Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Staatscourant 2026, 48 | convenant |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Staatscourant 2026, 48 | convenant |
|
Inleiding en doel document |
1 |
|
Partijen |
1 |
|
Kustpact 2017–2025 |
2 |
|
Resultaten Kustpact samenwerking 2017–2025 |
3 |
|
Besluit toekomst Kustpact samenwerking |
5 |
|
Afspraken Kustpact samenwerking 2026–2030 |
5 |
|
Ondertekening Partijen |
8 |
|
Bijlage Kernkwaliteiten en collectieve waarden kustzone |
14 |
De kust is de grootste vrij toegankelijke ruimte van Nederland. De belevingswaarde van de kust is groot. Dit komt tot uiting in de aantrekkingskracht van de kust voor het toerisme en de bijdrage van kustrecreatie aan de economie. Ook is de kustzone een uniek natuurgebied. Het duingebied kent een grote variatie in landschap, planten- en diersoorten. Een groot deel van de Nederlandse flora en fauna komt in dit gebied voor. De kust is daarnaast van essentiële betekenis voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen vanuit de zee, als ook voor de drinkwatervoorziening van West-Nederland en de Waddeneilanden. De combinatie van Noordzee, zandstrand en duinen maakt de Nederlandse kust ook tot een bijzonder landschap. Dit maakt de kustzone erg waardevol.
Om zowel ruimte te bieden voor economische ontwikkeling als het beschermen van de kwaliteiten van de kustzone, hebben sinds 21 februari 2017 bij de kust betrokken overheden en maatschappelijke partijen constructief samengewerkt via de afspraken uit het Kustpact. In het oorspronkelijke Kustpact is 31 december 2025 als einddatum opgenomen. Op 4 maart 2025 heeft daarom een bestuurlijk Kustpact overleg plaatsgevonden om met de betrokken partijen te spreken over de toekomst van het Kustpact. Tijdens dit overleg is het besluit genomen om de Kustpact samenwerking op basis van nieuwe afspraken voort te zetten tot in ieder geval 31 december 2030.
Dit document is bedoeld als basis voor de voortzetting van de Kustpact samenwerking tussen 2026–2030. In dit document worden allereerst de betrokken Kustpact partijen weergegeven. Vervolgens wordt de aanleiding van het oorspronkelijke Kustpact beschreven en worden de resultaten van de Kustpact samenwerking tussen 2017–2025 weergegeven. Volgend daarop is het besluit ten aanzien van de voorzetting van de Kustpact samenwerking opgenomen, en worden de bestuurlijke afspraken voor de samenwerking tussen 2026–2030 uiteengezet. Onderaan dit document zijn de namen, organisaties en handtekeningen van de bestuurlijke Kustpact partijen opgenomen – die de Kustpact samenwerking 2026–2030 onderschrijven en zich committeren aan de gemaakte afspraken.
1. Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
2. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
3. Ministerie van Economische Zaken
partijen genoemd onder 1 tot en met 3 hierna samen te noemen “Rijk”
4. Staatsbosbeheer
5. Provincie Noord-Holland
6. Provincie Zuid-Holland
7. Provincie Zeeland
partijen genoemd onder 5 tot en met 7 hierna samen te noemen “Provincies”
8. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
9. Hoogheemraadschap van Rijnland
10. Hoogheemraadschap van Delfland
11. Waterschap Hollandse Delta
12. Waterschap Scheldestromen
partijen genoemd onder 8 tot en met 12 hierna samen te noemen “Waterschappen”
13. Gemeente Den Helder
14. Gemeente Schagen
15. Gemeente Bergen
16. Gemeente Castricum
17. Gemeente Heemskerk
18. Gemeente Beverwijk
19. Gemeente Velsen
20. Gemeente Bloemendaal
21. Gemeente Zandvoort
22. Gemeente Noordwijk
23. Gemeente Katwijk
24. Gemeente Wassenaar
25. Gemeente Den Haag
26. Gemeente Westland
27. Gemeente Rotterdam
28. Gemeente Voorne aan Zee
29. Gemeente Goeree-Overflakkee
30. Gemeente Schouwen-Duiveland
31. Gemeente Noord-Beveland
32. Gemeente Veere
33. Gemeente Vlissingen
34. Gemeente Sluis
partijen genoemd onder 13 tot en met 34 hierna samen te noemen “Kustgemeenten”
35. PWN
36. Evides
37. Dunea
38. Vitens
39. Waternet
partijen genoemd onder 35 tot en met 39 hierna samen te noemen “Drinkwaterbedrijven”
40. Stichting Duinbehoud
41. Natuurmonumenten
42. Zeeuwse Milieufederatie
43. Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland
44. Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland
45. Stichting Landschappen NL
46. Het Zeeuwse Landschap
47. Stichting Zuid-Hollands Landschap
48. Landschap Noord-Holland
49. Vogelbescherming Nederland
50. Vereniging Kust en Zee
51. Stichting de Noordzee
partijen genoemd onder 40 tot en met 51 hierna samen te noemen “Natuur- en milieuorganisaties”
52. Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen
53. Koninklijke Horeca Nederland
54. Nederlandse Kust Vereniging
55. HISWA-RECRON
partijen genoemd onder 53 tot en met 55 hierna samen te noemen “Vertegenwoordigers namens recreatieorganisaties en ondernemers”
hierna gezamenlijk te noemen “Partijen”,
zullen de in dit Kustpact opgenomen afspraken blijvend onderschrijven en zullen de doelstelling van het Kustpact bevorderen en uitdragen door zich actief in te zetten voor de inhoud van het Kustpact en constructief samen te werken.
Om een goede balans te bereiken tussen de economische ontwikkeling van de kustzone en het beschermen en behouden van de natuur en het landschap, ondertekenden 59 bij de kust betrokken overheden en maatschappelijke organisaties op 21 februari 2017 het Kustpact. De directe aanleiding van het Kustpact was de brede maatschappelijke en politieke zorg die eind 2015 ontstond over de toename van recreatieve bebouwing in de kustzone, in combinatie met het voornemen van de toenmalige Minister van Infrastructuur en Milieu om vanuit het Rijk meer ruimte te geven voor ruimtelijke ontwikkelingen aan de kust als de waterveiligheid dat toeliet. Bij maatschappelijke organisaties ontstond de vrees dat met minder strikte rijksregels en zonder afspraken de kust zou worden volgebouwd met vakantieparken, recreatiewoningen en hotels en dat de kust hierdoor haar aantrekkelijkheid als gebied om te wonen en recreëren en de natuurlijke waarden zou verliezen.
