Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 30528 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 30528 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder a, b, d en g, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 7, derde lid, 10, tweede lid, 13, 22 en 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
onderneming, overige partij of kennisteam;
Algemene Groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit;
experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGVV, waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;
industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de AGVV, waarbij sprake is van planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
Kaderbesluit subsidies I en M;
een project gericht op het beantwoorden van een of meer kennisvragen over de inzet van een of meer NBS in een living lab, bestaande uit een of meer van de volgende soorten activiteiten:
a. industrieel onderzoek door een onderneming;
b. experimentele ontwikkeling door een onderneming;
c. niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie;
een samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit, bestaande uit ondernemingen, overige partijen of een combinatie daarvan;
een vraag over de ontwikkeling, het ontwerp of de toepassing van een NBS;
de landschapstypen laagveengebied, kustgebieden, hoge zandgronden, bebouwd gebied, kust en rivieren, grote meren of overgangswateren;
een fysiek gebied waarbinnen een urgente of complexe ruimtelijke of maatschappelijke opgave speelt waarbij een NBS kan worden ingezet;
Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
nature based solution(s), maatregel of maatregelen die gericht zijn op het beschermen, duurzaam beheren, ontwikkelen en herstellen van natuurlijke en veranderde ecosystemen, en die zo, op een effectieve en dynamische manier, ruimtelijke en maatschappelijke uitdagingen aanpakken ten bate van mens en natuur;
een consortium, bestaande uit in elk geval een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke rechtspersoon, dat de optie verkent om een NBS in te zetten in een living lab;
Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);
iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die binnen het kennisproject een economische activiteit uitoefent, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon;
organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon;
iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die binnen het kennisproject uitsluitend een of meerdere niet-economische activiteiten uitoefent, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon
de door een kennisteam aangewezen natuurlijk persoon of rechtspersoon die als gemachtigde van het kennisteam optreedt en deel uitmaakt van het kennisteam;
rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van onder a, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek opgenomen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs;
vestiging in Nederland van waaruit duurzaam kan worden deelgenomen aan het economische leven in Nederland.
Deze regeling heeft tot doel onderzoek naar NBS en mogelijke opschaling daarvan te stimuleren door een kennisproject te laten uitvoeren dat betrekking heeft op een of meer landschapstypen.
De minister kan aan een aanvrager subsidie verlenen voor het uitvoeren van een kennisproject dat gesteund wordt door een NBS-team.
1. De subsidie voor een kennisproject bedraagt ten hoogste:
a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;
b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;
c. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:
a. 20 procentpunten voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV;
b. 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; en
c. 15 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AGVV.
3. In afwijking van het tweede lid, kunnen de bedoelde percentages maximaal worden verhoogd tot 80%.
4. De subsidie voor een kennisproject bedraagt maximaal € 500.000,–.
5. Voor subsidie voor een kennisproject komen de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV.
6. Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:
a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit; of
c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 80,–.
1. Een aanvrager kan een aanvraag indienen bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld formulier.
2. Een aanvraag voor de eerste aanvraagronde kan worden ingediend van 1 december 2026, 09.00 uur tot en met 4 maart 2027, 17.00 uur.
3. De minister stelt de aanvraagperiode voor de tweede aanvraagronde vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor aanvang van die aanvraagperiode.
4. Onverminderd de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 26 van het Kaderbesluit, gaat de aanvraag vergezeld van:
a. Een projectplan met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model, met daarin in elk geval:
i. een beschrijving van de uit te voeren activiteiten;
ii. een beschrijving van de aanvrager die het kennisproject gaat uitvoeren;
iii. als het kennisproject geheel of gedeeltelijk zal worden uitgevoerd door een buitenlandse aanvrager, een onderbouwing dat die aanvrager een substantiële vestiging heeft;
iv. een beschrijving van het kennisproject en het living lab waarop het kennisproject betrekking heeft;
v. een beschrijving van de locatie en het landschapstype of de landschapstypen waarop het living lab betrekking heeft;
vi. als het living lab betrekking heeft op meerdere landschapstypen, een vermelding van het dominante landschapstype binnen dat living lab;
vii. een beschrijving van de wijze waarop het kennisproject bijdraagt aan de opbouw van relevante kennis of ervaring over NBS;
viii. een beschrijving van de kans dat de NBS waarop het kennisproject betrekking heeft toegepast wordt in een living lab;
b. een gespecificeerde begroting met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model, waaruit ten minste blijkt:
i. hoe hoog de kosten van het kennisproject zijn; en
ii. hoe het kennisproject gefinancierd wordt.
c. een bewijs van steunbetuiging van een NBS-team voor het indienen van de subsidieaanvraag; en
d. als de aanvrager een onderneming is, een verklaring dat die onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV, inclusief een ingevuld beslisschema.
1. Het subsidieplafond bedraagt € 3 miljoen en bestaat uit:
a. € 2 miljoen voor de eerste aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, tweede lid; en
b. € 1 miljoen voor de tweede aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, derde lid.
2. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
3. Indien na afloop van de eerste aanvraagronde de daarvoor beschikbare middelen niet zijn uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het plafond voor de tweede aanvraagronde.
4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde in de beschikking dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.
1. Onverminderd de in artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien:
a. de te verlenen subsidie voor een kennisproject minder bedraagt dan € 150.000,–;
b. er voor hetzelfde kennisproject al een aanvraag is toegekend;
c. de aanvraag ziet op een kennisproject met betrekking tot een ander landschapstype dan bedoeld in artikel 1;
d. de aanvraag ziet op een kennisproject met betrekking tot een landschapstype waarvoor al twee aanvragen zijn toegekend in dezelfde aanvraagronde;
e. de aanvrager over onvoldoende kennis of ervaring beschikt om het kennisproject uit te kunnen voeren;
f. als het kennisproject geheel of gedeeltelijk zal worden uitgevoerd door een buitenlandse onderneming of kennisinstelling, onvoldoende onderbouwd is dat die partij een substantiële vestiging heeft;
g. de aanvraag van onvoldoende kwaliteit is, onder meer wat betreft de planning en aanpak van het kennisproject;
h. het kennisproject onvoldoende bijdraagt aan de opbouw van relevante kennis of ervaring over NBS;
i. de kans klein is dat de NBS waarop het kennisproject betrekking heeft, toegepast zal worden in een living lab;
j. sprake is van ongeoorloofde cumulatie van staatssteun als bedoeld in artikel 8 van de AGVV;
k. sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV;
l. de werkzaamheden aan het kennisproject reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor de subsidie van dat kennisproject is ingediend; of
m. de financiering van het kennisproject niet aantoonbaar sluitend is.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, is de volgorde van binnenkomst van de aanvragen bepalend. Op de dag dat meer dan twee aanvragen voor een kennisproject met betrekking tot hetzelfde landschapstype worden ingediend, bepaalt de minister de onderlinge afhandelvolgorde van die aanvragen door middel van loting.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, is bij een aanvraag voor een kennisproject met betrekking tot meerdere landschapstypen het dominante landschapstype bepalend.
1. Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10 van het Kaderbesluit, is de ontvanger verplicht:
a. jaarlijks verslag aan de minister uit te brengen over de voortgang van het kennisproject met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model;
b. binnen drie maanden na verlening van de subsidie met het kennisproject te starten;
c. binnen twee jaar na start het kennisproject af te ronden;
d. openbare presentaties, publicaties en andere communicatie-uitingen van of mede van de ontvanger over het kennisproject te voorzien van de vermelding dat het kennisproject wordt uitgevoerd met subsidie van het Nationaal Groeifonds; en
e. onverwijld mededeling te doen aan de minister zodra aannemelijk is dat:
i. het kennisproject niet, niet tijdig of niet geheel zal worden uitgevoerd, of;
ii. niet, niet tijdig of niet geheel aan het bepaalde in dit artikel zal worden voldaan.
2. Het verslag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt opgesteld met een door de minister digitaal beschikbaar gesteld model en geeft in ieder geval:
a. inzicht in de voortgang van het kennisproject; en
b. een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten.
3. Als de ontvanger een kennisteam is, waaraan een onderneming en een onderzoeksorganisatie deelnemen, is de onderzoeksorganisatie verplicht:
a. om een gescheiden boekhouding te hebben ten aanzien van de niet-economische activiteiten binnen de onderzoeksorganisatie; en
b. om de projectactiviteiten uit te voeren in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen, waarbij de onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat overeenkomstig paragraaf 2.2.2 van het O&O&I-steunkader:
i. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;
ii. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of
iii. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het kennisproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
4. Als de ontvanger een kennisteam is, verstrekt de penvoerder voorafgaand aan de start van het kennisproject een overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het kennisteam is geregeld.
5. Als de ontvanger een kennisteam is, waaraan een onderneming en een onderzoeksorganisatie deelnemen, bevat de overeenkomst als bedoeld in het vierde lid afspraken over de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten.
6. Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, subonderdeel iii, in mindering worden gebracht.
7. De vergoeding, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, subonderdeel iii, stemt overeen met de marktprijs indien:
a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;
b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;
c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of
d. in de gevallen waarin de overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
1. De minister verleent een voorschot van 90%.
2. Het voorschot wordt lineair uitbetaald over de looptijd van het kennisproject.
De aanvrager kan bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model.
De minister publiceert voor 1 oktober 2031 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25, tweede lid, onderdelen b en c, van de AGVV.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Met het Nationaal Groeifonds (hierna: NGF) investeert het kabinet in projecten die bijdragen aan het duurzame verdienvermogen van Nederland. Het gaat om gerichte investeringen op twee terreinen waar de meeste kansen aanwezig zijn voor structurele en duurzame economische groei, namelijk Kennisontwikkeling en Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie.
Nederland staat voor grote opgaven: de productie groeit minder snel dan voorheen, de bevolking vergrijst en verschillende transities zorgen voor grote uitdagingen, maar bieden ook talloze kansen. Er moet continu gewerkt worden aan versterking van de economie, zodat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te leven en te ondernemen. Het NGF investeert in projecten die een zo groot mogelijke bijdrage leveren aan het duurzame verdienvermogen van Nederland.
Een van de NGF-programma’s is NL2120, het groene verdienvermogen (hierna: NL2120). De ambitie van dit programma is vergroten van het duurzaam verdienvermogen van Nederland door een schaalsprong van nature based solutions (hierna: NBS) te realiseren. NBS zetten de kracht van de natuur in bij het oplossen van diverse klimaat- en milieuproblemen. Hierbij valt te denken aan het tegengaan van bodemdaling, kust- en rivierbodemerosie, verschraling van landbouwgronden, hitte, droogte, overstromingen, ziektes en plagen. Voorbeelden van NBS zijn ‘Ruimte voor de rivier’ en de ‘Zandmotor’.
NL2120 bouwt in het programma kennis op en valideert deze in de praktijk om effectieve inzet van NBS mogelijk te maken op landschapsschaal. Het programma bestaat uit vijf programmalijnen:
1. Kennisverdieping;
2. Praktijkleren;
3. Gebiedsgerichte verdieping;
4. Kennisdoorwerking;
5. Projectcoördinatie en ondersteuning.

Figuur 1: schematische weergave NL2120 programmalijnen
Deze regeling is onderdeel van programmalijn 3, werkstroom 7 (regionale NBS hotspots). Regionale NBS hotspots (ook wel ‘living labs’ genoemd) zijn gebieden waar een urgente of complexe ruimtelijke of maatschappelijke opgave ligt en waar NBS een belangrijk onderdeel van de oplossing kunnen zijn. Het zijn over het algemeen gebieden waar de ambitie om duurzaam en klimaat adaptief te ontwikkelen groot is, maar waar de kennis en het human capital nog mist om implementatie van NBS hoge prioriteit te geven. Er zijn momenteel verschillende gebieden in Nederland waar er grote bereidheid is om NBS toe te passen, maar waar men terughoudend is vanwege de complexiteit die een dergelijke integrale aanpak met zich meebrengt. Doel van deze regeling is het onderzoek naar NBS en mogelijke opschaling daarvan te stimuleren door het verlenen van subsidies voor de beantwoording van kennisvragen over de inzet van NBS in die living labs.
NL2120 heeft tot doel om nieuwe kennis en ervaring op te bouwen over NBS die een effectieve bijdrage kunnen leveren aan de wereldwijde uitdagingen op het vlak van klimaatadaptatie, biodiversiteit en milieugebruiksruimte.
Momenteel staan er nog verschillende barrières in de weg aan het opschalen van NBS. Voorbeelden zijn:
– Gebrek aan fysisch-ecologische kennis: Er is een gebrek aan kennis en inzicht over de effectiviteit van NBS in de huidige situatie en in toekomstige extremere klimaatscenario’s. Dit zorgt ervoor dat beleidsmakers en publieke en private landeigenaren en -beheerders in veel gevallen werken met de 'business as usual'-benadering, omdat ze onvoldoende zekerheid hebben over de werking van NBS in vergelijking met andere oplossingen en over onvoldoende kennis beschikken om deze in de praktijk te brengen.
– Sociaal-economische onderbouwing: Er is onvoldoende kennis over de kosten en maatschappelijke baten van grootschalige toepassing van NBS. Natuurlijke oplossingen passen nog niet goed in de standaard afwegingskaders voor kosten en baten. Ook zijn de kosten van aanleg en onderhoud niet altijd duidelijk. Om een schaalsprong van de NBS te maken is een sociaal-economische onderbouwing nodig en nieuwe verdienmodellen.
– Institutionele barrières: De huidige kennis-, financierings- en institutionele structuren zijn vaak te sectoraal om geïntegreerde NBS-oplossingen te realiseren.
