Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 3755 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 3755 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 2, 4, 5, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste lid, onderdeel b, derde en vierde lid, 19, tweede en derde lid, 23, onderdeel b, 25, 34, eerste lid, 44, tweede lid en 50, tweede en vierde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV- subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
Titel 2.2. komt te luiden:
In deze titel wordt verstaan onder:
een proces voor het verzamelen en delen van kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten;
een samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie met het oog op het verwerven van meer kennis en een beter inzicht.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderzoeksinstelling of een deelnemer aan een samenwerkingsverband van onderzoeksinstellingen, voor een project dat past binnen de hoofdthema’s in bijlage 2.2.1 en bijdraagt aan concrete inzichten, systemen, technieken of een aanpak om glastuinbouwbedrijven in staat te stellen om de CO2-doelen te behalen door middel van:
a. onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, of
b. een combinatie van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en kennisdelingsactiviteiten.
1. Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking:
a. de kosten voor onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 38, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of
b. de kosten voor kennisdelingsactiviteiten, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a en d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2. In afwijking van art. 2.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel:
a. € 60 voor een gewas- en oogstverzorger of een teeltondersteuner;
b. € 95 voor een onderzoeks- of technisch assistent, junior onderzoeker of een technisch onderzoeker;
c. € 150 voor een medior wetenschappelijk onderzoeker, teeltmanager of een projectleider;
d. € 160 voor senior wetenschappelijk onderzoeker of senior projectleider.
De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat dit percentage wordt verminderd met het daadwerkelijke percentage eigen bijdrage.
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
1. Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart.
2. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar na de datum van subsidieverlening.
De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:
a. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
b. de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 25.000;
c. de subsidiabele kosten van een deelnemer van een samenwerkingsverband minder bedragen dan € 25.000;
d. het voorstel niet aantoonbaar aansluit op of niet gebruik maakt van relevante bestaande kennis en activiteiten, tenzij het een geheel nieuw onderzoeksveld is;
e. het een project betreft dat lager is gerangschikt dan een project met een zelfde techniek en aanpak, met een zelfde gewas en een gelijk doel of vallend binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in bijlage 2.2.1;
f. er eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in bijlage 2.2.1;
g. de aanvrager niet beschikt over de juiste expertise en ervaring voor de onderzoeksactiviteiten, of in onvoldoende mate derden inhuurt die beschikken over deze expertise en ervaring, of
h. het totaal aantal punten voor de onder artikel 2.2.8, eerste lid, genoemde criteria minder bedraagt dan:
– 6 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8, onderdeel a;
– 9 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8 onderdeel b;
– 6 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8 onderdeel c.
1. De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe, naarmate:
a. de bijdrage aan de realisatie van de CO2-doelen groter is, omdat:
1°. de beoogde onderzochte en ontwikkelde technieken en processen van het project naar verwachting een hogere bijdrage kunnen leveren aan de CO2-reductie, en
2°. het voorstel:
– meer gericht is op nieuwe technieken of processen of op potentiële doorbraak- of grensverleggende oplossingen gericht op de langere termijn, of
– op kortere termijn meer bijdraagt aan verdere doorontwikkeling en een bredere toepassing van een techniek of van kennis inclusief demonstraties;
b. de kwaliteit van het project hoger is, blijkend uit:
1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan;
2°. de omvang van het draagvlak bij de doelgroep, en
3°. de gemotiveerde inschatting van de economische en technische haalbaarheid van de resultaten;
c. de kosteneffectiviteit van het project groter is, waarbij meer punten worden toegekend naarmate:
1°. de kosten van de voorgestelde activiteiten en de gevraagde subsidie meer in verhouding zijn, en
2°. het percentage van de eigen bijdrage van de sector meer in overeenstemming is met de richtlijn, berekend overeenkomstig en beschreven in bijlage 2.2.2.
2. De minister kent per subonderdeel van onderdeel a, b en c van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.
3. Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor het criterium, genoemd in het eerste lid, onderdeel a.
1. Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2. Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, voor zover van toepassing het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer, een uitdraai van de statuten en de SBI-code;
b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
c. in geval van een samenwerkingsverband de gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
d. een onderzoeksplan in een door de minister beschikbaar gesteld middel;
e. een bijbehorende begroting in een door de minister beschikbaar gesteld middel, en
f. een appreciatie van de ondernemersgroep van Glastuinbouw Nederland.
1. De subsidieontvanger, of in het geval van een samenwerkingsverband de penvoerder, dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, te beginnen uiterlijk zes maanden na aanvang van de subsidiabele activiteiten.
2. Een tussenrapportage en een eindrapport bevatten ten minste de volgende gegevens:
a. het verloop en de behaalde (deel)resultaten van het project;
b. een planning voor de komende 6 maanden;
c. een overzicht van de uitgevoerde activiteiten;
d. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers en de gepubliceerde artikelen, en
e. een voor een breed tuinbouwpubliek begrijpelijke samenvatting en een internetsamenvatting. De internetsamenvatting beslaat maximaal 300 woorden.
3. De subsidieontvanger verspreidt de resultaten van het project via conferenties, publicaties, openbare websites, of gratis opensource software.
4. De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd.
5. De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.
6. Indien kennisdelingsactiviteiten worden uitgeoefend dan zijn deze voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk.
7. Uitingen omtrent het onderzoek en de resultaten van het onderzoek worden voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in het kader van het programma Kas als Energiebron en de bijbehorende logo’s.
Een aanvraag voor een subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat, onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit ten minste:
a. het onderzoeksrapport;
b. een evaluatie;
c. een factsheet;
d. een gespecificeerde opgave van alle rechtstreeks aan het project toe te rekenen werkelijk gemaakte kosten, opgesteld conform de begroting;
e. het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden, waaronder subsidies; en
f. het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.
B
Bijlage 2.2.1. komt te luiden:
Hoofdthema’s onderzoek Kas als Energiebron:
1. Energiebesparing en efficiënt gebruik van energie, onder andere:
• duurzame kas- en teeltconcepten;
• schermen en kasdekmaterialen;
• ontvochtiging en terugwinning latente warmte;
• warmteopslag;
• verdamping en vochtbeheersing, of
• belichting.
2. Duurzame opwek en energiebronnen, onder andere:
• duurzame energiebronnen, zoals geothermie, acquathermie, zonne-energie, waterstof;
• gebruik restwarmte, of
• warmtepompen.
3. Besparing CO2-verbruik en nieuwe bronnen, onder andere:
• CO2 doseren, of
• nieuwe bronnen van duurzame CO2.
4. Digitalisering, smart grid en lokale energie- en CO2-systemen.
Toelichting op hoofdthema’s en subthema’s
De hoofdthema’s worden hieronder nader toegelicht aan de hand van een aantal voorbeeld subthema’s. Dit is geen limitatieve lijst van subthema’s. Onderzoeksvoorstellen kunnen breder zijn dan deze subthema’s, of zelfs betrekking hebben op een geheel nieuw subthema, zo lang zij binnen de hoofdthema’s blijven.
Bij alle (sub)thema’s is het van belang om rekening te houden met de praktijk en de toepasing van Het Nieuwe Telen en de samenhang en het integrale karakter van de verschillende teeltfactoren in praktijkonderzoek en onderzoek in proefkassen. Het Nieuwe Telen combineert energiezuinig telen met het behalen van een optimale productie. Hierbij staat de plant centraal waardoor een gezond en weerbaar gewas met hoge opbrengst en kwaliteit samen kan gaan met een laag energiegebruik. Bij onderzoek naar energiebesparing en energie-efficientie is ook aandacht nodig voor de plantgezondheid, weerbaar telen, de rol van mineralen, water en het wortelmilieu.1
Duurzame kas- en teeltconcepten
Dit subthema richt zich op het bepalen van het optimale kasconcepten of teeltconcepten voor verschillende gewasgroepen. Het doel is energiebesparing en zo efficient mogelijk gebruik van energie of zelfs klimaatneutraliteit, met behoud van kwaliteit en kwantiteit van de gewasproductie.
Binnen een kas- of teeltconcept zijn de volgende aspecten van belang voor het energiegebruik en de gewasgroei: temperatuur (verwarming/koeling), luchtvochtigheid, licht, ventilatie en CO2 niveau. Aan al deze aspecten kan gesleuteld worden om het energiegebruik en de CO2 uitstoot omlaag te brengen.
Daarbij zijn onder andere de volgende vragen van belang:
Welke kas- en teeltconcepten dragen bij aan een zo energiezuinig mogelijke teelt per gewasgroep? Welke aspecten zijn daarbij van belang en hoe kunnen die geadresseerd worden? Welke restvraag aan energie blijft er nog over voor de verschillende gewasgroepen en hoe kan die klimaatneutraal worden ingevuld? Welke stappen kunnen bestaande kassen maken inclusief economische haalbaarheid nu en in de toekomst? Welke stappen en opties zijn er voor nieuwe kassen? Wat zijn no-regret maatregelen, wat zijn mogelijke vervolgstappen en met welke aspecten moet rekening worden gehouden bij (ver)nieuwbouw? Welke knelpunten zijn er nog bij de ontwikkeling van techniek, kennis en configuratie?
Ook onderzoeksvoorstellen gericht op het ontwikkelen en demonstreren van nieuwe kas- en teeltconcepten gericht op energiebesparing en efficient gebruik van energie passen binnen dit subthema. Daarnaast is onderzoek naar compleet nieuwe teeltsystemen gericht op energiebesparing mogelijk.
