Instellingsbesluit COVM militaire luchthaven Leeuwarden

6 oktober 2026,

Nr. MINDEF20260005154

De Staatssecretaris van Defensie,

Gelet op artikel 10.25 van de Wet Luchtvaart en artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. commissie:

de commissie, genoemd in artikel 2, eerste lid;

b. luchthaven:

de militaire luchthaven Leeuwarden;

c. minister:

de Minister van Defensie.

Artikel 2. Instelling, taak en doelstelling

  • 1. Er is een Commissie Overleg en Voorlichting Milieu voor de luchthaven.

  • 2. De commissie heeft tot taak:

    • a. het voeren van overleg teneinde uit eigen hoofde of naar aanleiding van vragen of klachten advies uit te brengen dan wel voorstellen te doen aan de minister of andere instanties over alle maatregelen en voorschriften ter beperking van milieubelasting, waaronder geluidsbelasting, veroorzaakt door het gebruik van de luchthaven;

    • b. het verstrekken van informatie en het geven van voorlichting aan belanghebbenden in de omgeving van de luchthaven inzake milieuaspecten van het gebruik van de luchthaven; en

    • c. het evalueren van de jaarcontouren die de actuele geluidsbelasting voor luchthavenverkeer in dat jaar weergeven, bedoeld in artikel 10.23 van de Wet luchtvaart.

  • 3. De taken, bedoeld in het tweede lid, hebben tot doel het voeren van een constructieve dialoog over wederzijdse belangen als ook het uitwisselen van informatie over en het onderzoeken van mogelijkheden tot bevordering van de leefomgevingskwaliteit rondom de luchthaven onder afweging van de betrokken defensiebelangen.

Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag

  • 1. In de Commissie hebben in ieder geval zitting:

    • a. een lid, tevens voorzitter, aan te wijzen door het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân;

    • b. twee leden voor te dragen door ieder college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Dantumadiel, Leeuwarden, Noardeast-Fryslân, Sûdwest-Fryslân, Tytsjerksteradiel en Waadhoeke, waarvan één vertegenwoordiger van elke gemeente een omwonende van de luchthaven is;

    • c. het hoofd van de sectie Leefomgeving van het Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten, of een door diegene voor te dragen vertegenwoordiger;

    • d. de Commandant Air Combat Command, of een door diegene voor te dragen vertegenwoordiger;

    • e. een door de commandant voor te dragen ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie, werkzaam bij de luchthaven;

    • f. een lid voor te dragen door een rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisatie.

  • 2. Voor ieder lid van de commissie benoemt de voorzitter ten minste één plaatsvervanger, die dezelfde achterban vertegenwoordigt als het te vervangen lid.

  • 3. De leden, genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, en tweede lid, worden benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter.

  • 4. De voorzitter en overige leden kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, beëindiging of verlies van de hoedanigheid op grond waarvan de benoeming heeft plaatsgevonden, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen.

  • 5. De aanwijzing van de voorzitter en benoeming van de leden geschiedt voor de duur van vier jaar en kan telkens voor ten hoogste vier jaren worden verlengd.

Artikel 4. Secretariaat

  • 1. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie.

  • 2. De secretaris en eventuele andere medewerkers van het secretariaat zijn geen lid van de commissie.

Artikel 5. Werkwijze

  • 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast in een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement behoeft de goedkeuring van de minister.

  • 2. De commissie stelt jaarlijks vóór 1 oktober een begroting op voor het daaropvolgende kalenderjaar. De begroting behoeft de goedkeuring van de minister.

  • 3. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan de minister gezonden.

  • 4. De commissie kan zich, met in acht name van artikel 9, doen voorlichten of een onderzoek laten verrichten door deskundigen buiten de commissie voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.

Artikel 6. Werkgroepen

  • 1. De commissie kan werkgroepen instellen.

  • 2. De commissie benoemt de voorzitter en de leden van de werkgroep en bepaalt de taak, de opdracht, het product en de periode waarvoor deze wordt ingesteld.

  • 3. De werkgroepen bestaan in beginsel uit leden van de commissie, maar daarin kunnen, na goedkeuring van de commissie en met in acht name van artikel 9, ook derden deelnemen namens de doelgroepen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b, e en f.

  • 4. Een werkgroep kan, na goedkeuring van de commissie en met in acht name van artikel 9, extern advies inwinnen of onderzoek laten verrichten voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.

