Ontwerp Projectbesluit Nieuwe kazerne Korps Commandotroepen

De Minister van Defensie in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

gelet op artikel 5.44, eerste en derde lid Omgevingswet;

gelet op artikel 5.52, eerste lid Omgevingswet;

overwegende,

dat het ten behoeve van het project Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen in de gemeente Roosendaal noodzakelijk is een planologische regeling als bedoeld in de Omgevingswet (hierna: Ow) te treffen;

dat de planologische regeling wordt vormgegeven in de vorm van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 e.v. Ow;

dat omtrent het voornemen overleg als bedoeld in artikel 2.2 Ow is gepleegd met de betrokken provincies, gemeenten, waterschappen en ministeries en andere overlegpartners die betrokken zijn bij de zorg voor de fysieke leefomgeving of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn;

dat omtrent het voornemen en het projectbesluit participatie is gevoerd als bedoeld in art. 5.47, lid 4 en 5.51 Ow, alsmede art. 5.3 Omgevingsbesluit (Ob);

dat met het oog op de uitvoerbaarheid van het project op 11 oktober 2024 een voorbereidingsbesluit genomen is;

Besluiten:

Artikel 1

Het ontwerp projectbesluit ‘Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen’ vast te stellen, zoals is vastgelegd in Bijlage 1.

Artikel 2

Ten behoeve van het project het omgevingsplan gemeente Roosendaal te wijzigen zoals in Bijlage 2, inclusief de daarbij behorende bijlagen 1 en 2, is opgenomen.

Artikel 3

Dit besluit treedt vier weken na bekendmaking van het projectbesluit in werking.

Beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de dag van bekendmaking van het projectbesluit.

Aldus besloten

De Minister van Defensie,

namens deze:

w.g.

De Staatssecretaris van Defensie,

D.G. Boswijk

Bijlage 1 Artikel 1

Ontwerp Projectbesluit Nieuwe kazerne Korps Commandotroepen

1 Projectbesluit en projectgebied

Dit projectbesluit gaat over de realisatie en instandhouding van de Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen te Roosendaal. Bijlage I bevat de geometrische informatie van het projectgebied waarop dit projectbesluit betrekking heeft.

1.1 Aanleiding en doel projectbesluit

Het Korps Commandotroepen (KCT) is een speciale eenheid van de Koninklijke Landmacht en heeft als taak het voorbereiden en uitvoeren van speciale operaties voor bondgenootschappelijke verdedigings- en crisisbeheersingstaken. Het KCT heeft oefen- en werklocaties in gebruik in de omgeving van Roosendaal, Ossendrecht en Rucphen. Het huidige vastgoed op deze locaties sluit niet aan bij de actuele en toekomstige operationele behoefte. Het ontbreekt aan goede schiet- en trainingsfaciliteiten, de terreinen zijn versnipperd en bieden geen goed werk- en leefklimaat voor het personeel. Ook de spreiding van activiteiten over de Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal (EvN), Koningin Wilhelmina Kazerne Ossendrecht (KWK) en Logistiek Centrum Rucphen (LC) veroorzaakt beperkingen.

Het Ministerie van Defensie (Defensie) is daarom, in samenwerking met de gemeenten Roosendaal en Rucphen, de provincie Noord-Brabant en het Rijksvastgoedbedrijf, op zoek naar een nieuwe locatie om de activiteiten van het KCT te concentreren. Het doel is om het personeel een moderne werkplek te bieden en tegelijkertijd de vastgoedportefeuille financieel in balans te brengen. De locatie ter hoogte van de Antwerpseweg bij Nispen is daarbij als voorkeurslocatie naar voren gekomen. Deze locatie biedt veel meer ruimte dan de andere onderzochte locatie, ligt nabij bestaande oefenterreinen en heeft een strategische ligging ten opzichte van de regionale en nationale infrastructuur.

Met de ontwikkeling van de nieuwe kazerne streeft Defensie naar een toekomstbestendige thuisbasis die de operationele behoeften van het KCT verbindt met regionale en duurzame ambities. De focus ligt hierbij op concentratie van krachten, maatschappelijke verankering en ecologische verantwoordelijkheid. De volgende doelen zijn van toepassing:

Regionale en maatschappelijke waarde: De kazerne vervult een belangrijke rol in de regio Roosendaal/Rucphen. Defensie wil de lokale economie stimuleren door actieve samenwerking met regionale bedrijven, dienstverleners en onderwijsinstellingen. Door kennisuitwisseling en het creëren van werkgelegenheid fungeert de kazerne als een maatschappelijke motor voor de omgeving.

Duurzaamheid en toekomstbestendig vastgoed: Een belangrijk onderdeel van de strategie is een vastgoedportefeuille die financieel gezond en klimaatbestendig is. De kazerne moet fungeren als een voorbeeld binnen de militaire sector op het gebied van duurzaamheid. Dit komt tot uiting in drie centrale pijlers:

  • Energie: Een lage energiebehoefte, maximale inzet van hernieuwbare bronnen en een hoge mate van zelfvoorzienendheid, ook om de druk op het elektriciteitsnet (netcongestie) te beperken.

  • Circulariteit: Gebouwen worden, zoveel als mogelijk, remontabel en flexibel ontworpen met herbruikbare materialen, waardoor de milieubelasting over de gehele levenscyclus minimaal blijft.

  • Natuur en Klimaat: Natuurinclusief bouwen, waarbij groene zones en waterbuffers bijdragen aan biodiversiteit en bescherming tegen extreme weersomstandigheden.

Kernwaarden voor ontwikkeling

Bij de vormgeving en inrichting van de kazerne, hanteert Defensie de vier kernwaarden - gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde en omgevingswaarde - met hun bijbehorende inrichtingsprincipes de basis voor een integraal, aansprekend, passend en ondersteunend ontwerp. Deze kernwaarden en inrichtingsprincipes dienen als leidraad voor (grootschalige) nieuwbouw en revitaliseringsprojecten met altijd als primair doel dat vastgoed en de facilitaire dienstverlening de taken van de Krijgsmacht effectief en efficiënt faciliteren en de bedrijfsvoeringsprocessen optimaal ondersteunen.

1.2 Projectbeschrijving Kazerne Korps Commandotroepen (art. 5.6 onder a Omgevingsbesluit)

Het project gaat om de ontwikkeling van een nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen, waarin alle militaire en ondersteunende functies worden samengebracht op één geïntegreerde locatie. De bestaande militaire gebieden, waaronder de huidige kazerne van het KCT, hebben een ruimtebeslag van zo’n 77 hectare (Zie Figuur 1‑1). Voor de nieuwe kazerne is een oppervlakte van 86 hectare gewenst, in verband met de voorziene groei van het Korps. Dit is gebaseerd op de behoeftestelling van Defensie welke is toegenomen door de veranderde veiligheidssituatie. Het beoogd plangebied aan de Antwerpseweg heeft een omvang van circa 94 hectare. Deze omvang volgt uit de ruimtelijke begrenzing van de locatie, waaronder de bestaande perceelsgrenzen en de benodigde infrastructuur.

Inmiddels is in de Defensienota van 29 juni 2026 de groei van Defensie bevestigd. In dat kader blijft het Logistiek Complex (LC) Rucphen operationeel. LC Rucphen wordt niet vervangen of geïntegreerd in de nieuwe kazerne, maar behoudt een functie voor de huisvesting van (nieuwe) defensieactiviteiten ter ondersteuning van deze groei.

Het gebied biedt ruimte voor maximaal 120.000 m² bruto gebouw-gebonden vloeroppervlakte. De kazerne wordt ontworpen voor een basisbezetting van ongeveer 1.250 gelijktijdig op de locatie aanwezigen, in de komende jaren. In de opzet voor de indeling van het plangebied, wordt uitgegaan van een centraal kazernehart met gemeenschappelijke functies, autoluwe verblijfsgebieden en een logische interne hoofdstructuur. Daarnaast wordt voorzien in duurzame energie- en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder zonnepanelen en regenwateropvang. Voor parkeren wordt circa 35.000 – 40.000 m² gereserveerd op eigen terrein, zowel voor civiele als militaire voertuigen.

Figuur 1-1 Schematische weergave gewenste situatie KCT Roosendaal

De nieuwe kazerne wordt ontwikkeld in het zuiden van de gemeente Roosendaal ter hoogte van de Antwerpseweg (N262), ten oosten van het dorp Nispen. De locatie is strategisch gekozen vanwege de goede bereikbaarheid. Via de N262 is er een directe aansluiting op de A58, wat snelle verplaatsingen en een efficiënte logistieke afhandeling mogelijk maakt. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is ‘Brabantse Wal’ in Nederland op bijna zes kilometer ten westen van het projectgebied en ‘Klein en Groot Schietveld’ en ‘Kalmthoutse Heide’ in België, ook allebei op ongeveer zes kilometer van het projectgebied. De ligging biedt voldoende ruimte voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing, de aanleg of versterking van ecologische verbindingszones en eventuele toekomstige uitbreidingen van het kazerneterrein.Er wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat bij vaststelling aan de regels wordt gekoppeld.

2 Maatregelen

2.1 Permanente maatregelen (art. 5.6 onder b Omgevingsbesluit)

De maatregelen van de realisatie kazerne Korps Commandotroepen bestaan uit:

  • 1.

    De realisatie van een kazernehart met algemene voorzieningen;

  • 2.

    De realisatie van een drietal ontsluitingen;

  • 3.

    De realisatie van een munitieopslaglocatie;

  • 4.

    De realisatie van een schiet- en trainingsfaciliteit;

  • 5.

    Het realiseren van maatregelen voor landschappelijke inpassing;

  • 6.

    Het realiseren van een perimeter.

2.1.1 Kazernehart en logistiek

De functionele eisen aan de nieuwe kazerne zijn gebaseerd op de operationele behoeften van het KCT. De kazerne moet onder meer voorzien in algemene voorzieningen, zoals kantoren, lesgebouwen, een eetzaal met keuken en kantine (KEK), een wachtgebouw, sportvoorzieningen en buitenvoorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen voor personeel, bezoekers en militaire voertuigen.

2.1.2 Ontsluitingen

De verkeersontsluiting van de kazerne (zie Figuur 2‑1) is gebaseerd op een directe aansluiting op de N262 (Antwerpseweg), met een snelle verbinding naar de A58. Deze westelijke ontsluiting (A) zorgt voor een robuuste en veilige verkeersafwikkeling en voorkomt dat verkeer door dorpskernen of over smalle plattelandswegen wordt geleid. Door de ontsluiting aan de oostzijde (C) kunnen verkeersstromen waar nodig worden gescheiden en wordt het oefenterrein goed bereikbaar en is de toegankelijkheid van de kazerne ook bij calamiteiten of bijzondere activiteiten geborgd. Om het kazerneterrein te verbinden met de N262 wordt een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd die uitsluitend bestemd is voor verkeer van en naar de kazerne. Deze weg sluit met een nieuwe rotonde aan op de N262. De rotonde is gelegen buiten het projectgebied en past binnen de nu geldende juridische regels van het omgevingsplan van rechtswege. Aan de oostzijde van het kazerneterrein is een ontsluiting voorzien voor verkeer van en naar het oefenterrein op de Rucphense Heide. De locaties van de drie ontsluitingen zijn ook geborgd middels bijlage B van dit projectbesluit.

De ontsluitingen vergroten de flexibiliteit, verkeersveiligheid en bedrijfszekerheid van het terrein. Binnen het terrein wordt een ringontsluiting aangelegd waarmee logistiek verkeer, militair verkeer en personenverkeer zoveel mogelijk van elkaar worden gescheiden. Het kazernehart en de verblijfsgebieden worden autoluw ingericht, met nadruk op interne veiligheid en verblijfskwaliteit. Het entreegebied fungeert tevens als ontvangstgebied met gecentraliseerd parkeren voor personeel en bezoekers. Logistieke toegangen worden gescheiden ontsloten, waardoor kruisende verkeersstromen worden voorkomen en de interne veiligheid wordt vergroot.

Figuur 2-1 Ontsluitingen projectgebied
2.1.3 Munitieopslaglocatie

De munitieopslaglocatie wordt gesitueerd in een zone waarin verder geen andere activiteiten gepland staan. De munitieopslaglocatie is voorzien van een explosieaandachtsgebied, dat volledig binnen het kazerneterrein blijft (intern aandachtsgebied). Hierdoor ontstaan geen externe veiligheidsbelemmeringen voor de omgeving. De munitieopslaglocatie is functioneel gekoppeld aan het gebruik van de kazerne en afgestemd op de oefenbehoefte van het KCT. De situering en veiligheidszonering zijn zodanig vormgegeven dat risico’s beheerst blijven en wordt voldaan aan de geldende defensie‑ en veiligheidsnormen, zowel binnen als buiten het kazerneterrein.

2.1.4 Schiet- en trainingsfaciliteiten

Binnen het project zijn specifieke schiet- en trainingsfaciliteiten voorzien, waaronder twee schiethuizen, een binnenschietbaan en simulatievoorzieningen. Deze voorzieningen zijn geconcentreerd binnen een afgebakend trainingscluster en ruimtelijk zo gepositioneerd dat geluid- en omgevingshinder voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt, en wordt voldaan aan de richtafstanden vanuit de instructieregels. De ligging van de schietfaciliteit is geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

2.1.5 Landschappelijke inpassing

Het plangebied grenst direct aan het Natuurnetwerk Brabant en ligt nabij waardevolle natuurgebieden en het beekdal van de Molenbeek. Bij de inrichting van de kazerne wordt hier expliciet rekening mee gehouden door:

  • het realiseren van groene bufferzones en ecologische corridors;

  • het versterken van houtwallen, natte natuur en beekdalstructuren;

  • het toepassen van natuurinclusieve en klimaatadaptieve inrichting, zoals waterberging, infiltratie en schaduwrijke zones.

Hoewel sprake is van ruimtebeslag en verstoring, wordt gelijktijdig ingezet op ecologische versterking en compensatie.

2.1.6 Perimeter

Ter beveiliging wordt rondom het kazerneterrein een zogenaamde perimeter gerealiseerd. Dit betreft een gebied nabij de erfgrens rondom het terrein waarin de zichtbare afscheiding en de beveiliging is opgenomen. Het bevat patrouillepaden en een hekwerk. De perimeter wordt landschappelijk ingepast met een groenstrook en bomen en is geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

2.2 Tijdelijke maatregelen (art. 5.6 onder b Omgevingsbesluit)

Om de kazerne Korps Commandotroepen te realiseren zijn diverse tijdelijke maatregelen benodigd.

1. In verband met de uitvoering van het projectbesluit kunnen tijdelijke maatregelen, bouwwerken en voorzieningen worden gerealiseerd of uitgevoerd. De tijdelijke maatregelen kunnen worden gerealiseerd en uitgevoerd binnen de grenzen van het gehele werkingsgebied. Onder tijdelijke maatregelen, bouwwerken en voorzieningen worden onder andere begrepen:

  • opslagplaatsen, werkterreinen, installaties, bouwketen, parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers;

  • grondroerende activiteiten;

  • laad- en losplaatsen en grond- en zanddepots;

  • tijdelijke geluidschermen of stofbeperkende voorzieningen;

  • tijdelijke bouwwegen, energievoorziening, afrastering, drainage en riolering.

2. De gronden waarop tijdelijke maatregelen en voorzieningen worden getroffen, worden na uitvoering van de werkzaamheden in hun oorspronkelijke staat en ten behoeve van hun oorspronkelijke functie teruggebracht, tenzij in de regels van dit projectbesluit die het omgevingsplan wijzigen anders is bepaald.

3 Maatregelen om nadelige gevolgen van het project te voorkomen en te beperken (art. 5.6 onder c Omgevingsbesluit)

Mitigerende maatregelen zijn nodig om nadelige gevolgen op het milieu te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen. De volgende mitigerende maatregelen worden getroffen:

Bodem

  • Aanwezige (water)bodemverontreinigingen dienen te worden gesaneerd.

Geluid

  • Om overschrijding van de grenswaarde door schietgeluid te voorkomen moeten de afschermende gebouwen worden gerealiseerd. Deze voorzieningen zijn functioneel verbonden met de schietfaciliteit en zijn in bijlage B van dit projectbesluit geborgd.

Landschap en ruimtelijke kwaliteit

  • Het toepassen van een groene perimeter als zachte landschappelijke rand met gelaagde beplanting die zichtbaar aansluit op bestaande houtwallen, sloten en kavelrichtingen.

Natuur

  • Door de realisatie van de kazerne wordt er beperkt oppervlakte van het NNB ongeschikt of permanent verstoord. Deze gebieden worden in oppervlakte en kwaliteit gecompenseerd nabij de militaire kazerne of op het kazerneterrein en aansluitend op reeds bestaande NNB gebieden en groenstructuren.

  • Door de inzet van Zero-emission materieel in de aanlegfase en interne saldering in de gebruiksfase worden negatieve effecten op Natura 2000-gebieden voorkomen.

Separaat van dit projectbesluit is een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit benodigd. In dat kader zijn de volgende maatregelen benodigd:

  • De omheining wordt verder het militaire terrein in geplaatst, zodat de groenstructuur aan de westzijde bestaande uit bosplantsoenen, poelen en de tuin van Oude Turfvaartsestraat 47 buiten de omheining komen te liggen.

  • In de uitwerking van het ontwerp dienen faunapassages voor fauna door, onder of boven de omheining te worden gerealiseerd. Voor de beschermde soorten boommarter, eekhoorn en alpenwatersalamander leidt de omheining tot versnippering en isolatie van populaties. Relatief kleine doorgangen van ongeveer 15 cm in diameter kunnen dit al grotendeels voorkomen.

  • Daarnaast leidt een ondoordringbare omheining tot het verdwijnen van een essentiële migratieroute van alpenwatersalamander. Deze effecten leiden mogelijk tot het verdwijnen van deze populaties. Het realiseren van faunapassages kan dit negatief effect voorkomen. Daarnaast is het maken van faunapassages door de omheining ook van belang voor algemene soorten en de algehele biodiversiteit binnen het kazerneterrein.

  • De sloop van gebouwen leidt tot het mogelijk vernielen van vaste rust-, en verblijfplaatsen en jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus, steenmarter en kerkuil. Het behouden van deze verblijfplaatsen zou de negatieve effecten grotendeels wegnemen. Indien behoud niet mogelijk is dienen nieuwe verblijfplaatsen te worden gerealiseerd op of nabij het kazerneterrein. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van inbouwvoorzieningen en marterhopen.

Lichthinder

  • Bij de inrichting van het kazerneterrein wordt een duidelijke zonering toegepast in de plaatsing van verlichting. Verlichting wordt zoveel mogelijk geconcentreerd in het centrale deel van het terrein (het kazernehart, logistieke zones en ontsluitingsroutes). Aan de randen van het terrein wordt een zo donker mogelijke zone gerealiseerd, maar wel met inachtneming van de beveiligingsvereisten van de kazerne.

  • Deze donkere randzones bestaan uit groene buffers en ecologische corridors waarin geen of slechts zeer beperkt verlichting wordt toegepast. De buffers functioneren als visuele en ecologische overgang tussen het kazerneterrein en het omliggende landschap. Hierdoor wordt voorkomen dat licht direct uitstraalt richting woningen, natuurgebieden en open landschap.

  • De verlichting wordt ontworpen volgens het principe van “licht waar nodig, wanneer nodig en niet meer dan nodig”. Dit betekent dat lichtniveaus worden afgestemd op de functionele eisen van veiligheid en gebruik, maar niet hoger zijn dan noodzakelijk.

  • Voor alle buitenverlichting op het terrein worden armaturen toegepast met een Upward Light Ratio (ULR) van 0, wat betekent dat er geen licht boven de horizontale lijn wordt uitgestraald. Hierdoor wordt lichtverstrooiing naar de hemel en naar de omgeving geminimaliseerd.

  • Om onnodige verlichting in de nachtperiode te voorkomen wordt een adaptief verlichtingssysteem toegepast. Hierbij kan verlichting worden gedimd of uitgeschakeld wanneer deze niet nodig is.

  • De verlichting van de sportvoorzieningen op het terrein wordt zorgvuldig ontworpen en begrensd. Om lichthinder te beperken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

    • Toepassing van asymmetrische armaturen die het licht uitsluitend op het speelveld richten

    • Minimaliseren van de masthoogte waar technisch mogelijk

    • Beperken van gebruikstijden in de avond en nacht;

    • Toepassing van een lichtkleur ≤ 4000K.

Oorlogsresten

  • Voor verschoten geschutmunitie geldt een maximale diepteligging tot circa 2,0 meter onder het toenmalige maaiveld. Voor gedumpte munitie wordt uitgegaan van een maximale diepteligging tot circa 1,5 meter onder het toenmalige maaiveld. Voor afwerpmunitie (Britse vliegtuigbom van 500 lb) is, op basis van een worstcasescenario volgens de Saricon‑methode, een maximale indringingsdiepte vastgesteld van circa 4,9 meter. Bij voorgenomen graaf- of grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied is het noodzakelijk de behandelde uitgangspunten te hanteren en – indien relevant – een nader onderzoek uit te voeren.

Verkeer

  • Ter plaatse van de Heijbeeksestraat, Kerkweg, Boswachtersdreef en Rozenvendreef wordt bermverbetering (grasbetontegels) toegepast en worden waar nodig passeerhavens gerealiseerd. Dit is geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

Water en klimaatadaptatie

  • De waterbergingsvoorzieningen hebben voldoende capaciteit om aan de waterbergingseis uit de Waterschapsverordening van Brabantse Delta te voldoen.

  • De maximale gezamenlijke oppervlakte aan verharding (inclusief gebouwen) bedraagt 330.00 m2. Om de toename aan verhard oppervlak te compenseren moeten waterbergende en infiltrerende voorzieningen, zoals wadi’s, worden gerealiseerd.

  • Bij oppervlaktes met een verhoogd risico op vervuiling worden passende maatregelen genomen zoals bijvoorbeeld toepassing van olieafscheiders.

  • Uitgangspunt voor de ontwikkeling is grondwaterneutraal bouwen. In het lagere westelijke deel van het plangebied is de ontwateringsdiepte onvoldoende voor de beoogde functies en wordt het terrein dus deels opgehoogd.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen

/join/id/regdata/mnre1018/2026/KCT_Roosendaal/nld@2026‑07‑21

Bijlage 2: Bijlage van Artikel 2

Wijziging omgevingsplan gemeente Roosendaal vanwege projectbesluit Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen

Voorrangsbepaling

De regels in bijlage 2 van het projectbesluit gaan voor op de artikelen 3, 4, 5, 12, 18, 22, 23, 24 van het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen van de gemeente Roosendaal, dat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet.

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1.1 Toepassingsbereik

De regels in dit tijdelijk regelingsdeel wijzigen het omgevingsplan krachtens het projectbesluit Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen, vastgesteld door de Minister van Defensie, hiermee wordt het mogelijk gemaakt om (al dan niet na vergunningverlening) de activiteiten te verrichten die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren en in stand houden van het project als bedoeld in dit projectbesluit. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie regelingsgebied 'Kazerne Korps Commandotroepen;

Artikel 1.2 Begripsbepalingen

Dit tijdelijk regelingdeel bevat in aanvulling op de begripsbepalingen in het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal en het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen, begripsbepalingen voor de toepassing van dit tijdelijk regelingdeel binnen het regelingsgebied ‘Kazerne Korps Commandotroepen’.

Artikel 1.3 Doelen

De regels voor de Kazerne Korps Commandotroepen zijn gesteld met het oog op de volgende doelen:

  • a.

    creëren van een toekomstbestendige thuisbasis die de bedrijfsvoering en operationele gereedstelling van het Korps Commandotroepen optimaal ondersteunt;

  • b.

    concentratie van militaire activiteiten, maatschappelijke verankering en ecologische verantwoordelijkheid;

  • c.

    faciliteren van de meest essentiële militaire functies op een moderne, geconcentreerde locatie. Door de huidige verspreiding te beëindigen, wordt de onderlinge samenwerking versterkt en kunnen trainingsprocessen efficiënter worden ingericht;

  • d.

    een hoogwaardige werk- en leefomgeving voor een betere personeelsbinding;

  • e.

    het stimuleren van de lokale economie door actieve samenwerking met regionale bedrijven, dienstverleners en onderwijsinstellingen;

  • f.

    een efficiënte energiebehoefte, middels maximale inzet van hernieuwbare bronnen en een hoge mate van zelfvoorzienendheid, ook om de druk op het elektriciteitsnet (netcongestie) te beperken, alsmede een lagere CO2 uitstoot. Een minimale milieubelasting over de gehele levenscyclus;

  • g.

    bijdragen aan de biodiversiteit en bescherming tegen externe weersomstandigheden.

Artikel 1.4 Meetbepalingen

​In afwijking van de meetbepalingen in artikel 22.24 van het omgevingsplan Roosendaal gelden de volgende regels voor het meten bij het bouwen van bouwwerken:

  • a.

    bouwhoogte van een bouwwerk: de grootste afstand (loodrecht) vanaf het (straat)peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarbij buiten beschouwing blijven:

    • 1°.

      plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan; en

    • 2°.

      noodtrappen;

  • b.

    bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, op een gebouw: de grootste afstand (loodrecht) vanaf het oppervlak waarop het bouwwerk, geen gebouw zijnde, wordt gebouwd tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals een antenne-installatie of valhek;

  • c.

    de goothoogte van een bouwwerk: de grootste afstand (loodrecht) vanaf het (straat)peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

  • d.

    de hoogte van een ondergeschikt bouwdeel op een gebouw: de grootste afstand (loodrecht) vanaf het oppervlak waarop het ondergeschikt bouwdeel wordt gebouwd tot aan het hoogste punt van het ondergeschikt bouwdeel;

  • e.

    dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;

  • f.

    oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 meter buiten beschouwing blijven;

  • g.

    de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

  • h.

    de afstand tot (zijdelingse) perceelsgrens: de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelsgrens van het bouwperceel;

  • i.

    overige afstanden: loodrecht;

  • j.

    de breedte van bouwpercelen: de kortste afstand tussen de zijdelingse perceelgrenzen van het bouwperceel;

  • k.

    diepte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk: de kortste afstand gemeten loodrecht vanaf de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw waar tegenaan gebouwd wordt, tot de uiterste grens van het bijbehorend bouwwerk;

  • l.

    stapelhoogte in het kader van opslag: de afstand (loodrecht) vanaf het (straat)peil tot het hoogste punt van de opgeslagen goederen en materialen;

  • m.

    in geval van ondergronds bouwen wordt, bij het berekenen van het bebouwingspercentage, of het maximaal te bebouwen oppervlak, het oppervlak van het ondergronds bouwwerk mede in aanmerking genomen voor zover deze buiten de buitenwerkse gevelvlakken van een bovengronds gebouw of overkapping zijn gelegen; en

  • n.

    een bebouwingspercentage: de bebouwde oppervlakte, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel of het bouwvlak.

Artikel 1.5 Antidubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 1.6 Normadressaat

Aan de regels in dit tijdelijk regelingdeel wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij in de regels van dit hoofdstuk anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2 Gebiedsaanwijzingen

Artikel 2.1 Aanwijzing regelingsgebied Kazerne Korps Commandotroepen

De regels in dit tijdelijk regelingdeel zijn van toepassing binnen het regelingsgebied 'Kazerne Korps Commandotroepen'.

