Ontwerp-Projectbesluit KRW IJssel, maatregel Hoenwaard

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Besluit:

Artikel 1

Op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet wordt het Projectbesluit KRW IJssel, maatregel Hoenwaard vastgesteld, zoals deze in Bijlage 1 is opgenomen inclusief de daarbij behorende bijlagen.

Artikel 2

Het projectbesluit treedt in werking 4 weken na de dag van bekendmaking.



Aldus besloten op 4 juni 2026,

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Namens deze

hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Oost-Nederland,

E. Slump

Bijlage 1 Artikel 1

Ontwerp-Projectbesluit KRW IJssel, maatregel Hoenwaard

1. Projectbesluit en projectgebied

Het projectbesluit KRW IJssel, maatregel Hoenwaard ziet toe op de uitvoering van de KRW-maatregel binnen de Hoenwaard, te weten het realiseren van 4.100 meter natuurvriendelijke oever.

Bijlage I bevat de geometrische informatie van het projectgebied waarop dit projectbesluit betrekking heeft.

1.1. Beschrijving KRW-maatregel​

Door de aanleg van de KRW-maatregel zal de ligging, vorm, afmeting en inhoud van de rivier en de uiterwaard (het waterstaatswerk) wijzigen. Van de beschreven maatregel is in bijlagen II en IV tekeningen en dwarsdoorsneden opgenomen. Voor de KRW-maatregel is in bijlage IV de vegetatie interventiewaardenkaart opgenomen.

De te realiseren KRW-maatregel ‘Natuurvriendelijke oevers’ bestaat uit de aanleg van 4.100 meter aan natuurvriendelijke oevers, de plaatsing van rivierhout, het verwijderen van geotextiel en stortsteen, het afgraven van de oevers bij traject 1 en een deel van traject 2, het verlengen van de kribben en de aanleg van een struweel. Deze maatregel omvat de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

  • Er worden natuurvriendelijke oevers aangelegd met een totale lengte van 4.100 meter, verdeeld over drie trajecten: tussen rkm 970,8 en 971,2, tussen rkm 973 en 975,5 en tussen 975,5 en 977,2.

  • In en langs de oevers wordt rivierhout aangebracht voor een gevarieerde inrichting van het gebied.

  • In de kribvakken van de natuurvriendelijke oevers wordt geotextiel en stortsteen verwijderd.

  • Ter plaatse van traject 1 en bij de meest beneden- en bovenstroomse kribvakken van traject 2 wordt de oever afgegraven in een talud van 1:7.

  • Kribben worden landinwaarts verlengd op locaties waar dat nodig is.

  • Kribbakens worden daar waar nodig verplaatst.

De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in bijlagen II en III weergegeven ontwerptekeningen.

1.2. Maatvoering

In de bijlagen II en III zijn de ontwerptekeningen en dwarsdoorsneden opgenomen op basis waarvan het project wordt uitgevoerd, inclusief de afmetingen. Desondanks is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de maatvoering zoals opgenomen in de bijlagen. Dit is inherent aan de aard van de werkzaamheden voorkomend uit de praktisch en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en machines. Dit onder voorwaarde dat de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.

2. Maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen fysieke leefomgeving

Om de effecten van de KRW-maatregel op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen.

2.1 Soortenbescherming

Vanwege de verbodsbepalingen die gelden voor beschermde soorten worden de volgende mitigerende maatregelen getroffen:

  • Algemene broedvogels: Voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is worden mitigerende maatregelen getroffen:

    • Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

    • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, worden geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt en gehouden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

  • Vleermuizen: negatieve effecten door verstoring door licht op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied in de directe omgeving worden voorkomen door:

    • Te werken tussen zonsopgang en zonsondergang;

    • Indien dat niet mogelijk is dient directe lichtuitstraling op bomen, foerageergebied en rijvormige structuren die als vliegroute kunnen functioneren voorkomen te worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van verlichting met een neerwaarts gerichte, geconvergeerde lichtbundel, bijvoorbeeld met behulp van armaturen.

  • Bever: Er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de bever door het nemen van mitigerende maatregelen om verstoring te voorkomen;

  • Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort gemaaid en/of gesnoeid. Hierdoor wordt het voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden;

  • De werkzaamheden worden rustig uitgevoerd en in één richting en/of van open water af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet het water ingejaagd zodat ze verdrinken;

  • Er worden geen werkzaamheden in watergangen uitgevoerd bij vorst;

  • Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld en toegepast.

2.2 Behoud recreatieve mogelijkheden

Om de recreatieve functie van het gebied te behouden worden de volgende maatregelen getroffen:

  • Zoals in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2 van de motivering is toegelicht wijzigt RWS niks aan de recreatiemogelijkheden. Wel wordt rekening gehouden met de aanwezige visstekken door geen rivierhout te plaatsen bij deze stekken.

2.3 Waterhuishouding en waterveiligheid

Om negatieve effecten op de waterhuishouding binnen het projectgebied te voorkomen worden de volgende maatregelen getroffen:

  • Bij de aanleg van de NVO’s wordt het overtollige vrijgekomen geotextiel verwijderd, zodat geen resten geotextiel achterblijven in het milieu;

  • Ter plaatse van traject 1 en bij de meest beneden- en bovenstroomse kribvakken van traject 2 wordt de oever afgegraven in een talud van 1:7. Dit vermindert de aanzanding in de vaargeul.

2.4 Archeologie

Ter bescherming van cultureel erfgoed en beperken van schade wordt de volgende maatregel getroffen:

  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst archeologische resten’ opgesteld en toegepast.

  • Er wordt een programma van eisen voor omgang met archeologische resten vastgesteld;

2.5 Overige milieuaspecten

Ter bescherming van de omgeving wordt de volgende maatregel getroffen:

  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst Ontplofbare Oorlogsresten’ opgesteld en toegepast.

3. Tijdelijke maatregelen

3.1 Werkterreinen, werkwegen en een laad- / losinrichting

Om het project te kunnen realiseren worden de volgende tijdelijke maatregelen getroffen:

  • overslaglocatie voor het overslaan van materiaal dat per schip wordt aangevoerd naar materieel per as en vice versa;

  • ruimte voor een dagdepot;

  • werkweg voor aan- en afvoer van materiaal en materieel.

Aanvullend op de ruimte die voor de KRW-maatregel zelf nodig is (weergegeven op de ontwerptekeningen als “projectgebied”), is ruimte nodig om veilig en efficiënt te kunnen werken. Veilig voor zowel aannemer als omgeving, waarbij erop gestuurd wordt dat de aannemer geen rekening hoeft te houden met derden die op zijn terrein kunnen komen. Deze tijdelijke extra werkruimte is alleen nodig voor de periode van uitvoering. Deze ruimte heeft betrekking op werkwegen voor de bereikbaarheid vanaf de openbare weg en/of het overbruggen van afstanden tussen verspreid liggende maatregelen. Voor toegangswegen naar het werk wordt een breedte van 5 meter en voor de werkwegen wordt een breedte van 10 meter aangehouden, waardoor het mogelijk is dat werkverkeer elkaar ook kan passeren. Daarnaast is werkruimte nodig voor draaicirkels en veiligheidsafstanden van materieel. Omdat de aan- en afvoer van materiaal voorzien is vanaf het water, is er ook ruimte nodig voor een overslaglocatie. Om de overslaglocatie daadwerkelijk te kunnen realiseren, is een aanvullende vergunning nodig. Deze maakt geen onderdeel uit van het projectbesluit.

De locaties van deze tijdelijke maatregelen zijn weergegeven in bijlage V.

4. Geïntegreerde omgevingsvergunning

Volgens artikel 5.52, tweede lid onder a van de Omgevingswet geldt het projectbesluit als omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit, voor zover dat uitdrukkelijk in het projectbesluit is bepaald. Dit projectbesluit geldt als een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, voor zover de uitvoering van de in dit projectbesluit beschreven maatregelen op grond van artikel 6.17, eerste lid onder g en c, ten eerste, van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn.

5. Termijn niet vaststellen omgevingsplan of provinciaal projectbesluit

Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit dan wel eerder, als het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in een omgevingsplan van de gemeenten Hattem en Heerde, en de provincie Gelderland geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren. Als het project eerder dan 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit is gerealiseerd wordt dit namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat door Rijkswaterstaat tegelijkertijd aan de gemeenten Hattem en Heerde, en de provincie Gelderland schriftelijk meegedeeld.

6. Bijlagen

De bijlagen zijn te vinden op de ​website ​Open overheid.

I Overzicht informatieobjecten

II Maatregel Hoenwaard: Ontwerp – Maatregel NVO

III Maatregel Hoenwaard: Ontwerp – Dwarsprofielen

IV Maatregel Hoenwaard: Ontwerp – Vegetatie Interventiewaardenkaart

V Kaart Tijdelijke maatregelen

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

de Hoenwaard

/join/id/regdata/mnre1130/2026/pb_KRW_Hoenwaard/nld@2026‑06‑18

Besluit Motivering

1. Inleiding

Dit document bevat de motivering voor het projectbesluit met de bijbehorende bijlagen. Het document biedt een compleet overzicht van zowel het besluitvormingsproces rondom het project als het project zelf. Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de opgave, een toelichting op het programma en een introductie op de KRW-maatregel. Hoofdstuk 2 geeft het wettelijk kader weer. Hoofdstuk 3 beschrijft het omgevingsproces. Hoofdstuk 4 behandelt het project, het projectgebied en de te treffen KRW-maatregel. Hoofdstuk 5 bespreekt de impact op de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op de verschillende belangen in het gebied en hoe deze worden beïnvloed en afgewogen. Hoofdstuk 7 behandelt de projectrealisatie. Hoofdstuk 8 behandelt de procedure van het projectbesluit en hoofdstuk 9 biedt een overzicht van de bijlagen behorend bij dit document.

In bijlage 1 is de Ontwerptoelichting maatregel Hoenwaard opgenomen en in bijlage 2 is de eigendomssituatie van de gronden waar de KRW-maatregel worden gerealiseerd weergegeven. Voor de KRW-maatregel is in bijlage 3 de vegetatie-interventiewaardenkaart opgenomen. De documenten benodigd om de impact op de fysieke leefomgeving vast te stellen zijn opgenomen als achtergronddocument.

