Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 28 juli 2026, nr. BZ2630491, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Humanitaire hulp 2027–2031)

De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikelen 3.1. tot en met 3.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 3.1. tot en met 3.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 met het oog op de financiering van activiteiten ten behoeve van noodhulp gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Voor subsidieverlening in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 voor activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.1. tot en met 3.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2031 een subsidieplafond van € 507.000.000, dat als volgt over de twee afzonderlijke financieringskanalen wordt verdeeld:

    • a. voor activiteiten van leden van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) gericht op (i) de uitvoering van humanitaire respons in acute en chronische crises, (ii) het verstrekken van financiering voor humanitaire respons in acute en chronische crises voor (leden van) IFRC, (iii) het verstrekken van financiering voor activiteiten gericht op het versterken van het systeem voor de humanitaire respons en (iv) capaciteitsopbouw van (leden van) IFRC: € 165.000.000;

    • b. voor activiteiten van leden van de Dutch Relief Alliance gericht op (i) (de financiering van) humanitaire hulpverlening aan slachtoffers van chronische crises en acute noodsituaties, (ii) de financiering en capaciteitsopbouw van lokale actoren ten behoeve van hulpverlening aan genoemde doelgroep en (iii) (de financiering van) activiteiten ten behoeve van versterking van het humanitaire systeem: € 342.000.000.

  • 2. Meerjarige subsidies worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

Aanvragen voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 juli 2031 23:59.59 uur CEST.

Artikel 4

Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan komt van de op die dag gelijktijdig binnengekomen aanvragen, die voldoen aan de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2032 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.1

De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, P. Grotenhuis

BIJLAGE SUBSIDIEBELEIDSKADER HUMANITAIRE HULP 2027–2031

1. Inleiding

1.1. Effectieve en efficiënte humanitaire hulpverlening

Internationale humanitaire hulpverlening is een onlosmakelijk onderdeel van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Instabiliteit en geweld als gevolg van (geo)politieke geschillen, natuurrampen, klimaatverandering en uitbraken van infectieziektes leiden ertoe dat toenemende aantallen mensen in noodsituaties terechtkomen en blijven. In 2026 gaat het naar verwachting om 239 miljoen mensen, berekende de VN2.

De wereldwijd beschikbare middelen om deze noden te lenigen zijn ontoereikend om alle mensen in nood van adequate hulp te voorzien. De kloof tussen teruglopende financiering en hoge noden dwingt hulporganisaties tot ingrijpende keuzes en scherpe prioritering. Tegen deze achtergrond werken humanitaire organisaties aan noodzakelijke hervormingen van het humanitaire systeem. Deze hervormingen richten zich, naast scherper prioriteren, ook op het terugdringen van kosten door efficiënter te werken.

Juist in een periode van grote humanitaire noden en wereldwijd afnemende financiering is meerjarige en flexibele voorfinanciering belangrijk om hulp slimmer te organiseren en middelen zo effectief mogelijk in te zetten. Daarnaast is het organiseren van hulp op lokaal niveau, door lokale en nationale organisaties, van onverminderd groot belang. Het streven is om financiering, besluitvorming en verantwoordelijkheid in toenemende mate te leggen bij lokale en nationale actoren, of de netwerken die hen vertegenwoordigen, om zo de effectiviteit, relevantie en duurzaamheid van humanitaire hulp te vergroten.

Daarnaast is relevant dat het humanitair oorlogsrecht (HOR) onder druk staat en de humanitaire ruimte afneemt. Er is sprake van een trend van toenemend – ook gericht – geweld tegen humanitair personeel. Nederland wil bijdragen aan herstel en versterking van respect voor het HOR3, aan borging van humanitaire ruimte en aan betere veiligheid van hulpverleners. Nederland zet zich daarom in voor versterking van het systeem om schendingen van het HOR te onderzoeken en bewijs te vergaren en om diegenen die het HOR hebben geschonden te vervolgen. In specifieke conflictsituaties wil Nederland bovendien met gerichte humanitaire diplomatie en bemiddeling bijdragen aan de ruimte die nodig is voor menselijke, onpartijdige, neutrale en onafhankelijke humanitaire actie. Dit doet Nederland in nauwe samenwerking met humanitaire partners en partners op het gebied van conflictbemiddeling en vredesopbouw. Tenslotte wil Nederland bijdragen aan zo adequaat mogelijke inzet door de gehele hulpverleningsketen op veiligheid van de mensen die bij de hulpverlening zijn betrokken.

Geworteld in de humanitaire beginselen, kent het Nederlandse beleid voor humanitaire hulp twee samenhangende pijlers:

  • 1. Humanitaire hulpverlening bij oorlog, conflict en natuurrampen: voor het leeuwendeel door het meerjarig en flexibel financieren van het werk van vertrouwde partners zoals VN-organisaties, de Rode-Kruisbeweging4 en de Dutch Relief Alliance, een partnerschap van Nederlandse hulporganisaties5.

  • 2. Politieke, diplomatieke en thematische initiatieven die gericht zijn op:

    • Het bevorderen van naleving van het humanitair oorlogsrecht, waaronder toegang voor hulpverleners tot de mensen die hulp nodig hebben en veiligheid voor hulpverleners;

    • Het bewerkstelligen van humanitaire uitzonderingen binnen sanctieregimes die zijn ingesteld vanwege bijvoorbeeld terrorisme en mensenrechtenschendingen;

    • Het stimuleren van effectieve en efficiënte internationale noodhulpverlening, onder meer door een sterkere en meer gelijkwaardige rol voor lokale en nationale hulporganisaties, en door uitvoering van hervormingen in het humanitaire hulpsysteem.

Het kader van het Nederlandse beleid voor humanitaire hulp en diplomatie wordt gevormd door bovengenoemde overwegingen en het bredere buitenlandbeleid en het ontwikkelingsbeleid. Ook de kabinetsreactie (Kamerstukken II 2025/26, 36 180-198 van 31 maart 2026) op het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken, ‘Hulp onder Vuur: bescherming van hulpverleners in conflictsituaties’6, vormt een onderdeel van dit kader.

Aangezien de huidige financieringsrelaties voor humanitaire hulpverlening met zowel de leden van Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen als de Dutch Relief Alliance op 31 december 2026 aflopen, terwijl financiering van noodhulp via onafhankelijke, particuliere organisaties wenselijk blijft, stelt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2027–2031 opnieuw subsidiemiddelen beschikbaar. Het voorliggende subsidiebeleidskader vormt het richtsnoer voor de beoordeling van subsidieaanvragen en de toekenning van subsidies uit deze middelen. De subsidiemiddelen zijn bedoeld voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelen zoals gesteld in dit subsidiebeleidskader.

1.2. Doelstelling subsidiebeleidskader Humanitaire hulp 2027–2031

Het doel van de humanitaire hulpverlening is het redden van levens, het herstellen van waardigheid en het versterken van paraatheid. Hierin worden twee samenhangende lange-termijn doelstellingen onderscheiden voor de twee kanalen:

  • Respons: het voorzien in humanitaire behoeften en het verbeteren van de bescherming van de burgerbevolking in acute en chronische crisissituaties;

  • Effectief Humanitair Systeem: versterking van het humanitair respons- en paraatheidsysteem.

1.3. Opbouw van dit kader

In dit subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 de financiële middelen, de verdeling daarvan en het selectieproces geschetst.

Hoofdstuk 3 bevat uitleg over de subsidieverstrekking op hoofdlijnen.

Hoofdstuk 4 is gewijd aan de formele vereisten die worden gesteld aan de aanvraag en informatie over de aanvraagprocedure.

In de laatste twee hoofdstukken worden de verschillende drempelcriteria en inhoudelijke beoordelingscriteria uiteengezet. Voor de financieringskanalen a en b is elk een eigen hoofdstuk ingericht.

Hoofdstuk 5 bevat criteria die van toepassing zijn op subsidieaanvragen in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 – financieringskanaal a (voor leden van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen).

Hoofdstuk 6 bevat criteria die van toepassing zijn op subsidieaanvragen in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 – financieringskanaal b (voor leden van de Dutch Relief Alliance).

2. Financiële middelen, verdeling daarvan en selectieproces

2.1. Beschikbare middelen

Het subsidieplafond voor Humanitaire hulp 2027–2031 bedraagt € 507.000.000 voor de periode vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot en met 31 december 2031. Dit budget is opgebouwd uit de deel-plafonds voor twee financieringskanalen:

  • a. voor activiteiten van leden van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) gericht op (i) de uitvoering van humanitaire respons in acute en chronische crises, (ii) het verstrekken van financiering voor humanitaire respons in acute en chronische crises voor (leden van) IFRC, (iii) het verstrekken van financiering voor activiteiten gericht op het versterken van het systeem voor de humanitaire respons en (iv) capaciteitsopbouw van (leden van) IFRC: € 165.000.000; (hierna aan te duiden als financieringskanaal a);

  • b. voor activiteiten van leden van de Dutch Relief Alliance gericht op (i) (de financiering van) humanitaire hulpverlening aan slachtoffers van chronische crises en acute noodsituaties, (ii) de financiering en capaciteitsopbouw van lokale actoren ten behoeve van hulpverlening aan genoemde doelgroep en (iii) (de financiering van) activiteiten ten behoeve van versterking van het humanitaire systeem: € 342.000.000; (hierna aan te duiden als financieringskanaal b).

