Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15802, houdende regels ter stimulering van het uitvoeren van projecten in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (Regeling stimulering projecten PAGW) [KetenID WGK027450]

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 7.22d, tweede en derde lid, van de Waterwet, de artikelen 2, 3, eerste lid, aanhef en onderdeel g, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M, en de artikelen 2, derde lid en 4, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M juncto artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet;

BESLUIT:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

grote wateren:

rijkswateren als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

PAGW:

Programmatische aanpak grote wateren;

project:

project in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

Minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

P85-waarde:

de waarde bij een kostenraming waarbij de kans 85% is dat de werkelijke kosten van een fase van het project op of binnen die waarde vallen;

planuitwerkingsfase:

fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief voor een project wordt uitgewerkt;

realisatiefase:

fase volgend op de planuitwerkingsfase, waarin het project wordt uitgevoerd;

fase na realisatie:

fase van maximaal tien jaar volgend op de realisatiefase, waarin monitoring, evaluatie, beheer en onderhoud van het project plaatsvindt;

rijksbijdrage:

een specifieke uitkering of een subsidie op grond van deze regeling;

Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018:

ramingssystematiek die is vastgelegd in CROW-publicatie nr. D3049;

T0-rapportage:

vaststelling van de fysieke en ecologische uitgangssituatie voorafgaand aan de start van de realisatiefase van het project;

verkenningsfase:

fase waarin mogelijke ontwerpen van het project worden afgewogen om te komen tot een voorkeursalternatief.

Artikel 2 Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 6, eerste, vierde en zesde lid, 11, 12, aanhef en onderdelen b, c, e, en i, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c, e en f, en tweede lid, 18, 21 en 23, eerste lid van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een rijksbijdrage die op grond van deze regeling wordt verleend.

Artikel 3 Doel

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren en faciliteren van de uitvoering van projecten als genoemd in de bijlage bij deze regeling met als oogmerk om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren en de natuur in of bij de grote wateren te versterken.

Artikel 4 Kosten die in aanmerking komen voor een rijksbijdrage en hoogte van de rijksbijdrage

  • 1. De minister kan, gelet op het doel in artikel 3, op aanvraag van een provincie, gemeente of waterschap een rijksbijdrage verlenen voor een project.

  • 2. In de verkenningsfase en de planuitwerkingsfase van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de aan deze fase toe te rekenen kosten:

    • a. van het verrichten van onderzoek;

    • b. van het opstellen van mogelijke ontwerpen van het project;

    • c. van het verkrijgen van de in deze fase benodigde vergunningen en publiekrechtelijke toestemmingen;

    • d. van verwerving van een onroerende zaak of een beperkt recht op een onroerende zaak of het sluiten van een overeenkomst ter zake van het gebruik van een onroerende zaak;

    • e. voortvloeiend uit een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project, anders dan de kosten, bedoeld in onderdeel d;

    • f. van nadeelcompensatie;

    • g. van een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

    • h. van monitoring en evaluatie; en

    • i. van andere kostenposten dan die bedoeld in de onderdelen a tot en met h, indien de kosten in redelijkheid zijn aan te merken als verkenningskosten of planuitwerkingskosten.

  • 3. In de realisatiefase van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de in deze fase aan het project toe te rekenen kosten:

    • a. van verwerving van een onroerende zaak of een beperkt recht op een onroerende zaak of het sluiten van een overeenkomst ter zake van het gebruik van een onroerende zaak;

    • b. van het verkrijgen van de in deze fase benodigde vergunningen en publiekrechtelijke toestemmingen;

    • c. voortvloeiend uit een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project, anders dan de kosten, bedoeld in onderdeel a;

    • d. van technische- en realisatiewerkzaamheden, voor zover deze geen deel uitmaken van de kosten voortvloeiende uit een overeenkomst als bedoeld in onderdeel c;

    • e. van nadeelcompensatie;

    • f. van een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

    • g. van monitoring en evaluatie; en

    • h. van andere kostenposten dan die bedoeld in de onderdelen a tot en met g, indien de kosten in redelijkheid zijn aan te merken als realisatiekosten.

  • 4. In de fase na realisatie van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de in deze fase aan het project toe te rekenen kosten van monitoring, evaluatie, beheer en onderhoud.

  • 5. Onverminderd het tweede tot en met vierde lid, komen in een fase als bedoeld in die leden voor een rijksbijdrage in aanmerking maximaal 50% van de aan die fase toe te rekenen kosten van personeel van de eigen organisatie, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het betreft kosten ter uitvoering van projectmanagement, projectbeheersing, omgevingsmanagement, technisch management of contractmanagement.

    • b. de kosten bedragen maximaal 15% van het totaal aan kosten dat voor een fase als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid voor een rijksbijdrage in aanmerking komt.

  • 6. De raming van de kosten, bedoeld in het tweede en vierde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018, op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische raming of op basis van de P85-waarde van een probabilistische raming.

  • 7. De raming van de kosten, bedoeld in het derde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de P85-waarde van een probabilistische raming.

  • 8. De rijksbijdrage voor een project bedraagt maximaal het in de bijlage aangegeven bedrag voor dat project.

Artikel 5 Kosten die niet in aanmerking komen voor een rijksbijdrage

Op grond van deze regeling wordt geen rijksbijdrage voor een project verleend voor:

  • a. kosten van een aanvraag voor een rijksbijdrage;

  • b. aan het project toe te rekenen kosten waarvoor reeds een rijksbijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend;

  • c. omzetbelasting voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds;

  • d. kosten die zijn gemaakt vóór de datum van bekendmaking van de selectie van het project als PAGW-project.

Artikel 6 Rijksbijdrageplafond

Het rijksbijdrageplafond bedraagt in totaal € 149,8 miljoen, inclusief compensabele BTW.

Artikel 7 Aanvraag verlenen rijksbijdrage

  • 1. Een aanvraag voor een rijksbijdrage wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 2. Een aanvraag van een rijksbijdrage heeft betrekking op een fase van een project, bedoeld in het derde tot en met zesde lid.

  • 3. De aanvraag voor een rijksbijdrage voor de verkenningsfase van een project gaat vergezeld van:

    • a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°. een omschrijving van de aard, omvang en urgentie van het project;

      • 2°. een beschrijving op hoofdlijnen van de aanpak van de verkenning, waaronder de afweging van alternatieven en het besluitvormingsproces;

      • 3°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;

      • 4°. een planning van de verkenning;

      • 5°. een omschrijving van de belanghebbende partijen, hun betrokkenheid en een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie, indien die beschikbaar is;

      • 6°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risico’s, een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s; en

      • 7°. een omschrijving van de resultaten waartoe de verkenningsfase moet leiden;

    • b. een raming van de kosten die in de verkenningsfase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage, overeenkomstig artikel 4, zesde lid;

    • c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en

    • d. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op grond van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

  • 4. De aanvraag voor een rijksbijdrage voor de planuitwerkingsfase van een project gaat vergezeld van:

    • a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°. een beschrijving van de in kaart gebrachte en afgewogen alternatieven;

      • 2°. de beslissing waarin het voorkeursalternatief is vastgelegd;

      • 3°. een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief;

      • 4°. een beschrijving of er naast PAGW-doelen ook andere doelen of kansen in het voorkeursalternatief worden meegenomen;

      • 5°. een beschrijving van de verwachte effecten en het verwachte doelbereik van het voorkeursalternatief;

      • 6°. Een raming van de kosten van het voorkeursalternatief;

      • 7°. het milieueffectrapport, indien in de verkenningsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;

      • 8°. een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt;

      • 9°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;

      • 10°. een planning van de nadere uitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief;

      • 11°. een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie, indien die beschikbaar is;

      • 12°. een raming van de kosten van een monitoringsplan en een T0-rapportage;

      • 13°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risico’s, een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s; en

      • 14°. een omschrijving van de resultaten waartoe de planuitwerkingsfase moet leiden;

    • b. een raming van de kosten die in de planuitwerkingsfase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage, overeenkomstig artikel 4, zesde lid;

    • c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en

    • d. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op basis van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

  • 5. De aanvraag van een rijksbijdrage voor de realisatiefase van een project gaat vergezeld van:

    • a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°. een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;

      • 2°. de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;

      • 3°. een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief wordt gerealiseerd en van de resultaten van de realisatiefase;

      • 4°. een beschrijving of er naast PAGW-doelen ook andere doelen of kansen in de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief worden meegenomen;

      • 5°. een beschrijving van de verwachte effecten en het verwachte doelbereik van de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;

      • 6°. het milieueffectrapport, indien in de planuitwerkingsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;

      • 7°. de planning van de realisatie van het voorkeursalternatief;

      • 8°. de T0-rapportage;

      • 9°. de planning van de monitoring in de realisatiefase;

      • 10°. de planning van de monitoring en evaluatie in de fase na realisatie;

      • 11°. een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de realisatiefase en de fase na realisatie, indien die beschikbaar is;

      • 12°. het besluit van het bevoegde bestuursorgaan tot de realisatie van het project, waaruit blijkt dat de kosten voor realisatie en de kosten voor het beheer en onderhoud zijn gereserveerd in zijn meerjarige begroting;

      • 13°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en

      • 14°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risico’s, een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

    • b. een raming van de kosten die in de realisatiefase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage overeenkomstig artikel 4, zevende lid;

    • c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;

    • d. een raming van de kosten in de fase na realisatie, overeenkomstig artikel 4, zevende lid; en

    • e. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op basis van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

  • 6. De aanvraag voor een rijksbijdrage in de fase na realisatie van een project gaat vergezeld van:

    • a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°. een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de realisatiefase;

      • 2°. vermelding van wanneer het project is gerealiseerd;

      • 3°. een beschrijving van de wijze waarop de fase na realisatie wordt ingevuld;

      • 4°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;

      • 5°. een planning van de fase na realisatie van het project;

      • 6°. een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de fase na realisatie, indien die beschikbaar is;

      • 7°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risico’s, een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s; en

      • 8°. een omschrijving van de resultaten waartoe de fase na realisatie moet leiden;

    • b. een raming van de kosten die in de fase na realisatie in aanmerking komen voor een rijksbijdrage overeenkomstig artikel 4, zevende lid;

    • c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en

    • d. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op basis van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

  • 7. In afwijking van het derde tot en met zesde lid, kan de minister op de aanvraag voor een rijksbijdrage beslissen dat er voldoende informatie is om de rijksbijdrage te verlenen.

