Advies Raad van State inzake het Uitvoeringsbesluit hoofdstuk VIII EU-verordening batterijen

Nader Rapport

31 augustus 2026

IENW/BSK-2026/114172

Aan de Koning

Nader rapport inzake het Uitvoeringsbesluit hoofdstuk VIII EU-verordening batterijen

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 17 juli 2025, nr. 2025001666, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 november 2025, nr. W17.25.00195/IV, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan met daaronder mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2025, no.2025001666, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een ontwerpbesluit houdende regels ter gedeeltelijke uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (Uitvoeringsbesluit hoofdstuk VIII EU-verordening batterijen), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit betreft de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening,1 dat betrekking heeft op het beheer van afgedankte batterijen. Daartoe bevat het ontwerpbesluit regels over de aanwijzing van de bevoegde autoriteit voor toezicht op de naleving van de verplichtingen uit hoofdstuk VIII, de instelling van een nationaal elektronisch producentenregister en het verbod om voorschriften uit dat hoofdstuk te overtreden. De wettelijke grondslag voor het ontwerpbesluit is artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de toelichting bij het ontwerpbesluit. Aanvankelijk was het ontwerpbesluit gericht op de uitvoering van de volledige Batterijenverordening. Later is ervoor gekozen het ontwerpbesluit te beperken tot hoofdstuk VIII en de andere hoofdstukken separaat uit te voeren, op een later moment. Deze koerswijziging is echter onvoldoende doorgevoerd in de toelichting. Hierdoor geeft de toelichting geen goed inzicht in de volledige en adequate uitvoering van de Batterijenverordening.

In verband hiermee is aanpassing wenselijk van de toelichting en zo nodig van het ontwerpbesluit.

1. Inleiding

De Batterijenverordening richt zich op de gehele levenscyclus van batterijen die in de Europese Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen. De verordening bestaat uit veertien hoofdstukken. Een groot deel van de verordening stelt eisen waaraan batterijen moeten voldoen, zoals eisen over duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie. Deze regels zijn gesteld in het belang van de interne markt.2

Op 18 februari 2024 is de Batterijenverordening grotendeels van kracht geworden. De meeste hoofdstukken, met enkele uitzonderingen,3 zijn sinds die datum rechtstreeks van toepassing in de lidstaten, en dus ook in Nederland. Hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening is van toepassing met ingang van 18 augustus 2025 en daarmee geldend recht geworden in de lidstaten.

Hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening, dat met dit ontwerpbesluit wordt uitgevoerd, bevat regels over het beheer van afgedankte batterijen. Deze regels zijn gesteld in het belang van het milieu.4 De belangrijkste regels in het hoofdstuk gaan over:

  • – de aanwijzing van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen uit hoofdstuk VIII;

  • – een nationaal elektronisch producentenregister waarin producenten zich registreren en waarin per producent een goedkeuring wordt opgenomen over de nakoming van de regels uit de Batterijenverordening over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid;

  • – het verbod om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de artikelen uit hoofdstuk VIII die zich richten tot bepaalde normadressaten (zoals producenten, distributeurs, afvalverwerkers en eindgebruikers).

De Afdeling constateert dat het ontwerpbesluit een te late implementatie is van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening. Hierdoor is sinds 18 augustus 2025 sprake van een periode waarin de bepalingen van hoofdstuk VIII weliswaar gelden, maar in Nederland niet worden uitgevoerd en gehandhaafd. Dit vertraagt de realisatie van de milieudoelen van hoofdstuk VIII van de verordening.

2. Koerswijziging in wijze van uitvoering Batterijenverordening

Het voornemen was aanvankelijk om de gehele Batterijenverordening in één ontwerpbesluit uit te voeren. Dat blijkt onder meer uit de in de toelichting beschreven toetsen die de betrokken uitvoeringsinstanties hebben verricht. Deze toetsen gaan over een eerdere, bredere versie van het ontwerpbesluit dan de herziene versie die aan de Afdeling is voorgelegd.5 Het gaat om de toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF) van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de reacties van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Nederlandse Arbeidsinspectie.6

Mede naar aanleiding van de aanbevelingen hierin van de NVWA en de ILT is besloten de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening los te koppelen van de uitvoering van de rest van de verordening. De reden hiervoor was dat artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer, waar het aanvankelijk bredere ontwerpbesluit (mede) op was gebaseerd, geen wettelijke grondslag biedt voor bepaalde productregels uit de Batterijenverordening, namelijk productregels in het belang van de veiligheid van producten of gezondheid van mensen.7 Zoals in de toelichting beschreven is inmiddels een wijziging van artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer in voorbereiding om deze grondslag alsnog te bieden.8 Hierover heeft de Afdeling advisering eerder advies uitgebracht.9 Het nader rapport na dit advies is nog niet beschikbaar.

Het gevolg van deze koerswijziging is dat de uitvoeringsregels die nodig zijn om de overige hoofdstukken van de Batterijenverordening toe te kunnen passen op een later moment in werking treden dan de voorliggende regels ter uitvoering van hoofdstuk VIII.

3. Aansluiting toelichting op het ontwerpbesluit

In de toelichting is terug te zien dat deze aanvankelijk was geschreven voor een breder ontwerpbesluit dan enkel de uitvoering van hoofdstuk VIII. De tekst van de toelichting lijkt vooral te zijn aangepast door de tekstdelen over andere delen van de Batterijenverordening te verwijderen. De toelichting lijkt echter in mindere mate toegesneden op de gevolgen van de nieuwe situatie, waarin hoofdstuk VIII afzonderlijk wordt uitgevoerd, vooruitlopend op enkele andere onderdelen van de verordening. Hierdoor biedt de toelichting onvoldoende houvast om te bepalen of de Batterijenverordening juist en volledig wordt geïmplementeerd.

De keuze om ontwerpwet- en regelgeving (ingrijpend) te herzien is aan de wetgever, maar moet wel goed worden doorgevoerd in een toelichting die adequaat is voor herziene regeling. Dat is hier onvoldoende gebeurd. De Afdeling adviseert dit alsnog te doen, en de toelichting en het ontwerpbesluit op elkaar te laten aansluiten, en daarmee het gewenste inzicht te geven in een juiste en volledige implementatie van de Batterijenverordening.

De Afdeling vermeldt hieronder enkele voorbeelden die laten zien dat de toelichting de gevolgen van het ontwerpbesluit onvoldoende inzichtelijk maakt.

4. Enkele voorbeelden van onvoldoende inzichtelijke toelichting

a. Overzicht stappen voor volledige uitvoering Batterijenverordening

In de eerste plaats maakt de toelichting onvoldoende duidelijk welke stappen zullen worden gezet (en in welke volgorde) om tot een correcte en volledige toepassing van de Batterijenverordening te komen. Daarbij gaat het om vragen als: hoe ziet het verdere implementatietraject van de Batterijenverordening eruit? En hoe verhoudt dat zich tot dit besluit en tot bestaande en nog geldende nationale regelgeving rond uitgebreide producentenverantwoordelijkheid? Een overzicht hiervan is nodig om toe te lichten hoe de uitvoering van dit deel van de verordening past in het geheel van de uitvoering.

b. Samenhang met (nog) ontbrekende overige uitvoeringsregels

In de tweede plaats is niet inzichtelijk wat de gevolgen zijn van het niet tijdig treffen van de benodigde voorzieningen ter uitvoering van de hoofdstukken uit de verordening die (product-)regels stellen aan batterijen, zoals duurzaamheids-, veiligheids- en conformiteitseisen. Die voorzieningen hadden per 18 februari 2024 gereed moeten zijn.

Het ontbreken van deze uitvoeringsvoorzieningen kan van invloed zijn op de uitvoering van hoofdstuk VIII in dit ontwerpbesluit. Of dat het geval is, en zo ja, wat dat betekent, wordt niet beschreven in de toelichting. Een voorbeeld is de samenhang tussen de uitvoering van hoofdstuk VIII en de conformiteitsbeoordeling uit de hoofdstukken IV en V van de Batterijenverordening.10 Daarbij gaat het om de beoordeling of batterijen voldoen aan (onder meer) prestatie- en duurzaamheidseisen.

Een element dat nationale uitvoering behoeft is onder meer, dat de lidstaten een aanmeldende autoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op de aangemelde instanties.11 Dit wordt nog niet in het ontwerpbesluit geregeld. De transponeringstabel vermeldt dat de uitvoeringsregels in een separaat spoor vorm zullen krijgen.

c. Gevolgen voor het toezicht en de handhaving

In de derde plaats blijkt uit de toelichting niet of het opknippen van de uitvoering van de Batterijenverordening gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid van het ontwerpbesluit. Zo maken toezichthouders in de regel gebruik van de uitkomsten van conformiteitsbeoordeling. Nu dit onderdeel van de verordening nog niet wordt geïmplementeerd is voor de Afdeling onduidelijk of dit consequenties heeft voor het toezicht dat in het ontwerpbesluit wordt geregeld. Naar de Afdeling begrijpt zijn de toezichthouders niet in de gelegenheid gesteld om zich concreet hierover uit te laten. De uitvoeringstoetsen hadden zoals opgemerkt immers betrekking op een eerdere versie van het uitvoeringsbesluit waarin de gehele Batterijenverordening werd uitgevoerd.

5. Conclusie

Om de hiervoor genoemde redenen adviseert de Afdeling de toelichting, en zo nodig het ontwerpbesluit, volledig in lijn te brengen met de keuze om de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening los te koppelen van de uitvoering van de overige delen van de Batterijenverordening. Dat vergt een integrale beoordeling van de toelichting op onderdelen die eventueel niet aansluiten op het ontwerpbesluit.

Bij deze integrale beoordeling adviseert de Afdeling de toelichting, en zo nodig het ontwerpbesluit, aan te passen. Daarbij adviseert zij in ieder geval, maar niet uitsluitend, de in punt 4 genoemde aspecten aan te vullen. Het gaat dan om:

  • 1. een overzicht van de benodigde stappen voor de volledige uitvoering van de Batterijenverordening;

  • 2. de samenhang tussen de uitvoeringsvoorzieningen in dit ontwerpbesluit en de later nog te regelen uitvoeringsvoorzieningen en

  • 3. de gevolgen van het afzonderlijk uitvoeren van hoofdstuk VIII voor het toezicht en de handhaving.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling zijn het ontwerp-besluit en de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit in de volgende opzichten gewijzigd.

  • 1. De nota van toelichting is in navolging van het advies meer toegesneden op de inhoud van het ontwerpbesluit, dat alleen ziet op de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de hoofdstukken 2 en 6 van de nota van toelichting.

  • 2. In hoofdstuk 1 van de nota van toelichting is verduidelijkt welke stappen nodig zijn voor de volledige uitvoering van de Batterijenverordening. Daarbij is ook nader ingegaan op de verhouding van hoofdstuk VIII tot de overige hoofdstukken van de Batterijenverordening. Anders dan de Afdeling veronderstelt, hebben de hoofdstukken niet een zodanig verweven onderlinge relatie dat hoofdstuk VIII niet al afzonderlijk zou kunnen worden uitgevoerd. De meeste bepalingen van de Batterijenverordening gaan over het op de markt brengen en verhandelen van batterijen en de duurzaamheids-, veiligheids- en conformiteitsvereisten waaraan m.b.t. batterijen moet worden voldaan. Hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening gaat echter over de laatste fasen van de levenscyclus waarin opgebruikte batterijen worden afgedankt. Afgedankte batterijen mogen niet bij het reguliere afval belanden maar moeten apart worden ingezameld en op duurzame wijze worden verwerkt. De verplichtingen met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte batterijen (hierna: UPV) zijn rechtstreeks werkende bepalingen die los van de bepalingen van de andere hoofdstukken kunnen worden uitgevoerd. Het ontwerpbesluit is erop gericht de UPV-bepalingen van de andere hoofdstukken voor de batterijen die in Nederland op de markt zijn gebracht, te operationaliseren. Dit houdt met name in dat de inzamelings- en verwerkingsstructuur die ter nakoming van hun UPV-verplichtingen is opgezet door producentenorganisaties (bij collectieve nakoming namens de daarbij aangesloten producenten), onderscheidenlijk individuele producenten (bij individuele nakoming), wordt beoordeeld op overeenstemming met de vereisten van de Batterijenverordening en dat producenten worden geregistreerd in het producentenregister. De Minister van Klimaat en Groene Groei is in het ontwerpbesluit aangewezen als bevoegde autoriteit. Op grond van artikel 18.2b, eerste lid, onder a, Wm heeft de minister tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens o.a. titel 9.2, zoals het ontwerpbesluit, dat op artikel 9.5.2 Wm is gebaseerd. De besluiten met betrekking tot de aanvragen om goedkeuring en registratie zullen namens de minister worden genomen door Rijkswaterstaat (RWS) en met het toezicht en de bestuursrechtelijke handhaving is de Inspectie Leefmilieu en Transport (ILT) belast. De Wet op de Economische Delicten voorziet in de strafrechtelijke handhaving van een besluit dat op artikel 9.5.2 Wm is gebaseerd

  • 3. In hoofdstuk 1 en in het bijzonder in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting is nader ingegaan op de verhouding tussen de Batterijenverordening en de nationale regels inzake de UPV. Aanvankelijk was in hoofdstuk 1 aangegeven dat het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet meer van toepassing zou zijn vanaf het moment dat de regels in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 en de Regeling meldingsformulier batterijen en accu’s zijn vervallen. Bij nader inzien is dat niet correct. Dat besluit is alleen van toepassing als sprake is van een op grond van artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer vastgestelde UPV-regeling. Sinds 18 augustus 2025 vloeit voor producenten van batterijen de UPV voor batterijen die zij na die datum op het grondgebied van een lidstaat voor het eerst op de markt aanbieden, rechtstreeks voort uit artikel 56, eerste lid, van de Batterijenverordening. Omdat de UPV dus niet meer voortvloeit uit artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer gebaseerde is vanaf die datum het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet meer van toepassing voor producenten van batterijen. Tot het moment van inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit ontbreekt er echter een rechtsbasis voor het bevoegd gezag om besluiten ter uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening te nemen (met name met betrekking tot goedkeuring van de nakoming van de UPV-verplichtingen en registratie van producenten in het producentenregister) of om bij overtreding van voorschriften uit hoofdstuk VIII te handhaven. In paragraaf 1 van de nota van toelichting is deze overgangsperiode beschreven.