Schermen en kasdekmaterialen
Schermen en kasdekmaterialen kunnen in belangrijke mate bijdragen aan energiebesparing, maar brengen ook uitdagingen met zich mee op het gebied van lichtdoorlatendheid en ontvochtiging. Onderzoek dat zich bezig houdt met het ontwikkelen of testen van nieuwe kasdekken, schermen of materialen passen binnen dit subthema. Te denken valt aan hoog isolerende schermen met goede lichtdoorlating, andere vormen van flexibele isolatie, de combinatie van schermen met ontvochtigingsinstallaties en belichting, terugwinning van latente warmte en dergelijke. Het effect op zowel energie als op gewas(productie) is daarbij van belang.
Ontvochtiging en terugwinning latente warmte
Met name voor belichte- en koelere teelten is ontvochtiging en de (terug)winning van latente warmte interessant. De inpassing qua klimaat en economische aspecten (dimensionering bijvoorbeeld) is nog een uitdaging, met name de samenhang tussen de water- en voedingshuishouding van het gewas en de gebruikte schermen. Belangrijke aspecten daarbij zijn een constant klimaat in samenhang met de luchtbeweging en de invloed daarvan op de verdamping van het gewas. Onderzoeken naar nieuwe ontwikkelingen rondom de verschillende ontvochtigingsystemen en doorbraken die deze toepassing (sneller) mogelijk maken voor de glastuinbouw in de nabije toekomst passen ook binnen dit subthema. Ook de toepassing van technieken die zich in kleiner proefkassen bewezen hebben op grotere schaal is van belang. Er is daarom behoefte aan meer demonstratieprojecten in de praktijk inclusief monitoring.
Warmteopslag
De seizoensopslag van warmte om warmte vanuit de zomer op te kunnen slaan voor gebruik in winter kan een belangrijke mogelijkheid zijn om bij te dragen aan de energiebalans. Hiervoor zijn al diverse opties onderzocht, waaronder warmte koude opslag in acquifers. Onderzoeken naar het toepassen van middelhogetemperatuuropslag (MTO) en hogetemperatuuropslag (HTO) vallen ook binnen dit thema, inclusief het ontwikkelen van beheerstrategieen per type teelt en het optimaliseren van de warmteopslag en restwarmte. Ideeën over vervolgonderzoek of nieuwe mogelijkheden zijn welkom.
Verdamping en vochtbeheersing
Als een kas heel goed geïsoleerd is, is de verdamping of vochtbeheersing de grootste warmtevrager. Het is daarom van belang om deze verdamping te beperken en/of goed te beheersen en zo mogelijk de latente warmte terug te winnen. Daarnaast heeft het overschakelen op LED-belichting ook gevolgen voor de verdamping en de warmtevraag. Hoe kan dat in de praktijk goed gemeten worden, wat zijn de grenzen van verdamping van het gewas en wat zijn de effecten van verschillende klimaatbeheersingssystemen op de verdamping? Hoe kan de teler datagedreven beslissingen nemen over de benodigde verdamping?
Belichting
Belichting is na warmte de belangrijkste energievrager in de glastuinbouw, hoewel dit sterk verschilt per teelt. Het is van belang om zoveel mogelijk te besparen op belichting en de resterende energievraag zo efficient en duurzaam mogelijk in te vullen. Door over te schakelen van SON-T op LED wordt een belangrijke besparing bereikt. Uit de praktijk blijkt dat de inzet van LED echter allerlei vraagstukken met zich mee brengt. Van belang hierbij is onder andere de samenhang van lichtintensiteit, spectrum, daglengte, warmte en vocht. Voorbeelden zijn wat het gemis aan warmtestraling betekent voor de energie, vocht- en assimilatenbalans van het gewas, maar ook voor de balansen van de kas en de (verticale) temperatuurverdeling. Bij LED moet ook nagedacht worden over wat dat betekent voor de voedings- en wateropname van het gewas en de gevolgen voor de gift. Ook kan LED spectrale effecten hebben op bijvoorbeeld de plantweerbaarheid en biologische bestrijders en zijn er vragen rondom de lichtbenuttingsefficientie. Onderzoek naar oorzaken en mogelijke oplossingen van deze vraagstukken zijn nodig. Onderzoek in proefkassen en/of monitoring in de praktijk kan daarbij ondersteunend zijn.
Duurzame opwek en energiebronnen
In de glastuinbouw wordt al gewerkt met diverse duurzame energiebronnen waaronder geothermie, acquathermie, gebruik van restwarmte, zonnepanelen, gebruik van eigen reststromen voor opwek van energie. Welke gevolgen heeft de inzet van deze bronnen voor energiegebruik en gewasproductie? Hoe kunnen deze bronnen door zoveel mogelijk tuinders gebruikt worden? Welke nieuwe mogelijkheden zijn er nog meer voor tuinders om zelf te voorzien in behoefte aan duurzame energie? Hoe passen duurzame energiebronnen in de kas en teeltsystemen? Welke mogelijkheden zijn er om de kas te elektrificeren per type bedrijf met of zonder collectieve warmte? Welke rol kunnen warmtepompen met en zonder WKO daarbij spelen?
Besparen CO2-verbruik en nieuwe bronnen van CO2
Onderzoek naar efficiënt doseren, het tijdelijk bufferen van CO2 en alternatieve CO2-bronnen vallen onder dit subthema. CO2 is van groot belang voor de gewasproductie. De hoeveelheid doseerbare CO2 uit aardgas neemt af door minder en efficienter gebruik van de WKK. Het aanbod van (groene) CO2 uit de industrie neemt eveneens af doordat opslag van CO2 voor de industrie gunstiger wordt dan hergebruik. Een optimale dosering en een optimalere benutting door het gewas en minimalisatie van het verlies van CO2 is daarom van groot belang. Daarvoor zijn nieuwe ideeën nodig en aandacht voor bewustwording/kennisoverdracht rond efficiënt CO2 doseren. Daarnaast is er onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor en het gebruik van nieuwe externe CO2 bronnen, zoals direct air capture en het tijdelijk bufferen van CO2. Dit laatste is met name van belang bij het overbruggen van perioden waar geen vraag is vanuit het gewas (bijvoorbeeld ’s nachts) en er wel productie is van CO2. Een belangrijke voorwaarde bij gebruik van CO2 uit nieuwe bronnen is dat de kwaliteit van de CO2 voldoende is en veilig is voor plant en mens.
Digitalisering
Een goed energiemanagementsysteem is van groot belang voor efficient energiegebruik. Meten is weten. Data spelen daarin een belangrijke rol. De ontwikkeling van sensoren, energiesystemen, data-analyse, gebruik van artificial intelligence en monitoring is daarbij van belang. Door realtime monitoring van energiegebruik en gewasgroei kan energie zo efficient mogelijk ingezet worden en kan de teler datagedreven teeltbeslissingen nemen.
Smart grid en lokale energie- en CO2-systemen
Een smart grid is een intelligent elektriciteitsnetwerk dat energieaanbod en -vraag slim op elkaar afstemt. Dat kan binnen het bedrijf, maar hier wordt dit gedefinieerd als een slim systeem waarmee tuinders bedrijfsoverstijgend energie kunnen uitwisselen en daarmee efficiënter met energie kunnen omgaan en kosten kunnen besparen. Welke mogelijkheden en uitdagingen zijn er voor bedrijven om met anderen energie uit te wisselen, gezamenlijk duurzame energie op te wekken of op te slaan (batterij, WKO), restenergie in te kopen (warmte van industrie, biomassa), overtollige energie te verhandelen, energie efficiënter te gebruiken of in te spelen op fluctuaties in het energiesysteem? Het ontwikkelen van algemene kennis voor de aanpak van een lokaal energiesysteem kan het onderwerp van een onderzoek zijn. Het ontwikkelen van een concrete lokale gebiedsaanpak valt echter niet binnen dit subthema.
C
Bijlage 2.2.2. komt te luiden:
Berekening indicatie gewenste omvang eigen bijdrage vanuit de sector
|
Onderdeel |
Hoeveelheid punten |
||
|---|---|---|---|
|
Verwachte bijdrage aan CO2-reductie, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 |
1 punt (beperkt) |
2 punten (gemiddeld) |
3 punten (groot/essentieel) |
|
Aandeel niet-energie gerelateerde aspecten in project, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 |
1 punt (veel) |
2 punten (beperkt) |
3 punten (geen) |
|
Voorbeeldwerking/ gewas-overstijgendheid, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 |
1 punt (klein) |
2 punten (redelijk) |
3 punten (groot/breed) |
|
Praktijkrijpheid na onderzoek/project, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, ten tweede |
1 punt (groot) |
2 (beperkt) |
3 punten (klein) |
Deze tabel wordt gebruikt bij de berekening van de gewenste omvang van de eigen bijdrage van de sector. Dit is een onderdeel van het rangschikkingscriterium in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c.
Op elk van de vier onderdelen wordt een score toegekend. Er kunnen minimaal 4 en maximaal 12 punten behaald worden.
