Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 4180 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 4180 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 2, 4, 5, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste lid, onderdeel a en vierde lid, 19, 23, onderdeel b, 25, 27, en 44, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV- subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
Titel 2.4. komt te luiden:
In deze titel wordt verstaan onder:
verkrijging van de eigendom als bedoeld in artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek krachtens koop of financial leasing als bedoeld in paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing;
onderneming die in opdracht van een landbouwonderneming werkzaamheden verricht in de primaire landbouwproductie;
laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU, met ingebouwde converter;
het register, bedoeld in artikel 42 Wegenverkeerswet 1994;
volledig batterij-elektrisch of via netstroom aangedreven machine, niet zijnde een landbouwtractor, die is ontworpen voor het uitvoeren van taken in de primaire landbouwproductie;
volledig batterij-elektrisch aangedreven landbouwvoertuig als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met achtste lid, van verordening (EU) 167/2013.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf voor de aanschaf van een of meerdere nieuwe:
a. landbouwmachines met een continu elektrisch motorvermogen van ten minste anderhalf kW;
b. landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk, al dan niet inclusief een DC-laadstation; of
c. landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk, al dan niet inclusief een DC-laadstation;
indien deze investering is gericht op het verminderen of het voorkomen van de uitstoot van broeikasgassen.
Een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf kan per dag ten hoogste:
a. één aanvraag indienen voor ten hoogste twee landbouwmachines als bedoeld in artikel 2.4.2, onderdeel a; en
b. één aanvraag indienen voor ten hoogste:
1°. twee landbouwtractoren als bedoeld in artikel 2.4.2, onderdeel b of c; of
2°. één landbouwtractor als bedoeld in artikel 2.4.2, onderdeel b of c en één DC-
laadstation.
1. De subsidie bedraagt:
a. voor de aanschaf van een landbouwmachine: 25% van de subsidiabele kosten;
b. voor de aanschaf van een landbouwtractor met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk: 35% van de subsidiabele kosten;
c. voor de aanschaf van een landbouwtractor met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk: 55% van de subsidiabele kosten;
d. voor de aanschaf van een DC-laadstation:
1°. € 9.760, – voor een DC-laadstation met een vermogen van 50 tot 100 kW;
2°. € 17.700, – voor een DC-laadstation met een vermogen van 100 tot 150 kW;
3°. € 24.400,– voor een DC-laadstation met een vermogen vanaf 150 kW.
2. De subsidie bedraagt ten minste € 3.000, – per aanvraag en ten hoogste € 600.000, – per landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf per kalenderjaar.
De subsidiabele kosten zijn:
a. voor de aanschaf van een landbouwmachine of landbouwtractor: de aanschafkosten, inclusief af-fabriekopties;
b. voor de aanschaf van een DC-laadstation: de kosten voor de aanschaf, bouw en installatie van een DC-laadstation.
1. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen om subsidieverlening.
2. Indien na afloop van de openstelling blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor een van de investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2 lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig toegevoegd aan het subsidieplafond voor andere investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2.
1. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
2. De minister kan op gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot anderhalf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De minister besluit afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvrager kwalificeert als een grote onderneming.
1. De subsidieontvanger is verplicht:
a. een aangeschafte landbouwtractor op zijn naam te stellen in het kentekenregister;
b. ervoor zorg te dragen dat een aangeschafte landbouwtractor gedurende een periode van drie jaar na de vaststelling van de subsidie op zijn naam is gesteld in het kentekenregister; en
c. een aangeschafte landbouwtractor voor ten minste 70% van de tijd in de landbouw te gebruiken gedurende een periode van drie jaar na de vaststelling van de subsidie.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de subsidieontvanger de aangeschafte landbouwtractor vervangt door een andere landbouwtractor die ook in aanmerking zou zijn gekomen voor subsidie op grond van deze titel en deze vervangende landbouwtractor gedurende de nog resterende termijn van de periode, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, op zijn naam is gesteld. In dit geval wordt de vaststellingsbeschikking op verzoek van de subsidieontvanger, na verstrekking van het kenteken, de overeenkomst en de factuur van deze andere landbouwtractor, dienovereenkomstig gewijzigd.
3. De uitzondering van het tweede lid geldt niet wanneer de subsidieontvanger voor de vervangende landbouwtractor subsidie aanvraagt.
1. Indien niet is voldaan aan artikel 2.4.9, eerste en tweede lid, kan de minister, onverminderd de artikelen 4:46, 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidievaststelling wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen.
2. Indien niet is voldaan aan de verplichting, genoemd in artikel 2.4.9, eerste lid, onderdeel b, wordt het terug te vorderen bedrag bepaald door de subsidie te verminderen met 1/36e van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting.
1. Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.4.2 bevat ten minste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2. Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes, het rekeningnummer, het telefoonnummer, het e-mailadres en het bezoek- en postadres;
b. een mkb-verklaring;
c. een offerte en technische specificatie waaruit het merk, het type, de aanschafkosten, eventueel inclusief af-fabriekopties, de accucapaciteit en het continu elektrisch motorvermogen in kW van de aan te schaffen landbouwmachine of landbouwtractor blijken;
d. een offerte en technische specificatie waaruit het merk, het type, de aanschaf- en installatiekosten en het vermogen in kW van het aan te schaffen DC-laadstation blijken; en
e. een verklaring dat de aanvrager de landbouwtractor voor minstens 70% in de landbouw zal gebruiken gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de subsidie;
f. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert.
3. Een offerte als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is ten hoogste 90 dagen voorafgaand aan de dag van de subsidieaanvraag opgesteld.
Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit bevat de aanvraag voor subsidievaststelling een afschrift van de factuur en van het betaalbewijs van de aangeschafte landbouwmachine, landbouwtractor of DC-laadstation, het serienummer van de aangeschafte landbouwmachine en het kenteken van de aangeschafte landbouwtractor.
In de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt in de tabel in artikel 1 boven de rij met titel 2.5 een rij ingevoegd, luidende:
|
Titel 2.4 Subsidieregeling emissieloos landbouwmaterieel |
Artikel 2.4.2, onderdeel a |
Landbouwmachines |
2-6-2026 t/m 2-10-2026 |
€ 2.800.000,– |
|
|
Artikel 2.4.2, onderdelen b en c |
Landbouwtractoren, al dan niet inclusief DC-laadstations |
2-6-2026 t/m 2-10-2026 |
€ 5.800.000,– |
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026.
’s-Gravenhage, 7 februari 2026
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
De Subsidieregeling Emissieloos Landbouwmaterieel (hierna: SEL of regeling) is opgesteld naar aanleiding van de Klimaatwet waarin de ambitie is opgenomen om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Op grond van artikel 2a van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies kan de minister subsidie verstrekken voor activiteiten die passen binnen het gevoerde landbouwbeleid. Met deze regeling, die is gebaseerd op de Kaderwet EZ, LVVN en KGG-subsidies en het daaronder hangende Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, wordt een nieuwe subsidiemodule ingevoegd in de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (RNES).
Het gebruik van met fossiele energie aangedreven landbouwmachines en tractoren zorgt voor een gedeelte van de CO2-uitstoot in de landbouwsector. Deze regeling ondersteunt de sector om het beschikbaar potentieel voor CO2-reductie via inzet van schoner en emissieloos materieel te realiseren. Op grond van de SEL kunnen subsidies worden verstrekt voor aanschaf van emissieloze machines en tractoren die ingezet worden in de landbouwsector in Nederland. Laadinfrastructuur in de vorm van DC-laadstations is belangrijk voor de uitrol van emissieloze landbouwtractoren, daarom is dit eveneens subsidiabel onder deze regeling.
