Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 3321 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 3321 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 2, 4, 16, 19, tweede lid, 25, 44, tweede lid en 50, vierde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2.25.2, eerste lid, wordt na ‘een deelnemer in een samenwerkingsverband’ ingevoegd ‘, dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer in bijlage 2.25 genoemde postcodegebieden,’.
B
In artikel 2.25.3, eerste lid, onderdeel c, wordt na ‘voor zover het een investering op een landbouwonderneming’ ingevoegd ‘door een landbouwer’.
C
In artikel 2.25.7, onderdeel a, wordt na ‘geen subsidie wordt aangevraagd of’ ‘louter’ ingevoegd.
D
Artikel 2.25.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid vervalt onderdeel e, onder vervanging van de puntkomma in onderdeel d door een punt.
2. Het vierde lid vervalt.
E
Artikel 2.25.12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, vervalt ‘uiterlijk op 1 november’.
2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
‘7. De penvoerder dient voor de start van de activiteiten een ondertekende samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, tussen de deelnemers in bij de minister.’.
F
Artikel 2.25.13 vervalt.
G
Na bijlage 2.24 wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
Postcodegebieden
Deelnemers in een samenwerkingsverband dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer van de volgende postcodegebieden, kunnen een subsidieaanvraag indienen:
1026
1027
1028
112x
113x
114x
115x
13xx
14xx
16xx
17xx
18xx
19xx
298x
299x
316x
317x
32xx
33xx
389x
391x
392x
394x
395x
396x
397x
398x
399x
40xx
41xx
42xx
43xx
44xx
45xx
46xx
473x
474x
475x
476x
477x
478x
479x
49xx
514x
515x
516x
522x
523x
524x
525x
530x
531x
532x
533x
535x
536x
537x
539x
607x
61xx
62xx
63xx
64xx
65xx
774x
775x
776x
78xx
79xx
820x
821x
822x
823x
824x
825x
826x
83xx
84xx
85xx
86xx
87xx
88xx
89xx
90xx
91xx
92xx
93xx
94xx
95xx
96xx
97xx
98xx
99xx
In de tabel van artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt na titel 2.24 een rij ingevoegd, luidende:
|
Titel 2.25: Experimenteerlocaties |
2.25.2 |
Innovatie |
07-05-2026 t/m 18-06-2026 |
€ 20.000.000 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 2 februari 2026
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 in verband met een tweede openstelling van de Subsidieregeling experimenteerlocaties in 2026. Titel 2.25 wordt om twee redenen gewijzigd.
De eerste aanleiding tot wijziging van titel 2.25 is beleidsmatig. LVVN streeft naar een gevarieerd, landelijk netwerk van experimenteerlocaties dat verschillende sectoren, landbouwtypen en bodemsoorten omvat en zo de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige land- en tuinbouw ondersteunt. Tijdens de eerste openstelling van de regeling in 2025 hebben drie initiatieven in respectievelijk het Groene Hart, de Achterhoek en Twente, en het zuidoostelijk zandgebied een vijfjarige subsidie ontvangen. Om differentiatie ten opzichte van deze eerste drie initiatieven te borgen en activiteiten op andere bodemsoorten te stimuleren, kiest de Minister van LVVN ervoor om ten opzichte van de eerste openstelling, de Subsidieregeling experimenteerlocaties voor een beperkter aantal gebieden open te stellen. De gebieden die voor subsidie in aanmerking komen, worden in bijlage 2.25 gespecificeerd op twee- of driecijferig postcodeniveau. Het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten die een samenwerkingsverband wil uitvoeren dient te liggen in een of meer van deze postcodegebieden. Het betreft gebieden in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Gelderland, Flevoland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Drenthe, Groningen en Friesland.