De opgave was om de toegenomen vraag naar en het aanbod van voorzieningen voor verblijfs- en dagrecreatie, gegeven de landschappelijke waarde van de kust, op een zorgvuldige manier in goede banen te leiden. De ambitie was om te komen tot gezamenlijke afspraken over de waarden, functies en het gebruik van de kust. In het Kustpact hebben de betrokken overheden, maatschappelijke partijen en vertegenwoordigers namens ondernemers daarom afgesproken te streven naar een balans tussen de ontwikkeling van recreatieve bebouwing enerzijds en bescherming en behoud van de aanwezige kernkwaliteiten en collectieve waarden van het kustgebied anderzijds. De partijen onderschreven daarbij dat de kust van essentiële betekenis is voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen vanuit de zee. Waterveiligheid is een nationaal belang en is samen met de drinkwatervoorziening en natuur rand voorwaardelijk om de aantrekkelijkheid en economische kracht van de kustzone te behouden en te versterken.
Vanuit het uitgangspunt dat alle 59 partijen gelijkwaardig zijn en eigenaarschap voelen voor het behoud van de kernkwaliteiten van de kust, is voor de kustzones van Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Holland een zonering opgesteld voor recreatieve bebouwing. De zonering is opgenomen in provinciaal beleid en de provinciale verordeningen. Het Rijk heeft de afspraken uit het Kustpact bestendigd door in nationale (instructie)regels de kernkwaliteiten voor de kust vast te leggen en aan provincies blijvend de opdracht te geven om in provinciale verordeningen – in het belang van de bescherming en instandhouding van de kernkwaliteiten van het kustfundament – regels voor recreatieve bebouwing in omgevingsplannen op te nemen.
In het vervolg hierop is het Kustpact sindsdien een platform geweest om recreatieve ontwikkelingen in de kustzone te monitoren. Ook is een stevig netwerk gevormd waarbij partijen elkaar kunnen vinden om vanuit het gezamenlijke eigenaarschap voor de kustzone het gesprek aan te gaan en zorg te dragen dat er een goede balans blijft bestaan tussen beschermen en ontwikkelen.
Tussen 21 februari 2017 en 31 december 2025 heeft de Kustpact samenwerking tot de volgende resultaten geleid:
De actualisatie van het kustbeleid en de vertaling van de afspraken in ruimtelijke verordeningen en nationale regelgeving
1. De Provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland hebben, in overleg met bij de kust betrokken overheden en maatschappelijke partijen, hun beleid voor de kustzone geactualiseerd aan de hand van de in het Kustpact genoemde kernkwaliteiten.
2. Zij hebben daarbij, ieder voor het tot de eigen provincie behorende deel van de kustzone, een zonering (buiten de bebouwde kom) opgesteld waarmee sturing wordt gegeven aan een passend gebruik van de kustzone. Met deze zonering wordt op basis van de kernkwaliteiten van de kustzone bepaald en inzichtelijk gemaakt in welke delen van de kustzone geen nieuwe recreatieve bebouwing is toegestaan en in welke delen wel en onder welke voorwaarden. De zoneringen op basis van het Kustpact zijn afgestemd met de zoneringen ten aanzien van de beheertaken van de waterkering beheerders. De actualisatie van het beleid en de zoneringen zijn vertaald in de provinciale verordeningen met regels voor de inhoud van gemeentelijke omgevingsplannen en bestemmingsplannen.
3. De Provincie Fryslân heeft het terughoudende beleid ten aanzien van het toestaan van nieuwe recreatieve bebouwing in de kustzone van de tot de provincie behorende eilanden voortgezet. Dit beleid is erop gericht in de kustzone alleen ruimte te bieden aan nieuwe recreatieve bebouwing of aan de uitbreiding van bestaande recreatieve bebouwing, als die qua schaal en maat passen in hun omgeving. Ook dit beleid vindt doorwerking naar omgevingsplannen en bestemmingsplannen door middel van regels in een provinciale verordening.
4. De Kustgemeenten handelden omtrent de inhoud van de omgevingsplannen en bestemmingsplannen naar de regels in de provinciale verordeningen en conform de zoneringen zoals vastgelegd in de provinciale verordeningen.
5. De zogenaamde “pijplijnprojecten”1 werden (mits tijdig aangeduid als pijplijnproject) uitgezonderd van deze regels. De Kustpact partijen hebben de pijplijnprojecten gezamenlijk geïnventariseerd en vastgesteld.
6. De afspraken uit het Kustpact zijn verder bestendigd door in het nationale wettelijk kader [destijds Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)] de opdracht aan provincies te geven om, in het belang van de bescherming en instandhouding van de kernkwaliteiten van het kustfundament, regels voor recreatieve bebouwing op te nemen in de provinciale verordeningen. Op 1 december 2020 is de wijziging van het Barro, zoals in het Kustpact werd afgesproken, in werking getreden. Met deze wijziging zijn de ruimtelijke regels van het Rijk en de provincies voor recreatieve bebouwing aan de kust op elkaar afgestemd.
7. Deze instructie regels uit het Barro zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 overgegaan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De kernkwaliteiten zijn daarmee vastgelegd in de nationale wetgeving. Tot de kernkwaliteiten van het kustfundament behoren:
a) vrij zicht en grootschaligheid;
b) de natuurlijke dynamiek van de kust;
c) robuuste waterstaat;
d) het contrast tussen compacte bebouwingskernen en uitgestrekte onbebouwde gebieden;
e) het contrast tussen kustfundament en achterland;
f) kustgebonden cultureel erfgoed in duingebied en achterland;
g) specifieke kenmerken van kustplaatsen in relatie tot het achterland; en
h) specifieke gebruikskwaliteiten.
8. Het doel van het Kustpact is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) die in september 2020 is vastgesteld.
Een constructieve samenwerking tussen de Kustpact partijen
9. De Kustpact partijen voerden regelmatig overleg. De ambtelijke partijen in het Kustpact kwamen minstens tweemaal per jaar bij elkaar. De bestuurlijke partijen troffen elkaar eenmaal per jaar via fysiek overleg of via een schriftelijke ronde. Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) was voorzitter van het Kustpact, de 59 partijen werden vertegenwoordigd door een afvaardiging van ongeveer 25 partijen. De Minister VRO informeerde de Tweede Kamer jaarlijks over de voortgang van het Kustpact door middel van een voortgangsbrief. De samenwerking en de overlegstructuur van het Kustpact werden erg gewaardeerd, zo bleek ook uit een evaluatie die naar aanleiding van het vijfjarig bestaan van het Kustpact in het voorjaar van 2022 onder de partijen werd uitgevoerd.
10. Door het constructieve overleg werd een krachtig netwerk gevormd dat was gebaseerd op samenwerking. Hierdoor werden ruimtelijke conflicten tussen overheden, ondernemers en natuur- en milieuorganisaties voorkomen in plaats van achteraf opgelost. Doordat partijen elkaar kennen, eindigden eventuele plannen voor ontwikkelingen in de kustzone niet (of slechts bij uitzondering) in bestuurlijke of juridische conflicten. Dit was vóór het sluiten van het Kustpact wel regelmatig het geval. Dit heeft geleid tot gunstige ruimtelijke condities voor de vrijetijdseconomie én bescherming van natuur en landschap. Door de Kustpact samenwerking vindt zorgvuldige ruimtelijke ordening plaats en gaan ontwikkeling en bescherming van de kust hand in hand.
