Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 augustus 2026, nr. BZ2630259, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships)

De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1, sub a, b, g, en h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1, sub a, b, g, en h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten van partnerschappen die gericht zijn op duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water en voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens als bedoeld in annex 1 van de bij dit besluit gevoegde beleidsregels, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2036 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships worden ingediend vanaf 7 december 2026 09:00 uur tot en met 15 februari 2027 17:00 uur Nederlandse tijd.

  • 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 51.000.000, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:

  • a. € 10.000.000 voor activiteiten gericht op het thema waterzekerheid en -veiligheid;

  • b. € 10.000.000 voor activiteiten gericht op het thema voedselzekerheid;

  • c. € 10.000.000 voor activiteiten gericht op het thema water-voedselzekerheid-nexus;

  • d. € 21.000.000 voor activiteiten gericht op het thema duurzame marktontwikkeling in specifieke sectoren en waardeketens gekoppeld aan specifieke partnerlanden (als bedoeld in annex 1 bij de bijlage bij deze beleidsregels).

Artikel 4

De verdeling van elk van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2037, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships.

Dit besluit zal met de bijlage en de bij de bijlage behorende annexen in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, P. Grotenhuis

BIJLAGE

1. Algemeen

1.1 Achtergrond

De beleidsbrief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 24 april 20262 vraagt om een hernieuwde inzet vanuit het ministerie op het gebied van water en voedselzekerheid, economische ontwikkeling en private sector development via publiek-private partnerschappen. Met sterke en gelijkwaardige economische partnerschappen, die met oog voor mens en milieu zorgen voor groei en welvaart in het mondiale Zuiden, kan Europa ook tegenwicht bieden aan de economische invloed van andere grote blokken. Daarbij wordt actief ingezet op gelijkwaardige partnerschappen en de Europese Global Gateway strategie3. De zogenaamde Dutch Diamond jaagt dit aan: overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties bundelen daarbij hun expertise op klimaatadaptatie, watermanagement, voedselzekerheid, biodiversiteit, energie, transport, financiering en gezondheid.

Eerder al is naar aanleiding van de motie Amhaouch van 6 juli 20234 toegezegd om te onderzoeken waar publiek-private programma’s kunnen worden opgeschaald om daarmee met Nederlandse kennis en kunde bij te dragen aan de lokale ontwikkeling van een duurzame agri- en watersector. De motie (Amhaouch) bouwt voort op al afgeronde programma’s van het ministerie, zoals het Subsidieprogramma Ghana WASH Window van Fonds Duurzaam Water (GWW) en het Subsidieprogramma Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV). Intussen lopen huidige programma’s van het Ministerie van Buitenlandse Zaken af, zoals het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit (SDGP) en het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water (FDW).

Met het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships (hierna: subsidieprogramma) wil de minister bijdragen aan activiteiten van publiek-private partnerschappen die zich richten op duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water, voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens (zie voor de specifieke sectoren en waardeketens per partnerland annex 1 bij dit subsidieprogramma), waarin Nederland waardevolle kennis en kunde heeft en Nederland tevens kennis en kunde opdoet door het werken in de partnerlanden. De partnerschappen richten zich op vragen en noden vanuit het partnerland. Een gunstig neveneffect kan zijn het versterken van het (toekomstige) Nederlandse verdienvermogen.

Nederland heeft wereldwijd een sterke reputatie op het gebied van watermanagement. Veel Nederlandse organisaties zetten hun kennis al in om partnerlanden te ondersteunen met innovatieve en duurzame oplossingen voor hun waterproblemen. Tevens doet Nederland ervaring op in de partnerlanden op bijvoorbeeld het gebied van droogte of overstromingen. Het subsidieprogramma biedt de mogelijkheid om krachten binnen de watersector tussen de overheden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en ondernemingen te bundelen, zodat landen beter kunnen omgaan met te veel, te weinig en te vies water, en zich kunnen wapenen tegen extreem weer.

Ook op het gebied van voedselzekerheid beschikken Nederlandse organisaties over waardevolle kennis en ervaring, bijvoorbeeld in duurzame landbouw, het ontwikkelen van sterk plantmateriaal en het verbeteren van bodemkwaliteit. In veel partnerlanden is er grote behoefte aan dit soort gespecialiseerde expertise. Via partnerschappen kan er kennis internationaal worden ingezet en onderling uitgewisseld. Zo wordt er een belangrijke bijdrage geleverd aan het versterken van voedselzekerheid wereldwijd, en ontstaan er ook nieuwe zakelijke kansen.

1.2 Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen5

Met partnerschappen gericht op voedselzekerheid wordt er direct bijgedragen aan SDG 2, door bijvoorbeeld duurzame landbouw en bodembeheer te versterken, de voedselkwaliteit te verbeteren, boeren economisch te ondersteunen en toekomstbestendige voedselsystemen op te bouwen.

Interventies gericht op waterzekerheid en waterveiligheid sluiten aan bij SDG 6 door schoon en voldoende water toegankelijk te maken, sanitaire voorzieningen te verbeteren, duurzaam watergebruik te bevorderen, watervoorzieningen te verbeteren, en gemeenschappen weerbaarder te maken tegen waterschaarste en overstromingen. Daarnaast wordt er een belangrijke bijdrage geleverd aan SDG 8, omdat een publiek-privaat-samenwerkingsverband kan zorgen voor aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, en waardig werk voor iedereen. Ook wordt invulling gegeven aan SDG 17 door met partnerschappen internationale samenwerking te stimuleren als motor voor alle duurzame ontwikkelingsdoelstellingen.

Het subsidieprogramma draagt direct bij aan SDG 2, 6 en 8. SDG 13 wordt nagestreefd doordat onder andere klimaatbestendige landbouw en duurzaam waterbeheer6 worden bevorderd, en de weerbaarheid van lokale gemeenschappen tegen klimaatverandering wordt vergroot. Verder is er aandacht voor biodiversiteit en ecosystemen (SDG 14 en 15), bijvoorbeeld door agroforestry, nature-based solutions, en geïntegreerd plaagbeheer te stimuleren en de uitgangspunten voor een Basiskwaliteit Natuur in acht te nemen. Ten slotte wordt gendergelijkheid SDG 5 versterkt door strategieën te stimuleren die gelijkwaardige toegang tot middelen, trainingen en markten bevorderen voor alle doelstellingen.

2. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:

Brancheorganisatie:

stichting of vereniging die krachtens haar statuten de belangen behartigt van haar leden, zijnde ondernemingen die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

Business case:

een analyse van een project waarin aan bod komt: de doelstelling (wat het project oplost of aanpakt), een analyse van marktkansen en -bedreigingen (haalbaarheid), de kosten en baten van het project, de risico’s en risicobeperkende maatregelen, en welke impact het project zal hebben en op welke gebieden;

Economische activiteit:

iedere activiteit waarbij goederen of diensten op een markt worden aangeboden;

Kennisinstelling:

een onderwijs- of onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan kennisuitwisseling. Om als kennisinstelling te kwalificeren moeten de kerntaken van de kennisinstelling onafhankelijk onderzoek en kennisoverdracht zijn, ongeacht of de kennisinstelling ook economische activiteiten uitvoert of behoort tot de overheid;

Lokale maatschappelijke organisatie:

een statutair in een partnerland gevestigde maatschappelijke organisatie, beschikkend over rechtspersoonlijkheid volgens het lokale recht geldend in het partnerland;

Lokale onderneming:

een onderneming beschikkend over private rechtspersoonlijkheid volgens het lokale recht geldend in het partnerland, en geregistreerd in het partnerland waar de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd worden uitgevoerd;

Lokale overheidsinstelling:

overheidsorganisatie in en van een partnerland; het gaat daarbij om instanties die wettelijke taken uitvoeren of het publieke belang dienen;

Maatschappelijke organisatie:

een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie, met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over private rechtspersoonlijkheid in het land waar de organisatie statutair is gevestigd, en ook als zodanig is geregistreerd. De organisatie is niet door een overheidsinstantie opgericht, dan wel is na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd;

minister:

de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen7:

algemene beginselen voor internationaal ondernemen die het uitgangspunt zijn voor het IMVO-beleid van de Nederlandse regering. De rode draad is het in acht nemen van de 'regels' van het land waar een onderneming actief is en verantwoord ketenbeheer. De OESO-richtlijnen bieden handvatten voor ondernemingen voor zaken zoals ketenverantwoordelijkheid, mensenrechten, kinderarbeid, milieu en corruptie. In de OESO-richtlijnen worden deze en andere begrippen nader gedefinieerd en uitgewerkt;

Onderneming:

een rechtspersoon die economische activiteiten uitvoert, niet zijnde een brancheorganisatie, kennisinstelling of maatschappelijke organisatie.

Partnerland:

land opgenomen in annex 1 bij dit subsidieprogramma, waar de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd worden uitgevoerd;

Partnerschap:

een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband, bestaande uit partners met ieder eigen rechtspersoonlijkheid, gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt;

Penvoerder:

de partner in een partnerschap die namens het partnerschap de subsidie aanvraagt. Als de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de (juridische) subsidieontvanger (de overige partners worden economische subsidieontvangers) en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen;

Sectorverandering:

een proces waarbij verschillende partijen samenwerken om een verschuiving teweeg te brengen binnen een sector. Deze verschuiving vindt plaats in samenwerking met de actoren van een partnerland en richt zich bijvoorbeeld op de wet- en regelgeving, onderwijs en voorlichting, import en export reguleringen, financiële instanties en elementen die in een enabling environment effect hebben op de voortgang.

4. Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships

4.1 Hoofdoel en subdoelen

Hoofddoel:

Het subsidieprogramma heeft als hoofddoel het versterken van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water, voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens (zie annex 1 bij dit subsidieprogramma), waar Nederland waardevolle kennis en kunde heeft – middels het werken in gelijkwaardige partnerschappen. Als positief neveneffect wordt verwacht dat het (toekomstige) Nederlandse verdienvermogen wordt versterkt op de thema’s voedselzekerheid, water en specifieke sectoren en waardeketens. Dwarsdoorsnijdend geldt dat de onderwerpen klimaat, gender en biodiversiteit van belang zijn.

Met de drie hieronder aan elkaar gerelateerde subdoelstellingen, voortkomend uit de verandertheorie (Theory of Change) van het subsidieprogramma (zie annex 2 bij dit subsidieprogramma), wordt ingezet op het verbeteren van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water, voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens (zie voor de specifieke sectoren en waardeketens per partnerland annex 1 bij dit subsidieprogramma) in partnerlanden.

Een Theory of Change (ToC) is een expliciete beschrijving van hoe en waarom een bepaalde interventie, in dit geval een project, naar verwachting zal leiden tot de gewenste verandering. Kernonderdelen van een Theory of Change zijn:

  • Impact / einddoel: de uiteindelijke verandering in de samenleving (bijvoorbeeld minder armoede, meer voedselzekerheid).

  • Uitkomsten (outcomes): gedrags- of systeemveranderingen bij doelgroepen of instituties (bijvoorbeeld boeren passen klimaatslimme technieken toe).

  • Outputs: directe resultaten van activiteiten (bijvoorbeeld aantal getrainde boeren, aangelegde irrigatiesystemen).

  • Activiteiten en inputs: wat concreet wordt gedaan en ingezet (middelen, personeel, budget).

  • Aannames: Voorwaarden waarvan wordt uitgegaan (bijvoorbeeld politieke stabiliteit, bereidheid van partners).

  • Causale logica: de redenering: als deze activiteiten worden uitgevoerd en de aannames kloppen, dan ontstaan deze outputs, die leiden tot deze outcomes en uiteindelijk tot de beoogde impact.

Een Theory of Change is dus zowel een denkkader om interventies te ontwerpen, en een visualisatie/tekst (bijvoorbeeld schema of narratief) waarin de causale keten en aannames expliciet worden gemaakt, als basis voor monitoring, evaluatie en bijsturing.

Subdoelen:

Een enabling environment creëren

Een enabling environment zorgt ervoor dat de juiste randvoorwaarden worden geschapen voor partnerschappen om hun producten, diensten en/of services te leveren aan de hand van innovatieve verdienmodellen en marketingstrategieën. Het is derhalve van belang om in te zetten op de elementen uit de enabling environment die de verbetering van de markt in een bepaalde sector hinderen. De interventies zullen dus deels gericht moeten zijn op sectorverandering. Dit zal gebeuren in nauwe samenwerking met de partnerlanden, specifieke overheden en andere donoren. Het is belangrijk om vanaf het begin brede partnerschappen te vormen met relevante lokale stakeholders die invloed kunnen uitoefenen om hindernissen te verminderen.

De ontwikkeling van producten en diensten verbeteren

Wanneer publieke en private organisaties samen met kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties uit Nederland en partnerlanden langjarige partnerschappen vormen, en daarbij vraaggestuurd en op bewijs van effectiviteit gebaseerd te werk gaan, kunnen zij betaalbare, duurzame en klimaatbestendige producten en/of diensten ontwikkelen die aansluiten bij de lokale context en concrete behoeften. Deze producten en diensten zijn gericht op het oplossen van uitdagingen rondom waterzekerheid en waterveiligheid, dan wel op het verbeteren van voedselzekerheid.

