Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666235 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over aansluitingen en transport van gas door de DSB (Aansluit- en transportcode gas DSB)

Zaaknummer: ACM/25/197796

De Autoriteit Consument en Markt,

Gelet op artikel 12f, eerste lid van de Gaswet en artikel 3.121 van de Energiewet;

Besluit:

1 Algemene bepalingen

  • 1.1 Werkingssfeer en definities

    • 1.1.1 Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de Energiewet en uit de Begrippencode TSB en DSB gas.

    • 1.1.2 In deze code wordt verstaan onder:

      • a. distributiesysteem: distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

      • b. distributiesysteembeheerder: distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

      • c. transmissiesysteem: transmissiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;

      • d. aangeslotene: aangeslotene als bedoeld in artikel 1.1 van de Energie alsmede degene die om een aansluiting heeft verzocht.

      • e. meetverantwoordelijke: meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet

    • 1.1.2a In aanvulling op Energiewet artikel 3.7 wordt in deze code onder het begrip gesloten systeem tevens een gesloten systeem verstaan waarvoor een vrijstelling of ontheffing verleend is.

    • 1.1.3 Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van wettelijke taken of verplichtingen van een distributiesysteembeheerder met betrekking tot aansluiten op en transporteren van gas over het distributiesysteem.

2 Voorwaarden voor de aansluiting

  • 2.1 Voorwaarden voor alle aangeslotenen op distributiesystemen

    • 2.1.1 De aansluiting

      • 2.1.1.1 Het aanleggen van een aansluiting vindt plaats op grond van een tussen de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene af te sluiten aansluit- en transportovereenkomst.

      • 2.1.1.2 De distributiesysteembeheerder bepaalt, rekening houdend met de aard, de omvang en de locatie van de installatie, en zo nodig na overleg met de aangeslotene, op welke wijze (bijv. druktrap, één of meer verbindingen) de gevraagde aansluitcapaciteit ter beschikking wordt gesteld.

      • 2.1.1.2a De distributiesysteembeheerder mag de aansluiting, na voorafgaand overleg met de aangeslotene, realiseren op een ander punt in het distributiesysteem dan het dichtstbijzijnde punt in het distributiesysteem met een voor die aansluiting geschikte druk en voldoende capaciteit. Overeenkomstig artikel 2.1.1.1 worden afspraken daartoe vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

      • 2.1.1.3 De distributiesysteembeheerder realiseert de aansluiting binnen 18 weken na ontvangst van een aanvraag daartoe. Als dit binnen deze termijn niet mogelijk is dan informeert de distributiesysteembeheerder binnen een week na constatering van deze onmogelijkheid de aangeslotene daaromtrent schriftelijk onder opgaaf van redenen en bepaalt hij in overleg met de aangeslotene de termijn waarop de aansluiting wel gerealiseerd wordt.

      • 2.1.1.4 Het overdrachtspunt van de aansluiting bevindt zich, bezien vanuit het distributiesysteem, direct na de aansluitleiding. De aangeslotene bepaalt na overleg met de distributiesysteembeheerder de locatie waar de aansluitleiding wordt aangesloten op de installatie.

      • 2.1.1.4a [vervallen]

      • 2.1.1.5 De distributiesysteembeheerder verbindt de aansluiting met de meetinrichting. De aangeslotene maakt het mogelijk dat de distributiesysteembeheerder alle handelingen kan verrichten die ter zake noodzakelijk worden geacht.

      • 2.1.1.6 De distributiesysteembeheerder brengt de noodzakelijke hulpmiddelen of appendages aan voor het realiseren van de aansluiting zoals bedoeld in 2.1.1.5. De distributiesysteembeheerder houdt de aansluiting in stand en is verantwoordelijk voor het onderhoud en de controle ervan. De distributiesysteembeheerder kan op verzoek van de aangeslotene de aansluiting uitbreiden, wijzigen, vervangen, verplaatsen en weggenemen. De aangeslotene maakt het mogelijk dat alle handelingen kunnen worden verricht die hiervoor noodzakelijk zijn.

      • 2.1.1.7 [vervallen]

      • 2.1.1.8 [vervallen]

      • 2.1.1.9 Leidingen en appendages ten behoeve van de aansluiting, en de aansluitleiding voldoen aan de volgende vigerende technische normen:

        • a. NEN 1059: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 – Gasvoorzieningssystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie”;

        • b. NEN-EN 1594: “Gasvoorziening – Leidingsystemen voor maximale bedrijfsdruk groter dan 16 bar – Functionele eisen”;

        • c.

          • NEN 3650-1: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 1: Algemeen”;

          • NEN 3650-2: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 2: Staal”;

          • NEN 3650-3: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 3: Kunststoffen”;

          • NEN 3650-4: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 4: Beton”;

          • NEN 3650-5: “Eisen voor buisleidingsystemen – Deel 5: Gietijzer”;

        • d.

          • NEN 7244-1: “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-1 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 1: Algemene functionele aanbevelingen”;

          • NEN 7244-2 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-2 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 2: Specifieke functionele aanbevelingen voor polyethyleen (MOP tot en met 10 bar)”;

          • NEN 7244-3 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12007-3 – Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 3: Specifieke functionele aanbevelingen voor staal”;

          • NEN 7244-4 “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 4: Specifieke functionele eisen voor nodulair gietijzeren leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 8 bar”;

          • NEN 7244-5 “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 5: Specifieke functionele eisen voor slagvaste PVC-leidingen met een maximale bedrijfsdruk van 200 mbar”;

          • NEN 7244-6: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 6: Specifieke functionele eisen voor aansluitleidingen”;

          • NEN 7244-7: en NEN 7244-7/A1:“Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 7: Specifieke functionele eisen voor sterkte- en dichtheidsbeproeving en voor het in bedrijf en buiten bedrijf stellen van gasdistributieleidingen”.

          • NEN 7244-9: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 9: Specifieke functionele eisen voor de afhandeling van gasmeldingen en periodiek gaslek zoeken”.

          • NEN 7244-10: “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 10: Specifieke functionele eisen voor opstellingsruimten en meteropstellingen met een maximale inlaatdruk van 100 mbar en een maximale ontwerpcapaciteit van 650mn3/h”.

      • 2.1.1.10 Met de in 2.1.1.9 bedoelde leidingen worden gelijkgesteld leidingen en installaties die aantoonbaar aan tenminste gelijkwaardige technische eisen voldoen. Met de in 2.1.1.9 bedoelde leidingen wordt gelijkgesteld een leiding die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen genoemd in 2.1.1.9 wordt nagestreefd.

    • 2.1.2 De comptabele meting

      • 2.1.2.1 De aansluiting is voorzien van een meetinrichting die voldoet aan de wettelijke voorschriften en aan de eisen van de “Meetcode gas RNB”.

      • 2.1.2.2 De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in de transportovereenkomst van de distributiesysteembeheerder met de aangeslotene.