Score ≥10: geen eigen bijdrage noodzakelijk en 100% subsidie
score 8–9: 10% eigen bijdrage en 90% subsidie
score 6–7: 50% eigen bijdrage en 50% subsidie
score 0≤5: meer dan 50% eigen bijdrage en minder dan 50% subsidie
Hoe meer het onderzoek bijdraagt aan de specifieke doelen van Kas als Energiebron en daarmee aan het maatschappelijk doel van CO2-reductie, hoe groter de bijdrage vanuit de overheid gerechtvaardigd is. Voor onderzoek dat weliswaar bijdraagt aan CO2-reductie, maar dat daarnaast ook diverse andere doelen dient die niet direct gerelateerd zijn aan energie, zoals bijvoorbeeld circulariteit, beperking gewasbescherming, zuivering afvalwater of hergebruik reststromen, ligt een grote bijdrage vanuit deze subsidieregeling minder voor de hand. Er wordt dan een eigen bijdrage van andere partijen verwacht. Dat kunnen tuinders of leveranciers zijn, maar ook bijvoorbeeld producentenorganisaties. Een grotere eigen bijdrage van bijvoorbeeld een gewascoöperatie wordt verwacht als het onderzoek weinig gewasoverstijgend is of een beperkte voorbeeldwerking heeft voor andere gewassen. De resultaten komen dan ten goede aan een beperkt deel van de totale glastuinbouwsector waardoor een grotere eigen bijdrage van dat deel van de sector gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor een onderzoek dat dichter tegen de markt aan zit en waarvan de resultaten redelijk praktijkrijp zijn en snel door tuinders toegepast kunnen worden. Tuinders profiteren dan sneller van het onderzoek.
In artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt boven de rij van titel 2.5 een rij ingevoegd, luidende:
|
Titel 2.2 |
2.2.2 |
onderzoeksorganisaties |
Onderzoek Kas als Energiebron |
04-05-2026 t/m 11-05-2026 |
€ 4.000.000 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 11 februari 2026
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
De glastuinbouw is een belangrijke sector voor Nederland. Er zijn ruim 3.300 bedrijven met in totaal ca 10.000 hectare. Er wordt in de glastuinbouw veel energie verbruikt voor onder andere verwarming en belichting. In 2024 gebruikte de glastuinbouw circa 95PJ energie en stootte daarbij ca. 5,2 MTon CO2 uit (Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2024, Wageningen Social & Economic Research, november 2024). Dit is ca 6 Mton CO2-equivalenten (inclusief methaanemissie). Hoewel dit een flinke reductie is ten opzichte van 1990 (24% lagere CO2-emissie), staat de sector voor een grote opgave om het energiegebruik verder omlaag te brengen en het resterende energieverbruik verder te verduurzamen. Dit is noodzakelijk voor een toekomstbestendige, concurrerende en duurzame sector.
In het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022–2030 hebben de Ministers van LNV, EZK en FIN met GlastuinbouwNL en Greenports NL afgesproken om de CO2-uitstoot aanzienlijk te reduceren. Het restemissiedoel voor 2030 is 4,3 Mton CO2-equivalenten en de ambitie is een klimaatneutrale en economisch rendabele glastuinbouwsector in 2040. Om dit doel te bereiken is een samenhangend instrumentenpakket afgesproken dat bestaat uit subsidies, normering en beprijzen.
De subsidiemodule ‘Onderzoek Kas als Energiebron’ is onderdeel van de subsidiemaatregelen die zijn afgesproken in het convenant. Middels onderzoek wordt kennis ontwikkeld voor de glastuinbouw, waardoor met minder CO2-emissie geteeld kan worden. Het gaat om kennisontwikkeling op de thema’s energiebesparing, duurzame opwek, efficiënt gebruik van fossiele energie, besparing CO2 en duurzame CO2 ten behoeve van de teelt en kastechnieken.
In het programma Kas als Energiebron wordt daarnaast kennisuitwisseling gestimuleerd over de mogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven om CO2-emissie te reduceren. Ook de subsidiemodules Energie Efficiëntie Glastuinbouw (EG) en Marktintroductie Energie-innovaties (MEI) zijn onderdeel van het programma.
De subsidiemodule ‘Onderzoek Kas als Energiebron’ bouwt voort op en vervangt de bestaande praktijk binnen het programma Kas als Energiebron. Dit is een samenwerking waarbij Glastuinbouw Nederland en vertegenwoordigers van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) twee keer per jaar samen een oproep doen voor het indienen van onderzoekvoorstellen. Uitgekozen projecten werden ofwel door de Stichting Kennis in je Kas (KIJK) ofwel door het Ministerie van LVVN gehonoreerd. Met de subsidiemodule Onderzoek Kas als Energiebron wordt de samenwerking in het programma Kas als energiebron voortgezet. Het onderzoek dat door het ministerie LVVN gefinancierd werd zal voortaan via deze subsidiemodule gefinancierd worden.
De Stichting Kennis in je Kas zal parallel aan deze subsidieregeling doorgaan met het ondersteunen van kennisverspreidingsprojecten of onderzoek dat door bedrijven gedaan wordt die niet als kennisinstelling gekwalificeerd kunnen worden.
In het convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022–2030 is afgesproken dat de glastuinbouwsector in 2030 nog maximaal 4,3 Mton CO2-equivalenten uitstoot en dat de sector in 2040 klimaatneutraal en economisch rendabel is. Om deze doelen te bereiken is onderzoek nodig naar mogelijkheden voor energiebesparing, verduurzaming van de energiebronnen, gebruik van niet-fossiele CO2-bronnen en het efficiënter gebruiken van fossiele energie. Deze mogelijkheden kunnen verschillen per gewas, per teeltsysteem en per kassysteem. Daarnaast is het van belang dat de gevolgen voor het gewas en de productie goed onderzocht worden. Ook is het van belang om voor zover al mogelijk een inschatting te maken van de economische haalbaarheid. Bij dergelijke onderzoeken is op voorhand niet duidelijk of deze tot de gewenste resultaten leiden of direct toepasbaar zijn voor de sector. Daarom is overheidssubsidie voor deze onderzoeken gerechtvaardigd.
De uit te voeren onderzoeken moeten van belang zijn voor de Nederlandse glastuinbouw en bijdragen aan de CO2-reductie. Daarbij kan het gaan om een onderzoek dat voor een bepaald gewas binnen de glastuinbouw van belang is, of om een onderzoek dat voor de toekomstige economische ontwikkelingen van de sector van belang kan zijn, bijvoorbeeld voor nieuwe gewassen of nieuwe manieren van telen. Zowel onderzoek voor de korte termijn waarbij resultaten direct toepasbaar zijn door tuinders, als onderzoeken voor de langere termijn kunnen in aanmerking komen voor subsidie.
De subsidie is bedoeld voor zowel onderzoek als ontwikkeling en innovatie. Een onderzoek kan één of meer onderdelen bevatten, zoals literatuurstudie, ontwikkeling theoretisch kader, uitvoeren van metingen, uitvoering proeven in klimaatcellen of onderzoekkassen en demonstraties op kleine schaal op onderzoeklocaties, proof of principle onderzoeken, onderzoek en monitoring op praktijkbedrijven, referentieproeven, opstellen van meetprotocollen, kennisdelingsactiviteiten. De resultaten van het onderzoek worden openbaar beschikbaar en worden gedeeld op de website van het programma Kas als Energiebron, benut voor kennisverspreidingsactiviteiten en voor beleidsontwikkeling.
De aanvrager van de subsidie kan voorafgaand aan de definitieve indiening van de subsidieaanvraag een korte indicatie van het voorstel indienen bij de Kas als Energiebron programmacoördinatoren van Glastuinbouw Nederland. Subsidieaanvragers kunnen met deze coördinatoren in gesprek over de passendheid van hun voorstel binnen het programma Kas als Energiebron. De coördinatoren hebben veel kennis van de sector en een goed overzicht van alle onderzoeken die al gedaan zijn of nog lopen. Ook kunnen zij vaak een inschatting geven van het draagvlak voor een onderzoek bij tuinders of tips en suggesties geven bijvoorbeeld voor samenwerkingsmogelijkheden. Het bespreken van de indicatie is een service van Glastuinbouw Nederland. Het komt de kwaliteit van de projectvoorstellen vaak ten goede en kan voorkomen dat onderzoekers veel tijd steken in het uitwerken van aanvragen die geen grote kans van slagen hebben. Het is niet verplicht om een indicatie te schrijven en met Glastuinbouw Nederland te bespreken.
Subsidieaanvragers zijn wel verplicht hun uitgewerkte onderzoeksvoorstel voor een appreciatie voor te leggen aan de ondernemersgroep van Glastuinbouw Nederland, alvorens zij dit voorstel indienen bij RVO. De appreciatie van de ondernemersgroep moet bij de aanvraag gevoegd worden.
Deze ondernemersgroep heeft altijd een belangrijke rol vervuld bij de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen van het programma Kas als Energiebron. In deze ondernemersgroep zijn telers vanuit veel verschillende gewasgroepen vertegenwoordigd. Met elkaar beschikken zij over veel kennis en ervaring van gewassen en teeltsystemen. Zij kunnen onder andere goed beoordelen of een onderzoeksvoorstel aansluit bij de wensen uit de sector, of het om nieuw te ontwikkelen kennis gaat of dat het aansluit bij bestaande kennis. In de nieuwe opzet van de subsidiemodule onderzoek Kas als Energiebron wordt ook gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van de ondernemersgroep. Bij de subsidieaanvraag dient de subsidieaanvrager een appreciatie van het onderzoeksvoorstel door de ondernemersgroep bij te voegen volgens een vast format. De appreciatie van de ondernemersgroep is geen advies aan RVO voor het wel of niet honoreren van de aanvraag, maar biedt informatie die gebruikt kan worden bij het inhoudelijk beoordelen van de subsidieaanvraag op de diverse criteria. De appreciatie van een project geeft ook geen garantie op subsidieverlening.
