Advies Raad van State inzake ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing van enkele stoffen op deze lijst

Nader Rapport

17 augustus 2026

4484152-1099586-WJZ

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing van enkele stoffen op deze lijst

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 9 juli 2026, no. 2026001530, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 15 juli 2026, no. W13.26.00202/III, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2026, no. 2026001530, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met de plaatsing van enkele stoffen op deze lijst, met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State,

G.J.J. Heerma van Voss

Ik bied U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.Th.M. Hermans.

Advies Raad van State

No. W13.26.00202/III

's-Gravenhage, 15 juli 2026

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2026, no.2026001530, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met de plaatsing van enkele stoffen op deze lijst, met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State, G.J.J. Heerma van Voss.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van .......... houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing van enkele stoffen op deze lijst [KetenID WGK028841]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2026, kenmerk 4473433-1099586-WJZ;

Gelet op Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062 van de Commissie van 14 oktober 2025 tot wijziging van de bijlage bij Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad in verband met het opnemen van nieuwe psychoactieve stoffen in de definitie van drug en artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van .........., nr. ..........);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van (.........., kenmerk ..........);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Lijst I, behorende bij de Opiumwet, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de tekst die betrekking heeft op het middel 2-methyl-AP-237 wordt ingevoegd:

a. in de kolom ‘International Non-proprietary Name (INN)’:

–;

b. in de kolom ‘andere benamingen’:

2-MMC (2-methylmethcathinon);

c. in de kolom ‘nadere omschrijving’:

2-(methylamino)-1-(2-methylfenyl)propaan-1-on.

2. Na de tekst die betrekking heeft op het middel 4,4’-DMAR wordt ingevoegd:

a. in de kolom ‘International Non-proprietary Name (INN)’:

-;

b. in de kolom ‘andere benamingen’:

4-BMC (4-broommethcathinon);

c. in de kolom ‘nadere omschrijving’:

1-(4-broomfenyl)-2-(methylamino)propaan-1-on.

3. Na de tekst die betrekking heeft op het middel myrofine wordt ingevoegd:

a. in de kolom ‘International Non-proprietary Name (INN)’:

-;

b. in de kolom ‘andere benamingen’:

NEP (N-ethylnorpentedron);

c. in de kolom ‘nadere omschrijving’:

2-(ethylamino)-1-fenylpentaan-1-on.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit heeft tot doel lijst I, behorende bij de Opiumwet, te wijzigen. Met deze wijziging wordt een aantal nieuwe psychoactieve stoffen aan de bij de Opiumwet behorende lijst I toegevoegd.

Op grond van artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet, worden bij algemene maatregel van bestuur middelen aan de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II toegevoegd ter uitvoering van een verplichting op grond van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ.1 Met het onderhavige besluit worden de stoffen 2-MMC, 4-BMC en NEP op lijst I geplaatst. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062.2 Deze gedelegeerde richtlijn brengt de stoffen 2-MMC, 4-BMC en NEP onder de definitie van ‘drug’ in het Kaderbesluit 2004/757/JBZ. Dit betekent dat het middel in EU-verband aan controlemaatregelen onderworpen moet worden. Verschillende lidstaten onderwerpen deze stoffen reeds aan controlemaatregelen op grond van hun nationale drugswetgeving. Harmonisering binnen de EU is nodig om obstakels weg te nemen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking en bescherming te bieden tegen de gezondheidsrisico’s die de beschikbaarheid en het gebruik van deze stoffen met zich mee kunnen brengen.

Zoals blijkt uit overweging 2 van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062 zijn 2-MMC, 4-BMC en NEP synthetische cathinonen met psychostimulerende effecten. Het zijn derivaten van cathinon die nauw verwant zijn aan methcathinon (efedron) en soortgelijke psychostimulerende effecten hebben. De drie nieuwe psychoactieve stoffen hebben een vergelijkbare werking met stoffen die al op lijst I behorende bij de Opiumwet staan.

Het Kaderbesluit 2004/757/JBZ verplicht de lidstaten tot het nemen van de nodige maatregelen om het produceren, vervaardigen, extraheren, bereiden, aanbieden, te koop stellen, distribueren, verkopen, afleveren, ongeacht de voorwaarden, verhandelen, doorvoeren, vervoeren, in- of uitvoeren van de stoffen 2-MMC, 4-BMC en NEP overeenkomstig hun nationale wetgeving op uiterlijk 12 juli 2026 te verbieden. Met dit besluit wordt aan die verplichting voldaan door de toevoeging van de stoffen 2-MMC, 4-BMC en NEP aan lijst I behorende bij de Opiumwet (artikel I van het onderhavig wijzigingsbesluit). Op grond van artikel 2 van de Opiumwet is het verboden de middelen die op lijst I van deze wet staan binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen.

Dit besluit strekt tot implementatie van EU-regelgeving. Voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: BES) geldt een apart wettelijk kader, namelijk de Opiumwet 1960 BES. Artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de Opiumwet 1960 BES geeft de Minister van VWS de bevoegdheid om, kort gezegd, voor de gezondheid schadelijke psychoactieve stoffen aan te wijzen die verboden zijn. Een separaat traject om voormelde stoffen toe te voegen aan de reeds daar verboden stoffen zal worden bezien.

Regeldruk

Dit besluit heeft, behoudens eenmalige kennisnamekosten, geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers en bedrijven. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft.

Voorhang

In overeenstemming met artikel 3a, vierde lid, van de Opiumwet, is een ontwerp van deze algemene maatregel van bestuur op 5 juni 2026 aan beide Kamers der Staten‑Generaal gezonden (Kamerstukken II 2025/26, 24 077, nr. 571). Dit heeft geen aanleiding gegeven tot opmerkingen of aanpassingen aan het wijzigingsbesluit.

Inwerkingtreding

Artikel II regelt de inwerkingtredingsdatum van dit besluit. Vanwege de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s die kleven aan deze nieuwe psychoactieve stoffen wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn. Daarnaast betreft het implementatie van een bindende EU-rechtshandeling. Op grond van artikel 2, eerste lid, van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062 dienen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 12 juli 2026 aan deze richtlijn te voldoen. Dit besluit treedt daarom in werking op de dag na publicatie in het Staatsblad.

Transponeringstabel

In onderstaande transponeringstabel is aangegeven welke bepalingen van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062 zijn geïmplementeerd met onderhavig wijzigingsbesluit.

Bepaling van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1

Artikel I van dit besluit

Gekozen voor plaatsing van 2-MMC, 4-BMC en NEP op lijst I behorende bij de Opiumwet.

MMC, 4-BMC en NEP hebben een vergelijkbare werking met stoffen die al op lijst I behorende bij de Opiumwet staan.

Artikel 2, eerste lid

Artikel II van dit besluit

–

–

Artikel 2, tweede lid

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

–

–

Artikel 3

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

–

–

Artikel 4

Behoeft naar zijn aard geen implementatie

–

–

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,


X Noot
1

Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel.

X Noot
2

Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2025/2062 van de Commissie van 14 oktober 2025 tot wijziging van de bijlage bij Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad in verband met het opnemen van nieuwe psychoactieve stoffen in de definitie van drug.

Naar boven