Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) | Staatscourant 2026, 3120 | tuchtrechtelijke uitspraak |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) | Staatscourant 2026, 3120 | tuchtrechtelijke uitspraak |
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2829 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: mr. S.P.R.M. Kranenburg, werkzaam in Loenen,
tegen
F., bedrijfsarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,
hierna: de bedrijfsarts, gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.
1.1 De arts is als bedrijfsarts verbonden aan E. en is superviserend bedrijfsarts van de arbo-arts mevrouw C. (hierna: arbo-arts), die klaagster heeft begeleid in het kader van de verzuimbegeleiding. Klaagster heeft verschillende klachten ten aanzien van de arbo-arts (zaak C2025/2828) en de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij als supervisor verantwoordelijk is voor de onzorgvuldige handelwijze van de arbo-arts waardoor de re-integratie onnodig is vertraagd, en de verhoudingen tussen klaagster en haar werkgever onnodig zijn verstoord, hetgeen niet heeft bijgedragen aan het herstelproces.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel b) alsnog gegrond en legt de bedrijfsarts een waarschuwing op.
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7413 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:83).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 17 december 2025 behandeld, gelijktijdig met de zaak tegen de arbo-arts (C2025/2828). De zaken zijn niet gevoegd. Klaagster en haar gemachtigde, mr. Kranenburg waren aanwezig net als de bedrijfsarts en zijn gemachtigde mr. Peet. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Kranenburg zijn aan het dossier toegevoegd.
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. De bedrijfsarts is verbonden aan E. in D. Hij werkt daar (onder andere) als superviserend bedrijfsarts van de arbo-arts.
3.2 Klaagster heeft zich op 8 januari 2024 ziekgemeld bij haar werkgever. Op 11 januari 2024 is er vanuit E. voor het eerst contact geweest met klaagster en aan de hand daarvan werd besloten klaagster op te roepen voor een eerste consult in het kader van verzuimbegeleiding. Dat heeft plaatsgevonden op 23 januari 2024 door een arbo-verpleegkundige. In het advies van de arbo-verpleegkundige staat: ‘Betrokkene is uitgevallen voor haar werk met klachten en beperkingen in haar persoonlijk en sociaal functioneren. De oorzaak ervan is volledig werkgerelateerd. Er wordt een behandeling opgestart. Het ervaren van arbeidsgerelateerde knelpunten kan een negatieve invloed hebben op het herstel van betrokkene. Daarom is het belangrijk om de ervaren arbeidsgerelateerde problematiek zo snel mogelijk op te lossen, bijvoorbeeld door middel van een gesprek met de leidinggevende. Een goede oplossing kan het herstel bevorderen en de kans op terugval verkleinen. Door de mate van beperkingen is betrokkene tijdelijk ongeschikt voor zijn eigen werk, ook is aangepast werk nog niet mogelijk.’
3.3 Op 21 februari 2024 volgt een vervolgconsult bij de arbo-arts. De arbo-arts vermeldt het volgende in haar advies:
“Betrokkene is uitgevallen wegens gezondheidsklachten. De oorzaak is volledig arbeidsgerelateerd (hoge werkdruk). Er heeft een gesprek plaatsgevonden, echter met onvoldoende resultaat. Ik adviseer nogmaals in gesprek te gaan om duidelijke afspraken te maken over het vervolg en om de re-integratie zo goed mogelijk in te richten. In dit consult met betrokkene gesproken over werkhervatting in het kader van ritme, structuur en contact met de werkvloer. Daarom wordt conform de NVAB richtlijn en verzekeringsgeneeskundige protocol geadviseerd om re-integratie in passende vorm, boventallig in afgebakende taken zonder tijdsdruk/tempodruk aan te bieden, te beginnen met 3 x 2 uur per dag, hierbij rekening houdend met de beschreven beperkingen. Wanneer dit goed verloopt kan betrokkene na 1–2 weken opbouwen naar 4 x 2 uur, 5 x 2 uur en daarna met 1 uur per dag erbij.