– Gebrek aan transitiekennis: Succesvolle transities vereisen een top-down aanpak. Ambities worden geadresseerd in bottom-up gebiedsprocessen om ervoor te zorgen dat de gewenste transitie lokaal draagvlak heeft. Voor het vertalen van nationale ambities naar lokale transities zijn een aantal elementen nodig. Om te beginnen is er een gedeelde langetermijnvisie voor een gebied en zijn de stappen om die visie te realiseren essentieel. Dat vereist een transformatie van de huidige stapsgewijze korte termijnbenadering naar een lange termijnsysteembenadering.
Het programma werkt aan het wegnemen van deze en andere barrières en aan het benutten van kansen voor het opschalen van NBS. De resultaten van het programma moeten het Nederlandse bedrijfsleven (bouw-, engineering- en watersector) in staat stellen om een leidende rol te verwerven in de mondiaal snelgroeiende markt voor NBS. Daarnaast dienen de resultaten het voor overheden en grondeigenaren mogelijk te maken om NBS toe te passen als effectieve, toekomstbestendige en economisch haalbare oplossingen voor de genoemde uitdagingen. Op deze wijze levert NL2120 een structurele bijdrage aan het Nederlands BBP en biedt het een reële oplossing voor een reeks uitdagingen met hoge maatschappelijke en economische kosten en impact. Dit doet NL2120 via een samenhangende set van maatregelen.
Een van deze maatregelen is het ondersteunen van onderzoek naar NBS en mogelijke opschaling daarvan door het laten uitvoeren van kennisprojecten. Kennisprojecten bestaan uit het beantwoorden van één of meer kennisvragen over de inzet van een NBS in een living lab. Die beantwoording kan bijdragen aan verbetering van de gezondheid, veiligheid en biodiversiteit en aan het voorkomen dan wel beperken van klimaatschade. Daarnaast is de regionale kennisverdieping via actieve samenwerking met de living labs een voorwaarde voor het kunnen opschalen van NBS.
Met deze regeling wordt beoogd om het onderzoek naar NBS en mogelijke opschaling daarvan te stimuleren en wel door het verlenen van subsidies voor de beantwoording van kennisvragen over de inzet van NBS in een living lab.
In hoofdlijnen komt de regeling op het volgende neer:
– op basis van deze regeling kan de minister subsidie verlenen voor het beantwoorden van kennisvragen (kennisproject) over de inzet van NBS in een fysiek gebied.
– de subsidie (max. € 500.000) kan worden ingezet voor onder meer het co-creëren van langetermijnvisies en het ontwerpen en doorrekenen van NBS. De daadwerkelijke uitvoering van de NBS maakt hier geen onderdeel van uit. Daarentegen komt een kleinschalige proef (pilot) om te testen of de NBS werkt voordat de NBS in volle omvang in de living lab wordt uitgevoerd wel voor subsidie in aanmerking.
– er is een subsidieplafond van € 3 miljoen en er zijn twee aanvraagronden. Voor de eerste aanvraagronde is er € 2 miljoen beschikbaar. Voor de tweede aanvraagronde is minimaal € 1 miljoen beschikbaar. Als na afloop van de eerste aanvraagronde de daarvoor beschikbare middelen niet zijn uitgeput, wordt dit resterende bedrag toegevoegd aan het plafond voor de tweede aanvraagronde.
– de subsidie wordt verleend op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
– een aanvraag kan worden ingediend door een onderneming, een overige partij of een combinatie van beide (‘kennisteam’).
– de aanvrager levert bij de indiening van de aanvraag onder andere informatie aan over het kennisproject, de partijen die het kennisproject zouden uitvoeren, de locatie en het landschapstype of de landschapstypen waarop het living lab betrekking heeft en hoe het kennisproject bijdraagt aan de doelstelling van deze regeling.
– de aanvrager moet bij de aanvraag bewijs aanleveren dat het kennisproject en de indiening van de aanvraag worden gesteund door een ‘NBS-team’. Een NBS-team is een consortium – bestaande uit minstens één privaatrechtelijke en één publiekrechtelijke rechtspersoon – dat de optie verkent om een NBS in te zetten in een living lab. De steunbetuiging is om twee redenen van belang. Ten eerste maakt de steunbetuiging duidelijk dat de aangevraagde subsidie gebruikt zal worden voor de beantwoording van kennisvragen die in de praktijk in een bepaald fysiek gebied (living lab) bestaan en het dus niet slechts hypothetische vragen betreft. Ten tweede bewijst de steunbetuiging dat de partijen die betrokken zijn bij dat living lab waarde hechten aan de uitvoering van het kennisproject en dat de uitkomst van het kennisproject van belang kan zijn bij de keuze om een NBS al dan niet in te zetten in het living lab;
– binnen dertien weken na indiening op de aanvraag wordt beslist over de verlening van de subsidie;
– er vindt bevoorschotting plaats van 90%;
– de regeling bevat aanvullende verplichtingen in het kader van het Nationaal Groeifonds;
– binnen dertien weken na afronding van het kennisproject moet de onderneming, overige partij of het kennisteam dat het kennisproject heeft uitgevoerd een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen.
Het nationaal bestuursrechtelijk kader voor deze regeling wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), meer specifiek titel 4.1 (Beschikkingen) en titel 4.2 (Subsidies). Daarnaast zijn het Kaderbesluit subsidies I en M (hierna: het Kaderbesluit) en de Europese staatssteunregelgeving van belang voor deze subsidieregeling.
Awb en Kaderbesluit
Op grond van deze regeling wordt subsidie verleend aan een onderneming, een overige partij of een combinatie van beide. Uit artikel 4:21, eerste lid van Awb volgt dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
Subsidie wordt slechts verleend op basis van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verleend (artikel 4:23 van de Awb). Met deze regeling wordt voldaan aan deze verplichting uit de Awb. Uit artikel 3, eerste lid, onder a, b, d en g, van de Kaderwet volgt dat de minister subsidie kan verlenen voor activiteiten die passen in het beleid inzake infrastructuur, milieubeheer, ruimtelijke ordening en water. In het Kaderbesluit zijn onder andere artikelen opgenomen over de subsidiabele kosten (hoofdstuk 3), het indienen van de aanvraag (hoofdstuk 5), afwijzingsgronden van een aanvraag (hoofdstuk 6), verplichtingen voor de subsidieontvanger (hoofdstuk 8) en de subsidievaststelling (hoofdstuk 10) die relevant zijn voor de subsidieontvanger. Voor de subsidieontvangers is dan ook niet alleen deze regeling, maar ook het Kaderbesluit van belang.
Europeesrechtelijke aspecten
Deze regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen.
De subsidie aan ondernemingen voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling wordt aangemerkt als staatssteun. In beginsel is staatssteun strijdig met de interne markt. Om deze strijdigheid op te heffen wordt daarom in deze subsidieregeling gebruik gemaakt van de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV), meer in het bijzonder van artikel 25 (steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie), voor kennisprojecten bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. De toepassing van dit artikel van de AGVV betekent dat indien aan de in het artikel opgenomen voorwaarden uit de AGVV voldaan wordt, de staatssteun verenigbaar kan worden beschouwd met de interne markt. De subsidieaanvragen zullen mede worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die voor de betreffende vrijstellingen gelden. In deze regeling is daarom rekening gehouden met de door de AGVV gestelde eisen. De maximale steunintensiteit en het maximale steunbedrag dat in deze regeling wordt aangehouden blijft onder de maxima die zijn toegestaan in artikel 25 AGVV.
