Statutenwijziging Stichting Skal

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

  • 1. In deze statuten wordt verstaan onder:

    – adviesraad:

    de adviesraad van de stichting met de taken zoals nader uitgewerkt in deze statuten;

    – Besluit:

    het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;

    – bestuur:

    het bestuur van de stichting;

    – bestuurder:

    ieder lid van het bestuur;

    – bestuursreglement:

    het door het bestuur van de stichting vastgestelde Reglement voor bestuur en directeur Stichting Skal;

    – directeur:

    de statutair bestuurder van de stichting met de titel 'directeur' en met de bevoegdheden als nader omschreven in deze statuten;

    – Biohuis:

    de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Biohuis, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 54847044;

    – biologische productiemethode:

    de productiemethode zoals bedoeld in artikel 3 onder 1 van de Verordening, met de doelstellingen en beginselen als bedoeld in artikel 4 en 5 van de Verordening;

    – BioNederland:

    de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: BioNederland Vereniging Biologische Producenten en Handel – Handelsen Verwerkingsbedrijven in Biologische Producten, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 40483026;

    – Biowinkelvereniging:

    de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Biowinkelvereniging, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 56137990;

    – certificaten:

    de certificaten zoals bedoeld in de Verordening;

    – exploitant:

    de natuurlijk persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 3 onder 13 van de Verordening, die onderworpen is aan het controlesysteem als bedoeld in hoofdstuk VI van de Verordening die is gevestigd en kantoorhoudend dan wel woonachtig is in Nederland en/of die zijn activiteit(en) in Nederland verricht;

    – keurmerken:

    alle bewijsstukken, keurmerken of andere documenten;

    – Kaderwet ZBO:

    de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

    – minister:

    de minister als bedoeld in de Wet;

    – OCR:

    Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van vijftien maart tweeduizend zeventien betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen en tot wijziging van enkele Warenwetbesluiten (Warenwetbesluit uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten);

    – plaatsvervangend directeur:

    een overeenkomstig artikel 13 door de directeur te benoemen plaatsvervangend directeur;

    – regeling:

    de Landbouwkwaliteitsregeling;

    – schriftelijk:

    bij brief, telefax of email of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen, mits de identiteit van de verzender met afdoende zekerheid kan worden vastgesteld;

    – Skal-Reglement voor Certificatie en Toezicht:

    een reglement als bedoeld in artikel 10 van de Wet;

    – statuten:

    de statuten van de stichting zoals deze thans of in de toekomst zullen luiden;

    – stichting:

    de stichting waarop de onderhavige statuten zien, te weten: Stichting Skal;

    – tarieven:

    de bij een exploitant in rekening gebrachte tarieven als bedoeld in artikel 11 van de Wet;

    – Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet:

    het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet;

    – Verordening:

    de Verordening (EU) Nr. 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van dertig mei tweeduizend achttien inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007;

    – Wet:

    de Landbouwkwaliteitswet.

  • 2. Verwijzingen naar artikelen verwijzen naar artikelen van deze statuten, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk blijkt.

  • 3. Verwijzingen naar verordeningen, wetten, regelingen of besluiten verwijzen naar de verordeningen, wetten, regelingen of besluiten zoals deze thans of in de toekomst zullen luiden, daaronder begrepen nieuwe verordeningen, wetten, regelingen of besluiten die de thans geldende verordeningen, wetten, regelingen of besluiten intrekken en in de plaats treden van degene die thans gelden.

NAAM EN ZETEL

Artikel 2

  • 1. De stichting draagt de naam: Stichting Skal Biocontrole.

  • 2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Zwolle.

DOEL

Artikel 3

  • 1. Het doel van de stichting is door middel van informeren, certificeren en het uitoefenen van toezicht, importcontroles en handhaving de goede aanduiding van producten afkomstig van de biologische productiemethode te bewaken.

  • 2. De stichting heeft niet het oogmerk winst te behalen. De stichting streeft ernaar dat de inkomsten de kosten voor het uitvoeren van de wettelijke taken dekken. Indien er een positief resultaat wordt behaald zal dit gebruikt worden om mogelijke te korten in de toekomst te kunnen dekken.

  • 3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 37 van de Kaderwet ZBO voert de stichting (primair) publieke taken uit.