Marktontwikkeling versterken

Het gaat om het in de praktijk testen, aanpassen en opschalen van inclusieve business cases en de link met de markt te versterken. Om de beoogde producten en/of diensten langdurig aan de samenleving te kunnen leveren, is het belangrijk dat er inclusieve, financieel haalbare en rendabele business cases van partnerschappen inclusief begunstigden, door de markt wordt opgenomen.

4.2 Begunstigden

Met het subsidieprogramma wil de minister de doelgroep in de partnerlanden (begunstigden) ondersteunen die baat heeft bij de beoogde verbetering van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water en voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens in partnerlanden.

Deze doelgroep kan onder meer bestaan uit:

  • a. Producenten en dienstverleners (kleine en middelgrote) van voedsel, water en niet-voedsel (katoen, hydro), zoals boeren, veetelers, nomaden en vissers;

  • b. Gebruikers van diensten en producten die binnen een project worden verbeterd;

  • c. Producenten en dienstverleners (zie a), consumenten, kleine en middelgrote organisaties die baat hebben bij de beoogde verbetering van waterveiligheid en -zekerheid en voedselzekerheid en de specifieke andere sectoren en (delen van) specifieke waardeketens.

  • d. Kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en publieke actoren die geen deel uitmaken van het partnerschap en zich naar aanleiding van de activiteiten onder het subsidieprogramma gaan toeleggen op kennisoverdracht en capaciteitsversterking in de partnerlanden.

Met betrekking tot producenten en gebruikers van voedsel, water en in specifieke waardeketens, is het van belang dat er in het bijzonder aandacht is voor vrouwen en minderheden.

4.3 Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Met het subsidieprogramma wil de minister partnerschappen ondersteunen die activiteiten gaan uitvoeren die gericht zijn op het versterken van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water en voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens. Subsidies worden aangevraagd door een penvoerder namens een partnerschap.

De rol van penvoerder wordt vervuld door een organisatie met een statutaire zetel in Nederland of een organisatie met een statutaire zetel in het buitenland én een vestiging of vaste inrichting in Nederland. De penvoerder moet zelf ook belang hebben bij het behalen van de doelen.

Het partnerschap bestaat uit maximaal zes partners en omvat in ieder geval:

  • één onderneming met een statutaire zetel in Nederland of een onderneming met een statutaire zetel in het buitenland én een vestiging of een vaste inrichting in Nederland;

  • één lokale organisatie (een lokale maatschappelijke organisatie of lokale kennisinstelling of een lokale onderneming);

  • één maatschappelijke organisatie of één kennisinstelling (lokaal of niet-lokaal);

  • één lokale overheidsinstelling, die onderdeel is van het partnerschap dan wel, als deze niet direct de partnerschapsovereenkomst kan ondertekenen, de intentie moet uiten om de partnerschapsovereenkomst binnen drie maanden na subsidieverlening te ondertekenen (zie paragraaf 6.1).

Brancheorganisaties kunnen ook als partner deelnemen in een partnerschap, maar partnerschappen dienen niet per se een brancheorganisatie als partner te hebben.

In het bijzonder voor een partnerschap onder het thema water-voedselzekerheid-nexus geldt dat het partnerschap moet bestaan uit organisaties die komen uit zowel de sectoren water als voedselzekerheid.

Voor elk partnerschap geldt dat de statutaire doelstelling van de partners moet passen bij het doel van de subsidieverstrekking en dat de partners in staat moeten zijn tot een adequaat financieel beheer, en door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten kunnen waarborgen8.

Een organisatie kan per openstelling maximaal bij twee aanvragen als penvoerder in aanmerking komen voor een subsidie. Deelname als partner niet zijnde penvoerder in andere aanvragen (in diezelfde openstelling) is toegestaan. Als een partner betrokken is bij meerdere aanvragen (dan wel als penvoerder, dan wel als partner niet zijnde penvoerder) dan moeten deze aanvragen wel verschillende partnerlanden of verschillende thema’s betreffen. Een partner mag dus per partnerland en per thema maar betrokken zijn bij één aanvraag. Als hieraan niet wordt voldaan, wordt alleen de eerst ingediende aanvraag in behandeling genomen en de later ingediende aanvraag/aanvragen afgewezen.

In de referentieperiode van de afgelopen vijf boekjaren (peilmoment: datum indienen aanvraag) is gemiddeld ten minste 50% van de totale jaarlijkse inkomsten9 van de penvoerder afkomstig uit andere bronnen dan subsidie of bijdragen (direct of indirect verkregen) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Als in deze periode gemiddeld meer dan 50% van de totale jaarlijkse inkomsten van de penvoerder afkomstig is uit directe en indirecte subsidies of bijdragen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, kan de betreffende organisatie per openstellingsronde slechts één keer in aanmerking komen voor subsidie, hetzij als penvoerder, hetzij als partner.

4.4 Adviestraject

Als een penvoerder overweegt namens een partnerschap een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt dat eerst een verplicht adviestraject moet worden gevolgd, aan de hand van een daartoe ingediende quick scan. De quick scan is een uitgewerkt idee op een van de vier thema’s volgens een door RVO opgesteld model10.

Het adviestraject eindigt met een advies van RVO aan de penvoerder. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de penvoerder om vervolgens wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de penvoerder besluit om een aanvraag in te dienen (zowel bij positief als negatief advies), is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de penvoerder om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen wordt voldaan.

Aangezien met de verwerking van een ingediende quick scan door RVO maximaal acht weken is gemoeid en met het gekregen advies na de quick scan de aanvraag verder moet kunnen worden ontwikkeld, dient een quick scan uiterlijk zestien weken vóór de sluitingsdatum van de betreffende openstellingsronde worden ingediend.

4.5 Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten die bijdragen aan één gezamenlijk doel (ook wel te noemen: project).

Het project moet bijdragen aan de doelen beschreven in paragraaf 4.1 en gericht zijn op één van volgende thema’s a tot en met d, die hierna worden toegelicht. Waarbij zij opgemerkt dat klimaat een belangrijk dwarsdoorsnijdend thema is dat van belang is bij alle projecten.

  • a. Water

  • b. Voedselzekerheid

  • c. Water – Voedselzekerheid – Nexus

  • d. Duurzame marktontwikkeling in specifieke andere sectoren en waardeketens gekoppeld aan specifieke partnerlanden (zie annex 1 bij dit subsidieprogramma).

Een aanvraag onder thema a, b, c en d heeft betrekking op één partnerland zoals opgenomen in annex 1 bij dit subsidieprogramma, tenzij:

  • een aanvraag ziet op verbeterd grensoverschrijdend stroomgebied-beheer rond een rivier, stroomgebied, meer of ecosysteem dat zich uitstrekt over meerdere partnerlanden;

  • een aanvraag ziet op activiteiten die rechtstreeks aansluiten bij een van de Nederlandse Global Gateway- flagship projecten: de Northern Corridor en Lobito corridor11 die zich uitstrekt over meerdere partnerlanden; of

  • overtuigend gemotiveerd is dat een meerlandenaanpak noodzakelijk is voor de uitvoering van de voorgestelde activiteiten.