Werkgever en betrokkene worden geadviseerd om vooraf werkhervatting een koffie momentje in te plannen om duidelijke werkafspraken te maken conform bovengenoemde beperkingen patroon zodat re-integratie kan starten. Het betreft werkafspraken over werktijden, werkinhoud, werktempo en output. Evaluatie momenten mogen in deze zeker niet ontbreken.
3.4 Op 29 februari 2024 geeft klaagster per mail bij E. aan te twijfelen aan het advies van de arbo-arts en vraagt zij om een second opinion bij een bedrijfsarts met een grote deskundigheid op het gebied van burn-out klachten.
3.5 Op 6 maart 2024 mailt de heer G. namens E. dat klaagster wordt opgeroepen voor het spreekuur van de arbo-arts om te bespreken of zij bereid is klaagster door te verwijzen naar een second opinion arts. Klaagster laat dezelfde dag per mail weten dat zij nog steeds twijfelt aan het advies van de arbo-arts en een second opinion wil. Ook vraagt zij wie de supervisor van de arbo-arts is. Op 6 maart 2024 ontvangt klaagster de mail met als bijlage de uitnodiging voor het consult op 27 maart 2024.
3.6 Op 7 maart 2024 laat E. klaagster per mail weten dat de bedrijfsarts de supervisor van de arbo-arts is. Diezelfde dag verzoekt klaagster per mail om haar in te plannen op het spreekuur van de bedrijfsarts en niet op het spreekuur van de arbo-arts. Op 11 maart 2024 mailt klaagster E. met als bijlage een brief gericht aan de arbo-arts waarin zij laat weten om een second opinion te hebben verzocht en benoemt zij haar klachten ter voorbereiding op het gesprek over de second opinion.
3.7 Op 27 maart 2024 vindt een consult plaats op het spreekuur van de arbo-arts om het verzoek om, en de vraagstelling voor, de second opinion te bespreken. Op 19 april 2024 komt klaagster op consult bij de second opinion bedrijfsarts. Op 23 mei 2024 volgt de rapportage van de second opinion met verschillende conclusies en aanbevelingen. Op 3 juni 2024 vindt er een gesprek plaats tussen klaagster en de bedrijfsarts.
3.8 Het handelen van de arbo-arts en de bedrijfsarts (als supervisor) is in dit kader voor klaagster aanleiding tot het indienen van de klacht.
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts het:
a) weigeren van het verlenen van toegang tot de superviserend bedrijfsarts;
b) schenden van de supervisie- en delegatie-eisen zoals vastgelegd in de beroepsnormen;
c) onzorgvuldig onderzoek en onzorgvuldige dossiervorming;
d) niet handelen als redelijk handelend en bekwaam bedrijfsarts.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat alle klachtonderdelen alsnog gegrond worden verklaard.
4.3 De bedrijfsarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 Het Centraal Tuchtcollege moet de vraag beantwoorden of de bedrijfsarts, in zijn hoedanigheid van supervisor, de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Het Centraal Tuchtcollege merkt als eerste op dat het klachtdossier zeer omvangrijk is en veel gedetailleerde informatie bevat waarover partijen van mening verschillen. Tijdens de zitting in beroep is duidelijk geworden dat het grootste verwijt dat klaagster de bedrijfsarts maakt, is dat hij onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan zijn rol als supervisor, omdat niet is gebleken dat hij toezicht hield op het handelen van de arbo-arts, en omdat hij niet actief heeft ingegrepen terwijl dat wel nodig was. Om die reden zal het Centraal Tuchtcollege eerst oordelen over klachtonderdeel b).