  • 4. De middelen van de stichting bestaan uit:

    • – het stichtingskapitaal;

    • – de bijdragen;

    • – de gelden, welke de rijksoverheid of andere instellingen aan de stichting ter bevordering van haar doel ter beschikking stellen;

    • – legaten en erfstellingen;

    • – aan de stichting verleende kredieten;

    • – alle andere wettige baten;

    • – andere inkomsten uit door de stichting uitgevoerde activiteiten.

DOEL BEREIKEN

Artikel 4

  • 1. De stichting tracht haar doel te verwezenlijken door:

    • a. het uitvoeren van de taken die bij of krachtens de Wet of de Wet dieren aan de stichting zijn opgedragen;

    • b. het uitvoeren van de aan de stichting overige toegewezen taken;

    • c. het uitvoeren van taken en werkzaamheden en het nemen van acties en maatregelen die onlosmakelijk verbonden zijn met de onder a en b genoemde taken;

    • d. het contractueel overeenkomen en uitvoeren van werkzaamheden ten dienste van haar doel;

    • e. en al hetgeen in de ruimste zin met het onder a tot en met d genoemde verband houdt, waaronder (maar niet uitsluitend);

      • – het tegengaan van onrechtmatig gebruik van aan de biologische productiemethode gerelateerde aanduidingen, merken, tekenen, bewijsstukken en/of certificaten en/of de naam van de stichting;

      • – het (doen) verrichten van onderzoek;

      • – overleg met en/of het geven van voorlichting aan exploitanten en (vertegenwoordigers van) de sector, consumenten- en/of belangenorganisaties, (bevoegde en controlerende) autoriteiten in andere Lidstaten en instanties van de EU;

      • – het ontwikkelen van en het deelnemen aan initiatieven en activiteiten ten dienste van haar doel en het gebruik maken van alle wettige en gepaste middelen die voor het bereiken van het doel van de stichting dienstbaar kunnen zijn.

  • 2. Onder de wettelijke taken en werkzaamheden worden tevens verstaan alle werkzaamheden die voortvloeien uit en direct samenhangen met de in het eerste lid bedoelde taken die gerelateerd zijn aan de biologische productiemethode, een publiek belang dienen en voor zover de Wet en andere relevante wet- en regelgeving zich daar niet tegen verzet.

  • 3. De stichting kan, onverlet latende (haar verantwoordelijkheden samenhangend met) de taken die bij of krachtens de Wet aan de stichting zijn opgedragen contracten aangaan teneinde publieke werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3 lid 1 ten behoeve van derden te verrichten dan wel door derden te laten verrichten, voor zover de Wet en andere relevante wet- en regelgeving zich daar niet tegen verzet en de minister daarmee waar nodig heeft ingestemd.

HET SKAL-REGLEMENT VOOR CERTIFICATIE EN TOEZICHT

Artikel 5

  • 1. De stichting heeft een reglement dat door het bestuur wordt vastgesteld, en waarin de procedures en voorwaarden voor registratie bij de stichting als bedoeld in de Verordening zijn opgenomen en waarin de in artikel 10 van de Wet bedoelde wijze van keuring, uitreiken van bewijsstukken, merken en tekenen en controles worden geregeld.

  • 2. Dit reglement draagt de naam 'Skal-Reglement voor Certificatie en Toezicht'.

  • 3. Dit reglement en wijzigingen daarin behoeven de goedkeuring van de minister.

BESTUUR, SAMENSTELLING, BENOEMING EN ONTSLAG

Artikel 6

  • 1. Het bestuur van de stichting bestaat uit minimaal vijf (5) natuurlijke personen. Het bestuur is samengesteld uit uitvoerende bestuurders en niet uitvoerende bestuurders, waarbij de meerderheid van de bestuurders uit niet-uitvoerende bestuurders bestaat.

    Een uitvoerend bestuurder heeft de titel directeur.

  • 2. De uitvoerende bestuurders zijn belast met de voorbereiding en uitoefening van de bestuursbesluiten en alle taken en bevoegdheden die niet aan de niet uitvoerende bestuurders zijn opgedragen. De uitvoerende bestuurders zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken en leggen aan de niet uitvoerende bestuurders verantwoording af over de algemene en dagelijkse gang van zaken binnen de stichting en de met haar verbonden organisatie.

    De niet-uitvoerende bestuurders fungeren als interne toezichthouders, waarbij in toezicht, advies en werkgeverschap ten aanzien van de uitvoerende bestuurders wordt voorzien.