De tweede aanleiding is van technische aard. Naar aanleiding van de eerste openstelling van de regeling heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een reeks aanbevelingen opgesteld over de wijze waarop de regeldruk voor subsidieontvangers kan worden verminderd en de regeling efficiënter kan worden uitgevoerd. Daarnaast heeft Ipsos I&O een klanttevredenheidsonderzoek uitgevoerd en heeft een evaluatiegesprek met de Adviescommissie Experimenteerlocaties plaatsgevonden. Inzichten opgedaan tijdens deze gesprekken en uit deze rapporten hebben waar mogelijk geresulteerd in wijzigingen van titel 2.25 met als doel om deze te verduidelijken of lasten te verlichten.
De openstellingsperiode van deze regeling is van 7 mei 2026 t/m 18 juni 2026 zijn. Dit wordt geregeld door een aanpassing van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026. Het subsidieplafond is € 20.000.000.
De wijzigingsregeling zal ter kennisneming aan de Europese Commissie worden gemeld, conform artikel 11, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven en/of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden (definitie Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)). In onderstaande berekening maken we onderscheid tussen de tijd die nodig is voor het indienen van een aanvraag, en de tijd die – na verlening van de subsidie – nodig is voor de uitvoering gedurende de looptijd van de subsidie.
Bij het aanvragen van de subsidie is tijd nodig voor het invullen van het aanvraagformulier, het afstemmen en vastleggen van de samenwerkingsovereenkomst tussen de samenwerkingspartners, het verzamelen en bestuderen van de benodigde documenten, het opstellen van een begroting, het beschrijven van de manier waarop de activiteitenplanning wordt gewaarborgd en het opstellen en beschrijven van het werkplan.
Hierbij is het nodig om te vermelden dat het totaal aantal verwachte aanvragen uitgesplitst kan worden in twee categorieën. De eerste groep bestaat uit aanvragen die tevens tijdens de eerste openstelling van de subsidieregeling in 2025 zijn ingediend, maar niet gehonoreerd konden worden. Deze samenwerkingsverbanden kunnen overwegen hun voorstel (deels) te herschrijven, maar zij zullen hoe dan ook minder tijd hoeven te steken in de aanmelding. Het gaat naar verwachting om zo’n 6 aanvragen. Een tweede categorie aanvragers bestaat uit partijen die geen voorwerk hebben gedaan en dus de meeste tijd zullen besteden aan het opleveren van de aanvraagvereisten. Op basis van de eerste openstelling is de verwachting dat in totaal ongeveer 15 partijen een aanvraag in zullen dienen.
Per project wordt gerekend op 150 uur aan administratieve lasten die nodig zijn voor het indienen van een aanvraag. Deze 150 uur is een inschatting op basis van het scenario waarin de aanvrager nog géén voorwerk heeft gedaan. Hierin is dus niet meegenomen dat de regeldruk voor sommige bestaande samenwerkingsverbanden (significant) lager kan liggen doordat, in verband met voorwerk, al voldaan wordt aan bepaalde vereisten.
Na verlening van de subsidie – gedurende de looptijd van de regeling – heeft de aanvrager tijd nodig voor het aanvragen van voorschotten, deelbetalingen en voor het opstellen van tussenrapportages en het eindverslag. Onder tussenrapportages wordt verstaan de jaarlijks aan te leveren rapportage met de behaalde (deel)resultaten en de planning voor het opvolgende jaar, om te kunnen vaststellen of de geplande activiteiten aansluiten bij de oorspronkelijke planning en passen bij de resultaten die tot dan toe zijn behaald. Bij zowel de tussenrapportages als het eindverslag wordt tevens gekeken naar het aantal betrokken partijen bij de uitvoering van praktijkproeven (specifiek het aantal en type agrarische ondernemers), het bijhouden van het aantal experimenten, de wijze waarop invulling is gegeven aan regionale samenwerking, het monitoren van de effecten van de geplande activiteiten op doelbereik, een beschrijving van de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling en het aantal investeringen en het gebruik van deze investeringen. Het eindverslag behelst tevens de uitvoering en de resultaten van de activiteiten die zijn uitgevoerd gedurende de looptijd van de regeling. Voor het merendeel van deze elementen worden formats beschikbaar gesteld door RVO. Hier wordt uitgegaan van een totaal aan 50 uur aan administratieve lasten, verdeeld over de looptijd van de subsidie (5 jaar).