Een aanvraag onder thema d kan uitsluitend betrekking hebben op een combinatie van partnerland en sector of waardeketen zoals opgenomen in de annex 1 bij dit subsidieprogramma.

a. Water

Bij het thema water gaat het om het bijdragen aan waterveiligheid en waterzekerheid. Dit betreft zowel de toegang tot water, als het mitigeren van waterrisico’s (te veel, te weinig, te vies). Dit thema omvat onder andere het verbeteren van toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen (WASH), watermanagement en databeheer (in industriële sectoren) en water governance en integraal waterbeheer (IWRM). Het omgaan met waterrisico’s in de landbouw of voedselverwerking is een onderdeel van het thema water-voedselzekerheid-nexus (zie verderop onder c.).

Voorbeelden:

– Drinkwater en sanitatie (WASH): toegang tot veilig drinkwater, sanitaire voorzieningen en hygiëne. Introductie van verbeterde en betaalde water services. Introductie van circulaire modellen (bijvoorbeeld faecal sludge management).

– Digitalisering en datamanagement voor integraal waterbeheer: implementeren van beslissingsondersteunende systemen of early warningssystemen, en/of monitoring strategieën.

– Goed waterbeheer in industrie: sector breed implementeren van efficiënt watergebruik en afvalwaterzuivering.

– Waterveiligheid en deltamanagement: bescherming tegen overstromingen, kustbescherming, dijken, deltaprogramma’s, stedelijke waterveiligheid.

– Stedelijk water / afvalwater: riolering, afvalwaterzuivering, stedelijke drainage, waterkwaliteit.

– Water en klimaatadaptatie: droogte, overstromingen, weerbaarheid van kwetsbare gebieden, nature‑based solutions.

b. Voedselzekerheid

Bij het thema voedselzekerheid gaat het om het bijdragen aan lokale voedselzekerheid. Onder voedselzekerheid wordt verstaan: beschikbaarheid (voldoende voedselproductie), toegang tot voldoende en kwalitatief voedsel voor iedereen, het juiste gebruik van voedsel, betaalbaarheid van voedsel voor iedereen en de stabiliteit van de voedselmarkt. Verduurzamen van exportketens voor mondiale voedselzekerheid en niet voedselgewassen (zoals koffie en cacao) kan worden meegenomen, mits kan worden aangetoond dat de inzet een toegevoegde waarde heeft voor de lokale markt en de lokale voeding.

Voorbeelden:

 

Duurzame en klimaatbestendige landbouwproductie

– Verhoging van productiviteit (smallholders, kleinschalige boeren), met nadruk op water smart good agricultural practices.

– Zaden, bemesting, gewasbescherming, agro-ecologie.

– Diversificatie van productie (tegengaan monoculturen) en regeneratieve landbouw.

 

Markten, waardeketens en private sector

– Verbeteren van toegang tot markten (lokale en regionale markten).

– Verbeterde verwerking, transport en logistiek: reductie van voedselverspilling en voedselverlies.

 

Voeding en voedingsstatus (nutrition)

– Kwaliteit van voeding, niet alleen hoeveelheid.

– Ondervoeding, micronutriëntentekorten, stunting bij kinderen.

– Vaak koppeling met gezondheidszorg, WASH en gender.

 

In de voorbeelden is bestuur, landrechten en inclusie van belang. Dit betreft bijvoorbeeld bijdragen aan beleidskaders, opbouw van instituties en landbouw- en voedselbeleid.

c. Water – Voedselzekerheid – Nexus

Bij het thema water-voedselzekerheid-nexus gaat het om via een geïntegreerde aanpak werken aan goed watermanagement en duurzaam watergebruik in de landbouw- en voedselsector. Dit vraagt om samenwerking tussen actoren van de volgende sectoren: water en voedselzekerheid. De samenwerking tussen de verschillende sectoren (en dus deelname van partners uit deze sectoren aan het partnerschap, zie paragraaf 4.3) is een vereiste voor dit thema en verduidelijkt tegelijkertijd de afbakening tussen de vier thema’s. Daarnaast vraagt dit thema om een landschapsbenadering. Efficiënt watergebruik in het teeltproces en in de waardeketen is belangrijk, maar niet voldoende. Er is een systeembenadering nodig die kijkt naar de totale waterbeschikbaarheid (op stroomgebiedsniveau) in relatie tot het watergebruik. Hiermee wordt geborgd dat systeemgrenzen niet worden overschreden en dat alle gebruikers (waaronder ook biodiversiteit en ecosystemen) toegang hebben tot voldoende water van goede kwaliteit.

Voorbeelden:

– Waterbeheer / geïntegreerd waterbeheer (IWRM): beheer van rivieren, grondwater, stroomgebieden, waterverdeling tussen gebruikers (landbouw, huishoudens, industrie, natuur).

– Water en landbouw / irrigatie: efficiënt watergebruik in de landbouw, irrigatiesystemen, klimaat slimme landbouw. Dit betreft het landschapsniveau, en niet de individuele boer. Inclusief water governance, water harvesting en bodembeheer.

– Gebruik van waste water in landbouw: regulering en duurzame implementatie van bewezen technologieën.

– Verzilting: preventie en adaptatie aan verzilte bodems en water.

d. Duurzame marktontwikkeling in specifieke andere sectoren en waardeketens gekoppeld aan specifieke partnerlanden

Bij het thema duurzame marktontwikkeling in specifieke sectoren en waardeketens gaat het om de marktontwikkeling van specifieke sectoren en (delen van) waardeketens in bepaalde partnerlanden. In annex 1 bij dit subsidieprogramma is de lijst met landen in combinatie met specifieke prioritaire sectoren en waardeketens opgenomen, waarop aanvragen kunnen worden ingediend. Deze lijst is gebaseerd op de beleidsprioriteiten van de minister, de doelen van de partnerlanden en de Meerjaren Landen Strategieën (MLS) van de ambassades.

4.6 Niet-subsidiabele activiteiten

In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor activiteiten:

  • gericht op proselitisme;

  • waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn;

  • met een commercieel doel;

  • waarvoor al direct of indirect subsidie of een bijdrage wordt ontvangen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

  • van organisaties die reeds een instellingssubsidie ontvangen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gedurende de looptijd van het subsidieprogramma;

  • die leiden tot (significante) schade aan biodiversiteit en klimaat en milieu;

  • in de financiële sector (zoals financieringsmodellen, revolverende fondsen), uitgezonderd verzekeringssystemen en ontwikkeling van specifieke krediet producten in partnerlanden;

  • bestaande uit productonderzoek en ontwikkeling (geen innovatie in de zin van onderzoek en ontwikkeling, dus het product of de dienst moet al bewezen zijn met het oog op opschaling);

  • bestaande uit eenmalige trainingen die los staan van de meerjarige activiteiten;

  • bestaande uit export of investeringen, waaronder investeringen die binnen een commercieel aanvaardbare termijn kunnen worden terugverdiend of commercieel kunnen worden gefinancierd;

  • waarin direct of indirect vrijwillige koolstofkredieten (carbon credits) worden gegenereerd.