  • 3. Met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden en het bepaalde in de Kaderwet ZBO en artikel 12, eerste lid, van de Wet, is het bestuur bevoegd tot benoeming van bestuurders. Bij de benoeming wordt vermeld of een bestuurder wordt benoemd tot uitvoerende bestuurder of tot niet uitvoerende bestuurder.

    Het bestuur kan bestuurders te allen tijde schorsen en ontslaan, waarbij een besluit tot benoeming van de voorzitter de goedkeuring van de minister behoeft.

  • 4. Het bestuur stelt een profielschets voor zijn samenstelling vast, rekening houdend met de aard van de stichting, haar activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van de leden van het bestuur. Bestuurders mogen niet direct dan wel indirect betrokken zijn bij of belangen hebben in de productie of verhandeling van de in artikel 3 lid 1 bedoelde producten noch anderszins – anders dan als bestuurder – een direct of indirect belang hebben bij (de organisatie van) de stichting.

  • 5. Met inachtneming van hetgeen is opgenomen in de in lid 4 bedoelde profielschets, wordt één niet-uitvoerende bestuurder benoemd op gezamenlijke niet-bindende voordracht van Biohuis, BioNederland en Biowinkelvereniging. Deze bestuurder functioneert zonder last of ruggespraak met de voordragende organisaties. Het bestuur deelt de instanties die op basis van het hiervoor bepaalde een voordracht recht hebben tijdig mee wanneer een vacature in het bestuur is of zal ontstaan ten aanzien waarvan de betreffende instanties een recht van voordracht hebben.

    Het bestuur deelt daarbij mee welke competenties voor die vacature vereist en/of gewenst zijn in het licht van de samenstelling van het bestuur op dat moment en de in lid 4 bedoelde profielschets. Binnen een redelijke termijn, doch uiterlijk binnen zestig (60) dagen na deze mededeling maken de betreffende instanties voor de te vervullen plaats een gezamenlijke voordracht op rekening houdend met de door het bestuur meegedeelde competenties voor de betreffende vacature.

    Indien een voordracht wordt gedaan, zal het bestuur deze voordracht betrekken bij zijn besluitvorming, doch het bestuur is te allen tijde bevoegd een andere persoon tot bestuurder te benoemen.

  • 6. Elke bestuurder treedt uiterlijk vier (4) jaar na zijn benoeming af, volgens een door het bestuur op te maken rooster van aftreden. Dit rooster wordt zo ingericht, dat zoveel mogelijk ieder jaar een vierde deel van het aantal bestuurders aftreedt. Een aftredende bestuurder is terstond herbenoembaar doch maximaal eenmaal. Een bestuurder die op voordracht van Biohuis, BioNederland en Biowinkelvereniging is benoemd, zal slechts worden herbenoemd na (niet bindend) advies van deze instanties.

    Wie in een tussentijdse vacature wordt benoemd als bestuurder, wordt benoemd voor een periode van vier (4) jaar, en is eenmaal herbenoembaar.

  • 7. Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter. Slechts een niet uitvoerend bestuurder kan de functie van voorzitter vervullen.

    Verder kiest het bestuur uit zijn midden een vice-voorzitter. Hij vervangt de voorzitter bij diens belet of ontstentenis. Ook de functie van vice-voorzitter kan slechts worden vervuld door een niet uitvoerend bestuurder.

    Ook kiest het bestuur uit zijn midden een secretaris en een penningmeester.

    De functies van secretaris en penningmeester kunnen ook door één persoon worden vervuld. Ook de functie van secretaris en de functie van penningmeester kan slechts worden vervuld door een niet uitvoerend bestuurder.

  • 8. Mocht(en) in het bestuur om welke reden dan ook één of meer bestuurders ontbreken, dan vormen de overblijvende bestuurders, of vormt de enige overblijvende bestuurder niettemin een wettig bestuur.

  • 9. Met inachtneming van het bestuursreglement kan het bestuur aan een of meer bestuurders een bezoldiging voor zijn/hun werkzaamheden toekennen.

    Bestuurders hebben met inachtneming van het hetgeen daarover in het bestuursreglement is vastgelegd in ieder geval recht op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie in redelijkheid gemaakte kosten.

    De bezoldiging moet voldoen aan de eisen van de Wet normering topinkomens.

  • 10. Onverminderd het bepaalde in dit artikel zal de werkwijze van het bestuur, waaronder de directeur, nader worden uitgewerkt in het bestuursreglement.

  • 11. Het bestuur draagt ervoor zorg dat een of meerdere personen worden aangewezen die in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders de stichting tijdelijk bestuurt/besturen.