    Omdat het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet langer met betrekking tot batterijen van toepassing is, is het ontwerpbesluit aangevuld met een nieuw artikel 3. In het nieuwe artikel worden enkele zaken geregeld die eerder in het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid waren geregeld en die relevant blijven voor de regeling van de UPV onder de Batterijenverordening, te weten de financiële aspecten.

Het advies gaf aanleiding om de operationele aspecten van de regeling van de UPV in de Batterijenverordening goed tegen het licht te houden en preciezer in te vullen. Het gaat dan met name om de verhouding tussen het besluit tot registratie van de producent voordat hij in Nederland batterijen op de markt mag brengen en de goedkeuring van de UPV met betrekking tot afgedankte batterijen die in Nederland op de markt zijn gebracht, waaronder in het bijzonder de goedkeuring van de garantiestelling als onderdeel van de UPV. Dit heeft tot aanvullende bepalingen in het ontwerpbesluit geleid en een uitbreiding van de nota van toelichting. Daarnaast zijn verschillende bepalingen van het ontwerpbesluit gespecificeerd om er rekening mee te kunnen houden dat de verschillende producentenorganisaties zich specialiseren en alleen voor specifieke onderscheiden categorieën batterijen namens de bij haar aangesloten producenten de UPV-verplichtingen nakomen. Dit betekent dat een producent die verschillende categorieën batterijen in Nederland op de markt brengt, zich bij verschillende producentenorganisaties zal moeten aansluiten of voor één of meer van categorieën batterijen zelf de nakoming van de UPV-verplichtingen op zich zal moeten nemen. In de nota van toelichting is aanvullend beschreven wat dit betekent voor registratie- en goedkeuringsbesluiten.

De essentie van de UPV-verplichtingen is dat de producent zelf verantwoordelijk is voor de afgedankte batterijen die hij de markt heeft gebracht en dat moet worden voorkomen dat een ander dan de producent met de UPV-verplichtingen wordt belast en voor de kosten daarvan moet opdraaien. Bovendien is met betrekking tot de garantiestelling voorzien in een overgangsregeling voor de eerste periode na het van kracht worden van het besluit voor een periode van maximaal twee jaar. De verplichting om een garantiestelling geldt rechtstreeks op grond van artikel 58, zevende lid, van de Batterijenverordening. Er moet echter eerst een toetsingskader worden ontwikkeld voor de beoordeling van garantiestellingen voordat besluiten met betrekking tot aanvragen om goedkeuring van garantiestellingen kunnen worden afgehandeld. De overgangsregeling houdt in dat eerst een goedkeuring voor de nakoming van de UPV-verplichting wordt verleend, zonder daarbij het aspect van de garantiestelling te betrekken. Als het toetsingskader gereed is, zal de producenten(organisaties) worden verzocht om ten behoeve van de garantiestelling een aanvraag tot wijziging van de goedkeuring in te dienen, zodat de eerder verleende goedkeuring kan worden gecompleteerd met de vermelding van de goedgekeurde garantiestelling. Als geen goedkeuring voor de garantiestelling kan worden verleend, kan de eerder verleende goedkeuring worden ingetrokken.

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om nog enkele andere verbeteringen aan te brengen.

In het besluit is een nieuw artikel 2 opgenomen waarin is bepaald dat het besluit ook geldt in de exclusieve economische zone van Nederland in de Noordzee (EEZ). Daar geldt de Batterijenverordening namelijk ook. Volgens artikel 9.1.1 van de Wet milieubeheer moet de toepasselijkheid van dit besluit in de EEZ uitdrukkelijk worden geregeld.

Voorts zijn in de nota van toelichting verbeteringen en verduidelijkingen aangebracht. Zo is ter verbetering van de toegankelijkheid de inhoud van de hoofdstukken 1 en 3 van de nota van toelichting anders geordend. De nota van toelichting is aangevuld met een beschrijving van de operationele aspecten van de registratie en goedkeuring en garantiestelling, naar aanleiding van de veranderingen die op dit punt in het ontwerpbesluit zijn doorgevoerd.

Daarnaast zijn de artikelen 5 en 11 van het ontwerpbesluit verbeterd.

In artikel 5, derde lid, was nog geen rekening gehouden met de situatie dat een aanvraag om registratie in de praktijk wordt ingediend door een producentenorganisatie namens de bij haar aangesloten producenten in plaats van door de individuele producenten. Artikel 5 is daarom aangepast. Op grond van artikel 5 moet er aan de producentenorganisatie eerst een goedkeuring inzake de nakoming van de UPV als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Batterijenverordening zijn verleend voordat deze organisatie namens de bij haar aangesloten producenten een aanvraag om registratie kan indienen. Individuele producenten moeten, als ze niet al of moet, als geen goedkeuring is verleend, tegelijkertijd met de aanvraag om registratie een aanvraag om goedkeuring worden ingediend. Er ontbrak in het ontwerpbesluit nog een bepaling waaruit voortvloeit wat in het laatste geval de consequentie voor de beslissing op een aanvraag om registratie moet zijn als op de aanvraag om goedkeuring negatief wordt beslist. Daarom is aan artikel 5 een lid toegevoegd, waaruit voortvloeit dat een registratie niet wordt verleend als er niet tevens een goedkeuring wordt of is verleend.

Tenslotte is de opsomming in artikel 11 met enkele bepalingen uit hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening aangevuld, omdat het bij nader inzien nodig bleek om ook niet-naleving van die bepalingen te kunnen sanctioneren.

Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek u overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer.

Advies Raad van State

No. W17.25.00195/IV

’s-Gravenhage, 6 november 2025

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2025, no.2025001666, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris Infrastructuur en Waterstaat- Openbaar Vervoer en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een ontwerpbesluit houdende regels ter gedeeltelijke uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (Uitvoeringsbesluit hoofdstuk VIII EU-verordening batterijen), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit betreft de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening,1 dat betrekking heeft op het beheer van afgedankte batterijen. Daartoe bevat het ontwerpbesluit regels over de aanwijzing van de bevoegde autoriteit voor toezicht op de naleving van de verplichtingen uit hoofdstuk VIII, de instelling van een nationaal elektronisch producentenregister en het verbod om voorschriften uit dat hoofdstuk te overtreden. De wettelijke grondslag voor het ontwerpbesluit is artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de toelichting bij het ontwerpbesluit. Aanvankelijk was het ontwerpbesluit gericht op de uitvoering van de volledige Batterijenverordening. Later is ervoor gekozen het ontwerpbesluit te beperken tot hoofdstuk VIII en de andere hoofdstukken separaat uit te voeren, op een later moment. Deze koerswijziging is echter onvoldoende doorgevoerd in de toelichting. Hierdoor geeft de toelichting geen goed inzicht in de volledige en adequate uitvoering van de Batterijenverordening.

In verband hiermee is aanpassing wenselijk van de toelichting en zo nodig van het ontwerpbesluit.

1. Inleiding

De Batterijenverordening richt zich op de gehele levenscyclus van batterijen die in de Europese Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen. De verordening bestaat uit veertien hoofdstukken. Een groot deel van de verordening stelt eisen waaraan batterijen moeten voldoen, zoals eisen over duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie. Deze regels zijn gesteld in het belang van de interne markt.2

Op 18 februari 2024 is de Batterijenverordening grotendeels van kracht geworden. De meeste hoofdstukken, met enkele uitzonderingen,3 zijn sinds die datum rechtstreeks van toepassing in de lidstaten, en dus ook in Nederland. Hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening is van toepassing met ingang van 18 augustus 2025 en daarmee geldend recht geworden in de lidstaten.

Hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening, dat met dit ontwerpbesluit wordt uitgevoerd, bevat regels over het beheer van afgedankte batterijen. Deze regels zijn gesteld in het belang van het milieu.4 De belangrijkste regels in het hoofdstuk gaan over:

  • – de aanwijzing van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen uit hoofdstuk VIII;

  • – een nationaal elektronisch producentenregister waarin producenten zich registreren en waarin per producent een goedkeuring wordt opgenomen over de nakoming van de regels uit de Batterijenverordening over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid;

  • – het verbod om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de artikelen uit hoofdstuk VIII die zich richten tot bepaalde normadressaten (zoals producenten, distributeurs, afvalverwerkers en eindgebruikers).

De Afdeling constateert dat het ontwerpbesluit een te late implementatie is van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening. Hierdoor is sinds 18 augustus 2025 sprake van een periode waarin de bepalingen van hoofdstuk VIII weliswaar gelden, maar in Nederland niet worden uitgevoerd en gehandhaafd. Dit vertraagt de realisatie van de milieudoelen van hoofdstuk VIII van de verordening.

2. Koerswijziging in wijze van uitvoering Batterijenverordening

Het voornemen was aanvankelijk om de gehele Batterijenverordening in één ontwerpbesluit uit te voeren. Dat blijkt onder meer uit de in de toelichting beschreven toetsen die de betrokken uitvoeringsinstanties hebben verricht. Deze toetsen gaan over een eerdere, bredere versie van het ontwerpbesluit dan de herziene versie die aan de Afdeling is voorgelegd.5 Het gaat om de toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF) van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de reacties van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Nederlandse Arbeidsinspectie.6

Mede naar aanleiding van de aanbevelingen hierin van de NVWA en de ILT is besloten de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening los te koppelen van de uitvoering van de rest van de verordening. De reden hiervoor was dat artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer, waar het aanvankelijk bredere ontwerpbesluit (mede) op was gebaseerd, geen wettelijke grondslag biedt voor bepaalde productregels uit de Batterijenverordening, namelijk productregels in het belang van de veiligheid van producten of gezondheid van mensen.7 Zoals in de toelichting beschreven is inmiddels een wijziging van artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer in voorbereiding om deze grondslag alsnog te bieden.8 Hierover heeft de Afdeling advisering eerder advies uitgebracht.9 Het nader rapport na dit advies is nog niet beschikbaar.

Het gevolg van deze koerswijziging is dat de uitvoeringsregels die nodig zijn om de overige hoofdstukken van de Batterijenverordening toe te kunnen passen op een later moment in werking treden dan de voorliggende regels ter uitvoering van hoofdstuk VIII.

3. Aansluiting toelichting op het ontwerpbesluit

In de toelichting is terug te zien dat deze aanvankelijk was geschreven voor een breder ontwerpbesluit dan enkel de uitvoering van hoofdstuk VIII. De tekst van de toelichting lijkt vooral te zijn aangepast door de tekstdelen over andere delen van de Batterijenverordening te verwijderen. De toelichting lijkt echter in mindere mate toegesneden op de gevolgen van de nieuwe situatie, waarin hoofdstuk VIII afzonderlijk wordt uitgevoerd, vooruitlopend op enkele andere onderdelen van de verordening. Hierdoor biedt de toelichting onvoldoende houvast om te bepalen of de Batterijenverordening juist en volledig wordt geïmplementeerd.

De keuze om ontwerpwet- en regelgeving (ingrijpend) te herzien is aan de wetgever, maar moet wel goed worden doorgevoerd in een toelichting die adequaat is voor herziene regeling. Dat is hier onvoldoende gebeurd. De Afdeling adviseert dit alsnog te doen, en de toelichting en het ontwerpbesluit op elkaar te laten aansluiten, en daarmee het gewenste inzicht te geven in een juiste en volledige implementatie van de Batterijenverordening.

De Afdeling vermeldt hieronder enkele voorbeelden die laten zien dat de toelichting de gevolgen van het ontwerpbesluit onvoldoende inzichtelijk maakt.

4. Enkele voorbeelden van onvoldoende inzichtelijke toelichting

a. Overzicht stappen voor volledige uitvoering Batterijenverordening

In de eerste plaats maakt de toelichting onvoldoende duidelijk welke stappen zullen worden gezet (en in welke volgorde) om tot een correcte en volledige toepassing van de Batterijenverordening te komen. Daarbij gaat het om vragen als: hoe ziet het verdere implementatietraject van de Batterijenverordening eruit? En hoe verhoudt dat zich tot dit besluit en tot bestaande en nog geldende nationale regelgeving rond uitgebreide producentenverantwoordelijkheid? Een overzicht hiervan is nodig om toe te lichten hoe de uitvoering van dit deel van de verordening past in het geheel van de uitvoering.

b. Samenhang met (nog) ontbrekende overige uitvoeringsregels

In de tweede plaats is niet inzichtelijk wat de gevolgen zijn van het niet tijdig treffen van de benodigde voorzieningen ter uitvoering van de hoofdstukken uit de verordening die (product-)regels stellen aan batterijen, zoals duurzaamheids-, veiligheids- en conformiteitseisen. Die voorzieningen hadden per 18 februari 2024 gereed moeten zijn.