Voorts wordt geen subsidie verleend voor steenkolenprojecten en voor de exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland, noch voor activiteiten op bestaande voorraden olie en gas, behalve daar waar sprake is van verbetering van de milieuprestatie en/of veiligheid en/of gezondheid en op voorwaarde dat de economische levensduur van de fossiele infrastructuur niet wordt verlengd.

4.7 Looptijd van de activiteiten

De activiteiten hebben een looptijd van maximaal 60 maanden (5 jaar). De activiteiten moeten starten binnen drie maanden na subsidieverlening.

De eerste uitvoeringsfase bestaat uit een zogenoemde inceptiefase. Deze fase gaat in op de dag van de startdatum van het project en heeft meestal een looptijd van zes maanden. De inceptiefase is bedoeld om de verdere uitvoering van het project nader vorm te geven alvorens daadwerkelijk grote investeringen te gaan doen in de daarop volgende implementatiefase. Denk bijvoorbeeld aan het nader vastleggen van afspraken binnen het partnerschap, het plan voor monitoring, evaluatie en leren (MEL) verder uitwerken of specifiek het verkrijgen van vergunningen of een milieu- en sociale effectbeoordeling. Ook kan het zijn dat enkele project-specifieke MVO-onderwerpen die bij de aanvraag nog onzeker waren moeten worden geadresseerd en gemitigeerd tijdens de inceptiefase. De inceptiefase is afgerond als alle voor deze fase geplande activiteiten zijn uitgevoerd en de daarmee beoogde resultaten zijn behaald.

4.8 Omvang van de subsidie

Per project geldt dat:

  • de subsidie maximaal 70% van de totale subsidiabele kosten is;

  • de aangevraagde subsidie minimaal € 500.000 en maximaal € 3.000.000 is;

  • ten minste 30% van de totale subsidiabele kosten door het partnerschap zelf gefinancierd wordt (eigen bijdrage, zie hierna).

Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door het partnerschap zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel ‘de eigen bijdrage’ genoemd.

De eigen bijdrage mag voor dit subsidieprogramma enkel bestaan uit de inzet van de partners door middel van eigen uren (in-kind bijdrage) en eigen geld (in cash bijdrage: een betaling door een partner ten behoeve van het project).

Voor de in-kind bijdrage onder dit subsidieprogramma geldt dus dat er door anderen aan de partners geschonken vaste activa12 niet kunnen worden ingezet om te voldoen aan het vereiste van de eigen bijdrage in de kostenbegroting van het project.

De eigen bijdrage mag ook niet worden gefinancierd met middelen die direct of indirect zijn verkregen door middel van een subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

5. Subsidiabele kosten

5.1 Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten per partner die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie, gelden de volgende uitgangspunten:

  • kosten moeten aantoonbaar redelijk, logisch en noodzakelijk13 zijn;

  • kosten moeten naar hun aard passend zijn bij de betreffende partner die de kosten maakt;

  • kosten moeten direct gerelateerd zijn aan de uitvoering van het project en mogen geen onvoorziene kosten zijn;

  • kosten moeten worden gemaakt na de indiening van de aanvraag;

  • kosten worden zonder winstopslag in aanmerking genomen, met uitzondering van aan derden verschuldigde kosten die direct voor het project worden gemaakt (hierna: kosten derden) waarvoor een marktconforme factuur is ontvangen;

  • kosten worden aan lokale maatstaven en op redelijkheid getoetst;

  • voor kosten van projectmanagement en coördinatie, zowel onder personeelskosten als kosten derden, geldt een maximum van 20% van de totale subsidiabele kosten;

  • kosten gemaakt na de datum waarop de uitvoering van het project is afgerond zijn niet subsidiabel, met uitzondering van kosten voor de verplichte controle door een externe, onafhankelijke accountant ten behoeve van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie;

  • uit het project verkregen opbrengsten worden in mindering gebracht op de subsidiabele kosten, bijvoorbeeld opbrengsten uit training en advies.

5.2 Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn de volgende door (een van) de partners zelf te maken kosten voor het project:

  • a. Personeelskosten, op basis van één van de volgende berekeningsmethodes:

    • het aantal uren dat de direct bij het project betrokken personen ten behoeve van het project hebben gemaakt berekend op basis van een loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, waarbij de directe loonkosten per uur worden vermeerderd met een vaste opslag voor indirecte kosten van 50%.

    • het aantal uren dat de direct bij het project betrokken personen ten behoeve van het project hebben gemaakt berekend op basis van een door RVO goedgekeurde integrale kostensystematiek14, waarbij gebruik wordt gemaakt van een tarief per eenheid van een kostendrager waarin de directe en indirecte kosten per kostendrager zijn verwerkt (kostendragers zijn bijvoorbeeld personeels-/arbeidsuren, apparaat/machine-uren, output van apparaten en machines en verbruikte materialen) en die is gebaseerd op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen en stelselmatig wordt toegepast.

  • b. Kosten van vaste activa voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project, met uitzondering van grond en bestaande gebouwen. Hierbij kan sprake zijn van één van de volgende situaties:

    • Wanneer de vaste activa niet tijdens de volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als voor subsidie in aanmerking komende kosten beschouwd. De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de aanschafprijs, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met eventuele aanpassingskosten.

    • Alleen als vaste activa binnen de projectperiode worden aangeschaft met als doel om aan het einde van de projectperiode te schenken aan een lokale organisatie, niet partner zijnde, mag de aanschafprijs van de activa (factuurbedrag) worden opgevoerd op de begroting. Hiervoor moet bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een verklaring van activa-overdracht worden bijgevoegd.

  • c. Kosten derden: kosten van voor het project geleverde producten, materialen en diensten door derden waarvoor een factuur wordt ontvangen. Hieronder vallen ook de internationale reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class.

  • d. Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen maal de logies- en overige kosten conform de Tarieflijsten verblijfkosten buitenlandse dienstreizen, geldend op de startdatum van het project15. Ook extra reis- en verblijfkosten kunnen vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag.

5.3 Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

  • omzetbelasting (btw) voor zover dit geen kostenpost is (btw is geen kostenpost voor partners die btw-plichtig zijn voor de subsidiabele activiteiten en deze btw-kosten kunnen verrekenen met de Belastingdienst);

  • kosten van productonderzoek en ontwikkeling, uitgezonderd demonstratie activiteiten;

  • kosten voor operationele goederen/diensten/activiteiten;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • licentiekosten;

  • kosten voor de aankoop van grond en bestaande gebouwen;

  • kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom;

  • kosten gemaakt door niet-partners, anders dan kosten van derden die door de partners worden betaald op basis van facturen voor aan hen geleverde producten, materialen of diensten.