Artikel 8 Verlenen rijksbijdrage

Een beschikking tot verlening vermeldt in elk geval:

  • a. de fase of fasen van het project waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;

  • b. het bedrag van de rijksbijdrage;

  • c. de wijze waarop het bedrag van de rijksbijdrage is bepaald;

  • d. de periode waarin het project wordt uitgevoerd;

  • e. een omschrijving van de resultaten waartoe de betreffende fase leidt; en

  • f. indien het een provincie of gemeente betreft, het bedrag aan compensabele omzetbelasting dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds.

Artikel 9 Voorschotverlening

  • 1. De minister verleent een voorschot van 80% binnen zes weken na de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase of realisatiefase.

  • 2. De minister verleent een voorschot van 100% binnen zes weken na de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de fase na realisatie.

Artikel 10 Verplichtingen van de ontvanger

  • 1. De minister kan bij de beschikking tot verlening de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van de beschikking tot verlening te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verleend.

  • 2. De ontvanger meldt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7, zo snel mogelijk maar uiterlijk op 15 februari dan wel op 15 augustus van het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit, doelbereik of voortgang van het project en gevolgen kan hebben voor de hoogte van de rijksbijdrage.

  • 3. De ontvanger van een rijksbijdrage maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.

  • 4. Bij een melding als bedoeld in het derde lid, verstrekt de ontvanger een inhoudelijk eindverslag over de in die fase behaalde resultaten.

  • 5. Op verzoek van de minister verstrekt de aanvrager jaarlijks voor 1 juli informatie over de voortgang van het project over het voorgaande kalenderjaar.

  • 6. Een ontvanger werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk als bedoeld in artikel 14.

Artikel 11 Financiële verantwoording

  • 1. Provincies en gemeenten leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

  • 2. Waterschappen leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage overeenkomstig het bij de beschikking tot verlening gevoegde controleprotocol.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, kan de minister bij de beschikking tot verlening voor een waterschap een andere wijze van het afleggen van verantwoording over de besteding van de rijksbijdrage opleggen.

Artikel 12 Vaststelling en terugvordering

  • 1. De minister stelt de rijksbijdrage vast, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording, bedoeld in artikel 11, heeft plaatsgevonden.

  • 2. De minister kan een onverschuldigd betaalde rijksbijdrage terugvorderen.

Artikel 13 Hardheidsclausule

  • 1. De minister kan bij het vaststellen van de rijksbijdrage afwijken van artikel 4, zesde en zevende lid, voor zover toepassing daarvan, gelet op doel of strekking van deze bepalingen, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2. De minister kan bij het vaststellen van de rijksbijdrage afwijken van een of meer bepalingen van deze regeling, voor zover toepassing daarvan, gelet op schriftelijke afspraken van de minister met de ontvanger die dateren van voor de inwerkingtreding van de regeling, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 14 Evaluatie

De minister publiceert uiterlijk op 1 maart 2031 en daarna ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15 Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2026.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2060, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op rijksbijdragen die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering projecten PAGW.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman

BIJLAGE BEDOELD IN ARTIKEL 4, ACHTSTE LID, VAN DE REGELING STIMULERING PROJECTEN PAGW

Project

Rijksbijdrage (in mln. €), inclusief compensabele BTW

Oostvaardersoevers – deelproject De Blocq van Kuffeler

2,7

Wieringerhoek – deelproject Noordkop

5,0

Wieringerhoek – deelproject Klimaatbuffer

15,0

Friese IJsselmeerkust

23,0

Vismigratierivier Kornwerderzand

7,9

Noord-Hollandse Markermeerkust

17,5

Koehool – Lauwersmeer: meekoppeling met dijkversterking (1DYK)

20,0

Eemszijlen

18,0

Vergroten laag-dynamisch riviermilieu als onderdeel van HWBP-project Meanderende Maas

8,1

IJsselvechtdelta – deelproject ontwikkelen Binnendelta Zwarte Meer/Ketelmeer

5,0

Toekomstbestendig/Versterking Lauwersmeergebied

8,9

Natuurinclusieve dijkversterking Moerdijk-Drimmelen (meekoppeling HWBP)

2,5

Getijdenmaas bij Lith-Bokhoven (meekoppeling HWBP)

12,5

Ecologische inrichting vooroevers IJsselmeerdijken (meekoppeling HWBP)

3,7

TOELICHTING

Algemeen deel

1 Inleiding

De onderhavige regeling bevat bepalingen inzake de verlening van rijksbijdragen aan decentrale overheden voor projecten die zijn opgenomen in de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).

De regeling bepaalt aan welke criteria de projecten moeten voldoen om voor een rijksbijdrage in aanmerking te komen, onder welke voorwaarden een rijksbijdrage wordt verleend en hoe de hoogte van de rijksbijdrage wordt vastgesteld. Daarnaast bevat de regeling een aantal procedurele bepalingen.

2. Achtergrond

De PAGW is een investeringsprogramma van de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).1 In dit programma werken de ministeries samen met decentrale overheden. De inzet van dit programma is om structurerende systeemingrepen in de grote wateren te doen die leiden tot verbetering van de ecologische waterkwaliteit en robuuste natuur. Het programma loopt tot en met 2050. Voor de uitvoering van de PAGW hebben de Ministers van IenW en LVVN langjarig budget gereserveerd in het Deltafonds en op de LVVN-begroting.

In het merendeel van de projecten ligt de uitvoering bij rijksuitvoeringspartijen, namelijk bij Rijkswaterstaat, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Staatsbosbeheer (SBB). De verstrekking van de voor die projecten gereserveerde middelen aan rijksuitvoeringspartijen loopt via opdrachten of een bijdrage.

Voor een klein deel van de projecten geldt dat uitvoering bij decentrale overheden ligt. Geconstateerd is dat tot op heden veelal ad hoc is gekeken hoe de rijksbijdrage beschikbaar moet komen. Dit vergt veel capaciteit en leidt ertoe dat de geldverstrekking op verschillende wijzen plaatsvindt. Het wordt wenselijk geacht om dit proces meer te reguleren en beter navolgbaar te maken en daarin voorziet deze regeling.

3. Hoofdlijnen van de regeling

3.1 Doel van de regeling

Het doel van de regeling is het stimuleren en faciliteren van de uitvoering van de projecten in de bijlage bij deze regeling met als oogmerk om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren en de natuur in of bij de grote wateren te versterken. Concreet gaat het om PAGW-projecten waarbij de uitvoering bij decentrale overheden ligt.

3.2 Rijksbijdrage voor projecten

De onderhavige regeling maakt het mogelijk rijksbijdragen te verlenen aan door de ministeries geselecteerde PAGW-projecten. Om in aanmerking te komen voor een rijksbijdrage moet het gaan om een project waarvoor door de ministeries middelen zijn gereserveerd.

De selectie van projecten voor de PAGW loopt via tranches. Voorafgaand aan de selectie van projecten van een tranche worden onder andere de maakbaarheid, haalbaarheid en het ecologische doelbereik van projecten getoetst. Vervolgens beslist de Minister van IenW (minister) en de Staatssecretaris van LVVN welke projecten in de PAGW worden opgenomen en hoeveel middelen daarvoor worden gereserveerd (de brutorijksbijdrage). De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de besluitvorming.

Het Rijksbudget voor deze PAGW-projecten staat op artikel 7.02 van het Deltafonds. De voorgestelde regeling is van toepassing op bepaalde projecten uit de bestaande tranches.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een deel van het budget voor een PAGW-project bestemd kan zijn voor het dekken van ‘rijkskosten’. Het betreft:

  • kosten die Rijkswaterstaat, RVO en SBB in opdracht van IenW en LVVN maken voor de uitvoering van bepaalde PAGW-projecten (apparaatskosten/interne kosten);

  • kosten voor de kennisagenda PAGW. Deze kennisagenda van Rijkswaterstaat is programma-overstijgend en levert kennis op waar het programma als geheel (inclusief de projecten onder deze regeling) baat bij hebben. Het bedrag dat wordt ingehouden voor de kennisagenda wordt bepaald aan de hand van de hoogte van de reservering voor het project.

  • In de bijlage is per project het maximumbedrag opgenomen dat aan de decentrale overheden kan worden verleend. Dit is de gereserveerde brutorijksbijdrage minus de ‘rijkskosten’, op peildatum 1 juli 2025.

De voorgestelde regeling vormt niet het juiste instrument om financiële middelen aan deze rijksuitvoeringspartijen te verstrekken ten behoeve van uitvoering van het PAGW. Die verstrekking vindt dan ook op andere wijze plaats. Bij het bepalen van de maximale rijksbijdrage per project als bedoeld in artikel 4, achtste lid, is hiermee rekening gehouden door de bedragen die bestemd zijn voor de rijksuitvoeringspartijen in mindering te brengen op de rijksbijdrage waarvoor de ontvanger op grond van deze regeling in aanmerking komt.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het maximumbedrag in de bijlage een hoger bedrag kan zijn dan wat er nog aan rijksbijdrage per project beschikbaar is op het moment van inwerkingtreding van deze regeling. Dat is bijvoorbeeld het geval als de minister vooruitlopend op deze regeling al een rijksbijdrage voor dat project heeft verstrekt.