Hoofdstuk 3 Functies en activiteiten

Afdeling 3.1 Functie Militair terrein

Paragraaf 3.1.1 Algemeen
Artikel 3.1 Aanwijzing functie Militair terrein

Er is een functie 'Militair terrein' binnen het regelingsgebied 'Kazerne Korps Commandotroepen'.

Artikel 3.2 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen de functie 'Militair terrein'.

Paragraaf 3.1.2 Gebruiksactiviteiten Militair terrein
Artikel 3.3 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de gebruiksactiviteiten binnen de functie 'Militair terrein'.

Artikel 3.4 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1.

    De locatie met de functie 'Militair terrein' wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van een militair complex met daarbij behorende activiteiten en voorzieningen gericht op opleiding, training, operationele voorbereiding, logistiek, opslag, technisch onderhoud, sport, logies, en langdurig verblijf.

  • 2.

    Ten behoeve van de activiteiten bedoeld in het eerste lid zijn de volgende voorzieningen toegelaten:

Artikel 3.5 Verboden gebruik

Het is verboden om:

  • a.

    het militair terrein te gebruiken of laten gebruiken voordat de perimeter is gerealiseerd en voorzien is in landschappelijke inpassing conform bijlage PM;

  • b.

    de perimeter niet in stand te houden;

  • c.

    op de locatie 'beschermde bebouwing' aanwezige gebouwen af te breken of te wijzigen;

  • d.

    de ontsluiting op de locatie ‘ontsluiting’ op de Heijbeeksestraat in gebruik te nemen voordat is voorzien in bermverharding langs weerszijden van deze straat in westelijke richting, gezien vanaf de ontsluiting, over een lengte van minimaal 200 meter;

  • e.

    de ontsluiting op de locatie ‘ontsluiting’ op de Boswachtersdreef en Rozenvendreef in gebruik te nemen voordat is voorzien in bermverbetering bij deze wegen;

  • f.

    het militair terrein in gebruik te nemen zolang niet is voorzien in een aansluiting op de provinciale weg N262, ongeveer ter plaatse van hectometerpaal 2,5 zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het projectbesluit;

  • g.

    de schietfaciliteit te gebruiken of laten gebruiken zonder dat:

    • 1°.

      op de locatie ‘gebouwen ten behoeve van de schietfaciliteit’ gebouwen ten dienste van de schietfaciliteit zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden; en

  • h.

    op de locatie ‘geluidwerende voorzieningen’, geluidwerende voorzieningen met een minimale hoogte van 4 meter zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden;

  • i.

    het militair terrein in gebruik te nemen of te laten gebruiken zonder dat de compensatieopgave uit Tabel 1, wegens de aangetaste en/of verloren gebieden van Natuurnetwerk Nederland/Brabant, is gerealiseerd.

Tabel 1 Compensatieopgave NNN-gebied

Beheertypen

Oppervlakte (m2) aanwezig beheertype

Opgave 30% compensatie indien buiten plangebied m2

Opgave 1,3x compensatieopgave indien binnen plangebied m2

N04.02 Zoete plas

2.258

677

881

N10.02 Vochtig hooiland (gebied is meegenomen onder N14.03)

0

Nvt

Nvt

N14.03 Haagbeuken- en essenbos

21.529

6.458

8.397

N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos

2.862

859

1.116

N16.03 Droog bos met productie

2.558

767

998

N16.04 Vochtig bos met productie

13.459

4.038

5.249

Totaal

42.666

12.800

16.640

Paragraaf 3.1.3 Bouwactiviteiten functie Militair terrein
Artikel 3.6 Toepassingsbereik bouwactiviteiten - militaire bouwwerken en voorzieningen

Deze paragraaf gaat over het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen de functie 'Militair terrein'.

Artikel 3.7 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten - militaire bouwwerken en voorzieningen
  • 1.

    Binnen de functie 'Militair terrein' mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het militair terrein gebouwd worden als wordt voldaan aan de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 12 meter.

  • 3.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4 meter.

  • 4.

    De bouwhoogte van de 'geluidwerende voorzieningen' bedraagt minimaal de omgevingsnorm 'bouwhoogte'.

  • 5.

    De bouwhoogte van de 'gebouwen ten behoeve van de schietfaciliteit' bedraagt minimaal de omgevingsnorm 'bouwhoogte'.

  • 6.

    De maximale gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing en verharding bedraagt 330.000 m2.

  • 7.

    Het totale bebouwde brutovloeroppervlakte bedraagt maximaal 120.000 m2.

  • 8.

    Bij de positionering en vormgeving van de bebouwing wordt rekening gehouden met de beoogde beeldkwaliteit.

  • 9.

    In afwijking van het tweede lid is een bouwhoogte van 25 meter toegestaan, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de bebouwing vormt het kazernehart; en

    • b.

      de bebouwing wordt ten minste 100 meter vanaf de grens van de functie 'Militair terrein' gerealiseerd.

  • 10.

    In afwijking van het tweede lid mag ten behoeve van het militair terrein één klimfaciliteit worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 30 meter en een footprint van maximaal 60 m2, waarbij de daarbij behorende bouwwerken niet tot de maximale footprint behoren.

  • 11.

    In afwijking van het tweede lid mag ten behoeve van het militair terrein een CQB worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 25 meter.

  • 12.

    Ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan tot een maximale diepte van 4 meter.

Paragraaf 3.1.4 Uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Militair terrein
Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid binnen de functie 'Militair terrein'.

Artikel 3.9 Toegestane werken, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
  • 1.

    Op de locatie met de functie 'Militair terrein' zijn uitsluitend de volgende werken, niet zijnde bouwwerken en werkzaamheden toegestaan te realiseren:

    • a.

      ontsluitingen uitsluitend op de locatie ‘ontsluiting’;

    • b.

      een schietfaciliteit, uitsluitend op de locatie ‘schietfaciliteit’;

    • c.

      parkeervoorzieningen;

    • d.

      een watergang en andere waterpartijen op de locatie ‘hoofdwatergang’ met de daarbij behorende voorzieningen, zoals bruggen en duikers en daarmee vergelijkbare voorzieningen;

    • e.

      groene bufferzones en ecologische corridors;

    • f.

      houtwallen, natte natuur en beekdalstructuren.

  • 2.

    De maximale gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing en verharding bedraagt 330.000 m2.

Paragraaf 3.1.5 Geluid voor wegen Militair terrein
Artikel 3.10 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over geluid op geluidgevoelige gebouwen binnen de functie 'Militair terrein'.

Artikel 3.11 Toegestane geluidgevoelige gebouwen
  • 1.

    Het toevoegen en veranderen van geluidgevoelige gebouwen en het wijzigen van gebruik van gebouwen zodat geluidgevoelige gebouwen ontstaan, is binnen de locatie 'Attentiezone geluid provinciale weg' slechts toegestaan:

    • a.

      indien de waarde van 55db Lden voor geluid op het geluidgevoelig gebouw niet wordt overschreden;

    • b.

      de geluidbelasting op het geluidgevoelig gebouw tussen de 55db Lden en 60db Lden ligt én bij ten minste één geluidgevoelige ruimte een geluidluwe zijde aanwezig is met ten minste één te openen deel; of

    • c.

      indien de geluidsbelasting op het geluidgevoelige gebouw hoger is dan 60db Lden:

      • 1°.

        alle gevels waar de geluidbelasting 60 dB Lden of hoger is worden uitgevoerd als een niet-geluidgevoelige gevel; en

      • 2°.

        er ten minste bij één geluidgevoelige ruimte een geluidluwe zijde aanwezig is met ten minste één te openen deel.

  • 2.

    Indien de realisatie van een geluidluwe zijde vanwege stedenbouwkundige redenen niet inpasbaar is, wordt in afwijking van het eerste, onder a en b en c, onder ii, een geluidluwe plek gerealiseerd.

Artikel 3.12 Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 22.26 kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn om aan de voorwaarden uit artikel 3.11 betreffende de locatie 'Attentiezone geluid provinciale weg' te kunnen voldoen.

Paragraaf 3.1.6 Geluid door activiteiten Militair terrein
Artikel 3.13 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over geluid op geluidgevoelige gebouwen binnen de functie 'Militair terrein'.

Artikel 3.14 Waarden voor geluid
  • 1.

    Bij het verrichten van een activiteit, zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1, binnen de functie 'Militair terrein' moet worden voldaan aan de waarden, zoals bedoeld in tabel 1, voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een afstand van 50 meter vanaf de locatie waar de activiteit wordt verricht.

  • 2.

    Bij het verrichten van een activiteit, zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1, binnen de functie 'Militair terrein' bedraagt het gezamenlijk geluid op de in tabel 1 opgenomen locaties niet meer dan de waarden, zoals bedoeld in tabel 2.

    Tabel 2 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    -

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    Tabel 3 Maximaal gezamenlijk geluid op geluidgevoelige gebouwen

    Locatie

    Gezamenlijk geluid

    Heijbeeksestraat 48, Nispen

    56 dB

    Kerkweg 46, Nispen

    55 dB

    Kerkweg 34, Nispen

    55 dB

    Kerkweg 38, Nispen

    55 dB

    Oude Turfvaartsestraat 52, Nispen

    57 dB

Afdeling 3.2 Functie Natuur

Paragraaf 3.2.1 Algemeen
Artikel 3.15 Aanwijzing functie Natuur

Er is een functie 'Natuur' binnen het regelingsgebied 'Kazerne Korps Commandotroepen'.

Artikel 3.16 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen de functie 'Natuur'.

Paragraaf 3.2.2 Gebruiksactiviteiten Natuur
Artikel 3.17 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de regels voor gebruiksactiviteiten binnen de functie 'Natuur'.

Artikel 3.18 Toegestane gebruiksactiviteiten

De locaties met de functie 'Natuur' worden uitsluitend gebruikt ten behoeve van:

  • a.

    het behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;

  • b.

    het als zodanig in stand houden van beboste en niet-beboste gedeelten;

  • c.

    het behoud en bescherming van aardkundige waarden;

  • d.

    het behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden;

  • e.

    waterhuishoudkundige doeleinden;

  • f.

    een en ander met bijbehorende voorzieningen.

Artikel 3.19 Verboden gebruik

Het is verboden om activiteiten te verrichten die onevenredige afbreuk doen aan de wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland/Brabant, tenzij de afbreuk binnen het regelingsgebied wordt gecompenseerd.

Paragraaf 3.2.3 Bouwactiviteiten Natuur
Artikel 3.20 Toepassingsbereik bouwactiviteiten - natuurvoorziening

Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de natuur binnen de functie 'Natuur'.

Artikel 3.21 Verbod bouwactiviteiten

Het is verboden gebouwen te bouwen binnen de functie 'Natuur'.

Artikel 3.22 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten - natuurvoorzieningen
  • 1.

    Binnen de functie 'Natuur' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het militair terrein gebouwd worden, waarbij de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is binnen de functie 'Natuur' een bouwhoogte van 3 meter toegestaan voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen.

Paragraaf 3.2.4 Uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Natuur
Artikel 3.23 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid binnen de functie 'Natuur'.

Artikel 3.24 Vergunningsplicht uitvoeren werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het functiegebied 'Natuur' de volgende werken, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid binnen de functie uit te voeren:

    • a.

      het aanleggen of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen of halfverhardingen;

    • b.

      het aanbrengen van boven- of ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies;

    • c.

      het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;

    • d.

      het graven en dempen van sloten, greppels en poelen;

    • e.

      het verwijderen van houtopstanden, waaronder begrepen het verwijderen van houtopstanden ten behoeve van het behoud, herstel en ontwikkeling van bestaande biotopen;

    • f.

      andere werken en/of werkzaamheden die het aanleggen en het in stand houden van de natuur kunnen belemmeren.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op normaal onderhoud en natuurbeheer ten dienste van de functies en activiteiten die op grond van het omgevingsplan zijn toegelaten.

Artikel 3.25 Beoordelingsregels omgevingsvergunning uitvoeren werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid
  • 1.

    Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      de potentie van soorten wordt versterkt door het toegankelijk maken danwel toevoegen van nieuw leefgebied danwel het versterken van bestaande bosranden;

    • c.

      door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden aangetast; en

    • d.

      de werken of werkzaamheden noodzakelijk zijn in verband met natuurbeheer en natuurontwikkeling, dan wel in verband met het recreatief medegebruik.

  • 2.

    Bij de beoordeling van het eerste lid wordt rekening gehouden met het advies bij de provincie Noord-Brabant.

Artikel 3.26 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheid

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3.24 binnen het functiegebied 'Natuur’' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de te gebruiken materialen;

  • b.

    de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • c.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit;

  • f.

    advies van het waterschap of hoogheemraadschap in geval van een aanvraag voor het dempen, (ver)graven, verdiepen, waaronder baggeren, en/of verbreden van sloten en/of andere watergangen;

  • g.

    andere informatie die noodzakelijk is voor de toetsing van de aanvraag.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen (2)

/join/id/regdata/mnre1018/2026/regelingsgebied/nld@2026‑07‑21

Militair terrein

/join/id/regdata/mnre1018/2026/militair_terrein/nld@2026‑07‑21

Hoofdwatergang

/join/id/regdata/mnre1018/2026/hoofdwatergang/nld@2026‑07‑21

Ontsluiting

/join/id/regdata/mnre1018/2026/ontsluiting/nld@2026‑07‑21

Schietfaciliteit

/join/id/regdata/mnre1018/2026/schietfaciliteit/nld@2026‑07‑21

CQB

/join/id/regdata/mnre1018/2026/CQB/nld@2026‑07‑21

Gebouwen ten behoeve van de schietfaciliteit

/join/id/regdata/mnre1018/2026/gebouwen_tbv_de_schietfaciliteit/nld@2026‑07‑21

Natuur

/join/id/regdata/mnre1018/2026/natuur/nld@2026‑07‑21

beschermde bebouwing

/join/id/regdata/mnre1018/2026/beschermde_bebouwing/nld@2026‑07‑21

geluidwerende voorzieningen

/join/id/regdata/mnre1018/2026/geluidwerende_voorzieningen/nld@2026‑07‑21

Attentiezone geluid provinciale weg

/join/id/regdata/mnre1018/2026/attentiezone_geluid_provinciale_weg/nld@2026‑07‑21

Bouwhoogte

/join/id/regdata/mnre1018/2026/bouwhoogte/nld@2026‑07‑21

Bijlage II Begrippen

Attentiezone geluid provinciale weg

Het informatieobject Attentiezone geluid provinciale weg zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van 9 juni 2026 of diens rechtsopvolger.

Brutovloeroppervlakte

De oppervlakte gemeten op vloerniveau langs debuitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructies die de betreffende ruimten omhullen.

CQB

Close Quarter Battle, nagebouwd huis of ander type gebouw om militaire procedures te oefenen met scherpe munitie om bijvoorbeeld mensen te bevrijden.

Footprint

De buitenste bebouwingscontour van een bouwwerk.

Geluidluwe plek

Plek waar de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt.

Geluidluwe zijde

Zijde waar de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt.

Geluidwerende voorzieningen

Voorzieningen die bedoel zijn om de geluidsoverlast van een geluidbron te verminderen.

Kazernehart

Centraal gelegen gebied binnen het militair terrein met gemeenschappelijke functies, waaronder legering, kantoren, leslokalen, opleidingsgebouwen, een sporthal en de appèlplaats.

Klimfaciliteit

Een verticale klimstructuur voor trainingsdoeleinden, voorzien van diverse klimattributen, touwen en ladders.

Militair terrein

Afgebakend grondgebied met gebouwen en voorzieningen dat dient voor de huisvesting, training en inzet van het benodigd materieel van militairen.

De minister

De Minister van Defensie, of een gedelegeerd minister of staatssecretaris.

Munitieopslaglocatie

Speciaal ontworpen opslagplaats voor het veilig opslaan van munitie, explosieven en wapens.

Ondergronds bouwwerk

Een bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk onder het maaiveld is gelegen.

Ontsluiting

In- en uitgang voor (militair) (niet-)gemotoriseerd verkeer.

Perimeter

Gebied nabij de erfgrens rondom een terrein waarin de zichtbare afscheiding en de beveiliging is opgenomen.

Schietfaciliteit

Afzonderlijk gedeelte van een militair terrein waar geoefend wordt met scherpe en niet-scherpe munitie onder verschillende omstandigheden (gebouwen, schietbanen, simulatieomgevingen).

Besluit Motivering

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

Het Korps Commandotroepen (KCT) is een speciale eenheid van de Koninklijke Landmacht en heeft als taak het voorbereiden en uitvoeren van speciale operaties voor bondgenootschappelijke verdedigings- en crisisbeheersingstaken. Het KCT heeft oefen- en werklocaties in gebruik in de omgeving van Roosendaal, Ossendrecht en Rucphen. Het huidige vastgoed op deze locaties sluit niet aan bij de actuele en toekomstige operationele behoefte. Het ontbreekt aan goede schiet- en trainingsfaciliteiten, de terreinen zijn versnipperd en bieden geen goed werk- en leefklimaat voor het personeel. Ook de spreiding van activiteiten over de Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal (EvN), Koningin Wilhelmina Kazerne Ossendrecht (KWK) en Logistiek Centrum Rucphen (LC) is niet praktisch.

Het Ministerie van Defensie (hierna: Defensie) is daarom, in samenwerking met de gemeenten Roosendaal en Rucphen, de provincie Noord-Brabant en het Rijksvastgoedbedrijf, op zoek naar een nieuwe locatie om de activiteiten van het KCT te concentreren. Het doel is de bedrijfsvoering en operationele gereedstelling van het KCT te versterken, het personeel een moderne werkplek te bieden en tegelijkertijd de vastgoedportefeuille financieel in balans te brengen. De locatie ter hoogte van de Antwerpseweg bij Nispen is daarbij als voorkeurslocatie naar voren gekomen uit het ‘verdiepend locatieonderzoek KCT’ (bijlage 1). Deze locatie biedt veel meer ruimte, ligt nabij bestaande oefenterreinen en heeft een strategische ligging ten opzichte van de regionale en nationale infrastructuur.

1.2 Projectbeschrijving Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen

Het project gaat om de ontwikkeling van een nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen, waarin alle militaire en ondersteunende functies worden samengebracht op één geïntegreerde locatie. De bestaande militaire gebieden, waaronder de huidige kazerne van het KCT, hebben een ruimtebeslag van zo’n 77 hectare (Zie Figuur 1-1). Voor de nieuwe kazerne is een oppervlakte van 86 hectare gewenst, in verband met de voorziene groei van het Korps. Dit is gebaseerd op de behoeftestelling van Defensie welke is toegenomen door de veranderde veiligheidssituatie. Het beoogd plangebied aan de Antwerpseweg heeft een omvang van circa 94 hectare. Deze omvang volgt uit de ruimtelijke begrenzing van de locatie, waaronder de bestaande perceelsgrenzen en de benodigde infrastructuur.

Inmiddels is in de Defensienota van 29 juni 2026 de groei van Defensie bevestigd. In dat kader blijft het Logistiek Complex (LC) Rucphen operationeel. LC Rucphen wordt niet vervangen of geïntegreerd in de nieuwe kazerne, maar behoudt een functie voor de huisvesting van (nieuwe) defensieactiviteiten ter ondersteuning van deze groei.

Het gebied biedt ruimte voor maximaal 120.000 m² bruto gebouw-gebonden vloeroppervlakte. De kazerne wordt ontworpen voor een basisbezetting van ongeveer 1.250 gelijktijdig op de locatie aanwezigen, in de komende jaren. In de opzet voor de indeling van het plangebied, wordt uitgegaan van een centraal kazernehart met gemeenschappelijke functies, autoluwe verblijfsgebieden, en een logische interne hoofdstructuur. Daarnaast wordt voorzien in duurzame energie- en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder zonnepanelen en regenwateropvang. Voor parkeren wordt circa 35.000 – 40.000 m² gereserveerd op eigen terrein, zowel voor civiele als militaire voertuigen.

Figuur 1-1 Schematische weergave gewenste situatie KCT Roosendaal

De nieuwe kazerne wordt ontwikkeld in het zuiden van de gemeente Roosendaal ter hoogte van de Antwerpseweg (N262), ten oosten van het dorp Nispen. De locatie is strategisch gekozen vanwege de goede bereikbaarheid. Via de N262 is er een directe aansluiting op de A58, wat snelle verplaatsingen en een efficiënte logistieke afhandeling mogelijk maakt. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is ‘Brabantse Wal’ in Nederland op bijna zes kilometer ten westen van het projectgebied en ‘Klein en Groot Schietveld’ en ‘Kalmthoutse Heide’ in België, ook allebei op ongeveer zes kilometer van het projectgebied. De ligging biedt voldoende ruimte voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing, de aanleg of versterking van ecologische verbindingszones en eventuele toekomstige uitbreidingen van het kazerneterrein.Er wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat bij vaststelling aan de regels wordt gekoppeld.

Verhouding omgevingsplan van rechtswege

Ter plaatse van het projectgebied geldt het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Roosendaal. Op grond van dit omgevingsplan gelden binnen het projectgebied meerdere bestemmingen, waaronder agrarische bestemmingen en natuur- en groenbestemmingen. Voorzover het beoogde gebruik ten behoeve van de nieuwe kazerne hiermee strijdig is, wordt hiervan afgeweken. De in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen gebiedsaanduidingen betreffende de luchtvaartverkeer- en radarzones blijven onverkort van toepassing. Dit geldt ook voor de natuur- en waterbestemmingen. De Bruidsschat (Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van rechtswege) blijft geheel van toepassing.

1.3 Doelen project Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen

Met de ontwikkeling van de nieuwe kazerne streeft Defensie naar een toekomstbestendige thuisbasis die de operationele behoeften van het KCT verbindt met regionale en duurzame ambities. De focus ligt hierbij op concentratie van krachten, maatschappelijke verankering en ecologische verantwoordelijkheid.

Optimale operationele inzetbaarheid: Het hoofddoel van de nieuwbouw is het concentreren van KCT-functies op één moderne, geïntegreerde locatie. Door de huidige verspreiding te beëindigen, wordt de onderlinge samenwerking versterkt en kunnen trainingsprocessen efficiënter worden ingericht. Daarnaast zorgt een hoogwaardige werk- en leefomgeving voor een betere personeelsbinding, passend bij de eisen van de hedendaagse krijgsmacht.

Regionale en maatschappelijke waarde: De kazerne vervult een belangrijke rol in de regio Roosendaal/Rucphen. Defensie wil de lokale economie stimuleren door actieve samenwerking met regionale bedrijven, dienstverleners en onderwijsinstellingen. Door kennisuitwisseling en het creëren van werkgelegenheid fungeert de kazerne als een maatschappelijke motor voor de omgeving.

Duurzaamheid en toekomstbestendig vastgoed: Een belangrijk onderdeel van de strategie is een vastgoedportefeuille die financieel gezond en klimaatbestendig is. De kazerne moet fungeren als een voorbeeld binnen de militaire sector op het gebied van duurzaamheid. Dit komt tot uiting in drie centrale pijlers:

  • Energie: Een lage energiebehoefte, maximale inzet van hernieuwbare bronnen en een hoge mate van zelfvoorzienendheid, ook om de druk op het elektriciteitsnet (netcongestie) te beperken.

  • Circulariteit: Gebouwen worden, zoveel als mogelijk, remontabel en flexibel ontworpen met herbruikbare materialen, waardoor de milieubelasting over de gehele levenscyclus minimaal blijft.

  • Natuur en Klimaat: Natuurinclusief bouwen, waarbij groene zones en waterbuffers bijdragen aan biodiversiteit en bescherming tegen extreme weersomstandigheden.

Kernwaarden voor ontwikkeling

Bij de vormgeving en inrichting van de kazerne, hanteert Defensie de vier kernwaarden - gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde en omgevingswaarde - met hun bijbehorende inrichtingsprincipes de basis voor een integraal, aansprekend, passend en ondersteunend ontwerp. Deze kernwaarden en inrichtingsprincipes dienen als leidraad voor (grootschalige) nieuwbouw en revitaliseringsprojecten met altijd als primair doel dat vastgoed en de facilitaire dienstverlening de taken van de Krijgsmacht effectief en efficiënt faciliteren en de bedrijfsvoering processen optimaal ondersteunen.

2. Procedure projectbesluit

Waterschappen, provincies en het Rijk gebruiken de projectprocedure (afdeling 5.2 Omgevingswet) voor het vaststellen van een projectbesluit. Volgens de Omgevingswet start de procedure om te komen tot het vaststellen van een projectbesluit met het bekendmaken van een kennisgeving voornemen en een kennisgeving participatie. Dit houdt in dat in het kader van de voorbereiding van het projectbesluit een verkenning moet hebben plaatsgevonden waarbij inzichten en kennis zijn vergaard over de aard van (in dit geval) de realisatie van een nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen, de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen en de mogelijke oplossingen voor deze opgave. De verkenning wordt afgerond met een voorkeursbeslissing of als blijkt dat voldoende informatie is geboden om een projectbesluit te kunnen opstellen. Vervolgens wordt het ontwerp projectbesluit opgesteld en ter inzage gelegd voor een periode van 6 weken, samen met het milieueffectrapport. Eenieder kan in deze periode een zienswijze indienen (de zienswijzen worden betrokken bij de besluitvorming). Als laatste stap wordt het projectbesluit vastgesteld. Na de vaststelling volgt bekendmaking (via een kennisgeving en terinzagelegging van het vastgestelde projectbesluit). Na vier weken treedt het besluit in werking. Gelijktijdig volgt na de bekendmaking gedurende zes weken de mogelijkheid voor belanghebbenden tot het indienen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In onderstaand schema (zie Figuur 2-1) zijn deze stappen weergegeven.

Figuur 2-1 Stappen projectprocedure

Verdiepend locatieonderzoek KCT

In nauwe samenwerking met de gemeenten Roosendaal en Rucphen, de provincie Noord-Brabant en het Rijksvastgoedbedrijf is in 2023 een integrale verkenning (bijlage 1) uitgevoerd naar een nieuwe concentratielocatie binnen de regio. Een vestiging buiten de regio is daarbij als onwenselijk beoordeeld vanwege de negatieve effecten op de operationele inzet, het personeel, de werving en de beschikbare oefenvoorzieningen, evenals de sterke regionale verankering en lokale werkgelegenheid.

Op basis van een gezamenlijk opgesteld plan van aanpak, waarin beoordelingscriteria en het besluitvormingsproces zijn vastgelegd, zijn meerdere potentiële locaties onderzocht. Na een gefaseerde beoordeling van vijf kansrijke locaties, op basis van inhoudelijke, ruimtelijke en milieukundige criteria, is geconcludeerd dat de locatie aan de Antwerpseweg in de gemeente Roosendaal het beste aansluit bij de gestelde eisen. Deze locatie kent de meest acceptabele effecten op de fysieke leefomgeving, sluit goed aan bij de doelen van de betrokken overheden en biedt daarbij ruimtelijke koppelkansen, onder meer op het gebied van ecologie en waterberging.

Op grond hiervan is de locatie ter hoogte van de Antwerpseweg in Roosendaal als voorkeurslocatie aangewezen voor de realisatie van een nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen.