De Minister van LVVN streeft naar een goed functionerende kennis-, innovatie- en onderzoekinfrastructuur op het terrein van land- en tuinbouw, visserij, voedsel, natuur en landelijk gebied (artikel 23 van de begroting van het ministerie LVVN). Daarnaast zetten we in op de verspreiding van kennis en innovatie gericht op de verdere verduurzaming van de land- en tuinbouw. Zo kent het Ministerie van LVVN de publiek-private-samenwerking (PPS-en) in het kader van de Kennis- en Innovatieagenda Landbouw, Water, Voedsel (KIA-LWV) en is er de NWO-SIA voor praktijkgericht onderzoek door hogescholen. Ook zijn er voor de glastuinbouw twee specifieke regelingen voor het implementeren van innovatieve kasenergiesystemen en voor het investeren in energiebesparende maatregelen en -systemen, namelijk de MEI-regeling (Marktintroductie Energie Innovatie, titel 2.10 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies) respectievelijk de EG-regeling (Energie-efficiëntie glastuinbouw, titel 2.3 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies). In het geval van de MEI-regeling gaat het om innovaties die zich al in de onderzoekspraktijk bewezen hebben, maar nog niet in een kas bij tuinders zelf. De EG-regeling is bedoeld voor investeringen in innovaties die zich in de praktijk al bewezen hebben maar waarvan de kosten voor veel tuinders nog te hoog zijn.
De Subsidieregeling Onderzoek Kas als Energiebron is bedoeld voor onderzoeksprojecten waarvan op voorhand niet duidelijk is of deze tot gewenste resultaten leiden (reductie energiegebruik en/of reductie CO2-emissies) of die nog niet direct leiden tot implementatie van innovaties. Omdat het onderzoek met veel onzekerheden gepaard gaat en ondernemers niet direct kunnen profiteren van de resultaten wordt er van hen geen substantiële eigen bijdrage gevraagd. Daarmee past de regeling goed in het palet van PPS-projecten, MEI- en EG-regeling.
De subsidieregeling heeft tot doel om kennis te ontwikkelen die leidt tot vergaande energiebesparing in de glastuinbouw en de inzet van duurzame energiebronnen in combinatie met een rendabele bedrijfsvoering. Hiermee kan de sector in 2040 conform de ambitie klimaatneutraal en bedrijfseconomisch rendabel worden. Ondernemers worden, waar mogelijk en nuttig, betrokken bij het onderzoek. Om de kennis die opgedaan is breed toegankelijk te maken, worden de resultaten van het onderzoek openbaar gemaakt op de website van het programma Kas als Energiebron. De resultaten van het onderzoek worden breed verspreid bijvoorbeeld tijdens bijeenkomsten en workshops, maar ook gedeeld in opleidingen en cursussen.
De resultaten uit de onderzoeken worden eveneens benut voor het verbeteren en actueel houden van de MEI- en EG-regeling.
Uit de evaluatie van CE Delft2 blijkt het belang van de kennisontwikkeling en kennisuitwisseling: ‘door convenantspartijen is aan een groot aantal concepten gewerkt, zoals onder andere DaglichtKas, Het Nieuwe Telen, gesloten kas, energieschermen. Belangrijke stappen zijn gezet om de geformuleerde ambities te realiseren. De gevolgde aanpak is flexibel, consistent in de tijd en heeft ertoe geleid dat veel kas-, teelt- en energieconcepten marktrijp zijn geworden.’.
In het kader van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of voor kennisdelingsactiviteiten. Er kan alleen subsidie worden aangevraagd voor de kennisdelingsactiviteiten als er ook subsidie is aangevraagd voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Er wordt dus geen subsidie verleend als er alleen subsidie is aangevraagd voor kennisdelingsactiviteiten.
Bij de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten is relevant of er sprake is van het verrichten van onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie in de zin van artikel 1.3, onderdeel ee, van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01, hierna: OOI-kader). De activiteiten van deze onderzoeksorganisaties vallen onder ‘onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling’ en ‘kennisdeling’ dat door de Europese Commissie als niet-economische activiteiten wordt beschouwd (artikel 2.1.1, punt 20, onderdeel a, sub (i), (ii) en (iii), van de OOI-Kaderregeling 2022, nr. 2022/C 414/01). Omdat deze activiteiten geen economisch karakter hebben, worden onderzoeksorganisaties die deze activiteiten verrichten niet als onderneming in de zin van het EU recht gekwalificeerd. Dit betekent dat voor zover op grond van deze regeling subsidie wordt verstrekt voor het verrichten van onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie in de zin van artikel 1.3, onderdeel ee, van het OOI-kader, geen sprake is van staatssteun. Voor de kwalificatie als onderzoeksorganisatie dient zeker te worden gesteld dat er sprake is van een entiteit die een zodanig afgebakend taakveld, doel en organisatorische inrichting heeft, dat kan worden aangetoond dat deze organisatie in autonomie en hoofdzaak onafhankelijk onderzoek verricht3 De criteria op grond waarvan wordt beoordeeld of er sprake is van een onderzoeksinstelling zijn continu in ontwikkeling en zal door RVO worden betrokken bij hun beoordeling. Om te bepalen wanneer onafhankelijk onderzoek het hoofddoel is moet gekeken worden naar de omstandigheden van het geval.
RVO zal beoordelen of sprake is van onafhankelijk onderzoek. Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake als het gaat om onderzoek namens ondernemingen. Het verrichten van onderzoek en ontwikkelingsdiensten en het uitvoeren van onderzoek en ontwikkelingsdiensten namens ondernemingen wordt niet als onafhankelijke onderzoek beschouwd maar als contractonderzoek. Als uitgangspunt zal RVO kijken naar de feitelijke situatie: wordt het doel van het doen van onafhankelijk onderzoek in overwegende mate in de praktijk uitgevoerd.
Voor zover er sprake is van onderzoek dat wordt uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie die niet kwalificeert als onderzoeksorganisatie in de zin van artikel 1.3, onderdeel ee, van het OOI-kader en die niet in autonomie en hoofdzaak onafhankelijk onderzoek verricht, geldt dat de hiermee verband houdende kosten subsidiabel zijn onder artikel 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en bosbouwsector). Het betreft dan onderzoek dat wordt uitgevoerd ten behoeve van de landbouwsector, waarbij de uitbetaling plaatsvindt aan de aanbieder van de dienst, dat wil zeggen de betrokken onderzoeksorganisatie. Dit artikel verklaart steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en de bosbouwsector verenigbaar met de interne markt en vrijgesteld van de voorgenoemde aanmeldingsverplichting uit artikel 108, derde lid, VWEU, mits wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede tot en met het tiende lid van het desbetreffende artikel, alsmede aan de voorwaarden uit het hoofdstuk I van Verordening (EU) nr. 2022/2472.
Onder kennisdeling valt het openbaar maken van de resultaten, ontwikkelen en verspreiden van communicatiemiddelen, organiseren van bijeenkomsten, deelname aan nationaal platform. Steun voor deze activiteiten kan worden gerechtvaardigd onder artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat ziet op steun voor kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties die ten goede komen aan de landbouwsector en die worden uitbetaald aan de aanbieder van de desbetreffende diensten.
Onder artikel 38, zevende lid, groepsvrijstellingsverordening landbouw kunnen verschillende kosten voor het doen van onderzoek worden gefinancierd, zoals personeelskosten voor onderzoekers, kosten van apparatuur, uitrusting en materiaal, kosten voor inhuur van deskundigen, kosten voor belichting en verwarming van een kas gedurende het onderzoek. Kosten voor het delen van kennis, bijvoorbeeld door het geven van workshops en opleidingscursussen vallen onder artikel 21, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Voor een uitgebreidere omschrijving van de kosten die gesubsidieerd kunnen worden is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.
Verder dient er een gescheiden boekhouding gevoerd te worden indien de subsidieontvanger ook economische activiteiten verricht. De subsidieontvanger kan derden inhuren voor het verrichten van de activiteiten maar om te voorkomen dat deze derden voordeel van deze subsidie ontvangen dienen zij op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven te worden ingehuurd, anders zou dit gekwalificeerd kunnen worden als ongeoorloofde staatssteun.
De uitvoering van dit subsidie-instrumentarium is – in opdracht van de Minister van LVVN – in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Deze subsidieregeling wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.
Vanuit het Ministerie van LVVN is gemiddeld circa € 5 tot 7 miljoen per jaar beschikbaar voor deze subsidiemodule Beoogd wordt om de subsidiemodule twee keer per jaar open te stellen, in het voorjaar en aan het eind van het jaar. Per openstelling wordt het openstellingsbudget bepaald.
Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven en/of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden (definitie Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)). In onderstaande berekening maken we onderscheid tussen de tijd die nodig is voor het indienen van een aanvraag, en de tijd die – na verlening van de subsidie – nodig is voor de uitvoering gedurende de looptijd van de subsidie en de vaststelling.