2.2. Verdeling beschikbare middelen

De verdeling van de beschikbare middelen vindt, voor elk van bovengenoemde deel-plafonds, plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst. De totaal beschikbare middelen zijn al op voorhand verdeeld in middelen voor subsidieverlening voor de twee verschillende financieringskanalen zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, en in paragraaf 2.1. hierboven.

Indien het subsidieplafond voor een financieringskanaal dreigt te worden overschreden door aanvragen die op eenzelfde dag zijn ontvangen, dan komt van de op die dag gelijktijdig binnengekomen aanvragen die voldoen aan de maatstaven die in dit subsidiebeleidskader zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

2.3. Selectieproces

Het selectieproces bestaat uit een aantal opeenvolgende stappen. Allereerst moet worden voldaan aan de drempelcriteria. Alleen indien daaraan is voldaan wordt de kwaliteit van de aanvraag beoordeeld op grond van inhoudelijke beoordelingscriteria.

2.3.1. Formele vereisten

De formele vereisten waaraan een aanvraag voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 moet voldoen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit subsidiebeleidskader.

2.3.2. Beoordeling

De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria. In hoofdstuk 5 zijn de drempelcriteria en inhoudelijke criteria opgenomen voor aanvragen voor een subsidie ten laste van financieringskanaal a (voor leden van de IFRC, in hoofdstuk 6 die voor aanvragen voor een subsidie ten laste van financieringskanaal b (voor leden van de DRA).

2.3.2.1. Drempelcriteria

Zowel de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners, als de subsidieaanvraag, dienen ten minste te voldoen aan de drempelcriteria om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031. De drempelcriteria hebben betrekking op de betrokken organisatie(s) die subsidie aanvragen en op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria wordt de aanvraag afgewezen en niet verder inhoudelijk beoordeeld.

2.3.2.2. Inhoudelijke criteria

Indien en nadat voldaan is aan de drempelcriteria zal de kwaliteit van de aanvraag worden beoordeeld aan de hand van de inhoudelijke criteria. Om voor subsidieverlening in het kader van de Humanitaire hulp 2027–2031 in aanmerking te komen dient de aanvraag van voldoende kwaliteit te zijn, oftewel in voldoende mate te voldoen aan de inhoudelijke criteria.

3. Subsidieverstrekking op hoofdlijnen

In dit hoofdstuk wordt de subsidieverstrekking in het kader van Humanitaire Hulp 2027–2031 op hoofdlijnen toegelicht. In paragraaf 3.1 worden de algemene uitgangspunten en principes uiteengezet die van toepassing zijn op subsidiëring via dit kader. In paragraaf 3.2 wordt beschreven wie in aanmerking kan komen voor subsidie. In paragraaf 3.3 wordt ingegaan op de soorten activiteiten die binnen dit kader subsidiabel zijn. In paragraaf 3.4, 3.5, 3.6 en 3.7 wordt achtereenvolgens ingegaan op welke activiteiten van subsidie worden uitgesloten, voor welke landen subsidie kan worden verkregen en de looptijden van de (te financieren) activiteiten.

3.1. Doelstellingen, humanitaire principes en overige uitgangspunten

3.1.1. Doelstellingen

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 dienen aanvragen zich te richten op beide doelstellingen van dit subsidiebeleidskader zoals opgenomen in paragraaf 1.2.

3.1.2. Humanitair imperatief en humanitaire principes

Hulpverlening die wordt uitgevoerd met behulp van de onder dit subsidiebeleidskader verkregen subsidiemiddelen geschiedt in overeenstemming met het zogenoemde ‘humanitair imperatief’ d.w.z. het recht op het ontvangen van levensreddende hulp en het bieden daarvan. Tevens zijn de vier principes van Humanitaire hulp van toepassing:

  • Humaniteit: iedere persoon moet onder alle omstandigheden humaan worden behandeld;

  • Onpartijdigheid: de Humanitaire hulp wordt zonder discriminatie en enkel op basis van de behoeften verstrekt;

  • Neutraliteit: de ondernomen actie mag geen enkele partij bevoordelen;

  • Onafhankelijkheid: de doelstellingen van de Humanitaire hulp zijn autonoom ten overstaan van militaire, politieke, economische, religieuze doelstellingen of van iedere andere niet-humanitaire doelstelling.

3.1.3. Overige uitgangspunten

Hulpverlening die wordt uitgevoerd met behulp van de onder dit subsidiebeleidskader verkregen subsidiemiddelen geschiedt ook in overeenstemming met de volgende uitgangspunten:

  • a. Veiligheid en psychosociaal welzijn van hulpverleners

    Humanitaire hulpverleners opereren vaak in de meest complexe, instabiele en/of risicovolle contexten ter wereld en spelen een essentiële rol bij het verlenen van levensreddende hulp aan getroffen bevolkingsgroepen. Het aantal incidenten waarbij hulpverleners worden getroffen door geweld, intimidatie of belemmeringen neemt toe. Het merendeel van deze hulpverleners bestaat uit lokale krachten en/of vrijwilligers die hun eigen gemeenschappen ondersteunen, daardoor komen eerdergenoemde risico’s onevenredig vaak bij hen terecht. Hulpverleners zijn beschermd onder het humanitair oorlogsrecht (HOR). Zij moeten hun werk veilig kunnen doen. Hiertoe dient veiligheid goed geborgd te zijn. Veiligheidsmaatregelen dienen in nauw overleg te worden vormgegeven met diegenen die de grootste risico’s lopen. Deze maatregelen en hun budgettaire consequenties kunnen sterk verschillen per respons. Veiligheid mag geen sluitpost zijn op de begroting. Om die reden mogen veiligheidsmaatregelen evenals de kosten voor risicodeling als directe kosten worden opgenomen in de begroting.

    Per financieringskanaal geldt daarbij het volgende:

    • Kanaal a: kosten voor veiligheidsmaatregelen worden opgenomen in sheet 1 van het Budgetmodel voor kanaal a (zie Annex 1.1) onder post II.G. Protection of Aid Workers.

    • Kanaal b: kosten voor veiligheidsmaatregelen worden gecombineerd met de kosten voor risicodeling opgenomen in sheet 1 van het Budgetmodel voor kanaal b (zie Annex 1.2) onder post II.G. Duty of Care.

    Flexibiliteit die het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan subsidieontvangers biedt om snel te kunnen inspelen op veranderende veiligheidsomstandigheden, dient ook aan lokale uitvoerders te worden geboden. Van subsidieontvangers wordt verwacht dat zij in hun aanvraag helder maken op welke wijze veiligheidsmanagement in een respons wordt ingericht, bovendien zodanig, dat lokale uitvoerders hier hun invloed kunnen doen gelden.

    Behalve met risico’s voor hun fysieke veiligheid, hebben hulpverleners – en hun familie – ook te maken met een aantasting van hun mentale en emotionele veiligheid. Geestelijk en psychosociaal welzijn zijn van direct belang voor het vermogen van eerstehulpverleners om hun werk te blijven volhouden en hun familie te blijven overtuigen van het belang dat zij dit werk doen. Subsidieaanvragers dienen dan ook in hun aanvraag te benoemen hoe wordt voorzien in niet alleen fysieke, maar ook psychosociale personeelszorg.

  • b. Lokaal geleid werken en gelijkwaardige partnerschappen

    Lokaal geleid werken is een continu proces waarin diverse lokale actoren binnen een bepaalde lokale context zelfstandig vormgeven aan alle aspecten van ontwikkelingsbeleid en -programma’s (kaderbepaling, ontwerp, uitvoering, leerprocessen en verantwoording).7. Het streven is om financiering van, besluitvorming over en verantwoordelijkheid voor humanitaire activiteiten in toenemende mate te leggen bij lokale en nationale actoren, of de netwerken die hen vertegenwoordigen, om zo de effectiviteit, relevantie en duurzaamheid van humanitaire hulp te vergroten.

    Hiertoe behoort zowel de gezamenlijke planning van en besluitvorming over interventies, als het beschikbaar stellen van financiering aan lokale organisaties. Het percentage van het jaarlijks vastgestelde programmabudget dat wordt aangewend voor hulpverlening door lokale partners, dient gedurende de looptijd van het subsidietijdvak geleidelijk toe te nemen tot minimaal 50% in het laatste jaar van het subsidietijdvak (2031).