BESTUURSVERGADERINGEN

Artikel 7

  • 1. Het bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of twee andere bestuurders dit gewenst achten en daartoe het verzoek aan de voorzitter richten, doch ten minste vier (4) maal per jaar. Vergaderingen moeten worden gehouden binnen zes (6) weken nadat daar om is verzocht. Indien de voorzitter aan een gedaan verzoek geen gevolg geeft, in zodanig, dat de vergadering kan worden gehouden binnen zes weken na het verzoek, dan zijn de verzoekers bevoegd zelf een vergadering bijeen te roepen met inachtneming van de vereiste formaliteiten.

  • 2. De oproeping tot de vergadering geschiedt -behoudens het in lid 1 bepaaldedoor de voorzitter, ten minste vijf (5) dagen tevoren, de dag van de oproeping en die van de vergadering niet medegerekend, door middel van een schriftelijke oproeping.

  • 3. De oproeping vermeldt, behalve plaats en tijdstip van de vergadering, de te behandelen onderwerpen.

  • 4. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter van het bestuur; bij diens afwezigheid wordt de vergadering geleid door de vice-voorzitter en bij afwezigheid daarvan wijst de vergadering zelf haar voorzitter aan.

  • 5. Van het verhandelde in de vergaderingen worden notulen gehouden door de secretaris of door één van de andere aanwezigen, door de voorzitter daartoe aangezocht. De notulen worden vastgesteld en getekend door de voorzitter en de secretaris, of bij afwezigheid van een van hen door een bestuurder die wel bij de betreffende vergadering aanwezig was.

  • 6. Alle stemmingen ter vergadering geschieden mondeling, tenzij de voorzitter een schriftelijke stemming gewenst acht of één van de stemgerechtigden dit vóór de stemming verlangt.

    Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes.

  • 7. Blanco stemmen worden beschouwd niet te zijn uitgebracht.

  • 8. Het ter vergadering uitgesproken oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.

  • 9. Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid van de vergadering, of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt.

    Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.

BESTUURSBESLUITEN

Artikel 8

  • 1. Iedere bestuurder heeft het recht tot het uitbrengen van één stem.

    Voor zover de statuten geen grotere meerderheid voorschrijven worden alle besluiten van het bestuur genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

  • 2. Indien een vergadering van het bestuur met inachtneming van de in artikel 7 bedoelde vereisten is opgeroepen, dan kan het bestuur ter vergadering alleen geldige besluiten nemen, indien de meerderheid van de in functie zijnde bestuurders in de vergadering aanwezig of vertegenwoordigd is. Is op een ten tweede male voor hetzelfde onderwerp bijeengeroepen vergadering wederom het vereiste aantal bestuurders niet aanwezig, dan kunnen rechtsgeldige besluiten genomen worden, ongeacht het aantal aanwezigen.

    Zolang in een vergadering van het bestuur alle in functie zijnde bestuurders aanwezig zijn, kunnen – ook al zijn de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van vergaderingen niet in acht genomen – geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits met algemene stemmen.

  • 3. Bij staking van stemmen over zaken, bepaalt de voorzitter hoe er met het voorstel wordt omgegaan.

    Bij staking van stemmen over personen, vindt in de eerstvolgende bestuursvergadering een tweede stemming plaats. Indien ook dan de stemmen staken, is het voorstel niet aangenomen.

  • 4. Een bestuurder kan zich ter vergadering door een mede-bestuurder laten vertegenwoordigen op overlegging van een schriftelijke, ter beoordeling van de voorzitter van de vergadering voldoende, volmacht. Een bestuurder kan daarbij slechts voor één mede- bestuurder als gevolmachtigde optreden.

  • 5. Het bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle bestuurders in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk hun mening te uiten.

    Van een aldus genomen besluit wordt onder bijvoeging van de ingekomen antwoorden door de secretaris een relaas opgemaakt, dat na medeondertekening door de voorzitter bij de notulen wordt gevoegd.

  • 6. De bestuurder die een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie, meldt dit terstond aan de voorzitter en verschaft daarover alle relevante informatie.

    De overige bestuurders besluiten buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder of er sprake is van een belang dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.

    Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien de betreffende bestuurder daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.

    Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit zou kunnen worden genomen, wordt het besluit desalniettemin genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen.

BESTUURSBEVOEGDHEID

Artikel 9

  • 1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting.

  • 2. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen.