Het ontbreken van deze uitvoeringsvoorzieningen kan van invloed zijn op de uitvoering van hoofdstuk VIII in dit ontwerpbesluit. Of dat het geval is, en zo ja, wat dat betekent, wordt niet beschreven in de toelichting. Een voorbeeld is de samenhang tussen de uitvoering van hoofdstuk VIII en de conformiteitsbeoordeling uit de hoofdstukken IV en V van de Batterijenverordening.10 Daarbij gaat het om de beoordeling of batterijen voldoen aan (onder meer) prestatie- en duurzaamheidseisen.

Een element dat nationale uitvoering behoeft is onder meer, dat de lidstaten een aanmeldende autoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op de aangemelde instanties.11 Dit wordt nog niet in het ontwerpbesluit geregeld. De transponeringstabel vermeldt dat de uitvoeringsregels in een separaat spoor vorm zullen krijgen.

c. Gevolgen voor het toezicht en de handhaving

In de derde plaats blijkt uit de toelichting niet of het opknippen van de uitvoering van de Batterijenverordening gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid van het ontwerpbesluit. Zo maken toezichthouders in de regel gebruik van de uitkomsten van conformiteitsbeoordeling. Nu dit onderdeel van de verordening nog niet wordt geïmplementeerd is voor de Afdeling onduidelijk of dit consequenties heeft voor het toezicht dat in het ontwerpbesluit wordt geregeld. Naar de Afdeling begrijpt zijn de toezichthouders niet in de gelegenheid gesteld om zich concreet hierover uit te laten. De uitvoeringstoetsen hadden zoals opgemerkt immers betrekking op een eerdere versie van het uitvoeringsbesluit waarin de gehele Batterijenverordening werd uitgevoerd.

5. Conclusie

Om de hiervoor genoemde redenen adviseert de Afdeling de toelichting, en zo nodig het ontwerpbesluit, volledig in lijn te brengen met de keuze om de uitvoering van hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening los te koppelen van de uitvoering van de overige delen van de Batterijenverordening. Dat vergt een integrale beoordeling van de toelichting op onderdelen die eventueel niet aansluiten op het ontwerpbesluit.

Bij deze integrale beoordeling adviseert de Afdeling de toelichting, en zo nodig het ontwerpbesluit, aan te passen. Daarbij adviseert zij in ieder geval, maar niet uitsluitend, de in punt 4 genoemde aspecten aan te vullen. Het gaat dan om:

  • 1. een overzicht van de benodigde stappen voor de volledige uitvoering van de Batterijenverordening;

  • 2. de samenhang tussen de uitvoeringsvoorzieningen in dit ontwerpbesluit en de later nog te regelen uitvoeringsvoorzieningen en

  • 3. de gevolgen van het afzonderlijk uitvoeren van hoofdstuk VIII voor het toezicht en de handhaving.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ... houdende regels ter gedeeltelijke uitvoering van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (Uitvoeringsbesluit hoofdstuk VIII EU-verordening batterijen) [KetenID WGK27364]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 14 juli 2025, nr. IenW/BSK-2025/148055, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG en artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. );

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 (begripsbepalingen)

In dit besluit wordt verstaan onder:

batterij:

batterij als bedoeld in artikel 3, onder 1, van de EU-verordening batterijen;

EU-verordening batterijen:

Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG;

gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid:

gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 3, onder 48, van de EU-verordening batterijen;

goedkeuring:

goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de EU-verordening batterijen;

organisatie voor producentenverantwoordelijkheid:

organisatie voor producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 3, onder 49, van de EU-verordening batterijen;

producent:

producent als bedoeld in artikel 3, onder 47, van de EU-verordening batterijen en een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van de EU-verordening batterijen;

producentenregister:

producentenregister, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

HOOFDSTUK 2 AANWIJZING AUTORITEIT EN ELEKTRONISCHE VOORZIENING

Artikel 2 (aanwijzing bevoegde autoriteit)

Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 54, eerste lid, en 57, derde lid, tweede zin, van de EU-verordening batterijen.

Artikel 3 (elektronische voorziening)

Onze Minister stelt een elektronische voorziening beschikbaar met gebruikmaking waarvan:

  • a. de volgende aanvragen worden ingediend:

    • 1°. een aanvraag om registratie in het producentenregister;

    • 2°. een aanvraag om goedkeuring;

  • b. Onze Minister in kennis wordt gesteld van:

    • 1°. wijzigingen van de gegevens in het producentenregister;

    • 2°. wijzigingen van de informatie in de goedkeuring;

    • 3°. wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden van de goedkeuring;

    • 4°. de definitieve stopzetting van het op de markt aanbieden van in het producentenregister vermelde batterijen; en

    • 5°. de definitieve stopzetting van activiteiten, bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de EU-verordening batterijen; en

  • c. informatie als bedoeld in artikel 75, eerste tot en met zesde lid, van de EU-verordening batterijen wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 3 PRODUCENTENREGISTER EN UITGEBREIDE PRODUCENTENVERANTWOORDELIJKHEID

Artikel 4 (producentenregister)
  • 1. Er is een producentenregister als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de EU-verordening batterijen.

  • 2. Onze Minister is de verwerkingsverantwoordelijke, bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor het verwerken van persoonsgegevens in het producentenregister.

Artikel 5 (aanvraag registratie)
  • 1. Een aanvraag om registratie in het producentenregister wordt ingediend met gebruikmaking van de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3. Een ingediende aanvraag geldt als ondertekend.

  • 2. De aanvraag kan worden ingediend door:

    • a. een producent die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomt;

    • b. namens de producent door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; of

    • c. namens de producent door een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid.

  • 3. Een producent of gemachtigde als bedoeld in het tweede lid kan een aanvraag alleen indienen:

    • a. als de producent beschikt over een goedkeuring;

    • b. als de producent is aangesloten bij een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid die over een besluit tot goedkeuring beschikt; of

    • c. gelijktijdig met de aanvraag om goedkeuring.

  • 4. De aanvraag bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 55, derde lid, onder a, b, c en e, van de EU-verordening batterijen.

  • 5. Onze Minister beslist op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd.

Artikel 6 (wijziging gegevens producentenregister)

Een producent die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomt of, namens die producent, een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, stelt met gebruikmaking van de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3, Onze Minister zo spoedig mogelijk op de hoogte van:

  • a. wijzigingen van de gegevens in het producentenregister; en

  • b. de definitieve stopzetting van het op de markt aanbieden van in het producentenregister vermelde batterijen.

Artikel 7 (intrekking registratie)
  • 1. Onze Minister kan het besluit tot registratie intrekken als de producent niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 55, derde lid, onder d, van de EU-verordening batterijen.

  • 2. Onze Minister trekt het besluit tot registratie in als de producent niet langer bestaat.

Artikel 8 (aanvraag goedkeuring)
  • 1. Een aanvraag om goedkeuring wordt ingediend met gebruikmaking van de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3. Een ingediende aanvraag geldt als ondertekend.

  • 2. De aanvraag kan worden ingediend:

    • a. door een producent die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomt;

    • b. namens de producent door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; of

    • c. namens de producent door een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid.

  • 3. De aanvraag bevat:

    • a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 55, derde lid, aanhef en onder d en e van de EU-verordening batterijen; en

    • b. gegevens en bescheiden waarmee wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, onder a en b, van de EU-verordening batterijen.

  • 4. Onze Minister beslist op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmaal met vier weken worden verlengd.

  • 5. Onze Minister besluit alleen tot goedkeuring als bij de aanvraag is aangetoond dat is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, onder a en b, van de EU-verordening batterijen.

Artikel 9 (wijziging gegevens goedkeuring)

Een producent die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomt of, namens die producent, een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, stelt Onze Minister met gebruikmaking van de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3, zo spoedig mogelijk op de hoogte van:

  • a. wijzigingen van de informatie in de goedkeuring;

  • b. wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden van de goedkeuring; en

  • c. de definitieve stopzetting van activiteiten, bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de EU-verordening batterijen.

Artikel 10 (intrekking goedkeuring)

Onze Minister kan het besluit tot goedkeuring intrekken in een geval als bedoeld in artikel 58, zesde lid, van de EU-verordening batterijen.

HOOFDSTUK 4 VERBODEN EN OVERIGE VERPLICHTINGEN

Artikel 11 (verboden EU-verordening batterijen)

Het is verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de artikelen 55, tweede, derde en twaalfde lid, 56, derde lid, 58, vierde, vijfde en zevende lid, 59, eerste tot en met derde lid, 60, eerste tot en met vierde lid, 61, eerste alinea, 62, 64, 65, 70, eerste tot en met derde lid, 71, eerste tot en met derde lid, 73, eerste en tweede lid, 74, eerste tot en met vijfde lid, en 75, eerste tot en met zevende lid, van de EU-verordening batterijen.

Artikel 12 (elektronische voorziening voor jaarlijkse rapportage)

Informatie als bedoeld in artikel 75, eerste tot en met zesde lid, van de EU-verordening batterijen wordt verstrekt met gebruikmaking van de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 3.

HOOFDSTUK 5 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 13 (wijziging Besluit beheer autowrakken)

Artikel 2, tweede lid, van het Besluit beheer autowrakken komt te luiden:

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op:

    • a. producten voor zover daaromtrent regels zijn gesteld in de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; en

    • b. batterijen als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG.

Artikel 14 (wijziging Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen)

Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage I, onder 1, onderdeel i, komt te luiden:

  • i. afgedankte batterijen als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG;.

B

Bijlage III, onder c, komt te luiden:

  • c. afgedankte batterijen als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG;.

Artikel 15 (inwerkingtreding)

Dit besluit treedt in werking met ingang van 18 augustus 2025.

Artikel 16 (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringbesluit Hoofdstuk VIII EU-verordening batterijen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu,

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen

Hoofdstuk 1. Inleiding

Dit besluit strekt ter uitvoering van hoofdstuk VIII van Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van de Richtlijn batterijen1 (PbEU 2023, L 191) (hierna: Batterijenverordening). De verordening bevat een geharmoniseerd regelgevingskader voor de gehele levenscyclus van batterijen die in de Europese Unie (hierna ook: Unie) in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen en vervangt de Richtlijn batterijen.

De Richtlijn batterijen is geïmplementeerd in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008, de Regeling meldingsformulier batterijen en accu’s en het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en voor een beperkt deel ook in de Regeling afgedankte elektronische en elektrische apparatuur.

Omdat voorschriften in de Batterijenverordening voor de regels in de Richtlijn batterijen in de plaats komen, voorziet dit besluit in een wijziging van de hiervoor genoemde algemene maatregel van bestuur en zullen via een separaat spoor de bepalingen Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 en de Regeling meldingsformulier batterijen en accu’s vervallen en de Regeling afgedankte elektronische en elektrische apparatuur worden gewijzigd.

Als de regels in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 en de Regeling meldingsformulier batterijen en accu’s zijn vervallen, zal op batterijen niet meer een op grond van artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer vastgestelde regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing zijn, en daarmee ook niet meer het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Dat besluit is namelijk alleen van toepassing wanneer een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op grond van artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer is vastgesteld.2 In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer is gedefinieerd wat een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is.3 Uit artikel 56, eerste lid, van de Batterijenverordening vloeit rechtstreeks voort dat producenten een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid hebben voor batterijen die zij voor het eerst op de markt aanbieden op het grondgebied van een lidstaat.

Dit besluit voorziet alleen in de uitvoering van het deel van de Batterijenverordening dat gaat over of verband houdt met het beheer van afgedankte batterijen. Deze regels schrijven onder meer voor dat de lidstaten een producentenregister moeten opstellen en administratieve en procedurele regels moeten vaststellen voor de registratie van de producenten in dat register en de goedkeuring van de producenten en de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid betreffende de nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.4

Het overige deel van de Batterijenverordening zal worden uitgevoerd via een separaat regelgevingsspoor, omdat de Wet milieubeheer op dit moment niet voldoende rechtsbasis hiervoor biedt. Het gaat hierbij om regels in de verordening die verband houden met het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen, zoals de in de hoofdstukken II en III opgenomen duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings-, markerings- en informatievereisten, en de in de verordening opgenomen regels die verband houden met de beoordeling van de conformiteit van batterijen en van conformiteitsbeoordelingsinstanties. Een belangrijk deel van die regels is, behalve op de bescherming van het milieu of de gezondheid van de mens, ook gericht op de productveiligheid van batterijen. Er is thans een wijziging van de Wet milieubeheer in voorbereiding, waarmee wordt beoogd de noodzakelijke rechtsbasis te bieden om ook aan dat deel van de verordening uitvoering te kunnen geven.