De ontwikkeling en uitvoering van de Monitor Kustpact
11. De Kustpact partijen hebben een monitoringsmethodiek ontwikkeld waarmee inzicht geboden wordt in hoe de recreatieve bebouwing zich in de kustzone ontwikkelt. De Monitor Kustpact bestaat uit onderzoek van het Kadaster met betrekking tot de ontwikkeling van de recreatieve bebouwing in de kustzone en onderzoek van de ANWB naar de beleving van de kust. Deze onderzoeken werden in 2021, 2023 en 2025 uitgevoerd. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft beide onderzoeken vervolgens geduid tegen de achtergrond van de afspraken uit het Kustpact. In deze duiding werd onder andere bekeken of de ingestelde zonering waar wel en waar geen recreatieve bebouwing mag plaatsvinden wordt gehandhaafd en of er rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten uit het Kustpact. De eerste duiding van de Monitor Kustpact in 2023 toonde aan dat er werking uit gaat van het Kustpact.
Een belangrijke signaleringsfunctie voor actuele zaken
12. De samenwerking binnen het Kustpact werd ook ingezet om te signaleren waar sprake is van voor de kust belangrijke en actuele zaken. Zo heeft het Kustpact in de corona winterseizoenen van 2020 en 2021 een cruciale rol gespeeld in het maken van afspraken ten aanzien van het overwinteren van seizoensgebonden strandpaviljoens. Om strandpaviljoenhouders tegemoet te komen in de misgelopen inkomsten door de coronamaatregelen, kregen seizoensgebonden paviljoens toestemming om twee winterseizoenen op rij op het strand te blijven staan. Hierdoor hoefden zij geen hoge kosten te maken voor de op- en afbouw van hun paviljoens – kosten waarvoor zij op dat moment geen financiële ruimte hadden. Deze maatregel heeft bijgedragen aan het voorkomen van faillissementen.
13. In 2022 is door de natuur- en milieuorganisaties het initiatief genomen voor het Groene Strand project, waarbij constructief is samengewerkt met strandondernemers en overheden. In dit project worden strandschoonmaak activiteiten georganiseerd, wordt voorlichting gegeven aan de strandbezoekers over strandnatuur en worden broedvogels op het strand beschermd
14. In 2023 is de werkgroep Toekomst strandpaviljoens vanuit het Kustpact ontstaan, die zich richt op de problematiek waar strandpaviljoens tegen aanlopen ten aanzien van huurovereenkomsten en contracten, rechtszekerheid en financierbaarheid, investeringen in duurzaamheid en kwaliteit en de nut en noodzaak van het op- en afbouwen van strandpaviljoens.
15. Tijdens de ambtelijke Kustpact overleggen konden tot slot relevante signalen worden gedeeld met betrekking tot media-aandacht ten aanzien van de kust en was er ruimte om de link te leggen met andere beleidsprogramma’s, waaronder het Deltaprogramma Kust en de Nota Ruimte.
Hoewel de maatschappelijke en politieke onrust, zoals die bestond in 2016, is afgenomen, achten de betrokken partijen het doel van het Kustpact nog steeds belangrijk. Het creëren van een balans tussen de ontwikkeling van de kustzone enerzijds en bescherming en behoud van haar kernkwaliteiten anderzijds, blijft relevant. Ook het uitgangspunt om gezamenlijk het gesprek te voeren over relevante ontwikkelingen in de kustzone en elkaar tijdig te informeren vanuit een gezamenlijk eigenaarschap voor de kust is essentieel.
De samenwerking via het Kustpact wordt daarom na 2025 voortgezet, tot en met in ieder geval 31 december 2030. De samenwerking wordt vormgegeven met inachtneming van de resultaten van de samenwerking tussen 2017–2025. Echter spelen er vandaag de dag nieuwe uitdagingen ten opzichte van tien jaar geleden. In het licht van de huidige actualiteiten en de toekomstige ontwikkelingen aan de kust, worden nieuwe afspraken voor de samenwerking 2026–2030 gemaakt. De netwerkfunctie van het Kustpact blijft daarbij een belangrijk onderdeel.
Definities
1. In het Kustpact wordt verstaan onder:
a. Kustzone: deel van de Nederlandse kust, bestaande uit de Noordzeekust van de Waddeneilanden, de Hollandse kustboog en de Zuidwestelijke Delta, inclusief de mondingen van de zeearmen, dat aan de zeezijde wordt begrensd door de doorlopende -20 meter dieptelijn in zee en op land bestaat uit het strand, alle duingebieden, daarop gelegen harde zeeweringen en daaraan grenzende beschermingszones, zoals opgenomen in de legger van de beheerder van de primaire waterkering, en gebieden landwaarts daarvan, waar het ruimtegebruik, de economie en de ecologie rechtstreeks onder invloed staan van de zee en waarvan de exacte begrenzing door provincies is bepaald bij het vaststellen van de zonering in de provinciale verordeningen.

b. Kernkwaliteiten, zoals opgenomen en vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl):
i. vrij zicht en grootschaligheid;
ii. de natuurlijke dynamiek van de kust;
iii. robuuste waterstaat;
iv. het contrast tussen compacte bebouwingskernen en uitgestrekte onbebouwde gebieden;
v. het contrast tussen kustfundament en achterland;
vi. kustgebonden cultureel erfgoed in duingebied en achterland;
vii. specifieke kenmerken van kustplaatsen in relatie tot het achterland; en
viii. specifieke gebruikskwaliteiten.
Scope en doel
2. Uit prognoses blijkt dat het toerisme in Nederland groeit en de reactiebehoefte toeneemt. De verwachting is dat deze groei de komende jaren zal doorzetten. Ook de kustgebieden zullen hierdoor een groeiend aantal bezoekers ontvangen. Dit biedt kansen voor de economische ontwikkeling van de kustplaatsen, maar leidt tegelijkertijd tot meer recreatieve druk op de natuur, het landschap en de leefomgeving in de kustzone. De uitdaging is om de ontwikkelingen in goede banen te leiden.
3. De scope van het Kustpact 2026–2030 heeft daarom betrekking op de ontwikkelingen ten aanzien van toerisme, recreatieve druk en de strandeconomie in relatie tot de bescherming en het behoud van de kernkwaliteiten en de kwaliteit van de leefomgeving2 in de kustzone.
4. Het Kustpact dient als platform om met elkaar het gesprek te voeren over relevante ontwikkelingen en hoe deze passen binnen de regels van het Rijk en de provincies. Het Kustpact vormt daarbij de schakel tussen de praktijk waarin de deelnemende partijen opereren en de beleidsvorming en bestuurlijke keuzes van de verschillende betrokken overheden.