  • 3. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.

  • 4. Het bestuur kan aan een of meer bestuurders afzonderlijk dan wel aan hen gezamenlijk werkzaamheden opdragen. De genoemde personen brengen met betrekking tot deze werkzaamheden verslag uit aan het bestuur.

  • 5. Het bestuur stelt vast:

    • a. het (intern en extern gerichte) beleid van de stichting, waaronder beleidsregels in de zin van titel 4.3. Algemene wet bestuursrecht, integriteitsbeleid en privacybeleid;

    • b. reglementen, waaronder de in de artikelen 5 en 15 lid 14 en 18 genoemde reglementen, overeenkomstig het in artikel en 20 bepaalde;

    • c. de wijze waarop risicogericht toezicht wordt vormgegeven en/of risicomodellen en toezichtarrangementen worden ingericht;

    • d. de wijze waarop de bij officiële controles en andere officiële activiteiten verkregen informatie en gegevens worden gedocumenteerd en vastgelegd;

    • e. de wijze waarop aanvragen kunnen worden ingediend, overeenkomstig het bepaalde in afdeling 4.1.1 Algemene wet bestuursrecht.

  • 6. Het bestuur kan teven de inhoud van de (voor de uitvoering van de aanmelding en/of het afgeven van een bio-certificaat en het toezicht) tussen de exploitant en Skal te sluiten overeenkomst vaststellen.

  • 7. In de in lid 5 onder b bedoelde reglementen kunnen naast de regels en/of voorschriften die volgen uit de Wet, de Verordening en overige wettelijke bepalingen, ook de door de minister vastgestelde interpretaties over de Wet en de Verordening worden opgenomen. Voor het overnemen van die interpretaties is geen apart bestuursbesluit vereist.

GEDRAGSREGELS BESTUUR

Artikel 10

  • 1. Ieder bestuurslid is verplicht tot geheimhouding in de zin van artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht van alles wat hij of zij in verband met de uitoefening van hun functie omtrent de inrichting van de fabrieken, de bedrijven, de handel en andere persoonlijke en zakelijke omstandigheden van de exploitanten ervaart en/of te weten komt en waarvan het bestuurslid het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden. Deze geheimhouding blijft ook na het eindigen van het bestuurderschap als bedoeld in artikel 12 van kracht.

  • 2. De in lid 1 bedoelde verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover de minister, tegenover de ambtenaren belast met het in artikel 22 bedoelde toezicht, tegenover het tuchtgerecht en indien en voor zover een wettelijke bepaling zich tegen die geheimhouding verzet.

  • 3. Alle bezoldigde en onbezoldigde nevenfuncties van de bestuursleden worden openbaar gemaakt via de website van de stichting.

VERTEGENWOORDIGING

Artikel 11

  • 1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting in en buiten rechte.

  • 2. De algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid berust mede bij:

    • – de voorzitter

    • – de vice-voorzitter;

    • – de directeur;

    • – de secretaris en penningmeester gezamenlijk, tenzij beide functies in één persoon zijn verenigd, in welk geval de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid mede berust bij bedoelde persoon tezamen met een andere bestuurder.

  • 3. Het bestuur kan de plaatsvervangend directeur(en) alsmede derden machtigen om de stichting in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

EINDE BESTUURDERSCHAP

Artikel 12

  • 1. Een bestuurder houdt op bestuurder te zijn:

    • a. door zijn overlijden;

    • b. door zijn periodiek aftreden;

    • c. als hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest;

    • d. indien hij schriftelijk ontslag neemt;

    • e. indien hij op grond van artikel 2:298 van het Burgerlijk Wetboek wordt ontslagen;

    • f. indien hij wordt ontslagen door het bestuur op grond van een eenstemmig besluit van alle andere bestuurders, zonder dat in het bestuur enige vacature bestaat en wanneer het de voorzitter betreft wanneer het besluit tot ontslag is goedgekeurd door de minister.

  • 2. In geval van een ontslag als bedoeld in het eerste lid onder f, dient de bestuurder wiens ontslag aan de orde is in de gelegenheid te worden gesteld om zich in de betreffende vergadering te verantwoorden.

DIRECTEUR EN PLAATSVERVANGENDE DIRECTEUR(EN)

Artikel 13

  • 1. De directeur mag niet direct dan wel indirect betrokken zijn bij of belangen hebben in de productie of verhandeling van de in artikel 3 eerste lid bedoelde producten, noch anderszins – anders dan als bestuurder – een belang hebben bij (de organisatie van) de stichting.