Aanleiding
CO2-uitstoot heeft diverse nadelige gevolgen, waaronder klimaatverandering, aantasting van de bodemkwaliteit, vermindering van biodiversiteit en vervuiling van water. Om klimaatverandering te mitigeren dient Nederland in 2030 minimaal 55% minder koolstofdioxide uit te stoten ten opzichte van 1990. In 2050 wil Nederland klimaatneutraal zijn.
Vrijwel alle landbouwtractoren en landbouwmachines worden nog aangedreven met diesel en stoten daarmee CO2 uit. De geschatte uitstoot van landbouwtractoren is 1,1–1,5 megaton CO2 1 .Daarbij zorgt een fossiele verbrandingsmotor voor uitstoot van andere schadelijke stoffen.
Bestaand beleid voor het terugdringen van de uitstoot van landbouwtractoren is voornamelijk gericht op fiscale regelingen en ander gebruik van tractoren. Dit is echter niet genoeg om de CO2-uitstoot voldoende te doen dalen. Daarnaast kunnen verschillende (Europese) regels, zoals ETS2 en de bijmengverplichting RED-III, ertoe leiden dat de prijs van fossiele brandstoffen de komende jaren gaat stijgen. Het kabinet heeft daarom besloten om over te gaan tot stimulering van de verduurzaming van landbouwmachines en tractoren met het beschikbaar stellen van een subsidie van € 8,6 miljoen in 2026 vanuit het Klimaatfonds van de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG). Op basis van de resultaten van de eerste openstelling wordt beoordeeld of het overige budget (€ 67 miljoen, inclusief uitvoeringskosten van RVO) beschikbaar wordt gesteld voor deze regeling voor de periode 2027–2030. Tevens wordt dan bezien of er aanpassing van de regeling nodig is, bijvoorbeeld een extra subsidiecategorie toevoegen, de machinelijst aanpassen, andere technologieën toevoegen of de omvang van de subsidie aanpassen.
Met deze regeling komt het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn in Nederland meer in zicht en worden de gevolgen van klimaatverandering waar ook de landbouwsector last van ondervindt gemitigeerd.
Doel
Het doel van de regeling is om de CO2-uitstoot van landbouwmaterieel (landbouwmachines en -tractoren) te reduceren. De regeling moet ook helpen om de markt voor emissieloze landbouwmachines en tractoren in de agrarische sector verder te laten groeien. Daarnaast draagt de regeling bij aan het doorbreken van de traditionele brandstofketen in de landbouw en vergroot deze op basis van goede voorbeelden de bekendheid en toepassingsbereidheid van elektrisch aangedreven landbouwmachines en -tractoren. Ook draagt deze regeling bij aan het vergroten van de energieonafhankelijkheid van Nederland. Dit wordt bereikt door het stimuleren van de aanschaf van emissieloze, elektrisch aangedreven landbouwmachines of -tractoren (met een gedeelte laadinfrastructuur) die gebruikt worden in de landbouw.
Verwachte impact van de regeling
Vrijwel al het landbouwmaterieel wordt momenteel nog aangedreven met diesel en stoot daarmee CO2 uit. De geschatte uitstoot van landbouwtractoren is 1,1–1,5 megaton CO2. Daarbij zorgt een fossiele verbrandingsmotor voor uitstoot van andere schadelijke stoffen. Aangezien de regeling ziet op subsidier van relatief nieuwe toepassingen in de landbouwsector, is het vooraf lastig in te schatten hoeveel en welke emissieloze landbouwmachines en -tractoren zullen worden aangeschaft. De impact van de regeling in termen van CO2-uitstootreductie wordt bij de doorlopende evaluatie van de regeling bepaald op basis van opgedane kennis en kengetallen. De jaarlijkse reducties blijven na beëindiging van de regeling in stand zolang de machines en tractoren operationeel blijven.
Om de impact van de SEL in de agrarische sector te borgen moet de tractor ieder jaar voor minstens 70% ingezet worden in de agrarische sector. Dit wordt in het aanvraagformulier verklaard door de subsidieaanvrager.
Doelgroep
De subsidie is uitsluitend bedoeld voor landbouwondernemingen en agrarische loonwerkbedrijven met een vestiging in Nederland, die zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De SEL wordt uitgevoerd onder de vrijstelling in artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw is enkel van toepassing op MKB-bedrijven. Zowel ondernemingen die door natuurlijke personen worden gedreven (éénmanszaak, VOF, CV en maatschap) als ondernemingen die door rechtspersonen worden gedreven (BV, NV, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij) kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
Nederlandse agrarische sector
Om te borgen dat de ter beschikking gestelde subsidiemiddelen worden ingezet in de agrarische sector door landbouwondernemingen als bedoeld in artikel 1.1 van de RNES en door agrarisch loonwerkbedrijven wordt een koppeling gemaakt met de SBI-codes (Standaard Bedrijfsindeling) die bekend zijn in het Handelsregister. De SBI-codes worden gebruikt om te bepalen of er landbouwactiviteiten worden uitgevoerd. SBI-codes die beginnen met 011, 012, 013, 014, 015 of 016 betreffen landbouwactiviteiten. Ook SBI-code 1051 is een landbouwactiviteit, als minimaal 50% van de verwerkte melk op het eigen melkveebedrijf wordt geproduceerd. Tot de agrarische sector worden bedrijven gerekend die zich richten op landbouwpraktijken, zoals akkerbouw, veehouderij en fruitteelt. Bij de aanvraag dient een MKB-verklaring verstrekt te worden.
De verwachting is dat deze regeling wordt gebruikt door ondernemers die voor een investeringsbeslissing staan: ze willen een nieuwe tractor of landbouwmachine aanschaffen. Mogelijk ter vervanging van het huidige materiaal of bijvoorbeeld voor het uitvoeren van een nieuwe agrarische activiteit. Ze schaffen een dieselvariant aan of kiezen voor een emissieloze aandrijving. Deze regeling maakt het aantrekkelijker om voor emissieloos landbouwmaterieel te kiezen. Zonder deze regeling zou vrijwel al het nieuw aangeschafte landbouwmaterieel met fossiele brandstof worden aangedreven.
De laatste ontwikkelingen op het gebied van salderen maakt dat het voor boeren steeds minder aantrekkelijk is om eigen opgewekte stroom terug te leveren aan het net. Deze ontwikkeling maakt dat het de komende jaren interessanter is om over te stappen naar elektrische landbouwmachines en -tractoren. Daarmee zijn agrarische ondernemers die hun eigen energie opwekken een beoogde doelgroep voor deelname aan de SEL.
Agrarisch loonwerkbedrijven
Deze regeling staat ook open voor agrarisch loonwerkbedrijven die voldoen aan de omschrijving in artikel 2.4.1 van deze regeling. Het moet gaan om een onderneming die in opdracht van een landbouwonderneming werkzaamheden verricht in de primaire landbouwproductie. Voor agrarisch loonwerkbedrijven gelden SBI-codes beginnend met 016. Ook 78202 ‘Activiteiten van uitleenbureaus’ is een SBI-code die bij agrarische loonwerkers voorkomt. Agrarisch loonwerkbedrijven beschikken vaak over meerdere stuks gespecialiseerd landbouwmaterieel. Ze voeren vaak werk uit dat niet dagelijks door de boer zelf gedaan wordt, of dat vanwege de grote schaal en complexiteit beter uitbesteed kan worden. Het materieel van agrarisch loonwerkers wordt relatief veel uren ingezet en heeft hierdoor potentieel veel impact op het doel van de regeling, het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Daarom is ervoor gekozen om ook de agrarisch loonwerkbedrijven als de doelgroep in de SEL mee te nemen.