1.1 Aanleiding en doel KRW

Schoon oppervlaktewater is van levensbelang voor mensen, dieren en planten. Rijkswaterstaat (hierna: RWS) werkt aan het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit van de Nederlandse rivieren. De maatregelen die RWS hiervoor neemt worden uitgevoerd om te voldoen aan de verplichtingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW).

De KRW stelt dat de EU-landen de doelen moeten halen voor de chemische en ecologische waterkwaliteit van hun oppervlakte- en grondwaterlichamen. Het doel: een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit in heel Europa, wat essentieel is voor zowel de natuur als de mens. De KRW verbiedt (tijdelijke) achteruitgang van de waterkwaliteit van deze waterlichamen. Uiterlijk in 2027 moeten de doelen voor schoon en gezond water zijn gehaald of moeten op zijn minst alle KRW-maatregelen zijn genomen om dit mogelijk te maken.

1.2. Programma KRW-ON

De KRW schrijft voor dat er stroomgebiedbeheerplannen (hierna: SGBP’s) moeten worden opgesteld met de beschrijving van de watersystemen, doelen en maatregelen. Voor de Rijn, Maas, Schelde en Eems zijn de eerste SGBP’s opgesteld in 2009; in 2015 en 2022 zijn deze geactualiseerd. De SGBP’s zijn een wettelijke bijlage bij het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. In deze SGBP’s is op hoofdlijnen beschreven welke maatregelen de komende zes jaar worden uitgevoerd. Rijkswaterstaat (hierna: RWS), als waterbeheerder van de rijkswateren, is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de KRW voor de rijkswateren, waaronder het Nederlandse stroomgebied van de Rijn.

Binnen het Nederlandse stroomgebied van de Rijn zijn afzonderlijke waterlichamen vastgesteld, waaronder de IJssel, de Bovenrijn/Waal, de Nederrijn/Lek en de Oude Maas.

Een overzichtstekening van de waterlichamen is te vinden in figuur 1.

De afbeelding toont een kaart van Nederland met daarop verschillende trajecten van waterlichamen die vallen onder de Kaderrichtlijn Water (KRW). De trajecten zijn met gekleurde lijnen aangegeven en worden in de legenda toegelicht. De kaart beslaat het gebied tussen Lobith, Arnhem, Zaltbommel, Zwolle, Schoonhoven en Deventer. De gekleurde lijnen vertegenwoordigen de verschillende deeltrajecten van grote rivieren zoals de Waal, Nederrijn-Lek, IJssel en Zwarte Water. Steden als Arnhem en Zwolle zijn als referentiepunten weergegeven. De legenda geeft per kleur aan welke riviertrajecten en locaties bij elk deeltraject horen.
Figuur 1: Waterlichamen deeltrajecten van KRW Oost-Nederland.

Voor elk waterlichaam zijn ecologische waterkwaliteitsdoelen vastgesteld volgens de doelstellingen van de KRW. Vervolgens zijn maatregelen bepaald waarmee deze KRW-doelen bereikt moeten worden. De maatregelen zijn verdeeld over drie tranches (of planperioden). De eerste tranche (2009-2015) is afgerond en de maatregelen binnen de tweede tranche (2016-2021) zijn deels uitgevoerd. De resterende maatregelen van de tweede tranche voert RWS uit in samenhang met de maatregelen van de derde tranche (2022-2027). Om in deze laatste uitvoeringsperiode te komen tot realisatie van de KRW-Maatregelen langs de IJssel, Waal, Nederrijn en Lek is het Programma Kaderrichtlijn Water Oost-Nederland (hierna: KRW ON) opgesteld. Tot het Programma behoren ongeveer 50 maatregelen. Deze maatregelen zijn onderverdeeld in verschillende projecten. Het project Hoenwaard is daar één van.

Voorbeelden van te nemen maatregelen zijn:

  • herstel van verbindingen om vissen ruim baan te geven;

  • verbeteren van geleidelijke overgangen tussen water en land en tussen zoet en zout water;

  • een betere uitwisseling tussen de hoofdstroom van de rivier en geulen in de uiterwaarden.

Door herinrichting van oevers, uiterwaarden en beekmondingen kunnen verdwenen leefgebieden van waterplanten en dieren in en langs de IJssel, de Waal, de Nederrijn en de Lek weer zoveel mogelijk worden teruggebracht.

Voor de uitvoering van deze KRW-maatregelen worden op grond van de Omgevingswet (ontwerp-) projectbesluiten opgesteld dan wel omgevingsvergunningen voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk aangevraagd. Elk besluit omvat één of meer KRW-maatregelen. Maatregelen in eenzelfde uiterwaard zijn zoveel mogelijk in hetzelfde besluit of dezelfde vergunningaanvraag opgenomen.

1.3. Maatregel ten behoeve van KRW IJssel, Hoenwaard

De uiterwaard Hoenwaard bevindt zich in het deelgebied IJssel, aangegeven als ‘R7 IJssel: Benedenstrooms-Deventer’. De ecologische kwaliteit van het waterlichaam IJssel-Nord en de manier waarop wordt beoogd deze kwaliteit te verbeteren, worden hieronder beschreven.

1.3.1 Ecologische toestand IJssel

Voor de IJssel zijn biologische kwaliteitsdoelen gesteld voor vis, macrofauna en overige waterflora. Uit de KRW-factsheet IJssel (van september 2025) blijkt dat de KRW-doelen voor de IJssel nog niet zijn bereikt. De KRW factsheets zijn online raadpleegbaar via ​www.waterkwaliteitsportaal.nl. In de KRW-factsheet is de Ecologische Kwaliteitsratio (hierna: EKR) voor het waterlichaam IJssel opgenomen. Voor de EKR worden verschillende meetwaarden gecombineerd tot één getal en met een norm vergeleken.

Hieronder is de EKR in de categorie biologie opgenomen met een weergave van de huidige toestand en het een 'goed ecologisch potentieel' (hierna: GEP) van de IJssel, zie Tabel 1. Deze tabel is overgenomen uit de KRW-factsheet IJssel. Het GEP betreft het minimaal te behalen doel voor dat element. Uit de tabel volgt dat in 2025 het leefgebied van macrofauna (of ongewervelde waterdieren) en vissen ontoereikend en voor overige waterflora matig scoort.

Een tabel met een de Ecologische Kwaliteitsratio voor Biologie  van de IJssel. Er wordt gekeken naar Macrofauna, Overige waterflora, Vis en Fytoplankton. Voor 2009, 2015, 2021 en 2025 is de toestand vergeleken. Scores worden aangegeven per jaar en zijn met kleuren aangeduid: groen betekent goed, geel is matig, oranje is onvoldoende. De kolom 'Doelbereik 2027' geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat het KRW-doel in 2027 wordt gehaald, wat bij alle groepen als 'Redelijk zeker' wordt aangegeven. In 2025 is Macrofauna en Vis ontoereikend. Overige waterflora is matig , en Fytoplankton is niet van toepassing.
Tabel 1: EKR-scores per jaar voor de IJssel. Legenda: groen = goed, geel = matig, oranje = ontoereikend en rood = slecht
1.3.2 Maatregel Hoenwaard

Voor de periode 2022-2027 dienen er in het KRW-waterlichaam IJssel nog de volgende maatregelen gerealiseerd te worden:

  • Aanleg nevengeulen en strangen: 27.815 km;

  • Optimalisatie oevers: 40 km;

  • Optimalisatie uiterwaardbeek en -monding (meerdere locaties): 6,1 km.

Dit is opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan Rijn 2022 - 2027. De voornoemde factsheet is een nadere uitwerking van dit SGBP. Binnen KRW-ON zijn voor de uitvoering van deze opgave meerdere projecten in uitwerking, waaronder het project Hoenwaard

In de KRW-leidraad Oost-Nederland zijn de gidssoorten voor het riviertype R7 (IJssel, Nederrijn-Lek, Waal) en R8 (Oude Maas) benoemd, zie Tabel 2. Deze gidssoorten zijn representatief voor een soortgroep die op het riviertraject voor hoort te komen. De eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied zijn als leidraad genomen voor het ontwerp van KRW-maatregelen.

De tabel toont een overzicht van KRW-gidsoorten voor de rivieren IJssel, Nederrijn-Lek en Waal (R7) en Oude Maas (R8). De soorten zijn ingedeeld in drie groepen: water- en oeverplanten, macro-invertebraten (macrofauna), en vissen. Per soort wordt aangegeven in welke riviersegmenten (R7, R8) ze voorkomen. De tabel is gebaseerd op de Leidraad KRW ON van Marijs et al. (2020)
Tabel 2: KRW-gidssoorten voor IJssel, Nerderrijn-Lek en Waal (R7) en Oude Maas (R8) (Leidraad KRW ON, Marijs et al. 2020).

Leefgebieden van deze soorten zijn:

  • Ondiep, stromend water – één van de belangrijkste rivierleefgebieden voor veel (stroomminnende) riviersoorten. In tegenstelling tot de hoofdgeul is dit water ondiep (<3m) en beschut tegen scheepsgolven. Dit type leefgebied wordt gecreëerd door de aanleg van nevengeulen of natuurvriendelijke oever.

  • Water verbonden met de rivier – dit water is éénzijdig verbonden met de rivier, er is geen of nauwelijks stroming. Hier kunnen waterplanten ontstaan en komen vissen en macrofauna voor die in, op en tussen de water- en oeverplanten leven. Peilfluctuaties zijn beperkt en doorzicht tot de bodem is essentieel om waterplanten te laten ontwikkelen. Dit leefgebied ontstaat met de KRW-maatregel ‘strang’ voor de R7-typen.

  • Geïsoleerde plas met kwel – poelen en plassen die vrij zijn van overstroming en verstoring staan juist niet in verbinding met de rivier, maar bieden wel ruimte aan doelsoorten van het rivierengebied. De plassen zijn rijk begroeid. Waar gewenst kunnen deze plassen in de KRW-systematiek opgevoerd worden als natuurvriendelijke oever.

  • Overstromingsvlakte – dit zijn gebieden die bij hoge waterstanden meestromen met de rivier en vervolgens een tijdje onder water staan. Deze gebieden dienen in het voorjaar als paai- en opgroeigebied voor vis. De KRW-maatregel uiterwaardverlaging biedt ruimte voor dit leefgebied.

