Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal van 28 januari 2026, nr. 6789396, tot instelling van de Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie (Instellingsbesluit Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie)

De Minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal,

Besluiten:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. minister:

de Minister van Justitie en Veiligheid;

b. college:

het College van procureurs-generaal;

c. commissie:

de commissie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid;

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1. Er is een Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie.

  • 2. De commissie heeft tot taak het onderzoeken van de ICT-inbreuk bij het openbaar ministerie zoals gemanifesteerd op 17 juli 2025. Daarbij worden in elk geval de volgende elementen betrokken:

    • a. een terugblik op het incident;

    • b. de (eerste) reactie van het openbaar ministerie hierop;

    • c. welke stappen het openbaar ministerie op welk moment heeft gezet en welke risico’s hierbij zijn gesignaleerd;

    • d. het herstel na het incident en hoe dit herstel is vormgegeven.

  • 3. De commissie betrekt hierbij onder meer de complexiteit van de strafrechtketen en de onderlinge (digitale) afhankelijkheden, bij zowel de gevolgbestrijding als de uitvoering van de noodoplossingen.

  • 4. Naar aanleiding van haar bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen, zoals over de wijze waarop incidenten in de informatiebeveiliging in de toekomst zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen, vroegtijdig te detecteren dan wel de impact van (misbruik van) deze kwetsbaarheden kunnen worden beperkt rekening houdend met de ketenorganisaties.

Artikel 3 Leden

  • 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.

  • 2. De commissie bestaat uit:

    • a. De heer J. Smit, tevens voorzitter;

    • b. De heer M.J.G. van Eeten;

    • c. De heer B. Voorbraak.

Artikel 4 Samenstelling, benoeming en ontslag

  • 1. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk (en zonder beïnvloeding van derden) uit.

  • 2. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie.

  • 3. De voorzitter en overige leden kunnen (op eigen verzoek, wegens ongeschiktheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de minister en het college.

Artikel 5. Instellingsduur

De commissie wordt vier weken nadat het eindrapport is uitgebracht opgeheven.

Artikel 6. Secretariaat

  • 1. De commissie voorziet zelf, in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie, in haar secretaris en eventueel secretariaat.

  • 2. De secretaris en het eventuele secretariaat is voor de uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan (de voorzitter van) de commissie.

  • 3. Aan het secretariaat kunnen medewerkers worden toegevoegd.

Artikel 7. Werkwijze

  • 1. De commissie, de minister en het college leggen in een protocol vast op welke wijze informatie wordt verstrekt en de vertrouwelijkheid daarvan wordt geborgd, op welke wijze personen worden gehoord en daarvan verslag wordt gedaan en hoe bevindingen worden voorgelegd aan personen of instanties die door deze bevindingen worden geraakt of die daarover bedenkingen zouden kunnen hebben. Voor het overige stelt de commissie haar eigen werkwijze vast.

  • 2. De commissie kan zich eventueel door andere deskundigen laten bijstaan, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.

  • 3. De voorzitter van de commissie ondertekent het protocol namens de commissie.

  • 4. De commissie verantwoordt haar werkwijze in het eindrapport.

Artikel 8. Inwinnen van inlichtingen

  • 1. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie stellen elk een aanspreekpunt beschikbaar ten behoeve van de commissie.

  • 2. De commissie is bevoegd om zich voor het inwinnen van inlichtingen rechtstreeks te wenden tot personen en instellingen en hen te verzoeken om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onderzoek.

  • 3. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie verlenen de commissie de verlangde medewerking en toegang tot alle informatie die zij nodig heeft, daarbij het in artikel 7, eerste lid bedoelde protocol in acht nemend.

  • 4. Ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie zijn verplicht om de leden van de commissie de verlangde medewerking te verlenen, voor zover deze samenhangt met hun ambtelijke taak en dit zonder schending van hun ambtsgeheim kan geschieden.

  • 5. De commissie zal over de aan haar geboden medewerking rapporteren in haar eindrapport.

Artikel 9. Vergoedingen en kosten

  • 1. De kosten van de commissie komen, voor zover op basis van een goedgekeurde raming, voor rekening van de minister en het college. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

    • a. de vergoeding van de leden van de commissie;

    • b. de kosten van de secretaris;

    • c. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning;

    • d. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek;

    • e. de kosten voor oplevering van het eindrapport.

  • 2. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een kostenraming aan de minister en het college aan.

  • 3. De commissie voert een eigen financiële administratie en levert een financieel overzicht aan.

  • 4. De commissie laat een accountantscontrole uitvoeren van het financieel overzicht.

Artikel 10. Eindrapport

De commissie brengt haar eindrapport uit aan de minister en het college.

Artikel 11. Archiefbescheiden

  • 1. Het archief van de commissie wordt bij opheffing van de commissie overgebracht naar het archief van openbaar ministerie.

  • 2. Het beheer vindt plaats met inachtneming van de door de commissie in haar protocol aangegeven vertrouwelijkheid, waarover de commissie nadere afspraken met het parket-generaal van het openbaar ministerie maakt.

Artikel 12. Inwerkingtreding en verval

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2025 en vervalt op 1 mei 2026.

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 januari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

Het College van procureurs-generaal, M. Otte

TOELICHTING

Op 17 juli 2025 werd het openbaar ministerie geconfronteerd met een ICT-inbreuk die de maanden hierop grote gevolgen had voor de werkprocessen bij het openbaar ministerie en de overige organisaties binnen de strafrechtketen. Zoals is toegelicht in een brief aan de Tweede Kamer1 was deze grote impact voor het openbaar ministerie en de Minister van Justitie en Veiligheid aanleiding om een onafhankelijke commissie van deskundigen op het gebied van cybersecurity, IT en informatievoorziening in te stellen. In het onderzoek wordt teruggeblikt op de inbreuk (wat is er gebeurd, wat was de eerste reactie van het openbaar ministerie hierop, welke stappen heeft het openbaar ministerie op welk moment gezet, welke risico’s zijn hierbij gesignaleerd en hoe is het herstel vormgegeven?), wordt onderzocht waarom de impact op de strafrechtketen zo groot was en wordt onderzocht of de getroffen maatregelen om de impact te beperken voldoende en voldoende snel waren om weer volledig live te gaan. Hierbij wordt de complexiteit van de strafrechtketen en de onderlinge (digitale) afhankelijkheden betrokken, bij zowel de gevolgbestrijding als de uitvoering van de noodoplossingen.

Daarnaast zal het onderzoek zich moeten richten op de wijze waarop incidenten in de informatiebeveiliging in de toekomst zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen, vroegtijdig te detecteren dan wel de impact van (misbruik van) deze kwetsbaarheden kunnen worden beperkt. Dit deel van het onderzoek richt zich daarmee op het versterken van de weerbaarheid van de IT en informatievoorziening van het openbaar ministerie, mede in relatie tot de ketenorganisaties.

’s-Gravenhage, 28 januari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

Het College van procureurs-generaal, M. Otte


X Noot
1

Kamerstuk 26 643, nummer 1390, vergaderjaar 2025–2026


X Noot
1

Kamerstuk 26 643, nummer 1390, vergaderjaar 2025–2026

Naar boven