Tot slot wordt opgemerkt dat, zoals vermeld, de Staatssecretaris van LVVN jaarlijks financieel bijdraagt aan de uitvoering van het PAGW, bijvoorbeeld door opdrachten aan RVO en SBB te verstrekken voor de uitvoering van PAGW-projecten. Dit valt buiten de reikwijdte van deze regeling.

3.3 Aanvrager

Bij de voorbereiding van het voorstel is onderzocht wat de meest passende wijze is om de rijksbijdragen aan de PAGW-projecten te verlenen.

Geconstateerd is dat de uitvoering van een groot aantal van deze projecten geheel of gedeeltelijk bij rijksuitvoeringspartijen ligt. Een regeling zoals deze vormt niet het juiste instrument om financiële middelen aan deze partijen te verlenen.

Verder geldt dat bij veel van de projecten één of meer decentrale overheden betrokken zijn bij de uitvoering. Daarnaast kunnen ook stichtingen, verenigingen, grondeigenaren of andersoortige partijen bij de uitvoering betrokken zijn. Het staat niet bij voorbaat vast welke partijen in welke samenstelling een project zullen uitvoeren en hoe het werk onderling verdeeld wordt.

Dit maakt dat het niet voor de hand ligt om een regeling te maken waarbij iedere betrokken partij zelf een aanvraag kan indienen. Dat zou namelijk betekenen dat de minister per partij per project moet onderzoeken of de verlening van de rijksbijdrage aan te merken is als staatssteun en of dit geoorloofd is. Dit vergt veel werk en tijd, terwijl het van belang is dat de uitvoering van projecten niet onnodig vertraging oploopt.

Daarom is ervoor gekozen om de groep van aanvragers te beperken tot decentrale overheden, specifiek de provincie, gemeente en waterschap waar het project plaatsvindt en/of effect heeft en die betrokken is bij de uitvoering. Die decentrale overheid kan met die bijdrage vervolgens andere partijen inschakelen voor het project, in de gevallen waarin dat aan de orde is. Het is dan aan die provincie, gemeente of waterschap om te toetsen of de nadere verdeling van die gelden in overeenstemming is met de relevante (staatssteun)regelgeving.

Omdat de financiële bijdrage voor gemeenten en provincies een specifieke uitkering is en voor waterschappen een subsidie, is er voor de overkoepelende term rijksbijdrage gekozen.

3.4 Specifieke uitkering

In het regeerprogramma is opgenomen dat het streven is om het aantal specifieke uitkeringen verder terug te dringen om de autonomie van decentrale overheden te vergroten en administratieve lasten te verminderen.

Het doel van deze regeling is om de uitvoering van projecten die deel uitmaken van het PAGW te stimuleren en faciliteren. De middelen hiervoor worden verleend uit het Deltafonds. Deze middelen zijn geoormerkt en kunnen dus slechts worden besteed aan de doelen die zijn opgenomen in artikel 7.22a Waterwet, zoals de verbetering van de ecologische kwaliteit van watersystemen. Voor provincies en gemeenten is een specifieke uitkering is het geëigende instrument om te borgen dat de middelen aan dit doel worden besteed. Er is geen ander instrument waarmee dit kan worden geborgd; de wettelijke bestedingsbeperking die van toepassing is op het Deltafonds is onverenigbaar met zowel de algemene uitkering als de decentralisatie uitkering.

Op 4 april 2025 is in de ministerraad besloten dat in het kader van het PAGW specifieke uitkeringen toegekend kunnen worden. In deze regeling is dan ook ervoor gekozen om gebruik te maken van dit instrument.

3.5 Systematiek

De uitvoering van PAGW vindt plaats tot 2050, via verschillende tranches. Ervaringen uit eerdere tranches worden geëvalueerd en de resultaten hieruit worden gebruikt om het programma daar waar nodig is bij te sturen.

Nadat budget is gereserveerd voor een PAGW-project en het project in bijlage bij de regeling is opgenomen, kan de minister een rijksbijdrage verlenen voor dit project. Gedurende de looptijd van deze regeling zullen in samenspraak met het Ministerie van LVVN nieuwe projecten aan deze regeling worden toegevoegd.

Elk project wordt uitgevoerd in fases. In het kader van deze regeling worden vier fases onderscheiden: verkenning, planuitwerking, realisatie en fase na realisatie. Voor elke fase van het project moet een separate aanvraag worden ingediend. Dit betekent niet dat de aanvrager moet wachten met het indienen van een aanvraag voor een rijksbijdrage voor een opvolgende fase tot het moment dat de daaraan voorafgaande fase is afgerond.

Uiteraard geldt wel dat de minister alleen kan beslissen op een volledige aanvraag. Als niet aan alle indieningseisen voor een aanvraag voor de opvolgende fase is voldaan, bijvoorbeeld omdat bepaalde informatie nog onvoldoende beschikbaar is, zal de minister in de regel geen rijksbijdrage kunnen verlenen voor de aan die (opvolgende) fase toe te rekenen kosten. Dit is slechts anders als de minister in een uitzonderingsgeval van oordeel is dat er voldoende informatie is, ondanks dat niet of niet volledig aan alle indieningseisen is voldaan. In dat geval is de minister op grond van artikel 7, zevende lid, van deze regeling bevoegd om de rijksbijdrage alsnog te verlenen. De minister zal echter zeer terughoudend omgaan met deze bevoegdheid.

3.6 Financiële verantwoording via Single Information/Single Audit (SiSa) methode

De bijdragen die krachtens deze regeling aan provincies en gemeenten kunnen worden verleend, zijn specifieke uitkeringen in de zin van artikel 15a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet. Dit brengt met zich mee dat de financiële verantwoording over de besteding moet plaatsvinden conform artikel 17a van die wet, via de SiSa-methode.

De SiSa-methode wordt voorgeschreven in de Regeling informatieverstrekking SiSa. Die houdt in dat ontvangers van middelen uit een specifieke uitkering jaarlijks informatie over de bestede middelen van het voorgaande jaar dienen te sturen aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Waterschappen kunnen geen specifieke uitkering aanvragen. Zij kunnen wel een aanvraag om subsidie indienen. Met het oog op uniformiteit bij de verantwoording is in artikel 11, tweede lid, van deze regeling bepaald dat de financiële verantwoording door waterschappen over de besteding van deze subsidie plaatsvindt overeenkomstig het bij de beschikking tot verlening gevoegde controleprotocol. In artikel 11, derde lid, is hierop een uitzondering opgenomen. Inhoudelijk zal die verantwoording vergelijkbaar zijn met de verantwoording die provincies en gemeenten moeten doen.

3.7 Grondslagen van de regeling en toepasselijke wetgeving

Artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) bepaalt dat specifieke uitkeringen, behoudens uitzonderingen, worden geregeld bij of krachtens de wet.

Krachtens de artikelen 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M zijn in de onderhavige regeling regels opgenomen over de activiteiten waarvoor een rijksbijdrage kan worden verleend, de daarbij geldende criteria en voorwaarden, de bepaling van de hoogte van het bedrag en de verplichtingen van de ontvanger.

Daarnaast zijn krachtens de artikelen 2 en 3 van het Kaderbesluit subsidies I en M in de onderhavige regeling regels opgenomen over onder meer het doel van de rijksbijdrage, de kosten die voor een rijksbijdrage in aanmerking komen, de afwijzingsgronden, de beslistermijn, bevoorschotting en de vaststelling van de rijksbijdrage.

Naast de Financiële-verhoudingswet, de Kaderwet subsidies I en M en het Kaderbesluit subsidies I en M is op de regeling titel 4.2 (Subsidies) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Titel 4.2 van de Awb bevat onder andere bepalingen over subsidieverlening en -vaststelling, de omstandigheden en voorwaarden waaronder intrekking of wijziging mogelijk is en over betaling en terugvordering.

3.8 Verhouding tot bestuurlijke overeenkomsten

Binnen het PAGW is de praktijk dat de minister en de decentrale overheid die een project uitvoeren, een overeenkomst sluiten over de uitvoering van dat project en de wijze waarop deze partijen daarbij willen samenwerken. Deze overeenkomsten kunnen afspraken bevatten over onder andere de organisatie en planning van het project, de communicatie en de verdeling van de kosten.

Met deze regeling wordt niet beoogd verandering te brengen in deze praktijk of afbreuk te doen aan overeenkomsten die dateren van vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Bij de voorbereiding is onderzocht of de regels in deze regeling afwijken van afspraken in bestaande uitvoeringsovereenkomsten. Op basis van het onderzoek wordt aangenomen dat dit niet het geval is, maar dit kan ook niet worden uitgesloten. Als in een concreet geval blijkt dat de regeling en een bestaande afspraak van elkaar afwijken, dan is het van belang die afspraak aan te passen aan de regeling. De regeling is leidend. Mocht dit tot onoverkomelijke problemen leiden bij de uitvoering van dat project of financieel zeer nadelige gevolgen hebben, dan zal in overleg met de betrokken decentrale overheid worden afgestemd hoe hiermee wordt omgegaan en kan zo nodig de hardheidsclausule van artikel 13, tweede lid, van deze regeling worden toegepast.

4. Aanvraagprocedure rijksbijdrage

4.1 Verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase, fase na realisatie

Zorgvuldige besluitvorming over rijksbijdragen voor PAGW-projecten is belangrijk, omdat het gaat om meerjarige, veelal onomkeerbare en omvangrijke investeringen. Daarom is de besluitvorming over toekenning van rijksbijdragen opgedeeld in een aantal fasen: een verkenningsfase, een planuitwerkingsfase, een realisatiefase en een fase na realisatie.