Artikel 7. Informatieplicht

De minister kan inzage vorderen van gegevens en bescheiden van de commissie, voor zover dat voor de uitoefening van diens taak nodig is.

Artikel 8. Vergoeding

  • 1. De voorzitter van de commissie heeft recht op een vergoeding per bijgewoonde vergadering ter hoogte van 300% van het bedrag, genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2. De leden van de commissie en van de werkgroepen, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies of deelname aan vergaderingen niet haar oorzaak vindt in de bezoldigde functie die zij vervullen, hebben recht op een vergoeding per bijgewoonde vergadering ter hoogte van het bedrag, genoemd in artikel 3.4.1, eerste lid, klasse vier, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid worden meer vergaderingen op één dag als één vergadering beschouwd.

  • 4. Per jaar worden in beginsel ten hoogste vier commissievergaderingen en zes werkgroepvergaderingen vergoed.

Artikel 9. Kosten van de commissie

  • 1. De kosten van de commissie komen, voor zover op basis van een door de minister vooraf goedgekeurde raming, voor rekening van de minister. Onder kosten worden verstaan:

    • a. de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor de faciliteiten van vergaderingen van de commissie en de werkgroepen, voor zover de secretaris niet in die faciliteiten voorziet;

    • b. de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor extern advies en onderzoek, bedoeld in de artikelen 5, vierde lid, en 6, vierde lid, waaronder in ieder geval de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen, secretariële ondersteuning en oplevering van rapporten, waarbij personen die werkzaamheden verrichten die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van commissieleden een vergoeding ontvangen overeenkomstig artikel 8.

  • 2. De commissie voert een financiële administratie en levert een financieel overzicht op.

Artikel 10. Openbaarheid en archivering

  • 1. Een overleg van de commissie is openbaar, tenzij de commissie om redenen als genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid anders bepaalt.

  • 2. Op grond van artikel 3.1 van de Wet open overheid maakt de commissie vergaderstukken, verslagen en het huishoudelijk reglement van de commissie en eindproducten van werkgroepen openbaar.

  • 3. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het huishoudelijk reglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie ter archivering overgedragen aan het Semi-statisch Informatiebeheer van het Ministerie van Defensie.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027.

  • 2. De Regeling van de Staatssecretaris van Defensie van 24 mei 1993 houdende instelling van de Commissie Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne Vliegbasis Leeuwarden (Stcrt. 1993, 122), laatstelijk gewijzigd bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 19 juni 2002 (Stcrt. 2002, 117), vervalt.

Artikel 12. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit COVM militaire luchthaven Leeuwarden.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 oktober 2026

De Staatssecretaris van Defensie, D. Boswijk

TOELICHTING

I. Algemeen

Het is van grote waarde om voor alle militaire vliegbases te beschikken over betrokken gesprekspartners, die onze activiteiten aandachtig en kritisch volgen en die constructief meedenken over het vinden van een evenwichtige balans tussen de activiteiten van Defensie en de kwaliteit van de leefomgeving. De Commissies voor Overleg Voorlichting en Milieu (COVM’s) voorzien in deze belangrijke schakel tussen de vliegbases en de omgeving.

De Minister van Defensie heeft in 2024 een onafhankelijke evaluatie laten uitvoeren naar het functioneren van alle COVM’s. In lijn met de aanbevelingen uit deze evaluatie wordt via geactualiseerde en aangescherpte instellingsbesluiten toegewerkt naar meer uniformiteit van de COVM’s, waarbij ruimte bestaat voor lokale kenmerken. Naast actualisatie worden de instellingsbesluiten aangescherpt op onderwerpen zoals doelstelling, samenstelling, vergoedingen, openbaarheid, archivering en werkwijze (Kamerstukken II 2024/25, 36 592, nr. 24).

II. Artikelsgewijs

Artikel 2. Instelling, taak en doelstelling

Eerste lid

Op grond van artikel 10.25, eerste lid, van de Wet luchtvaart stelt de Minister van Defensie voor iedere militaire luchthaven een commissie van overleg en voorlichting milieu (COVM) in. Met artikel 2, eerste lid, wordt invulling gegeven aan deze verplichting.