  • Beekmonding – beekmondingen zijn de schakel tussen de rivieren en regionale watersystemen en vormen belangrijke knooppunten in de uitwisseling van soorten. Het water in de beekmondingen is over het algemeen van een andere kwaliteit dan van de rivier. Daarom heeft het de voorkeur dit water zo lang mogelijk gescheiden te houden.

Per uiterwaard is beschouwd welk van deze leefgebieden/maatregelen wenselijk en ruimtelijk inpasbaar zijn. Om invulling te geven aan de doelen van de KRW voor de IJssel worden voor het project Hoenwaard over een lengte van 4,1 km natuurvriendelijke oevers (hierna: NVO) gerealiseerd. In figuur 2 is de locatie weergegeven waar de maatregel gerealiseerd zal worden en waar ook dit projectbesluit betrekking op heeft. In hoofdstuk 4 worden de voorgenomen maatregel nader toegelicht.

Kaart van het riviergebied de Hoenwaard bij Hattem en Wapenveld. De loop van de IJssel is weergegeven met meerdere rood gemarkeerde trajecten langs de westelijke oever, die de locatie van de KRW-maatregel natuurvriendelijke oevers aangeeft. Het gebied rondom de rivier bestaat uit uiterwaarden, watergangen, agrarische percelen en nabijgelegen bebouwing.
Figuur 2. Locatie Hoenwaard met de KRW-maatregel natuurvriendelijke oevers aangegeven met de rode lijnen.

2. Wettelijk kader

2.1. Vaststelling projectbesluit

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de Minister) stelt op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet (hierna: Ow), het projectbesluit vast. Het projectbesluit is een instrument van de Minister voor het toestaan van projecten in de fysieke leefomgeving van nationaal belang. Met het realiseren van een KRW-maatregel binnen de Hoenwaard is een nationaal en zelfs Europees belang gemoeid. Het projectbesluit is daarom voor de realisatie van deze maatregel te beschouwen als een doeltreffend en doelmatig instrument waarvan de minister gebruik kan maken.

Volgens artikel 5.44, lid 1, Ow stelt de Minister een projectbesluit vast in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze overeenstemming is voor dit project echter niet vereist, omdat het gaat om een project gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit (zoals volgt uit artikel 5.44, lid 2, Ow in samenhang met 10.3, aanhef, onder b, van de Omgevingsregeling).

Relatie tot het omgevingsplan

Volgens artikel 5.52 Ow wijzigt het projectbesluit het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Bij de inwerkingtreding van de Ow hebben (veel) gemeenten echter nog geen omgevingsplan vastgesteld volgens de regels van de Ow. In het overgangsrecht van de Ow is daarom opgenomen dat een tijdelijk deel van het omgevingsplan ontstaat. Dit tijdelijke deel bestaat onder meer uit de bestemmingsplannen die golden direct voor de inwerkingtreding van de Ow. Gemeenten hebben (naar verwachting) tot eind 2031 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan in lijn met de Ow om te zetten naar een nieuw deel. In deze overgangsfase wijzigt het projectbesluit het omgevingsplan niet. Dit volgt uit artikel 22.16, lid 1, eerste zin Ow. Voor zover het projectbesluit in strijd is met een omgevingsplan, geldt het projectbesluit op grond van artikel 22.16, lid 1, Ow van rechtswege (automatisch) als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA).

In hoofdstuk 5, specifiek paragraaf 5.7, wordt beschreven dat (de uitvoering van) de KRW-maatregel in het projectbesluit niet in strijd zijn met de omgevingsplannen van de gemeenten Hattem en Heerde.

Instructieregels

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels die voor een gemeente gelden bij het vaststellen van een omgevingsplan, beoordelingsregels die voor het bevoegd gezag aangeven waaraan een ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden getoetst en regels voor monitoring.

Artikel 9.1, tweede lid, van het Bkl geeft aan welke instructieregels, die voor de gemeente gelden bij het vaststellen van een omgevingsplan, ook van toepassing zijn als de minister een projectbesluit vaststelt dat het omgevingsplan wijzigt. Daarnaast kunnen instructieregels over werelderfgoed (artikel 9.2 Bkl) en Natuurnetwerk Nederland van toepassing zijn (artikel 9.3 Bkl). Voor dit projectbesluit is alleen de instructieregel van artikel 9.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing, omdat er geen sprake is van werelderfgoed. Verder is er ook geen sprake van een wijziging van het omgevingsplan of een afwijking van het omgevingsplan middels een omgevingsvergunning.

De instructieregel uit artikel 9.3 van het Besluit kwaliteiten leefomgeving luidt dat het projectbesluit niet is toegestaan, indien het project binnen het Natuurnetwerk Nederland ligt en nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, tenzij verzekerd is dat deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten van een effectbeoordelingen beschreven die betrekking heeft op voornoemd thema.

2.2. Mer-beoordeling

Voorafgaand aan het vaststellen van het projectbesluit moet worden beoordeeld of het de uitvoering van een project betreft waarvoor een milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling moet worden gemaakt. De activiteiten waarin het projectbesluit voorziet zijn als project volgens bijlage V van het Omgevingsbesluit niet MER- of m.e.r.-beoordelingsplichtig.

3. Omgevingsproces

In het proces om te komen tot het projectbesluit zijn belanghebbenden intensief betrokken. Via verschillende kanalen is mondeling en schriftelijk aandacht besteed aan het tijdig en doelmatig verstrekken en verkrijgen van informatie van belanghebbenden.

3.1. Kennisgeving voornemen en participatie

Volgens de Omgevingswet start de projectprocedure om te komen tot het vaststellen van een projectbesluit met het bekendmaken van een kennisgeving voornemen en een kennisgeving participatie. De kennisgeving voornemen volgt uit artikel 5.47, eerste lid van de Omgevingswet. De kennisgeving participatie volgt uit artikel 5.47, vierde lid van de Omgevingswet. 

De kennisgeving voornemen en participatie voor de natuurvriendelijke IJsseloevers bij de Hoenwaard is gepubliceerd op 7 juni 2024 in de Staatscourant via officielebekendmakingen.nl. Met deze kennisgeving werd iedereen geïnformeerd en uitgenodigd mee te denken over de verkenning van oplossingsrichtingen. Hier zijn geen reacties op binnengekomen. 

Zoals in de kennisgeving is aangegeven, wordt voor dit project geen voorkeursbeslissing genomen als bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingswet.

3.2. Participatieproces

Vanwege de vele ontwikkelingen in en om de Hoenwaard is in 2016 besloten om een integraal, breed gedragen en samenhangend gebiedsproces op te richten. Hiertoe is het gebiedsproces Hoenwaard 2030 opgericht, een samenwerking tussen de provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, Waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten Hattem en Heerde. Dit resulteerde in 2018 in de Toekomstvisie Levendige Hoenwaard. Concrete maatregelen zijn vervolgens uitgewerkt in het Gebiedsplan Hoenwaard 2030 (2021). Hierin zijn enkele KRW-maatregelen opgenomen: geulen, natuurvriendelijke oever Veluwse Wetering, maaiveldverlaging en aanbrengen rivierhout.  

De natuurvriendelijke IJsseloevers waren niet in het gebiedsplan opgenomen. Deze opgave is uitgewerkt door Rijkswaterstaat. Vanwege de samenhang en gevoeligheden was het belangrijk en ook nadrukkelijk gewenst om richting de grondeigenaren en andere stakeholders via één kanaal te communiceren. Aangezien er al een participatietraject in gang was gezet door het project Hoenwaard 2030, is besloten om de communicatie over de natuurvriendelijke oevers hierin op te nemen. De communicatie over de natuurvriendelijke oevers is dus uitgevoerd door of samen met de omgevingsmanagers van het project Hoenwaard 2030 via het participatietraject dat al in gang was gezet. Met de projectorganisatie van Hoenwaard 2030 zijn vanaf juni 2021 regelmatig afstemmingsoverleggen gevoerd. 

Door Hoenwaard 2030 is een werkgroep opgericht met stakeholders uit het gebied. Hierin zaten de gemeenten Hattem en Heerde, het waterschap Vallei en Veluwe, de provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, een bedrijf actief in de recreatiesector, een stichting voor het Gelders landschap en kastelen en enkele particuliere grondeigenaren in het gebied.  

Tijdens het werkgroepoverleg in februari 2022 heeft het projectteam van Hoenwaard 2030 voor het eerst het plan voor de natuurvriendelijke IJsseloevers toegelicht. Begin juli heeft Rijkswaterstaat een uitgebreidere toelichting op de natuurvriendelijke IJsseloevers gegeven aan de werkgroepleden van het gebiedsproces Hoenwaard 2030. Er is aangegeven dat de komende tijd gezocht zou worden naar kansrijke plaatsen voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers langs de IJssel.  

Eind 2023 en begin 2024 heeft het projectteam van Hoenwaard 2030 gesprekken gevoerd met grondeigenaren. Een deel van deze eigenaren wordt ook geraakt door de natuurvriendelijke IJsseloever. In de gesprekken met deze eigenaren heeft het projectteam de plannen voor de aanleg van een natuurvriendelijke IJsseloever toegelicht. Ook hebben zij toestemming gevraagd voor het uitvoeren van veldonderzoek.

Op 27 juni 2024 is een publieksbijeenkomst geweest waar zowel het projectteam van Hoenwaard 2030 als het projectteam van Rijkswaterstaat aanwezig was. Tijdens deze bijeenkomst konden bezoekers informatie krijgen over zowel het project Hoenwaard 2030 als de natuurvriendelijke IJsseloevers.  

Door de projectorganisatie Hoenwaard 2030 zijn regelmatig nieuwsbrieven uitgebracht. Hierin werden ook nieuwsberichten over de natuurvriendelijke IJsseloevers opgenomen. De bredere omgeving is en wordt ook geïnformeerd via ​www.samenwerkenaanriviernatuur.nl. Hier is zowel voor het project Hoenwaard 2030 als voor de natuurvriendelijke IJsseloevers een projectpagina ingericht. In juli 2025 heeft Hoenwaard 2030 een nieuwsflits verstuurd, waarin staat dat het gebiedsproces Hoenwaard 2030 stopt. Hiermee is ook de communicatie vanuit Hoenwaard 2030 over de natuurvriendelijke IJsseloevers gestopt.