Hoofdstuk 9 van het algemeen deel van deze nota van toelichting bevat een transponeringstabel waarin ook zichtbaar wordt gemaakt aan welke bepalingen uit de Batterijenverordening via een separaat regelgevingsspoor uitvoering zal worden gegeven.

Hoofdstuk 2. Batterijenverordening
§ 2.1 Achtergrond verordening

De Europese Green Deal5 is de groeistrategie die de Europese Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Batterijen zijn een belangrijke drager van energie en één van de essentiële middelen die duurzame ontwikkeling, groene mobiliteit, schone energie en klimaatneutraliteit mogelijk maken. Het is noodzakelijk om het Unierecht betreffende de batterijketen en het beheer van afgedankte batterijen te actualiseren. Daarbij moeten maatregelen genomen worden om het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen door nadelige effecten van het ontstaan en het beheer van afval te voorkomen of te verminderen, de impact van het gebruik van hulpbronnen te verminderen en de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren. Die maatregelen zijn van cruciaal belang voor de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie en een gifvrij milieu, en voor het concurrentievermogen en de strategische autonomie van de Unie op lange termijn. De verwachting is dat de vraag naar batterijen de komende jaren snel zal toenemen. Drijvende kracht hierachter zijn met name elektrische wegvoertuigen en lichte vervoermiddelen die voor hun aandrijving gebruikmaken van tractiebatterijen.

Regulering van de batterijketen biedt alle betrokken marktdeelnemers rechtszekerheid en voorkomt discriminatie, handelsbelemmeringen en verstoringen op de batterijmarkt. Daarvoor moeten geharmoniseerde productvereisten en handelsvoorschriften worden vastgesteld, met inbegrip van conformiteitsbeoordelingsprocedures. Er zijn ook voorschriften nodig om de eindfase van de levenscyclus van batterijen volledig aan te pakken. Regels over de duurzaamheid, de prestaties, de veiligheid, de inzameling en de recycling van, en een tweede leven voor, batterijen moeten worden vastgesteld. Daarnaast moeten er ook voorschriften zijn over informatie over batterijen voor eindgebruikers en marktdeelnemers. Dit resulteert in een geharmoniseerd regelgevingskader voor de gehele levenscyclus van batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht. Al deze voorschriften zijn nodig om de milieugevolgen van de batterijen aan te pakken en met name om de totstandbrenging van recyclingmarkten voor batterijen en markten voor secundaire grondstoffen uit afgedankte batterijen te ondersteunen.

Om bovenstaande redenen is de Richtlijn batterijen vervangen door een Europese verordening voor batterijen, die mede tot doel heeft om in één rechtsinstrument de beoogde doelstellingen inzake het aanpakken van de gehele levenscyclus van een batterij te bereiken en tegelijk handelsbelemmeringen en concurrentieverstoringen te vermijden en de integriteit van de interne markt te waarborgen. De regels waarin de eisen voor batterijen zijn vastgelegd, moeten voor alle marktdeelnemers in de hele Unie eenvormig worden toegepast en mogen geen ruimte laten voor een uiteenlopende uitvoering door de lidstaten. Daarom is ervoor gekozen om een verordening vast te stellen in plaats van een richtlijn.

§ 2.2 Toepassingsbereik verordening

De Batterijenverordening is van toepassing op alle categorieën batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, ongeacht of een batterij:

  • • in de Unie is geproduceerd of is ingevoerd;

  • • is ingebouwd in apparaten, in lichte vervoermiddelen of in andere voertuigen of anderszins aan producten is toegevoegd, dan wel of een batterij afzonderlijk in de Unie in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen;

  • • specifiek voor een product is ontworpen of algemeen gebruikt wordt; of

  • • in een product is verwerkt of samen met of afzonderlijk van een product waarin de batterij gebruikt zal worden, wordt geleverd.

In de Batterijenverordening worden enkele uitzonderingen op dit toepassingsbereik gemaakt.6 Het gaat dan om batterijen die zijn ingebouwd in, of specifiek zijn ontworpen om te worden ingebouwd in apparatuur die wordt aangewend in samenhang met de bescherming van wezenlijke belangen in verband met de veiligheid van de lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal of apparatuur die is bestemd om de ruimte ingestuurd te worden of om apparatuur die specifiek is ontworpen voor de veiligheid van kerninstallaties.

Het in de handel brengen wordt geacht plaats te vinden wanneer de batterij voor het eerst op de markt van de Unie is aangeboden, doordat ze door de fabrikant of importeur is geleverd voor distributie, consumptie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling. Batterijen die vóór de datum van toepassing van de desbetreffende voorschriften van deze verordening in de Unie in voorraad zijn genomen door distributeurs, waaronder detailhandelaars, groothandelaars en verkoopafdelingen van fabrikanten, hoeven niet aan die voorschriften te voldoen

§ 2.3 Inhoud verordening

De Batterijenverordening beoogt de nadelige effecten van batterijen voor de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen en te verminderen, en te zorgen voor een veilige en duurzame batterijwaardeketen voor alle batterijen, rekening houdend met bijvoorbeeld de koolstofvoetafdruk van de batterijfabricage, de ethische winning van grondstoffen en de voorzieningszekerheid, en het vergemakkelijken van hergebruik, herbestemming en recycling.

Met de Batterijenverordening wordt gestreefd naar betere milieuprestaties van batterijen en van de activiteiten van alle marktdeelnemers die betrokken zijn bij de levenscyclus van batterijen, zoals producenten, distributeurs en eindgebruikers, en met name marktdeelnemers die rechtstreeks betrokken zijn bij de verwerking en recycling van afgedankte batterijen. De verordening is er op gericht de nadelige effecten van het genereren van batterijen en van het beheer van afgedankte batterijen op de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen en te verminderen, het gebruik van hulpbronnen te doen afnemen en de praktische toepassing van de afvalhiërarchie te bevorderen.

De Batterijenverordening bevat:

  • a. eisen inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie om het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen in de Europese Unie toe te staan (hoofdstukken II tot en met VI en IX);

  • b. minimumeisen voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, voor de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen en voor rapportage (hoofdstuk VIII);

  • c. eisen wat betreft beleid van passende zorgvuldigheid inzake voor marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen (hoofdstuk VII); en

  • d. eisen inzake groene overheidsopdrachten die gelden bij de inkoop van batterijen of producten waarin batterijen zijn ingebouwd (hoofdstuk XI).

§ 2.4 Rechtsgrondslag verordening

De Batterijenverordening is, met uitzondering van hoofdstuk VIII, gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag van de werking van de Europese Unie (VWEU). Deze grondslag is gekozen om verschillen die het vrije verkeer van batterijen belemmeren, te voorkomen en in de gehele interne Europese markt eenvormige verplichtingen en vereisten vast te stellen. De artikelen in hoofdstuk VIII, waaraan in dit besluit voor zover nodig uitvoering wordt gegeven, zijn gebaseerd op artikel 192, eerste lid, VWEU. Die artikelen hebben betrekking op het beheer van afgedankte batterijen.

§ 2.5 Relatie met de Kaderrichtlijn afvalstoffen7

De artikelen over het beheer van afgedankte batterijen in de Batterijenverordening bouwen voort op de regels voor afvalbeheer en de algemene beginselen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De Batterijenverordening is een lex specialis in relatie tot de Kaderrichtlijn afvalstoffen voor de minimumeisen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake inzamelings- en recyclingdoelstellingen, terugname door distributeurs en tweede leven.

§ 2.6 Relatie met Richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur8 en de Richtlijn autowrakken9

Afgedankte batterijen moeten samen met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur kunnen worden ingezameld via nationale inzamelingssystemen die zijn opgezet op basis van de Richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en samen met autowrakken overeenkomstig de Richtlijn autowrakken. Dit biedt een coherente en complementaire aanpak die voortbouwt op de bestaande structuren voor afvalbeheer en die verder harmoniseert. In die situatie moeten de batterijen, als verplichte minimale verwerkingsvereiste, van de ingezamelde afgedankte apparaten en autowrakken worden afgezonderd. Na afzondering van de ingezamelde afgedankte apparaten en autowrakken zijn op de batterijen de vereisten van de Batterijenverordening van toepassing. Dergelijke afgedankte batterijen moeten met name worden meegeteld voor het bereiken van de inzamelingsdoelstelling voor die batterijcategorie en de in de verordening vastgelegde verwerkings- en recyclingvoorschriften zijn erop van toepassing.

§ 2.7 Relatie met de Markttoezichtverordening10

De Markttoezichtverordening bevat de algemene voorschriften voor markttoezicht en controle op producten waarvoor Europese regelgeving is vastgesteld die in de handel in de Unie worden gebracht of de markt van de Unie binnenkomen vanuit derde landen.

Om ervoor te zorgen dat batterijen die vallen onder het vrije verkeer van goederen voldoen aan eisen die een hoog beschermingsniveau bieden voor algemene belangen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen en de bescherming van eigendommen en het milieu, en om te waarborgen dat de verplichtingen uit hoofde van de Batterijenverordening, met name wat betreft het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, volledig kunnen worden gehandhaafd, zijn batterijen waarop de Batterijenverordening van toepassing is, ook onder de reikwijdte van Markttoezichtverordening gebracht. Artikel 91 van de Batterijenverordening voorziet hierin.

§ 2.8 Relatie met de digitaledienstenverordening11

In de Batterijenverordening12 is bepaald hoe de traceerbaarheid van de digitaledienstenverordening vastgelegde verplichtingen van handelaren moet worden toegepast op onlineplatforms waarop consumenten overeenkomsten op afstand kunnen sluiten met producenten die batterijen aanbieden, waaronder batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, en op consumenten die zich in de Unie bevinden wat betreft de op grond van deze verordening opgezette producentenregisters. Voor de toepassing van de Batterijenverordening moet iedere producent die door middel van overeenkomsten op afstand rechtstreeks aan consumenten die zich in een lidstaat bevinden batterijen aanbiedt, waaronder batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, worden beschouwd als een handelaar als gedefinieerd in de digitaledienstenverordening. Op grond van die verordening moeten aanbieders van onlineplatforms die binnen het toepassingsgebied van afdeling 4 van hoofdstuk III vallen en die consumenten de mogelijkheid bieden overeenkomsten op afstand te sluiten met producenten, van die producenten informatie verkrijgen over het producentenregister waarin zij staan geregistreerd, alsook hun registratienummer en een zelfcertificering waardoor zij zich ertoe verbinden te voldoen aan de in deze verordening vastgelegde voorschriften inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De uitvoering van de regels inzake de traceerbaarheid van handelaren voor de onlineverkoop van batterijen is onderhevig aan de in de digitaledienstenverordening vastgelegde handhavingsregels.

Hoofdstuk 3. Hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening en de uitvoering daarvan in dit besluit
§ 3.1 Achtergrond

Geharmoniseerde regels voor afvalstoffenbeheer zijn ingevoerd om te waarborgen dat producenten en andere marktdeelnemers in alle lidstaten aan dezelfde regels worden onderworpen bij het uitvoeren van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen en om voor een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu in de hele Unie te zorgen. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kan bijdragen aan vermindering van het totale gebruik van hulpbronnen, met name door het inzamelen en verwerken van afgedankte batterijen en de nadelige effecten van het beheer van afgedankte batterijen te beperken. Maximaliseren van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en ervoor zorgen dat alle ingezamelde afgedankte batterijen worden gerecycled in processen die minimale recyclingrendementen bereiken, zijn noodzakelijk om hoge niveaus van materiaalterugwinning te bereiken.

De Batterijenverordening bouwt voort op de regels voor afvalbeheer en de algemene beginselen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen die zijn toegesneden op de specifieke aard van afgedankte batterijen. Om de inzameling van afgedankte batterijen zo efficiënt mogelijk te organiseren, is het van belang dat dat zowel dicht bij de plaats waar de batterijen worden verkocht als dicht bij de eindgebruiker gebeurt. Afgedankte batterijen moeten gescheiden van andere afvalstromen, zoals metaal, papier en karton, glas, kunststof, hout, textiel en bioafval, worden ingezameld. Ook moet het mogelijk zijn afgedankte batterijen samen met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en met autowrakken in te zamelen. De eisen aan de inzameling voor industriële batterijen en batterijen in auto’s zijn nader uitgeschreven in artikel 61 van de Batterijenverordening.

Om na te gaan of producenten hun verplichtingen nakomen met betrekking tot het afvalbeheer van de voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aangeboden batterijen, is het noodzakelijk dat in elke lidstaat een register wordt ingesteld en beheerd door de bevoegde autoriteit.13 Een registratie is noodzakelijk om batterijen als producent in Nederland op de markt te kunnen brengen. De informatie in het register moet toegankelijk zijn voor onder andere de entiteiten die betrokken zijn bij het nagaan of de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in acht wordt genomen en wordt gehandhaafd. Van producenten wordt vereist dat zij zich laten registreren zodat de bevoegde autoriteiten over de nodige informatie beschikken om na te gaan of producenten hun verplichtingen nakomen. Ook aanbieders van onlineplatforms die consumenten de mogelijkheid bieden overeenkomsten op afstand te sluiten, moeten van die producenten informatie verkrijgen over het producentenregister waarin zij staan geregistreerd, alsook hun registratienummer.14 In het register zullen minimaal dezelfde gegevens openbaar toegankelijk zijn als in het huidige register. Ook de besluiten tot goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid15 zullen openbaar zijn.