De verkenning: kennisgeving voornemen en participatie

Het Ministerie van Defensie heeft op 19 april 2024 in de Staatscourant een kennisgeving van het voornemen en participatie (stap 1 projectprocedure) gepubliceerd. Doel was om de omgeving te laten weten dat zij voornemens is om een verkenning uit te voeren voor de realisatie van een nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen. De kennisgeving bevatte een locatie-onderzoek waarin de opgave is toegelicht en meerdere locaties voor de nieuwe kazerne zijn beoordeeld. Gelijktijdig met de kennisgeving van het voornemen is het te doorlopen participatieproces gepubliceerd. In het participatieplan is aangegeven hoe, waarover en wanneer inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de verkenning worden betrokken en wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer. Via de website defensie.nl/kazerne kct lag deze ter inzage tot en met 31 mei 2024.

In totaal zijn er van 28 verschillende indieners reacties binnengekomen. De reacties zijn in een Nota van Reactie (bijlage 2) beantwoord. Deze nota is op 31 oktober 2024 vrijgegeven voor publicatie. Met deze reacties zijn voldoende kennis en inzichten vergaard over de aard van de opgave, de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen en mogelijk oplossingen voor de opgave. De verkenningsfase is daarmee afgerond.

Ontwerp-projectbesluit

Een ontwerp-projectbesluit is opgesteld, waarin de (toekomstige) regels staan die nodig zijn voor het uitvoeren en in stand houden van het project Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen. Hiermee worden de regels van het gemeentelijke omgevingsplan gewijzigd. Om de milieugevolgen van het project inzichtelijk te maken en het milieubelang volwaardig mee te nemen in de besluitvorming is een MER opgesteld. Als eerste stap van de mer-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) (bijlage 3a) opgesteld. Hierin is vastgelegd welke milieueffecten worden onderzocht in het MER en met welke diepgang dit gebeurt. Het bepaalt dus de onderzoeksopzet, reikwijdte en methodiek. Dit document lag van 15 september 2025 tot en met 27 oktober 2025 ter inzage. De Minister van Defensie heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over de inhoud van de NRD. Op 25 november 2025 bracht de Commissie een advies uit over de NRD. De Commissie adviseerde onder meer om:

  • de locatiekeuze beter te onderbouwen;

  • de activiteiten concreter te beschrijven;

  • naast de ontsluitingsvarianten ook een inrichtingsvariant Omgevingskwaliteit uit te werken;

  • en natuur en erfgoedwaarden in de omgeving verder mee te nemen.

Deze aanbevelingen zijn verwerkt in het MER en hebben geleid tot aanpassing en uitbreiding van delen van het onderzoek.

Op de NRD zijn 17 zienswijzen ingediend. De beantwoording is opgenomen in de Nota van Antwoord (bijlage 3b). De Nota van Antwoord bevat een inhoudelijke reactie op alle ingediende zienswijzen en beschrijft op welke onderdelen de input heeft geleid tot aanvullingen of aanscherpingen van de aspecten die in het MER aan bod zullen komen. Vervolgens is het MER opgesteld. Het MER biedt objectieve informatie over de milieueffecten van het voornemen en onderzoekt varianten voor ontsluiting, inrichting en toekomstige groei. Het MER bevat tevens een voorstel om de milieueffecten te monitoren. De Omgevingswet bepaalt dat bij de voorbereiding van een besluit waarvoor een milieueffectrapport verplicht is, het ontwerp van dat besluit samen met het MER ter inzage wordt gelegd.

Tijdens de verplichte terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit (gedurende zes weken) kunnen zienswijzen op het ontwerp-projectbesluit en MER worden ingediend. Deze ingediende zienswijzen worden bij de besluitvorming over het definitieve projectbesluit betrokken. De Commissie-mer brengt een advies uit over het MER.

Figuur 2-2 Visualisatie fase Projectprocedure i.c.m. Projectbesluit en MER

Projectbesluit

Tijdens de zienswijzeperiode kunnen zienswijzen worden ingediend. Deze worden beantwoord in een Nota van Beantwoording. Het definitieve projectbesluit bevat dezelfde inhoudelijke onderwerpen als het ontwerp-projectbesluit. Daarnaast bevat het projectbesluit een beschrijving van het doorlopen participatieproces en hoe eventuele zienswijzen zijn verwerkt. Na de vaststelling start de monitoring van de milieueffecten.

3. Participatie

Voor de ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen (KCT) wordt gedurende de gehele planvorming, besluitvorming en uitwerkingsfase gewerkt volgens de participatie‑ en overlegvereisten uit de Omgevingswet. Het project raakt de belangen van bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. Defensie heeft daarom vanaf de start van de projectprocedure ingezet op een transparant proces, waarin belanghebbenden tijdig zijn geïnformeerd en in de gelegenheid zijn gesteld om inbreng te leveren.

Kennisgeving projectprocedure

Bij de kennisgeving van het voornemen tot het vaststellen van een projectbesluit (19 april 2024) zijn bewoners en ondernemers uit Roosendaal, Rucphen en Nispen uitgenodigd om mee te denken over de opgave en een reactie in te dienen. In deze fase konden belanghebbenden reageren op de ruimtelijke opgave, de onderzoeksopzet en de vraagstukken die Defensie in de projectprocedure onderzoekt.

Bijeenkomsten belanghebbenden

Defensie organiseerde samen met de gemeente Roosendaal en het Rijksvastgoedbedrijf bijeenkomsten om de omgeving actief te betrekken bij het proces. De volgende bijeenkomsten hebben plaatsgevonden:

  • April 2024: algemene informatie-avond / inloopbijeenkomst te Nispen;

  • Mei 2024: algemene informatie-avond / inloopbijeenkomst te Roosendaal;

  • Mei 2024: keukentafelgesprekken met alle omwonenden en aanliggende bedrijven;

  • Oktober 2024: participatiebijeenkomst voor genodigden (direct omwonenden nieuwe kazerne en vertegenwoordigers van belangenorganisaties als de dorpsvereniging Nispen en de Fietsersbond) op de aanpassingen die in het verkeer nodig zijn rondom de nieuwe kazerne van het KCT;

  • 21 Januari 2025: bijeenkomst voor genodigden (diverse vertegenwoordigers van (semi-)ambtelijke organisaties waaronder het waterschap, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Brabants Landschap, provincie en gemeentes) over de invloed van de nieuwe kazerne KCT op de natuur en het landschap in de omgeving;

  • 9 september 2025: participatiebijeenkomst voor genodigden (dezelfde genodigden als die bij de bijeenkomst in oktober 2024) in Roosendaal;

  • 16 september 2025: algemene inloop- / participatiebijeenkomst in Nispen;

  • 13 oktober 2025: algemene informatie- / participatiebijeenkomst in Essen;

  • 5 december 2025: kennismakingsbezoek aan bestaande Engelbrecht van Nassaukazerne voor de direct aanwonenden (tijdens baretuitreiking).

In de verschillende bijeenkomsten zijn door de betrokken partijen aandachtspunten en zorgen meegegeven over de betreffende onderwerpen. Over het algemeen zijn er zorgen over geluidseffecten en de verkeersontsluiting. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de vragen van de omgeving beantwoord. Het kennismakingsbezoek aan de bestaande kazerne had als doel het functioneren van het Korps Commandotroepen te tonen en welke mogelijke effecten te verwachten zijn.

Samen met omwonenden onderzocht hoe de kazerne het beste kan worden ontsloten aan de hand van verschillende opties. Zij hebben zorgen en aandachtspunten bij de opties meegegeven en een voorkeur uitgesproken voor een ontsluiting via de Provincialeweg N262 met een nieuwe rotonde en een aparte toegangsweg naar de kazerne. Dit is uiteindelijk ook in het ontwerp beland. Daarnaast bestaat er een zorg over een toename van het reeds aanwezige sluipverkeer in het buitengebied rondom de nieuwe kazerne. Naar aanleiding hiervan zijn uitgebreid verkeerstellingen en een verkeerskundige analyse uitgevoerd in verschillende periode van het jaar. Echter, door de keuze voor een nieuwe ontsluiting op de N262 aan de westzijde van de kazerne zal het overgrote deel van het verkeer geen gebruik maken van de wegen in het buitengebied.

Daarnaast waren er vanuit de omgeving zorgen over de indeling en het aanzicht van de kazerne. Daartoe is besloten om af te zien van een traditioneel hekwerk, maar om te werken met een groene inpassing (groene perimeter). Het ontwerp van de perimeter varieert afhankelijk van de locatie om zo aan te sluiten bij de gebiedseigen kenmerken. Het gaat daarbij dan om breedte van de zone van de perimeter, rekening houdend met de zorgen vanuit de omgeving. Ook waren er zorgen over de toekomstige toegankelijkheid van de paddenpoel. Om dit toegankelijk te houden is de perimeter op deze locatie verlegd. Deze inpassing wordt tijdens de bijeenkomst in september 2026 met de omgeving gedeeld.

Vervolg

Deze participatie wordt in de volgende fasen voortgezet. Defensie blijft in gesprek met omwonenden en lokale stakeholders tijdens de nadere planuitwerking, onder meer over de inrichting van het terrein, de ontsluiting en de fasering van de bouw.

4. Het projectbesluit

4.1 Totstandkoming projectgebied

Het projectgebied voor de nieuwe kazerne ligt ter hoogte van de Antwerpseweg (N262), ten zuiden van Roosendaal, direct ten oosten van Nispen en ten westen van Rupchen (zie Figuur 4-1). Het terrein heeft een overwegend rechthoekige vorm en beslaat circa 94 hectare.

Het terrein wordt momenteel hoofdzakelijk agrarisch gebruikt en is in eigendom van meerdere particuliere grondeigenaren. Het bestaat grotendeels uit onbebouwde agrarische percelen. Dit betreffen graslanden en akkerlanden. Deze agrarische percelen zijn omringd en doorsneden met diepe sloten met steile taluds. Aan de west-, noord- en oostzijde grenst het terrein aan het Natuurnetwerk Brabant; aan de oostzijde vormt een weg de scheiding tussen het projectgebied en de natuurgronden. Daarnaast zijn delen van het plangebied aangewezen als NNB-gebied net als aangrenzende terreinen.

Aan de noordzijde van het plangebied zijn daarnaast een camping en een migrantenhotel aanwezig, waarmee ook recreatieve en tijdelijke verblijfsfuncties onderdeel uitmaken van de huidige situatie.

De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van agrarische gronden, natuurgebieden en recreatieve functies (zie Figuur 4-2). Het gebied kan worden getypeerd als een overgangszone waarin verschillende ruimtelijke functies en landschapstypen samenkomen.

De ontsluiting van het terrein is beoogd via een nieuwe verbinding naar en aansluiting op de Antwerpseweg, met een directe verbinding naar de A58. Het terrein leent zich voor meerdere ontsluitingen, wat de verkeersveiligheid en de scheiding van verschillende verkeersstromen (personeel, logistiek, bezoekers) ten goede komt. De reistijd (per auto) tussen de kazerne en het oefenterrein Rucphense Heide bedraagt circa twaalf minuten (logistiek vervoer), wat gunstig is voor de operationele logistiek en de dagelijkse trainingspraktijk. Bovendien rijdt het verkeer van en naar de kazerne niet door woonwijken, waardoor de leefbaarheid (en verkeersveiligheid) van de omliggende dorpen zo min mogelijk wordt aangetast (zie voor nadere toelichting paragraaf 6.2.1).

Figuur 4-1 Plangrens projectgebied (bij benadering) in relatie tot omliggende gemeenten
Figuur 4-2 Plangrens projectgebied kazerne KCT Roosendaal (bron: Defensie).

4.2 Projectomschrijving

Kazernehart en logistiek

De functionele eisen aan de nieuwe kazerne zijn gebaseerd op de bedrijfsvoering en operationele behoeften van het KCT. De kazerne moet onder meer voorzien in algemene voorzieningen, zoals kantoren, lesgebouwen, een eetzaal met keuken en kantine (KEK), een wachtgebouw, logistieke faciliteiten, sportvoorzieningen en buitenvoorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen voor personeel, bezoekers en militaire voertuigen. Het beoogde projectgebied heeft een omvang van circa 94 hectare. Deze omvang volgt uit de ruimtelijke begrenzing van de locatie, waaronder de bestaande perceelsgrenzen en infrastructuur.

Specifieke militaire voorzieningen vormen een belangrijk onderdeel van de invulling van het programma. Het gaat onder meer om munitieopslaglocatie en een breed scala aan schiet- en trainingsfaciliteiten, waaronder een CQB en overige gebouwen ten behoeve van de schietfaciliteit, waaronder twee schiethuizen en een binnenschietbaan. Ook worden ten dienste aan de schietfaciliteit geluidswerende voorzieningen gerealiseerd. Daarnaast worden kennels voor diensthonden, simulatiezones, oefenterreinen en logistieke voorzieningen gerealiseerd. Om al deze functies mogelijk te maken, is volgens Defensie maximaal 120.000 m² bruto gebouw gebonden vloeroppervlakte nodig en circa 35.000 – 40.000 m² parkeerruimte (geheel op eigen terrein).

Figuur 4-3 Vlekkenplankaart

Verkeersafwikkeling

De verkeersontsluiting van de kazerne (zie Figuur 4‑4) is gebaseerd op een directe aansluiting op de N262 (Antwerpseweg), met een snelle verbinding naar de A58. Deze westelijke ontsluiting (A) zorgt voor een robuuste en veilige verkeersafwikkeling en voorkomt dat verkeer door dorpskernen of over smalle plattelandswegen wordt geleid. Door de ontsluiting aan de oostzijde (C) kunnen verkeersstromen waar nodig worden gescheiden en wordt het oefenterrein goed bereikbaar en is de toegankelijkheid van de kazerne ook bij calamiteiten of bijzondere activiteiten geborgd. Om het kazerneterrein te verbinden met de N262 wordt een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd die uitsluitend bestemd is voor verkeer van en naar de kazerne. Deze weg sluit met een nieuwe rotonde aan op de N262. De rotonde is gelegen buiten het projectgebied en past binnen de nu geldende juridische regels van het omgevingsplan van rechtswege. Aan de oostzijde van het kazerneterrein is een ontsluiting voorzien voor verkeer van en naar het oefenterrein op de Rucphense Heide. De locaties van de drie ontsluitingen zijn ook geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

De ontsluitingen vergroten de flexibiliteit, verkeersveiligheid en bedrijfszekerheid van het terrein. Binnen het terrein wordt een ringontsluiting aangelegd waarmee logistiek verkeer, militair verkeer en personenverkeer zoveel mogelijk van elkaar worden gescheiden. Het kazernehart en de verblijfsgebieden worden autoluw ingericht, met nadruk op interne veiligheid en verblijfskwaliteit. Het entreegebied fungeert tevens als ontvangstgebied met gecentraliseerd parkeren voor personeel en bezoekers. Logistieke toegangen worden gescheiden ontsloten, waardoor kruisende verkeersstromen worden voorkomen en de interne veiligheid wordt vergroot.

Figuur 4-4 Ontsluitingen projectgebied

Munitieopslaglocatie

De munitieopslaglocatie zal worden gesitueerd in een zone waarin verder geen andere activiteiten gepland staan. De munitieopslaglocatie is voorzien van een explosieaandachtsgebied, dat volledig binnen het kazerneterrein blijft (intern aandachtsgebied). Hierdoor ontstaan geen externe veiligheidsbelemmeringen voor de omgeving. De munitieopslaglocatie is functioneel gekoppeld aan het gebruik van de kazerne en afgestemd op de oefenbehoefte van het KCT. De situering en veiligheidszonering zijn zodanig vormgegeven dat risico’s beheerst blijven en wordt voldaan aan de geldende defensie‑ en veiligheidsnormen, zowel binnen als buiten het kazerneterrein.

Schiet- en trainingsfaciliteiten

Binnen het project zijn specifieke schiet- en trainingsfaciliteiten voorzien, waaronder twee schiethuizen, een binnenschietbaan en simulatievoorzieningen. Deze voorzieningen zijn geconcentreerd binnen een afgebakend trainingscluster en ruimtelijk zo gepositioneerd dat geluid- en omgevingshinder voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt, en wordt voldaan aan de richtafstanden vanuit de instructieregels. Belangrijk uitgangspunt is dat de gereserveerde strategische ontwikkelruimte niet wordt benut voor uitbreiding van schietfaciliteiten. De ligging van de schietfaciliteit is geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

Ecologie en landschappelijke inpassing

Het plangebied grenst direct aan het Natuurnetwerk Brabant en ligt nabij waardevolle natuurgebieden en het beekdal van de Molenbeek. Bij de inrichting van de kazerne wordt hier expliciet rekening mee gehouden door:

  • het realiseren van groene bufferzones en ecologische corridors;

  • het versterken van houtwallen, natte natuur en beekdalstructuren;

  • het toepassen van natuurinclusieve en klimaatadaptieve inrichting, zoals waterberging, infiltratie en schaduwrijke zones.

Hoewel sprake is van ruimtebeslag en verstoring, wordt gelijktijdig ingezet op ecologische versterking en compensatie, waardoor biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaatbestendigheid per saldo verbeteren ten opzichte van de huidige agrarische situatie.

Helikopters

Op grond van de ‘Regeling vrijstelling verbod landen en opstijgen militaire luchtvaartuigen’ zijn op het militair terrein helikopter vliegbewegingen vergunningsvrij toegestaan. Er wordt maximaal 12 etmalen per jaar met helikopters van en naar het terrein gevlogen. Gezien het beperkte aantal vliegbewegingen zal de impact op de omgeving beperkt zijn. Dit is ook de ervaring bij de EvN-kazerne. Omdat het projectbesluit dit gebruik niet regelt is dit niet betrokken in de beoordeling.

Perimeter

Ter beveiliging wordt rondom het kazerneterrein een zogenaamde perimeter gerealiseerd. Dit betreft een gebied nabij de erfgrens rondom het terrein waarin de zichtbare afscheiding en de beveiliging is opgenomen. Het bevat patrouillepaden en een hekwerk. De perimeter wordt landschappelijk ingepast met een groenstrook en bomen en is geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

4.3 Opbouw projectbesluit

Door het overgangsrecht van de Omgevingswet is een tijdelijk deel van het omgevingsplan ontstaan. Dit tijdelijk deel bestaat uit de op dat moment geldende bestemmingsplannen en daarmee vergelijkbare instrumenten (waaronder inpassingsplannen) en uit de bruidsschat (voormalige landelijke regels van het Rijk). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan om te zetten naar een nieuw deel van het omgevingsplan.

Door het toevoegen van een tijdelijk regelingdeel aan het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal kan het projectbesluit het omgevingsplan direct wijzigen. Dit is de TPOD-standaard voor projectbesluiten. Met dit element kan het bevoegd gezag met het projectbesluit de wijzigingen van het omgevingsplan invoegen in een apart deel van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Hiermee kunnen bestaande functies worden geschrapt en regels worden gesteld over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het project. In het tijdelijk regelingdeel (bijlage B) wordt aangegeven wat de verhouding is met de overige regels van het omgevingsplan, want in dit deel wijken de inhoudelijke regels af van de overige regels van het omgevingsplan. Door middel van een voorrangsbepaling in dit tijdelijk regelingdeel worden conflicten voorkomen.

Het projectbesluit bevat naast bijlage B een motivering met bijbehorende bijlagen en bijlage A, het Vrije Tekstdeel. Dit is de wettelijk verplichte toelichting. Hierin motiveert en onderbouwt het bevoegd gezag, in dit geval de Minister, waarom het project noodzakelijk is. Bijlage A en bijlage B bevatten tevens separate bijlagen. Dit is weergegeven in onderstaand schema.

Figuur 4-5 Schema opbouw projectbesluit
4.3.1 Wijziging omgevingsplan gemeente Roosendaal

Dit projectbesluit wijzigt het omgevingsplan van de gemeente met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. De gewijzigde regels van het omgevingsplan zijn opgenomen in bijlage B (Regeling Tijdelijk deel) als onderdeel van dit projectbesluit. Ze komen beschikbaar met het bekendmaken van het projectbesluit.

Deze bijlage bestaat uit een regelingsgebied ‘Kazerne Korps Commandotroepen’ en twee functiegebieden, namelijk ‘Militair terrein’ en ‘Natuur’. Het werkingsgebied omvat het totale plangebied waarbinnen de functies voorkomen.

Binnen het functiegebied ‘Militair terrein’ zijn de ontsluitingen, de schietfaciliteit met bijbehorende gebouwen en de geluidwerende voorzieningen vastgelegd. Binnen deze functie zijn eveneens de militaire activiteiten zoals voorzien in het kazernehart opgenomen.

Binnen het functiegebied ‘Natuur’ zijn de natuurgebieden opgenomen. Dit dient onder andere ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland/Brabant en anderzijds ter afscherming van het militair terrein.

4.3.2 Artikelsgewijze toelichting tijdelijk regelingdeel

Toelichting op de regeling

De wijziging van het omgevingsplan bestaat uit regels en geografische informatieobjecten (locaties), een motivering en bijlagen. De regels, de maatregelen en de geografische informatieobjecten vormen het juridisch bindende deel van de wijziging van het omgevingsplan. De wijziging van het omgevingsplan borgt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten behoeve van de Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen. De motivering heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de uitleg van de regels en maatregelen.

Voorrangsbepaling

De regels uit de wijziging van het omgevingsplan zijn aanvullend op de regels uit het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Roosendaal. In de voorrangsbepaling is geregeld dat deze regels voorrang hebben op de regels in het (tijdelijke) omgevingsplan.

Opbouw van de regels

De indeling van de regels is als volgt:

Hoofdstuk 1 omvat zes artikelen:

  • Artikel 1.1 Toepassingsbereik: dit artikel bepaalt dat alle regels in het tijdelijk regelingdeel van toepassing zijn binnen het regelingsgebied van de Kazerne Korps Commandotroepen.

  • Artikel 1.2 Begripsbepalingen: dit artikel bevat alle noodzakelijke begripsbepalingen. Hierdoor wordt de beoogde interpretatie vastgelegd.

  • Artikel 1.3 Doelen: dit artikel bevat de doelen waarvoor de regels gesteld zijn die het omgevingsplan wijzigen.

  • Artikel 1.4 Meetbepalingen: dit artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend.

  • Artikel 1.5 Antidubbeltelregel: dit artikel voorkomt dat grond voor meerdere doeleinden kan worden gebruikt binnen een bouwplan

  • Artikel 1.6 Normadressaat: dit artikel wijst aan tot wie de regels in dit hoofdstuk gericht zijn.

In hoofdstuk 2 wordt het regelingsgebied aangewezen waar de regels in verband met de activiteiten voor de realisatie en het gebruik van de Kazerne Korps Commandotroepen op van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3 bevat de regels over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen en gebruiken van het militaire terrein en regels ter bescherming van Natuurnetwerk Nederland/Brabant als gevolg van het projectbesluit Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen. Per activiteit zijn algemene toegestane activiteiten, bouwregels, regels voor de realisatie activiteiten en geluidsregels opgenomen.

4.4 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan of provinciaal projectbesluit

In hoofdstuk 4 van Bijlage A en artikel 1.2 van Bijlage B van het projectbesluit is bepaald dat er op basis van artikel 4.19a van de Omgevingswet in het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal dan wel in de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gedurende een termijn van 15 jaar na vaststelling van dit projectbesluit geen regels worden gesteld die het aanleggen, gebruiken en de instandhouding van het project Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen belemmeren. Er mogen geen andere plannen worden vastgesteld die de realisatie van de kazerne belemmeren.

5 Verantwoording project aan wet- en regelgeving en beleid

5.1 Europese wetgeving

5.1.1 Vogel- en habitatrichtlijn

De Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) vormen de kern van het Europese natuurbeleid. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van alle in het wild levende vogelsoorten in Europa, inclusief nesten, eieren en leefgebieden. De Habitatrichtlijn vult dit aan door natuurlijke habitats en andere dier- en plantensoorten van Europees belang te beschermen. Samen verplichten deze richtlijnen lidstaten tot het aanwijzen van speciale beschermingszones die samen het Natura 2000-netwerk vormen. Daarnaast gelden er regels voor soortenbescherming. Het is verboden om beschermde soorten te doden, verstoren of hun leefgebied te verslechten, tenzij onder uitzonderlijke voorwaarden. In Nederland zijn beide richtlijnen geïmplementeerd via de Omgevingswet. Voor projecten die mogelijk significante effecten hebben op Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling verplicht.

Motivering

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bij de planlocatie is Brabantse Wal. Dit gebied bevindt zich op circa 6 kilometer ten westen van de voorkeurslocatie voor de nieuwe kazerne. In België liggen ‘Klein en Groot Schietveld’ en ‘Kalmthoutse Heide’ ook allebei op ongeveer 6 kilometer van het plangebied. Conform de Vogel- en Habitatrichtlijn mag de ontwikkeling geen significante negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden en op beschermde soorten. Er worden mitigerende maatregelen getroffen om significante negatieve effecten in het kader van natuurbescherming te beperken. Het project is in lijn met deze richtlijnen. Zie paragraaf 6.2.7 ​voor nadere toetsing.

5.2 Rijksbeleid en -regelgeving

5.2.1 Nationale Omgevingsvisie

In september 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de ‘Nationale Omgevingsvisie’ vastgesteld en gepubliceerd.

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland (September 2020). De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities en de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. De vier prioriteiten zijn:

Prioriteit 1 - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

Prioriteit 2 - Duurzaam economisch groeipotentieel;

Prioriteit 3 - Sterke en gezonde steden en regio’s;

Prioriteit 4 - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Deze vier prioriteiten kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen.

De omvang van de vraag is afhankelijk van het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op.

Uit de NOVI tonen de volgende nationale belangen relevantie met de ontwikkeling:

4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten.

Motivering

Voor de ontwikkeling van de nieuwe kazerne van het KCT betekent dit dat het project aansluit bij de NOVI-doelstelling om militaire functies zorgvuldig te integreren in de fysieke leefomgeving, met oog voor duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.

5.2.2 Nota Ruimte (Ontwerp, 2025)

De Nota Ruimte vormt het nieuwe nationale kader voor de inrichting van Nederland en vervangt na vaststelling de huidige Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het document werd op 26 september 2025 door het kabinet vastgesteld en op 6 oktober 2025 ter inzage gelegd voor zienswijzen. Daarmee neemt het Rijk opnieuw nadrukkelijk de regie op ruimtelijke ordening om richting te geven aan grote opgaven op het gebied van woningbouw, bereikbaarheid, energie, landbouw, natuur en waterveiligheid.

De Nota Ruimte schetst een integrale ruimtelijke koers tot 2050 en werkt vanuit vier samenhangende inhoudelijke pijlers: woningbouw en mobiliteit, economie en energie, landbouw en natuur, en de systeemverandering “water en bodem sturend”. Dit laatste principe betekent dat natuurlijke randvoorwaarden – waterveiligheid, overstromingsrisico’s, bodemgeschiktheid en zoetwaterbeschikbaarheid – leidend worden voor toekomstige ontwikkellocaties.