In het najaar van 2025 is het ontwerp samen met het ruimtebeslag teruggekoppeld naar de grondeigenaren en overheden. Hiervoor zijn door Rijkswaterstaat (keukentafel) gesprekken gevoerd met de grondeigenaren. Tijdens deze gesprekken is ook het concept- uitvoeringsplan en het vervolgproces toegelicht.

3.3. Wensen belanghebbenden

De noodzaak van de KRW-maatregel raakt per definitie andere belangen. In het omgevings- en participatieproces worden deze belangen opgehaald en verkend door in contact te treden met de verschillende belanghebbenden. In het proces met de belanghebbenden worden wensen voor het ontwerp opgehaald. De ingebrachte wensen en aandachtspunten worden beoordeeld via een honoreringsproces. Het uitgangspunt is recht te doen aan de verschillende belangen door deze zo mogelijk in het ontwerp te verwerken. Als dit niet mogelijk blijkt, kan RWS onderbouwd de afweging maken het (nationale) KRW-belang voorrang te geven boven particuliere en/of lokale belangen. Een aantal wensen zijn opgenomen in het ontwerp (gehonoreerd), voor een aantal was dat om verschillende redenen niet mogelijk. Aan de belanghebbenden is gecommuniceerd of en hoe aan hun wensen gehoor is gegeven. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de voornaamste wensen die wel en niet gehonoreerd zijn.

3.3.1 Gehonoreerde wensen

Door de inbreng van belanghebbenden is het vergunningenontwerp op de volgende punten gewijzigd ten opzichte van het schetsontwerp:

  • In de uiterwaard liggen visplaatsen langs de Ijssel. In het ontwerpproces is afstemming geweest met Sportvisserij Oost-Nederland. Hun wens om deze visplaatsen (bereikbaar) te behouden is gehonoreerd. De realisatie van de natuurvriendelijke oevers hebben geen effect op de toegankelijkheid van de oevers, daarnaast wordt er geen rivierhout op bestaande visstekken aangelegd. Doordat hier geen rivierhout wordt geplaatst, heeft dit geen negatief effect op de (sport)visserij.

  • Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe is de wens uitgesproken om rekening te houden met het gebiedsproces Hoenwaard 2030. In bovenstaande alinea’s is reeds besproken hoe hier rekening mee is gehouden.

3.3.2 Wensen die niet gehonoreerd zijn

De inbreng van belanghebbende heeft in de volgende gevallen niet geleid tot een ontwerpwijziging:

  • In een reactie op het VO is uitgesproken dat men het onwenselijk acht dat de oevers geschikter worden voor recreatie vanaf het water. Gevraagd wordt om hier rekening mee te houden. Deze wens is niet gehonoreerd. De onmogelijkheden voor het wijzigen van recreatiemogelijkheden zijn teruggekoppeld aan de omgeving. Rijkswaterstaat is niet bevoegd om de recreatieve mogelijkheden te beperken dan wel uit te breiden. De eventuele geschiktheid voor recreatie van NVO’s ten opzichte van de huidige oevers is daarom geen factor die meegenomen wordt in het ontwerpproces.

  • Vanuit meerdere particulieren is de wens geuit om vrijkomende gronden uit het project toe te passen om percelen in de uiterwaarde op te hogen. Dit verzoek is afgewezen, omdat dit niet bijdraagt aan de KRW-doelen. Gecommuniceerd is dat RWS niet per definitie tegen het toepassen van grond op laaggelegen nabijgelegen gronden is, echter draagt dit niet direct bij aan de KRW-doelen en kan dit dus geen inherent onderdeel van het project zijn.

4. Inhoud projectbesluit

4.1. Het projectgebied

Het projectgebied is het gebied waar het projectbesluit betrekking op heeft. Onder het projectgebied vallen de volgende onderdelen:

  • Het gebied waarbinnen de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van de KRW-maatregelen zal plaatsvinden. De maatregelen zelf zijn opgenomen in het Regelingendeel van het projectbesluit, hoofdstuk 1. Door de aanleg van de KRW-maatregelen zal de ligging, vorm, afmeting en inhoud van de rivier en de uiterwaard (het zogeheten waterstaatswerk) wijzigen. Het projectgebied omvat in ieder geval het gewijzigde waterstaatswerk in beheer van het Rijk. Onderdelen van het waterstaatswerk zijn bijvoorbeeld:

    • Vlak van vrije ruimte: dat is het gebied waarbinnen de rivierdynamiek de ruimte heeft om via erosie en sedimentatie invloed uit te oefenen op de vormgeving van de oevers van het waterstaatswerk.

    • Beheerstroken: dat is het gebied dat aansluit op het waterstaatswerk en nodig is voor het kunnen uitvoeren van beheer en onderhoud.

    • Kunstwerken of objecten zoals steenbestorting, kribwortels en rivierhout.

Na het onherroepelijk worden van het projectbesluit zal het gewijzigde waterstaatswerk met haar ligging, vorm, afmeting en constructie opgenomen worden in de legger rijkswaterstaatswerken. Rijkswaterstaat zal als beheerder vervolgens op basis van deze legger het beheer en onderhoud uitvoeren. Zie ook paragraaf 7.3.

  • De tijdelijke dan wel permanente maatregel(en) ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Zie voor een beschrijving van deze maatregelen het Regelingendeel, hoofdstuk 2. Permanente maatregelen zijn niet altijd onderdeel van het waterstaatswerk dat in beheer is van het Rijk.

  • Het gebied dat in de tijdelijke situatie nodig is om de realisatie van de KRW-maatregel mogelijk te maken (uitvoering). Hieronder vallen bijvoorbeeld werkterreinen, werkwegen en/of overslaglocaties. Zie voor een beschrijving van deze maatregel het Regelingendeel, hoofdstuk 3 en paragraaf 7.2 van deze motivering voor de toelichting op de tijdelijke maatregelen.

4.2. Beschrijving project KRW IJssel, maatregel Hoenwaard

4.2.1. Huidige situatie

De uiterwaard Hoenwaard bevindt zich aan de linkeroever van de IJssel, in de provincie Gelderland, tussen rivierkilometer 970,6 en rkm 977,3. In de Hoenwaard worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd.

De eerste bewoningssporen rond de Hoenwaard zijn terug te vinden in geschreven bronnen uit de 9e eeuw. In de eeuwen daarna werd de IJssel tussen Zwolle en Terwolde vrijwel geheel bedijkt, met uitzondering van Hattem en de Hoenwaard. Dankzij de hogere oeverwallen vormden overstromingen hier geen bedreiging; de naam “Hoen” verwijst dan ook naar “hogen”. Ondanks deze bescherming bleef de IJssel van koers veranderen, wat heeft geleid tot een dynamisch landschap met golvende stroomruggen en oude riviergeulen. Kronkelwaarden, ten oosten van de oeverwal, zijn nog altijd zichtbaar in het gebied. Het aanwezige microreliëf, evenals landschapselementen als de hanken, de Ankskolk en de Kanonsgeul (een meanderend stroompje dat Hattem met de IJssel verbindt), getuigen van de rijke riviergeschiedenis van de Hoenwaard.

De uiterwaard kent een gevarieerd gebruik met enkele woningen en recreatie, maar is voornamelijk in gebruik als agrarische grond. Aan de Hoenwaardseweg zijn enkele woningen en boerderijen gevestigd. Daarnaast zijn er enkele oppervlaktewaterlichamen aanwezig in de uiterwaarde, waaronder de Kanonsgeul. Welke een verbinding vormt tussen Hattem en de IJssel. In het noorden van de uiterwaard, nabij de Kanonsgeul, is een veerpont aanwezig waarmee men de IJssel kan oversteken. De Hoenwaard maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Rijntakken en is geheel aangewezen als Vogelrichtlijngebied; in het zuidelijk deel is daarnaast Habitatrichtlijngebied aanwezig. De gronden in de Hoenwaard zijn in eigendom van verschillende particulieren en niet-particulieren, zoals Rijkswaterstaat en het Waterschap Vallei en Veluwe. De bodemopbouw in de Hoenwaard is diffuus, met afwisselend zand- en kleilagen.

4.2.2. Toekomstige situatie

Om de ecologische kwaliteit van de IJssel te verbeteren en een bijdrage te leveren aan de KRW-opgave is in de Hoenwaard de inrichtingsmaatregel ‘natuurvriendelijke oevers’ uitgewerkt.

Natuurvriendelijke oever

Het doel van het realiseren van natuurvriendelijke oevers is het creëren van het leefgebied ‘ondiep, continu stromend water’. Dit leefgebied biedt ruimte aan hoofdzakelijk de rheofiele (stroomminnende) soorten in de IJssel. De natuurvriendelijke oevers dienen leefomstandigheden en bij voorkeur voorplantingshabitat te creëren voor o.a. de volgende gidssoorten: serpeling, sneep, rivierprik, winde, kokerjuffer, Bataafse stroommossel, bolle stroommossel, rivierrombout, schoraas, zandslurfje, mattenbies, pijlkruid, riet, rivierfonteinkruid en slijkgroen. Daarom worden in de kribvakken van de IJssel drie trajecten met natuurvriendelijke oevers aangelegd met een totale lengte van 4.100 meter. Daarnaast wordt er rivierhout geplaatst op een aantal locaties in de kribvakken van de oevers. Er worden 5 stuks rivierhout geplaatst in traject 1 en 2 in de kribben waar afgegraven wordt. In traject 3 wordt 1 stuk rivierhout geplaatst.

Traject 1 is het benedenstroomse traject tussen rkm 975,5 en 977,2. Traject 2 is het traject tussen rkm 973 en 975,5. Traject 3 ligt bovenstrooms tussen rkm 970,8 en 971,2. We ontwikkelen de natuurvriendelijke oevers door het stortsteen tot de “overeengekomen laagste rivierwaterstand (OLR) weg te halen. Daaronder blijven de stortstenen liggen. Het geotextiel verwijderen we tot 0,5 meter onder de OLR om te voorkomen dat dit losraakt en in het water terecht komt.

Ter plaatse van traject 1 en bij de meest beneden- en bovenstroomse kribvakken van traject 2 wordt de oever afgegraven in een talud van 1:7. Dit wordt gedaan omdat er in de vaargeul minder ruimte is voor aanzanding die veroorzaakt wordt door de aanleg van een NVO. Door af te graven verminderen we de aanzanding. De grens van het vlak van vrije ruimte ligt op de 1:11 insteeklijn (=erosielimietlijn). Door de combinatie van bodemgesteldheid en de lage ligging van de oever zal er tijdens het erosieproces waarschijnlijk geen steilrand ontstaan. Indien de NVO achter de erosielimietlijn erodeert, herstelt Rijkswaterstaat de oever naar het aanlegprofiel van 1:7 door middel van zandsuppleties.