Subsidiabele activiteit en subsidiabele kosten
De SEL bevat een aanschafspoor voor nieuwe emissieloze volledig batterij-elektrisch aangedreven (of via een snoer aan netstroom verbonden) landbouwmachines (categorie A in de regeling) en een aanschafspoor voor nieuwe emissieloze batterij-elektrisch aangedreven landbouwtractoren (inclusief het ombouwen van nieuwe landbouwtractoren naar een emissieloze elektrisch aangedreven variant vóór aflevering aan de gebruiker) (categorie B en C van de regeling). Bij categorie B en C kan eventueel subsidie voor een DC-laadstation als bedoeld in artikel 2.4.2 van de regeling worden aangevraagd.
De aanschafkosten zijn de initiële kosten om de tractor of de landbouwmachine te verwerven. Dit is inclusief afleverkosten en eventuele inschrijvingskosten die direct betaald worden bij de aankoop. Onder af-fabriek opties wordt verstaan de functies of uitrustingsdetails die tijdens de productie in een nieuwe tractor worden ingebouwd. Deze worden gezien als standaardonderdelen. Extra aangebrachte opties maken dus geen onderdeel uit van de aanschafkosten.
Verwisselbare werktuigen, in de vorm van machinale hulpstukken die aan een tractor, kunnen worden gekoppeld, zoals een bak, maaier, zaaimachine of borstel, die worden gedragen of getrokken, zijn niet subsidiabel onder deze regeling, tenzij het gaat om autonoom zelfrijdende machines. Deze kunnen, mits zij voldoen aan de vereisten van de regeling, onder categorie A, landbouwmachines, worden gebracht.
In overeenstemming met artikel 6 van het Kaderbesluit wordt de mogelijkheid van het stapelen van subsidies beperkt. Het te verlenen subsidiebedrag plus eventuele andere subsidies mag niet hoger zijn dan het maximale subsidiebedrag van de subsidieregeling. Dit betekent dat de al door een (ander) bestuursorgaan verstrekte subsidies voor dezelfde investering in mindering moeten worden gebracht op de subsidie die op grond van de SEL verstrekt kan worden, ook als er nog steunruimte op grond van het toepasselijke Europese staatssteunkader is. Hiermee wordt geborgd dat er geen dubbele subsidiëring van dezelfde kosten of subsidiëring boven het maximum van de SEL of de staatssteunregels mogelijk is.
Landbouwmachines (categorie A)
Binnen categorie A vallen de aanschafkosten voor nieuwe volledig batterij-elektrisch aangedreven of via een snoer aan netstroom verbonden landbouwmachines met een vermogen groter dan of gelijk aan anderhalf (1,5) kW.
Omdat het doel van de SEL is om een zo groot mogelijke klimaatimpact te maken, is ervoor gekozen om enkel machines met een continu elektrisch vermogen2 groter of gelijk aan 1,5 kW te subsidiëren. Dit maakt dat kleine elektrische apparaten (zoals gereedschap) niet subsidiabel zijn onder de SEL. Uit de aangeleverde stukken bij de aanvraag moet blijken wat het continu elektrisch vermogen van de landbouwmachine is.
De inzet op een zo groot mogelijke klimaatimpact maakt ook dat ervoor gekozen is om machines die worden ingezet ter vervanging van arbeid zo veel als mogelijk te weren uit deze regeling en in te zetten op machines die in de grondgebonden landbouw worden gebruikt. Om dezelfde reden passen bijvoorbeeld elektrische heftrucks, shovels en verreikers niet binnen deze regeling. In het aanvraagformulier zal voor evaluatiedoeleinden gevraagd worden naar een inschatting van het aantal bespaarde liters diesel op jaarbasis.
De aanvrager dient in het aanvraagformulier aan te geven in welke categorie de machine valt door een keuze te maken uit de machinelijst zoals hieronder weergegeven. Deze machines zijn op voorhand geselecteerd omdat de verwachting is dat deze zullen voldoen aan de vereisten van de regeling. De lijst is echter ter informatie. Van belang is dat de machines voldoen aan de vereisten van de regeling. Wanneer een machine wel voldoet aan de voorwaarden van de SEL maar niet past binnen een van de gedefinieerde categorieën van de machinelijst dan kan de aanvrager de machine indienen onder ‘Andere landbouwmachines die voldoen aan voorwaarden en eisen van de regeling waarbij dieselverbruik wordt verminderd in werkzaamheden in de grondgeboden landbouw, namelijk.’ met daarbij een onderbouwing hoe de machine past binnen de SEL. Dit wordt vervolgens beoordeeld door RVO.
Machinelijst grondgebonden teelten:
• Zelfrijdend voer aanschuifsysteem/ autonoom (ruw)voersysteem;
• Rijdende apparaten of zelfrijdende autonome apparaten voor open fruitteelt, zacht-fruitteelt en boomteelt;
• Rijdende apparaten of zelfrijdende autonome apparaten in de open groente teelt;
• Rijdende apparaten of zelfrijdende autonome apparaten voor zaaien, planten, poten, gewasverzorging, onkruidbestrijding, bemesting en oogsten in de open teelt;
• Zelfrijdend autonoom apparaat voor dragen landbouwmachines;
• Beregeningsinstallatie (haspel of precisie irrigatie);
• Systeem voor instrooien van boxen voor koeien;
• Mestmixer in de silo of mestpomp t.b.v. bemesten op akkers;
• Andere landbouwmachines die voldoen aan voorwaarden van de regeling waarbij dieselverbruik wordt verminderd in werkzaamheden in de grondgeboden landbouw, namelijk...
Landbouwtractoren (categorie B en C)
Binnen deze categorieën vallen de aanschafkosten voor nieuwe volledig batterij-elektrisch aangedreven landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk (categorie B) en landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk (categorie C), inclusief af-fabriek opties. Het continu elektrisch vermogen moet blijken uit de bij de aanvraag meegezonden offerte of technische specificaties.
Het is mogelijk om bij de aanschaf van een elektrische tractor subsidie voor een DC-laadstation aan te vragen, passend bij het vermogen van de tractor. Hierbij zijn de kosten voor de aanschaf, bouw en installatie van het DC-laadstation subsidiabel. Subsidie voor een DC-laadstation is enkel mogelijk in combinatie met een tractor in categorie B of C en dient tegelijkertijd met de aanvraag voor de tractor te worden ingediend. Er kan maximaal 1 DC-laadstation (met eventuele meerdere laadpunten) per tractor worden aangevraagd. Het is niet mogelijk om een DC-laadstation aan te vragen in combinatie met een categorie A-landbouwmachine.