  • c. Innovatie en leren

    Innovatie en leren richt zich op het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van humanitaire hulp: vernieuwende werkwijzen als vervanging van de traditionele ‘in natura’ hulp, gebruik van nieuwe technologieën, en nieuwe manieren van organisatie van de hulpverlening. De focus van innovatie binnen dit subsidiebeleidskader ligt op:

    • Het aanreiken van oplossingen die werken in een crisissituatie en die snel en efficiënt kunnen worden opgeschaald.

    • Anticipatieve humanitaire hulp en financiering, mede door gebruik van voorspellende data.

    • Verbetering van de lokale en internationale coördinatie van humanitaire hulp, o.a. door versterkt leiderschap en effectievere coördinatiestructuren;

    • Verbetering van transparantie en verantwoording naar slachtoffers van crisis, donoren en het publiek;

    • Uitbreiding en versterking van de betrokkenheid van slachtoffers bij het bepalen van de noden en de invulling van de hulp;

    • Het ontwikkelen, testen en opschalen van innovatieve financieringsinitiatieven, waaronder (maar niet beperkt tot) blended finance en humanitaire verzekeringsmechanismen.

    • Het aanreiken van innovatieve oplossingen voor de bescherming en veiligheid van humanitaire hulpverleners.

  • d. Accountability: Transparantie en Participatie

    Accountability betreft verantwoording, ook ter verhoging van het draagvlak voor Humanitaire hulp, op basis van aantoonbaar behaalde resultaten, naar zowel de Nederlandse bevolking, overheden, als lokale gemeenschappen, mede (waar mogelijk) door rapportage via open data (IATI). Participatie gaat over het verbeteren van de participatie van de slachtoffers van een humanitaire crisis in de planning, monitoring en evaluatie van de hulpverlening. Tenslotte staat ook het versterken van mechanismen ter detectie en voorkoming van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, alsmede bescherming van getroffen individuen, centraal.

  • e. Gender- en leeftijdssensitiviteit

    Gender- en leeftijdssensitiviteit zijn dwarsdoorsnijdende thema’s in dit subsidiebeleidskader. Ze beogen gelijke rechten, kansen en uitkomsten voor vrouwen, mannen, meisjes en jongens. Het gaat in al deze gevallen om het recht van eenieder op gelijkwaardige participatie in de samenleving, op sociaal, economisch en politiek terrein. Hiertoe moet een samenleving voor iedereen gelijke toegang tot goederen, kansen, hulpmiddelen en beloningen mogelijk maken. Dit betekent niet dat er geen verschillen bestaan tussen individuen, maar wel dat elk individu gelijke kansen en rechten heeft en deze kan gebruiken, ongeacht sekse, seksuele geaardheid, (verminderde) fysieke capaciteiten, etniciteit, vermogen, familie, leeftijd of sociale positie. Soms zijn specifieke maatregelen nodig of moet zeker gesteld zijn dat geplande interventies geen negatieve gevolgen hebben. Daarom is het belangrijk dat er expliciet aandacht worden gegeven aan de specifieke positie van vrouwen, meisjes en jongeren in het algemeen, onafhankelijk van het thema of de doelgroep. Leidend zijn hierbij het humanitair imperatief en de humanitaire principes.

  • f. Effectiviteit

    Een geïntegreerde en lokaal gestuurde humanitaire respons, die aanvullend is op en aansluit bij de capaciteiten en initiatieven van gemeenschappen zelf, leidt tot effectievere hulpverlening. Ook een verhoogde inzet van lokale middelen door de subsidieontvangers en betere aansluiting op de meer ontwikkelingsgerichte programma’s op de lange termijn, vergroten de duurzaamheid van de interventie.

    Ook flexibele financiering is van belang voor de effectiviteit van hulpverlening. Flexibele financiering maakt het daarnaast mogelijk om bij voorspelbare rampen proactief en anticiperend te handelen, bijvoorbeeld door het vooraf positioneren van hulpgoederen, het inrichten van schuilplaatsen of het tijdig evacueren van mensen voordat noodweer of geweld escaleert. Een dergelijke benadering vergroot niet alleen de effectiviteit van de respons, maar draagt ook bij aan kosten-efficiëntie en het beperken van humanitaire impact.

3.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031?

De twee financieringskanalen zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid en in paragraaf 2.1 kennen verschillende soorten organisaties die in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Om deze reden worden ze hieronder separaat gepresenteerd.

3.2.1. Financieringskanaal a – voor wie bedoeld

Voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 ten laste van financieringskanaal a kunnen in aanmerking komen nationale verenigingen van de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging die lid zijn van de IFRC.

Een subsidieontvanger uit dit financieringskanaal kan voor de uitvoering van (onderdelen van) zijn voorstel gebruik maken van andere organisaties zonder winstoogmerk of van bedrijven. Denk bijvoorbeeld aan het laten uitvoeren van onderdelen van het voorstel door andere (lokale) organisaties zonder winstoogmerk, bijvoorbeeld door Nationale Verenigingen van de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging.

Adviesbureaus en organisaties met een winstoogmerk komen niet in aanmerking voor subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031. Subsidieontvangers kunnen wel kosten voor inhuur van (experts van) organisaties met winstoogmerk opvoeren in de begroting van een voorstel indien de uitvoering van het voorstel of de activiteiten hun inhuur vereist.

3.2.2. Financieringskanaal b – voor wie bedoeld

Voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 ten laste van financieringskanaal b kunnen in aanmerking komen organisaties die voldoen aan alle volgende vereisten:

  • de organisatie is een niet-gouvernementele organisatie (NGO): een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is;

  • de organisatie beschikt over een bewezen trackrecord in humanitaire hulpverlening;

  • de organisatie is lid van de Dutch Relief Alliance (hierna: DRA) 8;

  • de organisatie treedt op als penvoerder van een alliantie van DRA-leden en dient namens de gehele alliantie een aanvraag in.

Alliantie en penvoerderschap

Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer organisaties als hierboven bedoeld, die een gezamenlijk voorstel uitvoeren waarbij alle partijen een bijdrage leveren aan het geheel. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst en overleggen deze aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk voor de uitvoering van en verantwoording over de activiteiten van de alliantie, evenals voor de naleving jegens de minister van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. De overige partijen van de alliantie zijn mede-indieners. Het is van belang dat de alliantieleden in hun samenwerkingsovereenkomst (o.a.) afspraken maken die het voor de penvoerder mogelijk maken om de verplichtingen jegens de minister waar te maken.

De alliantie kan voor de uitvoering van (een deel van) de activiteiten gebruik maken van andere organisaties zonder winstoogmerk of van bedrijven. Een dergelijke samenwerking vindt niet plaats binnen de alliantie zoals hiervoor genoemd, maar betreft samenwerking met bijvoorbeeld een lokale organisatie die enkele onderdelen van het voorstel lokaal uitvoert.

Adviesbureaus en organisaties met een winstoogmerk komen niet in aanmerking voor subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031. Subsidieontvangers kunnen wel kosten voor inhuur van (experts van) organisaties met winstoogmerk opvoeren in de begroting van een voorstel indien de uitvoering van het voorstel of de activiteiten hun inhuur vereist.

3.3. Subsidiabele activiteiten Humanitaire hulp 2027–2031 (werkwijze en thema’s)

De subsidiemiddelen die via dit subsidiebeleidskader beschikbaar zijn, zijn bedoeld voor

  • Financieringskanaal a: (i) de uitvoering van humanitaire respons in acute en chronische crises, (ii) het verstrekken van financiering voor humanitaire respons in acute en chronische crises voor (leden van) IFRC, (iii) het verstrekken van financiering voor activiteiten gericht op het versterken van het systeem voor de humanitaire respons en (iv) capaciteitsopbouw van (leden van) IFRC.

  • Financieringskanaal b: (i) (de financiering van) humanitaire hulpverlening aan slachtoffers van chronische crises en acute noodsituaties, (i) de financiering en capaciteitsopbouw van lokale actoren ten behoeve van hulpverlening aan genoemde doelgroep en (iii) (de financiering van) activiteiten ten behoeve van versterking van het humanitaire systeem.

Deze activiteiten dienen betrekking te hebben op een of meer van de hierna in paragraaf 3.3.1. en 3.3.2. genoemde lijsten van thema’s. Deze lijsten zijn samenhangend en limitatief. (Financiering van) activiteiten met betrekking tot niet-genoemde thema’s komt/komen niet voor subsidie in aanmerking.