Tijdens de verkenningsfase worden potentiële oplossingen in kaart gebracht. De kosten-batenanalyse (KBA), die de baten en kosten van alternatieven in kaart brengt, is in de verkenningsfase een belangrijk instrument om verschillende alternatieven af te wegen. De verkenningsfase mondt uit in een voorkeursalternatief. Tevens worden de financieringswijze en de juridische stappen onderbouwd. In de planuitwerkingsfase wordt het voorkeursalternatief nader uitgewerkt. Dit mondt uit in een projectbeslissing, die de realisatie van het project juridisch en financieel mogelijk moet maken. Daarna volgt de realisatiefase, waarin het project wordt uitgevoerd. In de fase na realisatie van het project vindt beheer en onderhoud van het project plaats. Daarnaast zal er in die fase monitoring en evaluatie van het project plaatsvinden. Uitgangspunt is dat de fase na realisatie tien jaar duurt; afhankelijk van het project kan de monitoring en evaluatie echter korter duren.

4.2 Aanvraag rijksbijdrage

Een aanvraag van een rijksbijdrage vindt plaats voor één fase van een project en kan jaarrond worden ingediend. Een aanvraag van een rijksbijdrage bevat een omschrijving van de activiteiten en vermeldt het bedrag waarvoor een rijksbijdrage wordt aangevraagd. Bij de aanvraag van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase is daarnaast een plan van aanpak benodigd, waarin onder andere de aard, omvang en urgentie van het project wordt omschreven.

Bij de aanvraag van een rijksbijdrage voor de planuitwerkingsfase en de realisatiefase moeten onder andere de resultaten van de vorige fase worden overgelegd.

Bovengenoemde gegevens zijn nodig om een aanvraag voor een rijksbijdrage zorgvuldig te kunnen beoordelen. Projecten van deze orde van grootte en complexiteit vragen een goede en zorgvuldige voorbereiding. Dit draagt bij aan een betere planning van projecten, een betere afstemming met de omgeving en een betere afweging van alternatieven en varianten en van te maken kosten. Voor het Rijk is van belang dat de inzet van middelen uit de begroting van het Deltafonds goed verantwoord kan worden en dat in het verlengde daarvan het parlement zijn budgetrecht kan uitoefenen.

4.3 Verlening rijksbijdrage

Uitgaande van de verstrekte gegevens neemt de minister overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M binnen een termijn van dertien weken een besluit over het al dan niet verlenen van een rijksbijdrage. Overeenkomstig artikel 14, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M kan deze termijn met dertien weken worden verlengd.

Een aanvraag van een rijksbijdrage is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit brengt met zich mee dat daarop behalve deze regeling ook afdeling 4.1.1 van die wet van toepassing is.

Op grond van artikel 4:5 van de Awb kan worden besloten de aanvraag om een rijksbijdrage niet te behandelen als de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling of in de Awb gestelde formele of procedurele vereisten voor het in behandeling nemen daarvan. Dergelijke vereisten zijn bijvoorbeeld te vinden in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb. De minister heeft die bevoegdheid ook als de verstrekte gegevens en vereisten onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking. De aanvrager dient echter wel eerst in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag binnen een door de minister gestelde termijn aan te vullen.

Indien de aanvrager wordt uitgenodigd tot het aanvullen van de aanvraag, wordt vanaf dat moment de beslistermijn opgeschort. De opschorting duurt tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken (artikel 4:15 van de Awb). De opschorting verlengt derhalve de termijn die de minister heeft voor het besluiten op de aanvraag.

Het bovenstaande geldt eveneens als de minister tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog besluit tot het laten aanvullen van de aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens ontbreken.

Uitgangspunt is dat een project waarvoor een verkenning wordt gestart ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het is echter mogelijk dat wordt besloten geen rijksbijdrage te verlenen voor een volgende fase indien bijvoorbeeld noodzaak of doelmatigheid van het project niet kan worden aangetoond.

In het verlengde hiervan vermeldt de beschikking tot verlening in elk geval ook een omschrijving van de resultaten waartoe de betreffende fase moet leiden. De minister kan de rijksbijdrage lager vaststellen als het project niet wordt gerealiseerd conform de aanvraag, bijvoorbeeld als een deel van het project niet doorgaat. indien één of meer van die resultaten niet wordt gehaald, bijvoorbeeld als na realisatie blijkt dat het project niet het doel bereikt heeft waarvoor de rijksbijdrage is verleend.

5. Kosten die in aanmerking komen voor een rijksbijdrage

5.1 Inleiding

Een project bestaat uit veel verschillende activiteiten en daarmee samenhangende kosten. De belangrijkste elementen uit de regeling die hieraan gerelateerd zijn, worden hierna beschreven. Het gaat om de kosten die in aanmerking komen voor een rijksbijdrage, de hoogte van de bijdrage, hoe om te gaan met uitvoeringsrisico’s en prijsveranderingen en de vereisten omtrent de ramingssystematiek.

5.2 Kosten die in aanmerking komen voor een rijksbijdrage

Per fase is in deze regeling bepaald welke kosten in aanmerking komen voor een rijksbijdrage. In de verkenningsfase en planuitwerkingsfase gaat het voornamelijk om studiekosten, zoals de kosten van aan derden uitbestede onderzoeken. In de realisatiefase gaat het om de kosten van uitvoering van het project. Belangrijke kostenposten zijn dan bijvoorbeeld kosten van aannemers en ingenieursbureaus.

5.3 Uitvoeringsrisico’s

Een rijksbijdrage wordt toegekend op basis van de geraamde voor een bijdrage in aanmerking komende kosten. Er vindt geen nacalculatie plaats. Dit betekent dat de uitvoeringsrisico’s van het project in beginsel zijn belegd bij de aanvrager. Dit vormt voor de aanvrager een belangrijke prikkel om deze risico’s adequaat te beheersen. Overigens kunnen de minister en aanvrager in de beschikking tot verlening nadere afspraken maken over onder meer de beheersing van risico’s.

Omdat een rijksbijdrage betrekking heeft op een groot en complex project en een vast bedrag betreft, is het voor de ontvanger en de verlener van de bijdrage van belang goed inzicht te hebben in risico’s van een project en de vertaling daarvan in reserveringen voor voorziene en onvoorziene risico’s in de kostenraming die op grond van artikel 4 van deze regeling, overeenkomstig de SSK-2018, moet worden gemaakt.

Onderdeel van de aanvraag voor de planuitwerkingsfase is een risicodossier dat dient ter onderbouwing van de raming van de reserveringen voor voorziene en onvoorziene risico’s. Hierbij is het uitgangspunt dat naar mate het te realiseren project groter en complexer is, het risicodossier beter onderbouwd dient te zijn. Het dossier geeft een adequate beschrijving van het risicoprofiel van het project in deze fase en licht toe hoe de beide reserveringen zijn opgebouwd. De onderkende risico’s worden vermeld met omvang, kans van optreden en potentiële gevolgen voor tijd, reikwijdte en geld. De belangrijkste risico’s worden nader beschreven en toegelicht. Voor de meeste projecten zal in deze fase een beschrijving van de tien grootste risico’s voldoende zijn.

Een aanvraag van een rijksbijdrage voor de realisatiefase bevat een beschrijving van het risicomanagement dat van toepassing is op de volledige looptijd van het project. Hierin worden bevoegdheden, verantwoordelijkheden en communicatielijnen vastgelegd voor de beheersing van risico’s en de besteding van de reserveringen.

De omvang van de reserveringen voor voorziene en onvoorziene risico’s in de realisatiefase van een project vraagt verder een coherent en volledig opgebouwd risicodossier dat dient ter onderbouwing van de raming van beide reserveringen. Ook hier geldt als uitgangspunt dat naar mate het te realiseren project groter en complexer is, het risicodossier beter onderbouwd dient te zijn. Het risicodossier heeft eenzelfde opbouw als in de fase van de planuitwerking, maar kent een verdere uitwerking en verdieping. In deze nadere uitwerking wordt voor de belangrijkste risico’s beschreven met welke maatregelen zij zo veel als mogelijk is, worden voorkomen en hoe zij bij optreden zo veel als mogelijk is, worden beheerst.

Tot slot moet ook bij de aanvraag van een rijksbijdrage voor de fase na realisatie een raming worden gemaakt van de kosten, inclusief een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s.

5.4 Indexering

Gedurende de looptijd van een project wordt het (taakstellende) budget voor dat project niet geïndexeerd, tenzij hierover in bestaande overeenkomsten tussen de minister en de aanvrager afwijkende afspraken over zijn gemaakt. In de kostenramingen moet wel rekening worden gehouden met inflatie. Hierbij moet de aanvrager gebruikmaken van de relevante cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek en het Centraal Planbureau.

5.5 Kostenraming volgens Standaardsystematiek Kostenramingen

Voor de kostenraming moet worden gebruikgemaakt van de Standaardsystematiek Kostenramingen 2018 (SSK-systematiek), CROW-publicatie nr. D3049; een ramingssystematiek voor het opstellen, vastleggen en delen van ramingen. De systematiek is een gezamenlijk product van overheden, nutsbedrijven en particuliere bedrijven die ramingen opstellen en gebruiken. In de SSK-systematiek is de opbouw van de raming en de wijze van omgaan met onzekerheden gestructureerd en geüniformeerd.

