Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 38636 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 38636 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
gelet op artikel 5.44 van de Omgevingswet
overwegende,
dat het ten behoeve van Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel in de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal noodzakelijk is een planologische regeling als bedoeld in de Omgevingswet (hierna: Ow) te treffen;
dat op grond van artikel 6.1, lid 1 onder i, en daarmee samenhangend lid 2 van de Energiewet bepaald wordt dat artikel 16.7 van de Omgevingswet van toepassing is en de planologische regeling wordt vormgegeven in de vorm van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 e.v. Ow;
dat op grond van artikel 6,1 lid 1 onder i Energiewet artikel 16.7 van de Omgevingswet van toepassing is op de coördinatie van besluiten ter uitvoering van dit projectbesluit;
Hynetwork Services B.V. (hierna: Hynetwork) wil in de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal een waterstofnetwerk inclusief bijbehorende afsluiterlocaties realiseren. Het gaat deels om het hergebruik van bestaande aardgasleidingen en deels om nieuwe leidingen. Het Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel maakt onderdeel uit van Waterstofnetwerk Nederland.
dat omtrent het voornemen overleg als bedoeld in artikel 2.2 Ow is gepleegd met de uitvoeringsdiensten van het Rijk, provincies Drenthe en Overijssel, gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal, waterschappen Drents Overijsselse Delta, Hunze en Aa’s en Vechtstromen, en andere overlegpartners die betrokken zijn bij de zorg voor de fysieke leefomgeving of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn;
dat over het voornemen en het projectbesluit participatie is gevoerd als bedoeld in art. 5.47, lid 4 en 5.51 Ow, alsmede art. 5.3 Omgevingsbesluit (Ob);
dat met het oog op de uitvoerbaarheid van het project op 30 oktober 2025 een voorbereidingsbesluit vastgesteld is;
dat met het oog op de financiële uitvoerbaarheid van het projectbesluit mede op grond van artikel 13.13 Ow een overeenkomst is gesloten met Hynetwork omtrent het verhaal van kosten van grondexploitatie, nadeelcompensatie daaronder begrepen;
dat het daarom gelet op het bepaalde in artikel 13.14 e.v. Ow niet verplicht is kostenverhaalvoorschriften te verbinden aan het projectbesluit of kostenverhaalsregels toe te voegen aan het omgevingsplan;
dat het ontwerp van het onderhavige besluit met de bijbehorende regels en bijlagen en daarop betrekking hebbende stukken, als vervat in [KENMERK], van [DATUM] tot en met [DATUM] voor een ieder ter inzage heeft gelegen;
dat gedurende deze termijn [XX] unieke zienswijzen zijn ingediend;
[dat een aantal van deze zienswijzen aanleiding heeft gegeven [ONDERDEEL VAN] het projectbesluit aan te passen, ten opzichte van het ontwerp daarvan, van welke wijzingen in de bijlage bij dit besluit een overzicht wordt gegeven;] OF [dat geen van deze zienswijzen aanleiding heeft gegeven om het projectbesluit aan te passen];
onder verwijzing naar het milieueffectrapport “Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel Milieueffectrapport Fase 1 en 2”, het toetsingsadvies over het milieueffectrapport van de Commissie voor de milieueffectrapportage d.d. [DATUM], de reactienota vooroverlegreacties, de nota van antwoord zienswijzen en de motivering bij het projectbesluit en de hieraan ten grondslag liggende onderzoeken;
Besluiten:
Het projectbesluit vast te stellen, zoals deze in Bijlage 1 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Aa en Hunze te wijzigen, zoals in Bijlage 2 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn te wijzigen, zoals in Bijlage 3 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Coevorden te wijzigen, zoals in Bijlage 4 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Emmen te wijzigen, zoals in Bijlage 5 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg te wijzigen, zoals in Bijlage 6 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Hoogeveen te wijzigen, zoals in Bijlage 7 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe te wijzigen, zoals in Bijlage 8 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Ommen te wijzigen, zoals in Bijlage 9 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal te wijzigen, zoals in Bijlage 10 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente De Wolden te wijzigen, zoals in Bijlage 11 bij dit besluit is opgenomen.
Dit projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel treedt in werking direct na bekendmaking.
Beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de dag van bekendmaking van het projectbesluit. Op grond van artikel 16.86 Omgevingswet dienen alle gronden van beroep binnen die termijn ingediend te zijn. Na aflopen van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. In afwijking van artikel 6.6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen een projectbesluit of tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit niet-ontvankelijk verklaard als in het beroepschrift geen gronden zijn opgenomen.
Aldus besloten
Jo-Annes de Bat
Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei
Elanor Boekholt-O'Sullivan
Minstister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Met dit projectbesluit wordt het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel planologisch mogelijk gemaakt. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn bevoegd gezag voor het projectbesluit. Daar waar in dit projectbesluit de ministers worden genoemd, worden voornoemde bewindspersonen bedoeld. Hynetwork is voornemens om in de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal een waterstofleiding inclusief de benodigde afsluiterlocaties te realiseren. De waterstofleiding bestaat deels uit een omgebouwde aardgasleiding en deels uit een nieuwe leiding. Een impressie van de ligging van Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel is opgenomen in figuur 1.1.
Met de realisatie van dit project wordt beoogd de noodzakelijke infrastructuur te realiseren voor een aansluiting op Waterstofnetwerk Nederland en daarmee bij te dragen aan een efficiënte energietransitie.

In paragraaf 1.2 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Paragraaf 1.3 omvat de projectomschrijving. Vervolgens worden in paragrafen 1.4 en 1.5 en 1.6 de permanente en tijdelijke maatregelen en voorzieningen ten behoeve van het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel beschreven, alsook de maatregelen ten behoeve van het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van (het in werking hebben of instand houden van) het project voor de fysieke leefomgeving.
1. Permanente maatregelen
Werken en voorzieningen van infrastructurele, waterhuishoudkundige, landschappelijke, landbouwkundige, ecologische of andere aard die worden gerealiseerd teneinde nadelige gevolgen van de realisatie en/of exploitatie van het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel te verminderen of te voorkomen.
2. Tijdelijke maatregelen
Maatregelen die alleen nodig zijn voor de aanlegfase van het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel, waaronder bouwplaatsen, installaties, werk- en montageterreinen, opslagplaatsen, parkeerplaatsen, bouwketen, depots, bouwwegen, persleidingen, laad- en lostplaatsen, grond- en zanddepots, energievoorziening, afrastering, drainage, riolering en wegomleggingen. Tijdelijke maatregelen worden niet langer in standgehouden dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van de aanlegfase van het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel en blijven uiterlijk tot twee jaar na afronding van de aanlegfase van het project in stand.
Dit projectbesluit heeft betrekking op de realisatie en exploitatie van het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel en maakt de volgende voorzieningen mogelijk:
de ombouw van een aardgasleiding en de exploitatie als waterstofleiding tussen Nieuwediep en Ommen en de daarvoor benodigde:
a. afsluiterlocatie;
b. ombouw van bestaande afsluiterlocaties.
de realisatie en exploitatie van een waterstofleiding tussen Elim en Vlieghuis en de daarvoor benodigde afsluiterlocatie;
de realisatie en exploitatie van een waterstofleiding tussen Vlieghuis en NAM-Schoonebeek en de daarvoor benodigde:
a. afsluiterlocatie;
b. ombouw van een bestaande afsluiterlocatie;
de ombouw van een aardgasleiding en exploitatie als waterstofleiding tussen NAM-Schoonebeek en Nieuw-Amsterdam;
de realisatie en exploitatie van een waterstofleiding tussen Nieuw-Amsterdam en GZI Emmen en de daarvoor benodigde afsluiterlocatie.
In dit project is dit niet van toepassing.
In verband met de uitvoering van het projectbesluit kunnen tijdelijke maatregelen, bouwwerken en voorzieningen worden gerealiseerd of uitgevoerd. De tijdelijke maatregelen kunnen worden gerealiseerd en uitgevoerd binnen de grenzen van het gehele regelinggebied.
De gronden waarop tijdelijke maatregelen en voorzieningen worden getroffen, krijgen na uitvoering van de werkzaamheden hun oorspronkelijke functie volgens het omgevingsplan terug, zoals deze gold voor de datum van de inwerkingtreding van het projectbesluit, tenzij in de regels van dit projectbesluit die het omgevingsplan wijzigen anders is bepaald.
Binnen het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel is het voornemen om nadelige gevolgen op de leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of te compenseren. Hiertoe dienen de volgende permanente maatregelen te worden getroffen:
Maatregelen ten aanzien van het verlies aan houtopstanden
Het verlies van houtopstanden wordt gecompenseerd door herbeplanting binnen 5 jaar na het (deels) vellen van de houtopstanden.
Maatregelen ter verbetering van de bodemkwaliteit
Ter plaatse van twee slootdempingen (MG-0310 en MG-0320) zal de bodem gesaneerd worden en bij afsluiterlocatie S-444 wordt de sterk verontreinigde grond verwijderd. Hierbij wordt voldaan aan de BRL SKIB-6000 en 7000 en de bijbehorende protocollen.
Maatregelen ter voorkoming van zetting
Zetting wordt zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door toepassing van onderstaande maatregelen:
Het grondwater niet verder verlagen dan noodzakelijk, waarbij wordt voldaan aan de BRL SIKB-12000;
Retourbemaling in zandlagen;
Het plaatsen van damwanden.
Maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten op de grondwaterstand en grondwaterstroming
Negatieve effecten op de grondwaterstand en grondwaterstroming worden zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door toepassing van onderstaande maatregelen:
Zo effectief mogelijk bemalen met een minimale doorlooptijd en onttrekkingsdiepte, waarbij wordt voldaan aan de BRL SIKB-12000;
Het toepassen van retourbemaling;
Retourbemaling in zandlagen.
Maatregelen ter voorkoming van tijdelijk negatieve effecten op bomen binnen NNN-gebied waar grondwater aan wordt onttrokken
Negatieve effecten op bomen binnen NNN-gebied waar grondwater wordt onttrokken wordt zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door toepassing van onderstaande maatregelen:
Zo effectief mogelijk bemalen met een minimale doorlooptijd en onttrekkingsdiepte, waarbij wordt voldaan aan de BRL SIKB-12000;
Daar waar negatieve effecten kunnen optreden binnen een NNN-gebied, wordt gewerkt buiten het groeiseizoen.
De exacte locaties waar dit geldt zijn aangegeven in paragraaf 3.2.3 van het achtergrondrapport natuur behorende bij het MER.
Maatregelen ter voorkoming van tijdelijk negatieve geluidseffecten op stiltegebieden.
Indien werkzaamheden plaatsvinden in de nabijheid van stilgebieden wordt geluidverstoring op natuur zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door toepassing van onderstaande maatregel:
het 24-uursgemiddeld geluidniveau LAeq,24h van de werkzaamheden mag niet meer bedragen dan 40dB(A).
Maatregelen ter voorkoming van tijdelijk negatieve effecten op akkervogels
Negatieve effecten op akkervogels worden zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door toepassing van onderstaande maatregelen:
Het opstellen van een ecologisch werkplan voor de uitvoeringswerkzaamheden;
De werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen laten plaatsvinden, wanneer deze werkzaamheden plaatsvinden nabij akkervogels. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen moeten plaatsvinden, vindt vooraf aan de werkzaamheden een inspectie plaats door een ecoloog. Indien in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, wordt een beschermingszone rondom het nest van minimaal 10 meter aangehouden, waarbinnen geen werkzaamheden worden uitgevoerd.
Bemaling zoveel mogelijk buiten het groeiseizoen laten plaatsvinden om verdroging te voorkomen. Indien bemaling binnen het groeiseizoen moet plaatsvinden, blijkt uit het ecologisch werkplan dat zo effectief mogelijk wordt bemalen, met een minimale doorlooptijd en onttrekkingsdiepte, en dat wordt voldaan aan BRL SIKB 12000.
Maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten op natuurlijke landschapselementen
Negatieve effecten op natuurlijke landschapselementen worden zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door toepassing van de onderstaande maatregelen:
Aanpassing in de aanlegmethoden naar een sleufloze methode;
Als permanent verlies niet kan worden voorkomen; het terugplaatsen van een dergelijke element met eenzelfde ecologische waarde.
De exacte locaties waar dit geldt zijn aangegeven in paragraaf 5.3.1 van het achtergrondrapport natuur behorende bij het MER.
Maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten op beschermde soorten
Negatieve effecten op beschermde soorten wordt zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door het toepassen van onderstaande maatregel:
Voor specifieke soorten kunnen onderstaande maatregelen worden toegepast:
Vleermuizen
Geen gebruik maken van kunstmatige verlichting op de werkterreinen tussen april en november;
Tijdens de actieve periode (april tot november) werken tussen zonsopgang en zonsondergang.
Dassen
Het plaatsen van een hek met lichtdoek tussen de bijburcht bij afsluiterlocatie S-218 en het tijdelijke fietspad;
De werkzaamheden overdag uitvoeren;
Een ecoloog laten controleren op de aanwezigheid van dassen voorafgaand aan de werkzaamheden;
Indien een das wordt waargenomen tijdens de werkzaamheden, de werkzaamheden stoppen en contact opnemen met de ecoloog.
Broedvogels
Bij een jaarrond beschermd nest; het behouden van de boom met het nest;
Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren;
Bemaling zoveel mogelijk buiten het groeiseizoen laten plaatsvinden om verdroging te voorkomen. Indien bemaling binnen het groeiseizoen moet plaatsvinden, blijkt uit het ecologisch werkplan dat zo effectief mogelijk wordt bemalen, met een minimale doorlooptijd en onttrekkingsdiepte, en dat wordt voldaan aan BRL SIKB 12000.
Maatregelen ter voorkoming van geluidsoverlast
Geluidsoverlast wordt zoveel als mogelijk voorkomen, onder andere door het toepassen van onderstaande maatregelen, waarbij wordt voldaan aan artikel 7.17 Besluit bouwwerken leefomgeving:
Het gebruik van hydraulisch aangedreven trilblokken;
Het drukken in plaats van intrillen van damwanden;
Het plaatsen van geluidschermen rondom de werkzone;
Het maken van een geoptimaliseerde werkplanning, waarbij geluidhevige activiteiten zo kort mogelijk en geclusterd plaatsvinden.
Maatregelen ter voorkoming van trillinghinder
Trillighinder wordt zoveel als mogelijk voorkomen, door alle werkzaamheden te laten voldoen aan de streefwaarden uit de meet- en beoordelingsrichtlijn B, “Hinder voor personen in gebouwen”.
Voor de aanleg en instandhouding van het project is een projectbesluit noodzakelijk. Daarnaast zijn allerlei uitvoeringsbesluiten (vergunningen, ontheffingen, meldingen e.d.) vereist om tot daadwerkelijke realisatie van het project te komen. De minister heeft op 1 april 2022 besloten dat de coördinatieregeling van toepassing is op het landelijke Waterstofnetwerk. Op grond van het overgangsrecht (artikel 4.106a Invoeringswet Omgevingswet) geldt dat een besluit tot toepassing van de coördinatieregeling wordt aangemerkt als een besluit op grond van artikel 5.45, lid 1 van de Omgevingswet. Dat betekent dat artikel 16.7 Omgevingswet en daarmee de coördinatieregeling uit afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing is op de voorbereiding van de besluiten ter uitvoering van het projectbesluit.
Dit projectbesluit voorziet in het ruimtelijk mogelijk maken van het project en geldt niet als:
Op basis van artikel 4.19a van de Omgevingswet worden er in een omgevingsplan van de gemeente Aa en Hunze, de gemeente Borger-Odoorn, de gemeente Coevorden, de gemeente Emmen, de gemeente Hardenberg, de gemeente Hoogeveen, de gemeente Midden-Drenthe, de gemeente Ommen en de gemeente Stadskanaal danwel in een omgevingsverordening van de provincie Drenthe, de provincie Groningen en de provincie Overijssel gedurende een termijn van 5 jaar na vaststelling van dit projectbesluit geen regels gesteld die het uitvoeren van het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel belemmeren. Een belemmering is in ieder geval niet aan de orde als bij het stellen van de regels wordt voorzien in de regels zoals aangegeven in bijlage 2 tot en met bijlage 10 bij artikel 2 van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit.
Dit projectbesluit wijzigt de omgevingsplannen van de gemeente Aa en Hunze, de gemeente Borger-Odoorn, de gemeente Coevorden, de gemeente De Wolden, de gemeente Emmen, de gemeente Hardenberg, de gemeente Hoogeveen, de gemeente Midden-Drenthe, de gemeente Ommen en de gemeente Stadskanaal, zoals aangegeven in bijlage 2 tot en met bijlage 10 bij artikel 2 van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit.
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing:
bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
kwetsbare gebouwen en locaties
kwetsbaar gebouw of locatie als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronden werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
De activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
a. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
b. de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90, eerste lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1 Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Aa en Hunze.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied ‘waterstofleiding’ wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied ‘waterstofleiding’ toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_aanenhunze/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_aaenhunze/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_aanenhunze/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_aaenhunze/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten;
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;onze staatssecretarisde Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronden werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:a. b. d
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90, eerste lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1 Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Borger-Odoorn.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:a. door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;b. de activiteit hiermee in overeenstemming met het omgevingsplan wordt gebracht.
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_borgerodoorn/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_borgerodoorn/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied-borgerodoorn/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_borgerodoorn/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronden van de werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:a. b. c.e. f.
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - archeologie 1 wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 1 bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken met een diepte van minder dan 0,3 m.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 1 de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
uitgevoerd worden tot een gronddiepte van 0,3 m beneden maaiveld;
werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van het doen van archeologisch onderzoek met als enig doel het doen van archeologisch onderzoek;
het normale onderhoud dan wel het normale gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - archeologie 2 wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 2 bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken met een (gezamenlijke) oppervlakte van minder dan 500 m2 een diepte van minder dan 0,3 m.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 2 de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
uitgevoerd worden tot een oppervlakte van 500 m2 een gronddiepte van 0,3 m beneden maaiveld;
werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van het doen van archeologisch onderzoek met als enig doel het doen van archeologisch onderzoek;
het normale onderhoud dan wel het normale gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - hoogspanningsverbinding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - hoogspanningsverbinding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen.
Het in het eerste lid genoemde is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - leiding gas wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - leiding gas de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen.
Het in het eerste lid genoemde is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - waterbergingsgebied wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij de waterstaatsbeheerder.
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90, eerste lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1 Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Coevorden.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedafsluiter_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedarcheologie1_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedarcheologie2_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedhoogspanning_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedleidinggas_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterbergingsgebied_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_coevorden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_coevorden/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronding van de werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.Item
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.Item
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
a.het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
De activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - archeologie 3 wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 3 bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken met een (gezamenlijke) oppervlakte van minder dan 1.000 m2 een diepte van minder dan 0,3 m.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 3 de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
uitgevoerd worden tot een oppervlakte van 1.000 m2 en een gronddiepte van 0,3 m beneden maaiveld;
werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van het doen van archeologisch onderzoek met als enig doel het doen van archeologisch onderzoek;
het normale onderhoud dan wel het normale gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - leiding gas wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - leiding gas de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen.
Het in het eerste lid genoemde is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Emmen.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_emmen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_emmen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedarcheologie3_emmen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedleidinggas_emmen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_emmen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_emmen/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronding van de werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
a. het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
b. het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
c. het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
d. het beheren van de energie-infrastructuur;
e. het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Hardenberg.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_hardenberg/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_hardenberg/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedafsluiter_hardenberg/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_hardenberg/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_hardenberg/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronding van de werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - archeologie 3 wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 3 bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken met een (gezamenlijke) oppervlakte van minder dan 1.000 m2 en een diepte van minder dan 0,3 m.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied ‘waterstof - archeologie 3’ de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
uitgevoerd worden tot een oppervlakte van 1.000 m2 en een gronddiepte van 0,3 m beneden maaiveld;
werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van het doen van archeologisch onderzoek met als enig doel het doen van archeologisch onderzoek;
het normale onderhoud dan wel het normale gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstof - archeologie 4 wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 4 bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken met een (gezamenlijke) oppervlakte van minder dan 2.000 m2 een diepte van minder dan 0,3 m.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - archeologie 4 de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
uitgevoerd worden tot een oppervlakte van 2.000 m2 en een gronddiepte van 0,3 m beneden maaiveld;
werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van het doen van archeologisch onderzoek met als enig doel het doen van archeologisch onderzoek;
het normale onderhoud dan wel het normale gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
een onderzoeksrapport wordt overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
door de gemeente contact is opgenomen met de provincie indien de voorgenomen bodemingrepen plaatsvinden in gebieden van provinciaal archeologisch belang;
als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied ‘waterstof - leiding gas’ wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstof - leiding gas de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen.
Het in het eerste lid genoemde is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door burgemeester en wethouders schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Hoogeveen.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedafsluiter_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedarcheologie3_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedarcheologie4_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedleidinggas_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_hoogeveen/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronding van de werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
a.het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur Midden-Drenthe.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_middendrenthe/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_middendrenthe/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedafsluiter_middendrenthe/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_middendrenthe/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_middendrenthe/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beschermingszone
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronding van de werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
a. het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
b. het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
c. het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
d. het beheren van de energie-infrastructuur;
e. het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
a. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
b. de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
c. er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
a. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
b. de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding bouwwerken te bouwen;
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de afsluiterlocatie waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied afsluiterlocatie waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90, eerste lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1 Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Ommen.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
1. Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_ommen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_ommen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedafsluiter_ommen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_ommen/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_ommen/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningen
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronden werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouw
zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
a. het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
b. het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
c. het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
d. het beheren van de energie-infrastructuur;
e. het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding bouwwerken te bouwen;
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2;
tijdelijke bouwactiviteiten ten behoeve van de waterstofleiding, voor zover wordt voldaan aan de regels in afdeling 3.2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelstellingen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding;
er geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegelaten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanleggen of veranderen van andere oppervlakteverhardingen;
het planten van bomen en het aanplanten van andere beplantingen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
Het voorgaande is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud dan wel het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit projectbesluit;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding, waarbij het bevoegd gezag het schriftelijk advies van de beheerder van de waterstofleiding moet betrekken;
de activiteit ook, gelet op de doelen van artikel 1.2, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterstofleiding.
Het is verboden in het beperkingengebied waterstofleiding de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90, eerste lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1 Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energie-infrastructuur binnen het projectgebied Stadskanaal.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 1.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Bij het verrichten van activiteiten binnen werkingsgebied waterstofleiding wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is ter plaatse van werkingsgebied waterstofleiding toegestaan de volgende activiteiten te verrichten:
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.6 aangewezen activiteiten gebouwd worden.
De maximale bouwhoogte van afsluiters bedraagt niet meer dan 2,01 meter.
De maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 7,50 meter.
De maximale bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 2,85 meter.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij:
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_stadskanaal/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_bepgebiedwaterstofleiding_stadskanaal/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_stadskanaal/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_werkingsgebied_stadskanaal/nld@2026‑10‑30
Voor zover de regels van het omgevingsplan, waaronder begrepen de regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.7 Omgevingswet juncto artikel 2.1 eerste lid en artikel 2.1a Omgevingsbesluit, afwijken van de regels waarmee het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan onder:
afsluiterlocatie
een fysiek afgebakend terrein, voorzien van een installatie, waarmee een (hoge druk) transportleiding voor gas kan worden afgesloten.
beperkingengebied
aan een waterstofleiding grenzende zone, waarin ter bescherming van die leiding en in het kader van veiligheid voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bestaand
bij bebouwing: bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
gestuurde boring
het sleufloos installeren van ondergrondse lijnvormige infrastructuur via een geleidelijke parabool van het intredepunt naar het uittredepunt;
in- en uittredepunt
het punt waar de gestuurde boring start dan wel eindigt;
kwetsbare gebouwen en locaties
kwetsbaar gebouw of locatie als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving;
onze staatssecretaris
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei;
projectbesluit
het projectbesluit Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
tijdelijke (bouw)activiteiten
(bouw)activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van het de waterstofleiding en/of de afsluiterlocatie(s) en welke tot één jaar na afronding van de werkzaamheden in stand gehouden mogen worden;
tijdelijke voorzieningenbouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal twee jaar;
tijdelijk werkterrein
een werkterrein dat na de werkzaamheden op het betreffende werkterrein voor zover redelijkerwijs mogelijk binnen twee jaar na afronden werkzaamheden weer in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
waterstofleiding
een buisleiding voor het transport van waterstofgas, inclusief voorzieningen;
zeer kwetsbaar gebouwzeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor de energie-infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energie-infrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energie-infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energie-infrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energie-infrastructuur.
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energie-infrastructuur.
Er is een Brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar de aanvullende bouweisen uit de artikel 4.90, eerste lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt voor nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.1 Besluit bouwwerken leefomgeving voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in bijlage VI, onder E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_projectgebied_dewolden/nld@2026‑10‑30
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_wndo_brandvoorschriftengebied_dewolden/nld@2026‑10‑30
Deze motivering bevat de onderbouwing van het besluit van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het planologisch mogelijk maken van Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel inclusief bijbehorende afsluiterlocaties. Het gaat deels om het hergebruik van bestaande aardgasleidingen en deels om nieuwe leidingen.
Het waterstofnetwerk Drenthe Overijssel loopt van Nieuwediep naar Ommen, met een aftakking richting Emmen bij Elim. Hiermee wordt beoogd de noodzakelijke infrastructuur te creëren voor de transitie naar een duurzame energievoorziening.
Het voorgenomen project bevat een waterstofleiding en bijbehorende afsluiterlocaties. De waterstofleiding bestaat deels uit hergebruik van een bestaande aardgastransportleiding en deels uit nieuwe leiding.
Het gebied waar dit projectbesluit betrekking op heeft betreft het tracé voor de waterstofleidingen en bijbehorende afsluiterlocaties. Het regelingsgebied is neergelegd op de kaart die bij dit besluit hoort en deze is als bijlage te raadplegen in de Staatscourant of via https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/waterstofnetwerk-do.
De grondslag van dit projectbesluit is artikel 5.44 Omgevingswet. Dit projectbesluit bevat het ruimtelijk planologische besluit. De uitvoeringsbesluiten die nodig zijn voor het realiseren en instandhouden van het project maken geen onderdeel uit van het projectbesluit. De procedures voor de uitvoeringsbesluiten worden gecoördineerd doorlopen met de procedure om te komen tot het projectbesluit (projectprocedure).
Omgevingswet
De Omgevingswet vormt het juridische kader voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en een ministeriële regeling (Omgevingsregeling), die ook op 1 januari 2024 in werking zijn getreden. De vier AMvB’s zijn:
Omgevingsbesluit (Ob)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Voor het onderhavige projectbesluit zijn met name het Bkl en het Ob van belang (zie navolgende kopjes).
Het projectbesluit is een instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk en is bedoeld om complexe projecten met een publiek belang mogelijk te maken. In het projectbesluit beschrijft het bevoegd gezag hoe het project eruit zal zien. Ook geeft het bevoegd gezag inzicht in de maatregelen en voorzieningen voor de fysieke leefomgeving die genomen worden om het project te realiseren. Dit kunnen permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen zijn.
Als het project mogelijk nadelige gevolgen voor de leefomgeving heeft, geeft het bevoegd gezag aan welke maatregelen er komen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken, te beperken of te compenseren. Dit zijn maatregelen tijdens de uitvoering van het project. Het kan ook gaan om maatregelen in de periode dat het project in gebruik is (art. 5.6 Ob).
In het projectbesluit geeft het bevoegd gezag aan wat de resultaten van de verkenning zijn. Ook staat erin hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken (art. 5.51 Ow). Het projectbesluit geeft dus aan hoe de participatie is uitgevoerd. Tot slot gaat het projectbesluit in op oplossingen die burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen hebben aangedragen. Daarnaast gaat het in op de adviezen van deskundigen hierover.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Bkl voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Er staat onder andere in wat er in omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen moet staan. Ook omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl. Verder geeft het Bkl regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. En regels over monitoring en gegevensverzameling. Op grond van artikel 5.1 Bkl geldt hoofdstuk 5 alleen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Met dit projectbesluit worden de omgevingsplannen van de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal gewijzigd. Daarom is in dit projectbesluit een toetsing aan het Bkl opgenomen (zie paragraaf 2.1.6).
Omgevingsbesluit
In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Bijvoorbeeld: wie bevoegd gezag is voor een omgevingsvergunning, welke procedure van toepassing is en hoe de milieueffectrapportage plaatsvindt. Het Omgevingsbesluit geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving - burgers, bedrijven en overheid.
Omgevingsplannen
Op het moment beschikken de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal nog niet over een volwaardig omgevingsplan in de zin van de Omgevingswet. Op dit moment vigeert ter plaatse van het besluitgebied de omgevingsplannen van rechtswege. Het project ‘Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel’ past niet binnen de tijdelijke omgevingsplannen. Daarom worden de regels van de omgevingsplannen met dit projectbesluit gewijzigd. Dit wordt gedaan door een ‘tijdelijk regelingdeel’ toe te voegen aan een omgevingsplan. Met dit tijdelijk regelingdeel kunnen via het projectbesluit de wijzigingen van het omgevingsplan ingevoegd worden in een apart deel van het omgevingsplan. Omdat het projectbesluit omgevingsplannen van meerdere gemeenten wijzigt, bevat het voor ieder omgevingsplan een apart tijdelijk regelingdeel. In dat tijdelijke regelingdeel is duidelijk aangegeven wat de verhouding is met de overige regels van het omgevingsplan. In de onderhavige motivering wordt onderbouwd dat bij de wijziging van de omgevingsplannen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om de uitstoot van broeikasgassen te beperken (met als doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn), wordt er in heel Nederland gewerkt aan de transitie naar een CO2- neutrale samenleving. Dat vraagt om grote aanpassingen van ons (nationale) energiesysteem. In de ‘Kabinetsvisie waterstof’ heeft het Kabinet aangegeven dat de ontwikkeling van een CO2-vrije waterstofketen noodzakelijk is voor een CO2-vrij energie- en grondstoffensysteem. In elk denkbaar scenario voor de verduurzaming van het energie- en grondstoffensysteem speelt waterstof een robuuste rol. Voor waterstof is ondersteunende infrastructuur nodig. Producenten, importeurs en afnemers van waterstof in binnen- en buitenland moeten elkaar kunnen bereiken en daarvoor is het transportnet onmisbaar. Ook het ontsluiten van cavernes voor de opslag van waterstof is voor flexibiliteit en leveringszekerheid van groot belang.
Centrale uitdaging is het op gang brengen van een duurzame waterstofketen. Dit is een complex vraagstuk. Vraag, aanbod, opslag en infrastructuur moeten zich ontwikkelen en hier zijn grote afhankelijkheden tussen. Daarbij heeft deze ontwikkeling een groeiende ruimtelijke impact in de fysieke leefomgeving. De ontwikkeling en dimensionering van het infrastructuurnetwerk hangen samen met de verwachte vraag en aanbod. Zowel de ontwikkeling van vraag, aanbod, opslag en infrastructuur worden sterk beïnvloed door overheidsbeleid. Het kabinet kiest voor een publieke rol voor de ontwikkeling van het waterstofnetwerk, zeker in de start en ontwikkelfase.
Voor een voortvarende ontwikkeling van de waterstofmarkt, is het randvoorwaardelijk en essentieel om stappen te zetten om tijdig de infrastructuur te realiseren. Zodat vraag en aanbod gekoppeld kunnen worden, zowel nationaal als internationaal.
Waterstofnetwerk Nederland
Hynetwork ontwikkelt een landelijk netwerk van hogedruk waterstofleidingen genaamd Waterstofnetwerk Nederland. Figuur 1.1 geeft een overzicht weer van het waterstofnetwerk dat ontwikkeld gaat worden. Het Waterstofnetwerk Nederland wordt ontwikkeld als een open waterstoftransportsysteem, zodat toeleveranciers en gebruikers van het waterstof gebruik kunnen maken van de transportleidingen.