3.3.1. Voorzien in humanitaire behoeften en verbeteren van de bescherming van de burgerbevolking (acute en chronische crises)

Binnen humanitaire respons wordt een onderscheid gemaakt tussen acute en chronische crises. Onder acute crises wordt verstaan de gevolgen van plotseling opgetreden of verergerde noodsituaties. Onder chronische crises wordt verstaan langdurige noodsituaties die het noodzakelijk maken om gedurende een (verwachte) periode van minimaal twee jaar met humanitaire hulp aanwezig te zijn in het betreffende gebied. Noden op gebied van geestelijke gezondheid en psychosociale ondersteuning kunnen deel uitmaken van response in zowel acute als chronische crises.

Subsidieaanvragen voor (financiering van) activiteiten ten behoeve van de humanitaire respons in crises:

  • dienen te waarborgen dat financiering alleen wordt gegeven indien activiteiten voldoen aan internationale humanitaire kwaliteitsstandaarden en waar mogelijk worden gecoördineerd door UN OCHA en/of het IFRC-Secretariaat. De (te financieren) hulp dient aantoonbaar gebaseerd te zijn op de hoogste noden;

  • moeten gericht zijn op één of meer van de volgende thema’s:

    • Bescherming;

    • Emergency shelter;

    • Voedselzekerheid;

    • Voeding;

    • Sanitaire voorzieningen, water en hygiëne;

    • Gezondheid;

    • Non-formal education;

    • Noodtelecommunicatie;

    • Logistiek;

    • Camp management en coördinatie.

  • Daarbij dient sprake te zijn van een zo geïntegreerd mogelijke multi-sectorale humanitaire respons, bijvoorbeeld via Multi-Purpose Cash/voucher assistance.

  • Aanvragen kunnen ook betrekking hebben op anticipatory action, waarbij vroegtijdige, op risico- en voorspellingsinformatie gebaseerde maatregelen worden genomen om de humanitaire gevolgen van voorspelbare crises te voorkomen of te beperken.

3.3.2. Het versterken van het systeem voor de humanitaire respons.

(Te financieren) activiteiten voor de versterking van het humanitair responssysteem moeten bijdragen aan een duurzaam, effectief en inclusief humanitair systeem en zijn gericht op één of meer van de volgende thema’s:

  • Lokaal geleid werken: met aandacht voor o.a. complementariteit, gelijkwaardige partnerschappen en capaciteitsversterking van alle betrokken partners en voor een evenwichtige verdeling van operationele- en veiligheidsrisico’s binnen het humanitaire systeem.

  • Participatie van en accountability naar getroffen gemeenschappen;

  • Coördinatie van hulp, waaronder het versterken van gezamenlijke analyses, planning en prioritering tussen humanitaire actoren, het verminderen van overlap en versnippering binnen het humanitaire veld;

  • Paraatheid; gericht op het versterken van de capaciteit om tijdig en effectief te reageren op crises, onder meer door het ontwikkelen van early action-protocollen en het verbeteren van operationele en organisatorische gereedheid;

  • Innovatie; met aandacht voor het ontwikkelen en toepassen van nieuwe benaderingen die bijdragen aan een effectievere, tijdigere en/of context-specifiekere humanitaire respons, Dit kan onder meer gaan om innovatieve financieringsinitiatieven, waaronder (maar niet beperkt tot) blended finance en humanitaire verzekeringsmechanismen en/of het gebruik van data en technologie;

  • Humanitaire diplomatie ten behoeve van het functioneren van het humanitair systeem, waaronder activiteiten gericht op het bevorderen van humanitaire toegang en bescherming van de humanitaire ruimte en, het respecteren van de humanitaire principes en het humanitair oorlogsrecht (HOR).

3.4. Niet-subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • Financiering van initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

  • Financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten;

  • (Financiering van) activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

  • (Financiering van) activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie hebben ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak van dit subsidiebeleidskader. Deze uitsluiting geldt tot het einde van de duur van de betreffende instellingssubsidie.

  • Financiering van identificatiemissies ter verkenning van noden;

  • (Financiering van) activiteiten waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn.

  • Activiteiten gericht op financiering van een van de hierboven genoemde niet-subsidiabele activiteiten.

3.5. Geografische Focus

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 dient de aanvraag zich te richten op ondersteuning, uitvoering en verbetering van humanitaire hulpverlening in landen, vermeld in de door het Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistance.9

3.6. Start- en einddatum en tijdvak uit te voeren of te financieren activiteiten

Door de aanvrager/penvoerder uit te voeren of te financieren activiteiten moeten vallen binnen het tijdvak van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2031. De uiterste startdatum van uit te voeren of te financieren activiteiten is 1 augustus 2031.

Activiteiten gericht op acute humanitaire response aan slachtoffers van plotseling opgetreden noodsituaties als gevolg van natuurrampen of conflicten vormen hierop een uitzondering. De uiterlijke termijn voor het starten van acute activiteiten is 31 december 2031. Activiteiten met betrekking tot acute hulp dienen uiterlijk 30 juni 2032 te worden afgerond.

De subsidieontvanger informeert het Ministerie van Buitenlandse Zaken voordat wordt gestart met (financiering van) acute humanitaire respons

3.7. Looptijd activiteiten

3.7.1. Looptijd acute humanitaire respons

De maximale looptijd voor activiteiten gericht op humanitaire hulpverlening in acute crises bedraagt:

  • Voor financieringskanaal a: maximaal 12 maanden, of langer indien dit overeenkomt met de duur van een IFRC-emergency appeal, of gevallen waarin het Ministerie van Buitenlandse Zaken een langere looptijd heeft goedgekeurd.

  • Voor financieringskanaal b: maximaal negen maanden.

In bepaalde gevallen, zoals bijvoorbeeld verandering van de aard van de crisis, kan het Ministerie van Buitenlandse Zaken op verzoek van de aanvrager van zowel financieringskanaal a als financieringskanaal b een uitzondering op deze termijnen maken.

3.7.2. Looptijd chronische humanitaire respons

De looptijd voor activiteiten gericht op humanitaire hulpverlening in chronische crises bedraagt voor zowel financieringskanaal a als b tenminste 24 maanden, met uitzondering van activiteiten gedurende de laatste twaalf maanden van de looptijd van dit subsidiebeleidskader. Voor financieringskanaal a kan de aanvrager een verzoek voor een uitzondering op de minimale termijn van 24 maanden indienen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4. Formele vereisten aanvraag en aanvraagprocedure

4.1 Aanvraagprocedure

  • 4.1.1 Aanvragen voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 kunnen worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit (de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst) tot en met uiterlijk 31 juli 2031 om 12:00 uur CEST. Het moment waarop de aanvraag is ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken geldt als moment van indiening. Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de volledige aanvraag, inclusief alle verplichte bijlagen, door het subsidieportaal is ontvangen en geregistreerd. De aanvrager ontvangt hiervan een digitale ontvangstbevestiging.

  • 4.1.2 Aanvragen die later dan genoemde datum en tijd worden ingediend, worden afgewezen, ook als de beschikbare middelen dan nog niet zijn uitgeput. Deze uiterste datum laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst en er sprake is van subsidieplafonds voor zowel financieringskanalen a als b, de voor Humanitaire hulp 2027–2031 beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. De aanvragende organisatie is zelf verantwoordelijk voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag.

  • 4.1.3 In geval een aanvrager meerdere aanvragen wil indienen geldt dat elke aanvraag separaat moet worden ingediend. Indien eenzelfde aanvrager meerdere aanvragen gezamenlijk (in één aanvraag) indient, zullen deze worden geretourneerd en opnieuw, separaat, moeten worden ingediend. Daarbij geldt het moment waarop de aanvragen separaat en volledig worden ontvangen als moment van ontvangst.

  • 4.1.4 Aanvragen die onder dit subsidiebeleidskader voor de eerste maal worden gedaan moeten met de benodigde bijlagen digitaal worden ingediend via het subsidieportaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het subsidieportaal is hier te vinden: fez.mfaservices.nl. Voor volgende aanvragen kan contact worden opgenomen via DSH-BU@minbuza.nl.

  • 4.1.5 De aanvrager is verantwoordelijk voor tijdige en volledige indiening van de aanvraag. Het wordt daarom aangeraden de aanvraag ruim voor het verstrijken van de indieningstermijn in te dienen. Technische problemen bij het gebruik van het subsidieportaal komen voor rekening en risico van de aanvrager, tenzij sprake is van een aantoonbare technische storing aan de zijde van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

  • 4.1.6 De aanvraag moet compleet en zonder voorbehoud worden ingediend, rechtsgeldig zijn ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie.

  • 4.1.7 Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

  • 4.1.8 Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen (zie artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken). Hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de Minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. Indien niet om aanvulling wordt gevraagd zal de aanvraag worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot een afwijzing van de subsidieaanvraag. Het niet compleet indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van antwoorden kan leiden tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van drempel- of inhoudelijke criteria.