De SSK-systematiek onderscheidt twee ramingswijzen: de deterministische en de probabilistische ramingswijze. Een deterministische raming wordt bepaald op basis van de meest waarschijnlijke waarde van de hoeveelheid en de prijs per hoeveelheid. Risico’s en onzekerheden worden op basis van kennis en expertise geschat en in de raming opgenomen. Bij een probabilistische raming wordt de trefzekerheid van de raming berekend via een kansberekening. Probabilistisch ramen maakt het mogelijk onnauwkeurigheden en onzekerheden in hoeveelheden en prijs, maar ook risico's, zodanig te verwerken dat de kostenraming een onderbouwde (on)zekerheid heeft. Dit inzicht wordt bereikt met statistische kansberekening volgens de zogenaamde Monte Carlo-simulatie. Voor hoeveelheden, prijzen, risico’s en toeslagpercentages wordt de kansverdeling ingeschat. Er wordt een Monte Carlo-simulatie uitgevoerd (door meestal tienduizend keer doorrekenen van de raming op basis van de opgegeven variabelen voor de kansverdeling). Een probabilistische raming geeft meer informatie over de trefzekerheid van een raming dan een deterministische, maar vereist meer input en is dus arbeidsintensiever en duurder.

In het algemeen geldt hoe omvangrijker en complexer de werkzaamheden voor een project hoe verstandiger het wordt de kosten probabilistisch te ramen. Voor een aanvraag van een rijksbijdrage voor de realisatiefase wordt om die reden in artikel 4, zevende lid, van deze regeling een probabilistische raming van de in aanmerking komende kosten voorgeschreven.

Om de administratieve lasten te beperken mag de aanvrager bij een aanvraag van een rijksbijdrage ten behoeve van de verkenningsfase, planuitwerkingsfase en fase na realisatie ervoor kiezen om te volstaan met een deterministische raming (artikel 4, zesde lid).

Bij het bepalen van de hoogte van de rijksbijdrage op basis van een probabilistische raming wordt uitgegaan van de P85-waarde. Dit betekent dat er 85% kans is dat de werkelijke kosten van een fase van het project op of onder dit berekende bedrag zullen blijven. Op programmaniveau waarborgt dit dat het totaal van de verleende rijksbijdragen in beginsel gelijk is aan de werkelijke kosten of zo dicht mogelijk daarbij ligt en wordt de kans op kostenoverschrijdingen geminimaliseerd. Als de werkelijke kosten lager liggen dan de geraamde kosten waarop de rijksbijdrage is gebaseerd, wordt de te veel ontvangen rijksbijdrage teruggevorderd. Het kan ook zijn dat werkelijke kosten hoger liggen dan de geraamde kosten. In dat geval komt dat verschil ten laste van de ontvanger, tenzij sprake is van een situatie waarop de hardheidsclausule uit artikel 13, eerste lid, van toepassing is.

5.6 Monitoring en evaluatie

De kosten van monitoring en evaluatie in de verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie komen in beginsel in aanmerking voor een rijksbijdrage.

Monitoren en evalueren dragen bij aan het verkrijgen van inzicht in de effecten van getroffen maatregelen. Het levert niet alleen benodigde kennis op voor het project zelf, maar ook voor andere projecten en voor het programma PAGW als geheel. De door het programma vast te stellen monitoringsindicatoren zullen daarom deels projectspecifiek en deels generiek zijn.

Daarnaast leveren monitoring en evaluatie gegevens op die nodig zijn voor de verantwoording van de geïnvesteerde middelen. Door de effectiviteit van een maatregel te verhelderen, kan ook worden bepaald hoe de kosten hiervoor zich verhouden tot de baten en of dit in balans is.

Bij kosten van monitoring en evaluatie in de verkenningsfase gaat het met name om het op verzoek aanleveren van informatie aan de minister over de voortgang van het project. In de planuitwerkingsfase gaat het met name om het opstellen van het monitoringsplan en uitvoering van onderzoek naar de fysieke en ecologische uitgangssituatie (‘t0-rapportage’) ten behoeve van de projectevaluatie. In de realisatiefase gaat het om de uitvoering van monitoringsactiviteiten en het opstellen van een jaarlijkse voortgangsrapportage. Bij oplevering van de maatregel wordt een technische eindrapportage verwacht, inclusief datarapport. In de fase na realisatie gaat het met name om de uitvoering van monitoringsactiviteiten, het opstellen van een tussenevaluatie (‘midterm review’) en een eindevaluatie.

5.7 Hardheidsclausules

De regeling is gericht op de gangbare situatie waar nagenoeg alle projecten onder zullen vallen. Het is dan ook niet doelmatig om in de regeling te anticiperen op specifieke situaties waarbij de kans klein is dat ze zich voordoen en de context vooraf niet is in te schatten.

Er kunnen echter zich bijzondere situaties voordoen waarbij de werkelijke kosten sterk afwijken van de geraamde kosten waarop de rijksbijdrage is gebaseerd. Een voorbeeld hiervan is een geval waarin tijdens de uitvoering van een project een grote archeologische vindplaats wordt aangetroffen zonder dat dit was te voorzien. Een ander voorbeeld is significant gestegen loon- en prijsniveaus door externe oorzaken. Met het oog op dergelijke gevallen biedt artikel 13, eerste lid, van de onderhavige regeling onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om bij de vaststelling van de rijksbijdrage af te wijken van de kostenraming. Een belangrijke voorwaarde is dat vasthouden aan de raming voor de ontvanger zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verder moet er sprake zijn van een sluitende projectadministratie.

Daarnaast biedt artikel 13, tweede lid, de mogelijkheid om af te wijken van een of meer bepalingen, voor zover toepassing daarvan, gelet op schriftelijke afspraken van de minister met de ontvanger die dateren van vóór de inwerkingtreding van deze regeling, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Een voorbeeld hiervan is als in een bestaande overeenkomst met de minister afgesproken is dat de minister significant meer kosten vergoedt dan wat die decentrale overheid op basis van deze regeling zou ontvangen en toepassing van deze regeling daardoor financieel zeer nadelige gevolgen zou hebben voor die decentrale overheid.

Omdat deze hardheidsclausules bedoeld zijn voor onvoorziene gevallen is vooraf geen volledig overzicht te geven van welke bijzondere omstandigheden een beroep op deze bepalingen kunnen rechtvaardigen. Dit is mede afhankelijk van de oorzaak en omvang van de afwijking en de omvang van het project en financiële draagkracht van de ontvanger.

6. Regeldruk

Aangezien het gaat om rijksbijdragen aan decentrale verheden, brengt de regeling geen regeldruk voor burgers en bedrijven met zich mee. De regeling brengt wel regeldruk mee voor decentrale overheden, indien zij daarvan gebruik willen maken. Om in aanmerking te komen voor een rijksbijdrage moeten de decentrale overheden namelijk een aanvraag indienen.

Naar verwachting zal een aanvraag via deze regeling echter niet een verhoging betekenen van de regeldruk ten opzichte van hoe het proces nu verloopt. Dit aangezien het huidige proces – de aanvraag van specifieke uitkeringen of subsidies – vergelijkbare regeldruk met zich meebrengt voor de decentrale verheden.

Tevens worden de verantwoordingslasten voor provincies en gemeenten zoveel mogelijk beperkt door de verantwoording via SiSa te laten verlopen. Waterschappen moeten het bij de beschikking tot verlening gevoegde controleprotocol toepassen. Inhoudelijk zal die verantwoording vergelijkbaar zijn met de wijze waarop provincies en gemeenten de besteding van de rijksbijdrage financieel moeten verantwoorden. De verwachting is dan ook dat de regeldruk ongeveer gelijk zal blijven.

De regeling heeft naar haar aard geen of slechts zeer beperkte gevolgen voor de regeldruk. De regeling beperkt zich namelijk tot afspraken tussen overheden. Indirect kan deze regeling wel regeldrukgevolgen hebben; een provincie, gemeente of waterschap kan ervoor kiezen om de werkzaamheden voor het project deels uit te besteden aan bedrijven of professionals en de verplichtingen die uit deze regeling voortvloeien voor dat deel door te leggen aan die partijen. Onder het huidige proces is het voor decentrale overheden echter ook al mogelijk om het werk uit te besteden. Zoals hiervoor is aangegeven, is bovendien de verwachting dat de administratieve lasten ongeveer gelijk zullen blijven. Voor zover deze regeling al indirecte regeldrukgevolgen zou hebben, zullen deze dus slechts zeer beperkt zijn.

In mei 2025 is de regeling ter advisering aangeboden aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

7. Consultatie

De onderhavige regeling brengt geen significante verandering in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen en heeft ook geen grote gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Overeenkomstig het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie (Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224) is internetconsultatie daarom achterwege gebleven.

De ontwerpregeling is van 22 september tot en met 17 oktober 2025 voor consultatie voorgelegd aan de decentrale overheden die betrokken zijn bij de projecten die onder deze regeling vallen en de koepels van deze overheden.

Verschillende decentrale overheden en een drinkwaterbedrijf hebben gereageerd op de ontwerpregeling. De voornaamste opmerkingen en een reactie hierop zijn hieronder weergegeven.

Financiële dekking

Verschillende decentrale overheden hebben gevraagd te verduidelijken welke kosten op basis van de regeling voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. In dat kader is tevens verzocht om in de regeling toe te voegen dat ‘overige kosten’ die in redelijkheid zijn aan te merken als kosten voor een bepaalde fase ook vergoed kunnen worden onder deze regeling.

Naar aanleiding van deze opmerkingen zijn de regels over welke kosten voor een rijksbijdrage in aanmerking komen (artikelen 4 en 5) op een aantal plekken verduidelijkt. Daarnaast is bij de verkenning-, planuitwerking- en realisatiefase opgenomen dat ook ‘andere kostenposten’ die in redelijkheid zijn aan te merken als kosten in die fasen voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het verzoek.