De middelste kribvakken van traject 2 en heel traject 3 worden enkel ontsteend. Door de oever volledig natuurlijk te laten eroderen wordt er meer natuurlijke variatie in het talud verwacht wat positief is voor de flora en fauna die gebruik maken van de oever doordat er meer verschillende micromilieus ontstaan. Na aanleg verwachten we dat er een natuurlijk proces opgang komt. Afhankelijk van de lokale omstandigheden kan de oever eroderen. Hierdoor ontstaan er diverse oever taluds die in tijd en locatie variëren. Dit is de basis voor de gewenste diversiteit in leefomstandigheden. Uit ervaringscijfers is gebleken dat na enige decennia er een dynamisch evenwicht ontstaat waarbij de oever gemiddeld genomen niet meer verder erodeert. Voor de IJssel lijkt dit een oever breedte te zijn die overeenkomt met de breedte van een oever met een theoretisch talud van 1:11. Daarom zijn de ontwerpen en de daarop gebaseerde effecten bepaalt op dit theoretische profiel. In de legger van Rijkswaterstaat wordt dit weergegeven als "vlak van vrije ruimte". Het op natuurlijke wijze laten eroderen van de oever zorgt op termijn voor natuurlijke variatie in het talud, wat positief is voor de flora en fauna die gebruik maken van de oever. Indien de oever verder erodeert dan 1:11 dan zal er vanuit het beheer en onderhoud ingegrepen worden door middel van zandsuppleties. De oever wordt dan herstelt naar het aanlegprofiel van 1:7. 

Kribverlengingen

Om te voorkomen dat de kribben achterloops worden is een landinwaartse verlenging van de kribben nodig. De huidige hoogte van de krib wordt landinwaarts doorgetrokken met een talud van 1:100 en afgedekt met grond, waarna de grond opnieuw verdicht moet worden en opnieuw ingezaaid wordt met een grasmengsel. De kribben worden verlengd tot aan de aanleginsteek van de NVO (1:7 t.o.v. OLR) + 2 m. Mochten de kribben in een later stadium achterloops dreigen te worden, dan moeten deze verlengd worden tot 2 m na het evenwichtsprofiel.

Aangetakte laagtes

In traject 2 zijn enkele plekken waar laagtes achter de oever liggen. Deze laagtes worden van elkaar gescheiden door de kribben die verder landinwaarts doorlopen. Tijdens hoog water blijft hier water in staan waarna het langzaam uitzakt. In het ontwerp is opgenomen om de laagtes op diverse plekken aan te takken aan de rivier door middel van een smalle kerf haaks op oever. Het gaat om een kerf met een bodembreedte van 2 meter en met taluds van 1:10. De bodemhoogte varieert van 1,6 m NAP tot 1,8 m NAP, afhankelijk van de maaiveldhoogte. Deze flauwe taluds zijn nodig omdat de kerf door het beheerpad heen gaat. Deze kerf dient onderhouden te worden zodat hij niet dicht slibt. Door het aanbrengen van deze kerven komt er sneller water in de laagtes te staan waardoor deze laagtes langer onder water staan. Door gebruik te maken van de natuurlijke dynamiek ontstaan er poeltjes die leefgebied kunnen vormen voor kleine vissen en macrofauna. Doordat de laagtes met de natuurlijke dynamiek mee gaan kan het zijn dat ze na verloop van tijd dichtslibben. Dit is natuurlijke proces wat niet wordt tegengegaan. De laagtes worden niet op diepte gehouden door middel van baggeren of andere vormen van beheer en onderhoud.

Daarnaast wordt er in de vegetatielegger opgenomen dat hier meer verruwing toegestaan is. Door het combineren van poeltjes met struweel worden aanvullende natuurwaarden gecreëerd, niet alleen voor aquatische ecologie maar ook voor terrestrische ecologie. In de ontwerptekening is daarom aanvullend ruimte gemaakt voor de ontwikkeling van struweel. Dit wordt niet aangeplant, maar door dit op te nemen in de vegetatielegger is er wel de ruimte om dit op natuurlijke wijze te laten ontwikkelen. 

5. Het project en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

5.1. Inleiding

De effecten op de fysieke leefomgeving voor zowel de uitvoerings- als gebruiksfase worden in dit hoofdstuk voor diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen. In dit hoofdstuk volgt de toetsing aan relevante wet- en regelgeving en beleidsdocumenten. In algemene zin geldt dat het project bijdraagt aan het beschermen en verbeteren van een aantal van de volgende (algemene) doelen van de Omgevingswet, die zijn gericht op het in onderlinge samenhang:

  • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarden van de natuur, en;

  • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen.

Daarnaast voldoet het project aan het Bkl. Zoals toegelicht (in paragraaf 2.1) bevat het Bkl instructieregels over de fysieke leefomgeving die bij het vaststellen van het projectbesluit van toepassing zijn en beogen bepaalde belangen te borgen en te beschermen. Dit wordt in dit hoofdstuk - voor zover nodig - nader toegelicht.

5.2. Natuur

5.2.1 Toetsingskader

Onder de Omgevingswet maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Bij het toetsingskader voor natuur zijn de regels over gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland), die over soortenbescherming en die over houtopstanden relevant.

De maatregel in de Hoenwaard zijn te beschouwen als beheermaatregel voor het Natura 2000-gebied Rijntakken, omdat de maatregel een bijdrage levert aan de instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000-gebied. 

Voor andere Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het projectgebied is een voortoets stikstofdepositie (of andere effecttypen) uitgevoerd, waarvan de conclusie is dat significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten.  In de paragraaf hieronder wordt hier verder op ingegaan. Het feit dat de maatregel is te beschouwen als een beheermaatregel betekent dat het uitvoeren van de maatregel niet is aan te merken als een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit betekent op grond van de Omgevingswet ook dat voor de maatregel geen omgevingsvergunning nodig is voor een flora- en fauna-activiteit.  

Dit is nader uitgewerkt en toegelicht in de volgende rapportages: 

  • Rapport:  Rapportage Natura 2000-gebied – Hoenwaard, GROW, 2026; 

  • Rapport: Rapportage Soortenbescherming Deelgebied Hoenwaard, GROW, 2026; 

  • Rapport:  Stikstof - Hoenwaard , GROW, 2026;

  • Memo: Memo Provinciaal beschermde gebieden – Hoenwaard, GROW, 2026. 

5.2.2 Gebiedsbescherming

De geplande KRW-maatregel in de Hoenwaard moet worden beoordeeld binnen het kader van provinciale gebiedsbescherming, Natura 2000-wetgeving en de effecten van stikstofdepositie.

In de rapportage ‘memo provinciale beschermde gebieden’ wordt vastgesteld dat het projectgebied in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Daarnaast ligt het gebied in de provinciaal beschermde gebieden Gelders Natuur Netwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Daarnaast overlapt het gebied met ganzenrustgebied en weidevogelgebied. In een eerder stadium was ook een NVO net over de grens in de provincie Overijssel onderdeel van de plannen. Deze is daarom ook beschouwd in de memo, maar maakt geen onderdeel meer uit van de plannen. In deze samenvatting wordt er daarom geen verdere aandacht aan besteed. De herinrichtingsmaatregel NVO en de tijdelijke werkzaamheden die daarbij komen kijken hebben geen negatief effect op de kernkwaliteiten van het GNN. Ook is geen sprake van negatieve effecten op GO, ganzenrustgebied en weidevogelgebied. Aanvullende toetsing of maatregelen zijn niet vereist.

In de rapportage 'Rapportage Natura 2000-gebied – Hoenwaard' is onderzocht of de maatregel kan worden aangemerkt als een Natura 2000-beheermaatregel, wat betekent dat geen sprake is van een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is.

De uiterwaard Hoenwaard ligt volledig binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken, en ligt in zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebied. De rapportage beschrijft dat de KRW-maatregel positief bijdraagt aan een scala aan instandhoudingsdoelstellingen voor het vogelrichtlijndeel van Natura 2000-gebied Rijntakken:

  • Niet broedvogels – Omnivore grondeleenden, omnivore watervogels en benthivore duikeenden: Voor meerdere niet-broedvogels (zoals meerkoet, wilde eend, krakeend, kuifeend en tafeleend) zijn ondiepe oeverzones en rustige plekken in kribvakken relevant. Het ontstenen maakt de oever minder hard en vergroot het ontstaan van slikranden, kleine ondieptes en luwe plekken. Dit verbetert het foerageergebied voor vogels door een groter aanbod aan ongewervelden. Het gaat hierbij vooral om verbetering van de kwaliteit van leefgebied.

  • Niet-broedvogels – Viseters: De NVO dragen positief bij aan de kwaliteit van foerageergebied voor visetende niet-broedvogels zoals fuut, aalscholver en nonnetje. Door het ontstaan van natuurlijkere, ondiepe en dynamische oeverzones neemt het aanbod aan kleine vis toe, waardoor de foerageermogelijkheden langs de rivieroever verbeteren.

  • Niet-broedvogels – Steltlopers: Door het ontstenen ontstaat in het voorjaar een bredere, ondiepe randzone langs de waterlijn. In het voorjaar ligt de waterstand gemiddeld rond 0,8 tot 1,1 m +NAP. Omdat de oever tot de OLR wordt ontsteend, leidt dit tot een ondiep, watervoerend oevermilieu dat geschikt is als foerageergebied voor steltlopers die in ondiep water en langs de rand voedsel zoeken, zoals tureluur en wulp. In traject 2 zijn daarnaast kerven opgenomen waardoor achterliggende laagtes bij hogere waterstanden sneller kunnen meestromen. Hierdoor kunnen tijdelijk ondiepe poeltjes en natte laagtes ontstaan. Zulke plekken kunnen productief zijn voor macrofauna en bieden daarmee aanvullend foerageer- en rustgebied voor steltlopers.