Om te kunnen bepalen of een machine of tractor nieuw is wordt, als er sprake is van een machine of tractor met kenteken, bij de vaststelling gekeken naar de tenaamstelling. Deze status blijkt als de gegevens in het kentekenregister, de datum eerste toelating, datum eerste inschrijving in Nederland en datum tenaamstelling overeenkomen. De datum eerste toelating is de datum die aangeeft wanneer het object voor het eerst is geregistreerd (waar ook ter wereld). De datum tenaamstelling is de datum waarop de eigenaar of houder van het object in het kentekenregister is geregistreerd. De datum eerste inschrijving in Nederland is de datum die aangeeft wanneer het object voor het eerst in Nederland is ingeschreven. Deze gegevens zijn terug te vinden in het kentekenregister. Bij een nieuw object zijn al deze data gelijk. Wanneer bij controle blijkt dat deze data niet overeenkomen dan zal dit door RVO worden nagegaan bij de subsidieaanvrager. Landbouwmachines hebben vaak geen kenteken. Om dan te bepalen of de machine nieuw is wordt gekeken naar het serienummer/typeplaatje en de ingebruikname na productie. De aanschafovereenkomst kan hier meer helderheid over verschaffen.
Naast koop komt ook financial lease in aanmerking voor subsidie. Bij financial lease gaat het economisch eigendom van de leasemaatschappij over naar de lessee (de onderneming die leaset). Wat betreft financial lease komt alleen de lessee voor subsidie in aanmerking. Operational lease is uitgesloten van de subsidie omdat de leasemaatschappij, en dus niet de agrarische ondernemer, economisch eigenaar van de machine of tractor wordt. Bij financial lease is wel sprake van een investering op een landbouwonderneming, zoals vereist wordt onder artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Uit onder andere marktconsultaties is gebleken dat door waterstof of biogas aangedreven landbouwtractoren onvoldoende in de markt beschikbaar zijn. Daarom zijn die soorten in deze openstelling van de regeling uitgesloten. Als na de eerste openstelling blijkt dat deze markt zich zodanig heeft ontwikkeld kan dit eventueel bij een volgende openstelling worden aangepast. Om een zo groot mogelijke klimaatimpact te maken zijn hybride machines en tractoren (zowel hybride elektrisch als plug-in hybride elektrische tractoren) en tweedehands landbouwmachines of -tractoren uitgesloten van deelname aan de regeling.
Subsidiebedragen
Uitgangspunt bij het vaststellen van de subsidiepercentages is dat de maximale steunruimte (steunintensiteit), zoals bepaald in artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, niet wordt overschreden. De maximale steunruimte wordt in ieder geval bepaald door de voorwaarde dat het gaat om steun aan een investering die verband houdt met de primaire productie van landbouwproductie en ten goede komt aan de verduurzaming van de landbouw.
Voor de aanschaf van een landbouwmachine, categorie A, geldt een subsidiepercentage van 25% van de subsidiabele kosten. Dit subsidiepercentage is lager dan bij aanschaf van een tractor in categorie B of C. De gedachte hierachter is dat de markt voor elektrische landbouwmachines verder is ontwikkeld en dat elektrische landbouwmachines momenteel al vaker worden ingezet, ook zonder subsidie. Daarnaast speelt bij de inzet van elektrische landbouwmachines vaker mee dat deze ook arbeidsuren bespaart. Denk aan de inzet van een elektrisch voermengsysteem. Hiermee wordt zowel diesel bespaard als ook arbeidsuren waarmee de investeringskosten relatief sneller zijn terug te verdienen dan bij een tractor.
Binnen de categorie B en C, tractoren, wordt gewerkt met twee verschillende subsidiepercentages. Er is gekeken naar de investering en terugverdientijd van verschillende tractoren. Er zitten grotere verschillen tussen de aanschafwaardes van tractoren naar mate het vermogen toeneemt. Het gat in aanschafkosten tussen dieseltractoren en elektrische tractoren is in categorie C (veel) groter dan in categorie B. Om ook de aanschaf van tractoren in categorie C te stimuleren is daarom gekozen voor een hoger subsidiepercentage in categorie C (55%) dan in categorie B (35%).
Voor de DC-laadstations wordt gewerkt met vaste subsidiebedragen per vermogenscategorie (artikel 2.4.3) ongeacht de gemaakte kosten. De subsidiebedragen zijn gebaseerd op de ervaringen uit andere regelingen, zoals de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel (SSEB) en de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA). Gezien de gemiddelde hoogte van de subsidiabele kosten komen de subsidiebedragen neer op maximaal 40% subsidie. Daarom is het risico op over-subsidiëring nihil.
Voor alle subsidieaanvragen geldt een minimum subsidiebedrag van € 3.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 600.000, – per onderneming of groep van ondernemingen per kalenderjaar. Dit vanwege de wens om een zo groot mogelijke klimaatimpact te maken binnen de kaders van de SEL. Door een minimum subsidiebedrag op te nemen valt kleiner materieel (zoals gereedschap) met geringe klimaatwinst buiten de SEL.
Realisatietermijn
De realisatietermijn houdt in dat de subsidiabele activiteiten in principe binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening moeten zijn afgerond. Deze termijn is gebaseerd op de inschatting van fabrikanten en huidige levertijden van de landbouwmachines en tractoren. In het geval dat de levertijden langer gaan worden, bijvoorbeeld door een piek aan aanvragen als gevolg van deze regeling, kan deze termijn met een half jaar worden verlengd. Hiervoor moet de ontvanger een gemotiveerd verzoek doen bij RVO, waarin hij uitlegt waarom de termijn van een jaar niet haalbaar is.
Instandhoudingstermijn
Er is de wens om de met deze regeling ondersteunde emissieloze landbouwmachines en -tractoren voor Nederland te behouden. Zo wordt ook voor langere termijn klimaatwinst in Nederland gerealiseerd en het dieselverbruik in de Nederlandse agrarische sector verminderd.
In deze regeling geldt daarom dat nieuw aangeschafte landbouwtractoren die op kenteken staan nog 3 jaar na vaststelling van de subsidie in eigendom moeten blijven van de subsidieontvanger. Daarnaast moeten landbouwtractoren gedurende een periode van tenminste drie jaar na de subsidievaststelling voor ten minste 70% in de Nederlandse landbouw worden ingezet. Dit vereiste is deels het gevolg van de wens om emissiereductie specifiek in de landbouw te realiseren en deels van de vereisten van artikel 14 groepsvrijstellingsverordening landbouw, op grond waarvan alleen investeringen in de landbouw mogen worden gesubsidieerd.
De tenaamstelling van de emissieloze landbouwtractoren van subsidieontvangers zal bij de aanvraag tot subsidievaststelling bij de Dienst wegverkeer (hierna: RDW) door de RVO worden gecontroleerd. Na de tenaamstelling zal eveneens periodiek, gedurende de looptijd van de subsidie, bij de RDW worden gecontroleerd of aan deze eis blijvend wordt voldaan. Deze controle is geoorloofd omdat er voor ondernemingen mogelijkheden zijn voor het doorverkopen en inzetten van de tractoren buiten de agrarische sector (met name in de bouwsector). Als binnen 3 jaar de tenaamstelling wijzigt wordt RVO hiervan op de hoogte gesteld en zal deze de situatie verder onderzoeken. Als blijkt dat niet voldaan is aan de instandhoudingstermijn van 3 jaar wordt de subsidie naar rato teruggevorderd.
De subsidieontvanger kan de nieuwe emissieloze tractor binnen deze termijn vervangen door een andere nieuwe emissieloze tractor die ook in aanmerking zou zijn gekomen voor subsidie op grond van deze regeling. Deze andere tractor moet dan gedurende de nog resterende termijn van de periode op naam zijn gesteld.