      • 2.1.2.3 De comptabele meting vindt plaats op of bij het overdrachtspunt. Calorische correcties en/of eventuele andere bewerkingen van de gegevens die noodzakelijk zijn om de meetgegevens tot comptabele meetgegevens te maken, hoeven niet op de aansluiting zelf te worden uitgevoerd.

      • 2.1.2.3a [vervallen]

      • 2.1.2.3b De distributiesysteembeheerder is bevoegd de meetinrichting te onderzoeken om te beoordelen of de meetinrichting aan de Meetcode gas RNB voldoet. Indien blijkt dat de meetinrichting niet voldoet aan de Meetcode gas RNB, is de aangeslotene verplicht de gebreken voor zijn rekening te herstellen binnen een door de distributiesysteembeheerder opgegeven termijn en conform de eisen zoals vastgelegd in deze Aansluit- en transportcode gas DSB.

      • 2.1.2.3c Voor de periode waarvan vaststaat dat de meetinrichting niet voldoet aan de Meetcode gas RNB, mag de distributiesysteembeheerder meetwaarden vaststellen. De hoogte van de vast te stellen meetwaarden moet redelijk zijn en de distributiesysteembeheerder dient te onderbouwen hoe hij de hoogte van de meetwaarden heeft bepaald.

      • 2.1.2.4 In afwijking van het bepaalde in 2.1.2.1, hoeft een kleinverbruiker niet te zorgen voor een comptabele meting indien:

        • a. het een aansluiting betreft die op het moment van inwerkingtreding van deze bepaling reeds onbemeten was, èn

        • b. er voor deze aansluiting een zogeheten gasabonnement met de leverancier is afgesloten.

    • 2.1.3 De omgeving van de aansluiting

      • 2.1.3.1 De aangeslotene heeft de plicht er voor te zorgen dat de hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting goed toegankelijk blijven en dat ter zake alle redelijkerwijs noodzakelijke handelingen kunnen worden verricht.

      • 2.1.3.2 De aangeslotene zorgt ervoor dat de toegang tot de ruimte, waarin zich de hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur bevinden, niet wordt belemmerd.

      • 2.1.3.3 Verzegelingen die door of vanwege de distributiesysteembeheerder en/of de meetverantwoordelijke zijn aangebracht op de meetinrichting of op delen van de hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder mogen niet worden geschonden of verbroken tenzij de distributiesysteembeheerder en/of de meetverantwoordelijke (waar het door hem aangebrachte verzegelingen betreft) uitdrukkelijk toestemming geeft tot het verbreken van de verzegeling.

      • 2.1.3.4 De aangeslotene is gehouden alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om schade aan de hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting te voorkomen.

      • 2.1.3.5 De aangeslotene zorgt ervoor dat hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting en de overige tot de aansluiting behorende apparatuur niet opgesteld worden in vochtige ruimten, ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, ruimten met ontploffingsgevaar en ruimten met brandgevaar.

      • 2.1.3.6 De distributiesysteembeheerder bepaalt na overleg met de aangeslotene op welke wijze de toegang tot het terrein of de installatie van de aangeslotene plaatsvindt.

      • 2.1.3.7 In woonhuizen met individuele meting wordt voor het onderbrengen van alle tot de aansluiting en meetinrichting behorende apparatuur een kast ter beschikking gesteld, die voldoet aan de eisen, gesteld in de vigerende versie van norm NEN 2768 “Meterruimten en bijbehorende voorzieningen in een woonfunctie”. In geval de meteropname van buitenaf kan geschieden of het overdrachtspunt van buitenaf bereikbaar is, kan de distributiesysteembeheerder ten aanzien van deze kast nadere eisen stellen.

    • 2.1.3a De beveiliging

      • 2.1.3a.1 De beveiliging van de aansluiting voldoet aan:

        • a. Paragraaf 4.7 van de vigerende versie van norm NEN 7244-6 “Gasvoorzieningsystemen – Leidingen voor maximale druk tot en met 16 bar – Deel 6: Specifieke functionele eisen voor aansluitleidingen” voor wat betreft de afsluitbaarheid van de aansluiting,

        • b. Paragraaf 8.3 van de vigerende versie van norm NEN 1059 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 – Gasvoorzieningssystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie” voor zover van toepassing voor wat betreft de toepassing van een drukbeveiligingssysteem op de aansluiting.

      • 2.1.3a.2 Met de in 2.1.3a.1 bedoelde producten ten behoeve van de beveiliging van gasaansluitingen worden gelijkgesteld producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig zijn aan het niveau dat met de eisen, genoemd in 2.1.3a.1 wordt nagestreefd.

    • 2.1.4 De installatie

      • 2.1.4.1 Installaties bevatten geen onderdelen die tot invoeding in het distributiesysteem kunnen leiden, tenzij daartoe vooraf door de distributiesysteembeheerder schriftelijk toestemming is verleend en aan de aanvullende voorwaarden voor invoedingsinstallaties zoals opgenomen in 2.5 wordt voldaan.

      • 2.1.4.2 Installaties veroorzaken via het distributiesysteem voor gas geen ontoelaatbare hinder (zoals bijvoorbeeld drukschommelingen), een en ander ter beoordeling van de distributiesysteembeheerder. De distributiesysteembeheerder kan de aangeslotene in geval van ontoelaatbare hinder aanschrijven, om zodanige voorzieningen te treffen dat de ontoelaatbare hinder ophoudt.

      • 2.1.4.3 De distributiesysteembeheerder heeft geen verplichting om na te gaan of een installatie voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen uit hoofdstuk 2 van deze code. Indien niet aan de voorwaarden voor installaties wordt voldaan zodat de systeemintegriteit van het distributiesysteem of de veiligheid in het geding zijn, heeft de distributiesysteembeheerder uit voorzorg het recht op het onmiddellijk afsluiten van de aansluiting. De distributiesysteembeheerder stelt de aangeslotene daarvan onmiddellijk op de hoogte. Indien anderszins niet aan de voorwaarden voor installaties wordt voldaan, stelt de distributiesysteembeheerder de aangeslotene een redelijke termijn om de installatie aan de vereiste voorwaarden aan te passen.

      • 2.1.4.4 [vervallen]

    • 2.1.5 De aansluitleiding [vervallen]

      • 2.1.5.1 [vervallen]

      • 2.1.5.2 [vervallen]

      • 2.1.5.3 [vervallen]

    • 2.1.6 [vervallen]

  • 2.2 Aanvullende voorwaarden voor aangeslotenen op distributiesystemen met een druk van 25 t/m 200 mbar

    • 2.2.1 In gevallen waarin daaromtrent in het Bouwbesluit en daarop gebaseerde normen niets is voorgeschreven, worden in gebouwen waar de installatie door middel van een in de grond gelegde leiding wordt aangesloten voorzieningen getroffen voor het gemakkelijk binnenleiden van deze leiding, waaronder in ieder geval een beschermbuis waarvan het materiaal en de afmetingen bepaald worden door het materiaal en diameter van de leiding, tenzij de distributiesysteembeheerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zulks niet noodzakelijk te achten. De leidingdoorvoer dient gasbelemmerend te zijn. In het geval een leidinginvoerput wordt aangebracht, voldoet deze aan de daarvoor vastgestelde of vast te stellen wettelijke voorschriften en normen.