Bij het aanvragen van de subsidie is tijd nodig voor het invullen van het aanvraagformulier, het opstellen van een projectplan en begroting en het bijvoegen van de verplichte bijlages: naast projectplan en begroting, de SBI code Kamer van Koophandel, statuten en de appreciatie van de ondernemersgroep. Per project wordt gerekend op circa 9,5 uur aan administratieve lasten die nodig zijn voor het indienen van een aanvraag. Bij een samenwerkingsproject gaat het om circa 14,75 uur. Bij 45 aanvragen, waarvan 13 samenwerkingsprojecten per jaar betreft dit ca 495,75 uur (32x9,5 + 13x14,75). Per partij is er daarnaast tijd nodig voor kennisname van de regeling en procedures, en overleg met RVO voor ongeveer 5 uur. Uitgaande van 5 partijen betreft dit jaarlijks aanvullend nog 25 uur. Totaal 520,75 uur.
Na verlening van de subsidie – gedurende de looptijd van de regeling – heeft de aanvrager tijd nodig voor het bijhouden van de urenadministratie en het opstellen van de voortgangsrapportage. Per project vraagt dit ongeveer 6 uur. Voor een samenwerkingsproject ongeveer 11 uur. Uitgaande van jaarlijks 20 gehonoreerde projecten, waarvan 10 samenwerkingsprojecten, komt dit op ca 170 uur (10x6 + 10x11).
Voor de vaststelling dient de aanvrager een financiële eindverantwoording op te stellen, een evaluatieformat in te vullen plus websamenvatting, de vaststelling aan te vragen en bij subsidies hoger dan € 125.000 een accountantsverklaring te verkrijgen en bij te voegen. Per project vraagt dit ongeveer 8,5 uur. Voor een samenwerkingsproject 12,5 uur. Jaarlijks komt dit op ca 210 uur (10x8,5 + 10x12,5). Gemiddeld over alle projecten (inclusief samenwerkingsprojecten) is 1,2 accountantsverklaring nodig. Per jaar dan 24 (20x1,2) accountantsverklaringen a € 5.000,– is totaal € 120.000.
Ongeveer 2/3 deel van de administratieve lasten zal door een categorie d medewerker gedaan worden en ongeveer 1/3 deel door een categorie c medewerker (zie artikel 2.2.3 lid 2). Gemiddeld ongeveer € 130/uur.
De totale jaarlijkse administratieve lasten komen dan uit op 900,75 uur (520,75 + 170 + 210) x € 130/uur is € 117.097,50. Inclusief de kosten voor de accountantsverklaringen komt de totale jaarlijkse regeldruk voor deze subsidieregeling op € 237.097,50 (117.097,50 + 120.000). In totaal is ca. € 7 mln. beschikbaar. Dit geeft een regeldruk van 3,4%. Deze berekening is gedeeld met het adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Voor het opstellen van deze regeling is advies ingewonnen bij Glastuinbouw Nederland en bij de diverse onderzoeksorganisaties, zowel publiek (WUR) als privaat. In plaats van een internetconsultatie is ervoor gekozen rechtstreeks met de doelgroep te overleggen over inhoud en uitwerking van de regeling en over veranderingen ten opzichte van de huidige praktijk.
De agrarische bedrijfstoets is niet van toepassing omdat deze regeling geen substantiële impact heeft op het MKB en het agrarisch bedrijfsleven.
Daarnaast is gesproken met het Expertiseteam Beleidskompas van het Ministerie van LVVN en is gebruik gemaakt van de suggesties van deze experts bij de uitwerking van de subsidiemodule.
Dit artikel bevat de definitie van onderzoeks-, ontwikkelings- en kennisdelingsactiviteiten.
Subsidie wordt verleend voor twee soorten activiteiten namelijk kennisdeling en onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Voor de activiteit kennisdeling kan alleen subsidie worden verleend als deze activiteit samen wordt uitgevoerd met onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Projectvoorstellen die alleen kennisdelingsactiviteiten willen verrichten heeft het programma Kas als Energiebron financieringsmogelijkheden vanuit het project ‘fossielvrij’, dat uitgevoerd wordt door Glastuinbouw Nederland. De onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten dienen bij te dragen aan de uitvoering van het convenant Energietransitie glastuinbouw 2022–2030 en het onderzoeksprogramma Kas als Energiebron. Het onderzoek moet gericht zijn op CO2-reductie en het mogelijk maken van (de implementatie van) een rendabele klimaatneutrale productie. Hiervoor heeft het programma Kas als Energiebron enkele hoofdthema’s: energiebesparing en efficiënt gebruik van fossiele energie, duurzame opwek, besparing CO2 en duurzame CO2-bronnen, digitalisering, smart grid en lokale energie- en CO2-systemen. Hierbij valt onder andere te denken aan onderzoek op het gebied van vergaande energiebesparing, energiezuinige of fossielvrije teeltconcepten, verwarming, belichting, verdamping en ontvochtiging, nieuwe kasconcepten, isolatie, inzet van duurzame warmtebronnen (geothermie, aquathermie, zonthermie), duurzame elektriciteitsbronnen e.d. Ook efficiënt gebruik van CO2 en inzet van duurzame CO2-bronnen valt onder deze subsidieregeling.
Bovengenoemde onderwerpen zijn bedoeld als voorbeelden die specifiek van belang zijn voor de sector. Subsidieaanvragen hoeven echter niet beperkt te worden tot deze onderwerpen. Ook andere voorstellen zijn welkom zolang zij vallen onder een van de hoofdthema’s en bijdragen aan het doel van het programma Kas als Energiebron, zoals beschreven in bijlage 2.2.1.
Het eerste lid bepaalt welke kosten er voor subsidie in aanmerking komen. Bij paragraaf 5 in het algemene deel van de toelichting is uiteengezet hoe de verschillende subsidiabele kosten bij de twee activiteiten worden gerechtvaardigd door de groepsvrijstellingsverordening landbouw. De verschillende kosten worden hieronder nader toegelicht.
Kosten ten behoeve van kennisdeling
De kosten voor kennisdeling komen voor subsidie in aanmerking tenzij er sprake is van kosten genoemd in het derde lid, onderdeel b en c van artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Dit betreffen de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers aan een voorlichtingsactiviteit en de kosten van vervangingsdiensten tijdens de afwezigheid van de deelnemers. Deze kosten worden niet gemaakt door de onderzoeksorganisatie, maar door de deelnemers aan de voorlichtingsactiviteit.
Wel in aanmerking komen de kosten van de organisatie van beroepsopleiding en van acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, conferenties, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a en onderdeel d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Hieronder vallen onder meer de volgende kosten voor kennisdeling:
• het ontwikkelen van een website;
• het ontwikkelen en verspreiden van communicatiemiddelen, zoals een nieuwsbrief, een podcast of video-opname;
• de organisatie en uitvoering van kennisbijeenkomsten, waaronder demonstratiedagen, workshops en discussieavonden;
• openbaarmaking van resultaten en inzichten uit onderzoek;
Kosten ten behoeve van onderzoeksactiviteiten
Gedacht kan worden aan personeelskosten voor onderzoekers, kosten van apparatuur en uitrusting, kosten van (proef)kassen, de kosten voor inkoop van contractonderzoek, kennis en licenties inhuur van consultancy, bijkomende overheadkosten en andere uitgaven waaronder die van materiaal, leveranties en soortgelijke producten.
In deze subsidieregeling is in het tweede lid gekozen om in afwijking van artikel 2.1.1. hogere uurtarieven vast te stellen voor vier verschillende functiecategorieën die gebruikelijk zijn bij de onderzoeken die onder deze regeling vallen op grond van artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het besluit.
De reden hiervoor is dat een onderzoeksorganisatie het onderzoek dat wordt gesubsidieerd uitvoert en dat dit onderzoek van groot belang is voor het behalen van de klimaatdoelen van Nederland en de glastuinbouwsector. Dit onderzoek zit voor een groot deel in de eerste fases van kennis-, innovatie en productontwikkeling, de technological readiness levels (TRL). Het heeft een breed maatschappelijke belang en de resultaten kunnen doorgaans niet direct toegepast worden. Daardoor is het lastig om opdrachten uit de markt te krijgen waarmee de kosten van dit onderzoek gedekt kunnen worden. Een groot deel van dit soort onderzoek wordt daarom gefinancierd door subsidies van Kas als Energiebron. De kennis daaruit moet direct openbaar gemaakt worden en kan niet commercieel te gelde worden gemaakt.
De subsidiabele kosten van de onderzoeken voor Kas als Energiebron moeten dus alle kosten betreffen die de onderzoeksorganisaties voor deze onderzoeksprojecten maken. Het gebruikelijke uurtarief voor loonkosten bij subsidieregelingen zoals vastgesteld in artikel 2.1.1 voldoet niet voor deze specifieke subsidieregeling omdat dit substantieel lager is dan de kosten die werkelijk gemaakt worden. Als het reguliere uurtarief zou worden gehanteerd, zouden de werkelijke kosten van deze onderzoeken voor een groot deel gedragen worden door de onderzoeksinstellingen. Aangezien zij deze kosten niet kunnen dekken uit inkomsten van onderzoeken in opdracht van de markt zou het verrichten van deze onderzoeken voor hen onmogelijk worden.
Hierbij is ook van belang dat het aantal direct productieve uren bij onderzoeksorganisaties die zich hoofdzakelijk bezig houden met industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling lager is dan bij ondernemingen. Dat komt onder andere doordat er veel tijd nodig is om de kennis up-to-date te houden bijvoorbeeld door het volgen van opleidingen, het bijhouden van vakliteratuur, het bezoeken van conferenties. Daarnaast is een goede begeleiding van junior onderzoekers noodzakelijk en is het belangrijk om regelmatig met stakeholders af te stemmen over nieuwe onderzoeksonderwerpen en nieuwe onderzoeksvoorstellen. Deze niet-productieve uren zijn in de vaste uurtarieven van deze subsidieregeling meegenomen en kunnen daarom niet apart subsidiabel zijn.