Daarnaast draagt de maatregel bij aan potentiële ontwikkeling, behoud- en/of verbetering van kwaliteit van habitattypen of leefgebieden van Habitatrichtlijnsoorten. Dit geldt voor de volgende habitattypen en/of leefgebieden van soorten:

  • H3270 Slikkige rivieroevers: Door het ontstenen van de oevers en het weer toelaten van morfologische processen ontstaan slikkige of zanderige oeverzones die periodiek kunnen droogvallen. Hierdoor ontstaan lokaal geschikte groeiplaatsen voor karakteristieke pioniervegetaties van dit habitattype, zoals slijkgroen. Nadat dergelijke plekken zich hebben ontwikkeld, draagt dit bij aan de verspreidingsmogelijkheden van typische soorten langs de rivier en daarmee aan de samenhang tussen geschikte locaties binnen het Habitatrichtlijngebied. De realisatie van de NVO vergroot daarnaast lokaal de potentie voor (toekomstige) vestiging van het habitattype in het Habitatrichtlijngebied. In de profielschets van Natura2000.nl wordt H3270 omschreven als slikkige (of zandige of grindige) droogvallende oevers langs rivieren of nevengeulen met hoge rivierdynamiek, waar erosie en sedimentatie zorgen voor wisselende pioniermilieus. Belangrijke kwaliteitskenmerken zijn onder meer een open begroeiing, een laag aandeel meerjarige soorten, geregelde afzetting van vers bodemmateriaal en een regime met winterse inundatie en enige droogval in de zomer (niet langdurig). Het voorlopig ontwerp sluit hier op aan door het ontstenen van de oever, het lokaal verflauwen van taluds en het feit dat bij lage waterstanden tijdelijke droogval optreedt. Het gaat daarbij om kleinschalige, dynamische pionierplekken waarvan de ontwikkeling in ruimte en tijd varieert.

  • Trekvissen (rivierprik): Het ontwerp is gericht op het vergroten van de ondiepe oeverzone en het terugbrengen van een natuurlijkere oever (ontstenen tot OLR), met ruimte voor variatie in taluds en micromilieus. In de ontwerpnotitie wordt rivierprik expliciet genoemd als soort waarvoor leefomstandigheden en bij voorkeur voortplantingshabitat worden nagestreefd. De NVO geeft daarmee een kwaliteitsimpuls voor riviergebonden vis in de oeverzone. Tegelijkertijd vormt de maatregel geen robuust voortplantingshabitat voor rivierprik, omdat het ontwerp niet gericht is op het creëren van geschikte paaiplekken met schoon grof substraat. Eventuele geschiktheid voor voortplanting is hooguit lokaal en afhankelijk van natuurlijke vorming van grover substraat en voldoende stroming in het voorjaar. De mogelijkheid van droogval later in het seizoen vormt daarbij een aandachtspunt voor het voortplantingssucces en de vroege ontwikkeling.

  • Meervleermuis: De IJssel fungeert als vliegroute en foerageergebied voor de meervleermuis. Door het ontstenen en het ontstaan van een natuurlijkere oever neemt de kwaliteit van het foerageergebied op termijn toe door een hogere insectenbeschikbaarheid boven water en langs de oever. Het gaat hierbij om een lokaal positief effect op foerageermogelijkheden. Niet om een effect op verblijfplaatsen.

Naast de hierboven beschreven positieve effecten, zijn er ook enkele (tijdelijke) negatieve effecten. De tijdelijke effecten zijn te relateren aan de uitvoering. Permanente effecten zijn niet aan de orde. De positieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Rijntakken zijn duidelijk groter dan de negatieve effecten. Daarmee leidt de KRW-maatregel in de Hoenwaard tot een duidelijk netto positief effect voor het Natura 2000-gebied Rijntakken.

In de ‘Rapportage Natura 2000 en stikstofdepositie’ worden uitsluitend de effecten beoordeeld van tijdelijke stikstofemissie tijdens de aanleg van de KRW-maatregel op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving. De overbelaste habitattypen en leefgebieden van Vogelrichtlijnsoorten waar sprake is van projectdepositie zijn:

  • H2310 Stuifzandheiden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H3160 Heischralegraslanden, H4030 Droge heiden, H6230dka Heischralegraslanden (droog, kalkarm), H9120 Beuken-eikenbossen met hulst, H9190 Oude eikenbossen, A072 Wespendief, A246 Boomleeuwerik, A277 Tapuit, A233 Draaihals, A236 Zwarte specht en A255 Duinpieper in Natura 2000-gebied Veluwe.

  • H6120 Stroomdalgraslanden, H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart), A122 Kwartelkoning, A197 Zwarte stern en A156 Grutto in Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.

Voor deze habitattypen en leefgebieden is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Rijntakken zijn niet beoordeeld aangezien het project geen Natura 2000-activiteit is in de Rijntakken vanwege de bijdrage van het project aan instandhoudingsdoelstellingen in het gebied. Voor de relevante Natura 2000-gebieden heeft een ecologische beoordeling plaatsgevonden. Daarbij is geconcludeerd dat de beperkte, tijdelijke toename van de stikstofdepositie geen effect heeft op het (kunnen) realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende Natura 2000-gebieden, ongeacht de trend in de ontwikkeling van de achtergronddeposities. In het rapport is op basis van objectieve gegevens op voorhand de zekerheid verkregen dat door het project significante gevolgen uit te sluiten zijn.

Gezamenlijk tonen de drie onderzoeken dat de KRW-maatregel in de Hoenwaard leidt tot verbetering van de rivier- en beekgebonden natuurwaarden, een positiever habitat voor diverse vis- en vogelsoorten en een versterking van ecologische samenhang. Daarnaast leiden de maatregel niet tot significante negatieve effecten op NNN-gebied of Natura 2000 habitattypen. De maatregel past binnen provinciale en Europese toetsingskaders, kwalificeert als beheermaatregel voor het Natura 2000-gebied Rijntakken, en de tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van de maatregel leidt niet tot significante gevolgen voor de twee omliggende natuurgebieden.

5.2.3 Soortenbescherming

Voor de KRW-maatregel in de Hoenwaard is onderzocht wat de mogelijk negatieve gevolgen zijn voor beschermde soorten in en rond het projectgebied. In de ‘Rapportage Soortenbescherming Deelgebied Hoenwaard’ is vastgesteld dat ten gevolge van de werkzaamheden voor de voorgenomen maatregel en de maatregel zelf geen negatieve effecten op beschermde soorten zijn te verwachten. 

Om te voorkomen dat negatieve effecten optreden ten aanzien van de bever, de rivierrombout en overige soorten worden in het kader van de zorgplicht maatregelen getroffen die door een deskundig ecoloog worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. 

5.3. Weging van het waterbelang

Op grond van artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit enkel verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

a) het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

b) het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

c) het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

Zoals in paragraaf 5.8 van dit projectbesluit wordt toegelicht, fungeert dit projectbesluit tevens als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedsactiviteit met betrekking tot een oppervlaktelichaam in beheer bij het Rijk. Daarom wordt in onderstaande paragrafen een effectenbeoordeling gedaan over aspecten voortvloeiend uit bovengenoemde belangen.

5.3.1. Hoogwaterveiligheid en scheepvaartveiligheid

In het rivierkundig onderzoek is het effect op de dwarsstroming (veiligheid van de scheepvaart) en de hoogwaterveiligheid onderzocht. In het rapport geohydrologie staat het effect op de waterkeringen beschreven.

In het rivierkundig onderzoek is gekeken naar het waterstandseffect van de maatregel. De resultaten van het onderzoek zijn vergeleken met de maximumwaarden uit het Rivierkundig Beoordelingskader (Hierna: RBK) (5.0).

  • Het onderdeel ‘hoogwaterveiligheid’ van het RBK schrijft voor dat er geen waterstandverhoging op de as van de rivier bij de afvoer(en) uit de Hoogwaterreferentie mag op treden als gevolg van de maatregel. Uit het rivierkundig onderzoek blijkt dat de maatregel de waterstand bij de hoogwaterreferentie kleiner is dan 1 millimeter. Daarmee wordt voldaan aan het RBK.

  • Verder schrijft het onderdeel ‘hoogwaterveiligheid’ van het RBK voor dat er geen waterstandsverhoging langs de hoge grondenlijn of primaire waterkering bij de afvoer(en) uit de hoogwaterreferentie mag zijn. Uit het rivierkundig onderzoek blijkt dat het effect van de maatregel minder dan 1 millimeter is op de as van de rivier. Op de primaire waterkering is dit nog kleiner en daarmee verwaarloosbaar.

  • Op overige aspecten van het onderdeel ‘hoogwaterveiligheid’ van het RBK zijn geen effecten te verwachten.

  • Het onderdeel ‘hinder of schade door hydraulische effecten’ van het RBK stelt voorwaarden aan de maximale dwarsstroming als gevolg van de maatregel. Uit het rivierkundig onderzoek blijkt dat de maatregelen geen effect hebben op de maximale dwarsstroming.

In het geohydrologisch onderzoek is onderzocht of wijzigingen in de grondwaterstand effecten hebben op de waterveiligheid. Uit de resultaten blijkt:

  • Bij een hoogwatersituatie er is sprake van een grondwaterstandverandering van minder dan 5 centimeter.

  • Bij een hoogwatersituatie er is sprake van een stijlhoogteverandering van minder dan 5 centimeter.

  • Bij een T=10 situatie is er binnendijks sprake van een kwelverandering van minder dan 2 procent.

Alle hierboven genoemde effecten vallen binnen de maximale waarde van de toetsingscriteria.

Het onderzoek laat zien dat de maatregelen vanuit oppervlaktewater en grondwater geen negatieve effecten veroorzaken op de daaraan te relateren omgevingsaspecten.

5.3.2. Morfologie en bodem

In het rivierkundig onderzoek is het effect op erosie en sedimentatie beschreven. De KRW-maatregel is rivierkundig doorgerekend om de effecten van de NVO’s te bepalen. Primaire aanzanding treedt alleen op bij trajecten die niet tot 1:7 zijn afgegraven, met maximaal circa 2,7 cm, maar vormt geen knelpunt voor de scheepvaart vanwege voldoende vaargeulruimte. Secundaire aanzanding is overal zeer gering (≤1 mm) en leidt niet tot extra baggerinspanning of morfologische risico’s. De rivierkundige beoordeling heeft daarom geen negatieve effecten opgeleverd en om die reden is de verwachting dat het ontwerp in de eindsituatie tevens geen negatieve effecten oplevert. De analyse en conclusies zijn na te lezen in de volgende twee rapporten:

  • Analyse rivierkundige effecten VO Hoenwaard, GROW, 2025;

  • VO-Ontwerp Natte waterbouw en Constructies Hoenwaard, GROW, 2024.