    • 2.2.2 In gevallen waarin daaromtrent in het Bouwbesluit en daarop gebaseerde normen niets is voorgeschreven, wordt in woningen en andere gebouwen met individuele meting voor het onderbrengen van alle hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting een kast ter beschikking gesteld, die voldoet aan de daarvoor vastgestelde of vast te stellen wettelijke voorschriften en normen. In geval de meteropname van buitenaf kan geschieden of het overdrachtspunt van buitenaf bereikbaar is, kunnen aan deze kast nadere eisen worden gesteld.

    • 2.2.3 Bij tijdelijke- en andere aansluitingen dan bedoeld in 2.2.2, voor zover daarvoor geen vigerende normen gelden, stelt de distributiesysteembeheerder de eisen vast waaraan de ruimten voor het onderbrengen van de tot de aansluiting behorende apparatuur moet voldoen.

    • 2.2.4 De aangeslotene stelt voor het onderbrengen van alle hulpmiddelen en appendages van de distributiesysteembeheerder, het overdrachtspunt en de meetinrichting ten behoeve van een tijdelijke gasaansluiting een stevige, deugdelijke kast of ruimte ter beschikking aan de distributiesysteembeheerder, waarvan de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene in onderling overleg de afmetingen en constructie bepalen.

    • 2.2.5 De ruimte, waarin een meetinrichting met een ontwerpcapaciteit groter dan 40 m3(n)/uur is opgesteld, mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Indien deze ruimte een onderdeel is van een gebouw, mag deze ruimte niet vanuit dat gebouw toegankelijk zijn.

  • 2.3 Aanvullende voorwaarden voor aangeslotenen op distributiesystemen met een druk van meer dan 200 mbar

    • 2.3.1 Indien een installatie door middel van één of meer door de distributiesysteembeheerder te plaatsen drukregelaars op een distributiesysteem met een druk van meer dan 200 mbar wordt aangesloten, is de aangeslotene verplicht één of meer ruimten ter beschikking te stellen aan de distributiesysteembeheerder. De plaats van de ruimte wordt na overleg met de aangeslotene door de distributiesysteembeheerder vastgesteld. De afmetingen, constructie en inrichting van de ruimte worden in onderling overleg tussen distributiesysteembeheerder en aangeslotene bepaald. De ruimte moet vanaf de openbare weg, al dan niet via een aparte ingang, blijvend toegankelijk zijn, zodat alle benodigde werkzaamheden te allen tijde kunnen worden verricht en moet zijn afgesloten door een deur of deuren, voorzien van een door de distributiesysteembeheerder ter beschikking te stellen slot. De ruimte mag niet vanuit het gebouw toegankelijk zijn.

  • 2.4 Aanvullende voorwaarden voor gesloten systemen aangesloten op distributiesystemen

    • 2.4.1 [vervallen]

    • 2.4.2 [vervallen]

    • 2.4.3 Gesloten systemen, aangesloten op distributiesystemen met een druk van meer dan 200 mbar voldoen ten minste aan de voorwaarden in 2.6, met uitzondering van 2.6.1.1, voor zover van toepassing op het drukniveau waarop het gesloten systeem aangesloten is op het distributiesysteem voor gas:

      De eventuele kathodische beschermingen, in geval van de aansluiting van een gesloten systeem op distributiesystemen met een druk van meer dan 200 mbar, dienen onderling elektrisch geïsoleerd te kunnen worden.

      In geval van de aansluiting van een gesloten systeem op distributiesystemen met een druk van meer dan 200 mbar, worden de instellingen van de beveiligingen, het type beveiliging en de inschakelvoorwaarden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst tussen de systeembeheerder van het gesloten systeem en de distributiesysteembeheerder.

    • 2.4.4 Indien op een gesloten systeem één of meer verbruikers of invoeders zijn aangesloten die een ander leveringscontract wensen, heeft de beheerder van het desbetreffende gesloten systeem de verplichting leverancierskeuze te faciliteren.

    • 2.4.5 Indien de beheerder van het gesloten systeem kiest voor het faciliteren van leverancierskeuze door middel van suballocatie, heeft hij de verplichting zijn leverancier en balanceerverantwoordelijke opdracht te geven samen te werken met de leverancier(s) en balanceerverantwoordelijke(n) van de in 2.4.4 bedoelde verbruiker(s) of invoeder(s) ten einde de allocatie van gerealiseerde energiestromen op de aansluiting van het gesloten systeem op het distributiesysteem toe te delen aan de aansluiting(en) van de in 2.4.4 bedoelde verbruiker(s) of invoeder(s).

    • 2.4.5a Indien de beheerder van het gesloten systeem gebruik wenst te maken van de in de Allocatiecode gas genoemde berichten zijn de volgende bepalingen van overeenkomstige toepassing op de beheerder van het gesloten systeem:

      • a. paragraaf 2.1.2 en paragraaf 3.1 van deze code

      • b. van de Allocatiecode gas de artikelen 1.12, 2.1.7a, 2.2.1, 2.2.2, 2.4.1, 2.4.3, de paragrafen 2.5, 2.6 en 2.7, de artikelen 4.1a, 4.1b, bijlage 1a, bijlage 2a

      • c. de Informatiecode elektriciteit en gas, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5 en 8 alsmede van 9.1.1 en 9.1.3.

    • 2.4.6 Indien de beheerder van het gesloten systeem geen gebruik maakt van suballocatie, of van de in de Allocatiecode gas genoemde berichten geeft hij de distributiesysteembeheerder in de desbetreffende regio de mogelijkheid om de in 2.4.4 bedoelde verbruiker of invoeder te voorzien van een aansluiting op het distributiesysteem van die distributiesysteembeheerder.

    • 2.4.7 Op een recreatienet is 2.4.4 tot en met 2.4.6 van overeenkomstige toepassing.

  • 2.5 Aanvullende voorwaarden voor invoeders

    • 2.5.1 Algemeen

      • 2.5.1.1 Bij opstelling van verscheidene invoedingsinstallaties op één locatie gelden de in deze paragraaf genoemde voorwaarden voor elke invoedingsinstallatie afzonderlijk.

      • 2.5.1.2 De voorwaarden gelden voor het technisch ontwerp en het gedrag tijdens bedrijf van de invoedingsinstallatie in zijn totaliteit.

      • 2.5.1.3 De voorwaarden in de paragrafen 2.5 en 3.4 zijn van toepassing op de invoeding van gas zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet en dat voldoet aan de kwaliteitsspecificaties zoals bedoeld in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling.