  • 2. De directeur wijst een of meer plaatsvervangend directeuren aan. Voor deze personen gelden dezelfde vereisten als bepaald in lid 1.

  • 3. De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de stichting. De niet uitvoerende bestuurders houden toezicht op het beleid van de directeur.

    De verantwoordelijkheden en taken van de directeur en de plaatsvervangend directeur(en) zijn vastgelegd in het bestuursreglement en het Skal besluit Regeling mandaat, volmacht en machtiging.

  • 4. De leiding van het personeel van de stichting berust bij de directeur.

  • 5. De directeur is verplicht de overige bestuursleden geregeld en tijdig op de hoogte te houden van de gang van zaken.

  • 6. Op de plaatsvervangend directeur(en) is het bepaalde in artikel 10 lid 1 en lid 2 van overeenkomstige toepassing.

PERSONEEL

Artikel 14

  • 1. De directeur stelt de personeelsformatie van de stichting vast.

  • 2. De directeur is gemachtigd door het bestuur tot het aannemen casu quo het ontslaan van het personeel. Een en ander in overeenstemming met de door het bestuur vastgestelde begroting.

  • 3. De arbeidsvoorwaarden van het personeel worden door het bestuur vastgesteld en in een afzonderlijk document vastgelegd.

ADVIESRAAD

Artikel 15

  • 1. De stichting heeft een adviesraad bestaande uit exploitanten en vertegenwoordigers van (bij voorkeur biologische) consumentenorganisaties.

    De adviesraad heeft tot taak gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen aan het bestuur met betrekking tot beleid en uitvoering van de operationele taken door de stichting, waarbij de adviesraad tevens advies kan geven met betrekking tot de vraag of deze taken onafhankelijk en onpartijdig worden uitgevoerd.

  • 2. Het bestuur stelt een profielschets voor de omvang en samenstelling van de adviesraad vast, rekening houdend met de aard van de stichting, haar activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van de leden van de adviesraad. Het bestuur zal alvorens tot vaststelling van de profielschets over te gaan advies daartoe bij Biohuis, BioNL en Biowinkelvereniging inwinnen.

  • 3. Het aantal leden van de adviesraad wordt vastgesteld door het bestuur en bedraagt maximaal twintig (20).

  • 4. De leden van de adviesraad worden benoemd en kunnen worden geschorst of ontslagen door het bestuur. De leden van de adviesraad worden benoemd voor een periode van vier (4) jaar en zijn eenmaal herbenoembaar.

  • 5. Het bestuur kan bij de benoeming van leden van de adviesraad exploitanten en vertegenwoordigers van (bij voorkeur biologische) consumentenorganisaties via een door het bestuur vast te stellen procedure in de gelegenheid stellen om kandidaten voor het lidmaatschap van de adviesraad voor te dragen.

  • 6. Het lidmaatschap van een lid van de adviesraad eindigt:

    • a. door zijn overlijden;

    • b. indien het betreffende lid wordt benoemd tot lid van het bestuur;

    • c. indien hij schriftelijk ontslag neemt (bedankt);

    • d. indien hij niet langer exploitant of vertegenwoordiger van een consumentenorganisatie is.

  • 7. De leden van de adviesraad genieten geen beloning voor hun werkzaamheden, doch aan hen wordt door het bestuur een onkostenvergoeding toegekend, waarvan de structuur en hoogte kunnen worden vastgelegd in het in lid 14 bedoelde reglement.

    Het bestuur kan, met inachtneming van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies, besluiten dat aan de technisch voorzitter een beloning voor de werkzaamheden wordt toegekend. De structuur en hoogte van deze beloning kunnen nader worden vastgesteld in het in lid 14 bedoelde reglement.

  • 8. Vergaderingen van de adviesraad worden voorgezeten door een technisch voorzitter die daartoe wordt aangewezen door het bestuur. Notulen van de adviesraad worden bijgehouden door een daartoe door het bestuur aan te wijzen technisch secretaris. De notulen van vergaderingen van de adviesraad zullen ter beschikking van het bestuur worden gesteld.

  • 9. De adviesraad wijst uit haar midden maximaal twee personen aan die namens de adviesraad de adviezen van de adviesraad uitbrengen en voor het bestuur en de directeur het primaire aanspreekpunt zijn van de adviesraad.