Doorverkoop van landbouwmachines (categorie A) buiten de agrarische sector komt nauwelijks voor omdat de machines zijn ontworpen voor het uitvoeren van specifieke werkzaamheden in de landbouw. Daarom geldt voor de landbouwmachines geen instandhoudingstermijn.
Niet voldoen aan subsidieverplichtingen
Wanneer blijkt dat niet aan de subsidieverplichtingen uit artikel 2.4.9 wordt voldaan kan de subsidie lager worden vastgesteld en teruggevorderd. Op grond van artikel 4:46 en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan de minister de subsidieverlening of -vaststelling intrekken of wijzigen ten nadele van de ontvanger. Op grond van art 4:57, eerste lid, van voorgenoemde wet kan de minister onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.
Wanneer niet is voldaan aan de verplichting om de landbouwtractor gedurende drie jaar voor 70% in de landbouw in te zetten vindt terugvordering plaats. Hierbij wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de verplichting. Zo zal een subsidieontvanger die een landbouwtractor voor slechts 10% heeft gebruikt in de landbouw meer subsidie moeten terugbetalen dan een ontvanger die de tractor voor 60% in de landbouw heeft gebruikt.
Wanneer niet is voldaan aan de verplichting van de subsidieontvanger om het eigendom van de tractor gedurende 3 jaar na vaststelling van de subsidie op naam te hebben staan geldt een terugvordering naar rato van de termijn van eigendom. Het terug te vorderen bedrag wordt bepaald door de subsidie te verminderen met 1/36e van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting. RVO mag hiervoor bewijsstukken opvragen uit de basisadministratie van de onderneming.
Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht verplicht de minister overigens niet om de subsidie lager vast te stellen wanneer niet aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan. In situaties van overmacht kan ook besloten worden om de subsidie niet lager vast te stellen. Voorbeelden hiervan kunnen total loss verklaard na een ongeval of diefstal zijn.
Informatieverplichtingen
De Aanwijzingen voor subsidieverstrekkingen bevatten de voorschriften voor het onder ministeriële verantwoordelijkheid verstrekken van subsidies die in acht worden genomen bij het opstellen van subsidieregelingen. Op grond van deze Aanwijzingen wordt een onderscheid gemaakt, afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag.
Gegevens die de aanvrager moet indienen zijn gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het bezoek- en postadres, een mkb-verklaring, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes en het rekeningnummer. Daarnaast een niet-ondertekende offerte. Deze mag niet eerder gedateerd zijn dan 90 dagen voorafgaand aan de datum van de subsidieaanvraag. Dit is om te waarborgen dat de offerte en de daarop aangegeven kosten voldoende recent zijn. Uit de offerte of technische specificatie moet het merk, het type, de aanschafkosten, eventueel inclusief af-fabriekopties, en het continu elektrisch motorvermogen van de aan te schaffen landbouwmachine of landbouwtractor blijken.
Bij tractoren dient een verklaring te worden geleverd dat de aanvrager de landbouwtractor voor minstens 70% in de landbouw zal gebruiken gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
Als er subsidie voor een DC-laadstation wordt aangevraagd dient aanvullend een offerte waaruit: merk, type en specificaties van het DC-laadstation, aanschaf- en installatiekosten en het vermogen in kW blijkt, te worden aangeleverd.
De verwachting is dat bovenstaande gegevens grotendeels opgevraagd kunnen worden uit de basisadministratie van de aanvrager of blijken uit de offerte.
Aanvragen < € 25.000 worden ambtshalve vastgesteld waarbij het volledige subsidiebedrag wordt uitgekeerd bij de verlening. Deze aanvragen kunnen later middels steekproef op basis van de factuur en betaalbewijs gecontroleerd worden.
Bij subsidiebedragen boven € 25.000 kan de aanvraag tot subsidievaststelling geschieden zodra de aangeschafte landbouwmachine of tractor is geleverd en (wanneer van toepassing) op naam is gesteld in het kentekenregister (RDW). Bij de vaststellingsaanvraag moet het kenteken (wanneer van toepassing), het serienummer van de aangeschafte landbouwmachine, een afschrift van de factuur en het betaalbewijs van de aangeschafte objecten worden bijgevoegd. Dit kan via een vaststellingsformulier waarin de bovengenoemde documenten worden aangeleverd en waarin een aantal gerichte vragen worden gesteld ten behoeve van monitoring en de evaluatie van de regeling.
In overeenstemming met de voorwaarden van het Klimaatfonds van KGG wordt de SEL opengesteld voor € 8,6 miljoen in 2026. Omdat het om een eerste openstelling van een nieuwe regeling gaat, is nog niet geheel bekend hoe veel animo er zal zijn voor de verschillende categorieën. Daarom is in de regeling een budgetflex ingebouwd. Voor categorie A is € 2,8 miljoen beschikbaar en voor categorie B en C in totaal € 5,8 miljoen. Als, na sluiting van de regeling, blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor een van de categorieën lager is dan het vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig toegevoegd aan het subsidieplafond voor de andere categorie.
Om snelle uitputting van het beschikbare budget door één of enkele partijen zoveel mogelijk te voorkomen en om zo veel mogelijk ondernemers een kans op subsidie te geven, zijn een aantal beperkende voorwaarden toegevoegd. Namelijk, per kalenderjaar kan een onderneming of groep van ondernemingen maximaal € 600.000 aan subsidie krijgen.
Daarnaast mag er per dag, per onderneming of groep van ondernemingen maximaal 1 subsidieaanvraag worden ingediend per subsidieplafond. Er is een subsidieplafond voor categorie A (landbouwmachines) en een subsidieplafond voor categorie B en C (tractoren en DC-laadstations). In één subsidieaanvraag mogen alleen objecten uit dezelfde categorie aangevraagd worden. Eén subsidieaanvraag mag dus maximaal twee objecten uit categorie A (landbouwmachines) bevatten of een subsidieaanvraag mag maximaal twee objecten uit categorie B/C (twee tractoren of tractor + DC-laadstation) bevatten. Een tractor en een bijbehorend DC-laadstation worden gezien als twee objecten onder categorie B of C. Een aanvraag met één object uit categorie A en één object uit categorie B of C indienen is niet mogelijk, hier moeten twee verschillende aanvragen voor worden ingediend.
Bijvoorbeeld, op de eerste dag doet een subsidieaanvrager een subsidieaanvraag voor 1 tractor uit categorie B en 1 tractor uit categorie C. Daarnaast doet de aanvrager op dezelfde dag een tweede aanvraag met daarin twee objecten uit categorie A (machines). Op de volgende dag doet diezelfde aanvrager een subsidieaanvraag voor een tractor uit categorie B en een DC-laadstation. Dit is, per kalenderjaar, toegestaan tot het maximale subsidiebedrag van € 600.000 per onderneming of groep van ondernemingen wordt bereikt.
Dient een aanvrager op een dag toch meerdere aanvragen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld twee aanvragen met in beide twee tractoren uit categorie B) in, dan kan alleen de eerst ingediende aanvraag voor subsidie in aanmerking komen. De overige aanvragen worden afgewezen, aangezien deze niet voldoen aan de bepaling uit artikel 2.4.3. Dit gebrek is niet herstelbaar.
Staatssteun
De subsidieverstrekking voor de aanschaf van emissieloze landbouwmachines en tractoren aan ondernemingen is aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze subsidieverstrekking kan onder bepaalde voorwaarden onder artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw worden gebracht.