Ook gelden de algemene eisen van de AGVV voor de toepassing van deze regeling. Deze algemene eisen betreffen onder andere de voorwaarde dat de Europese Commissie door middel van een kennisgeving geïnformeerd wordt over de toepassing van de AGVV. Deze kennisgevingsplicht geldt ook indien subsidieplafonds verhoogd worden, of de regeling anderszins inhoudelijk wordt veranderd. Indien er sprake is van een individuele steunverlening van meer dan € 100.000 zullen bovendien de gegevens van die steun openbaar gepubliceerd worden, conform artikel 9 AGVV.
De subsidie is onderdeel van het Nationaal Groeifonds en de nodige middelen zijn beschikbaar voor NL2120. Het totaal gereserveerde bedrag voor het subsidiëren van kennisprojecten bedraagt € 3 miljoen.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regeling namens de minister uit en houdt toezicht op een correcte uitvoering van de kennisprojecten. Ter uitvoering van de regeling zullen subsidieaanvragen beoordeeld worden en verleningsbeschikkingen en vaststellingsbeschikkingen opgesteld worden. Daarnaast worden de voortgangsverslagen jaarlijks beoordeeld.
De minister is bevoegd handhavend op te treden als de ontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Terugvordering kan plaatsvinden tot vijf jaren na de vaststelling van de subsidie (artikel 4:57, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
De ontwerpregeling is in januari 2026 ter advisering aangeboden aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Ook is de ontwerpregeling van 20 maart 2026 tot en met 22 april 2026 geconsulteerd via internetconsultatie.nl.
In totaal zijn er 25 reacties ontvangen. De voornaamste opmerkingen en een reactie hierop zijn hieronder weergegeven.
Kring van aanvragers
Door verschillende indieners is verzocht om het mogelijk te maken dat ook niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) subsidie kunnen aanvragen. In dat kader is erop gewezen dat dit soort organisaties over diepgaande en praktijkgerichte kennis van NBS kunnen beschikken en als zodanig in staat zijn om kennisprojecten uit te voeren. Er is besloten om dit verzoek in te willigen.
In de ontwerpregeling stond dat de minister subsidie kon verlenen aan een onderneming, een kennisinstelling of een combinatie van beide. De term ‘kennisinstelling’ is vervangen door het bredere begrip ‘overige partij’. Dit is een veelomvattend begrip. Hieronder valt in principe iedere eenheid die binnen een kennisproject uitsluitend een of meerdere niet-economische activiteiten uitoefent. De rechtsvorm of wijze van financiering van die partij maakt niet uit. Deze aanpassing maakt duidelijk dat ook stichtingen of verenigingen in aanmerking kunnen komen voor subsidie. In Nederland zijn dit de meest voorkomende rechtsvormen voor een NGO. Dat betekent niet dat een NGO per definitie onder het begrip ‘overige partij’ zal vallen; dit hangt af van de activiteiten die de NGO in het kader van het kennisproject uitvoert. Betreft dit economische activiteiten, dan is de NGO een ‘onderneming’ als bedoeld in deze regeling. In dat geval komen de activiteiten uitsluitend voor subsidie in aanmerking als die aan te merken zijn als industrieel onderzoek en/of experimentele ontwikkeling.
Medeoverheden kunnen in elk geval geen subsidie aanvragen. Dit vanuit de gedachte dat die rechtspersonen al voldoende baat hebben bij de uitvoering van het kennisproject voor het living lab waarbij zij betrokken zijn en het daarom niet nodig is om middelen te verstrekken voor hun bijdrage. Om deze reden is in de begripsbepalingen opgenomen dat publiekrechtelijke rechtspersonen niet onder de definitie van ‘onderneming’ of ‘overige partij’ vallen. Uitgezonderd zijn de universiteiten en de (bijzondere) hogescholen als bedoeld onder a, g en h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instellingen voor hoger onderwijs.
Kosten derden
Verschillende indieners willen weten of de kosten van derden voor subsidie in aanmerking komen.
Dat is het geval. De hoogte van het subsidiebedrag wordt berekend op basis van een begroting van de kosten die nodig zijn voor het uitvoeren van het kennisproject. ‘Kosten derden’ kan één van de posten op de begroting zijn.
Wijze van verdeling
Meerdere indieners vrezen dat de gekozen verdeelsystematiek de kwaliteit van de kennisprojecten niet ten goede komt en verzoeken om een verdeling op volgorde van rangschikking.
Dit verzoek is niet overgenomen. In de toelichting bij artikel 6 is aangegeven waarom gekozen is voor een verdeelsystematiek op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De vrees dat deze keuze zal leiden tot het honoreren van kwalitatief slechte aanvragen, is ongegrond. Alleen aanvragen die aan alle voorwaarden voldoen komen voor subsidie in aanmerking. Die voorwaarden zijn zo geformuleerd dat geborgd is dat uitsluitend aanvragen van voldoende kwaliteit gehonoreerd zullen worden.
Living lab
Enkele indieners hebben gevraagd wat er onder een living lab moet worden verstaan.
Zoals in artikel 1 is opgenomen, is een living lab ‘een fysiek gebied waarbinnen een urgente of complexe ruimtelijke of maatschappelijke opgave speelt waarbij een NBS kan worden ingezet’. Er zijn geen eisen gesteld aan de omvang van dit gebied; het kan een relatief klein gebied betreffen (bijvoorbeeld een woonwijk) maar kan ook veel groter zijn (bijvoorbeeld het stroomgebied van een grote rivier). Het is aan de aanvrager om te onderbouwen dat een gebied aan deze definitie voldoet.
Relatie met NL2120
Een indiener verzoekt om de regeling op een aantal punten aan te passen om ervoor te zorgen dat de regeling inhoudelijk voldoende aansluit bij het programma NL2120.
Dit verzoek is niet overgenomen, omdat die inhoudelijke aansluiting met het overkoepelende programma NL2120 al voldoende geborgd is. Uit de toelichting volgt dat deze regeling onderdeel uitmaakt van dit programma. Daarnaast zijn een groot deel van de landschapstypen waarop de regeling betrekking heeft overgenomen uit dit programma. Voor zover landschapstypen zijn toegevoegd, is die keuze afgestemd met de vertegenwoordigers van het programma NL2120. Verder wordt de inhoudelijke aansluiting geborgd doordat de minister in het aanvraagformulier verwijst naar relevante kennisvragen en relevante NBS als voorbeeld. Deze voorbeelden zijn eveneens afgestemd met vertegenwoordigers van het programma NL2120.