Klachtonderdeel b) schenden van de supervisie- en delegatie-eisen
4.6 Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de arbo-arts en de superviserend bedrijfsarts op 14 april 2023 een supervisieovereenkomst hebben opgesteld waaruit volgt hoe de supervisie wordt vormgegeven. Bij deze overeenkomst hoort een begeleidingsdocument waarin de bedrijfsarts en de arbo-arts aantekeningen maken over hun contactmomenten, eventuele casuïstiek en andere leermomenten. Volgens de overeenkomst kan dit begeleidingsdocument bij het eventueel starten van de opleiding (tot bedrijfsarts) worden toegevoegd aan het portfolio van de arbo-arts. Ter zitting is door de bedrijfsarts toegelicht dat de arbo-arts en hij iedere veertien dagen de wederzijdse problematiek op locatie bespreken en waar nodig een gezamenlijk spreekuur houden. Deze overlegmomenten zijn ook deels opgetekend in het begeleidingsdocument. Deze werkwijze maakte het de bedrijfsarts volgens hem voldoende mogelijk om bij te sturen waar nodig. Het college is van oordeel dat deze werkwijze niet in strijd is met de voor hem geldende beroepsnorm. Als de gemaakte supervisie-afspraken goed worden nagekomen en er ruimte is voor tussentijds overleg, is de mogelijkheid van toezicht daarmee in beginsel voldoende gewaarborgd.
4.7 De vraag die het Centraal Tuchtcollege ten aanzien van klachtonderdeel b) moet beantwoorden is of de bedrijfsarts in zijn rol als supervisor in deze specifieke casus voldoende betrokken is geweest bij het verzuimtraject van klaagster en of hij aanleiding had moeten zien om in te grijpen of bij te sturen. Het college beantwoordt deze vraag bevestigend.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege neemt hierbij het volgende in aanmerking. Tot en met het consult op 21 februari 2024 was er sprake van een regulier verzuimtraject en ziet het college voor de bedrijfsarts geen aanleiding om te veronderstellen dat contact met de arbo-arts over haar begeleiding van klaagster noodzakelijk was. Na de mails van 29 februari en 6 maart 2024 wordt dit anders. Zoals de bedrijfsarts zelf ook heeft opgemerkt, is het ongebruikelijk om na een eerste consult bij een bedrijfsarts/arbo-arts te vragen om een second opinion, zeker in een situatie waarin een deskundigenoordeel meer voor de hand ligt. Uit het begeleidingsdocument volgt dat er in ieder geval op 6 maart 2024 contact is geweest tussen de arbo-arts en de bedrijfsarts over dit verzoek van klaagster. Vanaf dat moment had het naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege op de weg van de bedrijfsarts gelegen om actiever invulling te geven aan zijn rol als supervisor. De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van een second opinion ligt immers bij de bedrijfsarts. Het Centraal Tuchtcollege kan uit het dossier niet afleiden dat sprake is geweest van enige actieve betrokkenheid van de bedrijfsarts bij deze aanvraag. Van de bedrijfsarts mocht in redelijkheid verwacht worden dat hij zich verdiepte in de verzuimproblematiek van klaagster en dat hij de arbo-arts actief begeleidde bij dit traject met daarbij aandacht voor de verstandhouding tussen klaagster en de werkgever. Dat de bedrijfsarts dit heeft nagelaten, acht het Centraal Tuchtcollege tuchtrechtelijke verwijtbaar. Dat er wellicht verwarring is geweest over de vraag of klaagster de bedrijfsarts nu wel of niet wilde spreken naast het traject van de second opinion, maakt dit niet anders. De invulling van de supervisie had op verschillende manieren vormgegeven kunnen worden. Zo had hij het gesprek op 27 maart 2024 in elk geval moeten voorbespreken met de arbo-arts, maar hij had er ook voor kunnen kiezen om het gesprek bijvoorbeeld samen te voeren. Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts in dit geval onvoldoende zorg heeft betracht in zijn rol als superviserend bedrijfsarts. Klachtonderdeel b) is daarom gegrond.
Klachtonderdeel a) weigeren van het verlenen van toegang tot de superviserend bedrijfsarts
4.9 Klaagster stelt dat zij zowel de second opinion wilde als een gesprek met de superviserend bedrijfsarts om verdere escalatie met haar werkgever te voorkomen. De bedrijfsarts betoogt dat een collega in een telefonisch contact het verzoek om een second opinion met klaagster heeft besproken en dat hij van deze collega heeft begrepen dat klaagster te kennen had gegeven per se een second opinion te wensen bij een externe bedrijfsarts en geen gesprek met de bedrijfsarts zelf.