• Uit artikel 14 volgt onder andere dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben en dat op het moment dat de subsidieaanvraag wordt ingediend er nog geen onherroepelijke verplichting mag zijn aangegaan. In deze regeling moet een aanvraag daarom worden ingediend op basis van een niet-ondertekende offerte.
• De aanvrager kwalificeert als een KMO (kleine of middelgrote onderneming) in de agrarische sector. Dit wordt bij het aanvragen van de subsidie onder andere gecontroleerd met een MKB-verklaring.
• De subsidieaanvraag ziet op een investering die ten goede komt aan het verbeteren van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf en draagt bij aan de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, onder meer door de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het bevorderen van duurzame energie en energie-efficiëntie. De regeling ziet specifiek op het verminderen van dieselgebruik in de agrarische sector door het stimuleren van emissieloze landbouwmachines en -tractoren. Dit maakt dat er klimaatwinst zit t.o.v. een situatie zonder regeling. Nu wordt in vrijwel alle gevallen fossiel aangedreven materieel aangekocht. In alle gevallen vergt deelname aan de regeling een (behoorlijke) eigen financiële investering van de ondernemer. Het is daarmee aannemelijk dat een ondernemer alleen overgaat tot aanschaf van elektrische materieel als deze daadwerkelijk wordt ingezet. De eigen investering is immers te hoog om het nieuwe elektrische materieel vervolgens niet te gebruiken. Hiermee leidt de regeling tot vermindering van het gebruik van fossiele brandstof op het boerenerf.
• Ook geldt dat de hoogte van steunintensiteit afhankelijk is van de vraag of de investering wel of niet-productief is. Wanneer de aanvrager een aanvraag doet om een werkzaamheid uitgevoerd met diesel te vervangen door een emissieloze machine of tractor blijft de werkzaamheid gelijk. Dit maakt dat de investering gezien kan worden als een niet-productieve investering waarmee tot 100% subsidie gegeven mag worden. Het aanschaffen van emissieloos materieel leidt immers niet tot een toename van waarde of rentabiliteit van het bedrijf. Echter, wanneer er een nieuwe activiteit wordt ontplooid en daarvoor een extra tractor of machine wordt aangeschaft kan de investering wel worden aangemeld als productief, waarmee tot maximaal 80% subsidie mag worden gegeven.
• In deze subsidieregeling zal het verreweg de meeste gevallen gaan om een niet-productieve investering. Echter, in sommige gevallen zal het een wel-productieve investering zijn. Om in deze regeling binnen de staatssteunkaders te blijven is in alle gevallen uitgegaan van een maximum van 80% subsidie voor een productieve investering. Uit de eis dat de agrarische loonwerkers voor 70% werkzaam moeten zijn in de agrarische sector, volgt dat het maximum subsidiepercentage 56% (70% van 80%) is. Er is voor gekozen het subsidiepercentage voor alle doelgroepen gelijk te houden. Het maximum subsidiepercentage in deze regeling is daarom 55% (in categorie C). Hiermee wordt voorkomen dat de staatssteunregels worden overschreden.
• Voor de DC-laadstations wordt gewerkt met vaste subsidiebedragen per vermogenscategorie (artikel 2.4.3) ongeacht de gemaakte kosten. De subsidiebedragen zijn gebaseerd op de ervaringen uit andere regelingen. Gezien de gemiddelde hoogte van de aanschaf, bouw en installatie van een DC-laadstation in de verschillende vermogenscategorieën komen de subsidiebedragen neer op maximaal 40% subsidie.
• Er is bij het bepalen van de steunintensiteit rekening gehouden met de maximaal toegestane steunpercentages van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Mocht het toepassen van de in de regeling genoemde subsidiepercentage in een specifieke situatie toch leiden tot een overschrijding van de steunpercentages, dan zal het subsidiebedrag dusdanig worden verminderd dat hier geen sprake meer van is.
• In het Kaderbesluit zijn verder enkele andere weigeringsgronden opgenomen om te voldoen aan de voorwaarden van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Notificatie
De ontwerpregeling is ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, PbEU L 241/1, voorgelegd aan de Europese Commissie (TRIS notificatienr. 2026/0065/NL). Artikel 2.4.2 van de regeling bevat de facto technische voorschriften, omdat het gaat om technische specificaties in een financiële maatregel die het verbruik van producten beïnvloeden, doordat zij de naleving van die technische specificaties aanmoedigen.
De dwingende reden van algemeen belang is dat met deze eisen wordt bijgedragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot in de landbouwsector en daarmee wordt bijgedragen aan het tegengaan van klimaatverandering.
De eisen in de regeling zijn non-discriminatoir, omdat subsidiëring mogelijk is ongeacht de herkomst van de landbouwtractor of landbouwmachine. Iedere tractor of machine die voldoet aan de objectieve criteria van de regeling komt voor subsidiëring in aanmerking.
Verder zijn de eisen in de regeling noodzakelijk om het gebruik van elektrisch aangedreven landbouwmaterieel in de landbouw te stimuleren. Het verminderen van de CO2-uitstoot in de landbouw vereist een overstap van landbouwmaterieel dat door fossiele brandstoffen wordt aangedreven naar elektrische alternatieven. Deze markt is echter nog niet voldoende ontwikkeld, omdat de hoge kosten van elektrische alternatieven de vraag naar dit materieel dempen. De aanschafkosten voor elektrische tractoren en machines bedragen twee- tot viermaal de prijs van een dieseltractor of -machine. Om de vraag naar elektrische alternatieven te stimuleren en zo de ontwikkeling van emissieloos landbouwmaterieel te versnellen wordt via deze regeling een deel van de (onrendabele) meerkosten van een elektrische tractor of machine ten opzichte van de dieselvariant gesubsidieerd.
Deze regeling is proportioneel, omdat de eisen in de regeling geschikt zijn om de CO2-uitstoot in de landbouw te verminderen. Door het stimuleren van de vraag naar elektrisch landbouwmaterieel wordt ondersteuning geboden aan deze zich nog ontwikkelende markt, zodat de sector kennis kan maken met elektrisch materieel en de afzet kan worden vergroot. Een subsidie gaat niet verder dan noodzakelijk, omdat hiermee geen verplichtingen worden opgelegd aan landbouwers of eisen worden gesteld aan het landbouwmaterieel dat de sector mag gebruiken. Slechts wordt het gebruik van alternatieven die bijdragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee de klimaatverandering gestimuleerd ten opzichte van vervuilendere alternatieven.
Uitvoering en toepasselijk RUS-kader
Deze regeling wordt uitgevoerd door RVO, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. RVO heeft aantoonbare en jarenlange ervaring met de uitvoering van diverse subsidieregelingen voor bedrijven en particulieren. RVO is nauw betrokken geweest bij het opstellen van de regeling en heeft op een concept van de regeling een uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd. De regeling wordt door RVO uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.
Hierbij is van belang dat de keuze wordt gemaakt om deze regeling uit te voeren volgens het subsidiearrangement volgens het raamwerk uitvoering subsidies (RUS). Het RUS is een bindend raamwerk voor subsidieverstrekking dat overal binnen de rijksoverheid moet worden toegepast en dat nadere invulling geeft aan de Regeling vaststelling aanwijzingen voor subsidieverstrekking, ook bekend als het Uniform subsidiekader (USK). Het RUS bevat drie uitvoeringsvarianten die op het USK zijn gebaseerd. Voor elke uitvoeringsvariant gelden andere (rapportage)verplichtingen. Dit is uitgewerkt in de artikelen in hoofdstuk 11 van het Kaderbesluit.