Verhouding tot (bestaande) bestuurlijke overeenkomsten

Door meerdere decentrale overheden is de vraag gesteld hoe deze regeling zich verhoudt tot bestaande afspraken die de minister en de decentrale overheid gemaakt kunnen hebben over de uitvoering van het project.

Naar aanleiding van deze vragen is een paragraaf (punt 3.8) aan de toelichting toegevoegd waarin wordt ingegaan op die verhouding. Ook is zekerheidshalve een regel toegevoegd die het voor de minister mogelijk maakt om van deze regeling af te wijken als toepassing daarvan gelet op schriftelijke afspraken van de minister met de ontvanger die dateren van voor de inwerkingtreding van de regeling, voor de ontvanger onbillijke gevolgen heeft.

Flexibiliteit bij overgang fasen

In de consultatie is verzocht of meer flexibiliteit mogelijk is ten aanzien van de eisen die aan een aanvraag worden gesteld. Op basis van de indieningseisen is de vrees dat minister een rijksbijdrage voor een opvolgende fase alleen kan verlenen als de vorige fase volledig is afgerond. Dit zou tot vertraging bij projecten kunnen leiden.

Het doel van de indieningseisen is ervoor te zorgen dat de minister over genoeg informatie beschikt om de aanvraag voor de rijksbijdrage te kunnen beoordelen. Uitgangspunt is dan ook de minister geen rijksbijdrage zal verlenen als niet aan alle indieningseisen is voldaan. Anderzijds is het niet wenselijk dat toepassing van deze regeling tot onnodige vertraging bij projecten leidt. Daarom is ervoor gekozen om in artikel 7, zevende lid, een regel op te nemen die de minister de bevoegdheid geeft om een rijksbijdrage te verlenen, ondanks dat niet of niet volledig aan alle indieningseisen is voldaan. Deze regel is bedoeld voor uitzonderingsgevallen en onder de voorwaarde dat de minister in dat concrete geval van oordeel is dat er voldoende informatie is.

Verhouding tot andere stimuleringsregelingen IenW

De vraag is gesteld in hoeverre deze regeling aansluit op andere stimuleringsregelingen van het Ministerie van IenW en dan met name de subsidieregeling voor het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).

Beoogd is om met deze regeling nauw aan te sluiten bij de regels in soortgelijke stimuleringsregelingen van IenW, zoals die voor het HWBP. Dit betekent niet dat de regelingen overeen moeten komen. De onderwerp, doelen en reikwijdte van deze regelingen verschillen en die verschillen kunnen aanleiding geven om andere regels op te nemen, bijvoorbeeld om andere eisen te stellen aan de aanvraag of meer kosten te subsidiëren. Wel betekent dit dat bij de voorbereiding zorgvuldig is gekeken of en voor welke punten het passend is in deze regeling andere regels op te nemen.

Groep van aanvragers

Daarnaast is verzocht om het mogelijk te maken dat ook derden gebruik kunnen maken van de regeling, zoals drinkwaterbedrijven en natuurorganisaties. Dit verzoek is niet overgenomen. In punt 3.3 van het algemeen deel is uiteengezet waarom ervoor gekozen wordt om de groep van aanvragers te beperken tot decentrale overheden.

8 Evaluatie

In overeenstemming met artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht zal binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze regeling een verslag worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdragen in de praktijk.

9. Inwerkingtreding en looptijd

De regeling is ondertekend op 6 februari 2026 en treedt in werking op 1 maart 2026. Er wordt afgeweken van het beleid inzake vaste publicatiemomenten en verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding. Daarnaast dragen de projecten bij aan het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit en de natuur in de grote wateren. Met de uitvoering van de projecten is voortgang geboden.

Vanaf de inwerkingtreding kunnen gemeenten, provincies en waterschappen een aanvraag voor een rijksbijdrage indienen voor aan de projecten toe te rekenen kosten.

Op basis van artikel 4.10 Comptabiliteitswet moet een subsidieregeling een tijdstip bevatten waarop de regeling vervalt. De PAGW loopt tot 2050. Omdat in de fase van maximaal tien jaar na realisatie bepaalde kosten nog voor een rijksbijdrage in aanmerking komen, is ervoor gekozen om de regeling per 1 januari 2060 te laten vervallen. Niettemin zal de regeling daarna van toepassing blijven op rijksbijdragen die vóór 1 januari 2060 zijn aangevraagd.

Op grond van aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving moet de tijdelijkheid van de regeling in het opschrift en de citeertitel tot uitdrukking worden gebracht. Hiervan wordt afgeweken. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de looptijd van deze regeling zodanig lang is dat het niet logisch is om het woord ‘tijdelijk’ in het opschrift en de citeertitel op te nemen.

Artikelsgewijs deel

Artikel 2 Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M

Op grond van artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M worden artikelen van dat besluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige regeling voor het verlenen van rijksbijdragen aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Op deze manier kan het reguliere stramien voor de verlening van subsidies voor alle ontvangers worden aangehouden.

In dit artikel is geregeld welke artikelen van het Kaderbesluit van overeenkomstige toepassing zijn. Het betreft de artikelen met betrekking tot subsidiabele kosten (artikel 6, eerste, vierde en zesde lid), afwijzingsgronden (11 en 12), subsidieverstrekking (artikel 14, eerste en vierde lid), verplichtingen (artikelen 17, eerste lid, 18 en 21) en bevoorschotting (artikel 23, eerste lid).

Artikel 3 Doel

Met deze regeling beoogt het Rijk de uitvoering van projecten te stimuleren en faciliteren die deel uitmaken van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Doel van dit investeringsprogramma is het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit en de natuur in of bij de grote wateren. Met een financiële bijdrage faciliteert het Rijk de uitvoering van bepaalde projecten.

Artikel 4 Kosten die in aanmerking komen voor een rijksbijdrage en hoogte van de rijksbijdrage

In dit artikel worden de kosten omschreven die in de verkenningsfase (tweede lid), planuitwerkingsfase (tweede lid), realisatiefase (derde lid) en fase na realisatie (vierde lid) voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. Daarbij moet het gaan om kosten die zijn toe te rekenen aan het PAGW-project.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de verlening van een rijksbijdrage op basis van deze regeling voor bijvoorbeeld de verkenningsfase van een project niet betekent dat voor alle opvolgende fasen van dat project eveneens een rijksbijdrage zal worden verleend. Als in bijvoorbeeld de planuitwerkingsfase blijkt dat het project niet of onvoldoende bijdraagt aan de doelen van het PAGW, kan ervoor worden gekozen om geen rijksbijdrage meer op basis van deze regeling aan dit project te verlenen.

Tweede lid
Onderdelen a en b

Om te komen tot een voorkeursalternatief wordt in de verkenningsfase onderzoek verricht. Er worden verschillende potentiële ontwerpen in kaart gebracht (ook wel oplossingsrichtingen of alternatieven genoemd), de verwachte effecten worden beschreven, er kan bijvoorbeeld een kosten-batenanalyse (KBA) en een landschapsecologische systeemanalyse (LESA) worden gemaakt en in sommige gevallen dient een milieueffectrapport te worden opgesteld. Daarnaast wordt een ontwerp gemaakt van het beoogde project. De kosten van zowel het onderzoek als het opstellen van een ontwerp in de verkenningsfase komen op basis van het eerste lid in aanmerking voor een rijksbijdrage. In veel gevallen gaat het om kosten die gemaakt worden voor werkzaamheden van een externe partij, zoals een ingenieursbureau of een juridisch adviesbureau.

In de planuitwerkingsfase wordt het voorkeursalternatief nader uitgewerkt. Hiervoor moet onderzoek plaatsvinden. In de planuitwerkingsfase worden bijvoorbeeld de bevindingen van de verkenningsfase nader aangescherpt, de betrokkenheid van verschillende belanghebbenden in kaart gebracht en een gedetailleerde planning opgesteld. Daarnaast wordt het ontwerp van het project nader uitgewerkt. Doorgaans worden de werkzaamheden uitgevoerd door een externe partij, zoals een ingenieursbureau. Die kosten komen op grond van het tweede lid eveneens in aanmerking voor vergoeding.

Onderdeel c

Om een project te kunnen realiseren, kunnen diverse vergunningen en publiekrechtelijke toestemmingen nodig zijn. Onder de kosten die gemoeid zijn met de verkrijging van de vergunningen en toestemmingen, vallen ook de verschuldigde leges, externe kosten van coördinatie van de aanvraagprocedures en kosten van eventueel noodzakelijke juridische bijstand.

Onderdeel d

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de aankoopkosten van grond of een vergoeding voor de vestiging van een recht van opstal, maar ook om de kosten van taxatie, eventuele bemiddeling en advisering en notariële en kadastrale kosten.

Onderdeel e

Een overeenkomst als bedoeld in onderdeel e kan bijvoorbeeld betrekking hebben op advisering, ontwerpwerkzaamheden of omgevingsmanagement.

Onderdeel f

Het gaat hier om nadeelcompensatie, bijvoorbeeld ten behoeve van exploitanten van kabels en leidingen die vanwege een project verplaatst moeten worden. Bij het bepalen van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten wordt rekening gehouden met het juridisch regime dat op de kabels of leidingen van toepassing is (aanwezigheid op grond van een gedoogplicht, een vergunning of een andere basis) en met de resterende economische levensduur van de kabels of leidingen. Uitgangspunt hierbij zijn de afspraken of regels die bij de betreffende gemeente of provincie gelden voor dit type vergoedingen.

Onderdeel g

Het opnemen van een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s is een onderdeel van de SSK-raming voor de verkenningsfase en planuitwerkingsfase, die in artikel 4, zevende lid, is voorgeschreven.