Daarnaast hanteert de Nota Ruimte drie richtinggevende principes: het voorkomen van afwenteling op toekomstige generaties, het toepassen van meervoudig ruimtegebruik waar mogelijk, en het centraal stellen van gebiedskenmerken. Deze uitgangspunten zorgen voor een duurzame, evenwichtige en gebiedsgerichte afweging bij ruimtelijke keuzes.

In de Nota Ruimte wordt Defensie benoemd als een van de sectoren die een duidelijke ruimtevraag heeft binnen de toekomstige inrichting van Nederland. In het voorontwerp wordt Defensie expliciet genoemd naast cultureel en landschappelijk erfgoed, waarmee wordt benadrukt dat militaire activiteiten invloed hebben op de ruimtelijke keuzes richting 2050. Hoewel de Nota Ruimte zelf niet diep ingaat op specifieke uitbreidingslocaties, maakt zij wel duidelijk dat Defensie structureel ruimte nodig heeft voor onder meer oefenterreinen, opslag en infrastructuur. Deze erkenning sluit aan bij parallel lopende programma’s zoals het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD), waarin de groeiende behoefte aan oefengebieden, milieuruimte en militaire voorzieningen uitgebreider wordt uitgewerkt. Hierdoor wordt Defensie als volwaardige ruimtelijke speler meegenomen in de nationale strategische keuzes.

Na verwerking van de zienswijzen wordt de definitieve Nota Ruimte vastgesteld, waarna zij het leidend Rijkskader vormt en wordt vertaald in provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies en omgevingsplannen.

Motivering

Het project is in lijn met de Nota Ruimte omdat het expliciet bijdraagt aan een nationaal ruimtelijk belang: nationale veiligheid. De kazerne maakt een strategische concentratie van defensiefuncties mogelijk op een goed ontsloten locatie, passend binnen het principe van meervoudig ruimtegebruik. Het project sluit aan bij de integrale afwegingsprincipes van de Nota Ruimte.

5.2.3 Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In deze paragraaf komen de (relevante) bepalingen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan de orde en wordt de realisatie van de Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen daaraan getoetst (zie Tabel 5‑1). Per relevante instructieregel is een motivatie gegeven hoe hieraan wordt voldaan.

Tabel 5‑1. Toetsing aan Instructieregels Bkl

Toetsing instructieregels Bkl

Paragraaf Bkl

Instructieregel

Relevant

Motivatie instructieregel

§5.1.2

Waarborgen van de veiligheid

Ja

Paragraaf 5.1.2 Waarborgen van de veiligheid. Bij het toelaten van een activiteit spelen vaak veiligheidsrisico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Het project maakt een risicovolle activiteit en nieuwe kwetsbare objecten mogelijk.

Voor de toetsing van dit onderwerp, wordt verwezen naar paragraaf 6.2.6.

§5.1.3

Beschermen van de waterbelangen

Ja

Paragraaf 5.1.3.1 Algemene bepalingen; In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Zie voor deze toetsing paragraaf 6.2.8.

§5.1.4

Beschermen van de gezondheid en van het milieu

Ja

Paragraaf 5.1.4.1 Kwaliteit van de buitenlucht; Het project valt onder de gestelde randvoorwaarden onder artikel 5.50 en 5.51. De realisatie van het project ligt niet binnen een luchtkwaliteitsaandachtsgebied.

Voor de toetsing van dit onderwerp, wordt verwezen naar paragraaf 6.2.4.

 
 

Ja

Paragraaf 5.1.4.2 Geluid door activiteiten;

Het project valt onder het toepassingsbereik onder Artikel 5.55 en Artikel 5.76.

Zie paragraaf 6.2.2 voor de toetsing.

 
 

Ja

Paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit; Het project valt onder het toepassingsbereik (artikel 5.89g).

Zie paragraaf 6.2.9 voor de toetsing.

 
 

Ja

Paragraaf 5.1.4.6 Geur; Het project valt wel onder het toepassingsbereik, (artikel 5.90) want een gedeelte van de te realiseren gebouwen vallen onder geurgevoelige gebouwen.

Zie paragraaf 6.2.5, voor de toetsing.

§5.1.5

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Nee

Paragraaf 5.1.5.4 Ladder voor duurzame verstedelijking; Het project valt niet onder de gestelde randvoorwaarden van Artikel 5.129g.

 
 

Ja

Paragraaf 5.1.5.5 Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Het project valt onder het toepassingsbereik onder Artikel 5.130 lid 1.

Zie paragraaf 6.2.10, voor de toetsing.

§5.1.6

Behoud van ruimte voor toekomstige functies

Nee

Paragraaf 5.1.6.3 Buisleidingen van nationaal belang; ten zuiden van, buiten, het projectgebied is een buisleiding gelegen van nationaal belang. Ook de beschermingszones vallen buiten het projectgebied. Deze paragraaf is niet relevant.

§5.1.7

Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten

Ja

Paragraaf 5.1.7.6 Landelijke fiets- en wandelroutes; De instructieregel is van toepassing op een omgevingsplan zover dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen die de landelijke fiets- en wandelroutes, genoemd in bijlage XVI, kunnen doorsnijden. Hiermee wordt het belang van de instandhouding van deze fiets- en wandelroutes bij het omgevingsplan betrokken.

De projectgrens ligt ten zuiden op of aan de landelijke fietsroute - route 13 en landelijke wandelroute - route ‘Grenslandpad’ welke over de Heijbeeksestraat lopen. De ontwikkeling zorgt voor instandhouding van beide landelijke routes. Nadelige effecten op deze route kunnen worden uitgesloten, omdat deze routes openbaar toegankelijk blijven. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregel.

§5.1.7

Gebruik van bouwwerken

Nee

Paragraaf 5.1.7a Gebruik van bouwwerken;

Dit is niet van toepassing conform Artikel 5.161c.

§5.1.8

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Nee

Paragraaf 5.1.8 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

De instructieregel is van toepassing op een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte. Dit project voorziet niet in het toevoegen van nieuwe openbare buitenruimte, bevordert de toegankelijkheid niet en is daarom niet relevant.

5.2.4 Klimaatakkoord (2019) en Klimaatplan 2025 - 2023 (2025)

Het Klimaatakkoord (2019) vormt het nationale uitvoeringsplan waarmee Nederland invulling geeft aan de doelen van het Akkoord van Parijs. Het Klimaatakkoord bevat een breed pakket aan maatregelen en afspraken tussen overheid, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers, gericht op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en legt daarmee de basis voor een transitie naar een klimaat neutrale samenleving in 2050.

Het Klimaatplan 2025 – 2035 ‘Op weg naar een klimaatneutraal 2050’ bouwt hierop voort een geeft richting aan het beleid voor de komende tien jaar. Het Klimaatplan bevat een langetermijnvisie en beleidsagenda voor verdere emissiereductie, de opschaling van duurzame energie, de ontwikkeling van een circulaire economie en de inzet op koolstofverwijdering. Het plan benadrukt het belang van een integrale aanpak, maatschappelijke betrokkenheid, innovatie en een eerlijke verdeling van lusten en lasten. Daarbij wordt ingezet op sectorale transitiepaden, het versnellen van de energietransitie, het versterken van de arbeidsmarkt en het borgen van monitoring en bijsturing. Het Klimaatplan is wettelijk verankerd in de Klimaatwet en sluit aan bij de Europese Klimaatwet en het Fit for 55-pakket.

Motivering

Bij de realisatie en het uiteindelijke gebruik van de kazerne wordt rekening gehouden met het beperken van de uitstoot van broeikasgassen, het toepassen van duurzame energie en materialen, en het toekomstbestendig en circulair inrichten van gebouwen en terreinen. Tegelijkertijd geldt dat de operationele inzetbaarheid en continuïteit van het KCT te allen tijde gewaarborgd moeten zijn. Voor nadere onderbouwing zie 6.2.12 en 6.2.13.

5.2.5 Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is door het kabinet vastgesteld op 19 december 2025 en vormt het nationale kader voor de ruimtelijke uitbreidingsbehoeften van de krijgsmacht. Het programma is ontwikkeld in reactie op de verslechterende veiligheidssituatie in Europa en de noodzaak om de Nederlandse defensiecapaciteit substantieel te versterken. Het NPRD brengt voor het eerst de volledige ruimtelijke opgave van Defensie in kaart, gebaseerd op 57 afzonderlijke ruimtebehoeften voor onder meer oefenterreinen, kazernes, schietbanen, luchtruimgebruik en logistieke voorzieningen.

Het programma bepaalt waar binnen Nederland de fysieke en milieuruimte wordt gereserveerd die Defensie nodig heeft om haar grondwettelijke taken betrouwbaar uit te voeren. Bestaande locaties worden waar mogelijk maximaal benut, maar aanvullende locaties zijn noodzakelijk. Het kabinet heeft daarom voorkeurslocaties aangewezen voor de meest urgente uitbreidingsbehoeften, waarbij het NPRD rekening houdt met andere nationale ruimtelijke opgaven en met de leefomgeving van omwonenden.

Het NPRD is tot stand gekomen via een zorgvuldig proces van plan‑MER‑onderzoek, brede participatie en een formele zienswijzenprocedure in 2025. De opgehaalde reacties zijn verwerkt in het definitieve programma. Daarmee vormt het NPRD voortaan het leidende kader voor de ruimtelijke inpassing van defensieprojecten, met uitvoeringstrajecten richting 2040. Het programma werkt door in regionale en lokale planvorming en vereist nauwe samenwerking tussen Rijk, provincies en gemeenten.

Motivering

De ontwikkeling van dit project maakt geen onderdeel uit van het NPRD, aangezien het project reeds in gang is gezet vóór de totstandkoming van dit programma. Aansluiting bij het NPRD in een later stadium zou tot praktische en procedurele knelpunten leiden, terwijl het project zich al in een gevorderde planfase bevond.

Desondanks is de ontwikkeling inhoudelijk in lijn met de doelstellingen van het NPRD. Waar het NPRD primair is gericht op het faciliteren van een aanvullende ruimtebehoefte van Defensie als gevolg van de verhoogde NAVO-norm van 2%, sluit de realisatie van de KCT-kazerne aan bij dezelfde opgave om de operationele gereedheid en toekomstbestendigheid van Defensie te versterken. Hoewel het project oorspronkelijk was ingestoken op verplaatsing en concentratie van bestaande functies, past de huidige invulling binnen de bredere beleidslijn waarin Defensie haar ruimtelijke capaciteit versterkt en optimaliseert.

Daarbij geldt dat de realisatie van de KCT-kazerne kan worden beschouwd als één van de eerste grootschalige ontwikkelingen binnen de bredere uitbreidingsopgave van Defensie. De aanpak en uitvoering van dit project sluiten aan bij de uitgangspunten en werkwijzen zoals beoogd in het NPRD en fungeren in dat kader als voorbeeld voor toekomstige projecten. Hiermee draagt het project, ondanks dat het formeel niet opgenomen is in het NPRD, aantoonbaar bij aan de realisatie van de doelen en ambities van dit programma.

5.2.6 Defensienota 2024 - Sterk, slim en samen

De Defensienota 2024 beschrijft de investeringen die nodig zijn om de krijgsmacht te versterken en de nationale veiligheid te waarborgen. De nota legt nadruk op afschrikking, verdediging en het verbeteren van werk- en opleidingsomstandigheden.

Motivering

De nieuwe kazerne moet bijdragen aan een toekomstbestendige krijgsmacht, met moderne voorzieningen, duurzame inrichting en een aantrekkelijke leefomgeving voor personeel.

5.2.7 Defensiebasis van de toekomst - Eenheid in verscheidenheid

Het visiedocument Defensiebasis van de toekomst – Eenheid in verscheidenheid (2024) vormt het strategisch kader voor de inrichting van defensielocaties. Het document benadrukt dat het huidige vastgoedbestand van defensie verouderd en financieel niet houdbaar is. Modernisering en herstructurering zijn noodzakelijk om te kunnen inspelen op toenemende internationale spanningen, migratiestromen, klimaatverandering en stijgende NAVO-verplichtingen.

Motivering

De komst van de nieuwe kazerne betekent een directe modernisering van het vastgoedbestand van defensie. Deze investeringen zijn nodig om een moderne, duurzame en flexibele infrastructuur te realiseren die aansluit bij de operationele gereed stelling van het KCT.

5.2.8 Regionale Energiestrategie (2021)

De Regionale Energiestrategie (RES) is een beleidsinstrument waarin regio’s in Nederland gezamenlijk met overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties afspraken maken over de opwekking van duurzame energie (zoals zon en wind), energiebesparing en de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. De RES sluit aan bij nationale doelstellingen uit het Klimaatakkoord en het Klimaatplan 2025–2035, gericht op een klimaat neutrale samenleving in 2050. Belangrijke uitgangspunten zijn:

  • Maximaliseren van hernieuwbare energieopwekking (zon, wind, warmte).

  • Beperken van de druk op het elektriciteitsnet (netcongestie).

  • Integrale afstemming met ruimtelijke kwaliteit, natuur, landschap en leefomgeving.

  • Stimuleren van innovatie, circulariteit en samenwerking tussen partijen.

De RES wordt regionaal uitgewerkt en kan worden gebruikt in een bredere belangenafweging voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder grootschalige bouwprojecten en infrastructurele werken. Zie paragraaf 5.3.3 voor toelichting van de ‘Regionale Energie Strategie 1.0 West-Brabant’.

Motivering

Bij de ontwikkeling van de nieuwe kazerne wordt ingezet op duurzame energieopwekking en beperken van netcongestie. Dit is in lijn met de uitgangspunten van de RES om de energietransitie te versnellen. In de planvorming wordt rekening gehouden met energiezuinigheid, de inzet van hernieuwbare bronnen en innovatieve oplossingen voor lokale energievoorziening, zodat de ontwikkeling bijdraagt aan de regionale en nationale doelen. Tegelijkertijd geldt dat de operationele inzetbaarheid en continuïteit van het KCT te allen tijde gewaarborgd moeten zijn. Voor nadere onderbouwing zie 6.2.12.

5.3 Provinciaal/Regionaal beleid en regelgeving

5.3.1 Provinciale omgevingsvisie Noord-Brabant

De Provinciale Omgevingsvisie Noord‑Brabant is op 14 december 2018 vastgesteld door Provinciale Staten en vormt het strategische provinciale kader voor de fysieke leefomgeving.

Deze Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities van de provincie Noord-Brabant voor de komende decennia en richt zich op vier centrale opgaven: de energietransitie, een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant, de ontwikkeling van Brabant als slimme netwerkstad, en het versterken van een concurrerende en duurzame economie.

De Omgevingsvisie introduceert een nieuwe manier van samenwerken, waarbij provincie, gemeenten, waterschappen, inwoners, bedrijfsleven en kennisinstellingen gezamenlijk werken aan gebiedsgerichte opgaven. Deze samenwerking richt zich op innovatie, integraliteit en het centraal stellen van maatschappelijke waarden zoals leefkwaliteit, gezondheid en duurzaamheid. De visie benadrukt dat ruimtelijke keuzes steeds meer moeten worden gemaakt in samenhang met mobiliteit, energievraagstukken, woningbouw en natuurontwikkeling.

Voor ruimtelijke projecten vormt de Omgevingsvisie een richtinggevend kader dat bepaalt hoe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een toekomstbestendig Brabant. De provinciale doelen worden uiteindelijk juridisch geborgd via de Omgevingsverordening, waarmee zij doorwerken in gemeentelijke planvorming en vergunningverlening

Motivering

De provinciale omgevingsvisie voorziet op deze locatie geen militaire functie. De nieuwe kazerne moet derhalve zorgvuldig worden ingepast in de beleidscontext van de omgevingsvisie. Dit betekent aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, natuur en waterbeheer. Het project sluit aan bij provinciale ambities voor duurzaamheid en klimaatadaptatie door maatregelen voor energie-efficiëntie, waterrobuustheid en groenstructuren. Zo draagt de ontwikkeling niet alleen bij aan de (nationale) militaire opgave, maar ook aan de bredere provinciale doelen voor een toekomstbestendig Brabant.

5.3.2 Provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Brabantse Omgevingsverordening bevat de juridisch bindende provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Noord‑Brabant. Deze zijn in beginsel niet van toepassing op dit projectbesluit. De verordening geeft uitvoering aan de Brabantse Omgevingsvisie en borgt provinciale belangen op het gebied van ruimte, natuur, water, milieu, landschap, mobiliteit en energie. Centraal staan principes als zorgvuldig ruimtegebruik, bescherming en versterking van het Natuurnetwerk Brabant, het vasthouden, bergen en afvoeren van water en het voorkomen van milieuschade. Gemeenten moeten deze regels doorvertalen in hun omgevingsplannen zodat provinciale belangen consistent en gebiedsgericht worden meegewogen.

De ligging van het project in ‘landelijk gebied’ betekent dat het initiatief moet worden getoetst aan de geldende provinciale instructieregels. Deze stellen beperkingen aan nieuwe stedelijke functies en vereisen een zorgvuldige onderbouwing van de locatiekeuze, de noodzaak en het ontbreken van reële alternatieven binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast moet worden aangetoond dat sprake is van behoud en versterking van omgevingskwaliteit, waaronder landschap en natuur. Afwijking is mogelijk indien sprake is van een zwaarwegend (nationaal) belang en de effecten adequaat worden gemitigeerd of gecompenseerd.

De meest recente versie van deOmgevingsverordening Noord-Brabantgeldt sinds 9 juni 2026.In onderstaande tabel (Tabel 5‑2) is de toetsing aan de instructieregels opgenomen.

Tabel 5‑2 Toetsing aan Instructieregels POV NB

Toetsing instructieregels

Instructieregel

Relevant

Motivatie instructieregel

§5.1.2

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

Ja

Artikel 5.7 bepaalt dat een omgevingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling geeft aan een veilige,gezonde leefomgeving met een goedeomgevingskwaliteit door toepassing van de artikel 5.8 t/m 5.10. In dit geval is ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag niet mogelijk, waardoor sprake is van uitbreiding van ruimtebeslag. Om zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met het nieuwe ruimtebeslag is de lagenbenadering toegepast. Met het MER (zie paragraaf 6.1) zijn de effecten van de ontwikkeling op de verschillende lagen inzichtelijk gemaakt. Ook zijn mitigerende maatregelen onderzocht om negatieve effecten te voorkomen. Ook is sprake van meerwaardecreatie door de herinrichting van de Molenbeek te combineren met de realisatie van de kazerne.

§5.1.3

Versterken van omgevingskwaliteit

Ja

Artikel 5.11 bepaalt dat een ontwikkeling inLandelijk gebied gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De ontwikkeling van de kazerne leidt tot een verslechtering van de landschappelijke kwaliteit. Ook gaan cultuurhistorische waarden verloren. De realisatie van de kazerne betreft een nationaal belang, waardoor op dit punt kan worden afgeweken van de provinciale verordening.

§5.2.1

Grondwaterbescherming

Nee

Het project ligt niet binnen gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van grondwater. Het effect van het project op grondwater is wel onderzocht, zie paragraaf 6.2.8.

§5.2.2

Voorkomen grondwaterverontreiniging

Ja

Het project maakt nieuwe activiteiten mogelijk die stoffen in het milieu kunnen introduceren die daar van nature niet voorkomen. Het effect op grondwaterkwaliteit is onderzocht, zie paragraaf 6.2.8.

§5.2.3

Provinciale weg

Ja

De Attentiezone geluid provinciale weg ligt binnen het projectgebied. Het project maakt nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk, deze passen binnen de gestelde regels zie voor nadere toelichting paragraaf 6.2.2.

§5.2.4

Stiltegebied

Nee

Het project ligt niet in of nabij een stiltegebied. Deze paragraaf is niet van toepassing.

§5.2.5

Natuur Netwerk Brabant

Ja

Binnen het projectgebied zijn gronden aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op deze gronden vinden echter geen ontwikkelingen plaats, maar is wel sprake van invloed op het NNN. Hiervoor is een compensatieplicht aan de orde. De voor NNN aangewezen gronden zijn in het plan aangemerkt als functiegebied Natuur, waarmee de aanwezige natuurwaarden worden behouden.

Daarnaast ligt binnen het projectgebied een ecologische verbindingszone langs de aanwezige beek. Deze verbindingszone valt binnen het functionele gebied van de kazerne en maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dat geldt ook voor NNB dat binnen functiegebied kazerne ligt. Het projectgebied is tevens indirect van invloed op Natura 2000-gebied. Voor de beoordeling wordt verwezen naar paragraaf 6.2.7.

§5.2.6

Aardkundige, cultuurhistori-sche en groenblauwe waarden

Ja

Binnen het projectgebied komen geen cultuurhistorische en aardkundige waarden voor. Er komen tevens wel groenblauwe waarden voor. Dit betreft het gebied van de Molenbeek. Hoewel sprake is van ruimtebeslag en verstoring, wordt gelijktijdig ingezet op ecologische versterking en compensatie, waardoor biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaatbestendigheid per saldo verbeteren ten opzichte van de huidige agrarische situatie. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.2.7.

§5.3.1

Waterveiligheid

Nee

Het projectgebied ligt niet in een voor waterveiligheid aangewezen gebied.Deze paragraaf is niet van toepassing op het project.Het effect op waterveiligheid en klimaat is wel onderzocht, zie paragrafen 6.2.8 en 6.2.13.

§5.3.2

Waterberging

Ja

Binnen het projectgebied zijn twee reserveringen voor waterberging gelegen: nabij de Antwerpseweg aan de westzijde en bij de Molenbeek. De zone bij de Antwerpseweg wordt zeer beperkt geraakt, omdat daar de nieuwe ontsluitingsroute wordt gerealiseerd. Bij de Molenbeek komt ruimte voor een groenblauwe inrichting en is binnen dit projectbesluit de functie Natuur voorzien. Het waterbergend vermogen van in het projectgebied blijft geborgd, mede door het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen. Zie hiervoor paragraaf 6.2.8 en 6.2.13.

Afdeling5.4

Duurzame energie

Nee

Het project betreft geen windturbine of realisatie van een zonnepark.Deze afdelingis niet van toepassing.

Afdeling 5.5

Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit

Nee

Het project maakt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk voor wonen, werken ofvoorzieningen (faciliteit op het gebied van onderwijs, medische zorg, winkels, sport en ontspanning) zoals bedoeld in de provinciale verordening. Deze afdeling is niet van toepassing.

§5.6.1

Veehouderij

Nee

Het project maakt geen nieuwe veehouderij mogelijk.Deze paragraaf is niet van toepassing.

§5.6.2

Plantaardige teelten

Nee

Het project maakt geen nieuw teeltbedrijf mogelijk.Deze paragraaf is niet van toepassing.

§5.6.3

Overige agrarisch- en agrarisch gerelateerde activiteiten

Nee

Het project maakt geen nieuw overig-agrarisch bedrijf mogelijk.Deze paragraaf is niet van toepassing.

§5.6.4

Niet-agrarische activiteiten

Ja

Het project maakt een nieuwe niet-agrarische activiteit mogelijk. Daarmee is artikel 5.78 van toepassing. De ontwikkeling voldoet niet aan dit artikel, omdat de activiteit buiten bestaand bouwperceel wordt gerealiseerd. Het plan draagt bij aan defensiebelangen en dient daarmee een (inter)nationaal doel. Op dit onderdeel wordt daarom afgeweken van de provinciale verordening.

5.3.3 Regionale Energiestrategie 1.0 West-Brabant (2021)

De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 West‑Brabant, vastgesteld in juni 2021, beschrijft hoe de regio bijdraagt aan de nationale klimaatdoelstellingen door het verduurzamen van de energievoorziening richting 2030. De RES is opgesteld door gemeenten, provincie en waterschappen in samenwerking met maatschappelijke partijen en inwoners. Uitgangspunt is een substantiële reductie van CO₂‑uitstoot, in lijn met het Klimaatakkoord.

Voor de opwek van duurzame elektriciteit zet West‑Brabant primair in op zonne‑energie op daken. Dit sluit aan bij de voorkeur van inwoners en beperkt de ruimtelijke impact. De regio kiest voor een beperkte groei van windenergie, aangezien al sprake is van een relatief groot bestaand windaanbod; tot 2030 komen er circa 10 extra windturbines bij. Tevens wordt er geagendeerd dat het ministerie van Defensie meer ruimte nodig heeft voor vliegtuigen waardoor de regio kiest voor een beperkte groei van windmolens. Daarnaast is ruimte gereserveerd voor 0,2 TWh aan innovatieve opwek, zoals nieuwe energietechnieken, waarmee ook lokale werkgelegenheid wordt gestimuleerd. Op het gebied van duurzame warmte richt de RES zich op de verdere verkenning en ontwikkeling van warmtenetten. Een belangrijk principe binnen de RES 1.0 is lokaal eigenaarschap: grootschalige wind‑ en zonneprojecten moeten voor minimaal 50% in lokale handen zijn.

Motivering

Het project voor het KCT‑terrein in Nispen is in lijn met de (RES) van West‑Brabant doordat het inzet op een energie‑efficiënte en grotendeels energieneutrale inrichting. Duurzame energieopwekking (zoals zonnepanelen en bodemenergie/WKO) en beperking van netcongestie integraal onderdeel zijn van het ontwerp. Daarnaast wordt ingezet op energiebesparing, klimaatadaptatie en eventueel een toekomstbestendige energievoorziening binnen het terrein. Hiermee draagt het project concreet bij aan de regionale doelstellingen voor duurzame energie, ruimtelijke inpassing en een robuust energiesysteem, zoals beoogd in de RES 1.0. Voor nadere onderbouwing zie paragraaf 6.2.12.

5.3.4 Regionaal Water en Bodem Programma (RWP)

Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022–2027 is het provinciale beleidsprogramma voor water, vitale bodem en klimaatadaptatie, vastgesteld als onderdeel van de landelijke waterplancyclus. Het programma vormt – samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen – het inhoudelijke fundament voor het water‑ en bodemsysteem in Noord‑Brabant. Het RWP heeft een looptijd tot en met 2027 en is in februari 2025 aangevuld met een addendum, waarin de provincie de landelijke koers Water en Bodem sturend verder uitwerkt voor Brabant.

Centrale doelstelling van het RWP is het realiseren van een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een veerkrachtige bodem. Deze opgaven zijn direct gekoppeld aan provinciale thema’s zoals wonen, landbouw, natuur, mobiliteit, energie en economie. Het programma markeert een duidelijke koerswijziging: in plaats van water zo snel mogelijk af te voeren, wordt gewerkt aan het herstel van het natuurlijke watersysteem, zodat Brabant beter bestand is tegen zowel extreme droogte als wateroverlast.

De provincie werkt hiervoor intensief samen met waterschappen, gemeenten, terreinbeheerders, drinkwaterbedrijven, landbouworganisaties en maatschappelijke partijen. Het addendum 2025 benadrukt dat verdere versnelling nodig is vanwege klimaatontwikkelingen, de adviezen van de Commissie Droogte en nieuw provinciaal beleid. Het beschrijft hoe de ruimte‑inrichting in Brabant nadrukkelijker moet worden afgestemd op de fysieke kenmerken van water en bodem, in plaats van andersom.