6. Aanvraag

6.1 Vereisten

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.

De aanvraag bevat in ieder geval:

  • Het referentienummer van het ontvangen RVO-advies op de quick scan;

  • Projectplan, in lijn met wat hiervoor is opgenomen in paragraaf 4.5, waarin onder andere ook een business case is opgenomen, het plan voor het monitoren, de evaluatie en het leren (MEL), een expliciete beschrijving van het hoe en het waarom het project naar verwachting zal leiden tot de gewenste verandering, alsmede waarbij invulling is gegeven aan de indicatoren zoals opgenomen in de annex 3 van dit subsidieprogramma.

  • Een toelichting over het klimaattransformatief en klimaatbestendig zijn van het project;

  • Partnerformulieren (de gegevens van de partners en machtiging van de penvoerder om namens de partners op te treden);

  • Begroting van de kosten van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, met daarbij de financiering van de eigen bijdrage (opbrengsten), uitgesplitst per partner;

  • Voor de partners die voor de berekening van de uurtarieven gebruik maken van de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek: een recente verzamelloonstaat die een gecumuleerd overzicht geeft van alle loongegevens van het personeel dat voor het project wordt ingezet;

  • Voor de penvoerder wat in de afgelopen vijf boekjaren gemiddeld aan de totale jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit andere bronnen dan subsidie of bijdragen (direct of indirect verkregen) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • De meest recente door een externe, onafhankelijke accountant gecontroleerde jaarrekening van de penvoerder over jaren T-1 en T-2. Als er over één of beide jaren geen gecontroleerde jaarrekeningen beschikbaar zijn, dan volstaat voor deze jaren een niet-gecontroleerde jaarrekening. In het geval dat het partnerschap de eigen bijdrage financiert uit eigen middelen van (een van) de partners en de individuele bijdrage(n) van de partner(s) in kwestie per partner € 25.000 of meer bedraagt, zijn deze documenten ook van de partner(s) in kwestie nodig (in het Nederlands of Engels);

  • Een liquiditeitsprognose per partner en per jaar;

  • Ondertekende partnerschapsovereenkomst die de medewerking van de partners aan de uitvoering van de activiteiten, de rolverdeling en de naleving door de partners onderling van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving jegens de minister van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen;

  • Indien van toepassing als een lokale overheidsinstelling niet direct de partnerschapsovereenkomst kan ondertekenen: Een ondertekende intentieverklaring met de intentie om de partnerschapsovereenkomst binnen drie maanden na subsidieverlening te ondertekenen.

Tevens moeten de partners verklaren op de hoogte te zijn en te zullen handelen naar de OESO richtlijnen. Ook dienen de partners op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op die lijst staan16. De partners dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De partners dienen feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO. Wanneer over een onderneming een melding is (of wordt) ingediend bij het Nederlands Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen, moeten ondernemingen dit melden bij RVO en medewerking verlenen aan het NCP.

Bij het indienen van de aanvraag wordt aan de Nederlandse ondernemingen gevraagd een MVO-zelfscan naar waarheid in te vullen. Het invullen van deze korte vragenlijst is verplicht; het biedt inzicht in de stappen van gepaste zorgvuldigheid en de toepassing hiervan door de onderneming. RVO kan naar aanleiding van de ingevulde MVO-zelfscan contact met de onderneming opnemen.

De partners moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. De partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.

6.2 Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen.

Daarbij geldt ook dat hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot afwijzing van de subsidieaanvraag.

Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Als onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

7.1 Beoordeling en verdeling

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de in paragraaf 4 tot en met 6 opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de criteria in paragraaf 7.2. Daaraan moet in voldoende mate (ten minste 70 punten van de maximaal 100 te behalen punten) worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Ook geldt dat er ten minste een minimum aantal punten per criterium moet worden behaald ten einde te kunnen kwalificeren voor subsidie, zie daarover nader paragraaf 7.2.

De verdeling van de subsidiemiddelen vindt per plafond per thema (zie paragraaf 4.5) plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit. De kwaliteit wordt beoordeeld door middel van beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 7.2. Aanvragen worden beoordeeld per thema waaronder ze worden ingediend. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen per thema op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste voldoende kwaliteit zijn, worden niet meegenomen in deze rangschikking.

In geval het honoreren van twee of meer aanvragen met een even hoge score zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond voor het thema waarop de aanvragen betrekking hebben, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag wordt gehonoreerd.

De besluitvorming over al dan niet toekenning van subsidie volgt uiterlijk binnen 22 weken na de sluitingsdatum van de openstelling.

7.2 Criteria

De hiernavolgende criteria zijn van toepassing, waarbij de puntentoekenning afhankelijk is van de mate waarin er aan de (sub)criteria wordt voldaan. Er geldt daarbij een minimumaantal te behalen punten per criterium.

1. Beleidsbijdrage (minimaal 30 – maximaal 40 punten)

  • a. De mate waarin het project bijdraagt aan de te behalen doelstellingen van het thema (zie paragraaf 4.5) waarop de aanvraag zich richt.

  • b. De mate waarin het project positieve resultaten oplevert voor de doelgroep en aansluit op de behoeften van de doelgroep.

  • c. De mate waarin het project aansluit op (i) het beleid van het partnerland op het thema waarop de aanvraag zich richt, (ii) het voor dit thema relevante Nederlands beleid én (iii) de meerjarenplannen (samenvatting) van de Nederlandse ambassade op dit thema.17

  • d. De mate waarin het project bijdraagt aan klimaatadaptatie en/of klimaatmitigatie.

  • e. De mate waarin gender is meegenomen in het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van het programma.

  • f. De mate waarin het project bijdraagt aan het verminderen van druk op het natuurlijke systeem (biodiversiteit).

  • g. De mate waarin het project een bijdrage levert aan sectorverandering in het partnerland (via het creëren van de juiste randvoorwaarden, verbeterde diensten en/of producten en marktontwikkeling).

  • h. De mate waarin wordt aangetoond dat er inzicht is in andere, soortgelijke activiteiten op het thema, en de mate waarin de voorgestelde activiteiten daarop additioneel zijn.

  • i. De mate waarin de markt in een partnerland niet wordt verstoord18.

2. Partnerschap (minimaal 20 – maximaal 30 punten)

  • a. De mate waarin het partnerschap de juiste vorm/samenstelling heeft met het oog op de te behalen projectdoelstellingen.

  • b. De mate waarin elke partner in staat is een (substantiële) bijdrage te leveren aan het realiseren van de projectdoelstellingen.