De vaste uurtarieven die in afwijking met artikel 2.2.1 worden vastgesteld in deze regeling, liggen in lijn met de tarieven die WUR voor onderzoeksprojecten mag rekenen volgens de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek (hierna: TO2-regeling). Het hanteren van vergelijkbare uurtarieven zorgt ervoor dat gelijksoortige werkzaamheden voor onderzoek ook gelijkwaardig gesubsidieerd worden, ongeacht welke organisatie deze werkzaamheden uitvoert. De verschillende onderzoeksprojecten kunnen daardoor wat betreft de kostprijs ook goed ten opzichte van elkaar beoordeeld worden. Daarnaast zorgt dit ervoor dat de samenwerking tussen de TO2-instellingen en de private onderzoeksorganisaties op gelijkwaardige basis kan plaatsvinden. Bovendien kunnen de verschillende projectvoorstellen wat betreft kostprijs goed ten opzichte van elkaar beoordeeld worden omdat vergelijkbare uurtarieven gehanteerd worden.
Functiecategorie a. betreft werkzaamheden die samenhangen met het verzorgen van het gewas en de teelt. Hierbij kan gedacht worden aan planten en oogsten, uitvoeren van gewasbescherming, het opruimen en ontsmetten van materiaal en kas en het assisteren bij de opbouw van de proef. Er worden doorgaans geen specifieke opleidingseisen gesteld, hoewel ervaring in diverse gewaswerkzaamheden gewenst is.
Functiecategorie b. is voor onderzoeks- of technische assistenten, junior onderzoekers of vergelijkbare functies. Het betreft werkzaamheden als het assisteren bij het uitvoeren van metingen aan klimaat, apparatuur of gewas, ondersteuning bij data-analyse en rapportages, teelt- en regelsystemen maken en inbedrijf stellen voor de proefopbouw, instellen en controleren van de klimaatcontrole, gewasmanagement. Medewerkers hebben doorgaans een BSc of MSc-diploma of een opleiding op gelijkwaardig niveau danwel voldoende relevante praktijkervaring.
Functiecategorie c. Hierbij gaat het om functies die een leidende rol hebben in (een deel van) het onderzoek. Medior onderzoekers en projectleiders geven leiding aan werkzaamheden als het uitwerken van een proefstrategie voor teelt, klimaat en metingen, het uitvoeren van metingen aan klimaat, apparatuur of gewas, data analyse en rapportage, modelleerwerk. Een teeltmanager is verantwoordelijk voor de hele teelt en de daarbij behorende klimaatstrategie en klimaatbeheer, strategie en beheer van irrigatie, bemesting en gewasbescherming. Bijbehorende opleidingsniveau is MSc of BSc of een gelijkwaardig niveau door ervaring of aanvullende opleidingen.
Functiecategorie d. betreft personen die op senior niveau werkzaamheden uitvoeren of eindverantwoordelijkheid dragen voor data-analyse en rapportage, modelleren, metingen, proefstrategie in teelt en klimaat, het onderzoek en het onderzoeksteam in het geheel of de dagelijkse werkzaamheden in de faciliteiten. Een senior wetenschappelijk onderzoeker of senior projectleider research heeft doorgaans een PhD of een gelijkwaardig niveau door ervaring en opleiding. Voor een senior projectleider of manager operations is een MSc of gelijkwaardig niveau door ervaring of opleiding met een aantal jaar praktijkervaring gebruikelijk.
De hoogte van de subsidie bedraagt in overeenstemming met artikel 21, achtste lid, en artikel 38, tiende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Er kan ook sprake zijn van een eigen bijdrage van de sector. In dat geval zal de subsidie lager zijn dan 100% en zal het daadwerkelijke bedrag aan eigen bijdrage in mindering worden gebracht op de hoogte van de subsidie. De toelichting op het belang van een eigen bijdrage is te lezen in bijlage 2.2.2.
Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen. De aanvragen worden getoetst op de afwijzingsgronden en vervolgens gerangschikt op de punten die gescoord zijn op de criteria uit artikel 2.2.8.
De realisatietermijn bedraagt 5 jaar na de datum van subsidieverlening. Dat wil zeggen dat een aanvraag wordt afgewezen indien niet aannemelijk is dat de activiteiten binnen 5 jaar kunnen worden voltooid. Met de realisatie wordt uiterlijk binnen zes maanden na de subsidieverlening gestart.
Een aantal criteria is van zodanig belang dat onderzoeken na indiening afgewezen kunnen worden als zij niet aan deze criteria voldoen. Deze onderzoeken worden dan ook niet gerangschikt en komen niet in aanmerking voor subsidie. Dit betreft de in artikel 2.2.7 onderdelen a tot en met h genoemde afwijzingsgronden.
De onderzoeksvoorstellen dienen in overeenstemming te zijn met de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw omdat anders de vrijstelling uit de groepsvrijstellingsverordening landbouw niet gebruikt kan worden en er dus sprake is van ongeoorloofde staatssteun.
Onderzoeksvoorstellen waarbij de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 25.000,– worden niet in behandeling genomen. Uit de praktijk blijkt dat dergelijke voorstellen vergeleken met grotere onderzoeksvoorstellen laag scoren en geen kans op subsidie maken. Het is efficiënter om deze kleine voorstellen direct af te wijzen. Ook worden voorstellen afgewezen als één of meer van de deelnemers in een samenwerkingsverband minder dan € 25.000,– subsidiabele kosten maken. Bij een dergelijk beperkt subsidiebedrag voor één van de deelnemers is geen sprake van een gelijkwaardige deelname aan het samenwerkingsverband. Bij meer deelnemers met subsidiabele kosten onder de € 25.000,– zal het project laag scoren omdat de kwaliteit van het samenwerkingsverband of de kostenefficiëntie onvoldoende is.
De afgelopen jaren is al veel onderzoek gedaan in het kader van het programma Kas als Energiebron. Het is van belang dat nieuwe onderzoeken aansluiten bij of gebruik maken van relevante kennis die in deze en eventuele andere onderzoeken is opgedaan. Zo wordt voorkomen dat er dubbel onderzoek wordt gedaan en wordt maximaal gebruik gemaakt van al ontwikkelde kennis en schaarse middelen. Overigens is het niet altijd mogelijk om gebruik te maken van of voort te borduren op kennis die in eerdere onderzoeken is opgedaan. Dat is het geval bij een geheel nieuw onderzoeksveld. Het gaat dan bijvoorbeeld om een geheel nieuw soort onderzoek of onderzoeksmethode, of om nieuwe technieken of nieuwe gewassen. In dat geval moet duidelijk uit de subsidieaanvraag blijken dat er geen relevante kennis beschikbaar is en dat er geen gebruik gemaakt kan worden van eerder opgedane kennis.
Om de subsidie zo efficiënt mogelijk in te zetten worden aanvragen afgewezen als een soortgelijk project in dezelfde aanvraagperiode hoger is gerangschikt of als er eerder een soortgelijk project is gehonoreerd. Soortgelijk wordt hier uitgelegd als onderzoek naar een zelfde techniek en/of aanpak, met een zelfde gewas en een gelijk doel of vallend binnen een gelijk thema.
Aangezien het om een gespecialiseerd onderzoeksterrein gaat is het van belang dat de onderzoekers over de juiste expertise beschikken of deze expertise voldoende inhuren. Dit kan blijken uit eerdere onderzoeken die de subsidieaanvrager of het samenwerkingsverband hebben gedaan of de reputatie die de projectpartners hebben in de sector. Eventuele nog ontbrekende kennis kan ook tegen marktconforme tarieven ingehuurd worden, maar het merendeel van de benodigde kennis zal bij de samenwerkingspartners zelf aanwezig moeten zijn. Wanneer de subsidieaanvragers niet kunnen aantonen dat zij over deze expertise beschikken of deze inhuren dan is dit grond voor afwijzing.
Onderzoeksvoorstellen moeten van voldoende kwaliteit zijn. In totaal kunnen er 35 punten worden behaald. Alle drie de hoofdgroepen zijn van belang en een voorstel moet dus op alle drie de hoofdgroepen voldoende punten scoren. Daarom wordt een minimale drempel gehanteerd per hoofdgroep. Zo kan een lage totaalscore op een van de hoofdgroepen niet gecompenseerd worden door een hoge totaalscore op een van de andere hoofdgroepen. Het onderdeel h uit artikel 2.2.7 bevat hiertoe de minimale scores op de hoofdgroepen van de rangschikkingscriteria. Onderzoeksvoorstellen die lager scoren kunnen worden afgewezen.
De ingediende subsidieaanvragen worden beoordeeld op basis van rangschikkingscriteria. Bij deze beoordeling gebruikt RVO de informatie die door de aanvragers in hun projectvoorstellen is aangeleverd en de appreciatie van de ondernemersgroep, die een verplicht onderdeel uitmaakt van de subsidieaanvraag. RVO kan daarnaast ook gebruik maken van kennis van experts, bijvoorbeeld als bij RVO de kennis van een specifieke techniek niet voldoende aanwezig is.
De rangschikkingscriteria zijn onderverdeeld in drie hoofdgroepen: bijdrage aan de realisatie van de CO2-doelen conform de afspraken in het Convenant Energietransitie glastuinbouw 2022–2030, de kwaliteit van het project en de kosteneffectiviteit van het project. Ieder criterium is opgesplitst in subcriteria waarvoor steeds maximaal 5 punten behaald kunnen worden. In totaal zijn maximaal 35 punten te halen.