Vier fasen
Het waterstofnetwerk wordt in vier fasen ontwikkeld. In de eerste fase wordt in het Rotterdamse havengebied het eerste deel van het waterstofnetwerk gebouwd. In de tweede fase volgen de industriële clusters aan de kust. Het gaat om de volgende clusters:
Rotterdam;
Noord-Nederland, inclusief de verbinding met een waterstofopslag en grensverbindingen met Duitsland;
Noorzeekanaalgebied;
Zuidwest-Nederland, inclusief de eerste grensverbinding met België.
Het is mogelijk dat in het allereerste stadium van ontwikkeling vraag en aanbod nog lokaal en binnen de clusters gekoppeld kunnen worden. Wanneer de volumes waterstof groter worden, is opslag nodig en zal meer uitwisseling van stromen plaatsvinden tussen de clusters. Marktpartijen hebben aangegeven te verwachten dat in de eerste fase van de ontwikkeling verbindingen tussen de clusters nodig zijn. Import en uitvoer naar Duitsland wordt ook in deze fase voorzien. Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel maakt onderdeel uit van de tweede fase en bedient samen met Waterstofnetwerk Groningen het industriële cluster Noord-Nederland (Eemshaven, Delfzijl en Emmen).
In de derde fase wordt het waterstofnetwerk verbonden met Limburg en worden de industriële clusters met elkaar verbonden. Aan het eind van de derde fase kunnen alle industriële clusters aangesloten zijn op het transportnet en de wateropslag. Daarnaast zijn dan de verbindingen met de buurlanden gerealiseerd.
In fase vier wordt gewerkt aan het versterken van het netwerk. Den Helder wordt verbonden met Beverwijk en via de IJsselmeerroute wordt Noord-Nederland met Noord-Holland verbonden. Zo ontstaat een gesloten netwerk waardoor veel plaatsen langs twee routes beleverd kunnen worden en dat vergroot de leveringszekerheid. Daarnaast wordt er in deze fase gewerkt aan grensverbindingen, als er meer grenscapaciteit nodig is. Tot slot wordt verwacht dat een waterstofnetwerk op zee zal worden gerealiseerd en dat dit netwerk wordt verbonden met het waterstofnetwerk in Nederland.
Voor het voorgenomen project wordt door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (KGG) en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) een projectbesluit opgesteld op grond van de Omgevingswet. Een projectbesluit maakt de aanleg en het gebruik van het waterstofnetwerk mogelijk en kan ook direct het gemeentelijke omgevingsplan wijzigen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. Op grond van artikel 6.1, lid 1 onder i Energiewet is het noodzakelijk om voor het aanleggen van een waterstofleiding een projectbesluit vast te stellen. Voor het projectbesluit wordt de projectprocedure doorlopen (afdeling 5.2 Omgevingswet). Deze procedure bestaat voor het voorgenomen project uit meerdere stappen, zoals weergegeven in figuur 1.2. Eerste stap in de projectprocedure is de kennisgeving en het voornemen om een verkenning uit te voeren. Hierna start de verkenningsfase (stappen twee tot en met vier). In de verkenningsfase (artikel 5.48 Omgevingswet) verzamelt het bevoegd gezag de nodige kennis en inzichten over:
de aard van de opgave;
de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving; en
de mogelijke oplossingen voor die opgave.
Het eindresultaat van de verkenning is de besluitvorming over het voorkeursalternatief. Na het vaststellen van het voorkeursalternatief start de planuitwerkingsfase (stap 7 en 8). In de planuitwerkingsfase wordt het voorkeursalternatief verder onderzocht in project-MER Fase 2 en wordt het projectbesluit opgesteld en vastgesteld. Het voorkeursalternatief wordt in het projectbesluit planologisch vastgelegd.

Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 de uitgebreide projectbeschrijving, waarna in hoofdstuk 3 de toetsing aan de verschillende beleidskaders en regelgeving plaatsvindt. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de verkenning van het project en in hoofdstuk 5 wordt de doorlopen participatie beschreven. In hoofdstuk 6 tot en met 10 vindt de toets aan specifieke omgevingsaspecten plaats. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de verschillende aspecten die gericht zijn op de bescherming van de gezondheid en het milieu. Hoofdstuk 7 gaat in op wateraspecten, hoofdstuk 8 op veiligheidsaspecten, hoofdstuk 9 op landschappelijke waarden en hoofdstuk 10 op natuurbescherming. Het behoud van de staat en de werking van infrastructuur en voorzieningen wordt in hoofdstuk 11 gemotiveerd en op de effecten van het project op het ruimtegebruik wordt in hoofdstuk 12 ingegaan. Hoofdstuk 13 beschrijft de uitvoerbaarheid en tot slot wordt in hoofdstuk 14 de formele procedure beschreven.
Het project bestaat uit het ontwikkelen van een leidinginfrastructuur voor het transport van waterstof in Drenthe en Overijssel. Het gaat om een leidingtracé van Stadskanaal naar Ommen met een aftakking bij Elim via Vlieghuis naar Emmen.
Het project bestaat grotendeels uit bestaande aardgasleidingen die omgebouwd en hergebruikt worden. Voor bepaalde delen van het tracé is het niet mogelijk een bestaande leidingen te gebruiken. Voor deze delen worden nieuwe leidingen aangelegd. Het project bestaat uit de volgende onderdelen:
hergebruik bestaande aardgasleidingen;
nieuwbouw waterstofleidingen;
aanpassen/verwijderen van bestaande afsluiterlocaties voor aardgas en nieuwbouw van afsluiterlocaties voor waterstof.
Het project bestaat uit vijf tracédelen:
Nieuwediep (bij Stadskanaal) - Ommen (hergebruik)
Elim - Vlieghuis (nieuwe waterstofleiding)
Vlieghuis - NAM Schoonebeek (nieuwe waterstofleiding)
NAM Schoonebeek - Nieuw-Amsterdam (hergebruik)
Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen (nieuwe waterstofleiding)
In paragraaf 4.2.2 wordt verder ingegaan op de vijf tracédelen.
Hergebruik aardgasleidingen
Bij het hergebruik van de aardgasleidingen moeten meerdere werkzaamheden uitgevoerd worden.
De aardgasleiding wordt inwendig gereinigd en geïnspecteerd. Hierbij zijn alleen bovengrondse activiteiten bij de begin- en eindpunten (de afsluiterlocaties) van de te reinigen leidingdelen.
Ontkoppelen van de her te gebruiken aardgasleidingen van het aardgasnetwerk en het verwijderen van niet meer benodigde onderdelen.
Wanneer ingebruikname niet direct plaatsvindt moeten de her te gebruiken leidingdelen geconserveerd worden. Dit wordt gedaan door het leidingdeel aan beide zijden te voorzien van een bolle bodem en de leiding te vullen met stikstof onder lichte overdruk.
Door middel van nieuw te bouwen afsluiterlocaties worden de leidingen gekoppeld aan de overige leidingen binnen het waterstofnetwerk.
Testen en in bedrijf nemen van de nieuwe waterstofinfrastructuur.
Tussen de afsluiterlocatie Nieuwediep bij Stadskanaal en de afsluiterlocatie S-444 nabij Ommen wordt voor een afstand van 76 kilometer gebruik gemaakt van de bestaande aardgasleiding A-619 met een diameter van 120 centimeter. Daarnaast kan tussen de NAM-locatie Schoonebeek en afsluiterlocatie Siepeldijk bij Nieuw-Amsterdam voor een afstand van ongeveer vier kilometer gebruik gemaakt worden van de bestaande aardgasleiding A-605-01 met een diameter van 20 centimeter.
Nieuwbouw waterstofleidingen
Binnen Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel moeten op drie tracédelen nieuwe waterstofleidingen aangelegd worden.
Elim - Vlieghuis
Tussen afsluiterlocatie S-440 bij Elim en exportstation Vlieghuis wordt een nieuwe waterstofleiding aangelegd van ongeveer 23 kilometer met een diameter van 60 centimeter.
Vlieghuis - NAM Schoonebeek
Tussen het exportstation Vlieghuis en NAM-locatie Schoonebeek wordt een nieuwe waterstofleiding aangelegd van ongeveer vijf kilometer met een diameter van 20 centimeter.
Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen
Tussen de bestaande afsluiterlocatie S-798 Siepeldijk en het GZI-terrein in Emmen wordt een nieuwe waterstofleiding aangelegd van ongeveer 8 kilometer met een diameter van 20 centimeter.
De nieuwe leidingen komen ondergronds te liggen. Ondergrondse leidingen hebben meerdere voordelen. De kans op beschadiging neemt af (veiligheid), er zijn minder technische ondersteuningsconstructies nodig (techniek/financieel), de leidingen zijn niet zichtbaar (beeldkwaliteit) en het bovengrondse maaiveld kan voor veel andere functies gebruikt worden (dubbel ruimtegebruik).
Om de leidingen te beschermen tegen fysieke beschadiging wordt een belemmeringengebied ingesteld. Dit is een strook met een breedte van vijf meter aan weerszijden van het hart van de leiding. Binnen dit belemmeringengebied gelden beperkingen ten behoeve van de veiligheid van de leiding. Zo mag er geen diepwortelende beplanting worden geplaatst, geldt er een vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken in dit gebied en zijn er beperkingen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.
Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel wordt ontworpen op een maximale toegestane druk van 66,2 bar. Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel wordt in eerste instantie gebruikt met een druk tussen de dertig en vijftig bar. Als in de toekomst blijkt dat deze druk onvoldoende blijkt door toegenomen aanbod van en vraag naar waterstof, kan de operationele druk worden verhoogd naar maximaal 66,2 bar.
De leidingen worden voornamelijk aangelegd in open ontgraving. Dit houdt in dat er een sleuf wordt gegraven waar de leidingen in gelegd worden en daarna wordt de sleuf weer opgevuld met de vrijgekomen grond. Er wordt gestreefd om 1,6 meter gronddekking boven de leidingen te realiseren. Op locaties waar aanleg door middel van een open ontgraving niet mogelijk is, bijvoorbeeld als een watergang of belangrijke infrastructuur gekruist moet worden, kan gebruikt gemaakt worden van boringen en persingen. De leidingen komen dan in het algemeen dieper te liggen.
Afsluiterlocaties
Afsluiterlocaties zijn kleinschalige installaties waarmee leidingsecties kunnen worden afgesloten om waterstoftransport te onderbreken. Met behulp van de afsluiters kunnen delen van de leiding worden afgesloten om onderhoud te plegen. De afsluiterlocaties zijn ook nodig om het systeem te kunnen uitbreiden. Een afsluiterlocatie is bovengrond toegankelijk en bedienbaar. De afsluiter zelf bevindt zich in de leiding onder de grond.
Afsluiterlocaties van aardgas zijn niet geschikt voor waterstof en waterstof heeft minder afsluiters nodig dan aardgas. Daarom worden bij de aardgasleidingen die hergebruikt worden de afsluiters verwijderd en vervangen door een passtuk. Op vier locaties wordt een nieuwe afsluiterlocatie voor waterstof gebouwd. Deze worden aangelegd op of nabij bestaande afsluiterlocaties van Gasunie of op een bedrijventerrein. In totaal worden twaalf afsluiterlocaties ontkoppeld. Bij Elim, Schoonebeek en Ommen-Oost worden nieuwe afsluiterlocaties gerealiseerd.
Het projectgebied van Waterstofnetwerk Drenthe en Overijssel ligt in de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe, Ommen en Stadskanaal. Het projectgebied is opgedeeld in vijf deelgebieden, verdeeld over de provincies Drenthe en Overijssel. Een klein gedeelte van het project, in het noorden van het projectgebied, bevindt zich in de provincie Groningen. Zie figuur 2.2.

Voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen kan het beste worden gedaan als landen samenwerken. Hiervoor maakt de overheid afspraken met andere landen. Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken:
Klimaatverdrag van de VN uit 1992 Dit is het eerste klimaatverdrag.
Kyotoprotocol uit 1997 Hierin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnen worden.
VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord. Doel van het akkoord: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius.
VN-Klimaatakkoord van Parijs uit 2016.
In 2016 heeft Staatssecretaris Dijksma het Klimaatakkoord ondertekend namens de 28 lidstaten van de Europese Unie. Het akkoord is per 2020 ingegaan. Om de in het akkoord afgesproken doelstellingen te halen hebben EU-lidstaten met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 40% minder moet uitstoten. De Europese Commissie toetst de klimaatplannen van de EU-lidstaten aan de gestelde doelen. Met het ondertekenen van het VN-klimaatakkoord van Parijs (2016) heeft de Nederlandse regering zich gecommitteerd aan een vergaande vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (49% vermindering ten opzichte van 1990), aan de doelen van het klimaatakkoord van Parijs en de daarvoor benodigde verduurzaming van onze energievoorziening richting 2050.
Het Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel draagt bij aan de hiervoor genoemde doelen en de verduurzaming van onze energievoorziening.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Op 11 september 2020 is de NOVI vastgesteld. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda en is een instrument van de Omgevingswet.
Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De nieuwe aanpak is integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving, welke terugkomt in de NOVI.
Centraal in de afwegingen tussen belangen die een rol spelen bij het ontwikkelen en beschermen van Nederland staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving van zowel de boven- als de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
Afwentelen wordt voorkomen.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities en uitgangspunten van de NOVI. Het waterstofnetwerk draagt bij aan de energietransitie door het faciliteren van duurzame energiedragers en systeemintegratie, en ondersteunt de ontwikkeling van een duurzame en concurrerende economie. Het project kan bijdragen aan gezonde steden en regio’s door het mogelijk maken van schone energievoorziening en het minimaliseren van negatieve effecten op de leefomgeving. Het planvoornemen is passend binnen het beleids- en toetsingskader van de NOVI, mits het netwerk ruimtelijk goed wordt ingepast, ecologische waarden worden beschermd, en de integrale afwegingsprincipes worden toegepast.
Het "Energierapport" en de "Energieagenda" zijn nauw met elkaar verbonden beleidsdocumenten die samen de strategische richting bepalen voor de Nederlandse energietransitie tot 2050. Het Energierapport schetst het overkoepelende kader en de lange termijnvisie op een CO₂-arme energievoorziening, waarbij de nadruk ligt op systeemverandering, leveringszekerheid, duurzaamheid en het uitfaseren van fossiele energie. De Energieagenda bouwt hierop voort en vertaalt deze visie naar concrete ambities, beleidsmaatregelen en uitvoeringsinstrumenten, met extra aandacht voor innovatie, systeemintegratie, het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie en het versterken van de internationale concurrentiepositie van Nederland. Beide documenten zijn gestoeld op het Klimaatakkoord en hanteren een integrale benadering van energiebesparing, duurzame productie, infrastructuurontwikkeling (waaronder waterstof), en het minimaliseren van negatieve effecten op milieu en leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op hun bijdrage aan deze transitie, duurzaamheid, innovatie en integratie in het energiesysteem. Het uitvoeringsbeleid omvat het ontwikkelen van nieuwe infrastructuur, samenwerking tussen publieke en private partijen, monitoring van voortgang en effecten, en het inzetten van subsidies, regelgeving en pilots als praktische instrumenten.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit goed aan bij zowel het Energierapport als de Energieagenda. Het waterstofnetwerk draagt bij aan de systeemintegratie en het faciliteren van duurzame energiedragers, wat essentieel is voor het realiseren van een CO₂-arme energievoorziening. Het project ondersteunt de transitie naar hernieuwbare energie door het mogelijk maken van grootschalige productie, transport en gebruik van waterstof, en draagt bij aan innovatie, leveringszekerheid en het versterken van de concurrentiepositie. De onderlinge relatie tussen de documenten komt tot uiting in het feit dat het Energierapport de strategische noodzaak en richting aangeeft, terwijl de Energieagenda deze vertaalt naar concrete acties en instrumenten waar het waterstofnetwerk direct op aansluit. Het planvoornemen is passend binnen het beleids- en toetsingskader van beide documenten, mits het netwerk duurzaam wordt gerealiseerd en negatieve effecten op milieu en leefomgeving worden geminimaliseerd.
De "Energiewet" biedt het wettelijke kader voor de regulering van de Nederlandse energiemarkt, met een focus op elektriciteit, gas en nieuwe energiedragers zoals waterstof. De wet is gericht op de komende decennia en is gestoeld op uitgangspunten als leveringszekerheid, duurzaamheid, marktwerking, bescherming van consumenten en het faciliteren van de energietransitie. De ambities van de Energiewet zijn het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening, het stimuleren van innovatie en het mogelijk maken van nieuwe infrastructuur voor duurzame energiedragers. Het beleids- en toetsingskader bestaat uit regels voor de aanleg, exploitatie en het beheer van energie-infrastructuur, waaronder waterstofnetwerken. Initiatieven worden getoetst aan eisen voor veiligheid, transparantie, non-discriminatie, toegang tot het netwerk, en het waarborgen van de belangen van afnemers en het milieu. Het uitvoeringsbeleid omvat vergunningverlening, toezicht door de Autoriteit Consument & Markt (ACM), en het stellen van technische en operationele eisen aan netbeheerders. Praktische instrumenten zijn onder andere vergunningen, toezicht, handhaving en het stellen van eisen aan de aansluiting en het gebruik van het netwerk.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel valt onder de reikwijdte van de Energiewet, aangezien het gaat om de aanleg en exploitatie van een waterstofnetwerk. Het project moet voldoen aan de eisen voor veiligheid, transparantie, non-discriminatie en toegang tot het netwerk, zoals voorgeschreven in de Energiewet. Het planvoornemen is passend als het netwerk zodanig wordt ingericht dat alle relevante partijen toegang hebben, de veiligheid is geborgd, en de belangen van afnemers en het milieu worden beschermd. Ook moet het project voldoen aan de technische en operationele eisen die aan netbeheerders worden gesteld.
Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Hierbij zijn per sector afspraken gemaakt, zo ook voor de sector Elektriciteit. In 2030 komt 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. Windenergie op zee groeit naar tenminste 49 miljard kilowattuur per jaar in 2030, ofwel 11,5 miljard watt aan piekvermogen.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de afspraken uit het Klimaatakkoord, vooral door het faciliteren van de inzet van duurzame waterstof als energiedrager. Dit netwerk maakt het mogelijk om hernieuwbare elektriciteit, bijvoorbeeld uit wind op zee, om te zetten in waterstof en te transporteren naar gebruikers in industrie en andere sectoren. Daarmee draagt het project direct bij aan het realiseren van de doelstelling dat 70 procent van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt.
3.2.5 Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en Programma Energie Hoofdstructuur (PEH)
NPE
Het Nationaal Programma Energiesysteem (NPE) is de langetermijnvisie op het energiesysteem in 2050, waarbij verschillende routes naar verduurzaming van energieketens worden geschetst en waarbij de verschillende schakels in het energiesysteem onderling zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Het NPE is een normatieve visie .
Het NPE leidt niet tot concreet zicht op wenselijke uitbreidingsinvesteringen. Deze zijn immers grotendeels afhankelijk van de (geografische) ontwikkeling van vraag en aanbod in de markt.
Wel schetst het kabinet een ontwikkelrichting naar een klimaatneutraal energiesysteem en een mogelijk mix van energiedragers richting 2050. Waterstof dient in ieder geval in 2050 een systeemrol in het energiesysteem te vervullen, met name voor de energie-intensieve industrie, (internationale) zware mobiliteit, en voor flexibele elektriciteitsproductie. Het kabinet zet daarom in op een waterstofinfrastructuur, tijdig en met capaciteit die naar verwachting voldoende is voor de nabije toekomst, inclusief grensovergangen als onderdeel van een intra-Europese waterstofinfrastructuur. In de periode van 2026-2035 wordt de ingebruikname voorzien van een landelijk transportnetwerk voor waterstof zodat de industrie toegang heeft tot (groene) waterstof. Om fluctuaties van productie en vraag te balanceren, en voor een strategische voorraad, zal ook voldoende waterstofopslagcapaciteit (bijvoorbeeld bij Hystock Zuidwending) moeten bestaan.
PEH
Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) vormt de ruimtelijke visie voor de energiehoofdstructuur van Nederland. Het PEH schetst de ruimtebehoefte voor het nationale energiesysteem zoals deze in het NPE wordt geschetst en bevat ontwikkelrichtingen die de verwachte toekomstige uitbreidingen van de energie-infrastructuur, waaronder het waterstofnetwerk, in kaart brengen. Ook beschrijft het PEH de consequenties van energiesysteemvarianten, en de betekenis hiervan voor te maken keuzes over de ontwikkeling van het energiesysteem.
Waar nodig wordt in het PEH ruimtelijk beleid geformuleerd om dit soort ontwikkelingen naar de meest geschikte locaties te sturen of randvoorwaarden te stellen voor de uitvoering. Voorbeelden hiervan zijn het aanwijzen van voorkeursgebieden voor kernenergie of voor elektrolyse, en het zo veel mogelijk hergebruiken van bestaande aardgasleidingen voor waterstoftransport.
Het PEH bevat daarnaast algemeen beleid voor een zorgvuldige inpassing van energie-infrastructuur in de fysieke leefomgeving en vuistregels ten behoeve van een slimme inrichting van de ruimte voor het energiesysteem en stuurt op meervoudig ruimtegebruik. Denk hierbij aan inrichtingscriteria en ontwerpprincipes, zoals hoe wordt omgegaan met water of landschap en het inzetten op multifunctioneel ruimtegebruik.
Iedere 4 jaar wordt het PEH herzien om het programma aan te passen aan nieuwe inzichten en ruimtelijke vraagstukken. De voorbereidingen voor PEH II zijn gestart (zie [PM link toevoegen] Programma Energiehoofdstructuur (PEH II)).
Aan de basis van het PEH liggen verschillende toekomstscenario’s over de ontwikkeling van het energiesysteem. Hiervoor wordt nauw samengewerkt met de netbeheerders, waarbij ook naar de lange termijn van 2040-2050 wordt gekeken. Deze scenario’s gaan over de volle breedte van het energiesysteem en bevatten verschillende toekomstbeelden qua ontwikkeling van bijvoorbeeld elektrificatie, waterstof, hernieuwbare brandstoffen, warmte en CCS.
Het PEH richt zich onder meer op ruimte voor buisleidingen van nationaal belang op land.
Via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de bijbehorende Omgevingsregeling zijn reserveringsgebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang vastgelegd. Deze reserveringsgebieden of buisleidingenstroken zijn overgenomen in het PEH.
Het PEH geeft aan dat het waterstofnetwerk voor een substantieel deel door hergebruik van bestaande aardgasleidingen kan worden gerealiseerd, en dat hierop aanvullend enkele honderden kilometers nieuwe buisleiding nodig zijn (nieuwbouw). De ruimte binnen de PEH-buisleidingstroken wordt hiervoor grotendeels toereikend geacht.
Samenhang tussen PEH en NPE
Het PEH kent een belangrijke relatie met het Nationaal Plan Energiesysteem. Met het NPE worden keuzes gemaakt over de invulling van de energiemix van de toekomst (en hoe die ontwikkeling waar nodig gestimuleerd kan worden). De uitgangspunten van het NPE worden ook verwerkt in onderliggende energiescenario’s waar het PEH op wordt gebaseerd. De contouren van het geschetste energiesysteem in het NPE worden door de netbeheerders vertaald naar 1 van de 4 basisscenario’s (Koersvaste Middenweg). Hiermee vormt het NPE integraal onderdeel van de scenarioaanpak voor het PEH.
Via de Klimaat- en Energienota en de actualisatie van het NPE worden steeds meer concrete keuzes gemaakt over wenselijke en haalbare ontwikkelingen binnen scenario’s. Daarop wordt het PEH ook weer aangescherpt.
Tegelijkertijd is ruimtelijke beslisinformatie op hoofdlijnen belangrijk voor de keuzes in de energiemix binnen het NPE, omdat de maatschappelijke effecten van hoeveel ruimte of hoeveel (kostbare) kabels en leidingen een belangrijke factor zijn om vroegtijdig mee te wegen.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities en uitgangspunten van het Nationaal Plan Energiesysteem en Programma Energiehoofdstructuur. Het waterstofnetwerk draagt bij aan het realiseren van een robuuste en toekomstbestendige energiehoofdstructuur door het faciliteren van grootschalig transport en opslag van duurzame waterstof. Het project ondersteunt de energietransitie en leveringszekerheid.
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 van kracht geworden en heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. Deze Kaderrichtlijn bevat normen voor de chemische doelen, die in Nederland zijn aangevuld met normen voor meer stoffen. De KRW eist dat Nederland ecologische doelstellingen formuleert.
Nederland heeft de doorwerking van deze richtlijn (beleidsmatig) opgenomen in onder andere de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (zie par. 3.2.1 en 3.2.7).
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is ontwikkeld om Nederland ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Het programma is voor het waterbeleid een uitwerking van de nationale belangen en strategische hoofdkeuzes in de NOVI. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen en het overstromingsrisicobeheerplan.
De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor drie hoofdambities van het NWP:
Een veilige en klimaatbestendige delta.
Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.
Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Deze drie hoofdambities voor het waterbeleid zijn in het NWP uitgewerkt in verschillende thema’s - Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater, Scheepwater - en voor de bijbehorende beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Daarnaast komt ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen aan bod, zoals natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel moet voldoen aan de normen en ambities van het NWP. Dit betekent dat bij de aanleg en exploitatie van het waterstofnetwerk rekening moet worden gehouden met waterveiligheid (bijvoorbeeld bij kruisingen met waterkeringen), bescherming van waterkwaliteit (voorkomen van verontreiniging door aanleg of incidenten), en ecologische waarden (behoud en versterking van natuur in en rond wateren). Het project is passend als het aantoont dat het geen negatieve effecten heeft op waterveiligheid, waterkwaliteit en ecologie, en dat het ruimtelijk goed wordt ingepast. Daarnaast moet het project bijdragen aan de ambities van klimaatadaptatie en duurzaam watergebruik, bijvoorbeeld door het minimaliseren van waterverbruik en het voorkomen van watervervuiling. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 6 tot en met 10.
Het "Besluit kwaliteit leefomgeving" (Bkl) is een AMvB onder de Omgevingswet, van kracht vanaf 2024. Het Bkl richt zich op het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Nederland. De uitgangspunten zijn het beschermen van gezondheid, veiligheid, milieu, en het bevorderen van een duurzame en aantrekkelijke leefomgeving. De ambities van het Bkl zijn het realiseren van een integrale benadering van ruimtelijke ordening, milieu, natuur en water, waarbij de belangen van mens, natuur en economie in balans worden gebracht. Het beleids- en toetsingskader bestaat uit normen en afwegingscriteria voor onder andere luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, bodem, water, natuur en landschap. Nieuwe initiatieven, zoals het aanleggen van een waterstofnetwerk, worden getoetst aan deze normen en criteria. Het uitvoeringsbeleid omvat het stellen van omgevingswaarden, het uitvoeren van milieueffectrapportages, het toepassen van gebiedsgerichte benadering en het monitoren van de effecten op de leefomgeving. Praktische instrumenten zijn vergunningverlening, het stellen van maatwerkvoorschriften, en het hanteren van standaardnormen voor kwaliteit en veiligheid.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel moet voldoen aan de normen en afwegingscriteria uit het Bkl, zoals eisen voor luchtkwaliteit, externe veiligheid, bescherming van bodem en water, en het behoud van natuur en landschap. Het project is passend als het aantoont dat de aanleg en exploitatie van het waterstofnetwerk geen onaanvaardbare risico’s of negatieve effecten oplevert voor de kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent dat het plan moet voorzien in maatregelen om emissies, geluid, risico’s voor mens en natuur, en verstoring van het landschap te minimaliseren. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 6 tot en met 10.
De "Omgevingsvisie 2022 Drenthe" is het provinciale beleidsdocument voor de fysieke leefomgeving, met een horizon tot 2030 en een doorkijk naar 2050. De visie is gestoeld op de uitgangspunten van het waarderen en ontwikkelen van Drentse kernkwaliteiten, het bevorderen van samenhang tussen functies en het principe ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. Er wordt sterk ingezet op samenwerking met gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en inwoners, en op ontwikkelingsgericht, daadkrachtig en resultaatgericht beleid met participatie van belanghebbenden.
De ambities van de Omgevingsvisie zijn gericht op:
het realiseren van een energieneutrale provincie en het faciliteren van de energietransitie;
het versterken van ruimtelijke kwaliteit en kernkwaliteiten;
het beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap;
het waarborgen van een robuuste waterhuishouding en drinkwaterkwaliteit;
het stimuleren van een sterke, innovatieve en duurzame economie;
zorgvuldig ruimtegebruik en milieukwaliteit;
toekomstgerichte landbouw;
het verbeteren van mobiliteit en bereikbaarheid; en
het bevorderen van gezondheid, veiligheid en leefbaarheid.
Het beleids- en toetsingskader bestaat uit het afwegen van initiatieven op hun bijdrage aan provinciale doelen en belangen, het minimaliseren van negatieve effecten op natuur, landschap, bodem, water, milieu en gezondheid, het waarborgen van veiligheid en ruimtelijke kwaliteit, en het voorkomen van conflicten met bestaande functies. Nieuwe initiatieven worden getoetst op ruimtelijke inpassing, milieukwaliteit, participatie en afstemming met stakeholders.
Het uitvoeringsbeleid omvat vergunningverlening, monitoring, programmatische aanpak (zoals Programma Natuurlijk Platteland, Toekomstgerichte Landbouw, Regionaal Waterprogramma), samenwerking in regionale verbanden, het gebruik van instrumenten zoals omgevingsdialogen, gebiedsgerichte aanpak, grondbeleid, subsidies en verordeningen, en jaarlijkse actualisatie van de visie met participatie van de samenleving.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities van de Omgevingsvisie 2022 Drenthe, vooral op het gebied van energietransitie, innovatie en duurzame infrastructuur. Het project is passend binnen het beleids- en toetsingskader, mits het zorgvuldig wordt ingepast in het landschap, negatieve effecten op natuur, bodem, water en leefomgeving worden geminimaliseerd, en de veiligheid en gezondheid van inwoners worden gewaarborgd. Het plan moet aantonen dat risico’s voor milieu, natuur en leefomgeving voldoende worden beheerst en dat er afstemming is met relevante stakeholders.
De "Omgevingsverordening Drenthe" is het juridisch bindende provinciale beleidsdocument dat regels stelt voor de fysieke leefomgeving in Drenthe, met een horizon tot 2030 en een doorkijk naar 2050. De verordening is gestoeld op de uitgangspunten van bescherming van provinciale belangen, het waarborgen van ruimtelijke kwaliteit, natuur, landschap, bodem, water, veiligheid en gezondheid. De verordening bevat concrete regels voor onder andere de aanleg van infrastructuur, bescherming van natuurgebieden, drinkwaterwinningen, cultuurhistorische waarden, stiltegebieden, en het voorkomen van bodemaantasting en waterverontreiniging. De ambities zijn gericht op het realiseren van een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving, het faciliteren van de energietransitie en innovatieve infrastructuur, het beschermen van ecologische en landschappelijke waarden, en het voorkomen van conflicten tussen functies.
Het beleids- en toetsingskader bestaat uit regels en afwegingscriteria voor nieuwe initiatieven. Initiatieven worden getoetst op hun ruimtelijke inpassing, impact op beschermde gebieden en functies, naleving van milieunormen, en het voorkomen van negatieve effecten op bodem, water, natuur en landschap. Specifieke gebruiksregels gelden voor kwetsbare gebieden zoals drinkwaterwinningen, Natura 2000-gebieden, stiltegebieden en ecologische verbindingszones. Het uitvoeringsbeleid omvat vergunningverlening, handhaving, monitoring, en samenwerking met gemeenten, waterschappen en andere stakeholders.
Artikel 11.7 van de Omgevingsverordening provincie Drenthe stelt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten in het beperkingengebied van een provinciale weg. In het tweede lid wordt een aantal activiteiten genoemd die gezien worden als een beperkingengebiedactiviteit. Het aanbrengen van kabels en leidingen is hier één van. In het geval van de nieuwbouw van de leiding wordt nabij Coevorden de provinciale weg N34 gekruist door middel van een gestuurde boring. Voor deze activiteit wordt een omgevingsvergunning aangevraagd bij de provincie.
De Omgevingsvisie Overijssel is het provinciale beleidsdocument voor de fysieke leefomgeving in Overijssel, met een horizon tot 2030 en een doorkijk naar 2050. De visie is gestoeld op de uitgangspunten van een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving, het versterken van ruimtelijke kwaliteit, het beschermen van natuur, landschap, bodem en water, en het faciliteren van economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Er wordt ingezet op het verbinden van stedelijke en landelijke gebieden, het stimuleren van innovatie en energietransitie, het behouden van cultuurhistorische waarden, en het bevorderen van participatie en samenwerking met gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en inwoners.
De ambities van de Omgevingsvisie zijn gericht op het realiseren van een klimaatbestendige en energieneutrale provincie, het versterken van ruimtelijke kwaliteit en kernkwaliteiten, het beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap, het waarborgen van een robuuste waterhuishouding en drinkwaterkwaliteit, het stimuleren van een sterke, innovatieve en duurzame economie, zorgvuldig ruimtegebruik, toekomstgerichte landbouw, het verbeteren van mobiliteit en bereikbaarheid, en het bevorderen van gezondheid, veiligheid en leefbaarheid.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities van de Omgevingsvisie Overijssel, vooral op het gebied van energietransitie, innovatie en duurzame infrastructuur. Het project is passend binnen het beleids- en toetsingskader, mits het zorgvuldig wordt ingepast in het landschap, negatieve effecten op natuur, bodem, water en leefomgeving worden geminimaliseerd, en de veiligheid en gezondheid van inwoners worden gewaarborgd. Het plan moet aantonen dat risico’s voor milieu, natuur en leefomgeving voldoende worden beheerst en dat er afstemming is met relevante stakeholders. Hier wordt verder op ingegaan in de hoofdstukken 6 tot en met 10.
De "Omgevingsverordening Overijssel" is het juridisch bindende provinciale beleidsdocument dat regels stelt voor de fysieke leefomgeving in Overijssel, met een horizon tot 2030 en een doorkijk naar 2050. De verordening is gestoeld op de uitgangspunten van bescherming van provinciale belangen, het waarborgen van ruimtelijke kwaliteit, natuur, landschap, bodem, water, veiligheid en gezondheid. De verordening bevat concrete regels voor onder andere de aanleg van infrastructuur, bescherming van natuurgebieden, drinkwaterwinningen, cultuurhistorische waarden, stiltegebieden, en het voorkomen van bodemaantasting en waterverontreiniging. De ambities zijn gericht op het realiseren van een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving, het faciliteren van de energietransitie en innovatieve infrastructuur, het beschermen van ecologische en landschappelijke waarden, en het voorkomen van conflicten tussen functies.
Het beleids- en toetsingskader bestaat uit juridisch afdwingbare regels en afwegingscriteria voor nieuwe initiatieven. Initiatieven worden getoetst op hun ruimtelijke inpassing, impact op beschermde gebieden en functies, naleving van milieunormen, en het voorkomen van negatieve effecten op bodem, water, natuur en landschap. Specifieke gebruiksregels gelden voor kwetsbare gebieden zoals drinkwaterwinningen, Natura 2000-gebieden, stiltegebieden en ecologische verbindingszones. Het uitvoeringsbeleid omvat vergunningverlening, handhaving, monitoring, en samenwerking met gemeenten, waterschappen en andere stakeholders.
Omdat het project in de provincie Overijssel bestaat uit het hergebruik van een bestaande aardgasleiding en de werkzaamheden aan de afsluiterlocaties plaatsvinden op bestaande afsluiterlocaties, is er vanuit de Omgevingsverordening Overijssel geen sprake van een beperkingengebiedactiviteit. Een omgevingsvergunning is niet nodig.
Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincies Drenthe en Overijssel.
De "Structuurvisie Buitengebied Aa en Hunze" is gericht op de periode tot 2030 en biedt het ruimtelijk kader voor het buitengebied van de gemeente Aa en Hunze. Het document is gestoeld op vijf expliciet benoemde thema’s: 1) landbouw, 2) natuur en water, 3) recreatie en toerisme, 4) wonen en bedrijvigheid, en 5) duurzame energie. De visie heeft als ambitie het behouden en versterken van het karakteristieke landschap, het waarborgen van de landbouwfunctie, het beschermen van natuur en water, het stimuleren van recreatie en toerisme, het faciliteren van wonen en bedrijvigheid, en het bevorderen van duurzame energie. Het beleids- en toetsingskader verlangt dat nieuwe initiatieven bijdragen aan deze ambities en worden getoetst op ruimtelijke inpassing, landschappelijke kwaliteit, milieueffecten, behoud van natuur- en waterwaarden, het versterken van de lokale economie en het stimuleren van duurzame energie. Gebruiksregels en afwegingscriteria zijn onder andere het respecteren van bestaande landschappelijke structuren, het voorkomen van versnippering van het landschap, het minimaliseren van negatieve effecten op natuur, water en milieu, en het aantoonbaar bijdragen aan de vitaliteit van het buitengebied. Het uitvoeringsbeleid bestaat uit het stellen van eisen aan nieuwe initiatieven, het faciliteren van samenwerking met betrokken partijen, het monitoren van de effecten op landschap en leefomgeving, en het gebruik van instrumenten zoals bestemmingsplannen en vergunningverlening.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities uit de structuurvisie. De aanleg van een waterstofnetwerk kan bijdragen aan het thema duurzame energie en bedrijvigheid, mits het project zorgvuldig wordt ingepast in het landschap en geen negatieve effecten heeft op de thema’s landbouw, natuur en water, recreatie en toerisme, en wonen. Het planvoornemen moet aantonen dat het bijdraagt aan de vitaliteit van het buitengebied en dat versnippering van het landschap wordt voorkomen. Er zijn geen passages in de structuurvisie die het aanleggen van een waterstofnetwerk uitsluiten