      • 2.5.1.4 In geval van invoeding van andere gassen dan bedoeld in 2.5.1.3, kan de distributiesysteembeheerder in overleg met de invoeder voor onderdelen van paragrafen 2.5 en 3.4 aanvullende of afwijkende voorwaarden overeenkomen op basis van maatwerk, voor die gevallen waarin de in genoemde paragrafen opgenomen voorwaarden niet voorzien.

      • 2.5.1.5 De distributiesysteembeheerder bepaalt de druk waarbij en de plaats in het distributiesysteem waarop het gas wordt ingevoed.

      • 2.5.1.6 De distributiesysteembeheerder maakt op verzoek van de invoeder binnen een maand een verkenning naar invoedingsmogelijkheden op basis waarvan de invoeder kan beslissen om over te gaan tot een offerteverzoek aan de distributiesysteembeheerder voor een aansluiting van een invoedingsinstallatie. De invoeder doet bij dit verzoek een opgave van de beoogde invoedingslocatie en de gewenste invoedingscapaciteit. Aan de uitkomsten van deze verkenning kunnen geen rechten worden ontleend.

      • 2.5.1.7 De distributiesysteembeheerder brengt binnen twee maanden na een schriftelijk verzoek daartoe een offerte uit voor de aansluiting van een invoedingsinstallatie, waarbij de maximaal geoffreerde capaciteit is gebaseerd op de op grond van 2.5.1.6 uitgevoerde verkenning.

      • 2.5.1.8 De distributiesysteembeheerder handelt offerteaanvragen, zoals bedoeld in 2.5.1.7, af in volgorde van binnenkomst.

      • 2.5.1.9 De in 2.5.1.7 bedoelde offerte heeft een geldigheidstermijn van drie maanden.

      • 2.5.1.10 Gedurende de periode vanaf het schriftelijk verzoek, zoals bedoeld in 2.5.1.7, tot het aflopen van de geldigheidstermijn van de offerte, zoals bedoeld in 2.5.1.9, reserveert de distributiesysteembeheerder een hoeveelheid transportcapaciteit conform de offerteaanvraag van de invoeder, zoals bedoeld in 2.5.1.7, tot maximaal de hoeveelheid zoals vastgesteld in de verkenning op grond van 2.5.1.6.

      • 2.5.1.11 Indien geen verkenning, zoals bedoeld in 2.5.1.6, is uitgevoerd voorafgaand aan de offerteaanvraag, zoals bedoeld in 2.5.1.7, bepaalt de distributiesysteembeheerder de hoeveelheid transportcapaciteit die ten behoeve van deze offerteaanvraag gereserveerd wordt, tot een maximum van de transportcapaciteit zoals verzocht in de offerteaanvraag.

      • 2.5.1.12 Indien een invoeder niet binnen de in 2.5.1.9 bedoelde geldigheidstermijn van de offerte overgaat tot opdrachtverstrekking voor aansluiting van de invoedingsinstallatie, vervalt de in 2.5.1.10 en 2.5.1.11 bedoelde reservering van transportcapaciteit.

      • 2.5.1.13 Indien op grond van 2.5.1.12 een reservering van transportcapaciteit vervalt, beoordeelt de distributiesysteembeheerder de consequenties hiervan voor andere lopende offerteaanvragen voor aansluiting van een invoedingsinstallatie en informeert de aanvragers hierover. Bij de herverdeling van beschikbare transportcapaciteit handelt de distributiesysteembeheerder in volgorde van aanvragen.

    • 2.5.1a De aansluiting van de invoedingsinstallatie

      • 2.5.1a.1 De aansluiting van de invoedingsinstallatie is voorzien van een monsterafnamepunt. Indien tussen de distributiesysteembeheerder en de invoeder op grond van 2.5.2.5a wordt overeengekomen dat door de distributiesysteembeheerder niet op afstand kan worden ingegrepen via de voorziening voor automatische afschakeling in de invoedingsinstallatie, zoals bedoeld in 2.5.2.5, is de aansluiting tevens voorzien van een door de distributiesysteembeheerder te bedienen afsluitklep, om de invoeding op afstand te kunnen afschakelen.

      • 2.5.1a.2 De leidinglengte tussen het monsterafnamepunt en de plaats waar op grond van 2.5.2.4a injectie van odorant plaats vindt, bedraagt tenminste 100 maal de leidingdiameter.

      • 2.5.1a.3 Indien de injectie van het odorant, zoals bedoeld in 2.5.2.4a, plaats vindt aan de systeemzijde van de meetinrichting, bevindt het overdrachtspunt van de aansluiting zich, in afwijking van 2.1.1.4 jo. 2.1.2.3, op de eerste koppeling van de inlaatafsluiter van de aansluiting van de invoedingsinstallatie, zoals bedoeld in 2.5.1a.1, gezien vanuit de invoedingsinstallatie.

    • 2.5.2 De invoedingsinstallatie

      • 2.5.2.1 De invoedingsinstallatie is voorzien van een drukregeling en drukbeveiliging conform NEN 1059:2010 “Nederlandse editie op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 – Gasvoorzieningssystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie” indien de werkdruk ten hoogste 0,5 bar is en conform NEN-EN 15001-1 “Gasinfrastructuur – Gasinstallatieleidingen” indien de werkdruk hoger is dan 0,5 bar en ten hoogste 40 bar. De instelling van deze drukregeling geschiedt in overleg tussen de invoeder en de distributiesysteembeheerder.

      • 2.5.2.2 De beveiligingen van de invoedingsinstallatie zijn selectief ten opzichte van de beveiligingen in het distributiesysteem. De invoeder draagt zorg voor en is verantwoordelijk voor adequate beveiligingen van de invoedingsinstallatie tegen zowel storingen die ontstaan in het distributiesysteem als extreme afwijkingen van de druk in het distributiesysteem.

      • 2.5.2.3 De invoedingsinstallatie is voorzien van twee in serie geschakelde gasgestuurde drukbeveiligingen, ten behoeve van de automatische afschakeling van de invoedingsinstallatie ingeval de invoedingsdruk boven een in overleg tussen distributiesysteembeheerder en invoeder vast te stellen waarde komt. Beide drukbeveiligingen werken bij voorkeur volgens een onderling verschillend principe.

      • 2.5.2.4 De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening voor de meting van de temperatuur van het in te voeden gas.

      • 2.5.2.4a De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening voor injectie van odorant zoals bedoeld in bijlage 1 onderdeel B van de Energieregeling. Deze voorziening bevat een bewaking van de volumevoorraad odorant en een controlemogelijkheid voor de odorisatie.