4.10 Het Centraal Tuchtcollege constateert dat de lezingen van partijen op dit punt uiteenlopen terwijl de inhoud van het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om meer waarde te hechten aan de lezing van de een dan aan die van de ander. Het Centraal Tuchtcollege kan op basis van de stukken en de mondelinge behandeling op de zitting niet vaststellen welke van de twee lezingen aannemelijk is. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege klachtonderdeel a) niet gegrond kan verklaren. Het is niet zo dat er aan het woord van klaagster minder geloof wordt gehecht dan aan dat van de bedrijfsarts. Het gaat erom dat de bedrijfsarts pas een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van een bepaalde gedraging of een bepaald nalaten als er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel is, dat wil zeggen dat voldoende aannemelijk is dat de onzorgvuldige gedraging daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat is hier niet het geval. Weliswaar is door klaagster naar voren gebracht dat uit haar telefoon blijkt dat zij op de dag dat de collega gebeld zou hebben geen telefoontje heeft gehad van E., maar daar staat tegenover, hetgeen het college ook meeweegt, dat niet is gebleken dat klaagster na haar mail van 7 maart 2024 nogmaals heeft verzocht om de bedrijfsarts te spreken (naast het in gang zetten van de second opinion). Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.
Klachtonderdelen c) en d) onzorgvuldig onderzoek en dossiervorming en niet handelen als redelijk handelend en bekwaam bedrijfsarts
4.11 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling in beroep ten aanzien van klachtonderdelen c) en d) niet heeft geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn en neemt hier over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing onder 5.6 en 5.7 heeft overwogen.
Maatregel
4.12 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat klachtonderdeel b) gegrond is. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat supervisie door een bedrijfsarts een serieuze beroepsverantwoordelijkheid betreft. Het gaat erom dat de bedrijfsarts niet alleen formeel supervisie heeft, maar ook daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de kwaliteit en controle van wat onder zijn toezicht gebeurt. Dit is niet alleen in het belang van de arbo-arts (anios), maar ook in het belang van de cliënt. Dat de bedrijfsarts onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn rol als supervisor rechtvaardigt daarom het opleggen van een maatregel. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat kan worden volstaan met een waarschuwing. Een waarschuwing is een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder het afkeurende stempel van berispelijk handelen.
Kostenveroordeling
4.13 Een kostenveroordeling voor kosten die zijn gemaakt in de tuchtrechtelijke procedure kan worden opgelegd als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Klaagster heeft verzocht de bedrijfsarts te veroordelen in de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende (rechts)bijstand. Weliswaar wordt de klacht deels gegrond verklaard en de bedrijfsarts een waarschuwing opgelegd, maar zowel klaagster als de bedrijfsarts zijn op onderdelen in het ongelijk gesteld. Het Centraal Tuchtcollege ziet daarom geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Conclusie
4.14 Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zal vernietigen en klachtonderdeel b) alsnog gegrond zal verklaren. Daarbij wordt aan de bedrijfsarts een waarschuwing opgelegd.
Publicatie
4.15 Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat onderhavige beslissing op na te noemen wijze wordt bekend gemaakt.
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover klachtonderdeel b) ongegrond is verklaard; en opnieuw rechtdoende: verklaart klachtonderdeel b) alsnog gegrond; legt de bedrijfsarts de maatregel van waarschuwing op; verwerpt het beroep voor het overige; bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, met het verzoek tot plaatsing; gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klaagster het betaalde griffierecht ten bedrage van 100,00 (zegge: honderd euro) voor de behandeling van de klacht bij het Regionaal Tuchtcollege en de behandeling van het beroep bij het Centraal Tuchtcollege vergoedt.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, L. van Dijk en T. Dompeling, leden-juristen en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-3120.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.