  • 4.1.9 De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal. Documenten opgesteld in een andere taal worden niet betrokken bij de beoordeling van aanvragen. Ook bijlagen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dienen voorzien te zijn van een officiële vertaling in het Nederlands of Engels. Additionele informatie/ illustratieve documenten, USB-sticks en andere gegevensdragers van een organisatie worden niet meegenomen in de beoordeling van een aanvraag.

  • 4.1.10 De behandeling van aanvragen wordt opgeschort als aannemelijk is dat de in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 beschikbare middelen zullen worden uitgeput op basis van de uitkomsten van de beoordeling van eerder ontvangen aanvragen, tot het tijdstip waarop zekerheid bestaat over de uitputting van het plafond.

  • 4.1.11 Ook op artikel 9 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt in het bijzonder gewezen.10 Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd, wordt afgewezen. Van deze bepaling kunnen worden uitgezonderd activiteiten als bedoeld in artikel 3.7 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006.11

  • 4.1.12 Vragen naar aanleiding van dit besluit, onderliggende documenten of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail richten aan: DSH-BU@minbuza.nl, o.v.v. Vraag Subsidie Humanitaire hulp 2027–2031. Vragen worden binnen vijf werkdagen schriftelijk per e-mail beantwoord.

  • 4.1.13 Binnen 13 weken na ontvangst van een volledige aanvraag zal over de aanvraag worden beslist.

4.2 Formele vereisten aanvraag

Een subsidieaanvraag dient in ieder geval de volgende informatie te bevatten:

  • a. Planning, Monitoring, Evaluatie en Learning systematiek die de aanvrager/ penvoerder in staat stelt te rapporteren op de voorgestelde activiteiten (zie hoofdstuk 3.3) en de uitgangspunten en principes (zie hoofdstuk 3.1), aansluitend op het resultatenkader humanitaire hulp van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zie Annex 2). Er dient een PMEL-budget, inclusief budget voor externe verantwoordingsactiviteiten, en personele capaciteit passend bij de voorgestelde systematiek te zijn. De PMEL-systematiek heeft aandacht voor de verdeling van rollen en verantwoordelijkheden met betrekking tot PMEL binnen de betrokken organisaties.

  • b. Een systeem voor risico- en veiligheidsmanagement waarmee, gezamenlijk met uitvoeringspartners – en waar mogelijk met BZ – risico’s, evenals risico-mitigerende en reactieve maatregelen zullen worden geïdentificeerd.

  • c. Een beschrijving hoe invulling wordt gegeven aan de uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 3.1.3 op het gebied van:

    • Lokaal geleid werken en meer gelijkwaardige partnerschappen;

    • Gender- en leeftijdssensitiviteit;

    • Fysieke en psychosociale personeelszorg;

    • Innovatie en leren.

  • d. Een beschrijving hoe invulling wordt gegeven aan digitalisering.

  • e. Een beschrijving of en hoe invulling wordt gegeven aan adaptatie aan en/of mitigatie van klimaatverandering.

  • f. Een elektronische melding van de WNT-gegevens bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel de ingevulde tabel in Annex 4 bij dit subsidiebeleidskader.

  • g. Een Planning, Monitoring, Evaluatie en Learning systematiek die toereikend is voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, outputs, outcomes en onderliggende aannames. In de PMEAL-systematiek dient tenminste te worden opgenomen: een mid-term review die eind 2028 moet zijn afgerond en zich richt op enkele kwalitatieve vragen; een eindevaluatie die eind 2031 moet zijn afgerond. Daarnaast dienen de mid- en eindevaluaties te voldoen aan de kwaliteitscriteria12 van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4.3. Specifiek voor aanvragen t.l.v. financieringskanaal a moet aanvullend worden aangeleverd:

  • a. statuten van de aanvrager en EU Humanitarian Partnership Certificate;

  • b. documentatie zoals opgenomen in Annex 3 bij dit subsidiebeleidskader die aantoont dat de aanvrager voldoet aan de eisen m.b.t. Organisatorische capaciteit en integriteit.

  • c. Een geconsolideerde begroting opgesteld conform het budgetmodel van Annex 1.1, die nader is toegelicht in de bijbehorende handreiking (Annex 1.3). Sheet 1 van deze Annex betreft de gevraagde begroting bij een aanvraag onder kanaal a en bevat in elk geval:

    • een verdeling van de middelen over de jaren waarvoor subsidie wordt aangevraagd, inclusief een reservering van middelen voor Q4 van elk van deze jaren. Daarbij laat de aanvrager zien dat de middelen die hij in wil zetten voor (de financiering van) acute en chronische humanitaire respons worden ingezet conform de looptijden zoals gesteld in paragraaf 3.7;

    • een liquiditeitsprognose in de vorm van een gedetailleerde begroting voor de eerstkomende 12 maanden, die wordt onderbouwd met PxQ-berekeningen (toegelicht in Annex 1.1). Voor de periode daarna betreffen de in de begroting opgenomen kosten een kostenraming.

    Aanvullend neemt de aanvrager in sheet 2 van de Annex een verdeling op van de gevraagde subsidiemiddelen over de subsidiabele activiteiten.

  • d. De liquiditeitsprognose onder ‘4.3.c’ gaat vergezeld van een getekend betaalverzoek voor de eerste maximaal 12 maanden, met vermelding van bankrekeningnummer ovv datum van indiening.

  • e. Een besluitvormingsmechanisme ten behoeve van (i) de vormgeving van projectvoorstellen en (ii) het toetsen van financieringsverzoeken.

4.4. Specifiek voor aanvragen t.l.v. financieringskanaal b moet aanvullend worden aangeleverd:

  • a. Statuten en EU Humanitarian Partnership Certificate van de penvoerder en de overige alliantieleden.

  • b. Voor de aanvrager: Documentatie zoals opgenomen in Annex 3 bij dit subsidiebeleidskader die aantoont dat de aanvrager voldoet aan de eisen m.b.t. Organisatorische capaciteit en integriteit.

  • c. Voor de aanvrager in verband met mede-indieners/alliantiepartners: Documentatie zoals opgenomen in Annex 3 bij dit subsidiebeleidskader die aantoont dat de mede-indieners voldoen aan de eisen m.b.t. integriteit.

  • d. een door alle alliantiepartners ondertekende samenwerkingsovereenkomst (zie paragraaf 3.2.2. en paragraaf 6.1, drempelcriterium 6.1.1).

  • e. Een geconsolideerde begroting opgesteld conform het budgetmodel van Annex 1.2, die nader is toegelicht in de bijbehorende handreiking (Annex 1.3). Sheet 1 van deze Annex betreft de gevraagde begroting bij een aanvraag onder kanaal b en bevat in elk geval:

    • een verdeling van de middelen over de jaren waarvoor subsidie wordt aangevraagd, inclusief een reservering van middelen voor Q4 van elk van deze jaren. Daarbij laat de aanvrager zien dat de middelen die hij in wil zetten voor (de financiering van) acute en chronische humanitaire respons worden ingezet conform de looptijden zoals gesteld in paragraaf 3.7;

    • een liquiditeitsprognose in de vorm van een gedetailleerde begroting voor de eerstkomende 12 maanden, die wordt onderbouwd met PxQ-berekeningen (toegelicht in Annex 1.2). Voor de periode daarna betreffen de in de begroting opgenomen kosten een kostenraming.

    Aanvullend neemt de aanvrager in sheet 2 van de Annex een verdeling op van de gevraagde subsidiemiddelen over de subsidiabele activiteiten.

  • f. De liquiditeitsprognose onder ‘4.4.e’ gaat vergezeld van een getekend betaalverzoek voor de eerste maximaal 12 maanden, met vermelding van bankrekeningnummer ovv datum van indiening.

  • g. Een beoordelingskader voor financieringsverzoeken.

5. Criteria voor aanvragen ten laste van financieringskanaal a

In dit hoofdstuk zijn de criteria opgenomen op grond waarvan subsidieaanvragen worden beoordeeld die worden ingediend voor financieringskanaal a.

5.1. Drempelcriteria

Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet voldoet aan één of meerdere criteria, deze wordt afgewezen en niet verder wordt beoordeeld. De drempelcriteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

5.1.1. Type organisatie

De aanvrager van een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 ten laste van financieringskanaal a is een rechtspersoon zijnde een Nationale Vereniging van Rode Kruis- of Rode Halve Maanbeweging die lid is van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) met een bewezen track record in humanitaire hulpverlening.

De aanvrager toont dit aan aan de hand van zijn statuten en een EU Humanitarian Partnership Certificate.

5.1.2. Organisatorische capaciteit en integriteit
  • a. De aanvrager is in staat tot adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

  • b. De aanvrager toont aan dat hij een integriteitsbeleid heeft, en procedures om dit beleid te implementeren. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden, bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de aanvrager en de door hem ingeschakelde partijen, zoveel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de minister is gewaarborgd.