      • 2.5.2.4b De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening om partikels met een diameter groter dan 0,3 micrometer te weerhouden met een doeltreffendheid van minimaal 99,95%. Van deze voorwaarde wordt afgezien wanneer:

        • i) de invoeder een rapport overlegt aan de distributiesysteembeheerder waaruit blijk dat er geen schadelijke organismen kunnen voorkomen of zich kunnen vormen in het in te voeden gas;

        • ii) de distributiesysteembeheerder de inhoud van het rapport heeft geverifieerd, en de juistheid daarvan heeft kunnen vaststellen;

        De distributiesysteembeheerder informeert de invoeder over zijn bevindingen ten aanzien van de juistheid van het overlegde rapport uiterlijk 4 weken na overleggen van dit rapport.

      • 2.5.2.4c De invoedingsinstallatie is voorzien van een meetinrichting, teneinde de gaskwaliteit te meten, die voldoet aan de voorwaarden in hoofdstuk 5a van de Meetcode gas RNB, ten behoeve van registratie en vaststelling van de fysische eigenschappen en hoedanigheden van het in te voeden gas, zoals bedoeld in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling.

      • 2.5.2.5 De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening ten behoeve van automatische afschakeling waarmee de invoedingsinstallatie wordt afgeschakeld, indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling komt, blijkend uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 en 2.5.2.4a bedoelde bewakingsvoorzieningen of uit de doorlopende kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.5 van de Meetcode gas RNB. De afschakeling duurt zo lang de gaskwaliteit zich buiten de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen bevindt.

      • 2.5.2.5a Door de distributiesysteembeheerder kan op afstand worden ingegrepen via de voorziening voor automatische afschakeling, zoals bedoeld in 2.5.2.5, om de invoeding te kunnen onderbreken, tenzij de distributiesysteembeheerder en de invoeder zijn overeengekomen dat de aansluiting van de invoedingsinstallatie is voorzien van een door de distributiesysteembeheerder te bedienen afsluitklep. Deze automatische afstandschakeling vindt plaats conform het Modbus/IEC 60870-5 protocol.

      • 2.5.2.6 De invoedingsinstallatie is voorzien van een voorziening voor monsterafname.

      • 2.5.2.7 [vervallen]

      • 2.5.2.8 [vervallen]

      • 2.5.2.9 Indien niet aan de voorwaarden voor invoeders wordt voldaan zodat de gaskwaliteit, de systeemintegriteit van het gasdistributiesysteem of de veiligheid in het geding zijn, heeft de distributiesysteembeheerder uit voorzorg het recht op het onmiddellijk afsluiten van de invoedingsinstallatie. De distributiesysteembeheerder stelt de invoeder daarvan onmiddellijk op de hoogte. Indien anderszins niet aan de voorwaarden voor invoeders wordt voldaan, stelt de distributiesysteembeheerder de invoeder een redelijke termijn om de invoedingsinstallatie aan de vereiste voorwaarden aan te passen.

      • 2.5.2.10 De voorwaarden zoals genoemd in 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.3 zijn niet van toepassing indien tussen de distributiesysteembeheerder en de invoeder wordt overeengekomen dat de in deze artikelen genoemde voorzieningen worden opgenomen in de aansluiting van de invoedingsinstallatie en worden beheerd door de distributiesysteembeheerder.

3 Voorwaarden met betrekking tot de transportdienst

  • 3.1 Het recht op transport

    • 3.1.1 Transport vindt plaats op grond van een tussen de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene te sluiten transportovereenkomst en zal voorts alleen plaatsvinden indien de aangeslotene tevens op grond van een geldige aansluitovereenkomst recht heeft op aansluiting en indien bij de distributiesysteembeheerder bekend is welke partijen ten behoeve van de desbetreffende aansluiting optreden als leverancier, balanceerverantwoordelijke en meetverantwoordelijke.

    • 3.1.2 Indien de aangeslotene voldoet aan het bepaalde in 3.1.1 heeft de aangeslotene recht op transport van gas binnen het distributiesysteem waarop hij is aangesloten tot een hoeveelheid ter grootte van de op de aansluiting gecontracteerde transportcapaciteit dan wel, indien het de aansluiting van een profielverbruiker betreft, een met de G-waarde van de meetinrichting bij de aansluiting overeenkomende capaciteit.

    • 3.1.3. Een telemetrieverbruiker heeft het recht om de gecontracteerde transportcapaciteit aan te passen, uitgezonderd:

      • a. indien de telemetrieverbruiker verzoekt om verlaging van de gecontracteerde transportcapaciteit binnen 12 maanden na aanvang van een eerdere verhoging, tenzij er sprake is van sterk gewijzigde omstandigheden bij de telemetrieverbruiker die vooraf niet in redelijkheid hadden kunnen worden voorzien;

      • b. indien de distributiesysteembeheerder niet op de gewenste termijn over voldoende transportcapaciteit kan beschikken.

    • 3.1.4 Een aanpassing van de gecontracteerde transportcapaciteit is van kracht met ingang van de maand volgend op de instemming met en de uitvoering van het verzoek door de distributiesysteembeheerder.

    • 3.1.5 Binnen 10 werkdagen na het indienen van het verzoek tot aanpassing van de transportcapaciteit informeert de distributiesysteembeheerder de aangeslotene of hij instemt met het verzoek.

    • 3.1.6 In het geval de distributiesysteembeheerder niet instemt, licht de distributiesysteembeheerder de reden hiervoor aan de aangeslotene toe.

  • 3.1a Het recht op transport – aanvullende voorwaarden voor invoeders

    • 3.1a.1 In afwijking van 3.1.2 heeft de invoeder recht op transport van het in te voeden gas binnen het systeemgebied tot een hoeveelheid ter grootte van de momentane gasafname in dit systeemgebied mits de bedrijfszekerheid in het systeemgebied, in de zin van het drukbeheer in het systeemgebied, niet in gevaar komt.

    • 3.1a.2 Indien op grond van 3.1a.1 transportcapaciteit aan een invoeder is toegekend en de invoeder maakt hiervan na toekenning geen (volledig) gebruik, heeft de distributiesysteembeheerder de mogelijkheid om in overleg met en na instemming van de invoeder de transportcapaciteit in te trekken. Zo nodig stelt de distributiesysteembeheerder de invoeder een redelijke termijn van tenminste een half jaar, indien de invoeder bij voortduring geen (volledig) gebruik maakt van de toegekende transportcapaciteit, alvorens deze toekenning voor het niet gebruikte deel wordt ingetrokken.

    • 3.1a.3 Indien binnen een systeemgebied, waarop reeds één of meer invoedingsinstallaties zijn aangesloten en invoeden, een nieuwe invoedingsinstallatie wordt aangesloten en wil invoeden, en deze nieuwe invoedingsinstallatie de aan de bestaande invoeder(s) beschikbaar gestelde transportcapaciteit nadelig kan beïnvloeden door de instellingen van de drukregeling, treft de distributiesysteembeheerder zo mogelijk maatregelen in het systeem om deze nadelige invloed op te heffen.