  • c. De mate waarin de partners, en in het bijzonder de penvoerder, beschikken over de relevante en benodigde expertise, positie en organisatorische capaciteit om invloed uit te oefenen op de besluitvorming en hun rol binnen het project uit te kunnen voeren.

  • d. De mate waarin binnen het partnerschap heldere afspraken zijn gemaakt over de rolverdeling, besluitvorming, verantwoordelijkheden en onderlinge samenwerking en over sancties bij niet-functioneren van een van de partners.

  • e. De mate waarin sprake is van voldoende lokaal draagvlak en lokale borging om het project uit te voeren en uiteindelijk te schalen; hierbij wordt gekeken naar inzicht in de mogelijke gevolgen voor lokale belanghebbenden, lokale markten en lokale sectoren, inclusief de voor het project relevante lokale publieke actoren.

3. Plan van aanpak (minimaal 20 – maximaal 30 punten)

  • a. De mate waarin de binnen het project vormgegeven activiteiten zijn gebaseerd op een gedegen en accurate context-, stakeholder- en probleem- en risicoanalyse met oog voor grondoorzaken (sociale, ecologische en economische aspecten).

  • b. De mate waarin het projectplan effectief en efficiënt is en sprake is van een heldere projectplanning van activiteiten en duidelijke, reële en meetbare resultaten (zowel kwantitatief als kwalitatief).

  • c. De mate van een redelijke en realistische projectbegroting, waarbij wordt gelet op de verhouding tussen kosten en de beoogde impact van de activiteiten, zowel kwalitatief als kwantitatief en waarbij value-for-money centraal staat.

  • d. De mate waarin het waarschijnlijk is dat de projectinterventie leidt tot het realiseren van de projectdoelstellingen, zoals beschreven in een interventielogica (zie annex 3 bij het subsidieprogramma).

  • e. De mate waarin het plan voor monitoring, evaluatie en leren (MEL) zodanig is ingericht dat deze de voortgang van het project bewaakt, hierover op transparante wijze verantwoording mogelijk maakt en als basis dient voor tijdige aanpassing van activiteiten binnen de vereisten van dit subsidieprogramma.

  • f. De mate waarin het project financieel duurzaam is, blijkend uit de inclusieve business case van het partnerschap, de doelgroep en de private organisatie die partner is van het partnerschap.

  • g. De mate waarin de belangrijkste MVO-risico’s in kaart zijn gebracht en er maatregelen zijn geformuleerd om de belangrijkste MVO-risico’s te mitigeren.

  • h. De mate waarin het project in overeenstemming is met de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en de mate waarin overtuigend wordt onderbouwd dat het project geen negatieve effecten zal hebben op milieu, biodiversiteit, arbeidsomstandigheden, land- en mensenrechten en dierenwelzijn.

  • i. De mate waarin het project kan worden opgeschaald of in aanmerking kan komen voor vervolgfinanciering van grote investeringsorganisaties of internationale financieringsinstellingen.

Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Door verificatie kan er ook informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden.

RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling advies inwinnen bij externe experts, zoals bijvoorbeeld Invest International in het kader van de beoordeling van de business case, en de ambassades.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in het subsidieprogramma of indien de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend zijn.

9. Toezicht

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren en waar mogelijk monitoren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

10. Verplichtingen

In de subsidieverleningsbeschikking worden onder andere over de volgende zaken verplichtingen voor de subsidieontvanger opgenomen:

  • Een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten en het naleven van OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen.

  • Over verantwoordingsrapportages, zoals inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages in het kader van de International Aid Transparency Initiative (IATI)19.

  • Het geen gebruik mogen maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid.20 De subsidieontvanger moet eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij henzelf of partners eveneens onverwijld te melden bij RVO.

  • Een externe evaluatieverplichting bij een projectomvang groter dan vijf miljoen euro.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de penvoerder te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,08% bedraagt.

Annex 1 – Partnerlanden, sectoren en waardeketens

Partnerlanden voor aanvragen onder thema a tot en met c

  • 1. Bangladesh

  • 2. Benin

  • 3. Colombia

  • 4. Ivoorkust

  • 5. Egypte

  • 6. Ethiopië

  • 7. Ghana

  • 8. India

  • 9. Indonesië

  • 10. Irak

  • 11. Jordanië

  • 12. Kenia

  • 13. Libanon

  • 14. Marokko

  • 15. Mozambique

  • 16. Nigeria

  • 17. Senegal

  • 18. Zuid-Afrika

  • 19. Tunesië

  • 20. Uganda

  • 21. Vietnam

Partnerlanden voor aanvragen onder thema d

Voor aanvragen voor het thema duurzame marktontwikkeling in specifieke sectoren en waardeketens gekoppeld aan specifieke partnerlanden geldt:

Partnerland

DDE sectoren/ketens

Bangladesh

Maritiem

Tuinbouw

Circulaire textiel

Colombia

Kustbescherming/water (innovatieve water technologieën, sub-sectoren, debries clean-up technologieën, environmental monitoring, afvalwater management en drinkwateroplossingen)

Landbouw (avocado + koffie)

Energie

Egypte

Landbouw

Tuinbouw (groente, fruit)

Ghana

Cacao

Tuinbouw

India

Landbouw

Tuinbouw

Afvalmanagement

CRM

Indonesië

Tuinbouw (open en bedekte teelt en zaadsector ontwikkeling) Palmolie

CRM

Ivoorkust

Cacao

Tuinbouw (groente, aardappel, cashew)

Marokko

Tuinbouw x water

Landbouw

Nigeria

Zonne-energie

Tuinbouw en aardappel

Kenia

Agrologistiek

LSH

Tuinbouw (bloemen, avocado’s, mango’s)

Senegal

Tuinbouw (groente, aardappel, cashew)

Water

Vietnam

Landbouw (tuinbouw, aquacultuur)

Water (o.a. afvalwater management, grondwater management, watertechnologie)

Logistiek en transport (o.a. inland waterways)

Zuid-Afrika

Tuinbouw

Groene waterstof

CRM

Global Gateway

Het subsidieprogramma staat ook open voor partnerschappen die aansluiten bij de Nederlandse Global Gateway inzet. Dit betekent dat naast bovengenoemde landen ook aanvragen onder thema a tot en met d kunnen worden ingediend door (regionale) partnerschappen die bijdragen aan de Nederlandse Global Gateway flagship projecten: Northern Corridor (Kenia, Oeganda, Rwanda en DRC) en de Lobito Corridor (Angola, DRC en Zambia).