Reikwijdte
Door meerdere indieners is de vraag gesteld of de living lab waarop het kennisproject betrekking heeft zich in Europees Nederland moet bevinden. Dat is niet het geval. Ook kennisprojecten met betrekking tot een living lab in de rest van de wereld kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
Daarnaast is het mogelijk dat het kennisproject geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd door een buitenlandse partij. In dat geval gelden wel een aantal bijzondere voorwaarden; die voorwaarden zijn toegevoegd aan de artikelen 5 en 7.
Financiering
Een aantal indieners geeft aan dat een maximaal subsidiepercentage van 65% niet werkbaar is. Hierop is besloten om het maximale subsidiepercentage te verhogen naar 80%. Dit komt overeen met de maximaal toegestane steunintensiteit voor economisch industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling op basis van artikel 25, zesde lid, van de AGVV. Dit maximum geldt eveneens voor niet-economische activiteiten door een overige partij binnen een kennisproject, ook al is de subsidie voor die activiteiten niet aan te merken als staatssteun. Een hoger subsidiepercentage wordt beleidsmatig niet wenselijk geacht; door subsidie niet volledig dekkend te maken, ontstaat ruimte om meer kennisprojecten te steunen met hetzelfde budget en wordt de aanvrager meer gestimuleerd om het kennisproject te laten slagen en zo efficiënt mogelijk uit te voeren.
Daarnaast vragen enkele indieners zich af aan welke randvoorwaarden de cofinanciering moet voldoen. De cofinanciering kan uit eigen middelen bestaan van de uitvoerders van het kennisproject of een bijdrage van derden betreffen, zoals de andere deelnemers van het NBS-team. Voor zover het kennisproject bestaat uit industrieel onderzoek en/of experimentele ontwikkeling door een onderneming, moet daarbij wel worden gelet op ongeoorloofde cumulatie van staatssteun. Kort gezegd houdt dit in dat voor dezelfde kosten maar een maximaal steunpercentage aan staatssteun gegeven mag worden, ongeacht door wie de staatssteun wordt verleend of op grond waarvan de staatssteun wordt verleend. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer naast de minister ook een gemeente het kennisproject wil subsidiëren, de cumulatie van die steun het maximale steunpercentage van 80% voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling door een onderneming niet mag overschrijden.
De aanvrager dient bij de aanvraag een begroting te voegen waaruit onder andere blijkt hoe het kennisproject gefinancierd wordt. Voor de duidelijkheid is aan artikel 7 toegevoegd dat de minister de aanvraag afwijst als de financiering van het kennisproject niet aantoonbaar sluitend is.
Kosten
Verschillende indieners hebben gevraagd te verduidelijken of de vóór indiening van de aanvraag door de aanvrager gemaakte kosten voor het kennisproject voor subsidie in aanmerking komen.
Deze kosten komen niet voor subsidie in aanmerking. Voor deze regeling wordt gebruik gemaakt van de AGVV en dus komen alleen die kosten voor subsidie in aanmerking die voldoen aan de eisen van de AGVV. Op grond van artikel 6 AGVV moet de steun een stimulerend effect hebben en dat effect is niet aanwezig als al vóór de aanvraag is gestart met de werkzaamheden waarop de subsidie betrekking heeft. Dit sluit aan bij artikel 6, tweede lid, van het Kaderbesluit. De minister wijst de aanvraag dan ook af als de werkzaamheden (voor het kennisproject) waarvoor subsidie wordt aangevraagd reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor de subsidie van dat kennisproject is ingediend.
Overig
Overige opmerkingen hebben ertoe geleid dat de regeling en toelichting op enkele punten is aangepast. Zo is verduidelijkt dat een kennisproject betrekking kan hebben op meerdere landschapstypen en dat een kleinschalige proef (pilot) om te testen of de NBS werkt voordat de NBS in volle omvang in de living lab wordt uitgevoerd, voor subsidie in aanmerking komt. Ook zijn ‘grote meren’ en ‘overgangswateren’ toegevoegd als landschapstypen en zijn enkele tekstuele aanpassingen gedaan.
Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om ambtshalve een wijziging door te voeren in de ontwerpregeling en in de nota van toelichting. Het betreft de toevoeging van enkele verplichtingen in artikel 8 die specifiek zien op het geval dat de ontvanger van de subsidie een kennisteam is en aan dat team een onderneming en onderzoeksorganisatie deelnemen. Het doel van die verplichtingen is te borgen dat de voordelen die een onderzoeksorganisatie geniet niet als zogenoemde indirecte staatssteun doorgegeven worden aan een onderneming waarmee de onderzoeksorganisatie in dat kennisproject activiteiten verricht. In de toelichting bij artikel 8 wordt nader hierop ingegaan.
De regeling heeft gevolgen voor de regeldruk voor ondernemingen, overige partijen en kennisteams die een subsidie willen ontvangen voor het uitvoeren van een kennisproject.
Daarbij gaat het om:
– het voorbereiden en indienen van een subsidieaanvraag (fase 1 – 80 uur);
– het jaarlijks verslag uitbrengen over de voortgang van het kennisproject (fase 2 – 20 uur);
– het voorbereiden en indienen van een aanvraag tot een beschikking tot subsidievaststelling (fase 3 – 20 uur);
– het op verzoek van de minister meewerken aan een evaluatieonderzoek (fase 4 – 10 uur).
Er worden circa 15 subsidieaanvragen verwacht.
De regeldruk wordt bepaald aan de hand van bovenstaande fasen. De gemiddelde tijdsbesteding per aanvraag wordt ingeschat op 80 uur, inclusief adviesgesprek. Dit is gebaseerd op ervaringscijfers van RVO. Uitgangspunt is een uurtarief van € 60,–. Dit resulteert in een regeldruk (administratieve kosten) voor de aanvraagfase van ongeveer € 4.800,–. Daar komen nog 50 uur bij als de minister de aanvraag honoreert. Dit heeft ermee te maken dat de ontvanger een verslag moet uitbrengen over de voortgang van het kennisproject (jaar 1), na afronding van het kennisproject een aanvraag moet voorbereiden en indienen voor de vaststelling van de subsidie en ook kan worden verzocht om mee te werken aan een evaluatieonderzoek. Dit resulteert in een regeldruk (administratieve kosten) voor de uitvoeringsfase van het project van ongeveer € 3.000,–. De inschatting is dat 8 aanvragen worden gehonoreerd. Daarmee bedraagt de verwachte regeldruk 3,2% (15 x € 4.800,–) + (8 x € 3.000,–) /€ 3 miljoen totaal subsidiebudget.
Op grond van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten treden ministeriële regelingen in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, tweede lid). Uitgangspunt daarbij is dat de bekendmaking minimaal twee maanden voor inwerkingtreding plaatsvindt (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, vierde lid). In deze regeling wordt aangesloten bij de vaste verandermomenten, maar afgeweken van de minimale termijn tussen publicatie en inwerkingtreding. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding.