    • 3.1a.4 Indien de in 3.1a.3 genoemde maatregelen ontoereikend zijn, worden maatregelen getroffen in de aansluitingen van zowel de bestaande als de nieuwe invoedingsinstallaties, zodat de overeengekomen transportcapaciteiten met de bestaande invoeders blijven gewaarborgd.

    • 3.1a.5 De invoeders zullen bij de toepassing van 3.1a.4 de distributiesysteembeheerder toestaan om maatregelen te (laten) treffen die nodig zijn om dit door middel van volume- en drukregeling te kunnen regisseren.

    • 3.1a.6 De in 3.1a.3 bedoelde nieuwe invoedingsinstallatie mag invoeden voor zover het momentane invoedvolume niet groter is dan het verschil tussen de momentane afname in het systeemgebied en het momentane invoedvolume van de reeds eerder aangesloten invoedingsinstallaties.

    • 3.1a.7 Om de uitvoering van 3.1a.6 mogelijk te maken, staat de invoeder toe dat de distributiesysteembeheerder van de individuele invoeders in een systeemgebied continu volumegegevens van de invoeding ontvangen.

    • 3.1a.8 Indien de aansluiting niet is of wordt voorzien van een gaskwaliteitsmeting conform 5a.6 van de Meetcode gas RNB, dient de calorische waarde van het in te voeden gas groter of gelijk te zijn aan het gemiddelde van de maandwaarden van de calorische waarde van het gas dat gedurende de afgelopen twaalf maanden vanuit het transmissiesysteem in het desbetreffende systeemgebied is ingevoed.

  • 3.2 [vervallen]

  • 3.3 [vervallen]

  • 3.4 De bewaking van de kwaliteit van de transportdienst

    • 3.4.1 Een distributiesysteembeheerder past een uniforme, door de gezamenlijke distributiesysteembeheerders overeengekomen werkwijze toe voor de registratie van de onderwerpen, genoemd in artikel 3.36 lid 5 van het Energiebesluit. Deze werkwijze omvat tevens de wijze waarop een distributiesysteembeheerder de prestatie-indicatoren, bedoeld in artikel 3.29, lid 1 en lid 2 van de Energieregeling, onderdeel h van het Energiebesluit, vaststelt. De gezamenlijke distributiesysteembeheerders maken de werkwijze openbaar.

    • 3.4.2 De distributiesysteembeheerder bewaakt of controle van de ruikbaarheid van het gas overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in de Meetcode gas LNB wordt uitgevoerd.

    • 3.4.3 De distributiesysteembeheerder bewaakt of controle van de gaskwaliteit, tot uitdrukking komend in de calorische waarde, de Wobbe-index en de chemische samenstelling, overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in de Meetcode gas LNB wordt uitgevoerd.

    • 3.4.4 Bij de eerste ingebruikname van een invoedingsinstallatie wordt de invoeding niet eerder gestart dan nadat de invoeder aantoont dat de invoedingsinstallatie voldoet aan 2.5.2 en dat de kwaliteit van het in te voeden gas stabiel binnen de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit is en blijft, blijkend uit de kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.2 en 5a.2.3 van Meetcode gas RNB en de rapportage bedoeld in 5a.4.1.3 van de Meetcode gas RNB.

    • 3.4.5 De invoeding wordt door middel van automatische afschakeling direct onderbroken indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 tot en met 2.5.2.4c bedoelde bewakingsvoorzieningen. De invoeding wordt niet eerder herstart dan nadat uit het signaal van één of meer van de in 2.5.2.4 tot en met 2.5.2.4c bedoelde bewakingsvoorzieningen is gebleken dat de kwaliteit van het in te voeden gas binnen de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling genoemde grenzen voor de gaskwaliteit is gekomen.

    • 3.4.6 De invoeding wordt direct onderbroken indien de kwaliteit van het in te voeden gas buiten de in artikel 3.16 eerste lid, sub b van de Energieregeling bedoelde grenzen voor de gaskwaliteit komt, blijkend uit de periodieke kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in 5a.2.5 van de Meetcode gas RNB, indien sprake is van een nog steeds voortdurende overschrijding van de genoemde grenzen. Bij overige gesignaleerde overschrijdingen geeft de invoeder aan dat de oorzaak van de opgetreden overschrijding inmiddels is weggenomen.

    • 3.4.7 Indien de invoeding op grond van 3.4.6 is onderbroken vanwege een overschrijding, anders dan van de grenswaarden voor de Wobbe-index en/of de componenten die de Wobbe-index bepalen, dient de invoeder te onderzoeken wat oorzaak is van het niet voldoen aan de gaskwaliteit en over welke periode van invoeding niet aan de gestelde eisen is voldaan. De invoeding wordt niet eerder hervat dan nadat de invoeder heeft aangegeven welke maatregelen hij treft om herhaling ervan te voorkomen en hij over deze maatregelen overeenstemming heeft bereikt met de distributiesysteembeheerder.

    • 3.4.8 De invoeder maakt tenminste vijf werkdagen van tevoren bekend wanneer hij voornemens is een invoedingsinstallatie in onderhoud te nemen, dan wel deze om andere redenen buiten bedrijf te stellen, dan wel wanneer de invoeding van gas om andere redenen gepland zal worden onderbroken.

    • 3.4.9 De invoeding wordt direct onderbroken indien één of meer van de in 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.6 genoemde voorzieningen niet goed functioneert.

    • 3.4.10 De distributiesysteembeheerder kan, in gevallen zoals bedoeld in 2.5.1.4, nadere eisen stellen aan de invoeder van gas over het controleren van het in te voeden gas. De invoeder van gas legt de distributiesysteembeheerder een procedure voor waarin is aangegeven hoe de invoeder de controle zal uitvoeren. Na goedkeuring van deze procedure van de distributiesysteembeheerder kan invoeding plaats vinden.

    • 3.4.11 De distributiesysteembeheerder kan op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het bij aangeslotenen af te leveren gas zelf controlemetingen (laten) uitvoeren op de aansluiting waar gas wordt ingevoed.

4 Kwaliteit van dienstverlening

  • 4.1 Service van de distributiesysteembeheerder aan aangeslotenen

    • 4.1.1 De distributiesysteembeheerder stelt al hetgeen redelijkerwijs binnen zijn vermogen ligt in het werk om onderbreking van de transportdienst te voorkomen, of indien een onderbreking van de transportdienst optreedt, deze zo snel mogelijk te verhelpen.

    • 4.1.2 Service van de distributiesysteembeheerder jegens kleinverbruikers

      • 4.1.2.1 De distributiesysteembeheerder is binnen twee uur na melding door de aangeslotene ter plaatse indien een storing aan de aansluiting van een aangeslotene is opgetreden.

      • 4.1.2.2 De distributiesysteembeheerder handelt correspondentie van een aangeslotene binnen tien werkdagen af. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht.