Privacy
Het proces van aanvraag tot vaststelling van de subsidie is een reeds lang bestaand en beproefd proces, dat de persoonlijke levenssfeer niet beïnvloedt. Er is voor een subsidieregeling gekozen omdat er nog onvoldoende stimulerend effect is om emissieloos landbouwmaterieel op te schalen.
Voor een goede uitvoering en controle van de regeling maakt RVO gebruik van gegevens van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en, indien kentekenplicht van toepassing is, gebruik van de gegevens van de RDW. Voor een deel betreft het hier openbare gegevens die voor eenieder in het kentekenregister beschikbaar zijn. Voor een ander deel vindt er een uitwisseling plaats tussen de gegevens van de RDW en RVO. Zo zal RVO bij de vaststelling van de subsidie na kunnen gaan of de tenaamstelling van de subsidieontvanger overeenkomt met de tenaamstelling in het kentekenregister. Daarna kan RVO periodiek de tenaamstelling controleren bij de RDW om na te gaan of wordt voldaan aan de verplichting van de instandhouding. Dit is nodig om de toetsen of aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan.
De verzamelde data worden door RVO gebruikt voor het monitoren en beoordelen van de impact van deze regeling. Daarbij wordt gekeken in hoeverre de regeling de vooraf gestelde doelen heeft behaald. Dit draagt eveneens bij aan de beleidsevaluatie van deze regeling ten behoeve van eventuele toekomstige openstellingen.
Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven en/of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden (definitie Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)).
De inspanning die gevraagd wordt van de aanvragers van de subsidie bestaat allereerst uit het kennisnemen van de regeling. In de praktijk zullen de fabrikanten, brancheverenigingen of tussenpersonen veelal de agrarische ondernemer informeren over de mogelijkheden voor subsidie. Met behulp van die informatie kan deze zich via de website van RVO verder verdiepen in de voorwaarden voor het kunnen benutten van de subsidie. Een agrarisch ondernemer kan zelf ook actief op zoek gaan naar informatie over subsidie.
Na het ontvangen en beoordelen van de offerte door de subsidieaanvrager dient deze een aanvraag in voor subsidieverlening via het digitale loket van RVO. Aanvragers moeten de aanvraag met behulp van eHerkenning indienen. Gegevens die de aanvrager moet indienen zijn gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het bezoek- en postadres, een mkb-verklaring, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes, en het rekeningnummer. Daarnaast een niet-ondertekende offerte waaruit het merk, het type, de aanschafkosten, eventueel inclusief af-fabriek opties, technische specificaties en het continu elektrisch motorvermogen van de aan te schaffen landbouwmachine of landbouwtractor blijken. Bij tractoren dient een verklaring te worden geleverd dat de aanvrager de landbouwtractor voor minstens 70% in de landbouw zal gebruiken gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. Als er subsidie voor een DC-laadstation wordt aangevraagd dient aanvullend een niet- ondertekende offerte waaruit: merk, type en specificaties van het DC-laadstation, aanschaf- en installatiekosten en het vermogen in kW blijkt, worden aangeleverd.
De aanvrager ontvangt vervolgens een verlenings- of afwijzingsbeschikking van RVO binnen de afhandelingstermijn. Aanvragen < € 25.000 worden ambtshalve vastgesteld waarbij het volledige subsidiebedrag wordt uitgekeerd bij de verlening. Deze aanvragen kunnen later via steekproef op basis van de factuur en betaalbewijs gecontroleerd worden. Bij aanvragen > € 25.000, wordt een voorschot van 90% van het subsidiebedrag uitgekeerd bij de verlening. Bij aanvragen > € 25.000 subsidie doet de aanvrager nadat de objecten geleverd zijn, en eventueel te naam zijn gesteld in het kentekenregister (RDW) binnen 13 weken na afloop van de realisatietermijn een vaststellingsverzoek bij RVO. Hiervoor levert de aanvrager de factuur, het betaalbewijs en een vaststellingsformulier aan bij RVO. Als een object op kenteken staat moet ook het kenteken worden doorgegeven en bij machines het serienummer of typeplaatje. Bij de vaststelling volgt de uitbetaling van de rest van de subsidie. De eis in deze regeling om de tractoren voor ten minste 70% van de tijd in de landbouw in te zetten kan bij vermoedens van oneigenlijk gebruik steekproefsgewijs gecontroleerd worden door RVO. De controle wordt uitgevoerd op basis van de basisadministratie van de ondernemer. De ondernemer hoeft hiervoor geen aparte administratie bij te houden.
De tijd die een subsidieaanvrager per object aan deze stappen besteedt, is afhankelijk van het aantal machines of tractoren waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De verwachting is dat een subsidieaanvrager in totaal gemiddeld drie uur per aanvraag besteedt aan al deze stappen (verlening + vaststelling). Voor het berekenen van de regeldruk voor ondernemers wordt een standaardtarief van € 60 per uur gehanteerd. In totaal is de regeldruk voor een aanvrager daarmee gemiddeld € 180 per aanvraag. Bij een onvolledige subsidieaanvraag neemt deze regeldruk toe met maximaal € 60 (1 uur) i.v.m. het mogelijk corrigeren van de aanvraag. Dit betreffen eenmalige kosten die gemaakt worden bij het indienen van een subsidieaanvraag.
Deelname aan de steekproef kost gemiddeld 1 uur (€ 60) die verband houdt met het aanleveren van de basisadministratie.
Uitgaande van een subsidiebedrag van gemiddeld € 50.000 betekent dit een regeldruk van 0,36%. Voor de duur van de eerste openstelling worden met de kennis van nu ongeveer 175 aanvragen voor subsidie voor nieuw emissieloos landbouwmaterieel verwacht. Daarmee is de macro regeldruk van deze regeling ongeveer € 31.500 voor de hele duur van de regeling. Dat bedrag is 0,35% van het subsidiebudget.
De regeldruk is voldoende in kaart gebracht, ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.
Bij de totstandkoming van de regeling zijn stakeholders in of met een directe relatie met de landbouwsector op verschillende wijze geraadpleegd door LVVN en RVO.
Op 20 juni 2025 heeft er een marktconsultatie plaatsgevonden met Cumela Nederland, Fedecom, Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland, de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB), WUR en RVO. Het doel van die bijeenkomst was om een beeld te geven van een subsidieregeling voor de route richting emissieloos landbouwmaterieel. Uit deze bijeenkomst bleek over het algemeen steun voor de regeling. Er werd onder andere geadviseerd om de regeling ook open te stellen voor landbouwmachines. Dit advies is getoetst bij anderen en heeft ertoe geleid dat categorie A (landbouwmachines) aan de regeling is toegevoegd. Vanuit die stakeholdersbijeenkomst kwam ook het advies om te starten met enkel nieuwe en elektrisch aangedreven landbouwmachines en tractoren omdat de markt voor bijvoorbeeld waterstof nog niet zo ver ontwikkeld is in deze sector.