Deze regeling vervalt met ingang van 1 oktober 2031, maar blijft van toepassing op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Een kennisteam is een samenwerkingsverband, bestaande uit ondernemingen, overige partijen of een combinatie daarvan. Dit samenwerkingsverband kan een kennisproject uitvoeren.
een kennisproject is een project gericht op het beantwoorden van een of meer kennisvragen over de inzet van een NBS in een living lab. Die vragen kunnen gaan over de potentiële inzet van een NBS in een living lab maar kunnen ook betrekking hebben op een al ingezette NBS. In dat laatste geval heeft het project tot doel om kennis te vergaren over de toegepaste NBS met het oog op inzet van die NBS in een of meer andere living labs.
Een kennisproject kan bestaan uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, niet-economische activiteiten of een combinatie daarvan. Een project dat niet onder een of meer van deze categorieën valt is geen kennisproject als bedoeld in deze regeling. Dit betekent dat de minister op basis van deze regeling geen subsidie kan verlenen voor een dergelijk project. Aan de keuze om in de regeling deze categorieën op te nemen ligt ten grondslag dat slechts voor een beperkt aantal projecten budget is en de inschatting is dat er genoeg kennisprojecten van voldoende kwaliteit onder voornoemde categorieën zullen vallen. Het opnemen van andere categorieën is dan ook niet nodig en zou uitvoering van de regeling complexer maken. Daarom is daarvan afgezien.
Bij de projectactiviteiten is het van belang onderscheid te maken (1) (economisch) industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming en (2) niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie. Een onderneming is iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die binnen het kennisproject uitsluitend een of meerdere economische activiteiten uitoefent, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon. Indien bijvoorbeeld een vereniging of stichting binnen het kennisproject een economische activiteit uitoefent, wordt deze eenheid onder deze regeling als onderneming aangemerkt.
Een kennisvraag is een vraag over de ontwikkeling, het ontwerp of de toepassing van een NBS. Het kan om kennis op verschillende soorten thema’s gaan; van fysisch-ecologische kennis (zoals het aantonen van de werking en de effectiviteit van de NBS in het living lab) tot sociaaleconomische kennis (over bijvoorbeeld de kosten en baten van de NBS in het living lab) en van institutionele kennis (zoals de bijdrage van de NBS in het living lab aan het wegnemen van institutionele barrières) tot kennisintegratie en valorisatie (over bijvoorbeeld de bijdrage van de NBS in het living lab aan het vergroten van de toegankelijkheid en toepasbaarheid van NBS).
Een NBS-team is een consortium dat de optie verkent om een NBS in te zetten in een living lab. Dit consortium bestaat uit minstens één privaatrechtelijke en één publiekrechtelijke rechtspersoon. De insteek is dat aan dit team verschillende stakeholders deelnemen die betrokken zijn bij het living lab. Voorbeelden zijn de partij (of partijen) die het kennisproject uitvoeren, de eigenaar van gronden in het living lab en de overheid of overheden die onderzoeken welke opties er zijn om de opgave op te lossen die in het living lab speelt. Het is niet vereist dat deze rechtspersonen in Nederland gevestigd zijn. Daarnaast kunnen ook partijen zonder rechtspersoonlijkheid deel uitmaken van dit team. Te denken valt aan belangengroepen.
Vereist is dat minimaal één publiekrechtelijke rechtspersoon (zoals een gemeente of provincie) in het NBS-team zit. Dit toont namelijk aan dat er bestuurlijk commitment is bij het ophalen van kennis over de inzet van de NBS in het living lab. Dit is wenselijk; zonder bestuurlijk commitment van de overheid op wiens grondgebied het living lab zich bevindt, is de kans groot dat de resultaten van het kennisproject niet meegenomen worden bij bestuurlijke besluitvorming over de betreffende ruimtelijke of maatschappelijke opgave. In dat geval draagt het kennisproject onvoldoende bij aan het NGF-programma NL2120.
Een onderzoeksorganisatie is een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader. Onder deze begripsbepaling valt een entiteit, ongeacht haar rechtsvorm of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht. De onafhankelijke uitvoering van deze activiteiten is essentieel om te kwalificeren als onderzoeksorganisatie en (mede) van belang om deze activiteiten als niet-economisch te kunnen kwalificeren.
Deze regeling heeft tot doel om het onderzoek naar NBS en opschaling daarvan te stimuleren door het verlenen van subsidies voor het uitvoeren van kennisprojecten in een living lab. Daarbij is van belang dat het kennisproject past binnen het programma NL2120 en betrekking heeft op een of meer van de zeven landschapstypen als bedoeld in artikel 1. Het betreft landschapstypen die nationaal en internationaal veel voorkomen.
Het maximale subsidiebedrag, het maximale subsidiepercentage en de kosten die voor subsidie in aanmerking komen hangen af van de activiteiten waarvoor een aanvraag wordt ingediend.
Een kennisproject bestaat uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, niet-economische activiteiten of een combinatie daarvan.
Op grond van artikel 25, vijfde lid, AGVV kan de subsidie bij industrieel onderzoek in beginsel maximaal 50% van de kosten bedragen. Bij experimentele ontwikkeling is dit in beginsel maximaal 25%. Op basis van artikel 25, zesde lid, AGVV kan onder voorwaarden dit steunpercentage worden verhoogd tot maximaal 80%. Die voorwaarden zijn overgenomen in het tweede lid.
Dit maximum van 80% geldt ook voor niet-economische activiteiten. Dit zijn activiteiten die niet bestaan uit het aanbieden van goederen en/of diensten op een markt. Hoewel de subsidie voor dergelijke activiteiten niet aan te merken is als staatssteun en het in zoverre mogelijk zou zijn om een hoger percentage van die activiteiten te subsidiëren, wordt dit beleidsmatig niet wenselijk geacht.
Voor de vraag welke kosten voor subsidie in aanmerking komen, wordt verwezen naar artikel 25, derde lid, AGVV.
Als sprake is van een samenwerkingsverband (kennisteam), wijst het samenwerkingsverband op grond van artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit een persoon aan die namens het samenwerkingsverband de aanvraag doet.
Er zijn twee aanvraagronden. Om in aanmerking te komen voor een subsidie voor de eerste aanvraagronde kan de aanvraag worden gedaan vanaf 1 december 2026, 09.00 uur tot en met 4 maart 2027, 17.00 uur.
De aanvraag wordt ingediend bij de minister. Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van het door de minister digitaal beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Deze kan worden gevonden op de website van RVO. De minister is bevoegd om het aanvraagformulier tussen de eerste en tweede aanvraagronde te wijzigen. Dit is van belang, omdat bij de aanvraag aangegeven moet worden in hoeverre het kennisproject bijdraagt aan de opbouw van relevante kennis of ervaring over NBS. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake als de aanvraag ziet op een NBS die al wordt toegepast in hetzelfde landschapstype als waarop de aanvraag betrekking heeft.