Motivering

Het project KCT‑terrein in Nispen is in lijn met het RWP 2022–2027, omdat water en bodem leidend zijn bij de planuitwerking. De ontwikkeling zet in op een klimaatadaptieve inrichting met vasthouden, bergen en infiltreren van hemelwater, versterking van groen‑blauwe structuren en herstel van het natuurlijke watersysteem. Door het beëindigen van intensief agrarisch gebruik verbetert de bodemkwaliteit en neemt het waterbergend vermogen toe, waardoor het gebied beter bestand is tegen droogte en wateroverlast, conform de provinciale koers. Voor nadere onderbouwing zie paragraaf 6.2.8.

5.3.5 Actieplan Geluid

Het Actieplan Geluid Noord‑Brabant (4e tranche 2024–2029) beschrijft hoe de provincie geluidhinder langs provinciale wegen vermindert, conform de Europese Richtlijn Omgevingslawaai en de Omgevingswet. Het plan is vastgesteld op 5 december 2024, na een ontwerp‑terinzagelegging zonder zienswijzen.Het actieplan is gebaseerd op de provinciale geluidbelastingkaart, vastgesteld op 30 juni 2022, waaruit blijkt dat veel woningen worden blootgesteld aan geluidsniveaus boven de provinciale plandrempel van 60 dB. De provincie richt zich op het structureel terugdringen van geluid door het toepassen van stil asfalt, gericht onderhoud en het gebruik van de MGR‑methode (Milieugezondheidsrisico) om locaties met hoge cumulatieve milieubelasting te identificeren. Daarnaast biedt de provincie een subsidieregeling voor geluidisolatie voor woningen met hoge geluidsniveaus. Met deze maatregelen verwacht de provincie tegen 2029 een afname van circa 2% van het aantal geluidgehinderden en 5% minder slaapverstoorden.

Motivering

Het project is in lijn met het Actieplan Geluid Noord‑Brabant 2024–2029, nu geluidhinder voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt. Het aantal geluidsgevoelige objecten in de omgeving is beperkt en verkeersaantrekkende werking wordt grotendeels geconcentreerd via een ontsluiting op de N262, waardoor dorpswegen worden ontzien. Daarnaast worden geluidsbronnen ruimtelijk gebundeld en afgeschermd met groen‑ en landschappelijke buffers. Hiermee sluit het project aan bij de provinciale inzet op het structureel reduceren en beheersbaar houden van geluidhinder langs infrastructuur en in de leefomgeving. Zie voor nadere toelichting paragraaf 6.2.1 en 6.2.2.

5.4 Gemeentelijk beleid

5.4.1 Omgevingsvisie gemeente Roosendaal

De Omgevingsvisie Roosendaal – De Verbonden Stad (2022) geeft richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving tot 2030. De gemeenteraad heeft deze visie vastgesteld als strategische koers voor de stad, de dorpen en het buitengebied. De visie bouwt voort op de bestaande kracht van Roosendaal: een verbonden stad, waarin inwoners, wijken, dorpen en regionale partners sterk met elkaar in relatie staan. Roosendaal positioneert zich nadrukkelijk in de West‑Brabantse stedenrij en in de bredere netwerken met Rotterdam, Antwerpen en Brainport Eindhoven, wat zorgt voor goede voorzieningen, bereikbaarheid en economische kansen.

De visie is opgebouwd rond drie leidende principes.

  • 1.

    Roosendaal wil een stad van de menselijke maat zijn: groen, veilig, inclusief en gericht op ontmoetingen. Wijken en dorpen moeten ruimtelijk aantrekkelijk blijven, met aandacht voor gezondheid en leefkwaliteit.

  • 2.

    Roosendaal streeft naar balans tussen mens en natuur door vergroening, meer biodiversiteit, klimaatadaptatie en schoon water en lucht. Groene verbindingen binnen en buiten de stad worden versterkt.

  • 3.

    Ten derde is er ruimte voor talent en ondernemerschap, waarbij de gemeente inzet op een sterke economie, innovatie en samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en overheid.

Roosendaal anticipeert op bevolkingsgroei door versnelling van woningbouw, zowel binnen de bestaande stadsgrenzen (zoals Stadsoevers en Mariadal) als in zorgvuldig gekozen uitbreidingslocaties aan de stadsrand. Ook het buitengebied biedt ruimte voor kleinschalige woon-, zorg- en recreatiefuncties, mits passend bij landschap en omgeving. De visie benadrukt daarnaast veiligheid en gezondheid als integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving (o.a. mobiliteit, milieu, water, energie) en stuurt op een leefbare, veilige stad en dorpen. De Omgevingsvisie vormt daarmee de integraal sturende basis voor alle toekomstige ruimtelijke keuzes en programmalijnen binnen Roosendaal.

Motivering

De omgevingsvisie zegt niets over de ontwikkeling van een kazerne op deze locatie. Echter wordt er op deze locaties wel invulling gegeven aan de ambities die in de visie beschreven worden. Het project vraagt om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing in het landschap, met aandacht voor ecologie, waterbeheer, klimaatadaptatie en duurzame energie. De kazerne leidt tot meer werkgelegenheid dan in de huidige situatie vanwege de uitbreiding. Dit leidt tevens tot verbeterde regionale samenwerking en het versterken van de economische positie van Roosendaal (Defensie/het KCT is een van de grootste werkgevers in de gemeente Roosendaal). Tegelijkertijd moet het project rekening houden met de doelen voor natuur, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in de visie. Door te sturen op integrale gebiedsontwikkeling en het benutten van meekoppelkansen, bijvoorbeeld ecologisch herstel van de Molenbeek en versterking van het Natuurnetwerk Brabant, draagt de ontwikkeling bij aan de brede ambities van Roosendaal voor een toekomstbestendige en verbonden stad. Daarnaast heeft de ontwikkeling van defensieterreinen een groot maatschappelijk belang.

5.4.2 Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan (GVVP) 2015 – 2025 Roosendaal

Het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) 2015 – 2025 is het beleids- en toetsingskader voor de gewenste ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit in de gemeente Roosendaal. Het geeft de kaders aan waarbinnen verkeersprojecten in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd. In het GVVP zijn opgaven en ambities benoemd die ook de komende jaren centraal staan. De opgaven komen voort uit participatiesessies met bewoners en maatschappelijke partners of komen naar voren uit trends en analyses van hogere beleidskaders. Het GVVP Roosendaal zet in op verduurzaming, innovatie en het versterken van regionale netwerken.

Motivering

Specifiek voor de ontsluiting van de nieuwe locatie van het KCT is in het GVVP een project benoemd om de verkeersafwikkeling op het kruispunt Schneiderlaan – A58 (richting Bergen op Zoom) te verbeteren:

“Weef-verkeer' Burgemeester Schneiderlaan - A58 (ri. BoZ) Matige ontsluiting in de ochtendspits, waarbij veel inwoners van Langdonk, Kroeven en Tolberg de A58 richting Bergen op Zoom / Rotterdam moeten. Hierbij moet de verkeersstroom richting Breda en Roosendaal Centrum worden gekruist. Oplossingsrichtingen moeten worden onderzocht” (GVVP, Roosendaal)

5.4.3 Omgevingsvisie Rucphen

De Omgevingsvisie Rucphen schetst de koers voor de fysieke leefomgeving van de gemeente tot 2040 en richt zich op een gezonde, veilige en toekomstbestendige ontwikkeling van de vijf dorpen, het buitengebied en de economische kernzones. De visie bouwt voort op de sterke sociale structuur en landschappelijke kwaliteiten van de gemeente en stelt ambities op het gebied van duurzaamheid, klimaatadaptatie, energie, wonen, mobiliteit, recreatie, economie en leefbaarheid. Centraal staat de gedachte dat ‘niet alles overal kan’. Ruimtelijke keuzes worden gemaakt in balans tussen groeiende opgaven, de identiteit van de dorpen en de kwaliteit van landschap en buitengebied.

Motivering

Hoewel de kazerne in de gemeente Roosendaal (Nispen) wordt ontwikkeld, is de Omgevingsvisie Rucphen relevant als regionaal omgevingskader vanwege de directe nabijheid van de dorpen, het buitengebied en de Rucphense Heide met een bestaand oefenterrein en twee tentenkampen (oefenlocatie). Dit vraagt om zorgvuldige landschappelijke en milieukundige afstemming op de dorpsranden en het buitengebied van Rucphen, in lijn met de visie op een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving en het uitgangspunt dat niet alles overal kan. De samenwerking met Rucphen richt zich daarmee op omgevingskwaliteit, bereikbaarheid en hinderbeperking, passend bij de principes uit de Omgevingsvisie Rucphen.

5.5 Water

Voor de toetsing aan het waterbeleid wordt verwezen naar de Weging van het waterbelang zoals opgenomen in 6.2.8.

5.5.1 Europees en rijksbeleid

Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 officieel van kracht geworden. De richtlijn heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Omgevingswet

De Omgevingswet betreft de hele fysieke leefomgeving, waaronder water, en vervangt (grote delen van) de Waterwet. De Omgevingswet heeft als doel om het beheer en de ontwikkeling van de leefomgeving meer in samenhang, flexibel en participatief te maken. De Omgevingswet regelt onder meer de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving voor activiteiten die invloed hebben op de waterkwaliteit, de waterkwantiteit, de waterveiligheid en de waterfuncties.

Een relevante wijziging ten opzichte van voorgaande wetgeving is dat regels die eerder op rijksniveau waren vastgelegd nu in waterschapsverordeningen zijn vastgelegd.

Nationaal Waterprogramma

Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het rijk streeft naar schoon, veilig en voldoende water dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Belangrijk onderdeel van het NWP zijn stroomgebied-beheerplannen. Het Nationaal Water Programma is op 18 maart 2022 vastgesteld.

Weging van waterbelang

Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. Sinds de inwerkingtreding van Omgevingswet vervangt het begrip ‘weging van het waterbelang’ de watertoets. Het doel blijft hetzelfde, namelijk het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Bij deze weging van het waterbelang moeten gemeenten of initiatiefnemers de waterbeheerder betrekken bij het inschatten van de gevolgen voor het watersysteem. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Het belangrijkste inhoudelijke doel van de weging van waterbelang is dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.

Motivering

De ontwikkeling van de Nieuwe Kazerne Korps Commandotroepen is in overeenstemming met het Europese en rijksbeleid voor water en leefomgeving. Binnen het project worden waterbelangen integraal meegewogen en worden maatregelen getroffen gericht op waterberging, infiltratie, klimaatadaptatie en een duurzame inrichting van het terrein. Hierdoor worden de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, de Omgevingswet, het Nationaal Waterprogramma en de weging van het waterbelang gerespecteerd en ondersteund.

5.5.2 Waterschapsverordening Waterschap Brabantse Delta 2024

Het Waterschap Brabantse Delta heeft meerdere relevante stukken waarin de criteria, richtlijnen en aandachtspunten beschreven die van toepassing zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. De relevante stukken betreffen:

  • 1.

    De Handreiking Weging Waterbelang geeft nodige informatie voor vergunningverlening.

  • 2.

    In de Waterschapsverordening staan de regels voor aanpassingen in de omgeving met betrekking tot water.

  • 3.

    Waterlopen op orde geeft aan welke partij verantwoordelijk is voor welk type onderhoud. Afwijkingen zijn mogelijk mits dit wordt afgesproken met het waterschap.

  • 4.

    Handelingsperspectief water en bodem sturend beschrijft de opgaves omtrent water. Hierin worden trekkers aangewezen die verantwoordelijkheid dragen voor deze opgaves.

Daarnaast is het Waterschap Brabantse Delta momenteel actief bezig met plannen om de Molenbeek waterrobuust te maken. In het project zijn intern vier doelen geformuleerd:

  • Herstel van het natuurlijk systeem door meer water bergen en vasthouden.

  • De waterkwaliteit verbeteren (schoon en gezond water), zodat een goed leefgebied voor planten en dieren die in de beek thuishoren ontstaat (KRW-opgave).

  • Een ecologische verbindingszone met stapstenen realiseren, zodat planten en dieren zich kunnen verplaatsen.

  • Wateroverlast in het stedelijk gebied (Roosendaal) niet verergeren.

5.5.3 Gemeentelijk beleid

Water- en Rioleringsprogramma (WRP) 2024–2027

Het Water- en Rioleringsprogramma 2024–2027 (WRP) vormt het centrale beleidskader voor het stedelijk waterbeheer in Roosendaal. Het document geeft richting aan de uitvoering van de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, en legt vast hoe de gemeente toewerkt naar een robuust, toekomstbestendig en klimaatadaptief watersysteem. Roosendaal onderkent dat klimaatverandering leidt tot intensere neerslag, langdurige droogte en toenemende druk op het stedelijk en landelijk watersysteem. Het WRP moet ervoor zorgen dat zowel bebouwd gebied als buitengebied deze veranderingen op een duurzame manier kunnen opvangen.

1. Wettelijke en beleidsmatige basis

Het WRP beschrijft hoe Roosendaal haar wettelijke verantwoordelijkheden uitvoert: bescherming van de volksgezondheid, voorkomen van wateroverlast (“droge voeten”) in stedelijk gebied en het borgen van schoon water en een schone bodem. De gemeente beheert en vernieuwt het rioolstelsel, zorgt voor afkoppeling waar mogelijk en zet in op duurzaam financieren via de rioolheffing.

2. Strategische visie: klimaatbestendig waterbeheer

Roosendaal wil een watersysteem dat tegen een stootje kan. Na jarenlange investeringen is de basis op orde, maar door verstedelijking en extremere omstandigheden zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Verdere verruiming van ondergrondse riolering acht de gemeente niet haalbaar; daarom wordt gestuurd op bovengrondse oplossingen, vergroening en integrale inrichting. Bij herinrichtingsprojecten wordt gestreefd naar minimaal 15% extra groen, waardoor hemelwater lokaal kan infiltreren en hittestress vermindert. Tegelijk accepteert de gemeente dat incidenteel water-op-straat vaker zal voorkomen als gevolg van extreme buien.

3. Waterbalans en gebiedsgericht grondwaterbeheer

De gemeente werkt aan een betere balans tussen bebouwd en landelijk gebied. Via gebiedsgericht grondwaterbeheer worden droogteproblemen aangepakt en wordt de bescherming van (toekomstige) drinkwatervoorraden versterkt. Het is essentieel dat waterstromen uit landelijk gebied niet leiden tot overlast in stedelijke zones en omgekeerd.

4. Innovatie en “waardevol water”

Het WRP stimuleert innovatieve projecten voor waterhergebruik, energie- en grondstoffenterugwinning en slimme waterberging. De gemeente volgt technologische ontwikkelingen en verbindt partners om kansen te benutten, gericht op een duurzamere waterketen.

In het ‘water en rioleringsprogramma’ worden de criteria, richtlijnen en aandachtspunten beschreven die van toepassing zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen.

5.5.4 Eisen ‘water’ vastgoed Defensie binnen CVV

Binnen het vastgoeddomein van Defensie zijn duidelijke functionele eisen vastgesteld, waaronder duurzaam en klimaat adaptief. Het ontwerp van de huisvesting is duurzaam en robuust en ondervindt geen schade als gevolg van klimaatverandering en weersextremen. Voor het voorkomen van wateroverlast zijn de volgende eisen gesteld:

  • Bij een hemelwaterpiek van ≤ 71 mm/m²/u blijven binnen- en buitenruimten met gebruiksfunctie (incl. gekoppelde voorzieningen) bruikbaar, bereikbaar en schadevrij voor niet-vitale functies.

  • Bij een hemelwaterpiek van ≤ 92 mm/m²/u blijven binnen- en buitenruimten bruikbaar, bereikbaar en schadevrij voor vitale functies.

  • Bij aanhoudende regen van ≤ 131 mm/m²/48u blijven binnen- en buitenruimten bruikbaar, bereikbaar en schadevrij voor niet-vitale functies.

  • Bij aanhoudende regen van ≤ 151 mm/m²/48u blijven binnen- en buitenruimten bruikbaar, bereikbaar en schadevrij voor vitale functies.

  • Buffervoorzieningen hebben capaciteit voor een hemelwaterpiek van 60 mm/m²/u, zijn binnen 60 uur hersteld en hebben een lozingscapaciteit van 1 mm/m²/u.

  • Bij maximale overstromingsdiepte (cf. Klimaatrisicoscan) blijft de faciliteit operationeel.

  • Bij hemelwaterpieken tot 92 mm/m²/u veroorzaakt de vloeistofdichte voorziening geen milieuoverlast.

Motivering

Zie paragraaf 6.2.8 voor nadere toetsing aan de behandelde beleidsregelingen.

6 Het project en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

6.1 MER

Om het milieubelang volwaardig mee te kunnen nemen in de besluitvorming over projecten of plannen die (mogelijke) nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu, moet in Nederland in sommige gevallen een milieueffectrapportage (mer) procedure worden doorlopen. Er bestaan meerdere hoofdsporen die bepalen of een project of plan mer-(beoordelings)plichtig is:

  • 1.

    Het project is opgenomen in kolom 1 van Bijlage V (Omgevingsbesluit) . Indien voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2 of 3 én het besluit in kolom 4 van toepassing is (zoals een omgevingsplan of projectbesluit), dan geldt een project-mer(beoordelings)plicht. Indien een kaderstellend plan wordt vastgesteld voor zo’n project, geldt een plan-mer(beoordelings)plicht.

  • 2.

    Er moet, vanwege mogelijke nadelige effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied, een passende beoordeling gemaakt worden in combinatie met een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan. Ook dan is sprake van een plan-mer-plicht.

  • 3.

    Het plan of project is niet opgenomen in kolom 1 van Bijlage V (het valt niet onder hoofdspoor 1), maar er worden wel aanzienlijke effecten verwacht.

De realisatie van de kazerne kan volgens Bijlage V (Omgevingsbesluit) worden getypeerd als ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’ en als ‘landinrichtingsproject’. Dit betreffen onderdelen J11 en J12 uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Hierbij geldt dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding hiervan de project-mer-beoordelingsplicht geldt (kolom 3). Dit artikel stelt dat voor de ontwikkeling in principe geen directe m.e.r.-plicht van toepassing is. Wel is sprake van een project-mer-beoordelingsplicht.

Het projectbesluit kan worden aangemerkt als een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Uit deze richtlijn volgt dat, indien voor het projectbesluit een passende beoordeling wordt opgesteld, er in beginsel ook een plan-mer-plicht ontstaat. Er is sprake van een omvangrijke ontwikkeling waarbij significante effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daarmee ontstaat de verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling. Daarom is besloten om voor het projectbesluit een volwaardig milieueffectrapport (MER) op te stellen. Het MER is bijgevoegd in bijlage 4. Ten behoeve van het MER zijn diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd welke in de volgende paragraaf worden beschreven.

6.2 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

6.2.1 Verkeer en vervoer

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘Verkeer en vervoer’. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de verschillende aspecten binnen dit onderwerp (zie bijlage 5).

Met het verkeersmodel Brabantse Brede Model Aanpak (versie 2024) zijn verkeersberekeningen uitgevoerd om de verkeerseffecten te bepalen. Op een gemiddelde werkdag genereert de nieuwe kazerne bijna 1.700 mvt/etmaal. Het project leidt tot een relatieve toename van de verkeersintensiteit op de N262. De verkeersdruk neemt met circa 17 procent toe. De verkeersafwikkeling verloopt ordelijk en overzichtelijk door de realisatie van een nieuwe rotonde op de N262. Er is een bestuurlijk akkoord van de provincie dat deze rotonde (geen onderdeel van dit projectbesluit) wordt aangelegd. Er zijn geen fiets- of voetpaden langs de provinciale weg en deze komen ook niet langs de nieuwe weg. Deze rotonde draagt hierdoor bij aan een veilige en efficiënte verdeling van het verkeer. Wel vraagt de rotonde N262 – Zonnelandstraat om nadere aandacht in de verdere uitwerking, aangezien deze locatie mogelijk gevoelig is voor piekbelastingen in de avondspits. Op het gebied van verkeersveiligheid past het project goed in de bestaande verkeersstructuur. De rotonde op de N262 kan veilig worden ingepast en sluit aan bij de functie en inrichting van de weg.

Opbouw verkeersgeneratie

De nieuwe kazerne genereert circa 1.700 mvt/etmaal. Deze verkeersgeneratie bestaat uit het totaal aan verkeersbewegingen dat samenhangt met het functioneren van de kazerne en omvat daarmee meer dan alleen het woon-werkverkeer van medewerkers. Onder de verkeersgeneratie vallen tevens logistieke verkeersbewegingen voor de aan- en afvoer van goederen en materieel, bezoekersverkeer en verkeersbewegingen die samenhangen met opleiding, training, oefening en overige operationele activiteiten van het Korps Commandotroepen. Onderdeel van deze verkeersgeneratie zijn ook militaire verplaatsingen tussen de kazerne en bestaande oefenlocaties in de omgeving. Deze verkeersbewegingen zijn opgenomen in de totale verkeersgeneratie van circa 1.700 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde werkdag.

Ontsluiting kazerne

De kazerne krijgt drie ontsluitingen. Figuur 6‑1 laat de locatie van de ontsluitingen zien. Locatie A betreft de hoofdpoort met een directe aansluiting op de N262. Het uitgangspunt is dat deze locatie (de hoofdpoort) zo veel als mogelijk wordt gebruikt, onder andere door woon-werkverkeer en bezoekers. Locatie B betreft de zuidelijke ontsluiting aan de Heijbeeksestraat. Deze locatie wordt incidenteel gebruikt door logistiek verkeer en kan de hoofdpoort vervangen indien deze niet kan worden gebruikt. Locatie C betreft de oostelijke ontsluiting aan de Kerkweg. Deze locatie wordt uitsluitend gebruikt door langzaam verkeer en motorvoertuigen richting het oefenterrein en is niet geschikt voor grote voertuigen zoals vrachtwagens.

Figuur 6-1 Ontsluitingen projectgebied

Gevoeligheidsanalyse oostelijke ontsluiting

In aanvulling op het project is in het deelonderzoek ‘Verkeer en vervoer’ een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd naar de verkeersbewegingen tussen de kazerne en het oefenterrein bij de Rucphense Bossen. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een oostelijke entree aan de Kerkweg, die beperkt zal worden gebruikt door gemotoriseerd verkeer (circa 110 motorvoertuigen per werkdag).

Het extra verkeer heeft geen negatieve effecten op de verkeersafwikkeling. Ten aanzien van intensiteit en verkeersveiligheid is er sprake van een beperkt negatief effect. De kans op conflicten neemt als gevolg van de intensiteit iets verder toe. Daarbij wordt opgemerkt dat de extra verplaatsingen doordeweeks en buiten de vakantieperiode plaatsvinden. De piek in recreatieverkeer zit met name in het weekend en vakantieperioden (wegens de aanwezige camping in combinatie met fietsknooppunten).

Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat er bermverbetering en enkele passeerhavens nodig zijn op de Boswachtersdreef en Rozenvendreef. In deze analyse is ook aandacht besteed aan het recreatief verkeer (fietsers en voetgangers). Aangezien de hoeveelheid verkeer dat de oostelijke ontsluiting gebruikt beperkt is en het niet om zwaar verkeer gaat, is de verkeersveiligheid niet in het geding. Genoemde maatregelen zijn opgenomen in bijlage A en geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

Zuidelijke ontsluiting

De zuidelijke ontsluiting takt aan op de Heijbeeksestraat en krijgt één ingaande en één uitgaande rijstrook. De (route naar de) zuidelijke ontsluiting dient geschikt te zijn voor zwaar militair materieel. In de huidige situatie is er al sprake van stuk gereden bermen. De verkeersdruk zal als gevolg van de nieuwe kazerne beperkt toenemen op het deel tussen de N262 en zuidelijke entree. Om ervoor te zorgen dat grote voertuigen elkaar veilig kunnen passeren zal bermverbetering in de vorm van grasbetontegels worden toegepast. Deze maatregelen zijn opgenomen in bijlage A en geborgd in bijlage B van dit projectbesluit.

Duurzame mobiliteit

Uit de analyse ‘Verkenning kansen duurzame mobiliteit’ (zie bijlage 6)blijkt dat de mogelijkheden om te verduurzamen beperkt zijn, mede door de ligging in het buitengebied. Het is daarom lastig om de visie ‘Mobiliteit en parkeren op defensieterreinen’ te volgen die door het Rijksvastgoedbedrijf is opgesteld. Wegens de ligging in het buitengebied blijft een relatief groot aandeel autogebruik onvermijdelijk en dit past bovendien bij het gebruiksprofiel van deze militaire kazerne. Dit leidt naar verwachting niet tot knelpunten op het omliggende wegennet. Voor parkeren wordt circa 35.000 – 40.000 m² gereserveerd op eigen terrein, zowel voor civiele als militaire voertuigen.

Conclusie

Het project leidt tot een goed beheersbare toename van verkeer, die voornamelijk wordt afgewikkeld via de N262. De capaciteit van de N262 is dusdanig dat deze de toename van het verkeer kan faciliteren. Hiermee worden omliggende wegen in het buitengebied grotendeels ontzien. De aanleg van de rotonde is essentieel voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. Het bestuurlijk akkoord borgt hiermee dat de verkeersafwikkeling overzichtelijk en veilig blijft. Daarnaast zorgen de overige ontsluitingen voor bereikbaarheid van de kazerne. De nieuwe ontsluitingen van de kazerne zijn opgenomen in bijlage A en geborgd in bijlage B.

6.2.2 Geluid

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘Geluid’. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de effecten van wegverkeerslawaai, schietgeluid en geluid afkomstig van activiteiten op het militair terrein (industrielawaai), evenals de cumulatie van deze bronnen (zie bijlage 7). In bijlage 8 is het onderzoek naar schietgeluid en explosiegeluid toegevoegd. Daarnaast is er een aanvullende notitie opgesteld waarin de beoordeling is uitgevoerd aan de hand van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsregeling (zie bijlage 9).

Voor het project is uitgegaan van een basisbezetting van 1.250 gelijktijdig aanwezige personen. Dit resulteert in bijna 1700 motorvoertuigen per etmaal op de wegen van en naar de kazerne (zie paragraaf 6.2.1). Verder is het aanwezige wegverkeer op de Provincialeweg N262 en de gemeentewegen meegenomen in het onderzoek. De effecten van het verkeer op de nieuwe te realiseren ontsluitingsroute zijn eveneens onderzocht. Daarnaast is rekening gehouden met interne voertuigbewegingen op het terrein, logistieke verplaatsingen richting het oefenterrein ten oosten van de kazerne, sportactiviteiten en speedmarsen. Voor het schietgeluid is rekening gehouden met de zuidelijke ligging van het oefenterrein en de daarbij behorende bebouwing. De gezamenlijke geluidsbelasting van deze bronnen is tevens beschouwd (cumulatie van geluid).

Wegverkeerslawaai

Het projectgebied is gedeeltelijk gelegen op de attentiezone geluid provinciale weg vanuit de omgevingsverordening Noord-Brabant (zie Figuur 6‑2).