De totale administratieve lasten komen dan in het geval van gehonoreerde projecten uit op 200 (150+50) uur, waarvan 50% door de aanvragers zelf en 50% door ingehuurde adviseurs. Uitgaande van een uurtarief van € 50,– voor eigen arbeid en een uurtarief van € 80,– voor adviseurs, komt dit neer op € 13.000,– (€ 5.000,– + € 8.000,–) per gehonoreerd project. Voor de openstelling van de subsidieregeling zijn in totaal 15 aanvragen voorzien. Daarvan zullen naar verwachting 11 projecten niet gehonoreerd kunnen worden. In deze gevallen worden alleen in berekening genomen de kosten die een samenwerkingsverband maakt in het kader van de subsidieaanvraag (150 uur). Wederom uitgaande van een uurtarief van € 50,– voor eigen arbeid en een uurtarief van € 80,– voor adviseurs, komt dit neer op € 9.750,–. De totale regeldruk bedraagt voor deze subsidieregeling dan € 159.250,– ((4*13.000) + (11*9.750)). In totaal is ca. € 20 mln. beschikbaar voor ca. 15 aanvragen. Dit geeft een regeldruk van 0,8%.
Deze berekening is gedeeld met het adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De regeldruk is voldoende in kaart gebracht, ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.
De financiële gevolgen voor het Rijk zijn in de periode 2026–2030 een voorziene verplichting van € 20.000.000.
Deze regeling treedt in werking met ingang 1 april 2026, een vast verandermoment. De nieuwe openstelling zal gelden van 7 mei 2026 tot en met 18 juni 2026.
In het algemene deel van deze toelichting is de openstelling voor een specifiek aantal in bijlage 2.25 opgenomen postcodegebieden toegelicht. De experimenteerlocaties die in aanmerking voor subsidie komen hanteren een gebiedsgerichte benadering. Met de specifieke eigenschappen van een gebied als uitgangspunt, gaan deelnemers in het samenwerkingsverband samen met regionale belanghebbenden op zoek naar duurzame probleemoplossingen. De vraag hoe toekomstbestendige agrarische bedrijven en ketens in het desbetreffende gebied eruit zouden kunnen zien is daarbij leidend. Op de experimenteerlocatie worden vervolgens de kennis- en innovatievraagstukken opgepakt die de realisatie van een toekomstbestendige land- of tuinbouw in het gebied ondersteunen en versnellen. De gebieden die als uitgangspunt van deze subsidiabele activiteiten genomen kunnen worden, dus het inhoudelijke zwaartepunt van gebiedsgerichte experimenteerlocaties, dienen te liggen in een of meer van de in bijlage 2.25 om opgenomen postcodegebieden. Het is echter mogelijk dat enkele ondersteunende activiteiten buiten de in bijlage 2.25 opgenomen postcodegebieden uitgevoerd dienen te worden zolang deze maar bijdragen aan het geselecteerde gebied. Artikel 2.25.2, eerste lid wordt zo gewijzigd, dat dit mogelijk is.
Dit artikel wordt gewijzigd om te benadrukken dat investeringen op een landbouwonderneming door een landbouwer gedaan moeten worden om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling uit artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Dit is nodig, omdat tijdens de eerste openstelling van deze subsidieregeling is gebleken dat twee vijfde van de deelnemers die subsidie op basis van artikel 14 aanvroegen geen landbouwer was. Landbouwers en onderzoeksorganisaties die deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen subsidie aanvragen voor het doen van investeringen ten behoeve van praktijkproeven. De Europese staatsteunregels rondom investeringen zijn complex, waardoor de Subsidieregeling experimenteerlocaties verschillende subsidiabele investeringskosten en steunintensiteiten bevat. Door de toevoeging dat de investering gedaan moet worden door een landbouwer is het voor de aanvrager duidelijker wie de subsidie moet aanvragen en de activiteit moet uitvoeren.