Derde lid
Onderdeel c

Het betreft hier kosten die voortvloeien uit een overeenkomst over de realisatie van het project en die niet onder het derde lid, onderdeel a vallen.

Onderdeel d

Voor een project is het nodig een ontwerp te maken waarin alle noodzakelijke technische aspecten worden beschreven en vastgelegd. Met technische werkzaamheden (ook wel engineering genoemd) wordt bedoeld het geheel van onderzoek op het gebied van techniek en de daarmee verbonden organisatorische, milieutechnische, juridische en economische aspecten, dat hiervoor nodig is.

Als de kosten van engineering deel uitmaken van een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project of hiervoor een afzonderlijke overeenkomst wordt gesloten, dan is de basis voor vergoeding het derde lid, onderdeel c.

Als over de kosten van engineering een afzonderlijke overeenkomst wordt gesloten, dan is de basis voor vergoeding het derde lid, onderdeel d. Vindt de engineering plaats binnen de eigen organisatie van de aanvrager, dan komen de kosten daarvan, mits deze marktconform zijn, eveneens voor vergoeding in aanmerking op basis van het derde lid, onderdeel d.

Onder engineering vallen niet projectmanagement, contractmanagement, administratie en financieel toezicht. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking op basis van het vijfde lid.

Onderdeel f

De geraamde kosten van voorziene en onvoorziene risico’s komen eveneens in aanmerking voor een rijksbijdrage voor de realisatiefase. Voorziene risico’s in de realisatiefase zijn bijvoorbeeld dat bij de uitvoering van werkzaamheden bodemverontreiniging wordt aangetroffen of dat om vertraging in de uitvoering versnellingsmaatregelen nodig zijn.

Vierde lid

In de fase na realisatie moet het project beheerd en onderhouden worden. Deze kosten van beheer en onderhoud komen in aanmerking voor een rijksbijdrage. Voorbeelden zijn het maaien van bermen en dijken, het baggeren van watergangen en het snoeien en dunnen van opgaande beplanting.

In deze fase komen ook de monitorings- en evaluatiekosten voor een rijksbijdrage in aanmerking, zij het dat die activiteiten niet gebonden zijn aan een periode van tien jaar; monitoring en evaluatie kunnen ook korter duren. Dit zal van project tot project verschillen. Voorbeelden zijn de kosten voor het meten van de waterkwaliteit of voor het monitoren van de aanwezigheid van sleutelsoorten, zoals bepaalde vogels of vegetatie.

In het kader van de behandeling van de aanvraag zal de minister onder meer beoordelen of de duur en de kosten van monitoring en evaluatie voldoende onderbouwd zijn.

Vijfde lid

De kosten van personeel van de eigen organisatie van de aanvrager kunnen deels voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. Daarbij moet het gaan om apparaatskosten van de aanvrager die toe te rekenen zijn aan het PAGW-project. Dit zijn kosten in het kader van projectmanagement, projectbeheersing, omgevingsmanagement, technisch management en contractmanagement. Hieronder vallen ook kosten van adviseurs en experts die in dienst zijn van de aanvrager, zoals ecologen en juristen. Apparaatskosten die niet ten behoeve van het project worden gemaakt vallen hierbuiten, bijvoorbeeld kosten ter uitvoering van reguliere en wettelijke taken. Apparaatskosten van andere partijen dan de aanvrager vallen eveneens hierbuiten.

De aanvrager mag 15% van het totaal aan kosten dat voor de toepasselijke fase voor een rijksbijdrage in aanmerking komt als apparaatskosten opvoeren. Vervolgens kan de minister maximaal 50% van die apparaatskosten vergoeden. De reden om dit te maximeren is dat de aanvrager ook zelf baat heeft bij de uitvoering van het project.

Zesde, zevende en achtste lid

Voor de kostenraming moet worden aangesloten bij de SSK-systematiek. De SSK-systematiek onderscheidt twee ramingswijzen: de deterministische en de probabilistische.

De ramingswijzen zijn beschreven in punt 5.5 van het algemeen deel.

Het achtste lid bepaalt dat de rijksbijdrage voor een project maximaal het in bijlage aangegeven bedrag voor dat project bedraagt.

Artikel 5 Kosten die niet in aanmerking komen voor een rijksbijdrage

In dit artikel worden de kosten die niet in aanmerking komen voor een rijksbijdrage opgesomd.

Onderdeel b

Onderdeel b strekt ertoe kosten waarvoor al eerder een rijksbijdrage op basis van deze regeling is verleend of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend, uit te sluiten van vergoeding. Het doel van deze regel is voorkomen dat de minister dezelfde kosten meermaals vergoedt.

Onderdeel c

Als door een gemeente of provincie betaalde omzetbelasting in aanmerking komt voor compensatie uit het BTW-compensatiefonds, komen deze kosten niet in aanmerking voor een rijksbijdrage maar dient de minister deze compensabele omzetbelasting bij verstrekking van de rijksbijdrage over te boeken naar het BTW-compensatiefonds. Dit doet de minister op basis van een bij de aanvraag meegestuurde onderbouwing van de compensabele omzetbelasting.

Omzetbelasting die geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds wordt wel gerekend tot de kosten waarvoor een rijksbijdrage kan worden verleend.

Onderdeel d

Bij subsidieregelingen is het gebruikelijk dat de kosten die vóór indiening van de aanvraag zijn gemaakt niet voor subsidie in aanmerking komen. Dit vanuit de gedachte dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben en dat effect niet aanwezig is als al vóór de aanvraag met het project is gestart.

In dit geval is het echter gerechtvaardigd dat ook eerder gemaakte kosten voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. Het gaat dan om kosten die zijn gemaakt na de datum van bekendmaking van de selectie van het project als PAGW-project maar vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Vanaf die datum is het project (mede) een PAGW-project en zijn die kosten in redelijkheid aan te merken als kosten gemaakt ter uitvoering van het PAGW-project.

De projecten in de bijlage bij deze regeling zijn projecten uit de tweede en derde tranche van het PAGW. Bij brief van 8 juli 2019 aan de Tweede Kamer is bekendgemaakt welke projecten deel uitmaken van de tweede tranche.2 Dit betekent dat de kosten die vóór die datum zijn gemaakt voor een project uit de tweede tranche, niet voor een rijksbijdrage in aanmerking komen. Voor de derde tranche is de selectie van projecten bekendgemaakt op 20 december 2022.3 Dat wil zeggen dat de kosten de kosten die vóór die datum zijn gemaakt voor een project uit de derde tranche, niet voor een rijksbijdrage in aanmerking komen.

Artikel 6 Rijksbijdrageplafond

Artikel 4, tweede lid, van de Kaderwet subsidies I en M schrijft voor dat in een op die wet gebaseerde regeling moet worden voorzien in de vaststelling van een uitkeringsplafond en de wijze van verdeling hiervan.

In punt 3.2 van het algemeen deel is ingegaan op het bedrag dat per project beschikbaar is gesteld. In artikel 6 van deze regeling is daarbij aangesloten. Het rijksbijdrageplafond bestaat uit een opstelsom van de maximale rijksbijdragen, zoals die in de bijlage per project zijn opgenomen. Deze bedragen zijn inclusief de compensabele BTW-component.

Artikel 7 Aanvraag verlenen rijksbijdrage

Eerste lid

Een aanvraag voor een rijksbijdrage wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. In dit formulier is aangegeven naar welk adres de aanvraag verstuurd moet worden.

Derde tot en met zesde lid

In het derde tot en met zesde lid worden de gegevens en bescheiden vermeld die bij de aanvraag van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase respectievelijk fase na realisatie van een project moeten worden overgelegd. Het gaat daarbij om informatie waarover de aanvrager de beschikking heeft of kan krijgen en waarmee hij zijn aanvraag voor een rijksbijdrage onderbouwt. De Minister heeft deze informatie nodig om te kunnen beoordelen of de kosten waarvoor een rijksbijdrage wordt gevraagd daarvoor in aanmerking komen en of deze kosten op juiste wijze zijn geraamd.

Derde lid
Onderdeel a

De voorwaarden die in onderdeel a worden gesteld aan de inhoud van het plan van aanpak dat moet worden overgelegd bij de aanvraag, hangen nauw samen met de (project)systematiek en de aard van de activiteiten die in de verkenningsfase plaatsvinden. Zie hiervoor de punten 3.5, 4.1, 4.2 en 5.2 van deze toelichting.

Voor de minister is het noodzakelijk te kunnen vaststellen dat er maatschappelijk, financieel, politiek en bestuurlijk draagvlak is voor het project. Dat voorkomt dat in een later stadium nieuwe alternatieven onderzocht dienen te worden of dat een deel van het onderzoek opnieuw gedaan moet worden. Om die reden is in onderdeel a, onder 5°, bepaald dat het plan van aanpak een omschrijving dient te bevatten van de belanghebbenden bij het project van hun betrokkenheid. Belanghebbenden zijn bijvoorbeeld andere overheden, omwonenden en belangenorganisaties. Door hen te raadplegen en met hen in gesprek te gaan over alternatieven kan worden vastgesteld of het vereiste draagvlak bestaat.

Onderdelen b en c

In onderdeel b wordt een raming gevraagd van de kosten die in de verkenningsfase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage. Deze kostenraming is nodig voor een besluit over de hoogte van de te verlenen rijksbijdrage; de rijksbijdrage kan niet hoger zijn dan die kosten.

In onderdeel c wordt gevraagd wat de hoogte is van de rijksbijdrage die wordt aangevraagd.