Hiertoe voegt de aanvrager bij zijn aanvraag de in Annex 3 vermelde documentatie.

5.1.3. Maximale bezoldiging
  • a. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van een aanvrager die statutair is gevestigd in Nederland of in een andere EU-lidstaat, bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar ten hoogste € 241.000 (bruto) bij een dienstverband van een 36-urige werkweek.

    Genoemd bedrag bestaat uit:

    • de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen);- de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen;

    • beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage, etc.

    Voor aanvragers met rechtspersoonlijkheid die gevestigd zijn in een EU-lidstaat die de euro niet hanteert, wordt bovenvermeld bedrag omgerekend naar de lokale valuta op basis van de actuele interne wisselkoersen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zie Annex 4).

  • b. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van een aanvrager die statutair gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Japan, de VS of Canada, bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar bij een dienstverband van een 36-urige werkweek ten hoogste (bruto):

    • Verenigd Koninkrijk: GBP 259.075;

    • Noorwegen: NOK 3.519.906;

    • Zwitserland: CHF 392.807;

    • Japan: JPY 38.386.082;

    • VS/Canada: USD 388.683.

    Zie voor de componenten waaruit de bezoldiging bestaat hierboven bij ‘5.1.3.a’.

  • c. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van een aanvrager die statutair gevestigd is in andere landen dan genoemd bij a) of b), bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar bij een dienstverband van een 36-urige werkweek ten hoogste (bruto) het bedrag dat is vastgesteld voor het betreffende land van statutaire vestiging, zoals opgenomen in Annex 4.

    Zie voor de componenten waaruit de bezoldiging bestaat hierboven bij ‘5.1.3.a’.

    Op een van de volgende wijzen wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan:

    • Aanvragers die vallen onder de reikwijdte van de Wet normering topinkomens (WNT) vermelden een verwijzing naar hun elektronische meldingen van de WNT-gegevens bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tenzij deze informatie per 1 januari 2027 in verband met een wijziging in de bezoldiging niet meer geldig is, in welk geval het hiernavolgende geldt.

    • Overige aanvragers specificeren in de tabel zoals opgenomen in Annex 4 de hoogte van de bezoldiging (inclusief toeslagen) van elk van de leden van het management (inclusief CEO) en bestuur per de datum van de ingang van het subsidietijdvak.

5.1.4. Subsidiabele activiteiten
  • a. De aanvraag is gericht op (i) de uitvoering van humanitaire respons in acute en chronische crises, (ii) het verstrekken van financiering voor humanitaire respons in acute en chronische crises voor (leden van) IFRC, (iii) het verstrekken van financiering voor activiteiten gericht op het versterken van het systeem voor de humanitaire respons en (iv) capaciteitsopbouw van (leden van) IFRC.

  • b. De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd dragen bij aan de doelstellingen van dit subsidiebeleidskader:

    • Respons: het voorzien in humanitaire behoeften en het verbeteren van de bescherming van de burgerbevolking (in acute en chronische crisissituaties).

    • Effectief Humanitair Systeem: versterking van het humanitair respons en paraatheidsysteem.

5.1.5. Minimumeisen besluitvormingsmechanisme
  • a. Het besluitvormingsmechanisme voor het vormgeven van projectvoorstellen en het toetsen van financieringsverzoeken van (leden van) IFRC is gebaseerd op de uitgangspunten, bedoeld in paragraaf 3.1:

    • Humanitair imperatief en humanitaire principes;

    • Veiligheid en psychosociaal welzijn van hulpverleners;

    • Lokaal geleid werken en gelijkwaardige partnerschappen;

    • Innovatie en leren;

    • Accountability: transparantie en participatie;

    • Gender- en leeftijdssensitiviteit;

    • Effectiviteit.

  • b. In het besluitvormingsmechanisme is inzichtelijk dat in ieder geval de volgende punten worden geborgd bij (i) de vormgeving van projectvoorstellen en (ii) het toetsen van financieringsverzoeken:

    • de te financieren organisatie is een rechtspersoon zijnde een Nationale Vereniging van Rode Kruis- of Rode Halve Maanbeweging die lid is van de IFRC, met een bewezen trackrecord in humanitaire hulpverlening, dan wel de IFRC;

    • indienings- en beoordelingstermijnen;

    • een format voor de beschrijving van de beoogde interventies en/of de aan projectvoorstellen en financieringsverzoeken te stellen formele vereisten;13

    • minimum- en maximumbedragen voor de voorgestelde interventies;

    • minimale en maximale duur van de interventies;

    • (te financieren) activiteiten op het gebied van humanitaire respons:

    • zijn gebaseerd op (de hoogste) humanitaire noden;

    • betreffen één of meer van de in paragraaf 3.3.1 genoemde thema’s.

    • looptijd acute humanitaire respons zoals benoemd in paragraaf 3.7.1;

    • looptijd chronische humanitaire respons zoals benoemd in paragraaf 3.7.2.

    • te financieren activiteiten op het gebied van versterking systeem humanitaire respons betreffen één of meer van de in paragraaf 3.3.2 genoemde thema’s;

    • geografische focus zoals benoemd in paragraaf 3.5;

    • start- en einddatum/tijdvak zoals benoemd in paragraaf 3.6;

5.1.6. Besluitvormingsmechanisme overig

In het besluitvormingsmechanisme is inzichtelijk dat bij de vormgeving van projectvoorstellen aandacht bestaat voor – en bij de beoordeling van financieringsverzoeken in ieder geval criteria worden gehanteerd op het gebied van:

  • a. Duurzaamheid;

  • b. Logische samenhang;

  • c. Risicoanalyse;

  • d. Proportionaliteit gevraagde middelen en uit te voeren activiteiten;

  • e. Lerend vermogen;

  • f. Lokaal geleid werken;

  • g. Gender- en leeftijdssensitiviteit:

5.1.7. Financiële aspecten
  • a. Ten minste 60% van de gevraagde subsidie wordt ingezet voor de doelstelling respons in acute en chronische crises.

  • b. Het totaal van de indirecte kosten voor projectvoorstellen en financieringsverzoeken bedraagt maximaal 15% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag, exclusief de kostenpost ‘onvoorzien’ (zie 5.1.7.c).

  • c. Het totaal van de kosten voor voorzieningen voor verliezen als gevolg van onvoorziene omstandigheden, zoals diefstal, ongevallen en schade die ontstaat tijdens de uitvoering van de activiteit, en waarvoor verzekering niet mogelijk is, voor subsidieaanvragen en financieringsverzoeken bedraagt maximaal 1% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag.14

  • d. Maximaal 1% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag heeft betrekking op coördinerende inspanningen die de coördinator van het totaal aan uit te voeren activiteiten levert.

5.1.8. Van subsidie uitgesloten activiteiten

De in paragraaf 3.4 genoemde activiteiten komen niet voor subsidie in aanmerking.

5.2. Inhoudelijke criteria

De ingediende aanvraag wordt, na positieve uitkomst van toetsing op de drempelcriteria, beoordeeld op basis van de volgende inhoudelijke, kwalitatieve criteria:

5.2.1. Risicodeling
  • a. De mate waarin kennis en kunde over risicodeling wordt gedeeld, dialogen worden georganiseerd om risico’s te identificeren, en (per respons) concrete actieplannen op dit vlak worden opgesteld.

  • b. De mate waarin de veiligheid en bescherming van hulpverleners wordt geborgd.

5.2.2. Lokaal geleid werken

De mate waarin in het kader van lokaal geleid werken aandacht wordt besteed aan de vormgeving van meer gelijkwaardige partnerschappen tussen leden van de IFRC.

5.2.3. Financiële aspecten
  • a. De mate waarin de aanvraag is voorzien van een realistische begroting, inclusief liquiditeitsplanning, die passend is bij de voorgestelde activiteiten.

  • b. De mate waarin de financiële verdeling van de gevraagde subsidie binnen de doelstelling respons in acute en chronische crises, en binnen de doelstelling versterking van het systeem voor de humanitaire respons is gebaseerd op lessons learned in het verleden.

6. Criteria voor aanvragen ten laste van kanaal b

In dit hoofdstuk zijn de criteria opgenomen op grond waarvan subsidieaanvragen worden beoordeeld die worden ingediend voor financieringskanaal b.

6.1. Drempelcriteria

Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag aan één of meerdere criteria niet voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder wordt beoordeeld. De drempelcriteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

6.1.1. Alliantie
  • a. Een aanvraag voor een subsidie in het kader van Humanitaire hulp 2027–2031 ten laste van financieringskanaal b wordt ingediend door een penvoerder namens een alliantie (zijnde: een samenwerkingsverband van twee of meer organisaties als bedoeld in criterium 6.1.2, die een gezamenlijk voorstel uitvoeren waarbij alle partijen een bijdrage leveren aan het geheel).