Annex 2 – Theory of Change van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships

Annex 3 – Indicatoren

Bij het kiezen van relevante indicatoren wordt aangeraden om een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren te kiezen en is het verplicht minimaal gebruik te maken van onderstaande lijst. Hierbij kiezen de partnerschappen alleen de indicatoren die thematisch voor hen relevant zijn. In de bijlage van het projectplan is een uitgebreidere lijst van indicatoren opgenomen. Belangrijker dat er duidelijk wordt gemaakt hoe de indicatoren linken aan de beoogde resultaten en hoe de informatie die ze opleveren gebruikt zal worden voor bijsturing, dan dat er een groot aantal verschillende indicatoren gekozen worden om op te rapporteren. De onderstaande lijst met gestandaardiseerde indicatoren kan naar eigen inzicht worden aangevuld met voor het partnerschap zelf belangrijke (proces-)indicatoren.

Result Area

Sub-Result Area

Reporting Level

Indicator DGIS

Result Type

Disaggregation

SDG 6

SDG 6.1 – Drinking Water

Project

1a Number of people who gained access to basic drinking water, as a result of Dutch support

Outcome

Gender

Project

1b Number of people who gained access to safely managed drinking water, as a result of Dutch support

Outcome

Gender

SDG 6.2 – Sanitation and hygiene

Project

4a Number of people who gained access to basic sanitation, as a result of Dutch support

Outcome

Gender

Project

4B Number of people who gained access to safely managed sanitation, as a result of Dutch support

Outcome

Gender

SDG 6.4-6.6 – IWRM, water efficiency in agriculture and water governance

Project

7 Number of hectares reached with physical interventions aimed at river basins and deltas with good water quality and quantity, as a result of Dutch support

Outcome

N/A

Project

8 Number of hectares reached with water governance interventions aimed at river basins and deltas with good water quality and quantity, as a result of Dutch support

Outcome

N/A

Project

9 Number of hectares in waterrelated ecosystems reached by physical interventions aimed at protection and/or restoration, as a result of Dutch support

Outcome

N/A

Project

10a Number of people reached with physical interventions aimed at river basins and deltas with good water quality and quantity, as a result of Dutch support

Outcome

Gender

Project

10b Number of people reached with water governance interventions aimed at river basins and deltas with good water quality and quantity, as a result of Dutch support

Outcome

Gender

SDG 2

Nutritional Value

Project

A.1.1. Number of people with a more diverse and adequate diet

Outcome

Gender

Sustainable productivity

Project

B.1.1. Number of small-scale food producers who progressively realize a living income

Outcome

Gender

Project

B.1.2. Number of small-scale food producers who progressively decrease the yield gap

Outcome

Gender

Climate resilient food production systems

Project

C.1.1. Number of hectares of farmland under at least 2 conservation practices

Outcome

N/A

Knowledge & Innovation systems

Project

D.1. Number of small-scale food producers applying new technologies/practices that aim to transform food systems towards desirable outcomes

Outcome

Gender

Policy environment

Project

E.1. Number of reforms / improvements in major (inter)national FNS policies / laws / regulations

Outcomes

N/A

SDG 8

N.A.

Programme

Number of companies with a supported plan to invest, trade or provide services

Output/

process

Dutch / Local / Other

N.A.

Project

Number of direct jobs supported in individually supported MSMEs

Outcome

Gender

Enabling environment

knowledge development and research (knowledge for policy)

Project

Result question: What has been achieved by this activity on knowledge development and research?

Outcome

N.A.

Regulatory frameworks and quality control

Project

Result question: What has been achieved by this activity on regulatory frameworks and quality control?

Outcome

N.A.

Capacity building and technology transfer (policy for knowledge)

Project

Result question: What has been achieved by this activity on capacity building and technology transfer?

Outcome

N.A.

Empowerment of groups in vulnerable situations

Project

Result question: What has been achieved by this activity on empowerment of groups in vulnerable situations?

Outcome

N.A.

 

Climate Change Adaptation

TBD

Number of beneficiaries reached with measures to increase their resilience and/or reduce their exposure to climate change.

Output

Gender

Prevent biodiversity loss

TBD

Basket indicator Biodiversity: Area reached with activities aimed at sustainable management or other improved practices contributing to enhanced ecosystem resilience and ecosystem services (hectares).

Outcome

N/A

   

TBD

Number of individuals with strengthened competencies to advance women’s rights and gender equality

Output

N.A.


X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 800, Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026, 24 april 2026.

X Noot
3

De Global Gateway-strategie is een initiatief van de Europese Unie om wereldwijd ontwikkelingssamenwerking, handel en diplomatie te bundelen.

X Noot
4

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 33 625, motie-Amhaouch, 6 juli 2023.

X Noot
6

Watermanagement en waterbeheer worden vaak als synoniemen gebruikt, maar in essentie is waterbeheer de uitvoerende taak en watermanagement de bredere, strategische planning. Beide termen richten zich op het beheersen van waterstromen, waterkwaliteit en het tegengaan van overstromingen en droogte.

X Noot
8

Zie ook artikel 4 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
9

De totale jaarinkomsten is de som van al het geld dat een organisatie in één kalenderjaar heeft ontvangen.

X Noot
12

Bedrijfsmiddelen die niet bedoeld zijn om door te verkopen en langer dan één jaar actief zijn in een organisatie.

X Noot
13

Zie ook artikel 14 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
17

Zie voor (i) de website van betreffende overheid, (ii) Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026, 24 april 2026 en (iii) de website van de ambassade.

X Noot
18

Daarbij opgemerkt dat er door subsidiëring altijd een mate van marktverstoring plaatsvindt. De inzet hier is dat de verstoring niet groter is dan noodzakelijk.

X Noot
20

Elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.


X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 800, Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026, 24 april 2026.

X Noot
3

De Global Gateway-strategie is een initiatief van de Europese Unie om wereldwijd ontwikkelingssamenwerking, handel en diplomatie te bundelen.

X Noot
4

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 33 625, motie-Amhaouch, 6 juli 2023.

X Noot
6

Watermanagement en waterbeheer worden vaak als synoniemen gebruikt, maar in essentie is waterbeheer de uitvoerende taak en watermanagement de bredere, strategische planning. Beide termen richten zich op het beheersen van waterstromen, waterkwaliteit en het tegengaan van overstromingen en droogte.

X Noot
8

Zie ook artikel 4 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
9

De totale jaarinkomsten is de som van al het geld dat een organisatie in één kalenderjaar heeft ontvangen.

X Noot
12

Bedrijfsmiddelen die niet bedoeld zijn om door te verkopen en langer dan één jaar actief zijn in een organisatie.

X Noot
13

Zie ook artikel 14 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
17

Zie voor (i) de website van betreffende overheid, (ii) Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026, 24 april 2026 en (iii) de website van de ambassade.

X Noot
18

Daarbij opgemerkt dat er door subsidiëring altijd een mate van marktverstoring plaatsvindt. De inzet hier is dat de verstoring niet groter is dan noodzakelijk.

X Noot
20

Elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.

Naar boven