Vierde lid
Onderdeel a

Onder 1°

Bij grote en complexe projecten worden in een verkenning meerdere alternatieven afgewogen. Deze alternatieven dienen de verschillende maatschappelijke belangen te weerspiegelen; dat wil zeggen dat zij tezamen het speelveld afdekken en genoeg in opzet en reikwijdte verschillen om een goede afweging te kunnen maken. Zo zal de minister vragen om een doelmatig alternatief of een alternatief met acceptabele effecten op de eigen netwerken (zoals het hoofdvaarweggennet en het hoofdwatersysteem), zullen omwonenden om een oplossing met de minste leefbaarheidsissues vragen en andere belanghebbenden om een alternatief dat hun belang in kaart brengt.

Onder 2°

Bij het onder 2° bedoelde voorkeursalternatief gaat het om het uit de verkenningsfase voortgekomen, beoogde project. Dit voorkeursalternatief wordt in de planuitwerkingsfase nader uitgewerkt.

Het kan voorkomen dat een PAGW-project deel uitmaakt van een groter project waarbij verschillende opgaven integraal worden aangepakt. In dat geval is niet vereist dat de aanvrager het voorkeursalternatief voor het integrale project bij de aanvraag voegt; het aanleveren van het voorkeursalternatief voor het PAGW-deel is dan voldoende.

Onder 3°

De aanvrager geeft een overzicht van de stappen in het besluitvormingsproces, welke belanghebbende partijen bij elke stap betrokken zijn geweest en hoe de inbreng van deze partijen is afgewogen.

Onder 6°

De aanvrager levert een raming van de kosten van het voorkeursalternatief aan. Deze raming mag globaal zijn; een gedetailleerde SSK-raming is niet vereist.

Onder 7°

Voorafgaand aan de besluitvorming over een PAGW-project dient vaak een milieueffectrapportage plaats te vinden en een milieueffectrapport (mer) te worden opgesteld. Ook onverplicht kan een mer gemaakt worden. Indien in de verkenningsfase een mer heeft plaatsgevonden, moet het milieueffectrapport dat in dat kader is opgesteld inclusief alle bijlagen, worden overgelegd bij de aanvraag van een rijksbijdrage voor de planuitwerkingsfase. De kosten van een mer in de verkenningsfase, komen op basis van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, in aanmerking voor vergoeding via een rijksbijdrage voor die fase.

Vijfde lid
Onderdelen b en d

Bij de aanvraag voor de realisatiefase moet de aanvrager een raming aanleveren van de kosten in de realisatiefase. Onderdeel daarvan is een raming van de kosten van het monitoringsplan in die fase.

Ook moet de aanvrager een raming aanleveren van de kosten in de fase na realisatie. Onderdeel daarvan is een raming van de kosten van het monitorings- en evaluatieplan in die fase. Dit plan moet onder meer een midterm review halverwege de periode van monitoring en evaluatie bevatten en een eindevaluatie aan het eind van die periode. Als gezegd, kan deze periode korter dan tien jaar duren. In dat geval zullen de midterm review en eindevaluatie ook eerder plaatsvinden.

Zesde lid
Onderdeel b

Bij de aanvraag voor de fase na realisatie moet de aanvrager een raming aanleveren van de kosten in de fase na realisatie. Onderdeel daarvan is een geactualiseerde raming van de kosten van het monitorings- en evaluatieplan in deze fase.

Zevende lid

Voor een toelichting op dit lid wordt verwezen naar punt 3.4 van het algemeen deel.

Artikel 8 Verlenen rijksbijdrage

Dit artikel vermeldt de elementen die een besluit tot verlenen van een rijksbijdrage in elk geval moet bevatten. Het gaat om de fase van het project waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, het bedrag van de rijksbijdrage, de wijze waarop het bedrag van de rijksbijdrage is bepaald, de periode waarin het project wordt uitgevoerd, een omschrijving van het te bereiken resultaat en het bedrag aan compensabele omzetbelasting dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds.

Artikel 9 Voorschotverlening

Eerste lid

De minister verleent een voorschot van 80% bij de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase of realisatiefase. Dit voorschot wordt betaald binnen zes weken na de beschikking. Na vaststelling van de rijksbijdrage zal de resterende 20% worden betaald indien aan de verplichtingen is voldaan.

Tweede lid

De minister verleent een voorschot van 100% bij de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de fase na realisatie. Dit voorschot wordt betaald binnen zes weken na de beschikking. De reden om 100% te bevoorschotten, is dat de kosten in deze fase een relatief gering deel van het totale projectbudget betreffen.

Artikel 10 Verplichtingen van de ontvanger

Eerste lid

Om te voorkomen dat er te veel tijd verloopt tussen het moment van verlenen van de rijksbijdrage en de start van de activiteiten, kan in het besluit tot verlening de verplichting worden opgenomen om binnen twaalf maanden tot uitvoering over te gaan.

Tweede lid

Het kan zijn dat er sprake is van wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden die ten grondslag hebben gelegen aan de verlening van een rijksbijdrage. Als die wijziging van invloed is op bijvoorbeeld de reikwijdte of de kosten van het project en gevolgen kan hebben voor de hoogte van de rijksbijdrage is de ontvanger van de rijksbijdrage verplicht dit uiterlijk op 15 februari dan wel op 15 augustus van het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden aan de minister te melden. Voor de wijziging is instemming van de minister vereist.

De reden hiervoor is dat een wijziging van de hoogte van de rijksbijdrage consequenties kan hebben voor de aan de minister voor enig jaar toegewezen begrotingsmiddelen. Het rijksbegrotingsproces kent vaste momenten waarop een aanpassing van benodigde middelen kan worden aangevraagd. Om de minister in staat te stellen een dergelijk wijzigingsverzoek tijdig in te dienen dient de ontvanger dit tijdig te melden en aan te geven wat daarvan de mogelijke implicaties zijn.

Derde lid

De ontvanger van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase of fase na realisatie moet binnen zes maanden na de afronding van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verleend, hiervan melding maken. Deze meldingen zijn voor de minister nodig om de rijksbijdrage op basis van artikel 12 te kunnen vaststellen en om op de hoogte te blijven van de voortgang van een project.

Vierde lid

Om aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verleend hebben plaatsgevonden en de ontvanger heeft voldaan aan de daaraan verbonden verplichtingen, moet de ontvanger bij de melding een inhoudelijk eindverslag overleggen van de in de betrokken fase van het project behaalde resultaten. Als de rijksbijdrage de realisatiefase betreft, omvat dit verslag ook een verklaring dat het project is uitgevoerd en voldoet aan de overeengekomen functionaliteit zoals beschreven in de aanvraag tot verlening van de rijksbijdrage, een verklaring dat het project is gerealiseerd en een tot het project herleidbare urenregistratie per fase. Bij deze opgave hoeft geen accountantsverklaring te worden overgelegd, omdat het geen financiële verantwoording betreft. Die vindt plaats overeenkomstig artikel 11.

Vijfde lid

Op verzoek van de minister is de ontvanger verplicht om jaarlijks voor 1 juli gegevens aan te leveren over de voortgang van het project over het voorgaande kalenderjaar. Daarbij gaat het informatie over de algemene voortgang van het project, de actuele planning, de financiële voortgang en het actuele risicodossier.

Zesde lid

Artikel 4:24 van de Awb verplicht om een regeling als de onderhavige periodiek te evalueren. In het algemene deel van deze toelichting is aangekondigd dat deze evaluatie binnen vijf jaren zal plaatsvinden. De evaluatie zal eerder plaatsvinden indien voor die tijd voldoende praktijkervaring is opgedaan. Ontvangers van een rijksbijdrage op basis van deze regeling zijn verplicht hieraan mee te werken, bijvoorbeeld door het leveren van gegevens of bescheiden of het geven van inlichtingen. Dit geldt ook voor een derde die van een ontvanger middelen verkrijgt die afkomstig zijn uit een rijksbijdrage.

Artikel 11 Financiële verantwoording

Eerste en tweede lid

Voor een toelichting op het eerste en tweede lid wordt verwezen naar punt 3.6 van het algemeen deel.

Derde lid

Dit lid voorziet in een uitzondering op het tweede lid en houdt in dat de minister bij de beschikking tot verlening vastlegt dat het waterschap niet overeenkomstig een controleprotocol maar op andere wijze financiële verantwoording aflegt indien dat nodig is om de verantwoording zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de wijze van verantwoorden door provincies of gemeenten.

Artikel 12 Vaststelling en terugvordering

Om de rijksbijdrage te kunnen vaststellen, moet de ontvanger bij de minister de melding, bedoeld in artikel 10, derde lid, hebben gedaan. Tevens dient hij overeenkomstig artikel 11 een financiële eindverantwoording te hebben afgelegd. Wanneer aan deze beide voorwaarden is voldaan, stelt de minister de rijksbijdrage vast op (uiterlijk) 31 december van het jaar waarin de laatste eindverantwoording heeft plaatsgevonden.

Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat de minister de vaststelling van de rijksbijdrage op grond van artikel 4:49 Awb kan intrekken of wijzigen ten nadele van de ontvanger en op grond van artikel 4:57 Awb een onverschuldigd betaalde rijksbijdrage kan terugvorderen.

Artikel 13 Hardheidsclausule

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar punten 3.8 en 5.7 van het algemeen deel.

Artikel 14 Evaluatie

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar punt 8 van het algemeen deel.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar punt 9 van het algemeen deel.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman


X Noot
1

Kamerstukken 2021/22, 27 625, nr. 565.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 27 625, nr. 476.

X Noot
3

Kamerstukken II 2022/23, 27 625, nr. 595.


X Noot
1

Kamerstukken 2021/22, 27 625, nr. 565.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 27 625, nr. 476.

X Noot
3

Kamerstukken II 2022/23, 27 625, nr. 595.

Naar boven