      • 4.1.2.3 De distributiesysteembeheerder hanteert bij het maken van afspraken met een aangeslotene tijdsblokken van twee uur.

      • 4.1.2.4 De distributiesysteembeheerder voert met de aangeslotene overeengekomen werkzaamheden waarmee volgens de planning minder dan vier mensuren zijn gemoeid, binnen drie dagen uit indien daarvoor de transportdienst aan andere aangeslotenen niet hoeft te worden onderbroken. Indien de transportdienst aan andere aangeslotenen wel moet worden onderbroken, bedraagt deze termijn maximaal tien werkdagen. Voor werkzaamheden waarmee volgens de planning meer dan vier mensuren zijn gemoeid, bedraagt de termijn waarop de werkzaamheden aanvangen maximaal tien werkdagen.

      • 4.1.2.5 Voor het uitvoeren van inpandige werkzaamheden op verzoek van de distributiesysteembeheerder, maakt de distributiesysteembeheerder tenminste vijf werkdagen van tevoren schriftelijk of telefonisch een afspraak met de aangeslotene.

      • 4.1.2.6 De distributiesysteembeheerder stelt de aangeslotene tenminste drie werkdagen van tevoren op de hoogte van door hem geplande werkzaamheden waarbij de transportdienst bij de aangeslotene moet worden onderbroken.

    • 4.1.3 Service van de distributiesysteembeheerder jegens aangeslotenen met een grote aansluiting

      • 4.1.3.1 Indien de transportdienst aan een aangeslotene moet worden onderbroken, stelt de distributiesysteembeheerder de aangeslotene tenminste tien werkdagen van tevoren op de hoogte van de door hem geplande werkzaamheden. De distributiesysteembeheerder stelt de datum van de genoemde werkzaamheden pas vast na overleg met de daardoor getroffen aangeslotenen, waarbij hij in redelijkheid de belangen van de aangeslotenen weegt.

      • 4.1.3.2 De distributiesysteembeheerder handelt correspondentie van een aangeslotene binnen tien werkdagen af. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht.

      • 4.1.3.3 De distributiesysteembeheerder voegt aan de offertes indicatieve nettekeningen toe waaruit de plaats in het systeemgebied blijkt waarop het aansluitvergoeding is gebaseerd en waaruit de plaats in het systeem blijkt waar de aangeslotene waarschijnlijk zal worden aangesloten.

      • 4.1.3.4 De distributiesysteembeheerder maakt uiterlijk twee uur nadat een onderbreking van de transportdienst aan hem is gemeld, een begin met de werkzaamheden die moeten leiden tot de opheffing van de onderbreking. De distributiesysteembeheerder informeert aangeslotenen desgevraagd over de omvang van de onderbreking, de te verwachten duur en de door de distributiesysteembeheerder te nemen maatregelen.

      • 4.1.3.5 De distributiesysteembeheerder geeft aan door een onderbreking van de transportdienst getroffen aangeslotenen op hun verzoek binnen tien werkdagen een verklaring voor het ontstaan van de onderbreking. Indien dit binnen deze termijn niet mogelijk is, geeft de distributiesysteembeheerder binnen genoemde termijn aan wanneer de aangeslotene de verklaring van de distributiesysteembeheerder mag verwachten.

    • 4.1.4 Indien en voor zover door de distributiesysteembeheerder in overleg met de aangeslotene voor één of meer van de in 4.1.2 of 4.1.3 genoemde kwaliteitscriteria afwijkende afspraken zijn gemaakt, zijn deze afspraken van toepassing in plaats van de desbetreffende in 4.1.2 of 4.1.3 genoemde kwaliteitscriteria.

  • 4.2 Compensatie bij ernstige storingen

    • 4.2.0 De verbruiker heeft recht op een financiële compensatie bij storingen die voor een periode langer dan vier uren tot een onderbreking van het transport van gas leiden, met uitzondering van voorziene onderbrekingen.

    • 4.2.1 De distributiesysteembeheerder betaalt, onverminderd het bepaalde in 4.2.2, verbruikers op zijn distributiesysteem bij wie het transport van gas ten gevolge van een storing is onderbroken, per onderbreking een compensatievergoeding ter hoogte van het hieronder genoemde bedrag:

      • a. per aansluiting van een kleinverbruiker bedraagt de compensatievergoeding EUR 35,– bij een onderbreking van vier tot acht uur, vermeerderd met EUR 20,– voor elke volgende aaneengesloten periode van vier uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking;

      • b. per aansluiting van een profielverbruiker bedraagt de compensatievergoeding EUR 195,– bij een onderbreking van vier tot acht uur, vermeerderd met EUR 100,– voor elke volgende aaneengesloten periode van vier uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking;

      • c. per aansluiting van een telemetrieverbruiker bedraagt de compensatievergoeding EUR 910,– bij een onderbreking van vier tot acht uur, vermeerderd met EUR 500,– voor elke volgende aaneengesloten periode van vier uur, uit te betalen bij de eerstvolgende jaar- respectievelijk maandafrekening.

      De duur van de onderbreking wordt bepaald op grond van 4.2.5.

    • 4.2.2 De in 4.2.1 genoemde verplichting geldt niet voor de distributiesysteembeheerder, wanneer een onderbreking van de transportdienst het gevolg is van een afschakeling van belasting op verzoek van de distributiesysteembeheerder van het transmissiesysteem.

    • 4.2.3 Indien een onderbreking van de transportdienst zijn oorsprong vindt in het systeem van een andere systeembeheerder, komen de in 4.2.1 bedoelde compensatievergoedingen voor rekening van de systeembeheerder van het systeem waarin de onderbreking zijn oorsprong vindt.

    • 4.2.4 De in 4.2.0 genoemde termijn van vier uur vangt voor alle door de onderbreking van de transportdienst getroffen verbruikers aan op het moment dat de distributiesysteembeheerder de eerste melding van een onderbreking ontvangt of, indien dat eerder is, het moment van vaststelling van de onderbreking door de distributiesysteembeheerder.

    • 4.2.5 De duur van de onderbreking wordt voor alle door de onderbreking van het transport van gas getroffen verbruikers bepaald als de tijdsduur tussen de in 4.2.4 gedefinieerde aanvang van de onderbreking en het moment dat het transport voor alle door de onderbreking van de transportdienst getroffen verbruikers is hersteld en voor de eerste keer is gecontroleerd of de betroffen verbruikers veilig gas kan worden geleverd. De distributiesysteembeheerder dient te registreren op welk moment deze controle heeft plaatsgevonden.

5 Bijzondere bepalingen

  • 5.1 Onvoorziene situaties

    • 5.1.1 Indien er zich situaties voordoen die niet zijn voorzien in deze code, bepaalt de distributiesysteembeheerder welke maatregelen nodig zijn, rekening houdend met de technische hoedanigheden van de installatie van de desbetreffende aangeslotene en de belangen van alle aangeslotenen.