Figuur 6-2 Globale ligging Attentiezone geluid provinciale (omgevingsverordening Noord-Brabant)

Door de aansluiting van de nieuwe ontsluitingsweg naar de kazerne op de Provincialeweg N262 neemt vanaf de aansluiting op de rotonde naar het noorden in de richting van Roosendaal de intensiteit toe van 9.000 naar 9.000 + 2.500 motorvoertuigen per etmaal. In absolute toename is dit 10*log(11.500/9.000) = 1.06 dB Lden. Voor de woningen die ten noorden van de rotonde gelegen zijn blijft de toename vanwege het uitstralend effect beperkt tot 1,5 dB. Daardoor is conform artikel 5.78af van het Bkl geen sprake van indirecte akoestische effecten en zijn geluidbeperkende maatregelen als gevolg van het provinciale wegverkeer niet nodig.

Naar mate het al aanwezige verkeer op de Provincialeweg in de richting van Roosendaal toeneemt, wordt het effect van het kazerneverkeer snel minder. Ten noorden van de Willem Dreesweg in Roosendaal bedraagt de intensiteit op de provinciale weg N262/Antwerpseweg circa 20.000 motorvoertuigen per etmaal. Op dit deel van de weg zal het verkeer van de kazerne nog maar een toename van 10*log(22.500/20.000) = 0,51 dB veroorzaken. Dit ligt binnen de onzekerheidsmarge van het verkeer dat in 2040 hier aanwezig zal zijn.

De nieuwe ontsluitingsweg zal ten noorden van de woning aan de Oude Turfvaartsestraat 52 worden aangelegd. De geluidsbelasting neemt op deze woning hierdoor toe van 53,30 dB naar 53,47 dB. De standaardwaarde voor gemeentewegen bedraagt 53 dB en de toekomstige geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe ontsluitingsweg is afgerond 53 dB Lden. Voor de woning aan de Oude Turfvaartsestraat 52 zijn voor het wegverkeerslawaai door de nieuwe ontsluitingsroute geen verdere maatregelen noodzakelijk.

Schietgeluid en explosiegeluid

Op het zuidelijke deel van het terrein wordt een ‘schiet- en trainingsfaciliteit’ gerealiseerd. Het schietgeluid en explosiegeluid reiken buiten de terreingrens en hebben daarmee invloed op de geluidbelasting bij nabijgelegen woningen. Dit is een nieuwe geluidbron in een gebied waar in de referentiesituatie voornamelijk sprake is van wegverkeerslawaai. De ligging van het schietterrein in het zuiden betekent dat met name woningen aan deze zijde een toename van de geluidbelasting ondervinden. Hiervoor heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden om te onderzoeken welke maatregelen er getroffen dienen te worden. Hiervoor is bij de (bestaande) 8 woningen in de omgeving van de nieuwe kazerne de geluidbelastingberekend. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat bij vijf van de acht woningen de standaardwaarde van 50 dB voor de geluidbelasting wordt overschreden. Bij één woning is de berekende geluidbelasting 56 dB, maar deze woning zal vanwege de realisatie van de nieuwe kazerne verdwijnen. Bij vier woningen is de berekende geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde (50 dB) maar niet hoger dan 54 dB. Bij de resterende drie woningen is de berekende geluidbelasting niet hoger dan de standaardwaarde. Op grond van het Bkl moet bij een overschrijding van de standaardwaarde het gezamenlijk geluid worden bepaald in het omgevingsplan. Dit is aan de orde voor de Heijbeekestraat 48 en Kerkweg nummers, 38, 44 en 46. Het gezamenlijk geluid op deze woningen is in bijlage B van dit projectbesluit opgenomen.

Het schieten vindt grotendeels indoor (in gebouwen) plaats en deels outdoor (buiten). De CQB wordt als gesloten voorziening gerealiseerd, zodat geluidsemissies naar de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt. Uit het onderzoek blijkt dat geluiddempers en geluidsreducerende maatregelen ter hoogte van de gevelopeningen nodig zijn in de vorm van afschermende voorzieningen zoals bebouwing (zeecontainers) en geluidswallen. Deze voorzieningen zijn functioneel verbonden met de schietfaciliteit en hebben tevens een geluid afschermende werking. De invloed van de maatregelen op de geluidbelasting is aanzienlijk. Zonder de zeecontainers en de geluiddempers samen zou de geluidbelasting 6 tot 7 dB hoger zijn dan de waardes bedoeld in het onderzoek schietgeluid. De ligging van de gebouwen is derhalve vastgelegd in bijlage B van dit projectbesluit, zodat er geen overschrijdingen van de geluidswaarden ontstaan.

Geluid van activiteiten op het terrein

Naast schietgeluid is sprake van geluid door activiteiten op het militair terrein, waaronder interne verkeersbewegingen, logistiek, sportactiviteiten, vliegen met lichte drones en werken met honden. Hiervoor is uitgegaan van een worst‑case benadering, waarbij voertuigen zijn gemodelleerd als zwaar verkeer en ook avond‑ en nachtperioden zijn meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat het stemgeluid bij de speedmars maatgevend is. Op de woning aan de Heijbeeksestraat 48 wordt een niveau van 70 dB(A) ondervonden, op de woning aan de Oude Turfvaartsestraat 42 een niveau van 67 dB(A) en op de woning aan de Oude Turfvaartsestraat 52 een niveau van 69 dB(A). Daarmee wordt de grenswaarde van 65 dB(A) in de avond- en nachtperiode voor stemgeluid overschreden. Bij de woningen aan de Heijbeeksestraat 48 en Oude Turfvaartsestraat is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde van 50 dB(A) als gevolg van het geluid door activiteiten op het kazerneterrein. Op grond van het Bkl moet bij een overschrijding van de standaardwaarde het gezamenlijk geluid worden bepaald in het omgevingsplan. Dit is aan de orde voor de Heijbeekestraat 48 en Oude Turfvaartsestraat 52. Het gezamenlijk geluid op deze woningen is in bijlage B van dit projectbesluit opgenomen.

Cumulatie van geluid

Door de samenloop van wegverkeer, schietgeluid en activiteiten op het terrein neemt de cumulatieve geluidbelasting in de omgeving toe ten opzichte van de referentiesituatie. Deze toename is hoorbaar bij de dichtstbijzijnde woningen, mede doordat meerdere bronnen tegelijkertijd bijdragen aan de totale geluidbelasting. In onderstaande tabel zijn de wijzigingen weergegeven.

Tabel 6‑1 Cumulatie van geluid (Lcum)in dB

Geluidgevoelig object

Referentiesituatie

Plansituatie

Heijbeeksestraat 3A

66 dB

66 dB

Heijbeeksestraat 48

47 dB

57 dB

Kerkweg 32

53 dB

55 dB

Kerkweg 46

52 dB

54 dB

Kerkweg 44

50 dB

53 dB

Kerkweg 38

46 dB

54 dB

Oude Turfvaartsestraat 42

53 dB

56 dB

Oude Turfvaartsestraat 52

56 dB

58 dB

Oude Turfvaartsestraat 45

46 dB

51 dB

Kerkweg 14

46 dB

54 dB

Turfvaartsestraat 10

43 dB

50 dB

Conclusie

Het project introduceert nieuwe geluidbronnen in een overwegend landelijk gebied, met name door schietactiviteiten en militaire activiteiten in gebouwen/op het terrein. De geluidbelasting bij nabijgelegen woningen neemt daardoor toe ten opzichte van de referentiesituatie, met name door de cumulatie van verschillende bronnen. Als gevolg van de toename aan verkeer op de nieuwe ontsluiting van de kazerne en de Provincialeweg N262 zijn geen maatregelen nodig. Om overschrijding van de grenswaarde door schietgeluid te voorkomen zijn de afschermende maatregelen in bijlage B van dit projectbesluit geborgd. Ten aanzien van schietgeluid en geluid door activiteiten op het kazerneterrein treedt wel een overschrijding van de standaardwaarde op bij vier woningen. Het gezamenlijk geluid voor deze woningen is eveneens geborgd in bijlage B. Met inachtneming van de beschreven maatregelen worden de effecten op de omgeving betreffende schietgeluid en explosie geluid beperkt binnen de daarvoor geldende regelgeving. Voor wat betreft het aspect ‘Geluid’ zijn de te nemen maatregelen opgenomen in bijlage A, en geborgd in bijlage B.

6.2.3 Trillingen

De toename van het verkeer en de activiteiten op het terrein van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘Trillingen’. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten voor trillingen (zie bijlage 10).

Gebruiksfase

Binnen het project wordt het verkeer hoofdzakelijk afgewikkeld via de provinciale weg N262. Deze weg is ingericht voor regionaal verkeer en hogere verkeersintensiteiten en beschikt over een robuuste constructie die geschikt is voor zwaar verkeer en ligt bovendien op ruime afstand (ca. 600m) van de bebouwde omgeving. In absolute zin neemt het aantal mvt/etmaal met name op de N262 toe als gevolg van de nieuwe kazerne. Maar het aandeel (middel)zwaar verkeer binnen die verkeersgeneratie is zeer beperkt (ca. 5% van het KCT-verkeer). De toename van deze verkeersbewegingen als gevolg van het project op het totaal aantal verkeersbewegingen op de N262 is daarmee beperkt.

De activiteiten op het militair terrein, zoals interne voertuigbewegingen, logistieke processen en het gebruik van schiet‑ en trainingsfaciliteiten, vinden plaats in het hart van het terrein. Schietactiviteiten veroorzaken vooral geluid en drukgolven, maar slechts zeer lokaal voelbare bodemtrillingen. Door het ontbreken van explosieve of zwaar grondverstorende activiteiten wordt geen relevante bijdrage aan trillinghinder buiten het terrein verwacht (zie voor nadere toelichting MER, bijlage 4).

Naast de westelijke ontsluiting is er een zuidelijke ontsluiting. Deze is hoofdzakelijk bedoeld voor gebruik bij calamiteiten of bijzondere aangelegenheden. De oostelijke ontsluiting is bedoeld voor (licht)verkeer/militair tactische wielvoertuigen van en naar het oefenterrein. De zuidelijke en oostelijke ontsluiting worden niet voor het forensenverkeer gebruikt en genereren daardoor niet tot nauwelijks verkeersbewegingen. Het verkeer wordt dus hoofdzakelijk afgewikkeld via de N262, een weg die is ingericht op regionaal verkeer en hogere verkeersintensiteiten. De verkeersgeneratie van het KCT vindt daardoor plaats op infrastructuur die geschikt is voor zwaar verkeer en op afstand van bestaande gebouwen in de omgeving. Gezien het beperkte en niet-structurele gebruik van de zuidelijke en oostelijke ontsluitingen leidt dit niet tot een relevante of structurele toename van trillingen in de omgeving.

Conclusie

Het project leidt in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet tot een relevante (toename van) trillinghinder. De keuze voor een directe ontsluiting op de N262 en de aard van de activiteiten zorgen ervoor dat trillingen beperkt blijven en lokaal optreden. Trillingen vormen daarmee geen onderscheidend of beperkend milieuthema voor de uitvoering van het project.

6.2.4 Luchtkwaliteit

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘Luchtkwaliteit’. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de invloed van de voorgenomen activiteiten op de luchtkwaliteit in de leefomgeving (zie bijlage 11).

Het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) bevat de volgende instructieregels waaraan een plan of project moet voldoen met betrekking tot luchtkwaliteit:

  • 1.

    Art. 5.51 Bkl: De locatie bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied voor NO2 of PM10. Dit artikel is niet van toepassing.

  • 2.

    Paragraaf 2.21 Bkl: Het plan of project leidt niet tot overschrijding van (rijks)omgevingswaarden.

  • 3.

    Art. 5.53 en 5.54 van het Bkl: Het plan of project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

De gemeente Roosendaal behoort niet tot de aandachtsgebieden voor NO2 en PM10. Er is ter onderbouwing van de MER voor gekozen om de effecten van de nieuwe ontwikkeling op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Dit is relevant omdat luchtverontreinigende stoffen invloed hebben op de gezondheid en leefkwaliteit in de omgeving. De nabijheid van woningen, de verandering in verkeersstromen en de aanwezigheid van emissiebronnen op het terrein bepalen in welke mate de luchtkwaliteit kan veranderen door de ontwikkeling.

Het onderzoek Luchtkwaliteit beschrijft welke emissies naar de lucht kunnen vrijkomen door de ontwikkeling en het gebruik van de kazerne. Daarbij gaat het om uitstoot van wegverkeer (NO₂, PM₁₀ en PM₂,₅), emissies door interne voertuigbewegingen op het terrein, en emissies uit specifieke activiteiten zoals stationair draaien, koude starts, aggregaten en schietactiviteiten. Deze bronnen bepalen samen de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de omgeving. Deze nieuwe uitstoot is afgezet tegen de huidige achtergrondconcentraties. Ter beoordeling van de juridische haalbaarheid zijn in dit onderzoek de maximaal optredende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 berekend en beoordeeld op de toetspunten uit het CIMLK, die binnen het onderzoeksgebied vallen. Aanvullend op deze toetspunten uit het CIMLK zijn er langs de wegen die niet in het CIMLK zijn opgenomen maar wel onderdeel zijn van het onderzoeksgebied, extra toetspunten toegevoegd.

Maximale concentraties

In Tabel 6‑1 zijn voor het project de maximale jaargemiddelde concentraties voor het plan in zichtjaar 2040 weergegeven. Deze concentraties zijn met de informatie uit de verkeersmodellen berekend met het CIMLK en aangevuld met de planbijdrages die met het programma Geomilieu zijn berekend als gevolg van de emissies die vrijkomen bij de activiteiten op het nieuwe militair terrein. De totale concentraties zijn het resultaat van de effecten van de activiteiten op het militair terrein, opgeteld bij de effecten van het wegverkeer.

Plansituatie – project (2040)

Maximale concentraties

 

NO2 jaargemiddeld [μg/m3]

PM10 jaargemiddeld [μg/m3]

PM2,5 jaargemiddeld [μg/m3]

Omgevingswaarde

40

40

25

EU-richtlijn

20

20

10

Onderzoeksgebied

12,5 (8,3)

14,1 (13,2)

6,8 (6,5)

WHO-advieswaarde

10

15

5

Binnen het project zijn voor de onderzochte stoffen geen overschrijdingen berekend van de wettelijke omgevingswaarden voor maximale concentraties. De maximaal berekende NO₂‑concentratie neemt met 0,1 μg/m³ toe naar 12,5 μg/m³ en wordt berekend langs de Antwerpseweg, ten zuiden van de kruising met de Burgemeester Schneiderlaan. De maximale jaargemiddelde PM₁₀‑ en PM₂,₅‑concentraties worden berekend langs de Antwerpseweg, ten noorden van de kruising met de Burgemeester Schneiderlaan en bedragen respectievelijk 14,1 en 6,8 μg/m³. Deze maximale concentraties zijn gelijk aan de situatie in 2040 zonder realisatie van de kazerne (autonome situatie).

De maximale concentraties NO₂, PM₁₀ en PM₂,₅ liggen in de plansituatie van het project overal onder de toekomstige EU‑richtlijn. De maximale jaargemiddelde PM₁₀‑concentratie ligt in de plansituatie van het project ook onder de WHO‑advieswaarden. De jaargemiddelde NO₂‑ en PM₂,₅‑concentraties liggen nog wel boven de WHO‑advieswaarde.

De maximale jaargemiddelde concentraties NO₂, PM₁₀ en PM₂,₅ liggen overal onder de huidige wettelijke omgevingswaarden.

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er geen overschrijdingen van de wettelijke omgevingswaarden. Er kan worden geconcludeerd dat het project geen belemmeringen oplevert vanuit het aspect luchtkwaliteit. Het plan voldoet aan de geldende wettelijke eisen en is hiermee uitvoerbaar binnen het geldende juridisch kader.

6.2.5 Geur

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘geur’. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de invloed van de ingebruikname van de kazerne (zie bijlage 12).

Geur als gevolg van KCT

Als gevolg van het project wijzigt de geursituatie als volgt:

  • Indien de planontwikkeling op de beoogde wijze plaatsvindt, komen twee bestaande veehouderijen in het plangebied te vervallen namelijk Oude Turfvaartsestraat 51 (melkrundvee) en Heijbeeksestraat 5 (paarden). Van deze typen bedrijven zijn geen geuremissiekentallen beschikbaar. Gezien de aard en omvang van deze bedrijven dragen deze slechts in beperkte mate bij aan de algehele geursituatie. Omdat er voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren geen geurberekeningen kunnen worden gemaakt gelden hier standaardafstanden. Vanuit artikel 5.112 van het Bkl is de standaardafstand voor een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur slechts 50 meter. Op basis van deze algemene afstandswaarde wordt aangenomen dat er met het komen te vervallen van deze twee bedrijven in de praktijk slechts een beperkte geuremissie wegvalt. Dit, gecombineerd met het feit dat nabij beide bedrijven alleen andere agrarische bedrijven zijn gelegen met nabijgelegen woonhuizen (geurgevoelige gebouwen), maakt dat het vervallen van de twee bedrijven geen noemenswaardig effect heeft op de algehele geursituatie in de omgeving van het plangebied.

  • In de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant is in paragraaf 1.1 ‘Industriële geur’ vastgelegd op welke wijze de geurbelasting van industriële bronnen wordt onderzocht en beoordeeld. Binnen het plangebied gaan activiteiten plaatsvinden waarbij enige geuremissie vrij kan komen en die in de directe nabijheid mogelijk waar te nemen zijn. Aangezien het gaat om activiteiten die slechts in beperkte mate voorkomen en deels inpandig plaatsvinden, leiden deze niet tot structurele/continue geuremissie die op basis van de beoordelingskaders van geur (waarbij de geurconcentratie op percentielbasis wordt berekend) kunnen leiden tot geurhinder. De voorgenomen activiteiten waarbij enige waarneming van geur bij op kan treden zijn:

    • Verbrandingsemissies van voertuigen en materieel binnen het militair terrein of op de ontsluitingswegen;

    • Het gebruik van (noodstroom)aggregaten;

    • Het gebruiken van de schietfaciliteit.

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling op zichzelf niet leidt tot een wezenlijke verandering van de geursituatie in de omgeving.

Geur op de projectlocatie

Voor wat betreft de mogelijkheid van het optreden van geurhinder op de planlocatie door geuremissie vanuit de omgeving geldt met het situeren van de verblijfsobjecten aan de noordzijde van het terrein dat, zoals af te leiden met behulp van Figuur 6‑3, er sprake is van een geurconcentratie tussen de 1,5 - 3,5 ouE/m3 als 98-percentiel.

Figuur 6-3 Geurbelasting in de omgeving van het plangebied (blauw ingetekend) als 98-percentiel (bron: atlas.odzob.nl 1)

De ingebruikname van de kazerne leidt niet tot wezenlijke verandering van de geursituatie in de omgeving vergeleken met de referentiesituatie. De ingebruikname van de kazerne leidt wel tot realisatie van een aanzienlijk aantal verblijfsvoorzieningen die als ‘geurgevoelige gebouw(en)’ aangemerkt kunnen worden. Uit het onderzoek blijkt dat de geurbelasting ter hoogte van de verblijfsvoorzieningen niet boven de standaardwaarde van 8,0 ouE/m3 uitkomen die in het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal zijn opgenomen (bruidsschat). Ter plaatse van de locatie met een matige geurbelasting (tussen 6,5 en 10 ouE/m3) zijn geen geurgevoelige gebouwen toegestaan in dit projectbesluit. Dat neemt echter niet weg dat er nooit geur waargenomen kan worden of er nooit sprake van enige hinder zal zijn, daarvoor zijn te veel grote veehouderijen in de relatief nabije omgeving aanwezig die op sommige momenten (meteocondities) tijdelijk tot een hoge geurbelasting kan leiden.

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat het project geen belemmeringen oplevert vanuit het aspect geur. Het project voldoet aan de geldende wettelijke eisen en is hiermee uitvoerbaar binnen het geldende juridisch kader.

6.2.6 Omgevingsveiligheid

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘Omgevingsveiligheid’. In het kader van omgevingsveiligheid is onderzoek gedaan naar het aspect externe veiligheid (zie bijlage 13). Externe veiligheid beschouwt de risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval bij de opslag, het transport en de productie van gevaarlijke stoffen en de kans op dodelijke slachtoffers. Rond het plangebied zijn ondergrondse hogedruk aardgasleidingen en propaantanks aanwezig., De risicovolle activiteiten zijn getoetst aan het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Figuur 6‑4 geeft een overzicht van de risicovolle activiteiten.

Figuur 6‑4 Ligging risicovolle activiteiten t.o.v. het projectgebied

Het project is zodanig ingericht dat de verblijfsvoorzieningen, kantoorfuncties en logistieke voorzieningen zijn gesitueerd in het kazernehart en aan de noordzijde van het terrein. Het zuidelijk deel van het terrein is primair bedoeld voor oefen‑ en trainingsactiviteiten. Deze ruimtelijke indeling zorgt voor een duidelijke scheiding tussen functies, waardoor de beschikbare ruimte efficiënt en doelgericht kan worden benut. Het project gaat uit van een westelijke ontsluiting, direct aangesloten op de N262. Hiervoor wordt een nieuwe toegangsweg gerealiseerd met een nieuw aan te leggen aansluiting op deze weg. Deze ontsluiting biedt een directe toegang tot het terrein en draagt bij aan een goede bereikbaarheid en een doelmatige logistieke afwikkeling. In het westelijk deel van het terrein wordt voorzien in een munitieopslag van circa 345 m².

Hogedruk aardgastransportleidingen

Ten zuiden van het plangebied (zie Figuur 6‑4) bevindt zich een buisleidingenstrook met drie ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen (A‑530, A‑657 en A‑614).

Plaatsgebonden risico: De leidingen hebben een plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico verandert niet als gevolg van het project. Het planvoornemen ligt buiten de plaatsgebonden risico contouren van de drie hogedrukaardgasleidingen Dit betekent dat de grens‑ en standaardwaarden niet worden overschreden.

Aandachtsgebieden: Een hogedrukaardgasleiding heeft een brandaandachtsgebied, de grootte van het aandachtsgebied is afhankelijk van de druk en de diameter van de leiding. Omdat de drie leidingen op korte afstand parallel langs elkaar liggen ontstaat een aaneengesloten brandaandachtsgebied. Dit aandachtsgebied ligt deels over het projectgebied. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient binnen het aandachtsgebied het groepsrisico te worden beschouwd. Het groepsrisico is de kans op overlijden van 10 of meer personen binnen het aandachtsgebied.

Het planvoornemen maakt een drietal oefengebouwen mogelijk, die gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied van ondergrondse hogedruk aardgasleiding A-614 liggen. De drie gebouwen zijn bestemd als opleidings- en trainingsruimten van in totaal 6.432 m2 bruto vloeroppervlak. 50% van dit oppervlak (3.216 m2) ligt binnen het brandaandachtsgebied. Met kentallen is bepaald dat dit neerkomt op 321 personen die gelijktijdig binnen het brandaandachtsgebied zijn. Deze personen zullen zich dagelijks, voor langere aaneengesloten periode binnen het brandaandachtsgebied bevinden. Letale effecten ontstaan enkel wanneer een leiding breekt en de vrijkomende gassen ontsteken. Dit scenario kan enkel voorkomen bij graafwerkzaamheden. Aanwezige veiligheidsprocedures (KLIC-melding) en de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden (op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen) maken het zeer onwaarschijnlijk dat de aanwezigheid van een ondergrondse aardgasleiding leidt tot letale effecten op de trainingsfaciliteiten. Aanvullende mitigerende maatregelen worden daarom niet noodzakelijk geacht.

Propaantank

In het plangebied is een propaantank aanwezig. Deze propaantank wordt verwijderd als gevolg van de uitvoering van het project. Om die reden zijn de veiligheidsrisico’s van deze risicovolle activiteit niet verder betrokken in de beoordeling. De overige propaantanks in de omgeving hebben geen plaatsgebonden risico-contouren of aandachtsgebieden over het plangebied. Daarmee zijn deze tanks niet relevant voor het planvoornemen.

Munitieopslaglocatie

Het project maakt de realisatie van een munitieopslaglocatie mogelijk. De munitieopslag heeft een explosieaandachtsgebied van 60 meter. Het aandachtsgebied bevindt zich volledig binnen de terreingrens en is uitsluitend van toepassing op functies die direct samenhangen met het project. Conform artikel 5.31 Bkl is de munitieopslag functioneel verbonden met het planvoornemen. Dit betekent dat de munitieopslag geen negatieve invloed heeft op de aanwezigheid van personen binnen het plangebied. Er ontstaan hierdoor geen externe veiligheidsrisico’s voor de omgeving buiten het plangebied en is een vertaling naar de regels van dit projectbesluit niet noodzakelijk.

Conclusie

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Het plangebied ligt deels binnen het brandaandachtsgebied van de aanwezige hogedruk aardgasleidingen maar buiten de plaatsgebonden risico contouren. Binnen het brandaandachtsgebied neemt het aantal personen toe ten opzichte van de referentiesituatie. Aanwezige veiligheidsprocedures en de vergunningplicht ter plaatse van de leidingen maken het zeer onwaarschijnlijk dat de aanwezigheid van een ondergrondse aardgasleiding leidt tot letale effecten op de trainingsfaciliteiten. Aanvullende maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk. De munitieopslaglocatie veroorzaakt een explosieaandachtsgebied dat volledig binnen het plangebied ligt en functioneel verbonden is met de beoogde activiteiten. Er ontstaan hierdoor geen externe veiligheidsrisico’s voor de omgeving buiten het plangebied.

6.2.7 Natuur

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor ‘Natuur. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de invloed van de ingebruikname van de kazerne (zie bijlage 14). Bijbehorend is in een eerder stadium een Natuurwaardenpotentiescan opgesteld(zie bijlage 15).Het terrein is momenteel grotendeels agrarisch gebied. Het voornemen is om bebouwing voor een kazerne met bijbehorende infrastructuur te realiseren. Daarbij gaat het terrein dienst doen als oefenterrein met locaties voor (schiet)oefeningen en sportaccommodaties. Daarnaast worden groenvoorzieningen gerealiseerd en vindt – als koppelkans - beekherstel plaats door het Waterschap. Het aanleggen van de kazerne wordt gezien als ruimtelijke ontwikkeling. Ruimtelijke plannen en/of ingrepen moeten getoetst worden aan vigerende wet- en regelgeving. In Nederland worden de natuurwaarden via de Omgevingswet beschermd. Onder de Omgevingswet is de bescherming geregeld van soorten. Hiervoor is in eerder stadium een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 16). Hieruit werd geconcludeerd dat er nader onderzoek benodigd is naar soortenbescherming.

Soortenbescherming

Het project heeft aanzienlijke gevolgen voor de soortenbescherming. Door de ontwikkeling gaan verblijfplaatsen verloren van meerdere beschermde soorten, waaronder gierzwaluw, huismus, kerkuil, steenmarter en verschillende vleermuissoorten.

Daarnaast worden migratieroutes van de alpenwatersalamander doorsneden. Verder treedt verstoring en/of isolatie op van soorten zoals boommarter, buizerd en eekhoorn, evenals de eerdergenoemde soorten. Deze effecten maken het noodzakelijk om passende mitigerende en compenserende maatregelen te treffen, zoals het creëren van vervangende verblijfplaatsen, faunapassages en maatregelen om verstoring tijdens aanleg en gebruik te beperken.