§ 3.2 Uitvoering Batterijenverordening in dit besluit

De lidstaten moeten de bevoegde autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk VIII (Beheer afgedankte batterijen). Dit betreft een bevoegde autoriteit voor het toezicht op en de controle van de naleving door producenten en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid (hierna: producentenorganisaties) van hun verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk VIII.16 Daarnaast moeten lidstaten een bevoegde autoriteit of een onafhankelijke derde aanwijzen om erop toe te zien dat de producentenorganisaties hun verplichtingen op gecoördineerde wijze nakomen.17

In dit besluit is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen als de bevoegde autoriteit.18 De daaruit voortvloeiende taken en bevoegdheden met betrekking tot de besluiten over de registratie in het producentenregister en over de goedkeuring inzake de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid waarvoor de minister in dit besluit als bevoegd gezag is aangewezen, zullen in mandaat worden geoefend door Rijkswaterstaat. Regulier toezicht wordt uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT).

De lidstaten moeten voorts voorzien in de administratieve en procedurele regels voor de registratie van de producenten in het producentenregister en de goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.19 Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om de registratieprocedure en de goedkeuringsprocedure één enkele procedure te laten vormen.20 In dit besluit zijn de registratieprocedure en de goedkeuringsprocedure twee gescheiden procedures. Om als producent geregistreerd te kunnen worden in het producentenregister, moet er ook een goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn verleend. In onderstaande wordt dit nader toegelicht. De Batterijenverordening laat ruimte tot individuele en collectieve nakoming van de plichten inzake de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Als een producentenorganisatie is aangesteld door producenten zijn de verplichtingen die voor producenten voortvloeien uit de Batterijenverordening van overeenkomstige toepassing op die organisatie. Voor online aanbieders geldt dat zij een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten aanwijzen. Als er op grond van artikel 15.36, eerste lid, van de Wet milieubeheer een overeenkomst inzake een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend is verklaard, is de aansluiting van producenten bij die producentenorganisatie verplicht voor de producenten van die productgroep. De naleving van de overeenkomst en het betalen van de afvalbeheerbijdrage is een civielrechtelijke aangelegenheid.

Bij de aansluiting van een producent bij een producentenorganisatie gaan de UPV-verplichtingen van de producent over op de producentenorganisatie. De producent betaalt hiervoor een afvalbeheerbijdrage. De producentenorganisatie wordt daarmee ook bestuursrechtelijk verantwoordelijk voor de naleving van de op haar overgegane verplichtingen.

De artikelen 4 tot en met 7 van dit besluit bevatten regels over de registratie van producenten in het register en de artikelen 8 tot en met 10 van dit besluit bevatten regels over de goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

In de Batterijenverordening is aangegeven welke gegevens bij de aanvraag om registratie en bij de aanvraag om goedkeuring moeten worden aangeleverd.21 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een elektronische voorziening beschikbaar via welke de aanvragen tot registratie en tot goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kunnen worden ingediend.22 Een aanvraag om registratie of een aanvraag om goedkeuring hoeven niet van een elektronische handtekening te worden voorzien. Uit de artikelen 5, eerste lid, en 8, eerste lid, van dit besluit vloeit voort dat dergelijke aanvragen als ondertekend gelden.

Via deze voorzieningen moeten aanvragen tot registratie en tot goedkeuring worden ingediend en worden de gegevens daarin verwerkt. Deze voorziening wordt beheerd door Rijkswaterstaat. Door het systeem te doorlopen, kan alle benodigde informatie wordt aangeleverd.

De aanvraag om registratie en de aanvraag om goedkeuring kunnen worden ingediend door een producent die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomt, namens de producent door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of namens de producent door een producentenorganisatie.23

Bij de aanvraag om goedkeuring moet onder meer informatie worden verstrekt over hoe de producent zijn in artikel 56 van de verordening neergelegde verantwoordelijkheden inzake de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid nakomt en dat wordt voldaan aan de eisen inzake de inzameling van afgedankte batterijen uit de artikelen 59, 60 en 61 van de verordening. Daarnaast moet informatie worden verstrekt waaruit blijkt dat voldaan wordt aan artikel 58, tweede lid, onder a en b, van de verordening. In geval een producentenorganisatie de aanvraag namens daarbij aangesloten producenten indient, levert de producentenorganisatie de vereiste informatie over de aangesloten producenten. De keuze is gemaakt voor te schrijven dat deze informatie bij de aanvraag om goedkeuring moet worden verstrekt in plaats van bij de aanvraag om registratie in het producentenregister. De Batterijenverordening biedt die ruimte.24

Als een aanvraag om registratie wordt ingediend door een producent die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomt of door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, dan moeten de aanvragen om registratie en de aanvraag om goedkeuring gelijktijdig worden ingediend of moet bij de aanvraag om registratie worden aangetoond dat de producent beschikt over goedkeuring of dat de producent is aangesloten bij een producentenorganisatie die over goedkeuring beschikt.25

Als registratie en goedkeuring niet gelijktijdig worden aangevraagd en bij de ingediende aanvraag om registratie niet kan worden aangetoond dat de producent of de producentenorganisatie over goedkeuring beschikt, dan is er sprake van een ongenoegzame aanvraag. Rijkswaterstaat zal dan overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager eerst de mogelijkheid bieden om de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Mocht binnen die termijn niet kunnen worden aangetoond dat over goedkeuring wordt beschikt, dan zal Rijkswaterstaat besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen.

Indien een producent niet langer voldoet aan de verplichtingen uit bijvoorbeeld de artikelen 56, 59, 60 en 61 van de Batterijenverordening, kan de registratie worden ingetrokken.26 Daarnaast kan de goedkeuring worden ingetrokken als bijvoorbeeld een inzamelingsdoelstelling niet wordt behaald of sprake is van nalatigheid bij rapporteren.27 Uit rapportages en het mechanisme voor zelfbeheer blijkt of producenten of hun organisaties blijven voldoen aan de verplichtingen.28 De ILT houdt toezicht of een inzamelingsdoelstelling wordt behaald. Producenten en producentenorganisaties moeten de bevoegde autoriteit in kennis stellen van wijziging of stopzetting van activiteiten.29 Deze informatie is ook nodig om het register actueel te houden. Degene die is geregistreerd, moet dergelijke informatie daarom kenbaar maken met gebruikmaking van de elektronische voorziening via welke ook de aanvraag tot registratie is ingediend,.30 Daarnaast moet degene aan wie goedkeuring is verleend, ook wijzigingen van de informatie in de goedkeuring of van de definitieve stopzetting van activiteiten via de hiervoor bedoelde elektronische voorziening doorgeven.31

Intrekking van de registratie heeft tot gevolg dat de producent niet langer batterijen op de Nederlandse markt kan aanbieden.

§ 3.3 Huidige praktijk uitvoering uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

In Nederland is de uitvoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid grotendeels collectief georganiseerd en wordt het in de praktijk uitgevoerd door een drietal producentenorganisaties die een groot deel van de markt bedienen. Zo is Stichting OPEN verantwoordelijk voor draagbare batterijen, richt Stichting EPAC (Electronically Power Assisted Cycles) zich op batterijen van elektrisch aangedreven fietsen (e-bikes) en is Stichting Auto & Recycling deels verantwoordelijk voor de startaccu’s van auto’s en de aandrijfbatterijen van elektrische auto’s. Deze producentenorganisaties bieden een landelijk dekkende infrastructuur voor de inzameling van automotive en draagbare batterijen. Op het vlak van de industriële batterijen zal de infrastructuur voor inzameling zich moeten ontwikkelen tot een volledig dekkend systeem. Het toenemend gebruik van batterijen in elektrische en elektronische apparaten, in transport, industrie en gebouwde omgeving zal op termijn leiden tot meer – en ook meer diverse – afvalstromen van batterijen, maar ook tot grotere inspanningen voor hergebruik en revisie van batterijen. Dit biedt duidelijke uitdagingen voor de toekomst waar reeds nu op zou moeten worden geanticipeerd door producentenorganisaties. Bovendien stelt de Batterijenverordening hogere doelen voor inzameling, hergebruik en verwerking van batterijen.

De producentenorganisaties voor elektronica en batterijen hebben zich gerealiseerd dat een heroriëntatie op de producentenorganisatie nodig is. In 2023 hebben Stichting OPEN, Stichting Batterijen, Stichting EPAC en Stichting Stibat Services een samenwerkingsverklaring opgesteld met de intentie om tot een bestuurlijke en operationele integratie te komen gericht op inzameling, sortering en recycling van afgedankte apparaten en batterijen. Deze integratie zal moeten leiden tot een effectiever invulling van de wettelijke verplichtingen van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producenten en importeurs va.n batterijen.

Daarnaast wordt verwacht dat deze integratie zal bijdragen aan meer eenduidige communicatie met consumenten en bedrijfsmatige gebruikers over het gescheiden inleveren van elektrische en elektronische apparaten, met ingebouwde- dan wel losse batterijen.

§ 3.4 Veranderingen ten opzichte van de situatie tot 18 augustus 2025

Tot 18 augustus 2025 geldt er op grond van artikel 4 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een meldingsplicht voor producenten van batterijen. Zoals in hoofdstuk 1 van deze nota van toelichting is aangegeven, is dat besluit vanaf die datum niet meer op batterijen Vanaf 18 augustus 2025 kunnen producenten alleen batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, op de markt van een lidstaat aanbieden, indien zij of, bij machtiging hun gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zijn geregistreerd in die lidstaat.32

Alle producenten die thans in het meldingensysteem zijn opgenomen, zullen zich opnieuw moeten laten registeren en een goedkeuring moeten aanvragen als zij hun plichten voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel willen nakomen. Producenten die aangesloten zijn bij een producentenorganisatie kunnen zelf een aanvraag tot registratie en tot goedkeuring indienen of dit aan een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of de producentenorganisatie overlaten. Dit is afhankelijk van de afspraken die de producentenorganisatie en producenten met elkaar maken.

§ 3.5 Verwerking persoonsgegevens in producentenregister

Op grond van artikel 55, derde lid, van de Batterijenverordening moet een aanvraag voor registratie van een producent in het producentenregister onder andere de naam en het adres van de producent, met inbegrip van postcode en plaatsnaam, straatnaam en nummer, land, telefoonnummer, in voorkomend geval web- en e-mailadres, met vermelding van één enkel contactpunt, bevatten. Dit zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Deze gegevens worden verwerkt in het producentenregister. In artikel 5, tweede lid, van dit besluit is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van deze persoonsgegevens. Omdat de verplichting om die persoonsgegevens te verstrekken rechtstreeks uit de hiervoor bedoelde bepaling van de Batterijenverordening voortvloeit, is er voor de voorbereiding van het ontwerpbesluit geen Data Protection Impact Assessment (DPIA) opgesteld en is ook de Autoriteit persoonsgegevens niet om advies gevraagd. Wel wordt er voor de verwerking van deze persoonsgegevens in het producentenregister een zogenoemde UitvoeringsDPIA opgesteld.

Hoofdstuk 4. Toezicht en handhaving
§ 4.1 Toezicht

Uit artikel 18.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer vloeit voort dat onder andere artikel 18.6 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing is met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer, en daarmee ook met betrekking tot het bepaalde in dit besluit.

Het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving, dat mede op de hiervoor genoemde artikelen is gebaseerd, voorziet erin dat de ILT toezicht kan houden op de naleving van dit besluit.

§ 4.2 Handhaving

Overtredingen van dit besluit zijn economische delicten. In artikel 1a, aanhef en onder 2°, van de Wet op de economische delicten zijn onder andere als economische delicten aangewezen overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer. In artikel 2 van de Wet op de economische delicten worden die overtredingen aangemerkt als misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan en voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, aangemerkt als overtredingen. Uit titel II van de Wet op de economische delicten vloeit voort welke straffen en maatregelen bij overtreding van dit besluit kunnen worden opgelegd.

Verbods- en gebodsbepalingen kunnen ook bestuursrechtelijk worden gesanctioneerd. Bestuursrechtelijke sancties zijn in dit verband belangrijk, omdat zij zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat het met de betrokken verbodsbepaling beoogde resultaat feitelijk wordt verwezenlijkt. Met een strafrechtelijke sanctie bereik je dat beoogde resultaat lastiger dan met de oplegging van een last onder dwangsom of van een last onder bestuursdwang, waarmee het mogelijk is om een overtreding te beëindigen, de gevolgen ervan te beperken of een nieuwe overtreding te voorkomen.

De bestuursrechtelijke handhaving vindt plaats op grond van artikel 18.2b, eerste lid, onder a, en artikel 18.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 18.4 van de Omgevingswet. Op grond van artikel 18.2b, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat belast met de zorg voor de bestuurlijke handhaving voor het bepaalde bij of krachtens de titels 9.2 tot en met 9.5 en artikel 17.19 van die wet.

In artikel 18.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder meer artikel 18.4 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van dat artikel is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang (en op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot oplegging van een last onder dwangsom) in de gevallen waarin hij met de bestuurlijke handhaving is belast.