5. Partijen spreken af elkaar in een vroeg stadium blijvend te informeren over eventuele ontwikkelingen, kansen, zorgen of aandachtspunten ten aanzien van de onderwerpen toerisme, recreatie en strandeconomie in relatie tot de bescherming en het behoud van de kernkwaliteiten en de kwaliteit van de leefomgeving in de kustzone.3 Door het benutten van deze netwerkfunctie, worden partijen niet overvallen en kunnen ruimtelijke juridische conflicten worden voorkomen.
6. Het doel van het Kustpact 2026–2030 wordt daarmee vastgesteld op het gezamenlijk zicht houden op de ontwikkelingen die ten aanzien van toerisme, recreatie en strandeconomie in relatie tot natuur, landschap en de kwaliteit van de leefomgeving op de kust afkomen; het voeren van constructief overleg hierover met de Kustpact partijen; en het hierdoor vinden van een goede balans tussen (economische) ontwikkeling van de kustzone enerzijds en bescherming en behoud van haar kernkwaliteiten anderzijds.
Randvoorwaarden
7. Partijen onderschrijven dat de kwaliteit van de kustzone samenhangt met de kernkwaliteiten. Nieuwe recreatieve ontwikkelingen in de kustzone moeten bijdragen aan het behoud en – indien mogelijk – de versterking van de kwaliteit van de kustzone en mogen niet leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van de kustzone.
8. Nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van recreatieve functies gerelateerd aan bebouwing in de kustzone dienen altijd te passen binnen de randvoorwaarden van waterveiligheid, drinkwatervoorziening en natuurbehoud. Dit gerelateerd aan de kernkwaliteiten en de lange termijn doelstelling om de kust als een dynamisch systeem te behouden en te versterken – zowel in de zin van een adaptief en flexibel gebruik ten aanzien van het meegroeien met de zeespiegelstijging als in de zin van beheer door middel van natuurlijke processen als zandverplaatsing en verstuiving.
9. Partijen onderschrijven dat middels de zonering van de provincies sturing wordt gegeven aan een passend gebruik van de kustzone. Met deze zonering is op basis van de kernkwaliteiten van de kustzone bepaald en inzichtelijk gemaakt in welke delen van de kustzone geen nieuwe recreatieve bebouwing is toegestaan en in welke delen wel en onder welke voorwaarden. Partijen delen daarbij de intentie om nieuwe recreatieve bebouwing op het strand en in de duinen te concentreren in reeds bebouwde gebieden en reeds vergunde of aangewezen ontwikkellocaties. Partijen spreken af dat vervangende nieuwbouw, nodig voor kwaliteitsbehoud en een duurzame bedrijfsvoering in de toekomst, voor bestaande bedrijven mogelijk blijft met inachtneming van punt 7 en 8.
Inzet partijen
10. De inzet van partijen wordt tussen 2026–2030 als volgt vormgegeven:
a) De Provincies Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Holland zien erop toe dat hun beleid voor de kustzone en de opgestelde zoneringen blijvend aansluiten bij de afspraken uit het Kustpact en de kernkwaliteiten van de kustzone en blijvend geborgd worden in de regels van de provinciale verordeningen.
b) De Kustgemeenten zien erop toe dat zij, bij de voorbereiding van nieuwe ruimtelijke plannen voor de kustzone via bijvoorbeeld strandvisies en omgevingsplannen, blijvend handelen naar de regels in deze provinciale verordeningen.
c) De Waterschappen en Rijkswaterstaat beheren de primaire waterkeringen in de kustzone en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) (Rijkswaterstaat) draagt zorg voor de handhaving van de basiskustlijn. De waterschappen en de Minister van IenW (Rijkswaterstaat) zien erop toe dat de afspraken en de zoneringen op basis van het Kustpact in lijn blijven met het beleid ten aanzien van hun beheertaken voor waterveiligheid. Hieronder vallen de waterschapsverordening, de legger en het (dynamisch) kustbeheer. Zij zien erop toe dat bouwactiviteiten in de waterkeringszone en op het strand niet strijdig zijn met de instandhouding van waterveiligheid en geen belemmering vormen voor het adaptief kust- en duinbeheer.
d) Het Rijk draagt blijvend zorg voor de aandacht voor de afspraken uit het Kustpact op nationaal niveau en ziet erop toe dat het Kustpact en de afspraken die daaruit volgen niet strijdig zijn met het Bkl.
e) Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) draagt bij vanuit de expertise op Ruimtelijke Ordening.
f) Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) draagt bij vanuit de expertise op de gastvrijheidseconomie.
g) Andere partijen onderschrijven het doel van het Kustpact, zetten zich actief in voor de inhoud van het Kustpact en dragen bij aan een constructieve samenwerking.
Monitoring
11. Uit de Monitor Kustpact die tussen 2017–2025 is uitgevoerd, is gebleken dat er werking uitgaat van het Kustpact. De monitoringsresultaten laten zien dat er beperkte verschillen zijn tussen de opeenvolgende onderzoeken. Daarmee achten de Kustpact partijen het niet meer van belang om de Monitor Kustpact iedere twee jaar te herhalen.
12. De partijen spreken af dat de Monitor Kustpact éénmalig wordt uitgevoerd in 2029, in aanloop naar het einde van het Kustpact in 2030. De resultaten van dit monitoringsmoment kunnen worden benut in het eventueel verlengen van de Kustpact samenwerking na 2030. Over de inhoudelijke invulling van de Monitor Kustpact worden in 2028 nadere afspraken gemaakt, op basis van de op dat moment beschikbare informatie. De monitoringsmethodiek zal worden afgestemd op de scope van het Kustpact. Ook over de financiering van de Monitor Kustpact worden uiterlijk in het derde kwartaal van 2028 nadere afspraken gemaakt tussen partijen, zodat tijdig helder is hoe de Monitor Kustpact in 2029 gefinancierd wordt. De Kustpact partijen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inrichting en uitvoering van de Monitor Kustpact. Ministerie VRO coördineert de Monitor Kustpact.
Rolverdeling en overleg
13. Alle partijen zijn partij in de samenwerking. Deze partijen nemen deel aan de ambtelijke en bestuurlijke Kustpact overleggen, tenzij zij afspraken maken om zich onderling te laten vertegenwoordigen. Het Ministerie VRO is bestuurlijk en ambtelijk voorzitter van het Kustpact.
14. De Kustpact partijen voeren minstens twee keer per jaar ambtelijk Kustpact overleg over de voortgang van het Kustpact. Tijdens deze ambtelijke Kustpact overleggen worden relevante onderwerpen en signalen besproken. Alle Kustpact partijen kunnen bespreekpunten aandragen. Het Ministerie VRO is voorzitter van het Kustpact overleg en draagt zorg voor het opstellen en verspreiden van de agenda en bijbehorende stukken.