Ter ondersteuning van de aanvrager, geeft de minister in het aanvraagformulier voorbeelden van relevante kennisvragen en relevante NBS. Deze voorbeelden zijn afgestemd met vertegenwoordigers van het overkoepelende programma NL2120. Het antwoord op de vraag in hoeverre een kennisproject of NBS van toegevoegde waarde is kan gedurende de looptijd van deze regeling veranderen. Door de tijd heen kunnen bepaalde kennisvragen en NBS relevanter worden en andere minder relevant, bijvoorbeeld omdat die vragen al beantwoord zijn. Het is wenselijk dat de minister bij de beoordeling van een aanvraag betrekt of met het kennisproject een actuele kennisvraag beantwoord wordt of dat beantwoording van die kennisvraag niet langer meerwaarde biedt. Ook is het wenselijk dat de minister bij de beoordeling betrekt welke NBS meer of minder relevant zijn. Daarom is het nuttig dat de minister de voorbeelden in het aanvraagformulier kan aanpassen als daar veranderingen in optreden. Dit is ook van belang voor de aanvrager, zodat hij een goed beeld heeft van de kennisvragen en NBS die de minister van toegevoegde waarde acht voor NL2120. Daarnaast kunnen eventuele onduidelijkheden in het formulier verbeterd worden.
In dit artikel zijn ook de gegevens en bescheiden opgenomen die bij de aanvraag ingediend moeten worden. Dit geldt naast de gegevens en bescheiden die op grond van de artikelen 10, vierde lid, en 26 van het Kaderbesluit ingediend moeten worden.
Het is mogelijk dat een living lab meerdere landschapstypen bestrijkt. In dat geval zal bij de aanvraag moeten worden aangegeven welke landschapstypen het betreft en wat het dominante landschapstype is binnen dat living lab.
In de situatie dat het kennisproject geheel of gedeeltelijk door een buitenlandse partij uitgevoerd zal worden, dient bij de aanvraag onderbouwd te worden dat die partij een substantiële vestiging heeft. Dit is opgenomen in het vierde lid, onderdeel a, onder iii. Een vestiging wordt beschouwd als ‘substantieel’, als de partij een vestiging in Nederland heeft van waaruit duurzaam kan worden deelgenomen aan het economisch verkeer in Nederland. Als daarvan geen sprake is of onvoldoende onderbouwd is, dan wordt de subsidieaanvraag afgewezen. Deze voorwaarde is opgenomen in de regeling om aan te sluiten bij de voorwaarde in het kader van het Nationaal Groeifonds dat de financiële middelen uit dit fonds bijdragen aan het duurzame verdienvermogen van Nederland. Hiermee wordt voorkomen dat deelnemende partijen die geen economische waarde voor Nederland hebben in aanmerking komen voor subsidie. Deelnemende partijen zonder economische waarde voor Nederland zijn bijvoorbeeld brievenbusmaatschappijen.
Bij het bovenstaande wordt met Nederland het land Nederland bedoeld. Daartoe behoren ook de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland). Dit is in lijn met de Tijdelijke wet Nationaal groeifonds, die mede van toepassing is op die openbare lichamen. De landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten vallen hierbuiten.
Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt in totaal € 3 miljoen.
Een subsidie heeft maximaal een waarde van € 500.000. De gedachte hierachter is dat het wenselijk is dat met de kennisprojecten brede kennis wordt opgedaan over de inzet van NBS in verschillende living labs en landschapstypen. Daarvoor is het nodig dat niet voor één maar voor meerdere kennisprojecten subsidies worden verleend.
Er is gekozen voor een verdeelsystematiek op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvragen (die eerst komt, eerst maalt). Hier zijn verschillende redenen voor. Dit proces is eenvoudiger en sneller dan een verdeling op volgorde van rangschikking (tender). Een tender is relatief complex en duur om te organiseren. Daar komt bij dat in deze regeling wordt uitgegaan van een openstellingsperiode van drie maanden om potentiële aanvragers voldoende tijd te geven een aanvraag in te dienen. Bij een tender kunnen de aanvragen pas worden beoordeeld na de sluitingsdatum van de aanvraagperiode. Bij een verdeling op volgorde van binnenkomst hoeft de minister de sluitingsdatum niet af te wachten. Dit heeft als voordeel dat kennisprojecten sneller van start kunnen gaan dan bij een tender het geval zou zijn.
Om bovenstaande redenen is gekozen voor een verdeelsystematiek op basis van volgorde van binnenkomst. Bij deze verdeelsystematiek geldt de datum waarop een volledige subsidieaanvraag is ingediend als datum van binnenkomst. Dit is geregeld in artikel 8, derde lid, onder a, van het Kaderbesluit. In het geval het subsidieplafond wordt bereikt op een dag waarop meerdere volledige subsidieaanvragen worden ingediend, voorziet artikel 8, derde lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit erin dat een afhandelvolgorde wordt vastgesteld door middel van een loting.
De gegevens die de aanvrager van de subsidie dient te overleggen sluiten aan bij de afwijzingsgronden. In het aanvraagformulier is concreet aangegeven welke gegevens de aanvrager dient te overleggen.
Onverminderd de algemene afwijzingsgronden uit de Awb en artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit, zijn in het eerste lid afwijzingsgronden opgenomen. Er is bepaald dat als een van deze gronden aan de orde is, de minister afwijzend beslist op de aanvraag.
Een grond voor afwijzing is als voor het hetzelfde kennisproject al een aanvraag is toegekend. Daarvan is in elk geval sprake als al een aanvraag bij de minister is binnengekomen voor een inhoudelijk identiek kennisproject.
Het is wenselijk dat de verdeling van de subsidiegelden niet te eenzijdig is, maar dat er enige mate van spreiding is over de verschillende landschapstypen. Daarom is ervoor gekozen om een aanvraag af te wijzen als die betrekking heeft op een landschapstype waarvoor in dezelfde aanvraagronde al twee aanvragen zijn toegekend.
De minister wijst een aanvraag af als de aanvrager over onvoldoende kennis of ervaring beschikt om het kennisproject uit te kunnen voeren. In het aanvraagformulier zal de minister concreet aangeven welke gegevens de aanvrager in dit kader dient te overleggen. Daarbij valt te denken aan het aanleveren van een lijst met relevante projecten die de aanvrager heeft uitgevoerd en de cv’s van de personen die het kennisproject zullen uitvoeren en/of begeleiden. Een voorbeeld van een geval waarin de minister de aanvraag zal afwijzen is wanneer het kennisproject zeer technisch van aard is en de uitvoering daarvan specifieke kennis vergt (bijvoorbeeld fysisch-ecologische kennis) maar de aanvrager niet kan aantonen dat hij over ervaring of kennis op dat vlak beschikt.
Een andere grond voor afwijzing is aan de orde als een aanvraag van onvoldoende kwaliteit is. Daarvan is onder andere sprake als het kennisproject niet SMART (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden) is, het kennisproject geen logische opbouw heeft of wanneer de aangeleverde tijdplanning niet realistisch is gelet op de omvang van het kennisproject.