    Adviezen dienen schriftelijk bij de directeur te worden ingediend, waarbij de directeur binnen redelijke termijn na ontvangst van een advies voor doorgeleiding van het ontvangen advies naar de overige leden van het bestuur dient zorg te dragen. Ingeval een advies het functioneren van de directeur betreft, is de adviesraad bevoegd een advies rechtstreeks bij de overige leden van het bestuur in te dienen.

  • 10. De terugkoppeling van de besluiten ten aanzien van de door de adviesraad uitgebrachte adviezen geschiedt schriftelijk, met redenen omkleed en binnen een redelijke termijn.

  • 11. De leden van het bestuur zijn bevoegd doch niet gehouden (tenzij daartoe door de adviesraad uitgenodigd) om vergaderingen van de adviesraad bij te wonen en daarin het woord te voeren. Desgewenst kan de adviesraad over bepaalde agendapunten vergaderen zonder aanwezigheid van leden van het bestuur of de directeur, mits zij dat vooraf schriftelijk kenbaar maakt aan het bestuur.

    De adviesraad is bevoegd om te besluiten een of meer deskundigen toe te laten tot een vergadering van de adviesraad. Op verzoek van de adviesraad kan het bestuur, met inachtneming van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies, besluiten dat aan de technisch voorzitter, besluiten een dergelijke deskundige een vergoeding voor diens werkzaamheden toe te kennen.

  • 12. Ieder lid dat behoort tot de adviesraad heeft daarin een (1) stem. Besluiten tot het geven van advies worden door de adviesraad genomen met een gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

  • 13. Op de leden van de adviesraad is het bepaalde in artikel 10 lid 1 en lid 2 van overeenkomstige toepassing.

  • 14. Onverminderd het bepaalde in dit artikel kan de werkwijze van de adviesraad nader worden uitgewerkt in een door het bestuur vast te stellen reglement.

COMMISSIES

Artikel 16

  • 1. Door het bestuur kunnen commissies ingesteld worden voor het uitvoeren van specifieke opdrachten.

  • 2. De samenstelling, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden alsmede de eventueel te volgen procedures van een ingestelde commissie kan worden vastgelegd in, door het bestuur vast te stellen, reglementen.

  • 3. Op de commissies is het bepaalde in artikel 10 lid 1 en lid 2 van overeenkomstige toepassing.

BEGROTING, JAARREKENING EN JAARVERSLAG

Artikel 17

  • 1. De directeur is verantwoordelijk voor het opstellen van de begroting, het jaarplan en de jaarrekening, het bestuur voor de vaststelling daarvan, conform het bepaalde in de Kaderwet ZBO.

  • 2. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar.

  • 3. Jaarlijks stelt het bestuur vóór vijftien november met inachtneming van het bepaalde in de Kaderwet ZBO de begroting voor het komende jaar vast.

TARIEVEN

Artikel 18

  • 1. De directeur stelt jaarlijks op basis van de in artikel 17 lid 1 bedoelde begroting een conceptreglement op, op grond waarvan de tarieven voor onder meer de kosten van toezicht en controles als bedoeld in artikel 11 van de Wet en artikel 26b en 26c van de Regeling van de betreffende exploitanten worden vastgesteld. Dit reglement wordt vastgesteld door het bestuur. De hoogte van de vastgestelde tarieven behoeft met inachtneming van het bepaalde in de Kaderwet ZBO goedkeuring van de minister.

  • 2. Met inachtneming van titel 4.4 (bestuurlijke geldschulden) van de Awb kan het bestuur een reglement vaststellen waarin de wijze van inning van de vastgestelde bedragen voor de kosten van toezicht, inspectie, certificering en importcontroles geregeld wordt, alsmede een reglement waarin in ieder geval de bevoegdheid geregeld wordt om de certificatie van een exploitant op te schorten of in te trekken, indien deze na herhaalde aanmaning nalatig blijft de bijdrage te voldoen.

  • 3. De directeur is belast met de inning van de door de exploitanten verschuldigde bijdragen en kan daartoe voorschotten heffen.

ACCOUNTANT

Artikel 19

  • 1. Het bestuur wijst een accountant aan ter controle van de boekhouding van de stichting; voor deze benoeming komen uitsluitend in aanmerking accountants, die lid zijn van een organisatie, die haar leden aan tuchtrecht onderwerpt.

  • 2. De aangewezen accountant beoordeelt de door de directeur opgestelde jaarrekening, bespreekt deze met de penningmeester en stelt deze beoordeling ter beschikking aan het bestuur.