Nader soortgericht onderzoek

Uit het soortgericht onderzoek (bijlage 17) blijkt dat voor een beperkt aantal locaties nog aanvullend ecologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Het betreft de bebouwing aan de Oude Turfvaartsestraat 51 en Heijbeeksestraat 5, waar nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismus, gierzwaluw en kerkuil, alsmede naar mogelijke verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en steenmarter. Deze onderzoeken zijn noodzakelijk omdat de betreffende percelen tijdens het uitgevoerde onderzoek niet toegankelijk waren, waardoor de aanwezigheid van beschermde soorten en functies niet met voldoende zekerheid kon worden uitgesloten.

Daarnaast geldt dat, indien in een latere fase bomen met holten of potentiële nestlocaties worden verwijderd, aanvullend onderzoek nodig is naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, boommarter en eekhoorn.

De benodigde vervolgonderzoeken zijn reeds uitgezet. De uitvoering hiervan is echter afhankelijk van het verkrijgen van toestemming en toegang tot de betreffende erven en opstallen. De resultaten van deze onderzoeken worden betrokken bij de verdere planuitwerking.

Voor de woongebouwen ter plaatse van de Oude Turfvaartsestraat 51 en Heijbeeksestraat 5 geldt dat deze op grond van Bijlage B niet mogen worden gesloopt. Deze bepaling is opgenomen omdat zonder dat het nader onderzoek is uitgevoerd niet met zekerheid kan worden gesteld dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verkregen voor de sloop van beide gebouwen.

Figuur 6‑5 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNB.

Het project heeft effecten op de gebiedsbescherming, met name door verstoring van delen van het Natuurnetwerk Nederland (NNB) als gevolg van ruimtebeslag en functiewijziging. Het betreft een aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van verschillende beheertypen. Voor deze aantasting is een ‘Nee, tenzij-toets’ opgesteld (bijlage 18). Voor het natuurdoeltype N16.04 Vochtig bos met productie geldt dat er sprake is van aantasting of vernieling van 1,2 hectare. Op basis van de omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant geldt voor dit type een toeslag van 2/3. Dit betekent dat er toeslag is van 0,8 hectare. Het totaal te realiseren compensatiegebied voor N16.04 Vochtig bos met productie bedraagt daarmee 2 hectare. Binnen het plangebied blijft daarnaast een groot deel van de aanwezige natuurbeheertypen behouden, maar krijgen wel te maken met verstoring door geluid, licht en optische verstoring door de aanwezigheid van mens en materieel. Hiervoor dient gecompenseerd te worden met een compensatiefactor van 30%, aangezien de beheertypen verder wel behouden blijft. Deze compensatie kan worden gerealiseerd binnen en buiten het plangebied. Binnen het plangebied dient de oppervlakte van de compensatie met 30% te worden vergroot, gezien het compensatie betreft op een locatie waar de wezenlijke kenmerken en waarden worden verstoord. Buiten het plangebied zijn geschikte compensatielocaties aanwezig die de wezenlijke kenmerken en waarden van het beekdal kunnen versterken. Ten westen van het projectgebied langs de Molenbeek ligt in een aantal percelen met potentie om een vochtig bos te realiseren. Deze locatie is uitermate geschikt vanwege de verbinding met de Molenbeek en de aangrenzende droge bostypen langs de Oude Turfvaartestraat.

Gebiedsbescherming Natura 2000

Figuur 6‑6 Ligging van het projectgebied en de nabije Natura 2000-gebieden in Nederland en Vlaanderen.

Het plangebied is op circa zes kilometer gelegen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Brabantse Wal. In België liggen ‘Klein en Groot Schietveld’ en ‘Kalmthoutse Heide’ ook allebei op ongeveer zes kilometer van het projectgebied. Voor de aanleg- en gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 19) om te beoordelen of er sprake is van significante negatieve effecten door stikstofdepositie. Voor Natura 2000-gebieden treden in de aanlegfase geen negatieve effecten op. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat gewerkt wordt met zero‑emission materieel, waardoor geen extra verzurende of vermestende stikstofdepositie ontstaat tijdens de bouwactiviteiten. In de gebruiksfase leidt de extra verkeersbewegingen tot een beperkte toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000‑gebieden. Daartegenover staat dat het beëindigen van het bestaande intensieve agrarische gebruik van de ontwikkellocatie resulteert in een structurele afname van stikstofemissies. Deze afname is groter dan de toename door verkeer, waardoor per saldo sprake is van een netto daling van stikstofdepositie. Hiervoor is een voortoets en passende beoordeling opgesteld (bijlage 20).

Als gevolg van het inrichten en gebruiken van het projectgebied als kazerne zal het huidige agrarische gebruik, inclusief de daarbij horende emissies, stoppen. Door deze afname in te zetten als mitigerende maatregel (interne saldering) zal er sprake zijn van een netto afname op een groot aantal Natura 2000-gebieden. Op basis van beschikbare openbare bronnen is niet gebleken dat er plannen bestaan de saldogevers voor de interne saldering in te zetten voor maatregelen om verslechtering te voorkomen of om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. In de groenblauwe gebiedsgerichte aanpak (GGA) voor de Brabantse Wal is nog geen enkele referentie naar de saldogevers voor de kazerne of enig ander gebied in de omgeving daarvan gevonden. Ook in bredere zin richten de plannen van de provincie Noord-Brabant om oplossingen te zoeken voor de te grote stikstofdepositie zich vooral op de gebieden binnen veel kleinere afstanden (ordegrootte 500-1000m) rondom de Natura 2000-gebieden dan de ongeveer 6 kilometer waarop de saldogevers zich bevinden. De saldogevers zijn daarmee additioneel en kunnen ingezet worden voor de passende beoordeling in de planfase.

Door de inzet van Zero-emission materieel in de aanlegfase en interne saldering in de gebruiksfase worden negatieve effecten op Natura 2000-gebieden voorkomen. Het plan leidt daarom niet tot significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden in zowel Nederland als Vlaanderen.

Biodiversiteit

Het project brengt een functiewijziging met zich mee van intensief agrarisch gebruik naar een meer gevarieerde inrichting. Hierdoor ontstaat ruimte voor een grotere variatie aan natuur, zoals groenstructuren, overgangen tussen bebouwing en landschap en ecologisch ingerichte zones.

Deze variatie draagt bij aan de versterking van de lokale biodiversiteit. Door een zorgvuldige landschappelijke en ecologische inrichting kan het plangebied zich ontwikkelen tot een omgeving met meer structurele diversiteit en betere voorwaarden voor verschillende plant- en diersoorten dan in de huidige agrarische situatie.

Ook de herinrichting van de Molenbeek draagt hieraan bij door een ecologische verbindingszone met stapstenen te realiseren, zodat planten en dieren zich vrij kunnen verplaatsen.

Houtopstanden

Als gevolg van het project neemt het aantal houtopstanden toe. Dit komt onder andere door de aanplant van nieuwe bomen en de ontwikkeling van landschappelijke structuren binnen en rondom het plangebied.

De toename van houtopstanden draagt bij aan de landschappelijke inpassing van de kazerne, biedt leefgebied voor verschillende soorten en versterkt de groenstructuur in het gebied. Daarnaast leveren houtopstanden een bijdrage aan ecologische verbindingen en de beleving van het landschap.

Conclusie

De natuuronderzoeken laten zien dat het project zowel negatieve als positieve effecten op natuurwaarden heeft. Met name effecten op soortenbescherming en het Natuurnetwerk Nederland vragen om passende maatregelen (zie hiervoor bijlage A). Tegelijkertijd zorgt de functiewijziging van agrarisch naar militair terrein en groen ingericht terrein voor kansen op het gebied van biodiversiteit, houtopstanden en een afname van stikstofdepositie. Voor wat betreft het aspect ‘natuur’ zijn de te nemen maatregelen geborgd in bijlage A en geborgd in bijlage B.

6.2.8 Water

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor water. Het onderzoek Water (zie bijlage 21) geeft een overzicht van hoe het watersysteem in en rondom het plangebied is opgebouwd en functioneert en kan worden beschouwd als de ‘Weging van het waterbelang’. Het beschrijft de kenmerken van het gebied, zoals de bodemopbouw, hoogteverschillen, grondwaterstanden en de ligging van watergangen zoals de Molenbeek. Ook komen aspecten aan bod als waterkwaliteit, waterberging, afvoer van hemelwater en de aanwezige riolering. Dit is relevant omdat het watersysteem bepaalt hoe neerslag wordt vastgehouden, geïnfiltreerd en afgevoerd, en welke effecten verharding, infiltratie en lokale berging hebben op droogte en wateroverlast. Daarbij wordt meegenomen welke eisen en uitgangspunten gelden vanuit het waterschap, de provincie (verordening) en de gemeente voor riolering, waterkwaliteit, klimaatadaptatie en het voorkomen van versnelde afvoer, zodat een robuuste en toekomstbestendige inrichting van het gebied kan worden uitgewerkt. In juli 2026 heeft afstemming met Waterschap Brabantse Delta plaatsgevonden over de effecten van de nieuwe kazerne op het watersysteem.

Grondwaterhuishouding

Het project heeft een positief effect op de grondwaterhuishouding. De toename van verhard oppervlak leidt tot een versnelde afvoer van hemelwater, maar dit wordt gecompenseerd door het vasthouden en infiltreren van water in waterbergingsvoorzieningen, zoals wadi’s. Hierdoor neemt de grondwateraanvulling toe en de vochthuishouding in de bodem verbetert. Door de toepassing van deze infiltrerende voorzieningen neemt de infiltratie toe, waardoor de grondwaterhuishouding verbetert ten opzichte van de huidige situatie met landbouwgrond en afwaterende sloten. Met het aanleggen van bergings- en infiltratievoorzieningen wordt invulling gegeven aan het Handelingsperspectief water en bodem sturend en het Water- en Rioleringsprogramma Roosendaal.

Grondwaterkwaliteit

Het project heeft een positief effect op de grondwaterkwaliteit. Door de afname van landbouwgrond, waar mogelijk kunstmest en/of pesticiden worden toegepast, zal de grondwaterkwaliteit op de lange termijn verbeteren. De aanwezige oude boomgaard binnen het plangebied kan een risico vormen wegens verontreiniging (Eventueel ‘verontreinigd’ dempingsmateriaal in sloten en bodemverontreiniging door de boomgaard of groentekwekerij); nader onderzoek moet hier meer inzicht in geven. Indien sprake blijkt van een verontreiniging, zal deze moeten worden verwijderd.

De nieuwe bedrijvigheid kan mogelijk stoffen in het milieu introduceren die van nature niet voorkomen. Waar nodig worden olieafscheiders toegepast om te voorkomen dat verontreinigd hemelwater in bovengrondse waterbergingsvoorzieningen terechtkomt. Vanuit deze voorzieningen, zoals wadi’s, vindt infiltratie plaats. De bodempassage in wadi’s heeft een filterende werking, waardoor schoon water infiltreert naar het grondwater. Hiermee wordt invulling gegeven aan het voorkomen van achteruitgang van de grondwaterkwaliteit zoals opgenomen in de Waterschapsverordening (artikel 1.14).

Oppervlaktewaterkwantiteit

Het project heeft een positief effect op de oppervlaktewaterkwantiteit. Dit effect wordt verklaard door het langer vasthouden en infiltreren van hemelwater en het dempen van afvoersloten (Figuur 6‑7). Door het vertragen van de waterafvoer vanuit het plangebied naar het oppervlaktewater nemen de piekafvoeren af.

Figuur 6‑7 Wateroppervlakte en gedempte watergangen in het plangebied.

Het oranje gebied in Figuur 6‑7 geeft het gebied aan waar het Waterschap Brabantse Delta voornemens is een robuust beekdal te realiseren. Het is daarom van belang dat de overgang tussen de functionele zones en het beekdal op een realistische wijze wordt ingedeeld, zodat de effectiviteit van het waterrobuuste dal van de Molenbeek behouden blijft. Aansluitend op het ‘Handelingsperspectief water en bodem sturend’ is het wenselijk om nabij de Molenbeek voldoende ruimte te reserveren om in natte perioden afvoerpieken op te kunnen vangen.

Watercompensatie

Voor het plangebied van circa 94,5 hectare geldt op basis van de waterschapsverordening en het Water- en Rioleringsprogramma een waterbergingseis van 60 mm, die in de toekomst wordt aangescherpt naar 100 mm. Uitgangspunt is dat hemelwater zoveel mogelijk bovengronds wordt vastgehouden en geïnfiltreerd, bij voorkeur via wadi’s. In de toekomstige situatie neemt het verharde oppervlak toe van 0,8 hectare naar circa 31,1 hectare (zie Tabel 6‑3).

Tabel 6‑3. Overzicht van verharde en onverharde oppervlaktes voor het huidige- en toekomstige scenario.

Oppervlaktes (ha)

Huidig

Toekomstig

Verhard terrein en daken

0,8

31,1

Onverhard terrein

93,0

62,1

Water

0,7

0,8

Totaal

94,5

94,5

De hoogste verhardingspercentages (zie Figuur 6‑8) bevinden zich in de gebieden voor logistiek, het Kazernehart en Oefenen & Trainen. Het omliggende onverharde terrein biedt voldoende ruimte om afstromend hemelwater op te vangen.

Figuur 6‑8 Verhardingskaart in % van het plangebied.

Op basis van de toekomstige inrichting bedraagt de benodigde waterbergingsopgave circa 30.066 m³ (zie Tabel 6‑4). Bij realisatie in wadi’s met een gemiddelde bergingsdiepte van 0,25 meter is hiervoor ongeveer 12 hectare benodigd. Deze opgave past ruimschoots binnen de circa 62,1 hectare beschikbare onverharde oppervlakte. De definitieve uitwerking van de waterberging wordt in een vervolgfase nader bepaald.

Tabel 6‑4. Overzicht van de nodige compensatie op basis van verhard oppervlakte van het toekomstige scenario en wadi oppervlakte bij twee verschillende dieptes.

Berging in m3

(boven GHG)

Berging (m3)

Wadi oppervlakte bij 0,25m diepte (m2)

Wadi oppervlakte bij 0,50m diepte (m2)

Bovengronds

30.066

120.262

60.131

Voor de compensatie van oppervlaktewater als gevolg van een toename van verhard oppervlak en het dempen van watergangen geldt dat bij de uitwerking van het plan rekening moet worden gehouden met de regels uit de Waterschapsverordening. Bij het aanvragen van de vergunningen dient hieraan te worden voldaan.

Oppervlaktewaterkwaliteit

Het project heeft een positief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit. Door de afname van landbouwgrond, waar mogelijk kunstmest en/of pesticiden worden gebruikt, zal de aanvoer van nutriënten afnemen. Dit draagt positief bij aan het behalen van de GEP-doelstellingen.

Waterschap Brabantse Delta werkt aan plannen om de Molenbeek waterrobuust te maken. In het project zijn vier doelen geformuleerd:

  • Herstel van het natuurlijk systeem door meer water bergen en vasthouden;

  • De waterkwaliteit verbeteren (schoon en gezond water), zodat een goed leefgebied voor planten en dieren die in de beek thuishoren ontstaat (KRW-opgave);

  • Een ecologische verbindingszone met stapstenen realiseren, zodat planten en dieren zich vrij kunnen verplaatsen;

  • Wateroverlast in het stedelijk gebied (Roosendaal) niet verergeren.

De werkzaamheden voor het verleggen van de Molenbeek worden tegelijk met de realisatie van de kazerne uitgevoerd. Door de nieuwe inrichting van de Molenbeek verbetert de waterkwaliteit. Hiermee wordt invulling gegeven aan het voorkomen van achteruitgang van de oppervlaktewaterkwaliteit zoals vastgelegd in de Waterschapsverordening (artikel 1.14). Hoewel maatregelen gericht zijn op het vasthouden en vertraagd afvoeren van water, kunnen ontwikkelingen en mogelijke ophogingen nabij de Molenbeek het bergend vermogen en de mogelijkheden voor een waterrobuuste inrichting lokaal beperken. Tegelijkertijd kunnen activiteiten in de nabijheid van de Molenbeek risico’s vormen voor de waterkwaliteit. Het is daarom belangrijk om de grens tussen de functionele zones en het beekdal op een realistische manier in te delen, zodat de effectiviteit van het waterrobuuste dal van de Molenbeek gewaarborgd blijft. Het is wenselijk om nabij de Molenbeek voldoende ruimte te houden om in natte tijden afvoerpieken op te vangen.

Conclusie

Het project leidt tot een verbetering van zowel de grond‑ als oppervlaktewaterhuishouding ten opzichte van de huidige situatie. Door de integratie van waterbergende en infiltrerende maatregelen wordt versnelde afvoer voorkomen en wordt het watersysteem minder belast. Hiermee sluit het project aan bij de beleidsuitgangspunten van het waterschap, de provincie en de gemeente, waaronder het Handelingsperspectief water en bodem sturend van Waterschap Brabantse Delta en het Water‑ en Rioleringsprogramma van de gemeente Roosendaal. Voor wat betreft het aspect ‘water’ zijn de te nemen maatregelen opgenomen in bijlage A. De maximale toekomstige oppervlakte aan verharding is geborgd in bijlage B.

6.2.9 Bodem

Er is een vooronderzoek land- en waterbodem uitgevoerd op de beoogde locatie van de nieuwe kazerne (zie bijlage 22). Daarnaast heeft er deelonderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 23).

Met het vooronderzoek land- en waterbodem is beoordeeld of de bodemkwaliteit op basis van openbare bronnen voldoende en actueel is vastgelegd en is inzicht verkregen in de locaties die ten gevolge van een (historische) activiteit (potentieel) verontreinigd zijn of kunnen zijn.

De huidige informatie geeft geen actueel beeld van de milieuhygiënische land- en waterbodemkwaliteit. Op de onderzoekslocatie is geen recent locatie dekkend onderzoek uitgevoerd en er zijn meerdere (potentiële) bronnen voor bodemverontreiniging aanwezig. Dit betreffen:

  • Het historische gebruik voor de land- en tuinbouw. In de land- en waterbodem kunnen verhoogde concentraties met bestrijdingsmiddelen (OCB) en zware metalen door (kunst)mest aanwezig zijn.

  • De aanwezige gedempte sloten, dammetjes, erven, paden en wegen. Deze locaties zijn bij aanwezigheid van bodemvreemde materialen verdacht voor lokale bodembelasting met zware metalen, PAK, minerale olie en asbest (asbest bij ongedefinieerd gemengd bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat van voor 2005).

  • Een mogelijk aanwezige brandstoftank (en/of met toebehoren zoals een vul- en ontluchtingspunt) op het terrein aan de Oude Turfvaartsestraat 47. Indien de brandstoftank (en/of toebehoren) aanwezig is, is sprake van een verdachte situatie met een lokale bodembelasting met minerale olie in de grond en het grondwater.

  • Het wegverkeer langs de Antwerpseweg. In de waterbodem (slib en vaste deel) van de watergangen langs de weg (OVK03900 en OVK03704) kunnen verhoogde concentraties aan minerale olie en PAK voorkomen.

  • De opslag van materialen op het achterterrein van de bedrijfslocatie gelegen aan de Heijbeeksestraat 3A. Op basis van luchtfoto’s is te zien dat er vlak langs de beek ‘Molenbeek’ materialen zijn opgeslagen. Het is onbekend welke materialen onder welke condities hier worden opgeslagen en of er sprake is (geweest) van lekkage(s) en daarmee risico op verontreiniging naar de beek en de aangrenzende onderzoekslocatie.

Ten behoeve van de realisatie van het project moet bij de verdere uitwerking verkennend bodemonderzoek NEN5740 en verkennend waterbodemonderzoek NEN5720 uitgevoerd worden. Dit is benodigd om inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de land- en waterbodem. Daarmee dient de omvang en eventuele noodzaak van saneringswerkzaamheden te worden bepaald. De gronden kunnen daarmee geschikt worden gemaakt voor de toekomstige belangrijke verblijfsfunctie van de kazerne. Voor eventuele saneringsmaatregelen zijn financiële middelen beschikbaar. Aan deze belangrijke verblijfsfunctie worden eisen aan de kwaliteit van de bodem gesteld ter voorkoming van gezondheidsproblemen.

Oorlogsresten

Ten aanzien van het onderdeel oorlogsresten is een Nota van Toelichting inzake de maximale diepteligging van ontplofbare oorlogsresten opgesteld (bijlage 24). Het onderzoek heeft betrekking op het gebied tussen de Antwerpseweg/Oude Turfvaartstraat – Heijbeekstraat – Kerkweg te Roosendaal, dat op basis van eerder historisch onderzoek volledig als verdacht is aangemerkt.

Figuur 6‑9 Het onderzoeksgebied met daarop de verdachte gebieden weergegeven. (Saricon, 2024)

Uit het onderzoek volgt dat binnen het plangebied rekening moet worden gehouden met meerdere typen ontplofbare oorlogsresten (zie Figuur 6‑9). Voor verschoten geschutmunitie geldt een maximale diepteligging tot circa 2,0 meter onder het toenmalige maaiveld. Voor gedumpte munitie wordt uitgegaan van een maximale diepteligging tot circa 1,5 meter onder het toenmalige maaiveld. Voor afwerpmunitie (Britse vliegtuigbom van 500 lb) is, op basis van een worstcasescenario volgens de Saricon‑methode, een maximale indringingsdiepte vastgesteld van circa 4,9 meter.

Bij voorgenomen graaf- of grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied is het noodzakelijk de behandelde uitgangspunten te hanteren en – indien relevant – een nader onderzoek uit te voeren. Dit is opgenomen in bijlage A van dit projectbesluit.

Conclusie

De gronden kunnen geschikt worden gemaakt voor de toekomstige functie van de kazerne. Ten behoeve van de realisatie van het project moet bij de verdere uitwerking verkennend bodemonderzoek NEN5740 en verkennend waterbodemonderzoek NEN5720 uitgevoerd worden, waaruit een eventuele noodzaak voor sanering moet blijken. Voor wat betreft het aspect ‘bodem’ zijn de te nemen maatregelen geborgd in bijlage A.

6.2.10 Landschap, Cultuurhistorie en Archeologie

In het kader van landschap, archeologie en cultuurhistorie is een deelonderzoek ‘Landschap, cultuurhistorie en archeologie’ opgesteld (zie bijlage 25).

Landschap

Uit het deelonderzoek voor de ontwikkeling van de kazerne voor KCT Roosendaal blijkt dat de ontwikkeling aanzienlijke negatieve effecten heeft op het landschap. Hedendaags bevat het plangebied en haar omgeving veel historische kenmerken in het landschap. Deze kenmerken zullen grotendeels uit het landschap verdwijnen bij de ontwikkeling van de kazerne.

Oorspronkelijk bestond het plangebied uit natte gronden waar hoogveen zich kon ontwikkelen. In de middeleeuwen is het gebied ontwaterd en gebruikt voor turfwinning, wat leidde tot verdroging en een overgang naar heidevegetatie. Op de grens van het beekdal van de Molenbeek en de heide vestigde later boerderij de Heijbeek. Vanaf de twintigste eeuw is de heide ontgonnen en ingericht voor landbouw. Daarnaast kent het gebied een militaire geschiedenis. In de omgeving van Nispen is in de Tweede Wereldoorlog gevochten in het kader van de bevrijding van Roosendaal. In de landschappelijke inpassing is daarom waar mogelijk aangesloten op de ontwikkelingsgeschiedenis en is deze hier en daar nog zichtbaar in het huidige landschap, onder andere in houtwallen, sloten, de open landschapsstructuur aan de oostzijde, de meer besloten structuur aan de westzijde, de verkavelingspatronen en historische bebouwing die in oorspronkelijke staat aanwezig is.

De beschreven landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken worden als gevolg van meerdere ingrepen binnen het plangebied aangetast. Deze aantasting hangt samen met de invulling en het gebruik van het terrein, waarvan de plaatsing van een hekwerk rondom het terrein een onderdeel is. Door deze invulling en het gebruik wordt het gebied zowel fysiek als visueel meer afgescheiden van de omgeving, waardoor de landschappelijke en cultuurhistorische samenhang afneemt. De elementen die binnen het plangebied behouden blijven, zijn daardoor minder goed herkenbaar als onderdeel van het oorspronkelijke landschap.

Om deze effecten te mitigeren wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit wordt bij de vaststelling van dit projectbesluit toegevoegd en gekoppeld aan de regels in bijlage B.

Cultuurhistorie

In het plangebied zijn geen aangewezen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel is boerderij de Heijbeek en haar percelen van zo groot cultuurhistorisch en landschappelijk belang dat deze als cultuurhistorisch waardevol beschouwd wordt in de beoordeling. De boerderij ligt in het westelijk deel van het plangebied, bij de Molenbeek/Kleine Aa, en vormt daar samen met de omliggende percelen een herkenbaar onderdeel van het historische hoevenlandschap. Als gevolg van de ontwikkeling verdwijnen zowel de boerderij als de bijbehorende gronden. Daarmee gaat niet alleen een waardevol gebouw verloren, maar ook een belangrijk deel van de landschappelijke en cultuurhistorische samenhang van dit deel van het plangebied.

In de nabije omgeving zijn er wel gebieden met aangewezen cultuurhistorische waarde en belangen. Dit gaat om historische houtwallen, bos, lanenstructuren en beplanting. Het coulisselandschap moet bewaard worden. De houtwallen en zichtlijnen die tegen het projectgebied aanliggen kunnen niet goed in hun landschappelijke context ervaren worden door de afscherming van het projectgebied, waar dit eerst een open gebied betrof.

Door het slopen van boerderij de Heijbeek en het beperken van de ervaring van de omliggende cultuurhistorische plekken is er sprake van een negatieve impact op cultuurhistorische waarden. Bij de vaststelling van dit projectbesluit wordt een landschappelijk inpassingsplan toegevoegd waarin maatregelen voor het mitigeren van de negatieve effecten worden onderzocht.

Archeologie

Voor het aspect archeologie heeft de gemeente Roosendaal een notitie (12 oktober 2022) opgesteld (zie bijlage 26). Het projectgebied ten oosten van de N262 in Roosendaal bevindt zich grotendeels in een gebied met een lage archeologische trefkans, volgens de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Historisch gezien was het gebied bedekt met veen, dat vanaf de 13e eeuw grootschalig is afgegraven voor turfwinning, waardoor archeologische sporen uit de steentijd waarschijnlijk verloren zijn gegaan. De grond werd nadien vooral gebruikt als heide, gras- en hooiland, met alleen aan de randzones sporadische bewoning. Uitzondering vormt de boerderij in de zuidwestelijke punt bij de Heibeek (zie Figuur 6‑10), waar al vroeg landbouw mogelijk was en waar een middelhoge archeologische trefkans geldt. Hier is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm. In de rest van het zoekgebied geldt geen onderzoeksplicht.

Figuur 6‑10 Middelhoge archeologische trefkans plangebied (gemeente Roosendaal 2022)

Conclusie

Door de invulling en het gebruik van het kazerneterrein wordt het gebied zowel fysiek als visueel meer afgescheiden van de omgeving, waardoor de landschappelijke en cultuurhistorische samenhang afneemt. De elementen die binnen het plangebied behouden blijven, zijn daardoor minder goed herkenbaar als onderdeel van het oorspronkelijke landschap. Bij de vaststelling van dit projectbesluit wordt een landschappelijk inrichtingsplan toegevoegd. Voor het aspect ‘Landschap, Cultuurhistorie en Archeologie’ zijn de te nemen maatregelen opgenomen in bijlage A.