15. De ambtelijke Kustpact partijen bespreken ieder jaar of er behoefte is aan het organiseren van een bestuurlijk Kustpact overleg. Als dat het geval is, of als de actualiteiten en/of urgentie daarom vragen, dan wordt een bestuurlijk Kustpact overleg georganiseerd onder coördinatie van Ministerie VRO. Als dat niet het geval is, dan worden de bestuurlijke partijen schriftelijk op de hoogte gesteld van de voortgang van het Kustpact door middel van een jaarlijkse voortgangsrapportage. De ambtelijke Kustpact partijen dragen zorg voor het opstellen van deze jaarlijkse voortgangsrapportage, onder coördinatie van Ministerie VRO.
16. De ambtelijke en bestuurlijke Kustpact overleggen, de jaarlijkse voortgangsrapportage en andere belangrijke Kustpact zaken worden voorbereid door de secretariaatscommissie Kustpact. In deze commissie neemt een afvaardiging namens de verschillende Kustpact partijen deel, namelijk: een vertegenwoordiging namens het Rijk, de Provincies, de Kustgemeenten, de Waterschappen, de Natuurorganisaties, de Drinkwaterbedrijven en de Vertegenwoordigers namens recreatieorganisaties en ondernemers. Deze partijen dragen ieder zorg voor de afstemming met de eigen achterban. Het Ministerie VRO zit deze secretariaatscommissie voor.
17. Daarnaast kunnen – indien gewenst – thematische bijeenkomsten worden georganiseerd waarin verdieping kan worden gezocht op aan het Kustpact gerelateerde onderwerpen. Alle Kustpact partijen kunnen een dergelijke thematische sessie initiëren en dragen zorg voor de organisatie en voorbereiding. Een voorbeeld van een onderwerp dat tijdens een thematische sessie kan worden besproken is de behoefte aan (groene) recreatieruimte en de toekomstbestendigheid van het recreatief gebruik van de kust en de stranden.4
18. Zaken ten aanzien van het Kustpact worden alleen aan de Tweede Kamer gemeld als de actualiteiten en/of urgentie daarom vragen. Het Kustpact secretariaat ziet hierop toe. Als het informeren van de Tweede Kamer nodig blijkt, maken de Kustpact partijen nadere afspraken over de wijze waarop dat gebeurt.
Communicatie
19. Partijen zetten zich actief in voor de communicatie rondom het Kustpact, de samenwerking en de gemaakte afspraken en dragen er zorg voor dat alle kust gerelateerde partijen op de hoogte zijn van de Kustpact samenwerking 2026–2030.
Inzet, kosten en financiering
20. Partijen dragen zorg voor de uitvoering van afspraken ieder door middel van eigen inzet in uren. Ook leveren partijen roulerend een bijdrage aan het aanbieden van een locatie en facilitaire zaken voor Kustpact overleggen. De secretariaatskosten voor het Kustpact worden in 2026, 2027 en 2028 gedragen door het Ministerie van IenW. Over de financiering van de secretariaatskosten in 2029 en 2030 worden door de Kustpact partijen tijdig nieuwe afspraken gemaakt, uiterlijk in het derde kwartaal van 2028.
21. In het geval van eventuele onvoorziene incidentele kosten, bijvoorbeeld voor benodigd onderzoek of advies, gaan partijen samen in gesprek en worden nadere afspraken gemaakt. Partijen bespreken ieder jaar uiterlijk in het derde kwartaal of er in het daaropvolgende jaar dergelijke activiteiten benodigd zijn die om financiering vragen. Op deze manier wordt geborgd dat de eventueel benodigde financiering tijdig in de begrotingen kan worden opgenomen.
Wijziging
22. Elke partij kan de andere partijen schriftelijk verzoeken de afspraken uit dit Kustpact te wijzigen. Partijen treden in overleg binnen twee maanden nadat een partij de wens daartoe aan de andere partijen schriftelijk heeft medegedeeld. Ministerie VRO neemt als voorzitter van het Kustpact hiertoe het initiatief. De wijziging behoeft de schriftelijke instemming van alle partijen. De wijziging en de verklaringen tot instemming worden als bijlage aan het Kustpact gehecht.
Opzegging
23. Elke partij kan de deelname aan het Kustpact met inachtneming van een opzegtermijn van een maand schriftelijk opzeggen, indien een zodanige verandering van omstandigheden is opgetreden dat de deelname aan dit Kustpact billijkheidshalve op korte termijn voor die partij behoort te eindigen. De opzegging moet de verandering in omstandigheden vermelden. Wanneer een partij het Kustpact opzegt, beraden de overige partijen zich over de gevolgen daarvan voor het Kustpact.
Afdwingbaarheid
24. Partijen komen overeen dat de nakoming van de afspraken in het Kustpact niet in rechte afdwingbaar is.
Inwerkingtreding en looptijd
25. Bovenstaande afspraken treden op 1 januari 2026 in werking, na ondertekening door alle partijen, en gelden tot in ieder geval 31 december 2030. Partijen treden uiterlijk één jaar voor het verstrijken van de looptijd in overleg over een eventuele verlenging of voortzetting van de samenwerking.