De Omgevingsvisie Buitengewoon Borger Odoorn is gericht op de lange termijn tot 2040 en vormt het strategisch kader voor de fysieke leefomgeving van de gemeente Borger-Odoorn. De visie schetst een integraal toekomstbeeld voor de 25 dorpen en het buitengebied en is opgebouwd rond het centrale uitgangspunt “buitengewoon wonen en leven”.
Het beleidsdocument is gestoeld op het beschermen en versterken van dat wat van waarde is: rust, ruimte, landschap, natuur, cultuurhistorie en sterke dorpsgemeenschappen.
De vijf ambities van de omgevingsvisie zijn:
Behoud het goud: het behouden, benutten en versterken van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten.
Buitengewoon wonen en leven: een passende woningvoorraad om jong te zijn en oud te kunnen worden en het leven in een schone, gezonde en veilige leefomgeving.
Vitaal landelijk gebied: op zoek naar een toekomstbestendige invulling met ruimte om te boeren en te recreëren en ruimte voor natuur, klimaatadaptatie, biodiversiteiten duurzaam ondernemen.
Duurzaam in alles: het uitwerken van de strategie voor klimaatadaptatie en warmte.
Uitnodigend ondernemend: ruimte voor ondernemers die passen bij de aard en schaal van de gemeente.
Het beleids- en toetsingskader verlangt dat nieuwe initiatieven aantoonbaar kwaliteit en meerwaarde toevoegen. Ontwikkelingen worden integraal beoordeeld aan de hand van het toekomstbeeld, de gebiedskompassen en algemene principes, zoals:
Duurzaamheid en toekomstbestendigheid van het voornemen.
Inpassing binnen de aard en schaal van de gemeente.
Het behouden van de waarden van landschap, cultuurhistorie, rust en ruimte.
Bijdrage aan de buitengewone woon- en leefgemeente.
Bijdrage aan een krachtige samen- en zelfredzame gemeenschap.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities genoemd in de omgevingsvisie. De Omgevingsvisie Buitengewoon Borger Odoorn benoemt verduurzaming en energie expliciet als belangrijke opgaven voor de toekomst. Ontwikkelingen die bijdragen aan de energietransitie passen binnen het beleidskader.
De "Omgevingsvisie Coevorden" is gericht op de periode tot 2040 en kent drie grote ambities:
Eigen thuisbasis: Alle generaties wonen en leven samen. Met bereikbare voorzieningen, in een groene en duurzame omgeving. De identiteit van dorpen en wijken is zichtbaar en voelbaar.
Evenwichtig platteland: In het buitengebied ontwikkelen landbouw, natuur en landschap, toerisme en recreatie, bodem- en waterbeheer en andere functies zich duurzaam en in harmonie met elkaar.
Economisch regionaal knooppunt: Coevorden ontwikkelt zich verder als knooppunt in een (internationale) regio. De historische vestingstad is het middelpunt. Er zijn goede verbindingen via weg, water en spoor en er is ruimte voor het bedrijfsleven.
Deze ambities vormen het beleids- en toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Projecten worden getoetst op hun bijdrage aan het versterken van de thuisbasis, het platteland en de regionale economie. Het uitvoeringsbeleid bestaat uit het faciliteren van initiatieven, het stellen van eisen aan ruimtelijke plannen en het stimuleren van samenwerking.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities uit de omgevingsvisie.
Voor de eigen thuisbasis kan het project bijdragen aan een groene en duurzame omgeving door te voorzien in duurzame energie. Mits de ruimtelijke inpassing zorgvuldig gebeurt en negatieve effecten op woonkwaliteit, voorzieningen en de identiteit van dorpen en wijken worden voorkomen, ondersteunt het project deze ambitie.
Voor het evenwichtig platteland moet de aanleg van het waterstofnetwerk plaatsvinden met respect voor landbouw, natuur, landschap, toerisme, recreatie, bodem- en waterbeheer en andere functies in het buitengebied. Het project ondersteunt deze ambitie als het de ontwikkeling van deze functies niet belemmert en bijdraagt aan een duurzame en harmonieuze ontwikkeling.
Voor het economisch regionaal knooppunt draagt het project bij aan de economische positie van Coevorden als regionaal knooppunt door te investeren in innovatieve energie-infrastructuur, het versterken van de regionale economie en het verbeteren van verbindingen en ruimte voor het bedrijfsleven.
De omgevingsvisie is gericht op de ontwikkeling van de gemeente Emmen tot het 2040 en vormt het strategisch kader voor de gehele fysieke leefomgeving. De visie is bedoeld als lange termijn richtinggevend document binnen de Omgevingswet.
De omgevingsvisie is gebaseerd op de Uitgangspuntennotitie Omgevingsvisie Emmen (2023) en de Hoofdlijnennotitie Omgevingsvisie Emmen (2025). Centraal staat een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarin verschillende ruimtelijke opgaven - zoals wonen, economie, energie, landschap en bereikbaarheid - in samenhang worden beschouwd. De visie erkent dat de ruimte beperkt is en dat niet alles overal kan, waardoor bewuste keuzes noodzakelijk zijn. De visie is richtinggevend, uitnodigend en dynamisch van aard en biedt ruimte voor nieuwe initiatieven binnen vastgestelde kaders.
Voor de beoordeling van ontwikkelingen en initiatieven hanteert de gemeente Emmen zes leidende principes. Deze vormen de toetsingsbasis voor toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling:
Ontwikkelingen zijn multifunctioneel en aanpasbaar (omgaan met schaarste)
Ontwikkelingen hebben oog voor de langetermijneffecten (afwenteling voorkomen)
Ontwikkelingen worden in samenspraak met de omgeving vormgegeven (overheid als betrouwbare partner)
Ontwikkelingen op basis van de kwaliteiten en identiteit van Emmen (recht doen aan eigenheid)
Ontwikkelingen op menselijke maat
Ontwikkelingen dragen bij aan brede welvaart
Deze principes zijn onderling samenhangend en helpen bij het beoordelen of ontwikkelingen bijdragen aan een toekomstbestendige leefomgeving.
De omgevingsvisie kent drie kernambities, die niet los van elkaar kunnen worden gerealiseerd en samen het fundament van de visie vormen:
Sterke stad, vitale dorpen
Een duurzame en veerkrachtige economie met impact
Landschap en groen als drager van ruimtelijke ontwikkelingen
De kernambities worden nader uitgewerkt via bouwstenen en gebiedsgerichte keuzes, maar vormen zelf het overkoepelende beleidskader.
Het waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de kernambities uit de omgevingsvisie. Het waterstofnetwerk is bedoeld om de verduurzaming van industrie en energievoorziening mogelijk te maken en vormt een randvoorwaarde voor de ontwikkeling van een waterstofeconomie. Daarmee draagt het project bij aan economische veerkracht en transitie naar duurzame energie.
De "Omgevingsvisie Hardenberg" richt zich op de periode tot 2040. Het document is gestoeld op vier uitgangspunten voor ontwikkeling:
a. de groei vasthouden en doortrekken,
b. kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker,
c. ruimte als troefkaart,
d. bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden.
De visie benoemt expliciet dat naast het faciliteren van nieuwe woningen ook wordt gestreefd naar een positieve arbeidsmarkt. De ambities zijn gericht op het behouden en versterken van de groei, het toevoegen van ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten, het optimaal benutten van de beschikbare ruimte, en het verbeteren van bereikbaarheid en samenwerking. Het beleids- en toetsingskader verlangt dat nieuwe initiatieven bijdragen aan deze ambities, waarbij ruimtelijke kwaliteit, economische ontwikkeling, leefbaarheid, bereikbaarheid en samenwerking centraal staan. Projecten worden getoetst op ruimtelijke inpassing, meerwaarde voor de omgeving, behoud van open karakter en landschappelijke kwaliteiten, en het versterken van de lokale economie en arbeidsmarkt. Het uitvoeringsbeleid bestaat uit het stellen van eisen aan nieuwe initiatieven, het faciliteren van samenwerking, het investeren in infrastructuur en het monitoren van de effecten op wonen, werken en leefomgeving.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de uitgangspunten van de omgevingsvisie. De aanleg van het waterstofnetwerk benut de beschikbare ruimte efficiënt en kan bijdragen aan het toevoegen van ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten, mits zorgvuldig ingepast. Het project bevordert samenwerking tussen regionale partners en sluit aan bij de randvoorwaarde van bereikbaarheid door te investeren in infrastructuur. Er zijn geen passages in de omgevingsvisie die het aanleggen van een waterstofnetwerk uitsluiten.
De "Toekomstvisie Hoogeveen" is gestoeld op vier centrale uitgangspunten: sociaal, economie, omgeving en veilig. Sociaal zet Hoogeveen in op een inclusieve samenleving met aandacht voor sociale samenhang, gezondheid en het ondersteunen van kwetsbare groepen. Economisch richt de gemeente zich op een sterke, toekomstbestendige economie door het stimuleren van ondernemerschap, het aantrekken van innovatieve bedrijven en het versterken van bestaande sectoren, met focus op duurzame groei en werkgelegenheid. Op het gebied van omgeving is de ambitie het realiseren van een aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefomgeving, met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, bescherming van natuur en landschap, en het bevorderen van duurzame energievoorzieningen en klimaatadaptatie. Veiligheid is gericht op het versterken van sociale en fysieke veiligheid, het voorkomen van overlast en criminaliteit, en samenwerking met partners en inwoners. Het beleids- en toetsingskader bestaat uit het bevorderen van duurzame energievoorzieningen, het waarborgen van ruimtelijke kwaliteit, het beschermen van het landschap, het stimuleren van innovatieve projecten en het toetsen van nieuwe initiatieven aan gebruiksregels en afwegingscriteria zoals ruimtelijke inpassing, bijdrage aan duurzaamheid, maatschappelijke meerwaarde en veiligheid. Het uitvoeringsbeleid omvat instrumenten zoals gebiedsgerichte samenwerking, het faciliteren van pilotprojecten, en het inzetten van subsidies en regelingen om duurzame en innovatieve initiatieven te ondersteunen.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel draagt bij aan de vier centrale uitgangspunten van de Toekomstvisie Hoogeveen. Sociaal draagt het project bij aan maatschappelijke meerwaarde door te voorzien in een duurzame energievoorziening die ten goede komt aan de samenleving. Economisch stimuleert het project innovatie en duurzame groei door het faciliteren van een nieuwe energie-infrastructuur, wat kan bijdragen aan werkgelegenheid en het vestigingsklimaat. Op het gebied van omgeving draagt het project bij aan de ambitie voor een duurzame en gezonde leefomgeving door het bevorderen van duurzame energie en het ondersteunen van klimaatadaptatie. Het planvoornemen voldoet aan de gebruiksregels en afwegingscriteria zoals ruimtelijke inpassing, bijdrage aan duurzaamheid, maatschappelijke meerwaarde en veiligheid.
De Omgevingsvisie Midden Drenthe is vastgesteld op 2 juni 2022 en richt zich op de lange termijn tot circa 2035. De visie vormt het integrale strategische kader voor de fysieke leefomgeving van de gemeente Midden-Drenthe onder de Omgevingswet en geeft richting aan latere programma’s en het omgevingsplan. Het centrale toekomstbeeld is samengevat in de bestuurlijke visie “een leven lang ruimte”, waarbij ruimte zowel letterlijk (landschap en fysieke leefomgeving) als figuurlijk (ontwikkelruimte voor initiatieven) wordt opgevat.
De omgevingsvisie is gestoeld op het behoud en versterken van het DNA van Midden-Drenthe: een uitgestrekte, afwisselende gemeente met veengebieden, beekdalen, essen en dorpen met een sterke eigen identiteit. De gemeente kiest bewust voor een open en uitnodigende benadering van initiatieven, met zo min mogelijk vooraf vastgelegde beperkingen, terwijl de samenhang en kwaliteit van de leefomgeving worden bewaakt door de gemeente.
De ambities van de Omgevingsvisie zijn uitgewerkt langs vier thematische pijlers die voor het gehele grondgebied gelden:
Landschap - streven naar een divers landschap met samenhang tussen landbouw, natuur en recreatie;
Leefbaarheid - streven naar een leefbare omgeving, zowel in de dorpen als in het buitengebied;
Gezondheid - een gezonde leefomgeving door het bevorderen en faciliteren van veiligheid, beweging en ontmoeting;
Duurzaamheid - werken aan een toekomstbestendige gemeente door energietransitie, klimaatadaptatie en duurzame innovatie.
Naast de thematische uitwerking kent de visie een gebiedsgerichte benadering, waarin per deelgebied (zoals de Smildeger venen, het beken en essengebied en de dorpen Beilen, Westerbork en Smilde) de specifieke kwaliteiten, opgaven en gewenste ontwikkelrichtingen zijn beschreven.
Naast de thematische uitwerking kent de visie een gebiedsgerichte benadering, waarin per deelgebied (zoals de Smildeger venen, het beken en essengebied en de dorpen Beilen, Westerbork en Smilde) de specifieke kwaliteiten, opgaven en gewenste ontwikkelrichtingen zijn beschreven.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit op hoofdlijnen aan bij deze ambities uit de omgevingsvisie. De Omgevingsvisie Midden Drenthe benoemt duurzaamheid en duurzame innovatie expliciet als een van de centrale thema’s. Ontwikkelingen die bijdragen aan de energietransitie en een toekomstbestendige energievoorziening kunnen in beginsel passen binnen het beleidskader.
De "Omgevingsvisie Ommen" richt zich op de periode tot 2040. De visie benoemt als kernambities het behouden van een aantrekkelijk woon- en werkklimaat, het versterken van de lokale economie, het beschermen van natuur en landschap, en het inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen zoals duurzaamheid en klimaatadaptatie. Nieuwe initiatieven worden getoetst op ruimtelijke inpassing, milieueffecten, landschappelijke kwaliteit en het versterken van de lokale economie. Het uitvoeringsbeleid bestaat uit het stellen van eisen aan nieuwe initiatieven, het faciliteren van samenwerking met regionale partners, het investeren in infrastructuur en het monitoren van de effecten op de leefomgeving.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities van de omgevingsvisie Ommen. De aanleg van het waterstofnetwerk kan bijdragen aan het verbeteren van de infrastructuur en bereikbaarheid, mits zorgvuldig ingepast in het landschap. Er zijn geen passages in de omgevingsvisie die het aanleggen van een waterstofnetwerk uitsluiten, mits het project voldoet aan de gestelde eisen voor ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het versterken van de lokale economie.
De ontwerp omgevingsvisie is gericht op de lange termijn, met een doorkijk naar 2040 en verder. De visie vormt het strategische kader voor keuzes in de fysieke leefomgeving en stuurt latere uitwerking via programma’s en het omgevingsplan.
De omgevingsvisie bouwt voort op het Structuurplan uit 1998 en is gestoeld op de bestaande kernkwaliteiten van Stadskanaal, zoals openheid, rust en ruimte tussen de kernen, het agrarische karakter van het landelijk gebied, de Kanaalzone, een relatief goed voorzieningenniveau en een sterke sociale cohesie. De visie is integraal van opzet en beschrijft de samenhang tussen openbare ruimte, wonen, bedrijvigheid, natuur, bereikbaarheid en gezondheid.
Binnen dit kader hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkeling:
1. Voldoende en kwalitatief goed woningaanbod in een groene en gezonde leefomgeving
Stadskanaal wil een aantrekkelijke woongemeente zijn voor alle doelgroepen, inclusief inwoners die extra ondersteuning nodig hebben. Investeringen vanuit onder andere Nij Begun en de Regio Deal Oost Groningen dragen bij aan ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en toegankelijke openbare voorzieningen. Een groene woon en leefomgeving stimuleert gezondheid, ontmoeting en beweging.
2. Optimaal ruimtegebruik en het minimaliseren van aantasting van het (open) landschap
Het open landschap is kenmerkend voor de gemeente en wordt gekoesterd en versterkt. De gemeente gaat zorgvuldig om met de landbouwsector en biedt ruimte voor innovatieve ontwikkelingen die passen bij bodem, watersysteem en landschap. Bij ruimtelijke ingrepen wordt gestreefd naar een zo minimaal mogelijke landschappelijke impact. Herstructurering en herbestemming hebben de voorkeur boven uitbreiding.
3. Waardering voor landschap, natuur en cultuurhistorie
Natuur, cultuurhistorisch erfgoed en monumenten worden beschermd en benut. De samenhang tussen natuur, het watersysteem en recreatief gebruik wordt meegewogen. De landschappelijke structuur van de veenontginningen en de bosrijke zandgronden blijft herkenbaar en zichtbaar.
4. Bereikbare kernen en het stimuleren van duurzame vormen van mobiliteit
De komst van de spoorlijn Groningen-Veendam-Stadskanaal en de Nedersaksenlijn is richtinggevend voor de ruimtelijke ontwikkeling. Stadskanaal ontwikkelt zich met een regionaal mobiliteitsknooppunt. De focus ligt op duurzame mobiliteit, met goede fiets en wandelverbindingen en bereikbare kernen, waarbij de auto een ondersteunende rol behoudt.
5. Samenwerkende kernen en regio, met Stadskanaal als centrum voor maakindustrie
De gemeente blijft ruimte bieden aan duurzame innovaties, maakindustrie, MKB en detailhandel en zoekt actief samenwerking op regionaal niveau. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande regionale programma’s en ontwikkelagenda’s.
6. Focus op leefbaarheid en toekomstbestendige (basis)voorzieningen
Stadskanaal zet in op een aantrekkelijke en leefbare gemeente voor alle inwoners. Toekomstbestendige en toegankelijke voorzieningen, zoals gezondheidszorg, onderwijs, winkels en ontmoetingsplekken, vormen een belangrijk uitgangspunt voor ruimtelijke keuzes.
Nieuwe initiatieven worden beoordeeld op hun bijdrage aan en verenigbaarheid met de bovengenoemde uitgangspunten. Daarbij wordt gekeken naar zorgvuldig ruimtegebruik, bescherming van landschap en cultuurhistorie, samenhang met bodem en watersysteem en effecten op leefbaarheid en bereikbaarheid.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel sluit aan bij de ambities van de omgevingsvisie Stadskanaal. Het uitgangspunt ruimtegebruik en landschap is het meest bepalend. De aanleg van infrastructuur kan spanning opleveren met het streven naar minimale aantasting van het open landschap en zuinig ruimtegebruik. In dit geval gaat het om hergebruik van een bestaande leiding, en is geen sprake van nieuw ruimtegebruik.
Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hardenberg, Hoogeveen, Midden-Drenthe en Stadskanaal.
De “Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta” is gericht op het beheer van de waterschapsgebieden binnen Drenthe en Overijssel en bevat regels die gelden vanaf 2024. Het document is gestoeld op de uitgangspunten van bescherming en beheer van waterstaatswerken, waterveiligheid, waterkwaliteit, en het waarborgen van een doelmatige waterhuishouding. De ambities van het beleidsdocument zijn het beschermen van waterstaatswerken, het voorkomen van schade aan waterkeringen, het waarborgen van de waterkwaliteit en het faciliteren van duurzaam waterbeheer. Het beleids- en toetsingskader bestaat uit gebruiksregels voor waterstaatswerken, vergunningplicht voor bepaalde activiteiten, en afwegingscriteria zoals het voorkomen van nadelige effecten op waterveiligheid, waterkwaliteit en het functioneren van waterstaatswerken. Het uitvoeringsbeleid omvat toezicht, handhaving, vergunningverlening en het gebruik van meldings- en vergunningsprocedures als praktische instrumenten om het beleid te realiseren.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel betreft de aanleg van een waterstofnetwerk binnen het gebied van de Drents Overijsselse Delta. Volgens de Waterschapsverordening is het uitvoeren van werkzaamheden binnen of nabij waterstaatswerken, zoals het aanleggen van leidingen, vergunningplichtig. Het planvoornemen moet aantonen dat het geen nadelige effecten heeft op de waterveiligheid, waterkwaliteit en het functioneren van waterstaatswerken. In het planvoornemen wordt aangegeven dat de tracés van het waterstofnetwerk zoveel mogelijk buiten primaire waterkeringen en beschermingszones worden gelegd, en dat waar kruisingen noodzakelijk zijn, maatregelen worden getroffen om schade en risico’s te minimaliseren. Dit sluit aan bij de ambities en het toetsingskader van de verordening.
De “Waterschapsverordening Hunze en Aa’s” is van kracht vanaf 2025 en richt zich op het beheer, de bescherming en het gebruik van waterstaatswerken binnen het beheergebied van het waterschap Hunze en Aa’s. De uitgangspunten van het document zijn het waarborgen van waterveiligheid, het beschermen van waterkeringen, het handhaven van waterkwaliteit en het bevorderen van een doelmatige waterhuishouding. De ambities zijn gericht op het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, het beschermen van de ecologische en functionele waarden van wateren, en het faciliteren van duurzaam en veilig gebruik van het watersysteem. Het beleids- en toetsingskader bestaat uit gebruiksregels voor waterstaatswerken, vergunningplicht voor werkzaamheden en activiteiten binnen beschermingszones, en afwegingscriteria zoals het voorkomen van negatieve effecten op waterveiligheid, waterkwaliteit en het functioneren van waterstaatswerken. Het uitvoeringsbeleid omvat vergunningverlening, toezicht, handhaving en het gebruik van meldings- en vergunningsprocedures als praktische instrumenten voor de realisatie van het beleid.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel betreft de aanleg van een waterstofnetwerk dat deels binnen het beheergebied van Hunze en Aa’s valt. Volgens de Waterschapsverordening is het uitvoeren van werkzaamheden binnen of nabij waterstaatswerken, zoals het aanleggen van leidingen, vergunningplichtig. Binnen het beheergebied van Waterschap Hunze en Aa’s wordt alleen de bestaande leiding hergebruikt en wordt geen nieuwe leiding aangelegd.
De “Waterschapsverordening Vechtstromen” is geldend vanaf 2025. Het document is gestoeld op de uitgangspunten van bescherming, beheer en het gebruik van waterstaatswerken binnen het beheergebied van waterschap Vechtstromen. De verordening heeft als ambitie het waarborgen van waterveiligheid, het beschermen van waterkeringen, het handhaven van waterkwaliteit en het bevorderen van een doelmatige waterhuishouding. Het beleids- en toetsingskader bestaat uit gebruiksregels voor waterstaatswerken, een vergunningplicht voor werkzaamheden en activiteiten binnen beschermingszones, en afwegingscriteria zoals het voorkomen van negatieve effecten op waterveiligheid, waterkwaliteit en het functioneren van waterstaatswerken. Het uitvoeringsbeleid omvat vergunningverlening, toezicht, handhaving en het gebruik van meldings- en vergunningsprocedures als praktische instrumenten voor de realisatie van het beleid.
Het project Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel betreft de aanleg van een waterstofnetwerk dat deels binnen het beheergebied van Vechtstromen valt. Volgens de Waterschapsverordening is het uitvoeren van werkzaamheden binnen of nabij waterstaatswerken, zoals het aanleggen van leidingen, vergunningplichtig. Het planvoornemen moet aantonen dat het geen nadelige effecten heeft op waterveiligheid, waterkwaliteit en het functioneren van waterstaatswerken. In het planvoornemen wordt aangegeven dat de tracés van het waterstofnetwerk zoveel mogelijk buiten primaire waterkeringen en beschermingszones worden gelegd, en dat waar kruisingen noodzakelijk zijn, maatregelen worden getroffen om schade en risico’s te minimaliseren. Dit sluit aan bij de ambities en het toetsingskader van de verordening.
Het onderhavige project past binnen de doelstellingen van de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Hunze en Aa’s en Vechtstromen.
De aanleg en het in gebruik hebben van een waterstofleiding heeft een effect op de mens (leefomgeving, ruimtegebruik en gebruiksfuncties) en de omgeving (o.a. bodem, water, natuur, archeologie, landschap en cultuurhistorie). Bij het bepalen van het tracé voor dat waterstofleiding is het van groot belang om te onderzoeken welke effecten (kunnen) optreden. In de voorbereiding op dit projectbesluit zijn de effecten van de waterstofleiding onder andere op basis van milieu-informatie uit de mer-procedure bepaald. Het resultaat van de mer-procedure is het MER (milieueffectrapport) waarin de effecten staan beschreven van de verschillende alternatieven van de waterstofleiding op het milieu. Het doel van het opstellen van een MER is om het milieubelang een volwaardige rol te geven in de besluitvorming ten aanzien van de waterstofleiding. Voor de beschrijving van de voorgenomen activiteit - voor zover vastgelegd in dit projectbesluit - wordt verwezen naar hoofdstuk 1.
De milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een mer is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Mer is voorgeschreven op grond van Europese en nationale wetgeving.
In gevallen dat een besluit of plan dat betrekken heeft op activiteiten die voorkomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit moet bepaald worden welke procedure doorlopen met worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen: de mer-procedure of de mer-beoordelingsprocedure. In tabel 4.1 zijn de voor Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel relevante activiteiten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit weergegeven.
Activiteit | Omschrijving | Drempelwaarde |
J9 | Buisleidingen voor: a. het transport van gas, oliën of chemicaliën. b. het transport van kooldioxide (CO2) stromen voor geologische opslag, inclusief de pompstations, of c. stoom of warm water | mer-plicht: Als sprake is van een geval als Bedoeld onder a of b: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding met: 1o. Een diameter van meer dan 0,8 m; en 2o. Een lengte van meer dan 40 km |
K1 | Werkzaamheden voor het onttrekken of Kunstmatig aanvullen van grondwater | mer-plicht bij: Een hoeveelheid water van 10 miljoen m3 of meer per jaar |
Om te komen tot mogelijke tracés die in MER Fase 1 worden onderzocht, zijn verschillende stappen doorlopen. Voor het bepalen van mogelijke tracés zijn traceringsprincipes gebruikt. Deze traceringsprincipes volgen uit het Programma Energie Hoofdinfrastructuur. Achtereenvolgens gaan het om de volgende principes:
Zoveel mogelijk gebruik maken van de bestaande aardgasleidingen.
In geval van een nieuwe leiding zo veel mogelijk aansluiting zoeken bij aanwezige PEH-stroken. PEH staat voor Programma Energie Hoofdstructuur.
In geval van een nieuwe leiding zo veel mogelijk bundelen met bestaande infrastructuur, zoals aanwezige hogedruk aardgasleidingen, hoofdwaterleidingen en (provinciale) wegen.
Daarnaast is in dit project de unieke situatie dat in een deel van het gebied een bestaande aardgasleiding wordt verwijderd en het tracé van deze leiding deels hergebruikt kan worden.
Op basis van de traceringsprincipes is het project opgedeeld in vijf deelgebieden.
Deelgebied Nieuwediep - Ommen
Het eerste deelgebied beslaat het stuk tussen de afsluiterlocatie in Nieuwediep in de gemeente Stadskanaal (provincie Groningen) aan de grens tussen Drenthe en Groningen (en het eindpunt van Waterstofnetwerk Groningen) en de afsluiterlocatie S-444 nabij Ommen. Voor dit deelgebied is aardgasleiding A-619 beschikbaar voor hergebruik (principe 1). De andere drie nabijgelegen aardgasleidingen blijven in gebruik voor het transport van aardgas. De bestaande afsluiterlocatie (S-627) wordt vervangen door een passtuk en er wordt een nieuwe afsluiterlocatie (S-444) gerealiseerd.