Tweede lid

Dit lid bepaalt de taken van de COVM, overeenkomstig artikel 10.25, eerste lid, van de Wet luchtvaart. De taken van de COVM richten zich op overleg en voorlichting met betrekking tot de milieuaspecten buiten een luchthaven. Het gaat dan om milieuaspecten, en in het bijzonder geluidshinder, veroorzaakt door gebruik van de luchthaven. Ook kan de COVM te allen tijde advies uitbrengen en voorstellen doen aan de Minister van Defensie met betrekking tot de milieuaspecten.

Derde lid

Dit lid beschrijft het met voornoemde taken beoogde doel. Het gaat dan om het voeren van een constructieve dialoog over wederzijdse belangen en om het uitwisselen van informatie over en het onderzoeken van mogelijkheden tot verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij dienen steeds de leefbaarheid binnen het beperkingengebied van de luchthaven en het belang van de uitvoering van defensietaken tegen elkaar te worden afgewogen.

Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt, als uitwerking van artikel 10.25, tweede en derde lid, van de Wet luchtvaart, de samenstelling van de COVM. De leden fungeren steeds als vertegenwoordiger van omwonenden en van de organen en organisaties waardoor zij worden voorgedragen. Zij treden dus op namens hun achterban, en zien er dan ook op toe dat de belangen van die organen en organisaties zo veel mogelijk recht worden gedaan.

Op grond van artikel 10.25, vierde lid, van de Wet luchtvaart treedt de vertegenwoordiger van de provincie op als voorzitter.

Het betreft steeds vertegenwoordigers van provincies en gemeenten die gelegen zijn in het beperkingengebied. Onder beperkingengebied wordt verstaan het voor de luchthaven relevante beperkingengebied, zoals dat ook volgt uit het toepasselijke luchthavenbesluit. Voor zover voor een luchthaven nog geen luchthavenbesluit is vastgesteld, gelden voor het vaststellen van het beperkingengebied dezelfde uitgangspunten als die gelden in de reeds vastgestelde luchthavenbesluiten.

Tweede lid

Ook plaatsvervangers dienen benoemd te worden. Die benoeming vindt plaats door de voorzitter, en deze kan ook diens eigen plaatsvervanger benoemen. Het optreden als plaatsvervanger kan dus slechts plaatsvinden na benoeming. De plaatsvervangers dienen dezelfde achterban te vertegenwoordigen als het lid dat zij vervangen.

Derde lid

Alle leden, behalve de voorzitter, worden benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter. De benoeming vindt, op grond van het eerste lid, plaats op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt. De voorzitter wordt op grond van artikel 10.25, vierde lid, juncto artikel 8.37, eerste lid, van de Wet luchtvaart benoemd door de Minister van Defensie. In praktijk krijgt dit uitwerking doordat het college van Gedeputeerde Staten de voorzitter aanwijst.

Vierde lid

De leden van de COVM kunnen op eigen verzoek worden geschorst en ontslagen. Daarnaast kan schorsing of ontslag plaatsvinden op de gronden, genoemd in het vierde lid.

Vijfde lid

Het vijfde lid is een weergave van artikel 10.25, vierde lid, juncto artikel 8.37, derde lid, van de Wet luchtvaart, en bepaalt de zittingstermijn van de voorzitter en de overige leden. De benoeming vindt plaats voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden. Nu de voorzitter de overige leden benoemt en herbenoemt is het aan de voorzitter om expliciet te bepalen of herbenoeming van deze overige leden plaatsvindt. Er kan geen sprake zijn van een stilzwijgende verlenging van de zittingsduur. Desgewenst kan de COVM in het huishoudelijk reglement een maximale zittingsduur van de leden opnemen.

Artikel 4. Secretariaat

De Minister van Defensie voorziet in het secretariaat van de commissie. De secretaris en eventuele andere medewerkers van het secretariaat zijn geen lid van de COVM.

Artikel 5. Werkwijze

Het eerste lid is een uitwerking van artikel 10.25, vierde lid, juncto artikel 8.38 van de Wet luchtvaart. Op grond daarvan stelt de COVM haar eigen werkwijze vast in een huishoudelijk reglement dat de voorafgaande goedkeuring van de Minister van Defensie behoeft.

De COVM stelt jaarlijks een begroting op, ook die behoeft de voorafgaande goedkeuring van de Minister van Defensie. Voorts wordt het verslag van werkzaamheden jaarlijks voor 1 april aan de minister toegezonden.