Gedurende de totstandkoming van de regeling is veelvuldig afgestemd met Fedecom, de branchevereniging voor fabrikanten, importeurs en dealers in de agrotechniek, veehouderijtechniek en groentechniek en Cumela, de branchevereniging voor loonwerkers. Vanuit de loonwerkers is aandacht gevraagd voor hun positie ten opzichte van landbouwers; er is gezorgd dat beide partijen gelijk behandeld worden in deze regeling. Ook is de regeling meerdere malen besproken in de werkgroep energietransitie waar verschillende landbouwbranche- en belangenorganisaties inzitten. Daar is erop gewezen dat er vaak lease van tractoren plaatsvindt waarna financial lease is meegenomen in de regeling. RVO en LVVN hebben daarnaast verscheidene werkbezoeken gebracht aan fabrikanten en verschillende agrarische ondernemers, waaronder fruittelers. Specifiek is er ook gesproken met de biologische sector, waaronder biologische agrarische ondernemers, Bionext en Biohuis. Ten slotte is er nog een digitale bijeenkomst georganiseerd in januari 2026. De uitnodiging voor deze stakeholdersbijeenkomst is gedaan via LVVN en verzonden aan de eerder betrokken contactpersonen. De concept regeling werd goed ontvangen. Op basis van deze bijeenkomst zijn nog een aantal wijzigingen in de regeling doorgevoerd, waaronder de beperkingen met betrekking tot het maximumaantal aanvragen.
Voor deze regeling is besloten om geen internetconsultatie te houden. Deze is vervangen door bovenstaande contact- en inspraakmomenten.
De ontwikkelingen rondom emissieloze landbouwmachines, en tractoren gaan snel, zowel op het gebied van technologie, de beschikbaarheid van emissieloos landbouwmaterieel als de prijsontwikkeling. De regeling is gebudgetteerd om binnen de financiële kaders van de begroting van het Ministerie van LVVN te blijven. Deze regeling wordt na inwerkingtreding geëvalueerd om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling te bepalen.
In afstemming met KGG is besloten de regeling na afloop van het eerste jaar te evalueren op de mate van succes. Dit wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid aanvragen, uitputting van het beschikbare budget, inschatting verminderd aantal liter dieselgebruik en inschatting van de vermeden CO2-uitstoot. Op basis hiervan wordt bepaald of en onder welke voorwaarden de regeling opnieuw kan worden opengesteld met de rest van de middelen uit het Klimaatfonds. Ook zal de regeling op continue basis worden gemonitord. Daar waar het nodig is, zal de regeling worden aangepast om knelpunten op te lossen en uitputting in alle categorieën zoveel als mogelijk te bevorderen. Als de markt zich ontwikkelt en de prijs van emissieloze landbouwmachines en tractoren daalt, kan dit leiden tot aanpassingen in de regeling zoals het diversifiëren van steunpercentages, uitbreiden van technologieën of bijstellen van subsidieplafonds. De subsidieregeling kent een aantal categorieën van in aanmerking komende landbouwmachines (categorie A). Deze lijst zal geëvalueerd worden op ontwikkelingen in de markt qua typen en prijsontwikkeling en eventueel daarop worden aangepast.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026. Hiermee wordt voor de inwerkingtredingsdatum vastgehouden aan de systematiek van vaste verandermomenten van regelgeving. Er wordt afgeweken van de termijn van twee maanden tussen de publicatiedatum en het tijdstip van inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Deze afwijking is gerechtvaardigd omdat hierdoor voor de doelgroep het nadeel van latere inwerkingtreding wordt voorkomen. Dit is nadelig omdat daardoor investeringen in de betrokken landbouwmachines uitgesteld moeten worden.
Dit artikel geeft aan voor welke investeringen subsidie kan worden verkregen. Van belang is dat een DC-laadstation alleen subsidiabel is wanneer dit wordt aangevraagd in combinatie met een landbouwtractor als bedoeld in de onderdelen b en c. Losse aanvragen voor DC-laadstations komen niet voor subsidie in aanmerking.
De subsidie bedraagt ten hoogste € 600.000, – per aanvrager. Verbonden ondernemingen worden gezien als één aanvrager, waardoor het maximale subsidiebedrag van € 600.000, – ook geldt voor een groep van ondernemingen. Daarnaast geldt er een minimum subsidiebedrag van € 3.000, – per losse aanvraag. Zowel de kosten voor de aanschaf van een landbouwmachine of landbouwtractor als die voor de aanschaf en installatie van een DC-laadstation vallen binnen het maximale subsidiebedrag van € 600.000, -. Voor de aanschaf en installatie van een DC-laadstation gelden vaste bedragen, gebaseerd op het vermogen van het laadstation.
Dit artikel regelt op welke manier het subsidieplafond wordt verdeeld. De verdeling vindt plaats op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Hierover stelt artikel 27 van het Kaderbesluit regels. Dit betekent dat de aanvraag die het eerst is binnengekomen, het eerst voor subsidie in aanmerking komt, uiteraard met inachtneming van het maximale subsidiebedrag. Wanneer de ingediende aanvraag onvolledig is, krijgt de aanvrager de mogelijkheid de ontbrekende stukken alsnog aan te leveren. De datum waarop de aanvraag volledig is, is de datum van binnenkomst. Er vindt loting plaats om de volgorde te bepalen als er meerdere aanvragen worden ingediend op de dag dat het subsidieplafond wordt overschreden.
De eventuele verhoging en verlaging van de subsidieplafonds is toegelicht in deel 3 van het algemeen deel van de toelichting.
Dit artikel bevat een voor deze module specifieke afwijzingsgrond. Deze grond geldt in aanvulling op de algemene afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit.
De subsidie voor de aanschaf van een landbouwtractor gaat gepaard met een instandhoudingstermijn van drie jaar. De instandhoudingstermijn houdt in dat de subsidieontvanger de landbouwtractor op zijn naam moet registreren in het kentekenregister en gedurende drie jaar vanaf de datum van de subsidievaststelling geregistreerd op zijn naam moet houden (lid 1). Daarnaast is de subsidieontvanger verplicht om de landbouwtractor gedurende deze drie jaar voor ten minste 70% van de gebruikte tijd in de landbouw te gebruiken. Dit gebruik wordt per jaar berekend.
Het is gedurende deze termijn mogelijk om de landbouwtractor uit te schrijven uit het kentekenregister. In dat geval wordt de subsidievaststelling gewijzigd en verlaagd naar rato van de instandhoudingstermijn. Een uitzondering geldt wanneer de subsidieontvanger een nieuwe elektrische landbouwtractor aanschaft waarvoor deze ook subsidie op grond van deze titel had kunnen krijgen. In dat geval wordt de subsidievaststelling niet lager vastgesteld. Hierbij gelden aanvullende informatieverplichtingen aan RVO (lid 2 en lid 4). Deze uitzondering geldt niet wanneer de subsidieontvanger voor de vervangende landbouwtractor ook subsidie aanvraagt (lid 3).
Dit artikel gaat over de aanvraag voor subsidievaststelling. Hoofdstuk 13 van het Kaderbesluit bevat regels hierover. Voor aanvragen van minder dan € 25.000, – geldt dat deze ambtshalve worden vastgesteld op grond van artikel 50, negende lid, van het Kaderbesluit. Daarvoor hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling te doen. Voor aanvragen van meer dan € 25.000, – geldt dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling moet doen. De aanvraag moet worden gedaan binnen 13 weken na afloop van de realisatietermijn, genoemd in art. 2.4.6. Deze is in beginsel een jaar en kan naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek aan RVO worden verlengd tot anderhalf jaar.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Het continu vermogen van een tractor is de hoeveelheid energie die de tractor langdurig en betrouwbaar kan leveren zonder oververhitting of schade, gemeten in kW. Dus niet het piekvermogen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-4180.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.