Ondertekening Partijen
Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening M.C.G. Keijzer
8 juli 2025
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat R. Tieman
24 augustus 2025
Ministerie van Economische Zaken E. Nijsse
30 september 2025
Staatsbosbeheer B. Revis
1 oktober 2025
Provincie Noord-Holland E. Rommel
15 juli 2025
Provincie Zuid-Holland A. Koning
24 september 2025
Provincie Zeeland D. van der Velde
23 september 2025
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier A. Langeveld
16 juli 2025
Hoogheemraadschap van Rijnland M. Verkleij-Lemmers
15 juli 2025
Hoogheemraadschap van Delfland P. Ouwendijk
16 september 2025
Waterschap Hollandse Delta C. Rijsdijk
9 september 2025
Waterschap Scheldestromen T. Poppelaars
25 september 2025
Gemeente Den Helder F. Camara
16 september 2025
Gemeente Schagen S. Kruijer
15 juli 2025
Gemeente Bergen M. Wiesehahn
28 augustus 2025
Gemeente Castricum R. Beems
28 augustus 2025
Gemeente Heemskerk A. Schoorl
2 september 2025
Gemeente Beverwijk N. Wijmega
2 juli 2025
Gemeente Velsen N. Korf
1 september 2025
Gemeente Bloemendaal M. Rog
9 september 2025
Gemeente Zandvoort D. Moolenburgh
9 juli 2025
Gemeente Noordwijk P. van Strien
18 juli 2025
Gemeente Katwijk J. Knape
16 juli 2025
Gemeente Wassenaar L. van Doeveren
6 november 2025
Gemeente Den Haag R. Barker
29 september 2025
Gemeente Westland A. Goudwaard
9 oktober 2025
Gemeente Rotterdam P. Lansink-Bastemeijer
30 september 2025
Gemeente Voorne aan Zee D. van Orselen
18 juli 2025
Gemeente Goeree-Overflakkee D. Markwat
15 september 2025
Gemeente Schouwen-Duiveland J. van Burg
23 september 2025
Gemeente Noord-Beveland L. Meeuwisse
22 juli 2025
Gemeente Veere F. Schouwenaar
30 september 2025
Gemeente Vlissingen B. van den Tillaar
24 september 2025
Gemeente Sluis C. Simons
7 oktober 2025
PWN S. van Wesemael
10 september 2025
Evides E. Ruijgers
18 september 2025
Dunea W. Drossaert
15 september 2025
Vitens T. Rozendaal
2 oktober 2025
Waternet Y. Jakobs
9 september 2025
Stichting Duinbehoud P. Jonker
2 juli 2025
Natuurmonumenten J. de Koe
3 juli 2025
Zeeuwse Milieufederatie I. von Harras
4 juli 2025
Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland A. Ouwehand
15 september 2025
Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland S. Akkerman
3 juli 2025
Stichting Landschappen NL H. Bartelink
21 juli 2025
Het Zeeuwse Landschap R. van Westrienen
15 juli 2025
Stichting Zuid-Hollands Landschap J. Bisschops
15 juli 2025
Landschap Noord-Holland B. Rüter
1 juli 2025
Vogelbescherming Nederland K. Schipperheijn
16 september 2025
Vereniging Kust en Zee R. Steenbergen
1 juli 2025
Stichting de Noordzee E. van Galen
16 september 2025
Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen Y. Nassar
17 juli 2025
Koninklijke Horeca Nederland A. Soekhoe
8 september 2025
Nederlandse Kust Vereniging J. Roord
18 augustus 2025
HISWA-RECRON G. Dijks
22 juli 2025
Bron: “Inventarisatie Waarden en Beleid Nederlandse Kust”, Bureau Strootman, juli 2016
Vrij zicht – lege horizon – weidsheid
Langs de gehele Noordzeekustlijn is het mogelijk om vrijwel onbelemmerd de horizon te zien. Op zee en langs de kust is het landschap grootschalig en weids. Zowel naar zee als langs het strand en de kustlijn zijn vergezichten mogelijk. De Nationale Visie Kust zegt hierover: “De vrije horizon is voor velen een belangrijke kwaliteit van de kust. De vrije horizon is waardevol ook vanuit toerisme en recreatie bezien en dient meegewogen te worden in het zorgvuldige proces rond de vernieuwing van de energiehuishouding en de economische aspecten van windenergie op zee.” De aaneengesloten duingebieden vormen samen een grootschalig reliëfrijk landschap, waar weidsheid en beslotenheid elkaar afwisselen. Het vrije zicht wordt plaatselijk inmiddels wel beïnvloed door bijvoorbeeld windmolenparken in zee, booreilanden, de Maasvlakte en ankerplaatsen van grote schepen. Ook staat op veel plaatsen langs en op het strand tijdelijke en permanente strandbebouwing, en de druk om meer te bouwen neemt toe. In een verder verstedelijkend land is een zo min mogelijk belemmerd zicht vanaf de kustlijn een landschappelijke kwaliteit die steeds zeldzamer wordt. Het vrije zicht zet zich ook voort aan de landzijde van het strand. Op hoge punten is vaak tot aan de horizon een landschap van duinen (of dammen) te zien. Belangrijk onderdeel van de weidsheid en leegte is ook de beleefbaarheid van de duisternis aan de kust.
Eenheid in grootschaligheid
Dankzij het onbelemmerde zicht langs de kustlijn zijn de grote geologische structuren en processen herkenbaar die aan de basis staan van de vorming van West- en Noord-Nederland. Op het strand is het mogelijk deze structuren over afstanden van vele tientallen kilometers te overzien. Dat geldt zowel voor de afwisseling van eilanden en (afgedamde) zeegaten in Zuidwest Nederland, voor de Waddeneilanden met hun tussenliggende gaten en diepen, als voor de concave vorm van de Hollandse Noordzeekust.
Beleefbaar over hele lengte
Het gehele strand is vrij toegankelijk. Daardoor is het mogelijk om die in zijn geheel te voet te verkennen. Er zijn geen privéstranden, hekken of verboden zones. De toegankelijkheid zoneert het strand en de kust op een ‘natuurlijke’ manier. Dankzij een beperkt aantal voor auto’s toegankelijke strandopgangen zijn er altijd, zelfs in de zomer, stille stranden te vinden. De duingebieden zijn gedeeltelijk ook toegankelijk, maar er zijn diverse delen zoals sommige natuurgebieden en waterwinlocaties die restrictief toegankelijk zijn.
Grote eenheden natuur
De Nederlandse kust is beleefbaar als een groot natuurgebied. Op regelmatige afstanden liggen kustplaatsen, die, doordat ze beperkt in omvang zijn gebleven, slechts incidenten zijn binnen de langgerekte duinzone. Den Haag is de enige grote stad aan de kust. Vlissingen aan de
Westerschelde heeft ook een lange stedelijk kustlijn: een bebouwde boulevard van circa 2,3 km en in het verlengde hiervan de “groene boulevard”.
Meer dan waar dan ook in Nederland spelen natuurlijkheid en natuurlijke dynamiek een rol in het kustlandschap.
Beleefbaarheid van de elementen en natuurlijke processen
De kust is bij uitstek het gebied waar natuurlijke dynamiek zich openbaart. Mensen komen naar het strand om water, zon, wind en storm te voelen. Op het strand is de werking van natuurlijke processen direct te ervaren. In het tijdsverloop van een dag verandert de grootte en de vorm van het strand door zeestromingen en eb en vloed. Binnen het tijdsverloop van een seizoen treden op veel stranden zichtbare veranderingen op door vorming van zandbanken, door duinafslag en soms ook door beginnende duinvorming. Het ecosysteem van de Waddenzee en waddenkust heeft een grote natuurwaarde in de wisselwerking van eb en vloed.
Directe relatie tussen landschap en natuurlijke processen
In het kustgebied is zichtbaar hoe het landschap zich door natuurlijke processen, vaak in samenspraak met menselijk ingrijpen, vormt of heeft gevormd. Van de duinen is afleesbaar hoe ze zijn opgestoven door wind. Slufters en kreken bestaan bij de gratie van het getij en zandbanken en zeegaten hangen samen met zeestromingen.