Ten slotte kan de COVM zich laten voorlichten of onderzoek laten verrichten door deskundigen buiten de commissie. Voorwaarde daarvoor is dat die deskundige voorlichting of dat onderzoek noodzakelijk is voor de vervulling van de in artikel 2 genoemde taken van de COVM en valt binnen de daar genoemde doelstelling. Verder is artikel 9 van toepassing. Hetgeen – kort samengevat – inhoudt dat de kosten van de deskundige voor rekening van de Minister van Defensie komen indien zij voorafgaand zijn geraamd en goedgekeurd door de minister. Externe deskundigen die werkzaamheden verrichten die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de commissieleden krijgen daarvoor een vergelijkbare vergoeding als de commissieleden.

Artikel 6. Werkgroepen

De COVM kan ook werkgroepen instellen, waarin subthema’s kunnen worden behandeld. De werkgroepen bestaan in beginsel uit leden van de COVM. Na goedkeuring door de COVM en na door de minister goedgekeurde raming kunnen aan de werkgroep ook derden worden toegevoegd namens de omwonenden, Defensie en milieuorganisaties (eerste en derde lid).

Een werkgroep ressorteert uitdrukkelijk onder en in opdracht van de COVM (tweede lid). De COVM bepaalt dan ook de taak, de opdracht en de periode waarvoor de werkgroep wordt ingesteld. Ook voor het inwinnen van extern advies, waarvoor de kostenregeling van artikel 9 geldt, behoeft de werkgroep de goedkeuring van de COVM. Voorwaarde daarvoor is dat dit nodig is voor de taakuitoefening van de werkgroep (vierde lid).

Artikel 7. Informatieplicht

Dit artikel regelt, net als gebruikelijk was in de ingetrokken instellingsbesluiten, de informatiepositie van de Minister van Defensie ten opzichte van de COVM. Voor zover dat voor de uitoefening van diens taak nodig is kan de Minister van Defensie inzage vorderen in gegevens en bescheiden van de COVM. Naar verwachting zal van deze mogelijkheid in praktijk weinig gebruik worden gemaakt nu op grond van artikel 10 openbaarheid van vergaderingen en informatie geldt.

Artikel 8. Vergoeding

De leden van de COVM, inclusief de voorzitter, hebben op grond van het eerste en tweede lid voor hun werkzaamheden recht op een vergoeding per bijgewoonde vergadering. De plaatsvervangende leden gelden ook als leden, en komen dus eveneens in aanmerking voor een vergoeding per bijgewoonde vergadering. De vergoeding voor leden is gelijk aan de hoogte van het bedrag, genoemd in artikel 3.4.1, eerste lid, klasse vier, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. En bedraagt op 1 januari 2026 een bedrag ter hoogte van € 133,74. De vergoeding voor de voorzitter is gelijk aan driemaal de hoogte van het bedrag, genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, van voornoemd besluit. Per 1 januari 2026 is dat driemaal € 152,70. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.

De vergoeding geldt niet voor personen die vallen onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en ook niet indien deelname aan vergaderingen onderdeel is van de reguliere taakvervulling van een bezoldigde functie. Van vergoeding zijn op die grond uitgesloten personen die een functie vervullen bij instellingen of organisaties als bedoeld in de artikelen 1.2 tot en met 1.5 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, indien hun benoeming of deelname aan de COVM haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen. Voor de COVM gaat het dan met name om functionarissen van organisaties waarvoor de Minister van Defensie gehouden is financiële verantwoording af te leggen, dus defensiefunctionarissen, en eventuele ambtenaren van de gemeente of de provincie. Zij hebben dus geen recht op een vergoeding. Bestuurders van provincies of gemeenten vallen als politieke ambtsdragers niet onder deze uitzondering, en hebben dus wel recht op een vergoeding. Het is aan de commissieleden zelf om na te gaan of zij onder deze uitzondering vallen.

Ook leden van werkgroepen komen op gelijke voet als leden van de COVM in aanmerking voor vergoeding van vergaderingen van de werkgroep.

Meer vergaderingen op één dag worden als één vergadering beschouwd, voor het bijwonen daarvan bestaat dus recht één vergoeding (tweede lid).