Hoofdstuk 5. Bedrijfseffecten en regeldruk

Door de Europese Commissie is een impact assessment33 uitgevoerd waarin opties voor de maatregelen en aanverwante sub-maatregelen zijn geëvalueerd. Een voorbeeld hiervan zijn de inzamelingsdoelstellingen. In de impact assessment is de impact van de maatregel ‘inzamelingsdoelstelling voor draagbare batterijen’ door de Commissie onderzocht op de mate van bijdrage aan de doelen van de verordening en de financiële en administratieve impact. Binnen deze maatregel heeft de Commissie de impact van verschillende sub-maatregelen verkend, zoals een inzamelingsdoelstelling van 45 procent, 55 procent, 65 procent, 70 procent en 75 procent. Door de Commissie is ingeschat dat een aantal van de onderzochte maatregelen zal leiden tot financiële kosten, bijvoorbeeld om te kunnen voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en het afvalbeheer, waaronder het behalen van de wettelijke inzamelingsdoelstellingen, maar dat dit niet zal leiden tot significante impact op bedrijven en consumenten. Volgens de Commissie zal de verordening leiden tot een beperkte toename van administratieve lasten, met name waar het gaat om eisen aangaande de koolstofvoetafdruk en de toepassing van recyclaat. Tegelijkertijd stelt de Commissie vast dat de baten van de beoogde uitkomsten zwaarder wegen dan de kosten, namelijk een beter functionerende interne markt, lagere milieu-impact en lagere sociale en milieurisico’s. In aanvulling hierop wordt door de Commissie ingeschat dat de verordening zal leiden tot hogere werkgelegenheid in de productie- en recyclingsector van lithium-ionbatterijen. Enkele voor Nederland belangrijke punten uit de Batterijenverordening worden hieronder nader toegelicht.

Verplichtingen ten aanzien van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid leiden tot lasten (en aanverwante kosten) voor bedrijven die naar hun aard vergelijkbaar zijn met de eraan voorafgaande verplichtingen uit de Richtlijn batterijen. Wel zullen deze lasten in beperkte mate toenemen, onder meer door aanvullende verplichtingen tot rapportage en inzameling van batterijen en de verbreding van het toepassingsbereik. Producenten kunnen de lasten minimaliseren door gezamenlijk uitvoering te geven aan de verplichtingen voortvloeiend uit de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

Hoofdstuk 6. Financiële gevolgen

De Europese Commissie geeft in haar impact assessment aangegeven kosten te verwachten om de aankoop van gegevens en diensten te financieren. Daarbij worden kosten verwacht in de vorm van personele capaciteit bij onder meer de commissiediensten, het Europees agentschap voor chemicaliën en het Joint Research Centre van de Commissie. Een aantal maatregelen is vormgegeven via verificatie door conformiteitsbeoordelingsinstanties. De financiële consequenties voor de rijksoverheid zijn voor die maatregelen beperkt tot de beoordeling en notificatie van deze conformiteitsbeoordelingsinstanties. Dit zijn de maatregelen die betrekking hebben op producteisen inzake de CO2-voetafdruk van batterijen, de toepassing van recyclaat en maatregelen over gepaste zorgvuldigheid bij de winning van primaire grondstoffen.

Toezicht op het afvalbeheer van batterijen zal op nationaal niveau plaatsvinden door de ILT. Deze taak wordt al uitgevoerd in het kader van het huidige toezicht op de naleving van verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn batterijen. De verordening brengt uitgebreidere verplichtingen mee, wat aanvullende personele capaciteit zal vragen om op de naleving toe te zien. Naast de ILT hebben ook andere toezichthouders te maken met batterijen. Zo valt een groot scala van consumentenproducten waarin batterijen worden gebruikt onder het toezicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI). Een nadere toedeling en uitwerking van het toezicht zal plaatsvinden in samenwerkingsafspraken tussen deze toezichthouders. Onderlinge afstemming, communicatie en samenwerking tussen de toezichthouders kan bijdragen aan stroomlijning van activiteiten en de effectiviteit van de inzet. Dit alles zal bezien moeten worden in het totaal van opgaven van genoemde toezichthouders.

Door de Commissie zijn in de impact assessment per voorgestelde maatregel de economische effecten uiteengezet. Er zijn consequenties voor het Nederlandse bedrijfsleven dat in de batterijenketen actief is. Nederland kent vooral activiteit aan het begin (innovatie van nieuwe batterijconcepten) en einde (integratie van cellen in modules of pakketten en in eindproducten, en hergebruik) van de keten. Producenten van batterijcellen zijn in Nederland nauwelijks aanwezig tot nu toe. Toch brengen ook Nederlandse partijen batterijen en accu’s op de markt, als importeur of bijvoorbeeld als onderdeel van e-bikes of kleinschalige in-house-productie van accu’s bij heavy duty vervoer. Voor deze bedrijven zal sprake zijn van een zekere mate van extra administratieve lasten en daarmee gepaard gaande kosten vanwege de nieuwe rapportageverplichtingen. Ook is het mogelijk dat batterijen duurder worden vanwege de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, waarbij de extra kosten die producenten van batterijen maken om te voldoen aan de inzamelingsdoelstellingen worden doorberekend aan de consument. De Commissie schat in dat deze kosten vrij beperkt zijn (tussen de € 1,24 en € 1,43 per capita per jaar) en dat de kosten deels worden gecompenseerd door de baten (inkomsten vanuit gerecyclede materialen), alhoewel deze inschattingen wel omgeven zijn met onzekerheid. Uit de impact assessment van de Commissie komt naar voren dat de verordening geen significante impact heeft op de productiekosten van batterijen.

Hoofdstuk 7. Advies en consultatie
§ 7.1 HUF-toets

De ILT is op 22 juli 2024 gevraagd om een ontwerp van dit besluit te toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF-toets). De ILT heeft op 21 januari 2025 deze toets uitgebracht. Daarnaast hebben de NVWA en de Nederlandse arbeidsinspectie op verzoek van de Inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport een reactie op het ontwerpbesluit gegeven. De NVWA bepleitte in haar reactie dit ontwerpbesluit ook op de Warenwet te baseren, omdat de Batterijenverordening ook voorschriften bevat die zien op de veiligheid van producten. De ILT heeft in haar HUF-toets onder meer geconstateerd dat veiligheidsaspecten in meerdere artikelen van de Batterijenverordening zijn opgenomen en aangegeven dat indien de grondslag voor toezicht op producteisen in relatie tot veiligheid gebaseerd wordt op de Warenwet, het voor het toezicht en de handhaving duidelijk moet zijn welk handhavingsregime op welke overtreding van toepassing is.

De voorschriften in de Batterijenverordening die gaan over of mede verband houden met veiligheidsaspecten zijn zodanig met elkaar zijn verweven, dat de regels ter uitvoering van de verordening niet in een op de Wet milieubeheer te baseren deel en een op de Warenwet te baseren deel kunnen worden opgesplitst. Het gaat hierbij om voorschriften in de Batterijenverordening die verband houden met het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen, zoals de duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings-, markerings- en informatievereisten die in de verordening gesteld worden aan batterijen en de in de verordening opgenomen voorschriften die verband houden met de beoordeling van de conformiteit van batterijen en van conformiteitsbeoordelingsinstanties. Thans is een wijziging van de Wet milieubeheer in voorbereiding waarmee wordt beoogd de noodzakelijke rechtsgrondslag te bieden om ook dit deel van de Batterijenverordening uitvoering te kunnen geven. Op basis van die nieuwe grondslag zal via een separaat regelgevingsspoor, voor zover nodig, worden voorzien in de uitvoering van die voorschriften in de Batterijenverordening. In de toelichting bij die nog tot stand te brengen regelgeving zal worden ingegaan op de HUF-toets en de reacties van de NVWA en de Nederlandse arbeidsinspectie voor zover die op de uitvoering van die voorschriften betrekking hebben. In de transponeringstabel in hoofdstuk 9 is verduidelijkt welke bepalingen in de Batterijenverordening via het separate regelgevingsspoor zullen worden uitgevoerd.

In dit hoofdstuk wordt daarom alleen ingegaan op de reacties van de toezichthoudende instanties voor zover die specifiek verband houden met de uitvoering van het deel van de Batterijenverordening waarin dit besluit voorziet.

De ILT wijst in haar HUF-toets op drie aandachtspunten bij de inzameling van afgedankte batterijen.

Allereerst verwijst zij naar de algemene handhaafbaarheidsvraagstukken voor UPV-systemen. Deze vraagstukken worden meegenomen in het op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat lopende doorontwikkeltraject UPV-systemen en dus niet in dit besluit.

Ten tweede wijst de ILT erop dat momenteel een producentenorganisatie ontbreekt die de volledige scope afdekt voor de categorie Lichte Elektrische Voertuigen (hierna: LEV-categorie). Een producentenorganisatie die de volledige scope afdekt van de LEV-categorie is geen vereiste om aan de Batterijenverordening uitvoering te kunnen geven. Producenten hebben de optie om individueel of collectief (via een producentenorganisatie) te voldoen aan de UPV-verplichtingen. Bij het ontbreken van een producentenorganisatie die de volledige scope afdekt, moeten producenten individuele invulling geven aan de UPV-verplichtingen. Het goedkeuringsbesluit, bedoeld in artikel 8 van dit besluit, fungeert als een waarborg dat producenten een systeem hebben opgezet voor inname en verwerking van de batterijen die door hen op de markt gebracht worden.

Ten slotte wijst de ILT op de interpretatieruimte die de definities in de Batterijenverordening bieden voor ‘het 2e leven van batterijen’. Deze definities vloeien rechtstreeks uit de Batterijenverordening voort. Zodoende is er geen mogelijkheid om in dit besluit meer duidelijkheid hierover te verschaffen.

§ 7.2 Toetsing regeldrukgevolgen door de ATR

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

§ 7.3 Consultatie en voorhang

Omdat dit besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een Europese verordening, is gelet op artikel 1:8 van de Algemene wet bestuursrecht van de in artikel 21.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer voorgeschreven voorpublicatie van het ontwerpbesluit in de Staatscourant en voorgeschreven voorhang bij het parlement afgezien. Om dezelfde reden heeft er ook geen internetconsultatie over een ontwerp van dit besluit plaatsgevonden.

Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 18 augustus 2025.

Hoofdstuk VIII, waaraan in dit besluit uitvoering wordt gegeven, is van toepassing met ingang van 18 augustus 2025.34 Dit is eveneens de uiterste datum waarop de lidstaten voorschriften moeten vaststellen over de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd.35

In dit besluit wordt afgeweken van het beleid met betrekking tot de vaste verandermomenten. Omdat dit besluit voorziet in uitvoering van ‘bindende EU-rechtshandelingen’ is, gezien Aanwijzing 4.17, onder 5, voor dit besluit afwijking daarvan toegestaan.

Artikel 11 van de Bekendmakingswet maakt het daarnaast mogelijk af te wijken van de in artikel 21.6, derde lid, van de Wet milieubeheer voorgeschreven termijn van vier weken tussen de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en de inwerkingtreding van dit besluit.

Hoofdstuk 9. Transponeringstabel

Artikel EU-verordening

Uitvoering verordening

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

     

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 2 Doelstellingen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 3 Definities

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 4 Vrij verkeer

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 5 Vereisten ten aanzien van duurzaamheid, veiligheid, etikettering en informatie

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk II Duurzaamheids- en veiligheidseisen

     

Artikel 6 Beperkingen voor stoffen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 7 Koolstofvoetafdruk voor batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 8 Gehalte aan recycled materiaal in industriële batterijen, batterijen voor elektrische voertuigen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 9 Prestatie- en duurzaamheidseisen voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 10 Prestatie- en duurzaamheidseisen voor oplaadbare batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 11 Mogelijkheid tot afzondering en vervanging van draagbare batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 12 Veiligheid van stationaire batterijsystemen voor energieopslag

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk III Etiketterings-, markerings- informatievereisten

     

Artikel 13 Etikettering en markering batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 14 Informatie over de conditie en verwachte levensduur van batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk IV Conformiteit van batterijen

     

Artikel 15 Vermoeden van conformiteit van batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 16 Gemeenschappelijke specificaties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 17 Conformiteitsbeoordelingsprocedures

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 18 EU-conformiteitsbeoordelingsverklaring

Regelen via het separate spoor1

Tweede lid: Bepalen in welke taal of talen de EU-conformiteitsverklaring moet zijn vertaald

 

Artikel 19 Algemene beginselen van de CE-markering

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 20 Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk V Aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties

     

Artikel 21 Aanmelding

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 22 Aanmeldende autoriteit

     

Eerste lid

Regelen via het separate spoor

Beoordeling en het toezicht kunnen lidstaten laten uitvoeren door een nationale accreditatie-instantie, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 765/2008 en overeenkomstig de bepalingen van die verordening

 

Tweede lid

Regelen via het separate spoor

   

Derde en vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 23 Eisen voor aanmeldende autoriteiten

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 24 Informatieverplichting voor aanmeldende autoriteiten

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 25 Eisen voor aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 26 Vermoeden van conformiteit van aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 27 Dochterondernemingen van en uitbesteding door aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 28 Verzoek om aanmelding

Rechtstreeks werking volstaat

   

Artikel 29 Aanmeldingsprocedure

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 30 Identificatienummers en lijsten van aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 31 Wijzigingen van de aanmelding