Het is wenselijk dat een kennisproject bijdraagt aan de opbouw van relevante kennis of ervaring over NBS. Daarom is ervoor gekozen om een aanvraag af te wijzen als een kennisproject onvoldoende hieraan bijdraagt. Zoals in de toelichting bij artikel 5 is aangegeven, geeft de minister in het aanvraagformulier voorbeelden van relevante kennisvragen. Daarbij valt met name te denken aan vragen over fysisch-ecologische effectiviteit en impact, socio-economische aspecten, institutionele kansen en belemmeringen en implementatie en schaalbaarheid van een of meer NBS. Een voorbeeld van een geval waarin het kennisproject niet bijdraagt aan relevante kennis, is als de kennisvraag op basis van kwalitatief goed onderzoek al beantwoord is.
Bij de aanvraag moet de aanvrager toelichten wat de kans is dat de NBS waarop het kennisproject betrekking heeft, toegepast wordt in een living lab. Want hoewel het primaire doel is om kennis op te halen, is het van belang dat het kennisproject potentieel kan leiden tot de inzet van de NBS in een living lab. Is de NBS al in een living lab ingezet, dan is van belang dat het kennisproject potentieel kan leiden tot de inzet van de NBS in een ander living lab. Als bij voorbaat duidelijk is dat de kans klein is dat de NBS in een living lab zal worden ingezet, geeft dit reden om de aanvraag af te wijzen. In het aanvraagformulier geeft de minister voorbeelden van hoe de aanvrager aan kan tonen dat er voldoende kans is dat de NBS zal worden ingezet in een living lab. Dit kan bijvoorbeeld door te wijzen op een ruimtelijk plan of beleidsstuk van een gemeente of provincie waarin die de optie verkent om een NBS in te zetten en/of daarvoor budget reserveert.
De afwijzingsgrond in dit onderdeel houdt in dat indien blijkt dat de (co)financiering van het project niet aantoonbaar sluitend is, de minister afwijzend zal beslissen op de aanvraag. Bij de aanvraag wordt een projectbegroting ingediend aan de hand waarvan dit beoordeeld kan worden.
In deze leden zijn nadere regels opgenomen voor de beoordeling of een aanvraag ziet op een kennisproject met betrekking tot een landschapstype waarvoor in dezelfde aanvraagronde al twee aanvragen zijn toegekend (eerste lid, onderdeel d).
In het tweede lid is opgenomen dat bij deze beoordeling de volgorde van binnenkomst bepalend is. Hierbij geldt de datum waarop een volledige subsidieaanvraag is ingediend als datum van binnenkomst. Dit is geregeld in artikel 8, derde lid, onder a, van het Kaderbesluit. In het geval dat op een dag meerdere volledige subsidieaanvragen worden ingediend, voorziet het tweede lid erin dat een afhandelvolgorde wordt vastgesteld door middel van een loting.
Daarnaast is in het derde lid opgenomen dat bij een aanvraag voor een kennisproject met betrekking tot meerdere landschapstypen het dominante landschapstype bepalend is.
In dit artikel zijn de verplichtingen van de ontvanger opgenomen.
Om het doel als bedoeld in artikel 2 binnen de looptijd van de regeling te halen is het van belang dat de subsidieontvanger niet te lang wacht met de uitvoering van het kennisproject. Daarom voorziet het eerste lid erin dat subsidieontvanger binnen drie maanden na verlening van de subsidie moet starten met de uitvoering van het kennisproject.
Verder is de subsidieontvanger gedurende de uitvoering van het kennisproject verplicht om verslag uit te brengen over de voortgang. De subsidieontvanger moet dit jaarlijks doen; het eerste verslag over de twaalf maanden na de startdatum van het kennisproject en vervolgens elke twaalf maanden na het vorige verslag. De subsidieontvanger doet dit met een voortgangsverslag. Hiervoor stelt de minister een modelverslag beschikbaar. Dit model kan worden gevonden op de website van RVO. De subsidieontvanger dient dit verslag in bij de minister.
Daarnaast zijn in dit artikel aanvullende verplichtingen opgenomen voor het geval de ontvanger een kennisteam is en aan dat team een onderneming en onderzoeksorganisatie deelnemen. Deze verplichtingen zijn in lijn met paragraaf 2.2.2, onderdelen 28 en 29, van het O&O&I-steunkader en hebben primair tot doel om ervoor te zorgen dat de voordelen die een onderzoeksorganisatie geniet niet als indirecte staatssteun doorgegeven worden aan een onderneming waarmee de onderzoeksorganisatie in samenwerking activiteiten verricht.
Bij deelname van een publieke gefinancierde onderzoeksorganisatie aan een samenwerkingsverband is er sprake van deelname door een partij waarvan de faciliteiten vergaand met publiek geld zijn gefinancierd. Hierdoor kan sprake zijn van indirecte staatssteun. Het derde, vijfde, zesde en zevende lid moeten helpen bij de identificatie daarvan. Dat is onder meer het geval als sprake is van (exclusieve) overdracht door een publiek gefinancierde kennisinstelling van rechten op intellectueel eigendom of rechten op andere resultaten aan een deelnemende onderneming. Onder bepaalde in het Europese steunkader opgenomen omstandigheden ontstaat er een selectief voordeel voor een aan het kennisproject deelnemende ondernemer waarvan de waarde aangemerkt moet worden als indirecte staatssteun.
Het vierde en vijfde lid voorzien erin dat de penvoerder verplicht is om voorafgaand aan de start van het kennisproject aan de minister een overeenkomst voor te leggen waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het kennisteam is geregeld. In het geval er sprake is van of mogelijk sprake is van indirecte staatssteun, zal bij de subsidievaststelling moeten worden bezien of de waarde van de indirecte staatssteun in combinatie met de directe subsidie voor het kennisproject niet leidt tot overschrijding van door Europa vastgestelde steungrenzen. Indien sprake is van een dergelijke overschrijding, wordt op grond van het zesde lid de projectsubsidie verminderd tot een omvang waarbij directe en indirecte steun tezamen niet meer leiden tot overschrijding.
In dit artikel is de wijze van bevoorschotten geregeld. De minister verleent bij het besluit tot subsidieverlening een voorschot van 90%. Dit voorschot wordt lineair (verspreid) betaald over de looptijd van het kennisproject. Hierbij is het uitgangspunt dat het voorschot lineair per kwartaal wordt betaald, maar in concrete gevallen kan hiervan worden afgeweken.
Na vaststelling van de subsidie zal de resterende 10% worden betaald, indien aan de subsidieverplichtingen is voldaan.
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend bij de minister. Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van het door de minister digitaal beschikbaar gestelde model. Dit kan worden gevonden op de website van RVO. De inhoud van dit model sluit aan bij artikel 24 van het Kaderbesluit.
Op grond van artikel 4:24 Awb moet de minister ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag publiceren over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Voor de duidelijkheid is die verplichting in deze regeling opgenomen.
Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting.
Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 9 van het algemeen deel van deze toelichting.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-30528.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.