoemde cijfers moeten gefundeerde verwachtingen en/of aannames zijn en moeten door de stagiaire-ondernemer met door de raad van de orde te wegen concrete feiten en omstandigheden onderbouwd worden. De hiervoor omschreven praktijkkosten betreffen in het bijzonder, maar niet uitsluitend, de premies van de beroepsaansprakelijkheids-verzekering en de arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede de kosten zoals bedoeld in sub g en h.

      Uit het ondernemingsplan moet voorts blijken dat de stagiaire-ondernemer minimaal 32 uur per week werkt als advocaat (artikel 3.3 lid 2 Voda).

    • b) De kredietfaciliteit dan wel het vermogen als bedoeld in artikel 3.12 lid 1 Voda bedraagt minimaal € 45.000,–. Het vermogen moet op een bankrekening ten name van (het advocatenkantoor van) de stagiaire-ondernemer worden aangehouden en direct en zonder kosten beschikbaar zijn en uitsluitend bestemd zijn voor de praktijkvoering. De kredietfaciliteit respectievelijk het vermogen wordt gedurende de looptijd van de stage in stand gehouden en het bewijs van het bestaan ervan wordt op eerste verzoek aan de raad van de orde overgelegd. Verpanding van de vorderingen die hun oorsprong vinden in de advocatuurlijke activiteiten van de stagiaire-ondernemer is niet toegestaan.

    • c) De offerte (en later polis) van de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient te voorzien in dekking vanaf de 32e dag van arbeidsongeschiktheid en een uitkering ter hoogte van minimaal het salaris van een stagiaire als hiervoor in lid 1 sub c bedoeld. In beginsel moet het bewijs van het aangaan van de verzekering bij de raad van de orde aanwezig zijn op het moment van beëdiging.

    • d) De wijze van samenwerking tussen de beoogd patroon en de stagiaire-ondernemer. De stagiaire-ondernemer dient kantoor te houden op hetzelfde adres als de patroon.

    • e) De stagiaire-ondernemer gaat geen andere praktijk voeren dan op de rechtsgebieden waar de patroon actief op is. Indien de stagiaire op een ander rechtsgebied actief wil zijn, is daarvoor minimaal vereist dat een op dat gebied deskundige advocaat schriftelijk bevestigt beschikbaar te zijn voor de inhoudelijke begeleiding.

    • f) De financiële situatie van de patroon/het kantoor over de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.

    • g) De geldelijke vergoeding voor de beoogd patroon voor de begeleiding van de stagiaire-ondernemer zal in beginsel nihil zijn. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien daarvoor naar het oordeel van de raad van de orde, door de stagiaire-ondernemer en beoogd patroon te onderbouwen gronden bestaan. De geldelijke vergoeding is in elk geval niet afhankelijk van:

      • i. door de beoogd patroon aan de (de opleiding van) stagiaire-ondernemer te besteden tijd;

      • ii. het (uur)tarief dat de beoogd patroon gewoonlijk in rekening brengt aan zijn cliënten; en/of

      • iii. de omzet van de stagiaire-ondernemer.

      Een andere vergoeding dan een geldelijke is niet toegestaan.

    • h) De geldelijke vergoeding die de stagiaire-ondernemer aan de beoogd patroon dan wel een derde is verschuldigd ter zake van het houden van kantoor zal, gedurende de stage niet meer bedragen dan een maandelijks bedrag van € 1.100,– exclusief BTW, met dien verstande dat de raad van de orde voor wat betreft het tweede en latere stagejaren op verzoek van de stagiaire-ondernemer een hoger maandelijks bedrag kan goedkeuren, mits dit bedrag naar de mening van de raad van de orde in redelijke verhouding staat tot de door de stagiaire-ondernemer gerealiseerde omzet.

Artikel 3. Ontheffing EU-advocaat (artikel 3.6 lid 2 Voda)

Indien de beoogd patroon, bedoeld in artikel 3.6 lid 2 Voda, korter dan vier jaar maar langer dan twee jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven geweest, beoordeelt de raad van de orde of is voldaan aan alle voorwaarden die hierboven in artikel 1 lid 3 staan vermeld.

Artikel 4. Vrijstelling kantoor houden bij patroon ex artikel 9b lid 3 Advocatenwet
  • a) Van de verplichting kantoor te houden bij de patroon wordt aan een stagiaire-ondernemer geen vrijstelling verleend.

  • b) Van de verplichting kantoor te houden bij de patroon wordt aan een stagiaire in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5.9 sub e, f of g Voda geen vrijstelling verleend. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien de vrijstelling wordt verzocht met het oog op een tijdelijke detachering zoals bedoeld in de Beleidsregel detachering

Artikel 5. Beoordeling behoorlijke praktijkuitoefening

Bij de beoordeling of er sprake is van een behoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in artikel 9b lid 3 Advocatenwet, neemt de raad van de orde de volgende aspecten in acht:

  • a) de stagiaire houdt voor de dagelijkse begeleiding in de uitoefening van de praktijk kantoor bij een advocaat die langer dan vijf jaar als zodanig werkzaam is, in het bezit is van een stageverklaring en bij wie geen andere stagiaire werkzaam is;

  • b) de patroon en stagiaire bezoeken elkaar regelmatig en voeren regelmatig overleg.