  • b. De aanvraag bevat een door alle alliantiepartners (penvoerder en mede-indieners) getekende samenwerkingsovereenkomst die is gesloten met het oog op de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:

    • de wijze waarop elk van de alliantiepartners bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband (rollen, taken en verantwoordelijkheden);

    • de wijze waarop de algemene besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt;

    • de wijze waarop de financiering en risico’s worden gedeeld tussen de alliantiepartners;

    • de wijze waarop de alliantiepartners streven naar meer uniformiteit en transparantie in afspraken met lokale implementerende partners;

    • de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens het Ministerie van Buitenlandse Zaken is gewaarborgd, inclusief de zorg voor de gezamenlijk geaggregeerde rapportages;

    • de wijze waarop de alliantiepartners elkaar informeren, in het bijzonder over hun financiële gezondheid;

    • de wijze waarop de samenwerking kan worden aangepast;

    • de wijze waarop elk van de alliantiepartners betrokken is bij het monitoren en evalueren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten.

6.1.2. Type organisatie

Elke alliantiepartner:

  • is een niet-gouvernementele organisatie (NGO): een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is;

  • beschikt over een bewezen trackrecord in humanitaire hulpverlening;

  • is lid van de Dutch Relief Alliance.

De penvoerder toont dit aan voor elke alliantiepartner aan de hand van diens statuten.

6.1.3. Organisatorische capaciteit en integriteit
  • a. De penvoerder van de alliantie is in staat tot een adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

  • b. Daarnaast toont de penvoerder aan dat hij en alle mede-indieners beschikken over een integriteitsbeleid, en procedures om dit beleid te implementeren. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden, bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de penvoerder, de mede-indieners en de door hen ingeschakelde partijen, zoveel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van (mogelijke) incidenten aan de minister is gewaarborgd.

Hiertoe voegt de aanvrager bij zijn aanvraag de in Annex 3 vermelde documentatie.

6.1.4. Maximale bezoldiging

De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van elk van de alliantiepartners bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar ten hoogste € 241.000 (bruto) bij een dienstverband van een 36-urige werkweek.

Genoemd bedrag bestaat uit:

  • de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen);

  • de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen;

  • beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage, etc.

Op een van de volgende wijzen wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan:

  • Voor alliantiepartners die vallen onder de reikwijdte van de Wet normering topinkomens (WNT) vermeldt de penvoerder een verwijzing naar hun elektronische meldingen van de WNT-gegevens bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tenzij deze informatie per 1 januari 2027 in verband met een wijziging in de bezoldiging niet meer geldig is, in welk geval het hiernavolgende geldt.

  • Voor alle (overige) alliantiepartners specificeert de penvoerder in de tabel zoals opgenomen in Annex 4 de hoogte van de bezoldiging (inclusief toeslagen) van elk van de leden van het management (inclusief CEO) en bestuur per de datum van de ingang van het subsidietijdvak.

6.1.5. Subsidiabele activiteiten
  • a. De aanvraag is gericht op (de financiering van) humanitaire hulpverlening aan slachtoffers van chronische crises en acute noodsituaties, op de financiering en capaciteitsopbouw van lokale actoren ten behoeve van hulpverlening aan genoemde doelgroep en op (de financiering van) activiteiten ten behoeve van versterking van het humanitaire systeem, gebaseerd op de uitgangspunten, bedoeld in paragraaf 3.1:

    • Humanitair imperatief en Humanitaire principes;

    • Veiligheid en psychosociaal welzijn van hulpverleners

    • Lokaal geleid werken en gelijkwaardige partnerschappen;

    • Innovatie en leren;

    • Accountability: transparantie en participatie;

    • Gender- en leeftijdssensitiviteit;

    • Effectiviteit.

  • b. De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd dragen bij aan de doelstellingen van dit subsidiebeleidskader:

    • Respons: Het voorzien in humanitaire behoeften en het verbeteren van de bescherming van de burgerbevolking (in acute en chronische crisissituaties).

    • Effectief Humanitair Systeem: Versterking van het humanitair respons- en paraatheidsysteem.

Dit blijkt uit het beoordelingskader dat wordt ingediend ten behoeve van de criteria onder 6.1.7.

6.1.6. Minimumeisen beoordelingskader

In het beoordelingskader is inzichtelijk dat bij de beoordeling van financieringsverzoeken in ieder geval de volgende punten worden geborgd:

  • a. Te financieren organisaties: alliantiepartners als bedoeld in criterium 6.1.2.

  • b. Indien lokale partners/organisaties uitvoerder van de te financieren activiteiten zijn:

    • Gelijkwaardige betrokkenheid bij de vormgeving en inhoud van de activiteiten (bijvoorbeeld via transparante afspraken over besluitvorming en zeggenschap) en de verdeling van middelen, verantwoordelijkheden en risico’s;

    • Mogelijkheid van directe reflectie op de kwaliteit van partnerschapsvoorwaarden die hen geboden worden door alliantiepartners als bedoeld in criterium 6.1.2.

    • Toegang tot flexibele en meerjarige financiering, voor zover passend, ter versterking van hun institutionele capaciteit en duurzaamheid binnen het humanitaire systeem.

  • c. Te financieren activiteiten op het gebied van humanitaire respons:

    • voldoen aan internationale humanitaire kwaliteitsstandaarden, en zijn waar mogelijk gecoördineerd door UN OCHA (o.a. aansluiting bij de geografische prioritering die is gedaan door de humanitaire gemeenschap zoals de Humanitarian Needs and Response Plans of soortgelijke afspraken).

    • zijn gebaseerd op (de hoogste) humanitaire noden;

    • betreffen één of meer van de in paragraaf 3.3.1 genoemde thema’s.

  • d. Te financieren activiteiten op het gebied van versterking systeem humanitaire respons: betreffen één of meer van de in paragraaf 3.3.2 genoemde thema’s.

  • e. Indienings- en beoordelingstermijnen.

  • f. Een format voor de beschrijving van de beoogde interventies en/of de aan projectvoorstellen en financieringsverzoeken te stellen formele vereisten;15

  • g. Geografische focus zoals benoemd in paragraaf 3.5.

  • h. Start- en einddatum/tijdvak zoals benoemd in paragraaf 3.6.

  • i. Looptijd acute humanitaire respons zoals benoemd in paragraaf 3.7.1.

  • j. Binnen het acute responsmechanisme geldt een standaard van vier alliantiepartners. Voor lokale partners zal er geen maximumaantal worden gehanteerd.

  • k. Looptijd chronische humanitaire respons zoals benoemd in paragraaf 3.7.2.

  • l. Binnen het chronische responsmechanisme geldt een standaard van maximaal vier alliantiepartners, tenzij voorafgaand aan de respons toestemming is verkregen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor meer partners. Voor lokale partners geldt geen maximumaantal.

6.1.7. Beoordelingskader overig

In het beoordelingskader is inzichtelijk dat bij de beoordeling van financieringsverzoeken in ieder geval criteria worden gehanteerd op het gebied van:

  • a. Duurzaamheid;

  • b. Logische samenhang;

  • c. Risicoanalyse;

  • d. Proportionaliteit gevraagde middelen en uit te voeren activiteiten;

  • e. Lerend vermogen;

  • f. Geografische concentratie van activiteiten en selectie van locaties op basis van aantoonbare hoge humanitaire noden en in afstemming met prioriteringen van de bredere humanitaire gemeenschap;

  • g. Gender- en leeftijdssensitiviteit:

6.1.8. Financiële aspecten
  • a. Het totaal van de indirecte kosten voor projectvoorstellen en financieringsverzoeken bedraagt maximaal 15% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag, exclusief de kostenpost ‘onvoorzien’ (zie 6.1.8.b).

  • b. Het totaal van de kosten voor voorzieningen voor verliezen als gevolg van onvoorziene omstandigheden, zoals diefstal, ongevallen en schade die ontstaat tijdens de uitvoering van de activiteit, en waarvoor verzekering niet mogelijk is, voor subsidieaanvragen en financieringsverzoeken bedraagt maximaal 1% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag.16

  • c. Maximaal 1% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag heeft betrekking op de coördinerende inspanningen die de coördinerende alliantiepartner van het totaal aan uit te voeren activiteiten levert. Overige (alliantie)partners zijn hiervan uitgesloten.

  • d. Per Joint Response (zowel Chronisch als Acute) mag de voor die activiteiten coördinerende alliantiepartner maximaal 1% van het totaalbedrag van de Joint Response opvoeren als coördinatiekosten.

  • e. Maximaal 15% van de kosten van de specifiek door lokale organisaties uitgevoerde activiteiten heeft betrekking op indirecte kosten waarvan ten minste 9% ter beschikking van de lokale organisatie(s) zelf wordt gesteld.