Herkenbare gradiënt van windsterkte en zout
Meer landinwaarts in de duinen beslaat de dynamiek een grotere tijdspanne, maar is nog altijd duidelijk dat het landschap het resultaat is van het natuurlijke proces van duinvorming. In het duinlandschap is bovendien een voor iedereen leesbare gradiënt zichtbaar, die wordt bepaald door de zoute wind. Aan de zeekant groeit alleen korte vegetatie met helmgras. Meer landinwaarts verschijnt struweel, dat weer wordt opgevolgd door lage, vaak van de wind af groeiende bomen. In de duinpannen staan lage bossen met eik, berk en meidoorn. Hier en daar zijn de duinen bedekt met aangeplante naaldbossen. In de beschutting direct achter de duinen, vaak in landgoederen, komen hoger opgaande loofbossen voor. De natuurlijkheid van de duinen wordt nog versterkt doordat de duinen onbewoond zijn, ondanks vele vroegere pogingen tot ontginning. Juist de elementen, wind, zout en arme zandgrond, maakten bewoning en agrarisch gebruik bijzonder moeilijk.
Seizoensgebondenheid
Het strand is in hoofdzaak en zeker buiten de grote badplaatsen vrij gebleven van permanente bouw. Bebouwing, in de vorm van strandpaviljoens en strandhuisjes, staat er in veel gevallen alleen in het zomerseizoen. Zo verandert het beeld van het strand met de seizoenen. Door hun tijdelijke karakter bieden de paviljoens (wat betreft bereikbaarheid en type gebouw) een heel ander beeld dan de bebouwing op de boulevard. Steeds vaker krijgen strandpaviljoens overigens een permanent karakter.
De artificiële kustverdedigingswerken langs de Noordzeekust, gemaakt van basalt, beton en asfalt, vormen een enorm contrast met de zandige, natuurlijke ogende, zeewering van duinen en zeereep. Ze liggen op plekken waar de zee ooit toegang had tot het achterland en een bedreiging vormde voor de bevolking en vertellen daarmee het verhaal van de strijd tegen de zee. Het belang van de veiligheid is vooral te ervaren in de enorme schaal van de kustverdedigingswerken en de ongenaakbaarheid waarmee ze de branding en stormen kunnen weerstaan. Daarmee drukken ze als geen ander de noodzaak en de heiligheid uit die de waterstaatswerken voor Nederland hebben. Voorbeelden zijn de Hondsbossche Zeewering, net versterkt door voor de dijk circa 20 miljoen kubieke meter zand op te spuiten, de dammen van de Deltawerken (met de Haringvlietdam en de Oosterscheldekering als hoogstandjes van waterstaatkundig vernuft), maar ook diverse stuifdijken, strekdammen als de Delflandse hoofden of de palenrijen op Zeeuwse stranden.
De strategieën voor de kustveiligheid gaan inmiddels uit van de ontwikkelprincipes van het Deltaprogramma. Hierbij is niet alleen versterking van de zachte, zandige duinwaterkering te benoemen, met zandsuppleties die inspelen op de natuurlijke dynamiek, maar ook de harde keringen met deze aanpak (met als bijzonder voorbeeld de Hondsbossche Zeewering). Dit is het principe van natuurlijke dynamiek en de meegroeiconcepten. Deze adaptieve aanpak is de meest kosteneffectieve wijze om Nederland de komende eeuwen veilig te houden, structurele kustafslag tegen te gaan en de natuurlijke dynamiek te behouden.
De eerste bebouwing langs de kust waren kleine vissersdorpen. Deze dorpen lagen als kleine compacte clusters van bebouwing in een verder ongerept duinlandschap: een groot contrast. De compacte dorpen zijn in de loop van de jaren uitgegroeid tot grotere badplaatsen, waarvan sommige met een stenige en bebouwde boulevard aan het strand.
Parallel aan de kust ligt een netwerk van wegen met af en toe een zijweg tot op het strand: de eerder beschreven kamstructuur. Aan de strandzijde van de boulevards en bij sommige strandopgangen is in de afgelopen decennia zowel tijdelijke als permanente bebouwing verschenen, zoals strandtenten, clubhuizen, vakantiehuisjes, kleedhokjes etc. Soms strekt deze bebouwing zich als een sliert uit langs het strand, soms is er maar een enkele strandtent en soms is er bij een strandopgang helemaal geen bebouwing.
Voor de beleving van natuur, vrijheid en ongereptheid is dit contrast tussen relatief kleine en compacte bebouwingskernen en uitgestrekte duingebieden en het strand daartussen van grote waarde. Hier kunnen mensen zich ver van de bewoonde wereld wanen in een landschap dat nog elke dag verandert door de inwerking van natuurkrachten, en waar de hand van de mens afwezig lijkt te zijn. Mensen kunnen hier onder de indruk raken van de overweldigende natuur en sublieme ervaringen hebben.
De leegte, rust en natuurlijkheid van het Nederlandse kustgebied staan in scherp contrast met de drukte en het menselijke gebruik van het achterland. Dat geldt vooral voor het deel van de kust dat tegen de Randstad aan ligt. Op de grens tussen duinen en achterland (de binnenduinrand) is dat contrast het scherpst te ervaren.
Leeg en natuurlijk kustgebied – drukke bebouwde Randstad
Iedereen in Nederland kent het landschap van het kustgebied doordat het zich sterk van het omliggende landschap onderscheidt. Dat ligt in de eerste plaats aan de geomorfologie en natuurlijkheid van de duinen, die een enorm contrast vormen met het volledig door mensen vormgegeven en – vooral in de Randstad – dichtbevolkte achterland. Dit maakt het kustgebied een aantrekkelijke bestemming voor recreanten.
Contrast tussen binnenduinrand (en dijken) en achterland
Aan de binnenduinrand bestaat bij uitstek de mogelijkheid om het artificiële karakter van het Nederlandse cultuurlandschap te ervaren in contrast met de natuurlijke duinen. In zekere zin is dit een van de sterkste landschapscontrasten van Nederland.
Grote variatie aan landschappen haaks op de kustlijn
In de richting loodrecht op de kustlijn wordt de kust gekenmerkt door een grote variatie aan landschappen, op korte afstand van elkaar, ieder met hun eigen landschappelijke karakter en fysieke en natuurlijke gesteldheid en met voor Nederlandse begrippen relatief grote hoogteverschillen. De overgangen tussen de verschillende landschappen, met hun verschillende leefmilieus, zijn vanuit ecologisch oogpunt, maar ook vanuit beleefbaarheid, bijzonder waardevol. Globaal gaat het om zee – strand – zeereep – jongen duinen – duinvalleien – binnenduinrand – polder.
Hoewel strand, zeereep en duinen een natuurlijke uitstraling hebben, zijn ze mede gevormd door menselijk ingrijpen. De zeereep (de eerste duinenrij) en de hoge duinwal langs de binnenduinrand (zand vastgelopen in begroeiing) zijn de resultaten van menselijk ingrijpen. De duinen zelf herbergen de sporen van (vroeger) menselijk gebruik. Soms zijn die sporen meer, soms juist minder zichtbaar. Langzamerhand verdwijnen sporen weer onder het stuivende zand. Dat representeert de barheid van het duingebied om in te wonen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om archeologische sporen, landbouwontginningen, bossen, verdedigingslinies en forten, drinkwaterwinning, recreatieterreinen, maar ook om oude wegen, gedenktekens, grenspalen, vakantiekolonies en sanatoria.