5.3.3. Geohydrologie

In de bureaustudie is aan de hand van de geohydrologische bodemopbouw in de uiterwaard bepaald of er (geo)hydrologische effecten te verwachten zijn op het omliggende gebied (rapport: VO Onderzoeksrapport Geohydrologie Hoenwaard, GROW, 2025). Daaruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen.

Voor maatregelen waar significante (nadelige) effecten op de omgeving plausibel zijn, is een kwantitatieve beoordeling uitgevoerd. Bij een kwantitatieve beoordeling zijn oppervlaktewater- en/of grondwaterberekeningen toegepast. Voor de Hoenwaard zijn geen significante (nadelige) effecten plausibel en is een kwalitatieve analyse uitgevoerd. Het onderzoek naar de wateraspecten van de Hoenwaard laat zien dat de effecten vanuit oppervlaktewater en grondwater geen negatief effect veroorzaken op de daaraan te relateren omgevingsaspecten. De voorgenomen maatregelen hebben geen invloed, of een positieve invloed op omgevingsfactoren. Er is geen nader onderzoek of mitigatie noodzakelijk.

5.3.4. Geotechniek en hoogwaterveiligheid

Voor ingrepen die raken aan de kern- en beschermingszones van waterkeringen of die via andere wegen mogelijk een negatieve invloed hebben op de waterkering dient een onderbouwing opgesteld te worden. Dit is gedaan in het memo: Conditionerend onderzoek Hoenwaard en Schaapsweiden, GROW, 2022. De betreffende waterkeringen dienen ook na de KRW-ingrepen aan de geldende voorschriften en richtlijnen te voldoen.

In het memo zijn een elftal NVO’s getoetst op nadelige effecten. Hiervan zijn een aantal afgevallen en geen onderdeel van het ontwerp. Uit het memo blijkt dat de overgebleven NVO’s geen nadelig effect hebben op de standzekerheid van een primaire waterkering, door de grote afstand van de NVO’s tot de dichtstbijzijnde primaire waterkering. Daarnaast kan door de afstand van de overige kering tot de voorgenomen maatregelen én de dunne tot niet aanwezige deklaag, geconcludeerd worden dat de aanleg van de natuurvriendelijke oevers geen nadelig effect heeft op de overige kering in Hoenwaard. Verder heeft door de toepassing van interventielijnen de voorgenomen natuurvriendelijke oevers geen nadelig effect op de ongenormeerde kering in Hoenwaard doordat aan de instandhoudingsplicht wordt voldaan.

5.3.5. Water(bodem)kwaliteit

Met behulp van de waterbodemimmissietoets (hierna: WIT) kan voor het KRW-waterlichaam, waar de ingreep in de waterbodem plaatsvindt, het effect van mogelijke emissies van stoffen uit de waterbodem getoetst worden aan het principe van geen achteruitgang van de waterkwaliteit. Hiervoor is een verkenning WIT uitgevoerd. In het kader van de eventueel uit te voeren WIT is onderscheid naar verschillende deelmaatregelgebieden (in de Handreiking waterbodemimmissietoets aangeduid als ‘deelgebieden’) binnen de Hoenwaard nodig. Dit heeft de deelgebieden NVO1 en NVO2 opgeleverd. Het eindoordeel van de verkenning WIT is dat binnen het onderzoeksgebied de achterblijvende waterbodem is onderzocht tot de te ontgraven diepte waardoor het bodemonderzoek een dekkend beeld biedt voor de verkenning WIT. Uit de analyse van de mengmonsters van het bodemonderzoek is geconcludeerd dat de beoogde maatregelen en de lokale (water)bodemkwaliteit in de Hoenwaard géén aanleiding geven tot het uitvoeren van de WIT.

  • Memo: Verkenning WIT KRW Oost – NIJ - 342 - Hoenwaard, GROW, 2025.

  • Rapport: Milieuhygiënisch onderzoek (water)bodem Hoenwaard, GROW, 2024.

Tijdelijke achteruitgang waterkwaliteit

Rijkswaterstaat is verplicht om voor projecten, ook in de aanlegfase, inzichtelijk te maken dat er geen sprake is van een (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van de oppervlakte-waterlichamen. De Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit biedt hiervoor het kader. Bij dit besluit gaat het echter om een maatregel van een KRW-programma die niet gewijzigd is. Daarom hoeft het toetsingskader van de beleidsregel niet gevolgd te worden.

Om te bepalen of er sprake is van tijdelijke achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam, zowel ecologisch als chemisch, is gebruik gemaakt van de werkinstructies tijdelijke achteruitgang ecologie en chemie.

Werkwijze

Per KRW-maatregel is gekeken of de negatieve effecten van de aanleg van de maatregel leiden tot (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is zowel naar de ecologische als chemische aspecten gekeken. Voor ecologie vinden er ingrepen plaats die vertroebeling veroorzaken. Er is geen sprake van het maaien van waterplanten of ingrepen die beslag doen op de ruimte. De IJssel is een lijnvormig waterlichaam. De drempelwaarde voor de omvang van vertroebeling voor lijnvormige wateren (R- en O-typen) is als volgt:

De maximale omvang van het gebied waar de ingreep plaatsvindt en die leidt tot een drempel overschrijdende doorzichtverlaging, bedraagt minder dan 1% van het ecologische relevant areaal en 25% van de breedte van het watervoerende deel van het waterlichaam gemeten van oever tot oever.

Omdat er sprake is van opwerveling van stoffen, een emissie naar de waterkolom, is ook gekeken of de negatieve effecten van de KRW-maatregel zorgen voor (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam voor chemie. Op basis van de werkinstructie tijdelijke achteruitgang chemie is de eerste stap de omvang van het project en beïnvloedingsgebied te bepalen en dit af te zetten tegen de oppervlakte van het ecologisch relevant areaal. Projecten met een (ecologisch relevante) oppervlakte van minder dan 1% van het waterlichaam zorgen niet voor tijdelijke achteruitgang van het waterlichaam als geheel. In het rivierengebied (R-typen waterlichamen) wordt als criterium minder dan 1% van het ecologisch relevant areaal van het oppervlaktewaterlichamen gehanteerd. Door de kaart van de omvang van het project op de kaart met de omvang van het ecologisch relevant areaal te leggen (shape files) en de bijbehorende oppervlakten op te nemen in de tabel is vastgesteld dat het beïnvloedingsgebied van het project/de KRW-maatregel een oppervlakte beslaat die kleiner is dan 1% van het ecologisch relevant areaal van het oppervlaktewaterlichaam.

De resultaten van deze analyse, inclusief kaarten en tabellen, zijn opgenomen in de achtergrondinformatie “Analyse tijdelijke achteruitgang Kaderrichtlijn Water IJssel – maatregelen Hoenwaard”.

Conclusie

De conclusie is dat er door de KRW-maatregel geen tijdelijke achteruitgang van de toestand plaatsvindt op het waterlichaam IJssel.

5.4. Overige milieuaspecten

5.4.1. Ontplofbare oorlogsresten

Er is een bureaustudie (Vooronderzoek OO) uitgevoerd door explosievenadviesbureau Saricon in 2021 in opdracht van RWS voor het project Groot Onderhoud A-vaarwegen Oost-Nederland. Ten aanzien van het projectgebied wordt in het Vooronderzoek OO door Saricon geconcludeerd dat het gebied geheel onverdacht is op de aanwezigheid van OO in de (water)bodem.

5.4.2 Archeologie

Er is een bureaustudie over archeologie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen aanleiding is om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Op basis van het beleid van gemeente Heerde en gemeente Hattem vallen de locaties waarin de maatregel voorzien is in de uiterwaard in een zones met een lage archeologische verwachting. Voor de ingrepen in deze zone in gemeente Hattem geldt geen onderzoeksplicht voor archeologie. Voor ingrepen in deze zone in gemeente Heerde geldt een onderzoeksplicht voor werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en een ontgravingsdiepte van meer dan 40 cm-mv. Uit contact met de adviseur van de gemeente Heerde is besproken dat bij het realiseren van NVO’s geen onderzoek benodigd is, maar dat er gewerkt wordt middels een programma van eisen (PvE). Dit PvE moet voor de realisatiefase worden afgestemd met de archeoloog van de gemeente.

5.4.3 Cultuurhistorie

Er is een bureaustudie over cultuurhistorie uitgevoerd. Het onderzoek volgt een kwalitatieve, beschrijvende methode op basis van gemeentelijke waardenkaarten. Daarbij wordt cultuurhistorie beschouwd in samenhang tussen archeologische sporen, historische bebouwing en landschappelijke elementen.

De onderzoeksresultaten beschrijven dat de Hoenwaard als uiterwaard een duidelijk leesbare geschiedenis heeft waarin oude rivierlopen, oeverwallen en kronkelwaarden zoals de Ankskolk herkenbaar zijn. De gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart geeft het landschap een hoge tot zeer hoge waardering, vooral in het zuidelijke deel van het plangebied. Binnen 100 meter van de oever bevinden zich geen beschermde monumenten, en historisch bebouwd erfgoed is nauwelijks aanwezig doordat bebouwing pas in de 20e eeuw is toegestaan. Historische groenstructuren komen voor, maar liggen grotendeels op afstand van de oever, behalve ter hoogte van camping Kromholt. De aanwezige landschappelijke relicten, met name de Ankskolk en de Grift , vormen waardevolle cultuurhistorische elementen die beïnvloedt zouden worden als hier natuurvriendelijke oevers zouden worden aangelegd. Dit is daarom geen onderdeel van het ontwerp.

De conclusie stelt dat in het grootste deel van het plangebied geen beschermde cultuurhistorische waarden aanwezig zijn en dat alleen in het zuiden enkele historische groenstructuren binnen 50 meter van de oever liggen. Geadviseerd wordt deze structuren te ontzien en maatregelen uit te voeren waar geen waardevolle elementen aanwezig zijn. Ook wordt geadviseerd de hanken en restgeulen, waaronder de Ankskolk, te sparen of te integreren in het ontwerp. Deze ontwerpaanbevelingen zijn overgenomen in het ontwerp en er worden geen NVO’s gerealiseerd ter plaatse van deze elementen. Hierdoor worden de cultuurhistorische waarden in het gebied niet geschaad.