Bijdrage aan de realisatie van de CO2-doelen van de glastuinbouw 2022–2030
De verwachte bijdrage van de resultaten van het project aan de CO2-reductie is een belangrijk rangschikkingscriterium. Hoe groter deze verwachte bijdrage is, hoe hoger het voorstel wordt gerangschikt. De ambitie van de glastuinbouwsector en de andere convenantpartners is immers klimaatneutraliteit in 2040. Dat kan alleen door fors op energie te besparen en de CO2-uitstoot terug te dringen. In de subsidieaanvraag moet goed onderbouwd worden wat het onderzoek naar verwachting bijdraagt aan deze CO2-reductie en waar die verwachting op gebaseerd is. Het is van belang om de CO2-reductie zo kwantitatief mogelijk te beschrijven. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden naar de reductie in de totale glastuinbouwsector en de reductie per gewas. Een forse reductie voor een gewas dat slechts een beperkt aandeel heeft in de totale sector, kan dan lager scoren dan een kleine reductie per gewas dat een groot aandeel heeft in de totale sector. Daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat de resultaten voor één gewas mogelijk ook bij andere gewassen van toepassing zijn en daarmee dus een grotere besparing kunnen opleveren. Ook de groeipotentie van een gewas is van belang, omdat dat kan betekenen dat er in de toekomst een grotere besparing bereikt kan worden.
Een project kan ook onderdelen bevatten die niet direct aan energie of CO2-reductie gerelateerd zijn. Naarmate deze onderdelen een groter deel van het onderzoek uitmaken zal het voorstel lager scoren.
De subsidieregeling stimuleert zowel lange termijn onderzoeken als korte termijn onderzoeken. Lange termijn onderzoek richt zich doorgaans meer op nieuwe technieken, processen en gewassen of op grensverleggende en doorbraakprojecten. Daarbij kunnen de resultaten doorgaans pas op wat langere termijn toegepast worden. Onderzoeken op kortere termijn zijn doorgaans meer gericht op toepassing op korte termijn. Daarbij wordt vaak voortgeborduurd op eerdere onderzoeken, zijn de nieuwe resultaten relatief snel beschikbaar en kunnen ondernemers sneller aan de slag met deze resultaten in hun praktijk. Beide soorten onderzoek zijn van belang voor de sector, maar moeten op een verschillende manier beoordeeld worden. Daarom worden beide soorten in één beoordelingscriterium gevat waarbij er óf voor onderdeel a. of voor onderdeel b. gescoord wordt. RVO beoordeelt of een projectvoorstel onder onderdeel a of b valt. Het projectvoorstel bevat hiervoor de informatie.
Bij langere termijn-onderzoeken kan gedacht worden aan het ontwikkelen van nieuwe kas- of teeltsystemen, nieuwe technieken of processen die nog niet in de tuinbouw toegepast worden of nieuwe gewassen voor de glastuinbouw. Daarvoor is vaak nog niet direct een markt, maar het kan op termijn potentie hebben en bijdragen aan de CO2-doelen en de toekomstbestendigheid van de sector. In het onderzoeksvoorstel moet duidelijk omschreven staan wat de potentie kan zijn van een nieuwe techniek, een nieuw proces of een nieuwe toepassing en hoe de sector daar in de toekomst van zou kunnen profiteren. Daarbij valt te denken aan mogelijkheden voor nieuwe gewassen of de te verwachten termijn waarop nieuwe technieken of processen toegepast kunnen worden en welke fossiele energiebesparing dit kan opleveren. Hoe vernieuwender de techniek of toepassing en hoe groter de mogelijke potentie ervan, hoe hoger het aantal punten. Ook een modelstudie, literatuuronderzoek of conceptontwikkeling valt onder deze categorie. Resultaten van een dergelijk onderzoek zijn vaak verkennend en kunnen input zijn voor vervolgonderzoek. De resultaten zijn nog niet direct toepasbaar in de praktijk. Het TRL-niveau dat bij dergelijk onderzoek past, zal zich op niveau 2 of 3 bevinden, maar niet hoger.
Voor onderzoek op de kortere termijn kan gedacht worden aan onderzoek dat voortborduurt op onderzoek dat eerder bij een bepaald gewas is gedaan maar waar vervolgvragen uit voortkomen of dat voor een ander gewas uitgevoerd kan worden. Vervolgonderzoek kan zodoende bijdragen aan de verdere doorontwikkeling en toepassing van een bepaalde techniek of kennis. Ook kan gedacht worden aan technieken die al toegepast worden, maar waarbij nog niet de gewenste of verwachte resultaten worden behaald en waarvoor nader onderzoek nodig is om te bepalen hoe dat komt. Daarmee kan het nieuwe onderzoek bijdragen aan de bredere toepassing van deze techniek in de sector. Ook praktijkproeven of demonstratieprojecten in proefkassen kunnen nodig zijn om oorzaken te achterhalen of om aan de sector te laten zien wat er mogelijk is. Hoe meer dergelijk onderzoek aansluit bij eerdere onderzoeken en hoe breder en toegankelijker de toepassing bij de doelgroep, des te hoger het aantal toegekende punten. Een voorstel scoort hoger als er meer toegevoegde waarde is ten opzichte van al bestaande of lopende projecten. Bijpassende TRL-niveaus zijn 4 en hoger.
Kwaliteit van het project
Om de juiste resultaten te behalen is de kwaliteit van het project van belang en daarom ook een belangrijk rangschikkingscriterium. De kwaliteit van een project wordt beoordeeld aan de hand van een aantal aspecten. Deze worden hieronder toegelicht.
De aanpak moet duidelijk en logisch zijn en oog hebben voor risico’s. De aanpak, methodiek en de beoogde te behalen resultaten dienen helder omschreven en onderbouwd te worden. De voorgestelde activiteiten moeten aantoonbaar tot het gewenste doel kunnen leiden. Daarbij moet duidelijk omschreven worden hoe gebruik gemaakt wordt van of voortgeborduurd wordt op bestaande kennis dan wel moet toegelicht worden dat het om een geheel nieuw onderzoek gaat waarvoor nog weinig relevante kennis beschikbaar is. Ook is van belang dat er voldoende aandacht is voor het delen en verspreiden van de kennis die in het onderzoek wordt opgedaan. Hoe beter de aanpak en methodiek, hoe hoger het project scoort.
Betrokkenheid en draagvlak bij de doelgroep is eveneens van groot belang. Hoe groter de betrokkenheid en draagvlak hoe groter de kwaliteit van het onderzoeksproject. Ten eerste omdat de doelgroep zelf goed weet waar zij behoefte aan heeft. En ten tweede omdat de doelgroep zelf aan de slag moet met de resultaten van het onderzoek. Betrokkenheid en draagvlak kan blijken uit deelname aan de begeleidingscommissie van het onderzoek, aan deelname aan workshops of het bijwonen van kennissessies, of uit het anderszins ondersteunen van het onderzoeksvoorstel, bijvoorbeeld door een adhesiebetuiging. Draagvlak kan ook blijken uit een positieve appreciatie van de ondernemersgroep van GlastuinbouwNL. Daarnaast kan betrokkenheid ook blijken uit een eigen bijdrage van de doelgroep bijvoorbeeld door individuele tuinders, een gewascoöperatie of door toeleveranciers. Voor langere termijn onderzoeken of gewasoverstijgende onderzoeken is een financiële bijdrage van tuinders niet altijd mogelijk, maar kunnen leveranciers mogelijk bijdragen.
Tenslotte is het van belang om een inschatting te hebben van de economische en technische haalbaarheid van maatregelen of systemen die onderzocht worden. Indien een maatregel veel CO2-reductie oplevert maar technisch erg ingewikkeld of erg kostbaar is dan zal de potentie van de maatregel erg lastig gerealiseerd kunnen worden. De daadwerkelijke CO2-reductie van de sector zal dan beperkt zijn. Onder economische haalbaarheid wordt ook verstaan dat een onderzoek niet leidt tot aanzienlijk negatieve maatschappelijke effecten. Het Ministerie van LVVN streeft naast een energiezuinige sector ook naar een duurzame sector die goed is voor mens, plant en omgeving. CO2-reductie mag daarom niet gepaard gaan met negatieve effecten op andere gebieden. Daarbij valt te denken aan slechtere arbeidsomstandigheden door een andere manier van belichten of verwarmen of door zwaarder of eentoniger werk. Of aan effecten op het milieu door een toegenomen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of groter gebruik van water. Hoe meer hier in het voorstel rekening mee wordt gehouden dan wel aandacht aan wordt besteed, hoe beter het scoort.
Kosteneffectiviteit
De projecten worden eveneens gerangschikt op kosteneffectiviteit. Zodoende kan het beschikbare budget zo efficiënt mogelijk ingezet worden. Kosteneffectiviteit wordt beoordeeld aan de hand van twee criteria.