Ter verduidelijking is het woord louter ingevoegd in artikel 2.25.7, onderdeel a.
De minister beoogt met deze afwijzingsgrond te regelen dat als een samenwerkingsverband geen middelen aanvraagt of enkel niet subsidiabele kosten opvoert voor praktijkproeven en kennisdeling, het voorstel wordt afgewezen. Door het woord ‘louter’ in te voegen wordt dit verduidelijkt en wordt voorkomen dat de afwijzingsgrond zo gelezen kan worden dat de hele aanvraag moeten worden afgewezen als een deel van de kosten niet subsidiabel blijkt te zijn voor de activiteiten praktijkproeven en kennisdeling.
De verplichtingen uit artikel 2.25.11, tweede lid, onderdeel e, en het vierde lid, vervallen. In deze onderdelen waren als verplichting opgenomen dat een samenwerkingsverband een getekende samenwerkingsovereenkomst moet indienen bij de subsidie aanvraag en wat de samenwerkingsovereenkomst moet bevatten. In de praktijk is gebleken dat dit voor onnodige lastenverzwaring zorgt bij de aanvragers. Er wordt volstaan met het indienen van een getekende samenwerkingsovereenkomst voordat er gestart wordt met de subsidieactiviteiten. De verplichting wordt daarom opgenomen in artikel 2.25.12, zevende lid. Dit geeft aanvragers meer tijd om de overeenkomst gereed te maken. Verder wordt er in het zevende lid een verwijzing opgenomen naar artikel 1.9, eerste lid, omdat in dit algemene artikel van de regeling de inhoudelijke verplichtingen aan een samenwerkingsovereenkomst al zijn opgenomen. Per abuis waren deze verplichtingen ook opgenomen in de subsidieregeling experimenteerlocaties. Door het opnemen van een verwijzing is er geen sprake meer van onnodige herhaling.
In artikel 2.25.12 is in het eerste lid de datum 1 november als de aanleverdatum voor het tussenrapport komen te vervallen. Samenwerkingsverbanden dienen jaarlijks een tussenrapportage aan te leveren, maar dat hoeft niet standaard op 1 november. De datum waarop de eerste tussenrapportage ingediend dient te worden, is namelijk afhankelijk van de timing van de openstelling van de subsidieregeling en de datum waarop het samenwerkingsverband met zijn activiteiten wil starten. Dat is niet automatisch 1 november; de aanleverdatum voor tussenrapportages kan niet op voorhand vastgelegd worden.
Artikel 2.25.12 vervalt omdat is gebleken dat het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS) – de gestandaardiseerde manier waarop de Rijksoverheid subsidieregelingen uitvoert – toereikend is om bij de vaststelling van de subsidie vast te stellen of de investeringsactiviteiten zijn uitgevoerd. Het RUS is een bindend raamwerk voor subsidieverstrekking dat door de Rijksoverheid moet worden toegepast. Het raamwerk geeft nadere invulling aan het Uniform Subsidiekader (USK). Bij subsidies tussen de 25.000 en 125.000 euro moet de aanvrager bij de subsidievaststelling de uitgevoerde activiteiten verantwoorden. In het geval van subsidies boven de 125.000 euro dient de aanvrager de uitgevoerde activiteiten eveneens te verantwoorden en dient daarnaast een controleverklaring af te geven. De in artikel 2.25.12 opgenomen verplichtingen tot het aanleveren van een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs voor investeringen en een document waaruit blijkt of de investering in gebruik is genomen, zijn daarom overbodig.
Deze onderdelen van het wijzigingsbesluit worden toegelicht in de paragraaf inwerkingtreding en vaste verandermomenten in het algemene deel van de toelichting.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-3321.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.