Deelgebied Elim - Vlieghuis
Het tweede deelgebied is het gebied tussen de afsluiterlocatie bij Elim en het exportstation Vlieghuis aan de Katshaarweg. Nadere analyse van de benodigde capaciteit heeft aangetoond dat bestaande aardgasleidingen in dit deelgebied onvoldoende capaciteit hebben. Daarom is hergebruik van bestaande leidingen niet mogelijk hier en zal nieuwbouw moeten plaatsvinden. In dit deelgebied zijn twee tracéalternatieven onderzocht bij Coevorden, het basisalternatief en variant Coevorden II. Nieuwbouw van de leiding in de PEH-strook (principe 2) en nieuwbouw van de leiding grotendeels in de PEH-strook en deels gebundeld met bestaande leidingen (principes 2 en 3). In het deelgebied wordt een nieuwe afsluiterlocatie (S-440) gerealiseerd.

In de omgeving van Vlieghuis wordt de bestaande aardgasleiding A577 verwijderd. Het tracé van deze leiding is deels geschikt voor de aanleg van een nieuwe waterstofleiding. Dit komt vanwege aanwezige bebouwing en watergangen. Waar dit niet mogelijk is, kan de waterstofleiding enkele meters naast het tracé van de aardgasleiding worden aangelegd (principe 3), het basisalternatief.
Daarnaast is voor het deel bij de te verwijderen aardgasleiding ook de nabijgelegen PEH-strook onderzocht als tracévariant, variant Vlieghuis II (principe 2).

Deelgebied Vlieghuis - NAM Schoonebeek
Het derde deelgebied is het gebied tussen het exportstation Vlieghuis aan de Katshaarweg en NAM Schoonebeeek aan de Kanaalweg. In dit deelgebied bevinden zich geen bestaande aardgasleidingen die beschikbaar zijn voor hergebruik (principe 1) en is er geen PEH-strook aanwezig (principe 2). In dit deelgebied is gekozen voor zoveel mogelijk bundeling met de bestaande aardgasleiding A-582 (principe 3). Bundeling met een bestaande aardgasleiding heeft als voordeel dat er een duidelijke situatie is in de zin van ruimtelijke beperkingen (bijvoorbeeld een dubbelfunctie) en zakelijke rechten (zoals het recht van opstal). Dit komt het beheer en een veilige ligging ten goede. In het deelgebied wordt een nieuwe afsluiterlocatie (S-443) gerealiseerd.

Deelgebied NAM Schoonebeek - Nieuw-Amsterdam
Het vierde deelgebied beslaat het stuk tussen NAM Schoonebeek aan de Kanaalweg en afsluiterlocatie S-798 aan de Siepeldijk in Nieuw-Amsterdam. Voor dit deelgebied is de bestaande aardgasleiding A-605-01 beschikbaar voor hergebruik (principe 1).

Deelgebied Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen
Het vijfde deelgebied is het gebied tussen afluiterloactie S-798 aan de Siepdijk in Nieuw-Amsterdam en het GZI-terrein in het zuidoosten van Emmen. Vanaf het GZI-terrein loopt al een aangelegde waterstofleiding richting Emmen waarop de toekomstige waterstofleiding kan worden aangesloten.
In dit deelgebied bevinden zich geen bestaande aardgasleidingen die beschikbaar zijn voor hergebruik (principe 1) en is er geen PEH-strook aanwezig (principe 2). In dit deegebied is gekozen voor zoveel mogelijk bundeling met de bestaande aardgasleiding A-582 (principe 3). Ook hier geldt dat bundeling met een bestaande aardgastransportleiding als voordeel heeft dat er een duidelijke situatie is in de zin van ruimtelijke beperkingen (bijvoorbeeld een dubbelfunctie) en zakelijke rechten (zoals het recht van opstal). Dit komt het beheer en een veilige ligging ten goede. In het deelgebied wordt een nieuwe afsluiterlocatie (S-458) gerealiseerd.

Voor een groot deel van het tracé kan het bestaande gasleidingennetwerk worden hergebruikt voor het transporteren van waterstof. Hiervoor was geen alternatief aan de orde. In drie deelgebieden wordt een nieuwe leiding aangelegd. Voor het deelgebied “Elim - Vlieghuis” is gekozen voor het ‘basisalternatief’ als voorkeursalternatief. In de twee andere deelgebieden, “Vlieghuis - NAM Schoonebeek” en “Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen”, was slechts sprake van één tracé en zijn geen alternatieven of tracévarianten onderzocht. Er worden in totaal vier nieuwe afsluiterlocaties gebouwd en twaalf afsluiterlocaties losgekoppeld. Het voorkeursalternatief is in groen weergegeven in figuur 4.7.

De keuze voor het voorkeursalternatief is gedaan aan de hand van de in de IEA onderzochte thema’s. Bij het bepalen van de keuze voor het alternatief is gekeken naar permanente en tijdelijke effecten op het gebied van milieu, omgeving, techniek toekomstvastheid en kosten. Tijdelijke effecten wegen minder zwaar dan permanente effecten.
Gekozen is voor het ‘basisalternatief’ in plaats van variant Coevorden II om de volgende redenen:
In het basisalternatief worden in de beheerfase minder effecten verwacht. In het basisalternatief bevinden zich namelijk minder (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties binnen het brandaandachtsgebied en is sprake van minder nieuw brandaandachtsgebied. Minder nieuw brandaandachtsgebied heeft te maken met het feit dat er meer gebundeld wordt met bestaande aardgasleidingen die al een brandaandachtsgebied hebben.
Daarnaast is ook sprake van minder ruimtebeslag, omdat gebundeld wordt met bestaande leidingen en een deel van een bestaand tracé van een te verwijderen aardgasleiding wordt gebruikt. In de aanlegfase is bij het basisalternatief sprake van minder locaties die hinder ondervinden van geluid en trillingen.
Daar staan iets meer effecten in het kader van techniek voor het basisalternatief in de aanlegfase tegenover, maar deze effecten worden aanvaardbaar geacht, omdat dit de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg staat. Hier gaat het met name om minder ruimte voor de werkzaamheden in de aanlegfase en de bereikbaarheid van het werkterrein, omdat het basisalternatief minder in de vrije ruimte is gelegen. Daarnaast moet voor het basisalternatief onder het spoor door geboord worden. De hiervoor genoemde effecten zijn tijdelijk van aard.
Het basisalternatief zal te maken krijgen met lagere kosten dan de variant Coevorden II, dit komt doordat sprake is van een minder totaal aantal boringen. Er is sprake van minder boringen, omdat bij het basisalternatief in twee gevallen twee wegen met één gestuurde boring in één keer gekruist kunnen worden. Bij variant Coevorden II moet dit in beide gevallen met twee afzonderlijke boringen. Dit zorg ervoor dat bij variant Coevorden II meer gestuurde boringen nodig zijn. Hoe minder gestuurde boringen, hoe lager de kosten.
Om deze redenen is er aanleiding om de waterstofleiding gedeeltelijk niet in de PEH-strook te realiseren en te kiezen voor het basisalternatief.
Bij de keuze tussen het basisalternatief en variant Vlieghuis II is gekozen voor het basisalternatief en wel om de volgende redenen:
In het basisalternatief worden in de beheerfase minder effecten verwacht. In het basisalternatief bevinden zich namelijk minder beperkt kwetsbare gebouwen of locaties in het brandaandachtsgebied.
In de aanlegfase is bij het basisalternatief sprake van minder locaties die hinder ondervinden van geluid. Bij variant Vlieghuis II is het aantal locaties met een dagwaarde boven 50dB(A) hoger.
Bij het basisalternatief worden minder gronden met een agrarische functie doorkruist.
Daar staan meer effecten in de aanlegfase in het kader van techniek tegenover, omdat bij het basisalternatief sprake is van een gestuurde boring en variant Vlieghuis II volledig in open ontgraving wordt aangelegd. Deze effecten worden aanvaardbaar geacht, omdat deze effecten tijdelijk zijn.
Het basisalternatief zal te maken krijgen met lagere kosten dan de variant Vlieghuis II, dit komt met name door de kortere afstand van het tracé.
Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn bij de voorbereiding van dit projectbesluit betrokken. In dit hoofdstuk is omschreven hoe dat heeft plaatsgevonden.
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Hynetwork vinden participatie in de omgeving van het project belangrijk, omdat daarmee rekening kan worden gehouden met de belangen en wensen van de omgeving. Doel van participatie is dat de projectorganisatie en uiteindelijk de verantwoordelijke minister de omgeving en haar belangen goed kent, om deze in afwegingen mee te nemen en zorgvuldige keuzes te kunnen maken. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Hynetwork willen graag een prettige relatie met de mensen in de omgeving van waar de waterstofleiding wordt aangelegd.
De manier waarop het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Hynetwork hun participatie inzetten, staat uitgebreid beschreven in het participatieplan. Dit plan wordt bij elke fase van het project geëvalueerd en opnieuw vastgesteld voor de volgende periode. De laatste versie van het participatieplan is in te zien op de projectwebsite van de RVO .
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Hynetwork hanteren een aantal uitgangspunten voor de communicatie:
• We communiceren duidelijk en begrijpelijk voor elke doelgroep.
• We communiceren op verschillende manieren. Zo kan iedereen de informatie op een manier krijgen die bij de persoon past. Wie dat wil kan ik gesprek gaan.
• Daar waar het kan maken we informatie visueel.
• We communiceren op tijd en proactief. We wachten niet tot er vragen komen, maar we proberen deze alvast te beantwoorden.
• We zijn goed bereikbaar en reageren snel op vragen, verzoeken en klachten.
Algemeen
Hynetwork heeft een website opgezet waar informatie te vinden is over het project en over de voortgang van het project. Ook worden op de website bestanden geplaatst. Het gaat onder andere om verslagen van werksessies en nieuwsbrieven. Naar wens kan men zich aanmelden via de website om updates over het project te ontvangen via de nieuwsbrief. Daarnaast is op de website van RVO informatie te vinden over de formele procedure van het project. Op deze website worden alle officiële stukken gepubliceerd.
Tijdens elke stap in de voorbereidingsfase zijn inloopmomenten georganiseerd. Vlak voor de officiële inloopmomenten zijn informatieavonden georganiseerd voor de betrokken grondeigenaren. Dit is gedaan bij de concept-NRD en MER Fase 1 en concept-VKA.
Tot aan het concept voorkeursalternatief heeft men kunnen meedenken over het voorkeursalternatief. Vanaf dat moment kan meegedacht worden over de te publiceren documenten. Uit één van de werksessies met professionele partijen is een extra variant gekomen die tussen het concept van het voorkeursalternatief en het definitieve voorkeursalternatief (variant Vlieghuis II) nader is onderzocht en opgenomen is in het VKA. Sinds de vaststelling van het voorkeursalternatief vinden thematische werksessies plaats gericht op omgevingsveiligheid.
In de navolgende paragrafen wordt per stap in de voorbereidingsfase omschreven hoe de participatie is vormgegeven.
Voornemen en voorstel voor participatie
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en Hynetwork hebben de brede omgeving (bevoegde gezagen, inwoners, bedrijven en professionele belanghebbenden) geïnformeerd over het projectvoornemen en hoe men voornemens is om te gaan met participatie. Iedereen kon van 16 juni tot en met 27 juli 2023 een reactie geven met betrekking tot het voornemen en de wijze waarop de omgeving bij het project wordt betrokken. In deze periode is een webinar gehouden op 26 juni 2023 en zijn twee inloopbijeenkomsten georganiseerd op 27 en 28 juni 2023. Naar de inloopbijeenkomst van 27 juni in Oranjedorp zijn 55 bezoekers afgekomen en op 28 juni kwamen 41 bezoekers naar de inloopbijeenkomst in Hoogeveen.
Er zijn in totaal achttien reacties binnengekomen.
NRD
De concept-NRD heeft van 19 januari tot en met 29 februari ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn vijftien reacties ingediend. Tijdens de terinzageperiode hebben twee informatiebijeenkomsten plaatsgevonden, één op 6 februari 2024 en eén op 7 februari 2024. Op 6 februari vond de inloopbijeenkomst plaats in Oranjedorp en daar kwamen 47 bezoekers naartoe. Naar de inloopbijeenkomst in Nieuwlande op 7 februari kwamen 59 bezoekers.
Daarnaast heeft de Commissie mer advies uitgebracht op de concept-NRD op 26 maart 2024. Op het gebied van externe veiligheid, bodem en grondwaterhuishouding, circulariteit en mitigatie van klimaatverandering en natuur heeft de Commissie aandachtspunten meegegeven voor de milieuonderzoeken die gedaan worden ten behoeve van project-MER Fase 1 en Fase 2. Het advies van de Commissie mer is betrokken bij de definitieve NRD en bij het opstellen van het MER Fase 1 en Fase 2 en de keuze voor het voorkeursalternatief.
MER Fase 1, IEA en VKA
Van 7 maart tot en met donderdag 17 april 2025 lag het concept-VKA, gezamenlijk met het MER Fase 1 en de IEA, ter inzage. In die periode was het mogelijk een reactie in te dienen. Tijdens deze periode zijn acht reacties ingediend. Deze reacties zijn beantwoord in een reactienota .
Ook hebben tijdens de terinzageperiode twee inloopbijeenkomsten plaatsgevonden op 24 en 25 maart 2025. Naar de inloopbijeenkomst van 24 maart in Nieuwlande kwamen 13 bezoekers en naar de inloopbijeenkomst in Erica van 25 maart kwamen 11 bezoekers.
Ook heeft de Commissie mer op 3 juni 2025 een tussentijds toetsingsadvies gegeven over het MER. De Commissie is van oordeel dat MER Fase 1 de essentiële informatie bevat om een besluit te nemen over het voorkeursalternatief voor Waterstofnetwerk Drenthe en Overijssel, waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen. De Commissie heeft nog wel een aantal adviezen voor het milieuonderzoek dat nodig is voor MER Fase 2. De adviezen hebben betrekking op verwachte regionale vraag naar waterstof, externe veiligheid, water en natuur en archeologie.
Ten slotte zijn er werksessies georganiseerd op 7 november 2024 naar aanleiding van het concept MER en de concept IEA voor de professionele partijen dorpsraden en is een werksessie veiligheid geweest op 14 november 2024 voor de brandweer en omgevingsdiensten.
Alle reacties en adviezen zijn meegenomen bij het vaststellen van het definitieve VKA. Het definitieve VKA is op 27 september 2025 vastgesteld door de Minister van Klimaat en Groene Groei en overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
MER Fase 2
Na vaststelling van het voorkeursalternatief wordt het alternatief verder onderzocht in MER Fase 2. Op 13 januari 2026 is met betrekking tot MER Fase 2 een werksessie georganiseerd voor betrokken overheden en andere omgevingspartijen, zoals dorpsraden. Hierbij waren twintig personen aanwezig. Tijdens de werksessie was er de mogelijkheid tot het geven van opmerkingen en het stellen van vragen. Het verslag van de werksessie is in te zien op de website van Hynetwork en onderdeel van bijlage [#PM] van dit projectbesluit.
Om ervoor te zorgen dat bij de besluitvorming op de juiste wijze rekening wordt gehouden met gezondheid en milieu, is voor dit project een milieueffectrapportage (MER) opgesteld. In het MER zijn de milieueffecten van het project onderzocht. Hierbij is rekening gehouden met eventuele cumulatie van effecten van het project met andere ontwikkelingen in de omgeving.
In hoofdstukken 6 t/m 10 van deze toelichting is een beschrijving gegeven van de milieueffecten van het project. Deze effecten worden getoetst aan wet- en regelgeving en de lokale toetsingskaders. Per milieuaspect is een beschrijving opgenomen van het toetsingskader, de effecten van het project op basis van de resultaten van de diverse onderzoeken, eventuele mitigerende maatregelen en de conclusie. Per aspect is, voor zover aan de orde, beschreven op welke wijze een vertaling naar de regels die het omgevingsplan wijzigen, heeft plaatsgevonden. Voor een gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar het hoofdrapport MER dat als bijlage [PM] is opgenomen bij deze motivering. Daarnaast kan het zijn dat er voor een deelaspect nader onderzoek is uitgevoerd. In dat geval is bij de betreffende paragraaf expliciet verwezen naar de betreffende bijlage. Deze bijlage dient gelezen te worden als aanvulling op bijlage [PM].
In de navolgende hoofdstukken zijn uitsluitend de effecten van de projectonderdelen binnen de scope van de wijziging van het omgevingsplan opgenomen. De overige projectonderdelen zijn immers al planologisch toegestaan en zijn dus reeds onderbouwd. Voor de scope van het projectbesluit en de wijziging van het omgevingsplan wordt verwezen naar paragraaf 2.2.
Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij het mogelijk maken van activiteiten te waarborgen. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s opgenomen in paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 9.1 van het Bkl is aangegeven dat voor projectbesluiten paragraaf 5.1.4 van het Bkl van overeenkomstige toepassing is. In het licht van het bovenstaand, moet bij een projectbesluit rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Het gaat daarbij zowel om de geluidbelasting van de mogelijk gemaakte activiteit op gevoelige functies de omgeving, als om de geluidbelasting van de omgeving op de activiteit (indien het een geluidgevoelige functie betreft).
Geluid in de aanlegfase
Tijdens de aanlegfase treedt geluidshinder op door de inzet van materieel en door het uitvoeren van werkzaamheden zoals boringen en open ontgravingen.
Tijdens de aanlegfase geldt dat bij 31 woningen of andere geluidsgevoelige objecten de dagwaarde van 60 dB(A) wordt overschreden. Het gaat om: 27 woningen in het deelgebied Elim-Vlieghuis, twee woningen in het deelgebied Vlieghuis - NAM Schoonebeek en twee woningen in het deelgebied Nieuw-Amsterdam - GZI-Emmen. In de figuren 6.1 tot en met 6.3 zijn deze woningen aangegeven. Met behulp van mitigerende maatregelen, zoals het gebruik van geluidsarme technieken, het plaatsen van tijdelijke geluidsschermen en het beperken van de duur van de werkzaamheden, kan het effect beperkt worden.