Ook kustplaatsen en het achterland hebben specifieke kustkenmerken. Vaak zijn ze nauwelijks (meer) zichtbaar of beleefbaar, maar ze hebben de potentie om het ‘kustgevoel’ landinwaarts te brengen, en daarmee de ruimtelijke kwaliteit of de waardering van het achterland te verhogen. In de meeste kustplaatsen is in het reliëf en de stedelijke opbouw de (historische) vormende invloed van de kust met kennis van zaken nog te herkennen. Het reliëf – zoals de hoogteverschillen tussen straten – geeft kustplaatsen plaatselijk een bijzondere sfeer. Het reliëf is de resultante van vroegere duinen, met ontzandingen en met de afwisseling van strandwallen en strandvlakten. De geologische opbouw van het kustgebied is vaak terug te lezen in de bebouwing en het stratenpatroon, vooral in Den Haag/Scheveningen. In Noord-Holland zijn de ‘dubbeldorpen‘ interessant: Bergen – Bergen aan Zee, Egmond – Egmond aan zee.
Ook gebruikskwaliteiten van het kustgebied spelen een belangrijke rol in de waardering ervan, bijvoorbeeld in de vorm van recreatieve voorzieningen, havens en infrastructuur, maar ook om een wandeling te maken, op het strand te liggen of te zwemmen. Het strand is de grootste openbare ruimte (op het land) van Nederland, voor iedereen vrij toegankelijk. Die openbaarheid is een belangrijke waarde.
Kustplaatsen bieden een brede keuze aan sferen voor verblijf. In Den Haag en Scheveningen kan in een grootstedelijke sfeer winkelen, uitgaan, gokken of theaterbezoek worden gecombineerd met een bezoek aan het strand. Daarnaast zijn er kleinere plaatsen aan zee, zoals Katwijk, die meer het karakter hebben van een familiebadplaats. Zandvoort heeft een tussenpositie. Kenmerkend voor veel badplaatsen is de boulevard, die het mogelijk maakt om de smalle strook langs het water zo goed mogelijk te benutten. Op de Waddeneilanden en langs de kust van Zuidwest Nederland ontbreken boulevards (met uitzondering van Vlissingen).
Naast kustplaatsen direct aan zee ligt er een reeks van kustplaatsen achter de duinen. In en tussen deze plaatsen is het recreatielint ontstaan dat wel wordt aangeduid als de ‘Langste Stad’.
Campings, huisjesterreinen, kamerverhuur, en huisjes in de tuin, zorgen voor een enorm potentieel aan overnachtingsmogelijkheden achter de duinen.
In de duinen zijn relatief weinig hotels en campings. De recreatieve voorzieningen bestaan vooral uit fiets- en wandelpaden en strandopgangen. Bij de meeste strandopgangen liggen enkele strandpaviljoens. Bij grote badplaatsen als Zandvoort/Bloemendaal en Scheveningen ligt een uitgestrekt lint van paviljoens. Veel paviljoens staan er alleen in het zomerseizoen. De boulevards zelf zijn wel vast bebouwde plekken langs de kust.
De Nederlandse kust – met de zee, het strand en de zilte wind – appelleert aan culturele en mentale kwaliteiten zoals ‘vrijheid’ en ‘gezondheid’, maar ook aan ‘het Hollandse licht’. Die culturele en mentale kwaliteiten kleuren ons beeld van de kust, en hoewel ze vaak niet meteen ruimtelijk of landschappelijk te vertalen zijn, spelen ze wel een belangrijke rol bij het gebruik en de beleving van de kust. Op die manier bepalen ze mede welke functies een plaats krijgen (of hebben gekregen) en hoe de fysieke ordening in het kustgebied plaatsvindt.
De strijd tegen het water bepaalde eeuwenlang onze houding ten opzichte van de zee, en daarmee ook ons beeld van de kust: ‘de zee geeft, de zee neemt’. Nederland is een klein land dat voor een belangrijk deel beneden de zeespiegel ligt. De ‘overwinning op de zee’ – in de vorm van de Deltawerken, maritieme expertise en baggerwerkzaamheden – hebben Nederland op dit gebied een toonaangevende positie in de wereld opgeleverd, én een zekere trots. Dat laatste geldt ook voor onze handelsgeest, die nauw verbonden is met de zeevaart en zijn ‘ruimtelijke weerslag’ vond in havens als Vlissingen en Rotterdam.
Zeewater, zilte wind, frisse lucht, zon en ongereptheid hebben vanaf de 19e eeuw de zee en de kust een positieve uitstraling gegeven. De badpaviljoens in Scheveningen (1818), Zandvoort (1825) en Domburg (1837) waren aanvankelijk kuuroorden voor de welgestelden. Men kwam er zeewater drinken, van de zilte zeelucht genieten en later ook om kuurbaden te nemen. Ook nu speelt het gezondheidsaspect nog een belangrijke rol, van het uitwaaien op een herfstige dag tot allerlei sportactiviteiten, zoals kitesurfen, zwemmen, hardlopen, paardrijden en mountainbiken.
De kust was vanwege zijn uitgestrektheid en ligging van oudsher een vrijplaats, deels gelegen buiten de directe invloedssfeer van de macht. Ook tegenwoordig is de kust nog een plek ‘buiten het alledaagse’, letterlijk aan de rand van Nederland. De kust nodigt uit tot bijzondere evenementen en activiteiten, zoals theaterfestivals, concerten, danceparty’s, zandkastelen bouwen, naakt zonnen, races, kampvuren, feesten of vuurwerk.
Plannen die vóór de inwerkingtreding van het Kustpact ter inzage waren gelegd, waaraan de provincies of gemeenten zich hadden gecommitteerd of waarmee een overeenkomst is gesloten waarover openbare besluitvorming heeft plaatsgevonden.
De term leefomgeving heeft betrekking op zowel natuur, planten en dieren als mensen, bezoekers en inwoners.
Partijen kunnen elkaar tevens informeren over ruimtelijke ontwikkelingen in de kustzone die betrekking hebben op andere inhoudelijke thema’s (zoals defensie of energie), mits deze informatie relevant is voor de uitvoering van het Kustpact. Deze thema’s vallen echter niet binnen de scope van het Kustpact en er worden op deze thema’s dan ook geen besluiten genomen.
Deze term houdt in dat de kust ook in de toekomst voldoende ruimte en landschap voor inwoners en bezoekers biedt om te kunnen recreëren en in de behoefte aan voldoende droge en brede recreatiestranden kan worden voorzien.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-48.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.