6.2.11 Ruimtelijke kwaliteit

In het kader van de ruimtelijke kwaliteit is een onderzoek opgesteld. Het onderzoek Ruimtelijke kwaliteit brengt in beeld hoe de ontwikkeling van de kazerne de beleving van het landschap verandert, met name gelet op het effect op de openheid en gebruiksfuncties van het gebied. Daarbij wordt onderzocht hoe het nieuwe militaire terrein effect heeft op de beleving en samenhang van de omgeving. Dit is relevant omdat de kazerne een ingrijpende ruimtelijke transformatie omvat en een zorgvuldige landschappelijke inpassing noodzakelijk is om negatieve effecten op woonkwaliteit en beleving zoveel mogelijk te beperken (zie bijlage 27).

Het plangebied bestaat in de huidige situatie hoofdzakelijk uit agrarische percelen, gekenmerkt door openheid, lange zichtlijnen en een duidelijk en rechtlijnige verkavelingsstructuur. In het westelijke deel vormt het beekdal van de Kleine Aa een meer besloten landschap met houtwallen en kleinere percelen, wat een sterk contrasterend landschapstype oplevert ten opzichte van de open percelen richting het oosten. Deze landschappelijke en cultuurhistorische structuren zijn duidelijk zichtbaar en vormen een essentieel onderdeel van de beleving van het gebied. De visuele relaties binnen het gebied zijn volledig intact: het is mogelijk om vanaf de randen van het plangebied diep het open landschap in te kijken, terwijl de meer besloten zones langs de beek een geleidelijke overgang vormen naar het omringende groen. Deze elementen vormen de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

De ontwikkeling van de kazerne betekent een transformatie van het projectgebied. Een open, agrarisch en grotendeels doorwaadbaar landschap verandert in een militair complex met een herkenbare functionele indeling en een aaneengesloten groene perimeter van hekwerk, bosschages en bomenrijen. De ontwikkeling van de kazerne resulteert daarmee in een duidelijk en onomkeerbaar gewijzigd landschapsbeeld, waarbij openheid en landschappelijke leesbaarheid verdwijnen . De ruimtelijke impact ontstaat vooral door de bebouwing en de gesloten perimeter, niet door de positie van de toegang. Hoewel de groene perimeter het zicht vanaf de omgeving dempt, versterkt interne verdichting het beeld van een grootschalig en gesloten terrein. De huidige interne openheid van het gebied neemt af en de hogere bebouwingsdichtheid vergroot de visuele massa van het complex.Door mitigerende maatregelen, zoals zorgvuldige landschappelijke overgangszones, groene integratie van de perimeter en behoud of terugbrengen van landschappelijke structuren waar mogelijk, kan de impact worden verzacht. De totale ruimtelijke verandering, te weten het verdwijnen van openheid en lange zichtlijnen,blijft echter substantieel en vraagt om zorgvuldige ontwerp- en inpassingskeuzes gedurende de verdere uitwerking van het plan.

Conclusie

De kazerne zorgt voor een onomkeerbare landschapsverandering: openheid en historische kenmerken verdwijnen ten gunste van een gesloten militair terrein. Mitigerende maatregelen als genoemd in onderdeel A verzachten de impact, maar de ruimtelijke verandering blijft groot. De nieuwe ruimtelijke structuur definieert de relatie tussen het terrein en de omgeving en vormt daarmee de belangrijkste drager van het ruimtelijk effect. Het verdwijnen van openheid en lange zichtlijnen is een structurele en niet te vermijden consequentie van de inpassing van de kazerne. Bij de vaststelling van dit projectbesluit wordt een landschappelijk inrichtingsplan toegevoegd. Voor wat betreft het aspect ‘ruimtelijke kwaliteit’ zijn de te nemen maatregelen opgenomen in bijlage A en geborgd in bijlage B.

6.2.12 Energie

In het kader van het aspect ‘Energie’ is onderzoek uitgevoerd naar de energieaspecten van het plan, waaronder energieneutraliteit, de impact op het elektriciteitsnet en de mogelijkheden voor toepassing van bodemenergie (zie bijlage 28 en bijlage 29).

Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het project goede mogelijkheden biedt om de energievoorziening duurzaam en toekomstbestendig in te richten. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar voor de opwekking van duurzame energie, onder andere door de inzet van dakgebonden installaties en aanvullende voorzieningen op maaiveldniveau. Hierdoor kan op jaarbasis een groot deel van de energievraag lokaal worden opgewekt en gecompenseerd, passend binnen zowel reguliere als verhoogde duurzaamheidsambities.

De gekozen energieopzet sluit aan bij de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Programma Energiehoofdstructuur, waarin wordt gestuurd op een robuust energiesysteem en het zoveel mogelijk lokaal organiseren van duurzame energieopwekking. De ontwikkeling draagt bij aan een efficiënte en duurzame energievoorziening en ondersteunt de bredere doelstellingen van de energietransitie.

Netimpact

De impact van het project op het elektriciteitsnet is beperkt en beheersbaar. Door de combinatie van lokale duurzame energieopwekking en een hoog aandeel direct eigen gebruik blijft de belasting van het elektriciteitsnet beperkt.. Bij verdere verduurzaming en elektrificatie kan de teruglevering toenemen, maar deze kan met passende technische en organisatorische maatregelen worden gemitigeerd. Daarmee past het project binnen de beleidsdoelstellingen gericht op een doelmatige benutting van netcapaciteit, zoals verwoord in de NOVI en de Visie Duurzame Energie van de gemeente Roosendaal.

Uit de energiepotentiescan (bijlage 29) blijkt dat naar verwachting een vermogen tussen de 6,1 en 8,7 MVA benodigd is voor de kazerne. Netbeheerder Enexis heeft aangegeven dat een aansluiting tot 6 MVA beschikbaar is vanuit een nabijgelegen verdeelstation. Voor een grotere aansluiting moet naar een verdeelstation aan de noordkant van Roosendaal uitgeweken worden. Dit vraagt om nadere afstemming met de netbeheerder in de verdere uitwerking van het project. Start van de bouw van het kazerneterrein (bouwrijp maken) staat gepland voor 2031 en men verwacht de kazerne in 2037 in gebruik te gaan nemen. Het probleem van netcongestie zou tegen die tijd opgelost moeten zijn en geen belemmering vormen voor de energievoorziening van de kazerne.

Mogelijkheden voor bodemenergie (WKO)

De toepassing van bodemenergie in de vorm van warmte‑koudeopslag (WKO) is technisch goed mogelijk binnen het projectgebied. De bodemopbouw is geschikt en de ruimtelijke inrichting biedt voldoende ruimte voor het realiseren van de benodigde bronnen en installaties. Hiermee kan structureel worden bijgedragen aan een verlaging van de energievraag en het piekvermogen.

De inzet van WKO sluit aan bij regionale en provinciale beleidskaders, waaronder de RES West‑Brabant en de Uitvoeringsagenda Energie Noord‑Brabant 2024‑2027, waarin duurzame warmte‑ en koudeoplossingen worden gestimuleerd. De toepassing van bodemenergie versterkt de robuustheid en duurzaamheid van de energie‑infrastructuur van het project.

Conclusie

Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om de energievraag lokaal op te wekken met zonnepanelen en is de ondergrond geschikt voor het toepassen van een WKO-systeem. Gezien een vermogen groter dan 6 MVA benodigd is moet voor de aansluiting worden uitgeweken naar het verdeelstation aan de noordkant van Roosendaal.Gezien de verwachte ingebruikname van de kazerne pas in 2037 plaatsvindt en de inspanningen van de netbeheerders om netcongestie de komende jaren te verhelpen vormt dit geen belemmering voor de kazerne. Voor wat betreft het aspect ‘energie’ worden de te nemen maatregelen in een later stadium opgenomen in bijlage A.

6.2.13 Klimaatadaptatie

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor Klimaatadaptatie. Klimaatverandering leidt tot veranderende weerspatronen en een toename van klimaatextremen, zoals hevige neerslag, droogte en hittegolven. Dit vraagt om aanpassingen in de inrichting en het gebruik van terreinen, zodat deze bestand zijn tegen de effecten van het veranderende klimaat. In het kader van het project is beoordeeld in hoeverre wordt voldaan aan de eisen voor klimaatadaptatie (zie hoofdstuk 2 in het deelonderzoek Klimaatadaptatie), met name ten aanzien van wateroverlast, droogte en hittestress. Uit het onderzoek blijkt dat het project, door de toename van verhard oppervlak, extra druk legt op het watersysteem en daarmee aanvullende aandacht vraagt in de verdere planuitwerking. De behoefte aan waterberging en -compensatie neemt toe, terwijl de beschikbare ruimte voor bovengrondse maatregelen juist beperkter wordt (zie bijlage 30).

De ruimtelijke inrichting van het project is gericht op het vasthouden en infiltreren van hemelwater binnen het plangebied. Door het toepassen van waterbergende en infiltrerende maatregelen en het realiseren van een samenhangende groenblauwe structuur wordt bijgedragen aan een robuuste waterhuishouding. Deze inrichting ondersteunt de ambitie van Defensie om het gebied klimaatbestendig en waterrobuust te ontwikkelen.

Daarnaast moet het ontwerp in een vervolgfase worden getoetst middels een klimaatstresstest, waarbij de effecten van extreme neerslag, langdurige regen en droogte inzichtelijk worden gemaakt en het functioneren van het gebied onder deze omstandigheden wordt beoordeeld. Ook de inrichting van het maaiveld, inclusief hoogteligging en afstromingsroutes, dient hierbij te worden betrokken zodat wateroverlast bij gebouwen en infrastructuur wordt voorkomen.

Om te kunnen voldoen aan de geldende eisen en beleidskaders voor klimaatadaptatie worden in een latere ontwerpfase concrete mitigerende maatregelen worden uitgewerkt en geborgd. In bijlage A van dit projectbesluit zijn de benodigde maatregelen opgenomen.

Waterveiligheid

Het project heeft geen nadelige gevolgen voor de waterveiligheid. De voorgenomen ontwikkelingen vinden niet plaats binnen de beschermingszones van waterkeringen, waardoor het bestaande beschermingsniveau van waterkeringen ongewijzigd blijft. Het plangebied ligt bovendien buiten overstromingsgevoelig gebied, waardoor aanvullende maatregelen ter voorkoming van overstromingsrisico’s niet noodzakelijk zijn. Daarnaast ligt het plangebied hoger dan de directe omgeving, waardoor bij extreme neerslag of waterstanden verwacht wordt dat eventueel overtollig water kan afstromen via het beekdal en de Molenbeek.

Wateroverlast

Het project is gericht op het beperken van wateroverlast door het vasthouden en infiltreren van hemelwater binnen het plangebied. De toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het toepassen van waterbergings- en infiltratievoorzieningen, zoals wadi’s en de groenblauwe structuur. Hierdoor wordt versnelde afvoer voorkomen en wordt regenwater vertraagd afgevoerd en in de bodem geïnfiltreerd. Dit draagt bij aan een verbetering van de infiltratie en de grondwaterhuishouding ten opzichte van de huidige situatie met landbouwgrond en afwaterende sloten. Met deze maatregelen wordt invulling gegeven aan het ‘Handelingsperspectief water en bodem sturend’ en het ‘Water- en Rioleringsprogramma Roosendaal’.

In de huidige situatie kan met name in het westelijke deel van het plangebied, ter hoogte van de aansluiting op de Oude Turfvaartsestraat, wateroverlast optreden. Binnen het terrein kan daarbij sprake zijn van water-op-straat of op het maaiveld. Het project voorziet daarom in een inrichting van het maaiveld die waterberging en infiltratie mogelijk maakt, zodat schade aan vastgoed wordt voorkomen, conform de ‘Eisen Vastgoed binnen CCV’. Door de herinrichting van het projectgebied kan het maaiveld zorgvuldig worden vormgegeven, waarbij nadrukkelijk aandacht wordt besteed aan de bescherming van het vastgoed en het beperken van wateroverlast. Bij de herinrichting wordt rekening gehouden met bestaande percelen en gebouwen om afwenteling te voorkomen. Bij de uitwerking van de nieuwbouwplannen zal rekening worden gehouden met de eisen en uitgangspunten van het rioleringsprogramma van de gemeente.

Droogte

Het project draagt bij aan het beperken van verdroging door de focus op het vasthouden en het vertraagd afvoeren van hemelwater. Door het toepassen van infiltrerende voorzieningen wordt de infiltratiecapaciteit vergroot en verbetert de grondwaterhuishouding ten opzichte van de referentiesituatie met landbouwgrond en afwaterende sloten. De aanleg van waterbergings- en infiltratievoorzieningen sluit aan bij het ‘Handelingsperspectief water en bodem sturend’ en het ‘Water- en Rioleringsprogramma Roosendaal’. Bij de verdere uitwerking van de groenblauwe hoofdstructuur wordt gekozen voor beplanting die past bij het landschapstype en die zowel infiltratie als de noodzakelijke afscherming ondersteunt. In het ontwerp wordt daarnaast rekening gehouden met het aanwezige middelhoge risico op natuurbrandgevoeligheid in en rondom het plangebied. Dit kan worden geborgd door onder andere voldoende afstand te houden tussen bomen en gebouwen en door het toepassen van minder brandgevoelige plantensoorten. Deze aspecten worden in een volgende ontwerpfase, ten behoeve van het aanvragen van vergunningen, nader uitgewerkt.

Hittestress

Doelstelling van het project is om hittestress zo veel mogelijk te beperken. In de ontwerpuitgangspunten wordt daarom uitgegaan van een prettig microklimaat voor de buitenruimte, met aandacht voor groen, schaduw en koeling. De groene centrale as van noord naar zuid vormt hierbij een belangrijke schaduwrijke verblijfszone voor voetgangers en fietsers. De groenblauwe hoofdstructuur biedt aanvullende mogelijkheden voor natuurlijke verkoeling door middel van bomen en andere groene elementen. Op locaties waar het planten van bomen niet mogelijk is, zoals bij sportvelden, wordt in de verdere uitwerking voorzien in alternatieve maatregelen om schaduw en verkoeling te realiseren. Ook in het ontwerp van de gebouwen wordt rekening gehouden met maatregelen om hittestress te beperken.

Ten aanzien van hittestress geldt dat nadere analyse noodzakelijk is in de ontwerpfase, omdat de uiteindelijke inrichting, materiaalkeuze en mate van verharding bepalend zijn voor het lokale warmte-effect. Het treffen van maatregelen, zoals vergroening, schaduwwerking en materiaalkeuze, dient daarbij integraal onderdeel te zijn van het ontwerp.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het project alleen kan voldoen aan de eisen voor klimaatadaptatie indien wordt voldaan aan de beschreven mitigerende maatregelen zoals beschreven in 6.2.8 ‘Water’ (en daarmee bijlage A). Op grond van de Waterschapsverordening moet tevens aan deze eisen worden voldaan. Het vertalen van deze maatregelen naar bijlage B is derhalve niet noodzakelijk. Daarnaast is het noodzakelijk te kunnen voldoen aan de geldende eisen en beleidskaders voor klimaatadaptatie dat in een latere ontwerpfase concrete mitigerende maatregelen worden uitgewerkt en geborgd.

6.2.14 Lichthinder

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het KCT in Roosendaal, kan mogelijke gevolgen hebben voor lichthinder’. Hiervoor is onderzoek gedaan naar de verschillende aspecten binnen dit onderwerp (zie bijlage 31). Het onderzoek Lichthinder brengt in beeld hoe de ontwikkeling van de kazerne invloed heeft op de donkerte, de zichtbaarheid van lichtbronnen en de effecten daarvan op natuurwaarden en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij wordt gekeken naar terreinverlichting, gevel- en functionele verlichting, sportveldverlichting en lichtbewegingen door verkeer op nieuwe ontsluitingsroutes, en hoe deze zich verhouden tot de huidige donkerte van het gebied. Dit is relevant omdat het plangebied en de directe omgeving nu tot de donkerste delen van de regio behoren en ecologische structuren, natuurgebieden en woningen gevoelig zijn voor veranderingen in lichtuitstraling. Nieuwe verlichting binnen het militair terrein en langs ontsluitingswegen kan de nachtelijke beleving, leefkwaliteit en ecologische donkerte aantasten. Zorgvuldige inpassing van verlichting, het voorkomen van onveiligheid en onnodige lichtemissie zijn daarom essentieel om hinder te beperken en negatieve effecten op natuur, landschap en woonkwaliteit te voorkomen.

Ruimtelijke opzet en ontsluiting i.r.t. lichthinder

Het project is zodanig ingericht dat de verblijfsvoorzieningen, kantoren en logistieke voorzieningen zijn gesitueerd aan de noordzijde van het terrein. Het zuidelijk deel van het terrein is bestemd voor oefen- en trainingsactiviteiten. Deze ruimtelijke indeling zorgt voor een duidelijke scheiding van functies, draagt bij aan een efficiënte en doelgerichte benutting van de beschikbare ruimte en heeft de minste lichthinder op de omgeving. Aan de randen van het terrein worden zo donker mogelijke zones gerealiseerd met groene buffers en ecologische corridors, waarin geen of nauwelijks verlichting wordt toegepast. Zo wordt uitstraling van licht naar woningen, natuurgebieden en het open landschap beperkt.

Voor de bereikbaarheid wordt uitgegaan van de westelijke hoofdontsluiting direct op de N262. Hiervoor wordt een nieuwe toegangsweg aangelegd met een nieuwe aansluiting op de N262. Deze ontsluiting voorziet in een directe toegang tot het terrein en draagt bij aan een goede bereikbaarheid en een efficiënte afwikkeling van logistiek en verkeer.

Lichthinder voor natuur

Het project leidt tot een toename van kunstmatige lichtbronnen als gevolg van de aanleg en ingebruikname van het kazerneterrein. Op basis van de terreinindeling ontstaat nieuwe verlichting bij de entreegebieden, de interne ontsluitingsroutes, parkeer- en gebouwzones, en de logistieke functies. Indien sportvoorzieningen worden voorzien van veldverlichting, kan dit aanvullend bijdragen aan lichtuitstraling.

Deze toename van verlichting kan de ecologische donkerte in de omgeving beïnvloeden en verstorend werken op lichtgevoelige, met name nachtactieve, diersoorten. Daarnaast brengt het project een extra ontsluitingscomponent met zich mee door de nieuwe aansluiting op de N262. Hierdoor nemen verkeersbewegingen toe, waardoor ook koplamplicht en mogelijk aanvullende functionele wegverlichting optreden in een gebied dat momenteel relatief donker is.

Lichthinder in relatie tot ruimtelijke kwaliteit

Op basis van de structuur en functionele invulling van het terrein betreft dit met name verlichting bij het entreegebied, de interne ontsluitingsstructuur, logistieke zones, het sportgebied, en de gebouwzones, waaronder het kazernehart en de kantoor- en lesgebouwen. Deze verlichting kan zichtbaar zijn vanuit het open buitengebied en daarmee invloed hebben op de beleving van donkerte en de landschappelijke kwaliteit.

In dit kader kunnen verschillende vormen van lichthinder optreden. Zo kan zicht ontstaan op armaturen, met name bij nieuwe ontsluitingswegen en mogelijk bij sportvoorzieningen door het gebruik van hogere lichtmasten. Daarnaast kan verlichting instralen op gevels van woningen, met name daar waar woningen of erven een directe zichtlijn hebben op het entreegebied, interne routes of verlichte functionele zones. Woningen langs de Oude Turfvaartsestraat vormen hierbij een relevant aandachtspunt vanwege de relatief korte afstand tot het entreegebied en de parkeerfunctie binnen het plangebied.

Ook kunnen autokoplampen bijdragen aan lichthinder. De westelijke ontsluiting en de bijbehorende toegangssituatie leiden tot extra lichtbewegingen die zichtbaar kunnen zijn in het landschap en lokaal kunnen instralen op woningen langs de ontsluitingsroutes. Een woning aan de Oude Turfvaartsestraat vraagt hierbij specifieke aandacht vanwege de korte afstand tot de ontsluiting en mogelijke zichtlijnen. Met name bij in- en uitrijden en bij manoeuvres, zoals bochten of keerbewegingen, kan tijdelijk hinderlijk koplamplicht op gevels schijnen.

De landschappelijke inpassing met een groene perimeter en groene corridors kan bijdragen aan het beperken van visuele hinder. Deze werking is echter alleen effectief wanneer deze groenzones zelf zoveel mogelijk donker blijven, lichtpunten laag en afgeschermd worden toegepast en wordt gekozen voor (deels) wintergroene beplanting.

Mitigerende maatregelen worden in een volgende fase nader uitgewerkt en richten zich onder meer op armatuurkeuze, afscherming, positionering en dimregimes, zodat de lichtuitstraling richting de omgeving en omliggende woningen wordt beperkt en wordt voldaan aan de grenswaarden uit de NSVV‑richtlijn Lichthinder.Deze maatregelen zijn opgenomen in bijlage A van dit projectbesluit.

Conclusie

Ten opzichte van de huidige situatie heeft het project een negatief effect op natuur en ruimtelijke kwaliteit door nieuwe lichtbronnen in een relatief donker gebied. Dit komt door de nieuwe terreinverlichting in een relatief donker buitengebied, aangevuld met een extra ontsluitingscomponent door een nieuwe aansluiting op de N262 (verkeerslicht, koplamplicht en mogelijk extra functionele verlichting). Met een lichtontwerp gericht op donkerte (afscherming, lage lichtniveaus, dimregimes en beperken van verlichting in de nacht) kunnen de negatieve effecten wel substantieel worden beperkt. Voor wat betreft het aspect ‘lichthinder’ zijn de te nemen maatregelen opgenomen in bijlage A.

7 Uitvoerbaarheid

De ontwikkeling van de nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen, inclusief gerelateerde voorzieningen zoals infrastructuur en natuurcompensatie, wordt geheel gefinancierd door het Ministerie van Defensie. De hiervoor benodigde budgetten zijn al opgenomen in de begroting.

8 Conclusie

Dit projectbesluit wijzigt het omgevingsplan van de gemeente met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project Het project is getoetst aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de zin van de Omgevingswet, en de instructieregels op rijks- en provinciaal niveau. Geconcludeerd kan worden dat – met inachtneming van maatregelen als bedoeld in bijlage A - de voorgenomen afwijking van de huidige gebruiksmogelijkheden op deze locatie aanvaardbaar is.

8.1 Conclusie dat er wordt voldaan aan de doelen van de Omgevingswet

Een bestuursorgaan oefent zijn taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelen van de Omgevingswet. De Omgevingswet (artikel 1.3) is met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1.

    bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en

  • 2.

    doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Met het projectbesluit maakt het bevoegd gezag aldus een algehele, complexe (belangen)afweging. In die afweging worden de relevante onderdelen of aspecten van de fysieke leefomgeving in samenhang benaderd. Integrale omgevingszorg is het uitgangspunt1. Er is geen sprake van hiërarchie tussen de verschillende doelstellingen uit de wet. De Omgevingswet bevat geen principiële voorkeur voor de uitkomst van een belangenafweging.

Tegelijkertijd gelden er wel regels die de bevoegdheden van bestuursorganen afbakenen. Bij het vaststellen van een projectbesluit moeten de relevante instructieregels worden nageleefd, moet rekening worden gehouden met het vigerende beleidskader en moet hogere regelgeving worden nageleefd. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen).

Het project is in strijd met de regels uit het omgevingsplan. In deze motivering (en de mer) is aangetoond dat:

  • Het project, zowel in omvang, als in gekozen locatie, een maatschappelijk belang vertegenwoordigt;

  • Het beoogde gebruik passend is in het vigerende beleidskader;

  • Het beoogde gebruik niet leidt tot nadelig aantoonbare milieu- en omgevingseffecten;

  • Het beoogde gebruik en de afwijking van het omgevingsplan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar zijn.

8.2 Conclusie dat voldaan wordt aan de instructieregels

Het project voldoet aan alle instructieregels op rijks- en provinciaal niveau. Dit blijkt uit de toetsingsresultaten van de diverse omgevingsaspecten in Hoofdstuk 6. Het project is hierin getoetst op:

  • Instructieregels op grond van hoofdstuk 9 Bkl;

  • Instructieregels op grond van de provinciale omgevingsverordening;

  • Instructieregels van het rijk of de provincie voortkomend uit beleid.

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen afwijking van de huidige gebruiksmogelijkheden op deze locatie aanvaardbaar is.

Bijlagen

Bijlage 1: Adviesrapport locatieonderzoek KCT (definitief) (22 mei 2023)

Bijlage 2: Nota van Reactie nieuwe kazerne KCT (31 oktober 2024)

Bijlage 3A: Notitie reikwijdte en detailniveau KCT Roosendaal (3 september 2025)

Bijlage 3B: Nota van antwoord NRD nieuwe kazerne KCT (19 februari 2026)

Bijlage 4: MER KCT Roosendaal - Hoofdrapport (17 juli 2026)

Bijlage 5: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Verkeer en vervoer (17 juli 2026)

Bijlage 6: Verkenning mobiliteitskansen KCT (26 februari 2026)

Bijlage 7: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Geluid (17 juli 2026)

Bijlage 8: TNO-notitie schietgeluid KCT (2 juni 2026)

Bijlage 9: KCT Roosendaal, toetsing geluid tbv projectbesluit_(16 juli 2026)

Bijlage 10: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Trillingen (17 juli 2026)

Bijlage 11: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Luchtkwaliteit (17 juli 2026)

Bijlage 12: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Geur (17 juli 2026)

Bijlage 13: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Omgevingsveiligheid (17 juli 2026)

Bijlage 14: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Natuur (17 juli 2026)

Bijlage 15: Rapport natuurwaardenpotentiescan Kazerne KCT(9 januari 2025)

Bijlage 16: Natuurtoets Kazerne Nispen (9 mei 2025)

Bijlage 17: Soortgericht onderzoek kazerne Nispen (29 januari 2026)

Bijlage 18: Nee tenzij Kazerne Nispen def (11 mei 2026)

Bijlage 19: Stikstofdepositie KCT Roosendaal (16 juli 2026)

Bijlage 20: Rapport Voortoets Kazerne (2 maart 2026)

Bijlage 21: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Water (17 juli 2026)

Bijlage 22: Bodemonderzoek -Kazerne KCT Roosendaal (5 januari 2026)

Bijlage 23: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Bodem (17 juli 2026)

Bijlage 24: Rapport 24S021-20-NGE-01 (5 november 2024)

Bijlage 25: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek LCA (17 juli 2026)

Bijlage 26: Archeologisch advies gemeente Roosendaal (12 oktober 2022)

Bijlage 27: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Ruimtelijke Kwaliteit (17 juli 2026)

Bijlage 28: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Energie (17 juli 2026)

Bijlage 29: EPS KCT Roosendaal_Definitief (11 juli 2025)

Bijlage 30: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Klimaatadaptatie (17 juli 2026)

Bijlage 31: MER Kazerne KCT - Deelonderzoek Lichthinder (17 juli 2026)

Naar boven