Op grond van het vierde lid geldt dat in beginsel ten hoogste vier COVM-vergaderingen en zes werkgroepvergaderingen worden vergoed. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding vormen en dit de effectiviteit van de COVM aantoonbaar bevordert kan dit aantal bij wijze van uitzondering hoger zijn. Bijvoorbeeld in een situatie waarin het gebruik van de luchthaven tijdelijk afwijkt van het reguliere gebruik. Een andere uitzondering is de vergoeding voor deelname aan de auditcommissie voor geluidsmeting, die is ingesteld bij Leeuwarden. Deze auditcommissie is geen werkgroep en valt strikt genomen niet onder de COVM, maar speelt een belangrijke rol in het adviseren van de COVM, en deelname aan de auditcommissie komt om die reden voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 9. Kosten van de commissie

Naast de vergoedingen, bedoeld in artikel 8, komen op grond van artikel 9, eerste lid, ook andere kosten voor rekening van de Minister van Defensie. Voorwaarde daarbij is steeds dat sprake is van een voorafgaande en door de minister goedgekeurde raming van die kosten.

Kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn:

  • • redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor faciliteiten van vergaderingen van de commissie en de werkgroepen, voor zover de secretaris niet reeds in natura in die faciliteiten voorziet, en

  • • redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor extern advies en onderzoek door deskundigen die worden ingeschakeld door de COVM of door een werkgroep van de COVM, na goedkeuring door de COVM. Op grond van de artikelen 5, vierde lid, en 6, vierde lid, geldt daarbij steeds, in aanvulling op de in de aanhef genoemde voorwaarden met betrekking tot voorafgaande raming en goedkeuring, de voorwaarde dat het dient te gaan om advies dat nodig is voor de taakuitoefening van de COVM. Personen die adviserende werkzaamheden verrichten die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van commissieleden ontvangen een vergoeding die gelijk is aan de vergoeding die de commissieleden ontvangen.

Bij redelijkerwijs noodzakelijke kosten gaat het om kosten die echt nodig zijn voor de uitoefening van de taken van de COVM, en daaraan direct bijdragen. De hoogte van de kosten moet in verhouding staan tot het doel.

De commissie voert op grond van het tweede lid een financiële administratie en levert een financieel overzicht op.

Artikel 10. Openbaarheid en archivering

Eerste en tweede lid

Deze leden zien op de openbaarheid van zowel de overleggen van de COVM (eerste lid) als de vergaderstukken, verslagen en het huishoudelijk reglement van de COVM, als ook op eindproducten van werkgroepen (tweede lid). Op grond van de Wet open overheid kunnen beperkingen gelden aan de openbaarheid. Artikel 5.1 van de Wet open overheid ziet op het openbaar maken van documenten en is daarmee strikt genomen niet van toepassing op de openbaarheid van overleggen, en om die reden is in het eerste lid van het instellingsbesluit expliciet bepaald dat de redenen genoemd in dat artikel ook redenen kunnen vormen die aan openbaarheid van het overleg in de weg staan, bijvoorbeeld de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer van een (beoogd) lid.

Het openbaar maken van vergaderstukken, verslagen en het huishoudelijk reglement vindt plaats als invulling van actieve openbaarmaking als inspanningsplicht van de COVM (artikel 3.1 van de Wet open overheid). In artikel 3.1, van die wet is bepaald dat openbaarmaking achterwege kan blijven als de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, of 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Ook hier kan bijvoorbeeld weer gedacht worden aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een (beoogd) lid. Het is aan de voorzitter van de COVM om de betrokken belangen te wegen.

Derde lid

Dit lid ziet op archivering van de relevante bescheiden. De archivering vindt plaats door de COVM. De selectielijsten, met daarin opgenomen welke stukken hoe lang door de COVM dienen te worden bewaard, van het Ministerie van Defensie gelden ook voor de COVM. Op grond van artikel 8.40 van de Wet luchtvaart bepaalt het huishoudelijk reglement van de COVM wie verantwoordelijk is voor dit beheer en waar de stukken worden gearchiveerd. In het geval de werkzaamheden van de COVM worden beëindigd, wordt het archief overgedragen aan het Semi-statisch Informatiebeheer van het Ministerie van Defensie.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027. Dit besluit vervangt het bestaande instellingsbesluit voor deze COVM, welk laatste besluit om die reden vervalt.

De Staatssecretaris van Defensie, D. Boswijk

Naar boven