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 32 Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 33 Operationele verplichtingen van aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 34 Beroep tegen besluiten van aangemelde instanties

De hoofdstukken 6 t/m 8 Awb;

wordt toegelicht in kader van het het separate spoor

   

Artikel 35 Informatieverplichting voor aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 36 Uitwisseling van ervaringen en goede praktijken

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 37 Coördinatie van aangemelde instanties

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk VI Andere verplichtingen van marktdeelnemers dan die welke worden bepaald door de hoofdstukken VII en VIII

     

Artikel 38 Verplichtingen van fabrikanten

Regelen via het separate spoor

Eerste lid: Bepalen in welke taal of talen de EU-conformiteitsverklaring moet zijn vertaald

Zevende lid:

Bepalen in welke taal of talen contactgegevens worden opgesteld

Tiende lid:

Bepalen in welke taal of talen informatie en documentatie aan nationale autoriteit moet worden verstrekt

 

Artikel 39 Verplichtingen van leveranciers van batterijcellen en batterijmodules

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 40 Verplichtingen van gemachtigden

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 41 Verplichtingen van importeurs

Regelen via het separate spoor

Derde lid: Bepalen in welke taal of talen contactgegevens worden opgesteld

Achtste lid: Bepalen in welke taal of talen informatie en documentatie aan nationale autoriteit moet worden verstrekt

 

Artikel 42 Verplichtingen van distributeurs

Regelen via het separate spoor

Zesde lid: Bepalen in welke taal of talen informatie en documentatie aan nationale autoriteit moet worden verstrekt

 

Artikel 43 Verplichtingen van fulfilmentdienstverleners

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 44 Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 45 Verplichtingen van marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 46 Identificatie van marktdeelnemers

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk VII Verplichtingen van marktdeelnemers wat betreft beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

     

Artikel 47 Toepassingsgebied van dit hoofdstuk

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 48 Beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 49 Beheersysteem van de marktdeelnemer

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 50 Verplichtingen inzake risicobeheer

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 51 Externe verificatie van het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 52 Bekendmaking van informatie over beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 53 Erkenning van regelingen inzake passende zorgvuldigheid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk VIII Beheer van afgedankte batterijen

     

Artikel 54 Bevoegde autoriteit

     

Eerste lid

Artikel 2 van dit besluit

   

Tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Derde lid

Artikelen 3 tot en met 10 en 12 van dit besluit

   

Vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 55 Producentenregister

     

Eerste lid

Artikel 4 van dit besluit

   

Tweede lid

Artikel 5 van dit besluit

   

Derde tot en met achtste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Vijfde lid: De lidstaten kunnen al naargelang het geval aanvullende informatie of documenten vragen om het producentenregister efficiënt te gebruiken

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Negende lid

Artikelen 3 en 5 van dit besluit

   

Tiende lid

Rechtstreekse werking volstaat

De bevoegde autoriteit kan bepalingen vaststellen t.a.v. de eisen en het registratieproces, zonder materiële eisen toe te voegen en kan producenten een evenredige, op kosten gebaseerde vergoeding aanrekenen voor de verwerking van de aanvragen

Er worden geen rijksleges voor de behandeling van de aanvragen geheven

Elfde lid

Artikel 7 van dit besluit

 

Als de aanvraag om registratie onvolledig is, is artikel 4:5 Awb van toepassing

Twaalfde lid

Artikel 6 van dit besluit

   

Dertiende lid

 

Informatie in producentenregister is openbaar

 

Artikel 56 Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 57 Organisatie voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

     

Eerste lid

 

De lidstaten kunnen maatregelen nemen om het aanstellen van een producentenorganisatie verplicht te stellen

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Derde lid

Artikel 2 van dit besluit

Gecoördineerde wijze van nakomen in geval van meerdere producentenorganisaties

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt.

Artikel 58 Goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

     

Eerste lid

Artikel 8, eerste lid, van dit besluit

   

Tweede lid

Artikel 8, vijfde lid, van dit besluit

   

Derde lid

Artikel 8 van dit besluit

   

Vierde lid

Artikel 9 van dit besluit

   

Vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Zesde lid

Artikel 10 van dit besluit

   

Zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

De lidstaten kunnen aanvullende eisen stellen betreffende die garantie

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Artikel 59 Inzameling van afgedankte draagbare batterijen

     

Eerste tot en met vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Zesde lid

 

Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die aan de bedoelde inzamelpunten voorschrijven dat zij uitsluitend de in dit lid bedoelde afgedankte draagbare batterijen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of producentenorganisaties

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 60 Inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

     

Eerste tot en met zesde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Zevende lid

 

Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die aan de bedoelde inzamelpunten voorschrijven dat zij uitsluitend de in dit lid bedoelde afgedankte batterijen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of, producentenorganisaties

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Achtste lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 61 Inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen

     

Eerste lid

 

Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die voorschrijven dat in dit lid bedoelde entiteiten uitsluitend de in dit lid bedoelde afgedankte batterijen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of, producentenorganisaties

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Tweede tot en met vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 62 Verplichtingen van distributeurs

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 63 Statiegeldsystemen voor batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 64 Verplichtingen van eindgebruikers

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 65 Verplichtingen van exploitanten van verwerkingsinrichtingen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 66 Deelname van overheidsinstanties voor afvalbeheer

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 67 Deelname van vrijwillige inzamelpunten

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 68 Beperkingen inzake de overhandiging van afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

     

Eerste lid

 

De lidstaten kunnen beperkingen opleggen aan het vermogen van in dit lid bedoelde entiteiten om in dit lid bedoelde afgedankte batterijen over te dragen aan producenten of producentenorganisaties, of aan een afvalverwerker om de verwerking overeenkomstig artikel 70 uit te voeren.

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Tweede lid

 

De lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die de in artikel 66 bedoelde overheidsinstanties voor afvalbeheer toelaten zelf in te staan voor de verwerking overeenkomstig artikel 70.

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Artikel 69 Verplichtingen voor de lidstaten betreffende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

     

Eerste lid

Artikel 11 van dit besluit, de artikelen 18.1a in samenhang met artikelen 18.4 en 18.6 Omgevingswet,artikel 18.2b Wm en hoofdstuk 5 Awb

   

Tweede tot en met vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 70 Verwerking

     

Eerste tot en met vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Vijfde lid

 

De lidstaten kunnen stimuleringsregelingen invoeren voor marktdeelnemers die hogere percentages behalen dan de in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendementen en materiaalterugwinning

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt

Artikel 71 Doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 72 Overbrenging van afgedankte batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 73 Voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 74 Informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 75 Minimumeisen voor rapportage aan de bevoegde autoriteiten

     

Eerste tot en met zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Achtste lid

Artikelen 3 en 12 van dit besluit

   

Negende lid

Rechtstreekse werking volstaat

De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan om alle aanvullende informatie te vragen die nodig is om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens te waarborgen

 

Artikel 76 Rapportage aan de Commissie

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk IX Digitaal batterijpaspoort

     

Artikel 77 Batterijpaspoort

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 78 Technisch ontwerp en werking van het batterijpaspoort

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk X Markttoezicht van de Unie en vrijwaringsprocedure van de Unie

     

Artikel 79 Procedure op nationaal niveau voor batterijen die een risico vormen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 81 Conforme batterijen die een risico vormen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 82 Gezamenlijke activiteiten

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 83 Formele non-conformiteit

Rechtstreekse werking volstaat

   

Eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Tweede lid

Rechtstreeks werking volstaat

   

Artikel 84 Non-conformiteit met de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk XI Groene overheidsopdrachten en procedure voor de wijziging van beperkingen voor stoffen

     

Artikel 85 Groene overheidsopdrachten

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 86 Procedure inzake beperkingen voor stoffen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 87 Advies van de comités van het Agentschap

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 88 Voorlegging van een advies aan de Commissie

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk XII Gedelegeerde bevoegdheden en comitéprocedure

     

Artikel 89 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 90 Comitéprocedure

Rechtstreekse werking volstaat

   

Hoofdstuk XIII Wijzigingen

     

Artikel 91 Wijziging van Verordening (EU) 2019/1020

Regelen via separaat spoor

   

Artikel 92 Wijziging van Richtlijn 2008/98/EG

     

Hoofdstuk XIV Slotbepalingen

     

Artikel 93 Sancties

Artikel 11 van dit besluit, de artikelen 18.1a in samenhang met artikelen 18.4 en 18.6 Omgevingswet, artikel 18.2b Wm en hoofdstuk 5 Awb

Sanctionering van de overige voorschriften regelen via separaat spoor

   

Artikel 94 Evaluatie

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 95 Intrekking en overgangsbepalingen Richtlijn

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 96 Inwerkingtreding en toepassing

     

Bijlage I Beperkingen voor stoffen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage II Koolstofvoetafdruk

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage III Elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters van draagbare batterijen voor algemeen gebruik

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage IV Vereisten met betrekking tot de elektrochemische prestaties en de duurzaamheid van batterijen voor lichte vervoermiddelen, industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 KWH en batterijen voor elektrische voertuigen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage V Veiligheidsparameters

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage VI Etiketterings-, markerings- en informatievereisten

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage VII Parameters voor het bepalen van de conditie en verwachte levensduur van batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage VIII Conformiteitsbeoordelingsprocedures

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage IX EU-conformiteitsverklaring

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage X Lijst van grondstoffen en risicocategorieën

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage XI berekening van de inzamelingspercentages van afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage XII Voorschriften voor opslag en verwerking, waaronder recycling

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage XIII In het batterijpaspoort op te nemen informatie

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage XIV Minimumeisen voor de overbrenging van gebruikte batterijen

Rechtstreekse werking volstaat

   

Bijlage XV Corcondantietabel

Rechtstreekse werking volstaat

   
X Noot
1

Met het separate spoor wordt bedoeld het separate regelgevingsspoor via welke het overige deel van de Batterijenverordening zal worden uitgevoerd, zie voor meer achtergrond hoofdstuk 1 van deze nota van toelichting.

II De artikelen

Artikel 1 (begripsbepalingen)

In de begripsbepalingen in dit besluit wordt, voor zover van toepassing, verwezen naar de definities van begrippen die zijn opgenomen in artikel 3 van de Batterijenverordening. Hiermee wordt geborgd dat de in dit besluit gebruikte begrippen dezelfde betekenis hebben als die in de verordening. In onderstaande wordt een aantal begripsbepalingen nader toegelicht

batterij

In artikel 3, onder 1, van de Batterijenverordening wordt onder ‘batterij’ verstaan: elk toestel dat door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie levert, met interne of externe opslag, en dat bestaat uit één of meer niet-oplaadbare of oplaadbare batterijcellen, -modules of -pakken, en omvat ook een batterij die is voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd. Voor hetgeen wordt verstaan onder batterijcel, batterijmodule, batterijpak, batterij met externe opslag, voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming en herfabricage zijn in artikel 3 van de verordening ook definities opgenomen. In de definitie van voorbereiding voor hergebruik36 wordt vanuit de Batterijenverordening verwezen naar de definitie daarvan in artikel 3, onder 16, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

organisatie voor producentenverantwoordelijkheid

In artikel 3, onder 49, van de Batterijenverordening wordt onder ‘organisatie voor producentenverantwoordelijkheid’ verstaan: rechtspersoon die de nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid financieel of financieel en operationeel organiseert namens meerdere producenten.

producent

In artikel 3, onder 47, van de Batterijenverordening wordt onder ‘producent’ verstaan: fabrikant, importeur of distributeur, of een andere natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, onder meer door middel van overeenkomsten op afstand:

  • a. gevestigd is in een lidstaat en onder eigen naam of merk batterijen fabriceert, of batterijen laat ontwerpen of fabriceren en die voor het eerst onder eigen naam of merk op het grondgebied van die lidstaat levert, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen; ofwel

  • b. gevestigd is in een lidstaat en op het grondgebied van die lidstaat onder eigen naam of merk door anderen gefabriceerde batterijen doorverkoopt, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, en waarop de naam of het merk van die andere fabrikanten niet voorkomt; ofwel

  • c. gevestigd is in een lidstaat en voor het eerst in die lidstaat beroepsmatig batterijen van een andere lidstaat of van een derde land levert, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen; ofwel

  • d. via overeenkomsten op afstand batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, rechtstreeks aan eindgebruikers, al dan niet particuliere huishoudens, in een lidstaat verkoopt, en die in een andere lidstaat of in een derde land is gevestigd.

In artikel 56, tweede lid, van de Batterijenverordening is bepaald dat een marktdeelnemer die een batterij die is voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, voor het eerst op de markt aanbiedt op het grondgebied van een lidstaat, voor de toepassing van deze verordening beschouwd als de producent van die batterij. Om die reden is ook een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder de definitie van producent in dit besluit gebracht.

Artikel 2 (aanwijzing bevoegde autoriteit)

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Batterijenverordening moeten de lidstaten één of meer bevoegde autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk VIII (Beheer van afgedankte batterijen), met name voor het toezicht op en de controle van de naleving door producenten en producentenorganisaties van hun verplichtingen uit hoofde van dat hoofdstuk. Daarnaast moeten de lidstaten op grond van artikel 57, derde lid, van de verordening een bevoegde autoriteit aanwijzen of een onafhankelijke derde aanstellen om erop toe te zien dat de producentenorganisaties hun verplichtingen op gecoördineerde wijze nakomen.