6.1.9. Van subsidie uitgesloten activiteiten

De in paragraaf 3.4 genoemde activiteiten komen niet voor subsidie in aanmerking.

6.2. Inhoudelijke criteria

De ingediende aanvraag wordt, na positieve uitkomst van toetsing op de drempelcriteria, beoordeeld op basis van de volgende inhoudelijke, kwalitatieve criteria:

6.2.1. Risicodeling
  • a. De mate waarin kennis en kunde over risicodeling wordt gedeeld, dialogen worden georganiseerd om risico’s te identificeren, en (per respons) concrete actieplannen op dit vlak worden opgesteld.

  • b. De mate waarin de veiligheid en bescherming van hulpverleners wordt geborgd.

6.2.2. Lokaal geleid werken

De mate waarin in het kader van lokaal geleid werken aandacht wordt besteed aan de vormgeving van meer gelijkwaardige partnerschappen tussen de organisatie(s) die de subsidieaanvraag doet (doen) en lokale/nationale partners door (in ieder geval):

  • Het verstrekken van meerjarige en flexibele financiering, inclusief een gelijkwaardigere verdeling van middelen tussen INGOs en lokale organisaties en een transparante vergoeding van indirecte kosten aan lokale organisaties.

  • Het zo direct mogelijk verstrekken van financiering aan lokale partners, gepaard gaand met ‘less paper, more aid’ (i.e. het zo effectief en efficiënt mogelijk verminderen en stroomlijnen van rapportagevereisten).

  • Het betrekken van lokale organisaties en gemeenschappen in besluitvorming over humanitaire hulp en financiering.

  • Het bevorderen van de representatie van lokale partners in besluitvorming- en coördinatiestructuren voor de uitvoering van humanitaire hulp.

  • Effectieve capaciteitsondersteuning en -versterking, waarbij lokale partners een rol wordt gegeven in vaststelling van te ondersteunen/versterken capaciteiten.

  • Het bieden van kanalen voor directe reflectie door lokale organisaties aan donoren over partnerschapsvoorwaarden.

6.2.3. Financiële aspecten
  • a. De mate waarin de aanvraag is voorzien van een realistische begroting, inclusief liquiditeitsplanning, die passend is bij de voorgestelde activiteiten.

  • b. De financiële verdeling van de gevraagde subsidie over humanitaire respons, en daarbinnen tussen de respons in acute en chronische crises, en versterking van het systeem voor de humanitaire respons is gebaseerd op lessons learned in het verleden.


X Noot
1

open.overheid.nl

X Noot
2

Global Humanitarian Overview (GHO) 2026, Engelse versie, publicatiedatum 8 december 2025.

X Noot
3

Kamerstuk 36 180-198 van 31 maart 2026.

X Noot
4

De Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) is één van de centrale onderdelen van de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging. De Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging werkt langs de lijnen van de humanitaire principes en heeft, als neutrale, onpartijdige en onafhankelijke actor, maar ook als lokaal gewortelde organisatie, doorgaans goede toegang tot mensen in nood. De 191 Nationale Verenigingen die lid zijn van de IFRC werken, overal ter wereld, in het voorste gelid van de humanitaire respons, in zowel chronische als acute crises

X Noot
5

In kader van een wens tot samenwerking, meer zichtbaarheid van humanitaire hulp en efficiënter gebruik van schaarse humanitaire financiering, werd in 2015 door een aantal Nederlands NGO’s de Dutch Relief Alliance (DRA) opgezet. Dit samenwerkingsverband heeft tot doel mensen in nood van de benodigde humanitaire hulp te voorzien in zowel chronische als acute crises. De DRA, een alliantie van Nederlandse NGO’s, heeft hiertoe vanaf 2015 subsidie ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
7

De Inter-Agency Standing Committee (IASC)-definitie van het begrip lokale partners is leidend in het vaststellen of een organisatie lokaal en/of nationaal is, https://interagencystandingcommittee.org/sites/default/files/migrated/201801/hftt localisation_marker_definitions_paper_24_january_2018.pdf

X Noot
8

Het DRA-lidmaatschap staat open voor organisaties die voldoen aan de geldende DRA lidmaatschapcriteria.

X Noot
10

Subsidie wordt geweigerd indien de aanvraag wordt ingediend na aanvang van de activiteiten. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat in afwijking van de eerste volzin subsidie kan worden verstrekt voor nader omschreven activiteiten met een spoedeisend karakter.

X Noot
11

Subsidie kan worden verleend voor activiteiten waarmee reeds een aanvang is gemaakt indien:

a. de activiteiten zo spoedeisend zijn dat van de aanvrager in redelijkheid niet gevergd kan worden dat deze zijn aanvraag voor aanvang daarvan had ingediend;

b. de aanvrager bij aanvang van de activiteiten de minister daarvan in kennis heeft gesteld onder mededeling van het voornemen om een subsidieaanvraag in te dienen, en

c. de subsidieaanvraag binnen vier weken na aanvang van de activiteiten is ingediend.

X Noot
13

Hierbij mag indien nodig onderscheid worden gemaakt tussen humanitaire response en versterking van het systeem voor humanitaire respons.

X Noot
14

Voordat tijdens de uitvoering van de activiteiten deze post kan worden benut, vraagt de subsidieontvanger vooraf goedkeuring aan het Ministerie.

X Noot
15

Hierbij mag indien nodig onderscheid worden gemaakt tussen humanitaire response en versterking van het systeem voor humanitaire respons.

X Noot
16

Voordat tijdens de uitvoering van de activiteiten deze post kan worden benut, vraagt de subsidieontvanger vooraf goedkeuring aan het Ministerie.


X Noot
1

open.overheid.nl

X Noot
2

Global Humanitarian Overview (GHO) 2026, Engelse versie, publicatiedatum 8 december 2025.

X Noot
3

Kamerstuk 36 180-198 van 31 maart 2026.

X Noot
4

De Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) is één van de centrale onderdelen van de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging. De Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging werkt langs de lijnen van de humanitaire principes en heeft, als neutrale, onpartijdige en onafhankelijke actor, maar ook als lokaal gewortelde organisatie, doorgaans goede toegang tot mensen in nood. De 191 Nationale Verenigingen die lid zijn van de IFRC werken, overal ter wereld, in het voorste gelid van de humanitaire respons, in zowel chronische als acute crises

X Noot
5

In kader van een wens tot samenwerking, meer zichtbaarheid van humanitaire hulp en efficiënter gebruik van schaarse humanitaire financiering, werd in 2015 door een aantal Nederlands NGO’s de Dutch Relief Alliance (DRA) opgezet. Dit samenwerkingsverband heeft tot doel mensen in nood van de benodigde humanitaire hulp te voorzien in zowel chronische als acute crises. De DRA, een alliantie van Nederlandse NGO’s, heeft hiertoe vanaf 2015 subsidie ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
7

De Inter-Agency Standing Committee (IASC)-definitie van het begrip lokale partners is leidend in het vaststellen of een organisatie lokaal en/of nationaal is, https://interagencystandingcommittee.org/sites/default/files/migrated/201801/hftt localisation_marker_definitions_paper_24_january_2018.pdf

X Noot
8

Het DRA-lidmaatschap staat open voor organisaties die voldoen aan de geldende DRA lidmaatschapcriteria.

X Noot
10

Subsidie wordt geweigerd indien de aanvraag wordt ingediend na aanvang van de activiteiten. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat in afwijking van de eerste volzin subsidie kan worden verstrekt voor nader omschreven activiteiten met een spoedeisend karakter.

X Noot
11

Subsidie kan worden verleend voor activiteiten waarmee reeds een aanvang is gemaakt indien:

a. de activiteiten zo spoedeisend zijn dat van de aanvrager in redelijkheid niet gevergd kan worden dat deze zijn aanvraag voor aanvang daarvan had ingediend;

b. de aanvrager bij aanvang van de activiteiten de minister daarvan in kennis heeft gesteld onder mededeling van het voornemen om een subsidieaanvraag in te dienen, en

c. de subsidieaanvraag binnen vier weken na aanvang van de activiteiten is ingediend.

X Noot
13

Hierbij mag indien nodig onderscheid worden gemaakt tussen humanitaire response en versterking van het systeem voor humanitaire respons.

X Noot
14

Voordat tijdens de uitvoering van de activiteiten deze post kan worden benut, vraagt de subsidieontvanger vooraf goedkeuring aan het Ministerie.

X Noot
15

Hierbij mag indien nodig onderscheid worden gemaakt tussen humanitaire response en versterking van het systeem voor humanitaire respons.

X Noot
16

Voordat tijdens de uitvoering van de activiteiten deze post kan worden benut, vraagt de subsidieontvanger vooraf goedkeuring aan het Ministerie.

Naar boven