De gevraagde subsidie moet ten eerste in verhouding zijn met de voorgestelde activiteiten en de verwachte resultaten (value for money). De opgevoerde kosten moeten realistisch en logisch zijn. Het aantal uren moet in verhouding zijn met de te verrichten activiteiten. Daarnaast moeten de uitgaven voor onder andere kashuur en -inrichting, aan te schaffen materialen en inhuur van derden voldoende toegelicht worden en in verhouding zijn met de voorgestelde activiteiten. De subsidieaanvraag moet daarom inzicht geven in de kosten van de activiteiten en waarom die activiteiten en kosten noodzakelijk zijn. Om te beoordelen of de opgevoerde kosten noodzakelijk en realistisch zijn kan RVO onder andere gebruik maken van de informatie uit eerdere onderzoeksprojecten. Ook de appreciatie van de ondernemersgroep kan hierbij behulpzaam zijn. Deze ondernemers kunnen uit de praktijk vaak een goede inschatting maken van de kosten van de verschillende onderdelen.
In verband met kosteneffectiviteit voor de overheid wordt ook gekeken naar de verhouding van de gevraagde subsidie en de eigen financiële bijdrage vanuit de sector. Voor bepaalde onderzoeken is een lagere overheidsbijdrage en een hogere bijdrage vanuit de sector gewenst. Deze eigen bijdrage kan zowel van tuinders en gewascoöperaties komen als van leveranciers, producentenorganisaties en andere partijen (niet zijnde overheidspartijen). Deze eigen bijdrage kan zowel in cash als in kind zijn. In Bijlage 2.2.5 staat de berekening van de gewenste financiële bijdrage uit de sector beschreven. Deze berekening is een richtlijn. Hoe beter een voorstel de gewenste richtlijn benaderd, hoe hoger de score op dit onderdeel zal zijn.
Weging en puntenverdeling
De toekenning van punten en de weging wordt nader toegelicht onder artikel 2.2.7. Per subonderdeel kunnen 1 tot 5 punten gescoord worden.
Voor zover het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, vastgesteld door een aanvraag hoger te rangschikken naarmate meer punten zijn toegekend voor het eerste lid, onderdeel a van artikel 2.2.8. Als de projecten hierbij ook gelijk gerangschikt worden dan vindt loting plaats, zoals bepaald in artikel 28, tweede lid van het Kaderbesluit.
Op grond van artikel 9 moet een subsidieaanvraag vergezeld gaan van de gegevens van de aanvrager(s). Omdat het ook mogelijk is om als samenwerkingsverband een aanvraag in te dienen, moet in dat geval de aanvraag aanvullend de gegevens van de penvoerder bevatten. De uitdraai van de statuten en de SBI-code zijn nodig, zodat RVO kan nagaan of er sprake is van een onderzoeksinstelling op grond van de Europese steunkaders. Daarnaast moet er een onderzoeksplan en begroting worden ingediend in een door de minister beschikbaar gesteld formulier met hierin de geplande activiteiten en een beschrijving van hoe deze activiteiten bijdragen aan de doelstellingen van het programma Kas als Energiebron en de onderbouwing van de kosten. Ingevolge artikel 37 van het Kaderbesluit dient de subsidieontvanger de activiteiten uit te voeren overeenkomstig het onderzoeksplan.
Voor een goede beoordeling van de onderzoeksvoorstellen is de appreciatie van de ondernemersgroep van Glastuinbouw Nederland van essentieel belang omdat de ondernemersgroep bij uitstek weet wat er speelt in de sector, aan welke kennis er behoefte is om verder te verduurzamen en welke mogelijkheden de sector heeft om met de resultaten van het onderzoek aan de slag te gaan. De appreciatie van de ondernemersgroep zal dus ook in moeten gaan op deze aspecten. De appreciatie van de ondernemersgroep wordt bij de beoordeling en rangschikking van de projecten gebruikt doordat het relevante informatie kan bevatten over het project en de mate waarin het project voldoet aan de criteria in artikel 2.2.8. De appreciatie van de ondernemersgroep is aldus geen advies over het wel of niet toekennen van subsidie. De ondernemersgroep bestaat uit vertegenwoordigers van verschillende gewasgroepen en wordt door Glastuinbouw Nederland gefaciliteerd.
Artikel 39 van het Kaderbesluit bepaalt dat indien de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan twaalf maanden in beslag neemt, bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting wordt opgelegd tot indiening van één of meer rapportages, maar ten hoogste één rapportage per jaar. Het tussenrapport en eindrapport moet de behaalde (deel)resultaten van het project bevatten, de activiteiten die zijn uitgevoerd om te doen aan kennisdeling en de artikelen die zijn gepubliceerd. Het eindrapport dient een voor een breed tuinbouwpubliek begrijpelijke samenvatting en een internetsamenvatting te bevatten. De internetsamenvatting beslaat maximaal 300 woorden en wordt gebruikt voor de publicatie op de site van Kas als Energiebron. Op deze site wordt ook het volledige eindrapport gepubliceerd.
Verder zijn er een aantal andere verplichtingen opgenomen, namelijk dat op grond van artikel 38, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw de resultaten en tussenresultaten op een openbaar toegankelijk platform worden gepubliceerd voor ten minste vijf jaar na de einddatum van het gesteunde project of vanaf het moment dat de resultaten voor het eerst gedeeld kunnen worden.
Ook moeten de voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten openbaar toegankelijk zijn. De uitingen omtrent het gesubsidieerde onderzoek en de resultaten moeten vermelden dat er sprake is van een gesubsidieerd onderzoek door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in het kader van het programma Kas als Energiebron en de bijbehorende logo’s.
Naast de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 2.2.1, gelden de verplichtingen uit hoofdstuk 11, paragraaf 1 van het Besluit. In artikel 41 is bijvoorbeeld ook genoemd dat de subsidieontvanger gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking verleent aan een evaluatie van de doeltreffendheid en effecten van de subsidie.
In artikel 50, tweede lid, van het Kaderbesluit is opgenomen welke bescheiden gepaard dienen te gaan bij een aanvraag tot subsidievaststelling, namelijk een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten oftewel het eindrapport, een mededeling van andere inkomsten, een controleverklaring van een accountant of een accountant administratieconsulent waaruit blijkt dat is voldaan aan artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht wanneer de subsidiabele kosten hoger zijn dan € 125.000,–. Aanvullend daarop dient een evaluatie en een factsheet te worden bijgevoegd. De formulieren waar dit op ingevuld moet worden stelt RVO beschikbaar op de website. Daarnaast dient er een opgave gedaan te worden van de werkelijk gemaakte kosten conform de begroting en het totale bedrag aan opbrengsten en eigen bijdrage.
De beschikking tot subsidievaststelling wordt verstrekt binnen de in artikel 52 van het Kaderbesluit genoemde termijn.
Voor de subsidie zullen voorschotten worden verstrekt conform artikel 46, eerste tot en met vierde, zevende en tiende lid van het Kaderbesluit. Hierin is bepaald dat het eerste voorschot ambtshalve wordt verstrekt binnen twee weken na aanvang van de activiteiten, en dat de volgende voorschotten worden verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten. Als datum van de aanvang van de activiteiten geldt de dag na de verzending van de beschikking tot subsidieverlening of, als deze later is, de datum die in het plan is opgenomen als start van de activiteiten. Het voorschot bedraagt 90% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt. De berekening van de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag wordt berekend door de in het plan berekende subsidie voor de gehele subsidieperiode te vermenigvuldigen met het subsidiepercentage en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode. Het geheel van voorschotten bedraagt niet meer dan het voorschotpercentage maal de maximale hoogte van de subsidie.
In paragraaf 5 van het Algemene deel van deze toelichting is de rechtvaardiging van de staatssteun die deze subsidie bevat nader toegelicht.
Aan de subsidieregeling worden twee bijlagen toegevoegd, namelijk bijlage 2.2.1 behorende bij artikel 2.2.7, onderdeel f en i en bijlage 2.2.2 behorende bij artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c. De toelichting op de bijlagen is te vinden in de bijlage en in de genoemde artikelen 2.2.7 en 2.2.8.
In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt.
Deze subsidiemodule wordt opengesteld van 4 mei 2026 tot en met 11 mei 2026. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 4.000.000.
Deze regeling treedt in werking met ingang 1 april 2026, een vast verandermoment. Met publicatie net geen twee maanden voordien wordt afgeweken van het beleid inzake vaste veranderomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzing voor de regelgeving. Dit is gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingreding. Deze subsidiemodule vervangt namelijk de huidige praktijk waarin Glastuinbouw Nederland en het Ministerie van LVVN twee à drie keer per jaar oproepen tot indienen van onderzoeksvoorstellen voor het programma Kas als Energiebron. De laatste openstelling was in september 2025. De sector is erbij gebaat, vooral vanwege de verschillende teeltseizoenen, dat er geen lange periode tussen de verschillende openstellingen zit. De teelt van veel gewassen is afhankelijk van de seizoenen en kan dus niet doorlopend gedaan worden. Voorbereidingen voor onderzoek in een winterteelt moeten vaak al in de zomer beginnen. Als dat vanwege niet aansluitende openstellingsdata niet mogelijk is, dan zal het onderzoek pas een jaar later uitgevoerd kunnen worden. Daardoor is het van belang dat de openstellingen zoveel mogelijk aansluiten bij de praktijk in de sector.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Arrest van het Hof van Justitie van 13 oktober 2022 in gevoegde zaken C-164/21 (Baltijas Starptautiskā Akadēmija’ SIA) en C-318/21 (Stockholm School of Economics in Riga’ SIA).
Arrest van het Hof van Justitie van 13 oktober 2022 in gevoegde zaken C-164/21 (Baltijas Starptautiskā Akadēmija’ SIA) en C-318/21 (Stockholm School of Economics in Riga’ SIA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-3755.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.