In dit artikel is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ter uitvoering van deze bepalingen als de bevoegde autoriteit aangewezen. In paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting is toegelicht wie feitelijk zijn belast met de uitvoering van de taken van de bevoegde autoriteit.

Artikel 3 (elektronische voorziening)

Artikel 55, negende lid, van de Batterijenverordening verplicht tot invoering van een elektronisch systeem voor het doen van aanvragen om registratie in het producentenregister. Artikel 75, achtste lid, van die verordening verplicht daarnaast tot invoering van een elektronisch systeem voor het indienen van de in dat artikel bedoelde rapportages.

Artikel 3 voorziet erin dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een elektronische voorziening hiervoor beschikbaar stelt. Deze voorziening wordt eveneens beschikbaar gesteld voor het doen van aanvragen om een goedkeuring of voor het doorgeven van wijzigingen van gegevens in het producentenregister of ten aanzien van de goedkeuring of voor het doorgeven dat een producent stopt met zijn activiteiten. De artikelen 5, eerste lid, 6, 8, eerste lid, 9 en 12 van dit besluit verplichten er toe dat van deze elektronische voorziening gebruik moet worden gemaakt om gegevens aan te leveren. Deze elektronische voorziening wordt, zoals in paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting is aangegeven, beheerd door Rijkswaterstaat.

Artikelen 4 tot en met 10 (producentenregister en uitgebreide producentenverantwoordelijkheid)

Voor de toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting.

Artikel 11 (verboden EU-verordening batterijen)

Voor strafrechtelijke handhaving moet in verband met artikel 16 van de Grondwet volstrekt duidelijk zijn welke verbodsbepalingen strafrechtelijk gehandhaafd kunnen worden en wat het verbod vereist. Hierin is voorzien door in artikel 11 expliciet te bepalen overtreding van welke bepalingen uit hoofdstuk VIII van de Batterijenverordening verboden is. Zoals in paragraaf 4.2 van deze nota van toelichting is aangegeven, kunnen deze verbodsbepalingen ook bestuursrechtelijk worden gehandhaafd.

Artikel 93 van de Batterijenverordening verplicht de lidstaten voorschriften vast te stellen ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en om alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. Ter uitvoering daarvan bevat dit artikel een verbodsbepaling waarin een koppeling wordt gelegd met direct toepasselijke materiële gedragsnormen in hoofdstuk VIII van de verordening.

De bepalingen in hoofdstuk VIII van de verordening gelden voor verschillende actoren in de daarin aangegeven gevallen. In onderstaande wordt aangegeven tot welke actoren de bepalingen zijn gericht:

  • − Artikel 55, tweede en derde lid: producenten of gemachtigden voor de producentenverantwoordelijkheid (zie artikel 55, zevende lid);

  • − Artikel 55, twaalfde lid: producenten, gemachtigden voor de producentenverantwoordelijkheid of producentenorganisaties;

  • − Artikel 56, derde lid: producenten;

  • − Artikel 58, vierde, vijfde en zevende lid: producenten of producentenorganisaties;

  • − Artikel 59, eerste tot en met derde lid: producenten van draagbare batterijen of producentenorganisaties;

  • − Artikel 60, eerste tot en met vierde lid: producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of producentenorganisaties;

  • − Artikel 61: producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of producentenorganisaties;

  • − Artikel 62: distributeurs;

  • − Artikel 64: eindgebruikers;

  • − Artikelen 65, 70, eerste tot en met derde lid, 71, eerste tot en met derde lid: exploitanten van verwerkingsinrichtingen;

  • − Artikel 74, eerste tot en met derde lid: producenten of producentenorganisaties;

  • − Artikel 74, vierde en vijfde lid: distributeurs die batterijen leveren aan eindgebruikers;

  • − Artikel 75, eerste en vierde lid: producenten van draagbare batterijen en producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of producentenorganisaties;

  • − Artikel 75, tweede lid: producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of producentenorganisaties;

  • − Artikel 75, derde lid: afvalverwerkers die afgedankte batterijen inzamelen bij distributeurs of andere inzamelpunten voor afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen of bij eindgebruikers;

  • − Artikel 75, vijfde lid: afvalverwerkers die instaan voor de verwerking en recyclers;

  • − Artikel 75, zesde lid: andere dan de in artikel 75, vijfde lid, bedoelde afvalstoffenhouders die batterijen uitvoeren voor verwerking;

  • − Artikel 75, zevende lid: producenten of producentenorganisaties, afvalverwerkers en afvalstoffenhouders als bedoeld in artikel 75.

Artikel 12 (elektronische voorziening voor jaarlijkse rapportage)

Artikel 75 van de Batterijenverordening voorziet erin dat producenten of producentenorganisaties over daarin aangegeven categorieën batterijen jaarlijks moeten rapporteren. Het gaat bijvoorbeeld over gegevens die betrekking hebben op de hoeveelheid batterijen die in een kalenderjaar voor het eerste op de markt op de Nederlandse markt werd aangeboden, de hoeveelheid afgedankte batterijen die is ingezameld, het inzamelingspercentage dat werd bereikt door de producent of de producentenorganisatie voor afgedankte batterijen, de hoeveelheid ingezamelde afgedankte batterijen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen, de hoeveelheid ingezamelde afgedankte batterijen die naar derde landen is uitgevoerd voor verwerking, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming. In dit artikel is vastgelegd dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat dit systeem beschikbaar zal stellen. In de praktijk zal Rijkswaterstaat hiervoor zorgdragen.

Artikel 13 (wijziging Besluit beheer autowrakken)

In het Besluit beheer autowrakken wordt de verwijzing naar producten voor zover daaromtrent regels zijn gesteld in het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008 en de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 vervangen door een verwijzing naar batterijen als bedoeld in de Batterijenverordening. Het Besluit beheer batterijen en accu’s is al vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van het Verzamelbesluit wijziging bestaande UPV’s.

Artikel 14 (wijziging Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen)

In het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt de verwijzing naar het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008 en de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 vervangen door een verwijzing naar de Batterijenverordening.

Artikel 15 (inwerkingtreding)

Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van deze nota van toelichting.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu,


X Noot
1

Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (Batterijenverordening).

X Noot
2

Zie de artikelen 1 (onderwerp en toepassingsgebied) en 2 (doelstellingen) van de verordening en overweging 2 van de considerans, waarin wordt verwezen naar artikel 114 VWEU (interne markt) als primaire grondslag van de verordening.

X Noot
3

Artikel 96 van de Batterijenverordening bepaalt dat de verordening van toepassing is met ingang van 18 februari 2024, met uitzondering van enkele specifieke bepalingen die op een andere datum van toepassing (zijn ge-)worden.

X Noot
4

Zie de doelomschrijving in de artikelen 1 en 2 van de verordening en overweging 2 van de considerans, waarin voor hoofdstuk VIII als grondslag wordt verwezen naar artikel 192 lid 1 VWEU (milieu).

X Noot
5

Nota van toelichting, hoofdstuk 7 ‘Advies en consultatie’.

X Noot
6

HUF-toets ontwerp-Uitvoeringsbesluit EU-verordening batterijen, ILT, 21 januari 2025 met als bijlagen: NVWA bijdrage aan de HUF-toets van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit van de EU-verordening batterijen, NWVA, 5 december 2025 en Schriftelijke reactie Nederlandse Arbeidsinspectie ontwerp uitvoeringsbesluit Europese Batterijenverordening, NA, 17 januari 2025.

X Noot
7

Het gaat om een aantal productregels uit de hoofdstukken II t/m IV van de Batterijenverordening, zoals artikel 12 (veiligheid van stationaire batterijsystemen voor energieopslag), artikel 13 (eisen over etikettering en markering van batterijen), artikel 14 (informatie over de conditie en verwachte levensduur van batterijen), artikel 15 (vermoeden van conformiteit van batterijen, onder meer met het oog op veiligheid).

X Noot
8

Nota van toelichting, paragraaf 7.1, ‘HUF-toets’.

X Noot
9

Advies van 13 augustus 2025, Wet uitvoering EU-verordening overbrenging van afvalstoffen en implementatie enkele andere EU-rechtshandelingen, kenmerk W17.25.00091/IV, paragraaf 4 (‘Implementatie Batterijenverordening’).

X Noot
10

Nota van toelichting, paragraaf 4 (Financiële gevolgen).

X Noot
11

Artikel 22 Batterijenverordening.

X Noot
1

Verordening (EU) nr. 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (Batterijenverordening).

X Noot
2

Zie de artikelen 1 (onderwerp en toepassingsgebied) en 2 (doelstellingen) van de verordening en overweging 2 van de considerans, waarin wordt verwezen naar artikel 114 VWEU (interne markt) als primaire grondslag van de verordening.

X Noot
3

Artikel 96 van de Batterijenverordening bepaalt dat de verordening van toepassing is met ingang van 18 februari 2024, met uitzondering van enkele specifieke bepalingen die op een andere datum van toepassing (zijn ge-)worden.

X Noot
4

Zie de doelomschrijving in de artikelen 1 en 2 van de verordening en overweging 2 van de considerans, waarin voor hoofdstuk VIII als grondslag wordt verwezen naar artikel 192 lid 1 VWEU (milieu).

X Noot
5

Nota van toelichting, hoofdstuk 7 ‘Advies en consultatie’.

X Noot
6

HUF-toets ontwerp-Uitvoeringsbesluit EU-verordening batterijen, ILT, 21 januari 2025 met als bijlagen: NVWA bijdrage aan de HUF-toets van het ontwerp-Uitvoeringsbesluit van de EU-verordening batterijen, NWVA, 5 december 2025 en Schriftelijke reactie Nederlandse Arbeidsinspectie ontwerp uitvoeringsbesluit Europese Batterijenverordening, NA, 17 januari 2025.

X Noot
7

Het gaat om een aantal productregels uit de hoofdstukken II t/m IV van de Batterijenverordening, zoals artikel 12 (veiligheid van stationaire batterijsystemen voor energieopslag), artikel 13 (eisen over etikettering en markering van batterijen), artikel 14 (informatie over de conditie en verwachte levensduur van batterijen), artikel 15 (vermoeden van conformiteit van batterijen, onder meer met het oog op veiligheid).

X Noot
8

Nota van toelichting, paragraaf 7.1, ‘HUF-toets’.

X Noot
9

Advies van 13 augustus 2025, Wet uitvoering EU-verordening overbrenging van afvalstoffen en implementatie enkele andere EU-rechtshandelingen, kenmerk W17.25.00091/IV, paragraaf 4 (‘Implementatie Batterijenverordening’).

X Noot
10

Nota van toelichting, paragraaf 4 (Financiële gevolgen).

X Noot
11

Artikel 22 Batterijenverordening.

X Noot
1

Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (PbEU 2006, L 266).

X Noot
2

Zie artikel 1, tweede lid, van de Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

X Noot
3

Onder regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt verstaan: regels die ervoor zorgen of een besluit dat er voor zorgt dat degene die stoffen, mengsels of producten in de handel brengt geheel of gedeeltelijk de financiële of organisatorische verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van de van die stoffen, mengsels of producten overgebleven afvalstoffen.

X Noot
4

Artikel 54, derde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
5

COM (2019) 640 final. De Europese Green Deal.

X Noot
6

Zie artikel 1, vijfde en zesde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
7

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEG 2008, L 312).

X Noot
8

Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (PbEU 2012, L 197).

X Noot
9

Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakkenbetreffende autowrakken (PbEG 2000, L 269).

X Noot
10

Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169).

X Noot
11

Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PbEU 2022, L 277).

X Noot
12

Zie artikel 62, zesde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
13

Zie artikel 55 van de Batterijenverordening.

X Noot
14

Dit volgt uit artikel 55, dertiende lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
15

Zie artikel 8 van dit besluit. Op het besluit tot goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting nader ingegaan.

X Noot
16

Zie artikel 54, eerste lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
17

Zie artikel 57, derde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
18

Zie artikel 2 van dit besluit.

X Noot
19

Zie artikel 54, derde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
20

Zie artikel 55, achtste lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
21

Zie artikel 55, derde lid, respectievelijk 58, tweede lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
22

Zie artikel 3, aanhef en onder a, van dit besluit.

X Noot
23

Zie artikel 5, tweede lid, respectievelijk 8, tweede lid, van dit besluit.

X Noot
24

Zie artikel 55, vierde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
25

Zie artikel 5, derde lid, van dit besluit.

X Noot
26

Zie artikel 7, eerste lid, van dit besluit. De inhoud sluit aan bij artikel 55, elfde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
27

Zie artikel 10 van dit besluit juncto artikel 58, zesde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
28

Zie artikel 58, vijfde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
29

Zie artikel 58, vierde lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
30

Zie artikel 6 van dit besluit.

X Noot
31

Zie artikel 9 van dit besluit.

X Noot
32

Zie artikel 55, tweede lid, van de Batterijenverordening.

X Noot
33

EUR-Lex – 52020SC0335.

X Noot
34

Artikel 96 van de Batterijenverordening.

X Noot
35

Artikel 93 van de Batterijenverordening.

X Noot
36

Zie artikel 3, onder 29, van de Batterijenverordening.

Naar boven