REGLEMENTEN

Artikel 20

  • 1. Onverminderd het overigens omtrent reglementen in deze statuten bepaalde, is het bestuur bevoegd een of meer reglementen vast te stellen, waarin die onderwerpen worden geregeld, die niet in deze statuten zijn vervat.

  • 2. Een reglement mag niet met Europese of nationale regelgeving of deze statuten in strijd zijn.

  • 3. Met inachtneming van het overigens in deze statuten en in de wet bepaalde is het bestuur te allen tijde bevoegd een reglement te wijzigen of op te heffen.

TUCHTRECHT

Artikel 21

  • 1. Overtreding van de voorschriften, voor zover gebaseerd op het bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit bepaalde, kan overeenkomstig het bepaalde in de Wet aan tuchtrecht zijn onderworpen, voor zover de Officier van Justitie niet heeft beslist dat een overtreding strafrechtelijk zal worden afgedaan.

  • 2. Het bestuur benoemt de leden van het tuchtgerecht en stelt een tuchtreglement vast, een en ander met inachtneming van de regelen, gesteld bij de algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet.

  • 3. Het in lid 2 bedoelde reglement alsmede wijzigingen en aanvullingen daarvan, behoeven de goedkeuring van de minister en de Minister van Justitie en Veiligheid.

RIJKSTOEZICHT

Artikel 22

Het bestuur is, volgens ministeriële regelingen vast te stellen regels, verplicht alle inlichtingen te verstrekken en alle medewerking te verlenen ten behoeve van het welslagen van het toezicht dat vanwege de minister, krachtens het bepaalde in artikel 12 van de Wet en het bepaalde in artikel 20 van de Kaderwet ZBO, op de stichting wordt uitgeoefend.

STATUTENWIJZIGING

Artikel 23

  • 1. Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit daartoe moet worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin alle bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zonder dat in het bestuur enige vacature bestaat.

    Indien in deze vergadering niet alle bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zal het bestuur een tweede vergadering beleggen, uiterlijk binnen veertien dagen na de eerste vergadering, waarin, mits met een meerderheid van stemmen als hiervoor bedoeld, een besluit kan worden genomen, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders. Een besluit tot statutenwijziging behoeft de in artikel 10 lid 4 van de Wet bedoelde instemming van de minister.

  • 2. Een wijziging van de statuten moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen.

    Tot het doen verlijden van die akte is iedere bestuurder afzonderlijk bevoegd.

  • 3. De bestuurders zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel.

FUSIE EN SPLITSING

Artikel 24

  • 1. Besluiten tot fusie als bedoeld in artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek en tot juridische splitsing als bedoeld in artikel 2:334a van het Burgerlijk Wetboek kunnen door het bestuur worden genomen. Op het daartoe te nemen besluit is het bepaalde in artikel 23 lid 1 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Een fusie of splitsing geschiedt bij notariële akte. Tot het doen verlijden van die akte is iedere bestuurder afzonderlijk bevoegd.

ONTBINDING EN VEREFFENING

Artikel 25

  • 1. Het bestuur is bevoegd, na overleg met de minister, de stichting te ontbinden. Op het daartoe te nemen besluit is het bepaalde in artikel 23 lid 1 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is.

  • 3. De vereffening geschiedt door het bestuur.

  • 4. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding van de stichting inschrijving geschiedt in het register, bedoeld in artikel 23 lid 3.

  • 5. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de statuten zoveel mogelijk van kracht.

  • 6. Een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting wordt uitgekeerd aan de minister.

  • 7. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden stichting gedurende zeven jaren berusten onder de minister.

KLOKKENLUIDERSREGELING

Artikel 26

Het bestuur draagt ervoor zorg dat werknemers en anderen die een contractuele relatie tot de stichting staan, zonder gevaar voor hun rechtspositie de mogelijkheid hebben aan het bestuur of aan een door hem aangewezen functionaris te rapporteren over (een vermoeden van) een misstand in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders. Het bestuur stelt daartoe een klokkenluidersregeling op conform de Wet bescherming klokkenluiders.

SLOTBEPALING

Artikel 27

  • 1. In alle gevallen, waarin zowel de wet als de statuten niet voorzien, beslist het bestuur.

  • 2. Wijzigingen van deze statuten treden eerst in werking na instemming en openbaarmaking door de minister en publicatie door de zorg van de minister in de Staatscourant.

Naar boven