Geluid in de gebruiksfase
Er is in de gebruiksfase geen relevante geluidhinder van de leiding en afsluiters. Een toetsing is daarmee niet benodigd.
De werkzaamheden in de aanlegfase zullen tot een tijdelijke toename van de geluidsbelasting in de omgeving leiden, maar deze geluidsbelasting wordt op grond van het Bbl aanvaardbaar geacht als de mitigerende maatregelen worden toegepast. In de gebruiksfase wordt voldaan aan de wettelijke normen uit het Bkl. Een nadere planologische regeling of het opnemen van maatregelen in de planologische regeling is dan ook niet nodig. Bij de werkzaamheden moet worden voldaan aan het gestelde in artikel 7.17 Bbl. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen.
De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in de paragraaf Bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5) van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:
Verandering bodemkwaliteit
Waar gebruik gemaakt wordt van bestaande aardgasleidingen is er geen invloed op de bodemkwaliteit. Waar nieuwe leidingen zijn gepland worden grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de ombouw en nieuwbouw van afsluiterlocaties.
Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat drie watergangen beperkingen hebben bij het verspreiden van het slib (MS-0010, MS-0070 & MS-1010). Alle overige onderzochte waterbodems zijn maximaal licht verontreinigd en vrij verspreidbaar. In de dammen zijn maximaal licht verhoogde gehalten aanwezig. Ter plaatse van twee slootdempingen (MG-0310 en MG-0320) zijn matige verontreinigingen met koper en lood aanwezig. Tijdens de realisatie zal de (mogelijke) verontreinigde bodem gesaneerd moeten worden, wat leidt tot een duidelijke verbetering van de bodemkwaliteit.
Bij de afsluiter S-444 is lokaal nikkel in de grond in de klasse Sterk verontreinigd aangetroffen. De sterke verontreiniging houdt verband met een aangetroffen zintuigelijk afwijkende laag. Tijdens het aanleggen van de nieuwe afsluiterlocatie zal de verontreiniging worden verwijderd.
De effecten op het thema bodem zijn gering. Op diverse locaties is gebleken dat de locatie verdacht is op (mogelijk) lichte verontreinigingen. Bij de afsluiter S-444 is lokaal nikkel in de grond in de klasse Sterk verontreinigd aangetroffen. Tijdens de realisatie zal de (mogelijke) verontreinigde bovengrond verwijderd moeten worden volgens de geldende en toegestane werkwijzen. Dit heeft uiteindelijk positieve effecten op de bodemkwaliteit. Vanuit het aspect bodem is er in dat geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft in paragraaf 5.1.4 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen in Nederland. In artikel 9.1 van het Bkl is aangegeven dat voor projectbesluiten paragraaf 5.1.4 van het Bkl van overeenkomstige toepassing is.
Voor een aantal activiteiten moeten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht genomen worden, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:
I. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.
II. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
Aanlegfase
Voor de aanleg van het waterstofnetwerk is gedurende enkele maanden inzet nodig van mobiele werktuigen, (middel-)zware utiliteitsvoertuigen en vrachtverkeer. De invloed op de luchtkwaliteit ontstaat enerzijds door inzet van mobiele werktuigen en utiliteitsvoertuigen op de werkterreinen. Deze bronnen zijn stationair (dat wil zeggen; verplaatsen zich niet of over kleine gelokaliseerde afstanden binnen het werkterrein). Anderzijds ontstaat invloed op de luchtkwaliteit door verkeersgeneratie (personen- en vrachtverkeer).
Uit berekeningen met de NIBM-tool (zie tabel 6.1) van het RIVM blijkt dat de verkeersgeneratie tijdens de aanlegfase in niet betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarnaast kan met zekerheid gesteld worden dat de stationaire uitstootbronnen tijdens de aanlegfase in niet betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatste van de dichtstbijzijnde gevoelige gebouwen.

Gebruiksfase
Met het initiatief worden enkele afsluiterlocaties en een nieuwe waterstofleiding gerealiseerd. De verkeersbewegingen bestaan uit enkele vervoersbewegingen per maand ten behoeve van onderhoud en beheer van de afsluiterlocatie. In uitzonderlijke gevallen zullen ook vervoersbewegingen bij calamiteiten of grootschalige (onderhoudswerkzaamheden) plaatsvinden. In werkelijkheid zal dus niet iedere dag een vervoersbeweging plaatsvinden. Door de zeer beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen kan met zekerheid worden gesteld dat het de projectonderdelen in de gebruiksfase niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Uit de berekeningen over de aanlegfase blijkt dat de inzet van mobiele werktuigen en de stationaire uitstootbronnen in de aanlegfase niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Ook de vervoerbewegingen in de gebruiksfase dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarmee kan worden gesteld dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gewaarborgd wordt.
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 juncto artikel 5.53 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.
Om de mogelijke trillinghinder in kaart te brengen kan de richtlijn van Stichting Bouwresearch (SBR-richtlijn) 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' worden gebruikt. Deze richtlijn bestaat uit drie delen:
Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij de internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2). Er wordt in deze richtlijn veel aandacht besteed aan het meten en berekenen van trillingen. De meet- en rekenregels voor trillingen staan in de Omgevingsregeling. In paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn instructieregels opgenomen ten aanzien van trillingen. De streefwaarden uit SBR-richtlijn deel B zijn als standaardwaarden opgenomen in art. 5.87 Bkl.
Trillinghinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximale trillingsniveau en gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (zoals wonen, onderwijs) staan in de richtlijn en het Bkl grens- en streefwaarden. Met een onderscheid tussen maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus wordt trillinghinder beoordeeld. Overschrijding van de streefwaarden leidt tot een reële kans op hinder.
Tijdens de aanleg van het waterstofnetwerk Drenthe Overijssel is er sprake van trillinghinder, vooral door het intrillen van damwanden, buispalen en het gebruik van zwaar materieel tijdens de aanlegfase. In een worstcase-benadering liggen er 107 woningen waar trillinghinder kan optreden binnen de 120 meter contour van de werkzaamheden. Het gaat om vijf woningen in deelgebied Nieuwediep - Ommen, tachtig woningen in deelgebied Elim - Vlieghuis, vier woningen in deelgebied Vlieghuis - NAM Schoonebeek en achttien woningen in deelgebied Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen.
Met behulp van mitigerende maatregelen, zoals het gebruik van trillingarme apparatuur, dempingsmaterialen en technieken en het beperken van de duur van de werkzaamheden kan het effect beperkt worden.




Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een trillingsonderzoek uitgevoerd. Tijdens de werkzaamheden worden trillingsmetingen gedaan op kritieke locaties. Bij overschrijding van grenswaarden worden maatregelen genomen.
In de gebruiksfase is er geen sprake van trillingseffecten.
Met behulp van de mitigerende maatregelen, een trillingsonderzoek, de trillingsmetingen en het nemen van maatregelen bij overschrijding van grenswaarden tijdens de aanlegfase is er vanuit het aspect trillingen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de werkzaamheden moet worden voldaan aan het gestelde in artikel 7.18 Bbl.
Bescherming van waterbelangen
Bij ruimtelijke initiatieven en plannen die invloed kunnen hebben op de leefomgeving, is het wettelijk verplicht om rekening te houden met de waterbelangen.
Het doel van de weging van het waterbelang is het waarborgen van:
Daarbij moet rekening worden gehouden met het onderhoud, de instandhouding en eventuele toekomstige plannen, zoals bijvoorbeeld versterkingen van de kust en waterkeringen.
Het afwegen van de waterbelangen is een verplicht onderdeel binnen de Omgevingswet en is vastgelegd in instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waaronder artikelen 5.37 en 5.38. In artikel 9.1 van het Bkl is aangegeven dat voor projectbesluiten artikel 5.37 van het Bkl van overeenkomstige toepassing is. Bevoegde gezagen moeten de opvattingen van de waterbeheerder meenemen in hun besluitvorming, maar hebben de vrijheid in hoe zij dit vormgeven.
De effecten ten aanzien van grondwater en zetting en oppervlaktewater zijn van toepassing op de aanlegfase. In de gebruiksfase treden geen effecten op.
Verandering grondwaterstand en zetting
Voor de aanleg van de leidingen en afsluiterlocaties moet grondwater tijdelijk bemaald worden waardoor een grondwaterstandsverlaging kan ontstaan en daarmee een verandering in grondwaterstroming. Ook is er bij de nieuw aan te leggen leidingen en bij meerdere afsluiterlocaties een risico op droogteschade bij gewassen en/of vegetatie. Met behulp van mitigerende maatregelen zoals het plaatsen van damwanden en het besproeien van gewassen kan het effect beperkt worden.
De bemaling kan zorgen voor zetting. Zetting van de bodem is een vorm van bodemdaling waarbij de bodem verticaal zakt. Door het wegpompen van grondwater tot een niveau lager dan de gemiddeld laagste grondwaterstand kan versnelde zetting optreden bij gronden die daarvoor gevoelig zijn. Op basis van de opgestelde bemalingsadviezen is gebleken dat het risico op zettingen bij bebouwing, waterkeringen en overige thema’s zeer klein of zelfs uitgesloten is. Dit komt doordat op deze locaties in het verleden al (vele) bemalingen hebben plaatsgevonden, waardoor verwacht wordt dat de grondwaterstand en stijghoogte niet onder het historische minimum dalen. Daarnaast bevinden zich binnen de invloedsgebieden van de bemalingen geen zettingsgevoelige bodemlagen of kwetsbare functies, of doordat sloten die gelegen zijn tussen de projectlocatie en de regionale keringen een dempende werking hebben op de grondwaterstandsverlagingen. Schade aan bebouwing of infrastructuur als gevolg van zetting wordt daarom niet verwacht.
Enkel tussen Elim en Vlieghuis hebben twaalf panden risico op zettingsschade door bemaling bij de aanleg van het leidingtracé, afhankelijk van de funderingswijze van de panden. In figuur 7.1 tot en met 7.3 zijn de locaties van deze panden weergegeven. Met behulp van mitigerende maatregelen kan het risico op zettingsschade verlaagd worden. Welke mitigerende maatregel het meest geschikt is, is maatwerk per locatie en ingreep.



Oppervlaktewater
Bij de bemaling ten behoeve van de aanleg van leidingen en afsluiterlocaties moet er bemalingswater geloosd worden op het oppervlaktewater. Dit kan gevolgen hebben voor de oppervlaktewaterkwantiteit- en kwaliteit. Bij lozing van bemalingswater op oppervlaktewater kunnen tijdelijke effecten optreden op de waterkwantiteit van het ontvangende watersysteem. Het extra lozingsdebiet kan leiden tot een tijdelijke toename van de afvoer en waterstanden in de watergang, waardoor de beschikbare bergingscapaciteit afneemt en de hydraulische capaciteit van het systeem extra wordt belast.
De mate waarin deze effecten optreden is afhankelijk van onder meer het lozingsdebiet, de duur van de lozing en de afmetingen en afvoercapaciteit van het ontvangende oppervlaktewater. Met name in kleinere watergangen of bij reeds hoge waterstanden kan dit lokaal leiden tot knelpunten in de afvoer of een verhoogd risico op wateroverlast.
Verder voldoet de grondwaterkwaliteit ook niet overal aan de lozingseisen voor lozing op het oppervlaktewater. Hierdoor is er zonder mitigerende maatregelen een licht negatief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit voorzien. Met behulp van retourbemaling wordt er minder water geloosd op het oppervlaktewater.
Verzilting
Verzilting van het grond- en oppervlaktewater vindt van nature plaats in het kustgebied van Nederland door indringing van zeewater via de grote rivieren en zoute kwel. De tracés en de afsluiterlocaties in Drenthe en Overijssel hebben hier geen last van.
Dijkveiligheid
Op een aantal locaties kruist het tracé waterlopen met aan weerszijden waterkeringen. Daar waar het dijklichamen betreft komen de leidingen in de waterkering te liggen. Voor kruisingen van watergangen gelden verschillende ontwerpeisen vanuit meerdere NEN-normen (NEN-3650/3651). Deze norm stelt eisen aan het ontwerp van deze kruisingen, zodanig dat de leidingen geen ontoelaatbaar risico voor de sterkte van dijklichamen vormen. Dit wordt aangetoond met de sterkteberekeningen die conform de NEN 3650 worden uitgevoerd. Deze berekeningen borgen dat (het definitieve ontwerp van) de leiding ruimschoots genoeg marge heeft in sterkte om spanningen in de dijk op te kunnen vangen. De combinatie van (extreem) hoge waterstanden en een verzwakte dijk ter plaatse van de leidingkruising, kan - afhankelijk van de kruisingssituatie - leiden tot de noodzaak om maatregelen te treffen om te voorkomen dat het dijktalud kan afschuiven, totdat het gevaar van hoog water is geweken of de dijk is versterkt. Hiervoor worden verschillende technische maatregelen beschouwd, zoals uit bufferen van de leidinginhoud, het inblokken van de leiding met afsluiters en drukloos maken met afblazen of affakkelen, maar ook het aanbrengen van aanvullende constructieve maatregelen in de waterkering.
Binnen het thema water zijn de effecten klein. Wanneer het gaat om zetting, zijn bij de juiste mitigerende maatregelen de risico’s klein op zetting.
Wel is er een risico op droogteschade bij de aanleg van nieuwe leidingen en afsluiterlocaties. Met behulp van mitigerende maatregelen kan het risico op droogteschade en zettingsschade verlaagd worden. Hierbij kan gedacht worden aan retourbemaling van het onttrokken water of door andere technische oplossingen zoals het plaatsen van damwanden. Retourbemaling is alleen toepasbaar als in zandlagen wordt bemalen. Dit is niet mogelijk voor kleilagen. Het plaatsen van damwanden kan weer zorgen voor andere effecten, zoals geluidsverstoring of trillinghinder. Daarom wordt per locatie gekeken wat de beste mitigerende maartregel is. De mitigerende maatregelen worden opgenomen in vergunningvoorschriften in de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit (grondwateronttrekkingsactiviteit).
Er is geen risico op verzilting.
Doordat de leidingen voldoen aan bepaalde NEN-normen is er geen sprake van een risico voor de dijkveiligheid.
Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk zijn de veiligheidseffecten van het project beschouwd. Het gaat hierbij om omgevingsveiligheid en ontplofbare oorlogsresten.
Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) betreft het tegengaan van risico’s voor de omgeving door bedrijfsactiviteiten met gevaarlijke stoffen of door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s dienen in beeld gebracht te worden. Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in een projectbesluit voor risico’s van branden, rampen en crises (als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s) rekening gehouden met het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening.
Bij het mogelijk maken van nieuwe activiteiten moet rekening worden gehouden met de omgevingsveiligheid om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te waarborgen. Het gaat daarbij om:
de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en
het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Voor de Milieubelastende Activiteiten (MBA’s) met externe veiligheidsrisico’s staan twee begrippen centraal: het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een persoon als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Hiervoor wordt een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de miljoen per jaar. Voor nieuwe kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties geldt dat het plaatsgebonden risico van 10-6/jaar een grenswaarde is. Binnen die contour mogen geen nieuwe kwetsbare gebouwen gerealiseerd worden. Hier gelden enkele uitzonderingen voor.
Aandachtsgebieden
Wanneer een plan is gelegen binnen aandachtsgebieden van risicobronnen is extra aandacht nodig voor de bescherming van mensen als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen. In het Bkl zijn drie categorieën opgenomen waarvoor de regels bescherming bieden: beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en zeer kwetsbaar (alleen gebouwen). In een ruimtelijk plan dienen regels opgenomen te zijn om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico’s. De nadruk ligt op de bescherming van de kwetsbare gebruiksfuncties in een gebouw in plaats van de bescherming van het gebouw als geheel. Voor het groepsrisico gelden aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd zijn tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Binnen een aandachtsgebied bepaalt het bevoegd gezag de benodigde beschermde maatregelen. Er zijn drie typen aandachtsgebieden:
Plaatsgebonden risico
Voor alle deelgebieden geldt dat de waterstofleiding, zowel de delen die hergebruikt worden als de delen die nieuw aangelegd worden, geen plaatsgebonden risicocontour heeft van 10-6.
Aandachtsgebieden
In de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse is in het kader van de artikelen 5.12 en verder van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) het groepsrisico berekend en is de bestaande situatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en van beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen het brandaandachtsgebied in beeld gebracht. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt de oriëntatiewaarde gehanteerd als richtpunt. Deze heeft een attenderende functie voor bevoegde gezagen bij de beoordeling of een risico aanvaardbaar is. Uit de kwantitatieve risicoanalyse voor het project blijkt dat het groepsrisico, zowel voor het gehele traject als voor het hoogste groepsrisico per kilometer, onder de oriëntatiewaarde blijft. Op basis hiervan is voor de in het brandaandachtsgebied aanwezige beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen niet noodzakelijk om beschermende maatregelen te nemen.
Er is sprake van brandaandachtsgebied. Op grond van artikel 5.14 tweede lid Bkl dient dan een brandvoorschriftengebied te worden aangewezen. Dit betreft specifieke locaties waar aanvullende bouweisen kunnen gelden voor nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Het doel van een brandvoorschriftengebied is om het bevoegd gezag de mogelijkheid te geven om, aanvullend op de maatregelen die al gelden binnen een brandaandachtsgebied, extra bouwkundige eisen op te leggen. Daarvan kan worden afgezien op grond van artikel 5.14, derde lid Bkl maar dat geldt niet voor locaties in een brandaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten.
De beleidsambitie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is deze aanvullende bouweisen alleen toe te passen als ze zowel nuttig als noodzakelijk zijn. Aangezien het voor de in het brandaandachtsgebied aanwezige beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen niet noodzakelijk is om beschermende maatregelen te nemen is onverkorte toepassing van de bouwregels voor nieuw toe te laten beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel (waarborgen van veiligheid van personen in het gebouw).
Voor binnen het brandaandachtsgebied toe te laten zeer kwetsbare gebouwen wordt conform artikel 5.14, derde lid Bkl wel een brandvoorschriftengebied aangewezen. Een klein deel van het brandaandachtsgebied ligt in de gemeente Veendam. Dat maakt onderdeel uit van Waterstofnetwerk Groningen. Binnen het project Waterstofnetwerk Groningen wordt het brandvoorschriftengebied voor de gemeente Veendam geregeld.
Daarnaast is het op grond van artikel 5.19 onder a niet mogelijk zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen toe te laten binnen vijf meter van het hart van de buisleiding. Het brandaandachtsgebied per deelgebied wordt in deze paragraaf toegelicht.
Nieuwediep - Ommen
Het brandaandachtsgebied van de waterstofleiding in het deelgebied Nieuwediep - Ommen is ongeveer 570 meter breed. Binnen het brandaandachtsgebied liggen 839 beperkt kwetsbare gebouwen, 1127 kwetsbare gebouwen en zeven zeer kwetsbare gebouwen. Omdat het in dit geval gaat het om hergebruik van een aardgastransportleiding en het brandaandachtsgebied even groot is, verandert er niets aan de huidige situatie. Het aantal zeer-, beperkt- of kwetsbare gebouwen blijft gelijk. Geen van deze gebouwen bevinden zich binnen vijf meter van het hart van de buisleiding.

Elim - Vlieghuis
Het brandaandachtsgebied in het deelgebied Elim - Vlieghuis is ongeveer 275 meter breed. Binnen het brandaandachtsgebied liggen 127 beperkt kwetsbare gebouwen en 140 kwetsbare gebouwen. Geen van deze gebouwen bevinden zich binnen vijf meter van het hart van de buisleiding.

Vlieghuis - NAM Schoonebeek
Het brandaandachtsgebied van de waterstofleiding in het deelgebied Vlieghuis - NAM Schoonebeek is ongeveer 110 meter breed. Binnen dit deelgebied liggen vier beperkt kwetsbare gebouwen. Er zijn geen zeer kwetsbare gebouwen gelegen binnen het brandaandachtsgebied.

NAM Schoonebeek - Nieuw-Amsterdam
Het brandaandachtsgebied van de waterstofleiding is in het deelgebied NAM Schoonebeek - Nieuw-Amsterdam 110 meter breed. Binnen het brandaandachtsgebied liggen vier beperkt kwetsbare gebouwen. Omdat het in dit geval gaat het om hergebruik van een bestaande aardgastransportleiding en het brandaandachtsgebied even groot is, verandert er niets aan de huidige situatie. Het aantal beperkt kwetsbare gebouwen blijft gelijk.

Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen
Het brandaandachtsgebied van waterstofleiding in het deelgebied Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen is 110 meter breed. Binnen het brandaandachtsgebied liggen 111 beperkt kwetsbare gebouwen en 27 kwetsbare gebouwen. Geen van deze gebouwen bevinden zich binnen vijf meter van het hart van de buisleiding.

Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Binnen de nieuwbouwdelen van de waterstofleiding bevinden zich geen zeer kwetsbare gebouwen en overal blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Wel wordt voor het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen in het brandaandachtsgebied een brandvoorschriftengebied aangewezen.
Naar aanleiding van de verschillende oorlogshandelingen in het verleden kunnen ontplofbare oorlogsresten (OO) zijn achtergebleven in het projectgebied. Bij de werkzaamheden in het kader van dit project bestaat mogelijk het risico dat explosieven worden aangetroffen die gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (hierna: WSCS-OCE) dient ter beoordeling of er indicaties zijn dat binnen het projectgebied conventionele explosieven aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen.
De bodemingrepen voor het gehele project vinden plaats in onverdachte gebieden voor OO. Alleen nabij afsluiterlocatie S-672/S-444 wordt geconcludeerd dat een deelgebied verdacht is op OO. Er is een verhoogd risico op het aantreffen van geschutmunitie in de bodem.
Bij bodemroering in dit gebied nabij afsluiterlocatie S-672/S-444 moet onderzoek uitgevoerd worden om de aanleg veilig te laten geschieden. in de Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten is er daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, indien eventuele benodigde maatregelen getroffen zijn.
In dit hoofdstuk zijn de effecten van het project beschouwd op het cultureel erfgoed, de landschappelijke waarden en de ruimtelijke kwaliteit en welstand.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze hebben betrekking op:
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
verplaatsing van beschermde monumenten;
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Verder moeten eventuele archeologische toevalsvondsten (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) worden gemeld conform art. 5.10 van de Erfgoedwet.
Archeologie
Werkzaamheden die impact kunnen hebben op archeologie is de aanleg van nieuwe waterstofleidingen, nieuwe afsluiterlocaties en eventueel de aanleg van werkterreinen. Voor de bestaande afsluiterlocaties vinden de ingrepen plaats in al verstoorde gronden. Voor enkele afsluiterlocaties (o.a. S-440, S-443/S-356) dienen nog verkennende booronderzoeken uitgevoerd te worden. Hetzelfde geldt voor bepaalde tracédelen (o.a. Elim - Vlieghuis (rapportnummers 0043, 0012, 0013, 0074, 0118 en 0055), Vlieghuis - NAM Schoonebeek (rapportnummers 0043, 0118) en Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen (rapportnummer 0042)). Voor andere tracédelen zijn grote delen vrijgegeven na uitvoering van het verkennende booronderzoek. Voor de niet-vrijgegeven delen dient nog nader onderzoek uitgevoerd te worden in de vorm van een karterend booronderzoek, proefsleuvenonderzoek en/of een archeologische begeleiding van de werkzaamheden.
Bij onder andere afsluiterlocatie S-440, S-443/S-356 moet nog verkennend booronderzoek uitgevoerd worden, voordat gestart kan worden met de werkzaamheden. Daarnaast moet in een aantal nog niet vrijgegeven delen karterend booronderzoek, archeologisch proefsleuvenonderzoek gedaan worden en/of een archeologische begeleiding van de werkzaamheden plaatsvinden. Aan de vergunning kunnen, indien noodzakelijk, voorschriften verbonden worden en is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt.
De landschappelijke en visuele impact van het project wordt daarom in dit hoofdstuk kwalitatief beschouwd.
Voor grote delen van het project is er sprake van hergebruik van leidingen. Ten aanzien van landschappelijk waarden wijzigt er niks. Vanwege de ondergrondse leidingen worden bij nieuwe leidingen ook geen natuurlijke landschappelijke en aardkundige waarden aangetast. Elementen en patronen in de vorm van houtwallen, waterlopen en lintbebouwing worden zoveel mogelijk ontzien door de gekozen aanlegmethode. In het ontwerp wordt aandacht besteed aan de minimaliseren van de impact op solitaire bomen.
Er is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het aspect landschappelijke waarden.
Op grond van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving moet bij besluiten over de fysieke leefomgeving rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden, waaronder monumenten, historische structuren, verkavelingspatronen en kenmerkende landschappelijke elementen.
In deelgebied Vlieghuis - NAM Schoonebeek worden cultuurhistorische waarden doorsneden, namelijk houtwallen en een waterloop. De leiding wordt langs de waterloop gerealiseerd in een bestaand leidingtracé, waardoor geen nieuwe verstoringen ontstaan. De houtwallen worden ontzien door gebruik te maken van gestuurde boringen. Ook op deze waarden vindt geen aantasting plaats.
In deelgebied Nieuw-Amsterdam - GZI Emmen worden cultuurhistorische waarden doorsneden, namelijk houtwallen, waterlopen en lintbebouwing ten noorden van Erica. Deze waarden worden ontzien door gebruik te maken gestuurde boringen. Hierdoor vindt geen aantasting plaats van de cultuurhistorische waarden.
Er is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het aspect cultuurhistorische waarden.
In dit hoofdstuk zijn de effecten van Waterstofnetwerk Drenthe Overijssel beschouwd op de natuur. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden drie vormen van bescherming onderscheiden:
Daarnaast is een analyse opgenomen van effecten op NNN-gebieden (Natuur Netwerk Nederland) uit de provinciale Omgevingsverordeningen. Extra maatregelen die genomen moeten worden, worden in de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit geborgd.
In overeenstemming met de Omgevingswet moet bij een project onderzocht worden of de kwaliteit van natuurlijke habitats verslechtert of leefgebieden van soorten significant verstoord worden (art 16.53c Omgevingswet). In dat geval zal voor het project een vergunning nodig zijn. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, behorende bij de Omgevingswet, regelt met name de bescherming van gebieden die in het kader van de Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn beschermd moeten worden (Natura 2000-gebieden).
Omdat de werkzaamheden niet binnen Natura 2000-gebieden plaatsvinden is geen sprake van directe effecten zoals oppervlakteverlies of versnippering van habitattypen of leefgebieden. Ook mechanische effecten zijn hierdoor niet van toepassing. De dichtstbijzijnde werkzaamheden vinden plaats op circa 760 m van Natura 2000-gebied en betreffen geen open ontgraving, maar slechts het verwijderen van een afsluiter en plaatsen van een passtuk. Door de afstand en tussengelegen wegen en bebouwing is geen sprake van verstoring door geluid, licht en/of trilling. De dichtstbijzijnde open ontgraving vindt plaats op meer dan 5 km van Natura 2000-gebied. De tracés waar open ontgraving plaatsvindt worden ook van het Natura 2000-gebied gescheiden door verschillende wegen, waaronder de N862. Verdrogende effecten door open bemaling zijn door deze afstand uitgesloten. Effecten anders dan verzuring en vermesting (als gevolg van stikstofdepositie) zijn dus uitgesloten.
Door aanleg van het waterstofnetwerk is sprake van een geringe toename van stikstofdepositie op overbelaste natuurwaarden, zie figuur 10.1 voor de betreffende Natura-2000 gebieden.
Omdat toch sprake is van een toename is een ecologische voortoets uitgevoerd conform het voorzorgsbeginsel (bijlage [#PM]), om te bepalen of sprake is van negatieve gevolgen voor de overbelaste natuurwaarden. In de voortoets zijn de effecten op 22 Natura 2000-gebieden onderzocht. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat dat kritische depositiewaarde wordt overschreden, is onderzocht of de berekende toename van stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakteverlies van het stikstofgevoelige areaal. Uit de gebiedsspecifieke analyses van de 22 Natura-2000 gebieden volgt dat kan worden uitgesloten dat de berekende toenames aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zullen leiden tot een negatief ecologisch effect. Negatieve gevolgen van deze toename zijn daarmee op voorhand uitgesloten.

Het merendeel van de werkzaamheden vindt op (ruime) afstand plaats van leefgebieden van weide- en akkervogels en ganzenrustgebieden. Alleen binnen het deelgebied Nieuw-Amsterdam - Emmen is er sprake van tijdelijk ruimtebeslag op bijna 10 hectare akkervogelleefgebied als gevolg van de werkterreinen. Na de werkzaamheden kan het gebied herstellen naar een vergelijkbare staat. Daarnaast leiden de werkzaamheden voor de nieuwbouwleidingen vanwege geluid tot een verstoring van akker- en weidevogelleefgebieden of ganzenrust- en foerageergebieden. Om de effecten zoveel mogelijk te beperken worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden.
Significante effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Ook een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie is op grond van een passende beoordeling uitgesloten, omdat het een tijdelijke en beperkte depositie betreft en uit de voortoets is gebleken dat de stikstoftoename niet leidt tot negatieve effecten. Mede vanwege de mogelijkheid om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, is vanuit het aspect gebiedsbescherming sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In art. 5.1. lid 2 van de Omgevingswet juncto afdeling 11.2 van het Bal en afdeling 3.7 van het Bkl is de bescherming van soorten en de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen geregeld. De wet kent 4 beschermingsregimes voor soorten en elk regime kent zijn eigen verbodsbepalingen en vergunningvereisten. Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel wordt bepaald of er beschermde dier- en plantensoorten kunnen voorkomen in het projectgebied en of deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van de functionaliteit van het leefgebied als gevolg van de ingreep, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.
In beginsel moet, al dan niet met voorzorgsmaatregelen, worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en verbodsbepalingen niet worden overtreden. Lukt dat niet, dan moeten mitigerende maatregelen genomen worden en zal een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit moeten worden aangevraagd. Ongeacht vrijstelling of vergunning geldt voor alle soorten de zorgplicht zoals beschreven in artikel 11.27 van het Bal. Deze zorgplicht is van toepassing bij alle dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient iedereen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is schade aan deze soorten te voorkomen.
Als gevolg van de werkzaamheden kan sprake zijn van verstoring door licht, geluid en trilling van beschermde soorten. Negatieve effecten voor de grote bosmuis, eekhoorn, poelkikker, kleine marterachtigen en steenmarter kunnen niet uitgesloten worden, waardoor een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd moet worden.
Voor de teunisbloempijlstaart moest aanvullend onderzoek uitgevoerd worden. Dit is gedaan. Uit het onderzoek blijkt dat deze niet is aangetroffen. Daarnaast is aanvullend onderzoek gedaan naar de veldspitsmuis en de das, ook deze zijn niet aangetroffen.
Er worden voorzorgsmaatregelen getroffen in de vorm van mitigerende maatregelen. Hierbij moet gedacht worden aan het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen, geen gebruik maken van kunstmatige verlichting en vrijgave van gebieden door een ecoloog. Uiteraard geldt de zorgplicht.
Binnen het projectgebied kunnen verschillende beschermde soorten voorkomen. Voor de meeste van deze soorten geldt dat een overtreding van het Besluit activiteiten leefomgeving voorkomen kan worden door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Daarnaast moet voldaan worden aan wetgeving op het gebied van soortenbescherming.
Vanuit het aspect soortenbescherming is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten) buiten de bebouwde kom. Het begrip 'houtopstand' is in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: “zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend”. Individuele bomen vallen dus niet onder het begrip 'houtopstand', en worden dus niet door de regels van het Bal beschermd.
Voor de bestaande leidingen en desbetreffende afsluiters worden geen bomen gekapt. Bij de werkterreinen is echter wel sprake van een ruimtebeslag met een mogelijk gevolg voor houtopstanden. Vanwege de aanleg van de nieuwe leidingen is er sprake van een permanent ruimtebeslag, omdat vanwege een belemmeringsgebied van 5 meter aan weerszijden van de leiding bomen en bosschages niet (volledig) teruggeplant mogen worden. Daarom wordt voor vergunningplichtige bomenkap herplant toegepast.
In 2026 is een bomeninventarisatie uitgevoerd om de samenstelling van de houtopstand en de waarde van de te kappen bomen te onderzoeken. Op basis van de uitkomsten van de boominventarisatie wordt een herbeplantingsplan opgesteld.
Voor de realisatie van de projectonderdelen dient houtopstand te worden gekapt. Hiervoor zal een herbeplantingsplan worden opgesteld, waarmee de gekapte houtopstanden worden gecompenseerd. Vanuit het aspect bescherming houtopstanden is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Natuurnetwerk Nederland heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Hierdoor kunnen planten en dieren zich gemakkelijker verspreiden en zijn gebieden beter bestand tegen klimatologische veranderingen en negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden is bovendien een grotere soortendiversiteit te verwachten.
Op grond van artikel 7.6 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden in de provinciale omgevingsverordening Natuurnetwerk Nederland-gebieden aangewezen en regels hieromtrent gesteld. De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan, de samenhang tussen de gebieden van het NNN en tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft voor het gebied.
Alleen door de ombouw van afsluiter S-222 is een tijdelijk ruimtebeslag van 0,41 hectare nodig binnen het NNN als gevolg van de benodigde werkterreinen. Omdat het gaat om een bestaande afsluiter is geen sprake van permanent ruimtebeslag ten opzichte van de huidige situatie. De werkzaamheden belemmeren het ontwikkelen van een natuurbeheertype hier niet. Verder is er binnen het project geen sprake van directe ruimtebeslag of oppervlakteverlies van het NNN.
Op de afsluiterlocaties S-672/S-444, S-222, S-221, S-218 en S-216 is sprake van tijdelijke grondwaterstandverlaging binnen het NNN als gevolg van bemaling. Het gaat in alle gevallen om geringe oppervlakten aan de rand van
aaneengesloten eenheden van het NNN. Voor alle relevante NNN-gebieden geldt dat verdroging een knelpunt is voor het behoud van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Voor de delen binnen de invloedsfeer van S-221 en S-218 speelt dit knelpunt echter vooral in vochtige natuurbeheertypen, terwijl binnen de invloedsfeer alleen droge natuurbeheertypen voorkomen. De verwachting is daarom dat de effecten van de tijdelijke verdroging van deze natuurbeheertypen beperkt is. Bij de afsluiters S-672/S-444, S-222 en S-216 is sprake van verdroging van natte
natuurtypen. Omdat het om tijdelijke verdroging van een zeer gering deel van de grotere eenheden van het NNN gaat, zijn er geen gevolgen.
De werkzaamheden leiden daarnaast tot geluidsverstoring. Binnen de geluidscontouren van werkzaamheden bij afsluiters S-672/S-444, S-222, S-218 en S-216 ligt NNN. Hierdoor kan tijdelijke verstoring van kenmerkende soorten optreden. Omdat de verstoring plaatsvindt aan de randen van de eenheden van het NNN zijn de effecten gering.
Het project leidt tot tijdelijke nadelige effecten op het Natuurnetwerk Nederland. Daarom zullen mitigerende maatregelen worden getroffen en zal een compensatieplan worden opgesteld. Voor het deelaspect Natuurnetwerk Nederland is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren, zoals (spoor)wegen, luchthavens, waterstaatswerken en mijnbouwinstallaties op zee. Ter bescherming van het werk of object gelden beperkingen voor activiteiten binnen het beperkingengebied. Deze beperkingen kunnen zowel in de vorm van voorwaarden aan de activiteit voorkomen, als in de vorm van een vergunningplicht.
De hoofdstukken 6 tot en met 10 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevatten voorschriften voor speciale (beperkingen)gebieden in het beheer bij het Rijk. In hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de beoordelingsregels voor vergunningen.
De waterstofleiding kruist ten noorden van Coevorden de spoorweg Zwolle - Mariënberg - Emmen. Deze spoorweg is in het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen aangewezen als hoofdspoorweg. De hoofdspoorwegen worden beschermd door een beperkingengebied. Om het spoor te kruisen wordt gebruik gemaakt van een gestuurde boring.
In paragraaf 9.2.1 Kabels en leidingen van het Bal is opgenomen wanneer er sprake is van vergunningplichtige en meldingsplichtige activiteiten met betrekking tot het aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen in het beperkingengebied. De bepalingen uit het Bal moeten in acht worden genomen.
Vanuit het aspect beperkingengebied is sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bal en de eventueel benodigde vergunningen aangevraagd en verkregen zijn en de eventueel benodigde meldingen worden gedaan.
De kosten van de aanleg in instandhouding van de voorgenomen ontwikkeling en het risico komen volledig voor rekening van de initiatiefnemer Hynetwork. De financiële uitvoerbaarheid is hiermee verzekerd.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet dient het bevoegd gezag gemaakte kosten te verhalen. Het voorliggende projectbesluit voorziet niet in een aangewezen activiteit zoals bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
Daarom is het gelet op het bepaalde in artikel 13.14 e.v. Ow niet verplicht kostenverhaalvoorschriften te verbinden aan het projectbesluit of kostenverhaalsregels toe te voegen aan het omgevingsplan. Kostenverhaal is verzekerd.
Voor het vaststellen van een projectbesluit geldt de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei is in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het bevoegd gezag. De projectprocedure bestaat uit de volgende stappen:
In de verkenning onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. De verkenning moet voldoende informatie bevatten om een projectbesluit te kunnen opstellen. Het milieueffectrapport fase 1 is onderdeel van de verkenning. In artikel 5.48 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag bij de verkenning de nodige kennis en inzichten vergaart over:
a. de aard van de opgave;
b. de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen; en
c. de mogelijke oplossingen voor die opgave.
Zie voor een uitgebreide toelichting op de verkenningsfase hoofdstuk 4 van deze motivering.
Op 30 oktober 2025 heeft de Minister van Klimaat en Groene Groei in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening het voorbereidingsbesluit vastgesteld. In het voorbereidingsbesluit zijn voorbeschermingsregels opgenomen voor de waterstofleiding die nieuw wordt aangelegd in de gemeenten Coevorden, Emmen en Hoogeveen.
Het voorkeursalternatief is verder onderzocht in MER Fase 2 en in afstemming met de betrokken bestuursorganen vastgelegd in het conceptontwerp projectbesluit.
Tijdens de gehele voorbereiding en in de verkenningsfase is participatie gevoerd. Het doorlopen proces met betrekking tot participatie is opgenomen in hoofdstuk 5 van deze motivering.
Het projectbesluit wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (de uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Het ontwerpprojectbesluit is met bijbehorende stukken ter inzage gelegd via het Omgevingsloket. De kennisgeving met de volledige inhoud van het ontwerpprojectbesluit heeft plaatsgevonden via de Staatcourant. Eenieder kan voor een periode van zes weken een zienswijze naar voren brengen naar aanleiding van het ontwerpprojectbesluit. Het ontwerpprojectbesluit wordt samen met MER Fase 2 voor advies naar de Commissie mer gestuurd.
De ingekomen zienswijzen zijn in een inspraakbundel samengevat in een Nota van Antwoord zienswijzen van een antwoord voorzien. Eventueel leidt een zienswijze tot een aanpassing van het projectbesluit. Dan is dat aangegeven. Bij het opstellen van het definitieve projectbesluit zijn de zienswijzen en adviezen (waaronder het advies van de Commissie mer) betrokken.
Het definitieve projectbesluit wordt door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ondertekend en bekend gemaakt door plaatsing in de Staatcourant. Vervolgens worden de stukken ter inzage gelegd via het Omgevingsloket. Degenen die een zienswijze hebben ingediend op het ontwerpprojectbesluit worden per brief geïnformeerd over de publicatie van de vaststelling van het projectbesluit.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-38636.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.