OPLEIDING EN STAGE (paragraaf 1a, artt. 9b -9k Aw; hoofdstuk 3 Voda)

Algemeen

Bemiddeling
Artikel 6. Bemiddeling bij het zoeken van een patroon (artikel 3.7 Voda)
  • 1. De raad van de orde kan bij het zoeken naar een (tijdelijke) patroon bemiddelen indien de stagiaire aan de raad van de orde aantoont dat de zoekacties vruchteloos zijn.

  • 2. Een verzoek tot bemiddeling ontslaat de stagiaire niet van de verantwoordelijkheid om zelf te zoeken naar een nieuwe patroon.

Voltooiing, verkorting en verlenging van de stage (artikel 9b lid 2 Aw)
Artikel 7. Voltooiing van de stage
  • 1. Bij de beoordeling of er sprake is van voldoende praktijkervaring als bedoeld in artikel 9b lid 2 Aw, neemt de raad van de orde mede de volgende aspecten in acht:

    • a) of de stage al dan niet opgeschort is geweest ingevolge artikel 3.4 Voda;

    • b) of de stagiaire heeft voldaan aan de verplichtingen in de artikelen 3.8, 3.9 en 3.10 Voda;

    • c) indien het een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer betreft, of de stagiaire heeft voldaan aan artikel 3.11 en 3.12 Voda;

    • d) of er klachten, al dan niet tuchtrechtelijk, bekend zijn over de stagiaire, zijn patroon of het kantoor van de stagiaire of de patroon.

  • 2. Bij de beoordeling of voldaan is aan artikel 3.9 Voda met betrekking tot de zittingservaring neemt de raad van de orde het volgende in acht (Zie bijlage I voor voorbeelden van zittingen die in beginsel niet meetellen):

    • a) er moet tijdens de zitting in beginsel zelfstandig zijn opgetreden, dat wil zeggen zonder bijstand van een andere advocaat. Indien gezamenlijk is opgetreden ter zitting, moet de stagiaire aantoonbaar een aanzienlijk aandeel daarin hebben gehad – hetgeen betekent dat de stagiaire substantieel het woord heeft gevoerd, zowel in eerste als tweede termijn;

    • b) er moet zijn opgetreden in procedures op tegenspraak. Een optreden voor de Europese Commissie, in arbitrages, bij de NMA, CGR, in bezwaar- of beroepsprocedures bij een bestuursorgaan of vergelijkbare instanties telt mee als optreden in rechte;

    • c) de zitting ter gelegenheid waarvan de pleitnota is opgevoerd als processtuk in het kader van artikel 3.9 Voda kwalificeert niet als optreden in rechte in de zin van artikel 3.9 Voda;

    • d) een zitting moet van voldoende juridisch en inhoudelijk gewicht zijn.

  • 3. Bij de beoordeling of voldaan is aan artikel 3.9 Voda met betrekking tot de (proces-) stukken neemt de raad van de orde het volgende in acht (Zie bijlage II voor voorbeelden van (proces)stukken die in beginsel niet meetellen):

    • a) indien de stagiaire het processtuk niet volledig zelf heeft vervaardigd, moet hij aantoonbaar een aanzienlijk aandeel in de totstandkoming daarvan hebben gehad;

    • b) de advocaat op wiens naam het processtuk staat, verschaft in voorkomend geval een gemotiveerde verklaring dat de stagiaire het processtuk of een aanzienlijk deel daarvan heeft opgesteld;

    • c) de pleitnota ter gelegenheid van een zitting die is opgevoerd in het kader van artikel 3.9 Voda kwalificeert niet als processtuk.

    • d) een processtuk moet van voldoende juridisch en inhoudelijk gewicht zijn

Artikel 8. Verkorting stage

De raad van de orde verkort de duur van de stage slechts indien:

  • a) de betrokken stagiaire kan wijzen op juridische ervaring, welke gelijk is te achten aan een Nederlandse advocatenstage; of

  • b) het gaat om een zeer geringe verkorting, waarbij sprake is van een duidelijk belang aan de zijde van de stagiaire.

Artikel 9. Verlenging van de stage
  • 1. De raad van de orde verlengt de stage indien de stagiaire naar het oordeel van de raad nog onvoldoende praktijkervaring heeft opgedaan om de praktijk voortaan zelfstandig zonder begeleiding van een patroon naar behoren uit te kunnen oefenen.

  • 2. De raad verlengt de stage in geval van onvoldoende praktijkervaring alleen dan, indien aannemelijk is dat de stagiaire voor het einde van de verlengde termijn de stage alsnog kan voltooien (artikel 3.2 Voda).

  • 3. In geval van deeltijd wordt de stage naar evenredigheid verlengd. Onder deeltijd wordt ook verstaan de periode dat een stagiaire langer dan drie maanden geen (volledige) praktijk heeft kunnen uitoefenen, anders dan door zwangerschaps-, bevallings-, en geboorteverlof.

Aldus vastgesteld door de raad van de orde in het arrondissement Den Haag op 11 december 2025 en vervolgens gepubliceerd op de website van de orde en in de Staatscourant. Deze beleidsregel geldt vanaf datum publicatie. Eerdere beleidsregels Stage en patronaat zijn hiermee komen te vervallen.


X Noot
1

Voor opzegging van de stage gelden de bepalingen van artikel 3.4 eerste lid Voda; de patroon kan de stage slechts opzeggen na verkregen toestemming van de raad van de orde.

Naar boven