  • 5.2 Overgangsbepalingen

    • 5.2.1 In gevallen waarin aan een of meer bepalingen van deze code op het tijdstip van inwerkingtreding ervan niet wordt voldaan, en de distributiesysteembeheerder daardoor zijn wettelijke taken niet kan uitvoeren, treedt de distributiesysteembeheerder met de betrokkene, of treden de gezamenlijke distributiesysteembeheerders onderling, in overleg teneinde vast te stellen welke aanpassingen noodzakelijk zijn en binnen welke termijn deze dienen te zijn doorgevoerd.

6 Slotbepalingen

  • 6.1 De Aansluit- en transportcode gas RNB wordt ingetrokken.

  • 6.2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  • 6.3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aansluit- en transportcode gas DSB.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 5 februari 2026

Autoriteit Consument en Markt, namens deze: M.R. Leijten bestuurslid

Als u belanghebbende bent, kunt u bezwaar maken tegen dit besluit. Stuur uw gemotiveerde bezwaarschrift naar de Autoriteit Consument en Markt, Juridische Zaken, postbus 16326, 2500 BH Den Haag of naar acm-post@acm.nl. Dit moet u doen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt. In uw bezwaarschrift kunt u de Autoriteit Consument en Markt verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.

TOELICHTING

1 Samenvatting

  • 1. Vanwege de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026 moeten de codes worden aangepast. De scope van de codes, begrippen en verwijzingen zijn veranderd. De gezamenlijke systeembeheerders hebben hiertoe een voorstel ingediend. Hierbij zijn geen beleidsmatige wijzigingen van de codes beoogd. In dit besluit keurt de ACM de Aansluit- en transportcode gas DSB goed en stelt deze vast. Deze code vervangt de Aansluit- en transportcode gas RNB, die met dit besluit wordt ingetrokken.

2 Aanleiding en gevolgde procedure

  • 2. De ACM keurt op grond van artikel 12f van de Gaswet jo. 7.42 van de Energiewet en artikel 3.121 van de Energiewet methoden of voorwaarden voor de energiemarkt goed, of stelt deze vast. Dit besluit is tot stand gekomen op basis van een voorstel van de gezamenlijke systeembeheerders dat de ACM op 22 december 2025 heeft ontvangen.

  • 3. De ACM is van mening dat het voorstel geen technische voorschriften bevat bedoeld in Richtlijn 2015/1535. Om die reden zijn de voorwaarden in dit besluit niet in ontwerp ter notificatie aangeboden.

3 Beoordeling

3.1 Procedureel

  • 4. De ACM constateert dat het voorstel op 4 december 2025 in een overleg met representatieve organisaties is besproken. In het voorstel is een verslag opgenomen van dit overleg en de indieners hebben in het voorstel aangegeven welke gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de zienswijzen die organisaties naar voren hebben gebracht. Naar het oordeel van de ACM voldoet het voorstel daarmee aan de vereisten bedoeld in artikel 12d van de Gaswet en artikel 3.120, tweede lid, van de Energiewet.

3.2 Inhoudelijk

  • 5. Op 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden. De Energiewet vervangt de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet) en Gaswet. De ACM stelde onder de E-wet en Gaswet tariefstructuren en voorwaarden vast, ook codes genoemd. Deze codes zijn onder te verdelen naar codes over tarieven en tariefstructuren, technische codes, codes over meten, codes over informatie-uitwisseling, en codes over de gebiedsindeling.

  • 6. De ACM blijft bevoegd om de codes over tarieven en tariefstructuren, en de technische codes op grond van artikel 3.121 van de Energiewet goed te keuren en vast te stellen. De codes die vastgesteld zijn onder de E-wet en Gaswet kunnen niet in de huidige vorm blijven bestaan, omdat de Energiewet begrippen dusdanig wijzigt dat een volledige herziening van de tekst en de titel van de codes noodzakelijk is.

3.3 Aansluit- en transportcode gas DSB

  • 7. Met dit besluit keurt de ACM het voorstel van de gezamenlijke systeembeheerders voor de Aansluitcodecode gas TSB goed en stelt deze vast. Deze code bevat regels voor aansluiting en transport van gas door distributiesysteembeheerders.

  • 8. De ACM beoogt met deze nieuwe code alleen beleidsneutrale wijzigingen ten opzichte van de oude Aansluit- en transportcode gas RNB. De inwerkingtreding van de Energiewet vereist ook codewijzingen die beleidskeuzes behoeven. Deze zullen later via een ander codevoorstel door de gezamenlijke systeembeheerders worden ingediend en door de ACM worden beoordeeld.

  • 9. Zoals het voorstel aangeeft, zien de wijzigingen ten opzichte van de oude codetekst op de volgende onderdelen:

    • de code is aangepast op het nieuwe begrippenkader in de Energiewet;

    • wettelijke taken en verplichtingen die niet in de Energiewet terugkomen zijn uit de code verwijderd;

    • inconsistenties tussen in de Energiewet en Europese verordeningen gedefinieerde begrippen zijn aangepast;

    • opzet van de code is meer conform de Aanwijzingen voor de Regelgeving gemaakt;

    • hoofdstukken, artikelen en bijlagen zijn vernummerd om deze in een logische volgorde te zetten; en

    • kennelijke verschrijvingen en inconsistenties in de tekst zijn hersteld.

  • 10. De meest in het oog springende begrippen die in de Energiewet zijn veranderd ten opzichte van de Gaswet, zijn:

    • een net wordt een systeem;

    • de aansluiting van een systeem op een ander systeem wordt een systeemkoppeling, behalve in geval van een aansluiting van een gesloten systeem op een ander systeem;

    • netbeheerder van het landelijk gastransportnet wordt transmissiesysteembeheerder voor gas; en

    • de regionale netbeheerder wordt distributiesysteembeheerder.

  • 11. De ACM verwijst voor een gedetailleerd overzicht van de wijzigingen naar het codevoorstel gepubliceerd op www.acm.nl.

  • 12. Met dit besluit wordt de Aansluit- en transportcode gas RNB ingetrokken. Dit heeft de ACM in artikel 6.1 toegevoegd. Ook heeft de ACM in artikel 6.2 de datum van inwerkingtreding en in artikel 6.3 de citeertitel toegevoegd.

  • 13. De ACM heeft grammatica, spelling en interpunctie in het codevoorstel waar nodig gecorrigeerd. Daarnaast heeft de ACM enkele tekstuele aanpassingen gedaan om de codebepalingen te verduidelijken.

3.4 Conclusie

  • 14. De ACM komt tot het oordeel dat de wijzigingen die de gezamenlijke systeembeheerders voorstellen niet in strijd zijn met de belangen, regels en eisen bedoeld in artikel 12f, eerste en tweede lid van de Gaswet noch artikel 3.121 van de Energiewet en keurt deze derhalve goed.

Naar boven