5.5 Maatregelen ter beperking of voorkoming van effecten

Om de effecten van de KRW-maatregelen op de fysieke leefomgeving te beperken worden maatregelen getroffen om deze effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren/compenseren. Namelijk:

5.5.1 Soortenbescherming
  • Algemene broedvogels: Voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is worden mitigerende maatregelen getroffen:

    • Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

    • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, worden geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt en gehouden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

  • Vleermuizen: negatieve effecten door verstoring door licht op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied in de directe omgeving worden voorkomen door:

    • Te werken tussen zonsopgang en zonsondergang;

    • Indien dat niet mogelijk is dient directe lichtuitstraling op bomen, foerageergebied en rijvormige structuren die als vliegroute kunnen functioneren voorkomen te worden. Hierbij dient gebruik te worden gemaakt van verlichting met een neerwaarts gerichte, geconvergeerde lichtbundel, bijvoorbeeld met behulp van armaturen.

  • Bever: Er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de bever door het nemen van mitigerende maatregelen om verstoring te voorkomen;

  • Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort gemaaid en/of gesnoeid. Hierdoor wordt het voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden;

  • De werkzaamheden worden rustig uitgevoerd en in één richting en/of van open water af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet het water ingejaagd zodat ze verdrinken;

  • Bij vorst worden er geen werkzaamheden uitgevoerd in watergangen;

  • Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld en toegepast.

5.5.2 Behoud van recreatieve mogelijkheden
  • Zoals in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2 is toegelicht, wijzigt RWS niks aan de recreatiemogelijkheden. Wel wordt rekening gehouden met de aanwezige visstekken door geen rivierhout te plaatsen bij deze stekken.

5.5.3 Waterhuishouding en waterveiligheid
  • Bij de aanleg van de NVO’s wordt het overtollige vrijgekomen geotextiel verwijderd, zodat geen resten geotextiel achterblijven in het milieu;

  • De NVO’s ter plaatste van traject 1 en een deel van traject 2 worden ontgraven tot het 1:7 profiel. Dit vermindert de aanzanding.

5.5.4 Archeologie & Ontplofbare Oorlogsresten
  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst archeologische resten’ opgesteld en toegepast;

  • Er wordt een programma van eisen voor omgang met archeologische resten vastgesteld;

  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst Ontplofbare Oorlogsresten’ opgesteld en toegepast.

5.6. Omgevingsplan en bestaande vergunningen

De KRW-maatregel is getoetst op strijdigheid met het geldende tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Hattem en Heerde:

  • Buitengebied, Uiterwaarden, vastgesteld op 15 december 2014, gemeente Hattem.

  • Bestemmingsplan Buitengebied Oost, vastgesteld op 17 juni 2013, gemeente Heerde.

Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle voorgaande bestemmingsplannen automatisch (van rechtswege) onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van elke gemeente. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat onder meer uit de bestemmingsplannen en de bruidsschat (rijksregels). De rijksregels gaan met name over de uitvoering. Voor de leesbaarheid wordt hieronder wel de term bestemmingsplan gebruikt.

5.6.1 Tijdelijk omgevingsplan gemeente Hattem

De KRW-maatregel natuurvriendelijke oevers ligt binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur en landschap’ en ‘Water’ van het bestemmingsplan Buitengebied, Uiterwaarden. De agrarische bestemming wijst o.a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van de gronden aan als bestemd. De natuurvriendelijke oevers zijn dus niet in strijd met het omgevingsplan.

5.6.2 Tijdelijk omgevingsplan gemeente Heerde

De KRW-maatregel natuurvriendelijke oevers ligt binnen de enkelbestemming 'Agrarisch’, ‘Water’, en de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Waterstaatsdoeleinden’ en ‘Waarde - Lage archeologische verwachting van het Bestemmingsplan Buitengebied Oost. De agrarische bestemming wijst o.a. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding aan als bestemd. Er is dus geen strijdigheid met het Omgevingsplan.

5.7. Geïntegreerde omgevingsvergunning

De Omgevingswet biedt de mogelijkheid in het projectbesluit te bepalen dat het projectbesluit eveneens geldt als een omgevingsvergunning, indien een dergelijke vergunning voor de uitvoering van het projectbesluit is vereist (artikel 5.52, lid 2, onder a, Ow). Daarmee krijgt het projectbesluit juridisch het karakter van een integraal besluit. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door in het hoofdstuk 4 van het Regelingendeel van het projectbesluit een omgevingsvergunning te integreren.

Het project wordt deels gerealiseerd binnen een zogeheten beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk. De uitvoering van de in het projectbesluit beschreven maatregel is op grond van artikel 6.17, eerste lid, onder g, ten eerste, van het Besluit activiteiten leefomgeving aan te merken als vergunningsplichtige activiteiten, waarvoor een zogeheten omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktelichaam is vereist.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag om deze omgevingsvergunning te verlenen. Deze minister is ook bevoegd gezag voor dit projectbesluit. Het projectbesluit bevat reeds de onderbouwing die ook benodigd is voor de omgevingsvergunning beperkingengebiedsactiviteit.

Als het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktelichaam, moet wel worden voldaan aan de in artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor deze vergunning geldende beoordelingsregels. Dit laatste is het geval. Zo zijn deze in het projectbesluit beschreven maatregelen onder andere verenigbaar met het belang (zoals aangegeven in het eerste lid onder b van dit artikel) van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

5.8. Aanhangende vergunningen projectbesluit

Voorafgaand aan de uitvoering worden de vereiste vergunningen aangevraagd en meldingen gedaan die mede nodig zijn om het project te kunnen realiseren. Het betreft in ieder geval de volgende vergunningen:

Toestemmingen

Bevoegd gezag

Reden

Omgevingsvergunning - omgevingsplanactiviteit 'het doen van werkzaamheden'

Gemeente Hattem

De KRW-maatregel bevindt zich binnen gronden die aangemerkt zijn met de (dubbel)bestemmingen ‘Agrarisch met waarden - Natuur en landschap’, ‘Waterstaat’, ‘Water’, en ‘Waarde - Archeologie’. In meerdere bestemmingen is een omgevingsvergunningsplicht voor de omgevingsplan-activiteit 'het doen van werkzaamheden' opgenomen.

Omgevingsvergunning - omgevingsplanactiviteit 'het doen van werkzaamheden'

Gemeente Heerde

De KRW-maatregel bevindt zich binnen gronden die aangemerkt zijn met de (dubbel)bestemmingen 'Agrarisch’, ‘Water’, ‘Waterstaat – Waterstaatsdoeleinden’ en ‘Waarde - Lage archeologische verwachting’. In meerdere bestemmingen is een omgevingsvergunningsplicht voor de omgevingsplan-activiteit 'het doen van werkzaamheden' opgenomen.

De in de tabel weergegeven vergunningen maken geen onderdeel uit van het projectbesluit. De vergunningen zullen gecombineerd worden aangevraagd. De vergunningsaanvraag zal worden ingediend bij de gemeente waarin het grootste deel van de NVO’s komen te liggen (Hattem). De vergunning is geen integraal onderdeel van het projectbesluit.

In het geval vergunningen/meldingen benodigd zijn voor de daadwerkelijke uitvoering, dan zullen deze voorafgaand aan de uitvoering door de aannemer (namens de minister I&W) aangevraagd of gedaan worden. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld toestemmingen in het kader van een algemene plaatselijke verordening, vergunning voor een bronbemaling en lozing van bemalingswater of voor tijdelijke verkeersmaatregelen.

5.9. Buiten toepassing laten regels lokale overheden

Bij de vaststelling van het projectbesluit is niet gebleken dat sprake is van regels van lokale overheden die de uitvoering van het projectbesluit kunnen belemmeren. In het projectbesluit hoeven regels van lokale overheden dan ook niet buiten toepassing te worden verklaard.

5.10. Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan

Op grond van artikel 4.19a eerste lid van de Ow kunnen in een omgevingsplan geen regels worden gesteld die het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmeren. Uit lid 3 van datzelfde artikel volgt dat in het projectbesluit een termijn wordt gesteld voor de toepassing van het eerste lid. De termijn wordt vastgesteld door RWS en kan éénmaal worden verlengd indien RWS dat nodig acht voor de uitvoering van het project.

Aangezien het projectgebied in de gemeenten Hattem en Heerde ligt, betekent dit dat de gemeenten Hattem en Heerde artikel 4.19a Ow in acht moeten nemen.

6. Uitvoerbaarheid projectbesluit

6.1. Gronden benodigd voor de uitvoering van het projectbesluit

De maatregel zoals beschreven in het projectbesluit Hoenwaard wordt uitgevoerd binnen het projectgebied zoals omschreven in het projectbesluit (zie hiervoor ook hoofdstuk 4 van de motivering). Een deel van de gronden binnen het projectgebied is niet in eigendom van de Staat. Voor de realisatie van het project zijn ook gronden van derden nodig.

RWS streeft ernaar om in goed overleg met de rechthebbende( n) op de gronden gebruik te maken van deze gronden dan wel deze aan te kopen. In het geval deze besprekingen vastlopen heeft RWS de mogelijkheid om een gedoogplichtprocedure dan wel een onteigeningsprocedure in te zetten.

In bijlage 2 is opgenomen welke gronden – ten tijde van het vaststellen van het projectbesluit – in eigendom zijn van de Staat en van derden.

Gedoogplicht

Het kan zijn dat voor de uitvoering of instandhouding van het project gronden van derden nodig zijn, bijvoorbeeld voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk en daarmee verband houdende werkzaamheden. Als de rechthebbenden van de grond (zoals de eigenaar en/of de pachter) geen toestemming verlenen voor het gebruik van de grond, kan de Minister een gedoogplicht opleggen. Een gedoogplicht voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk wordt opgelegd bij beschikking. De rechthebbenden van de grond hebben recht op vergoeding van de schade die door de gedoogplicht wordt veroorzaakt, mits deze schade een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht. In afd. 15.2 van de Ow is de schadevergoeding door gedoogplichten geregeld.

Onteigening

Het kan zijn dat het instrument van de gedoogplicht niet toereikend is (bijvoorbeeld omdat er omstandigheden zijn waardoor het noodzakelijk is de grond in eigendom te verwerven) of niet geschikt is (bijvoorbeeld omdat de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen). In die gevallen streeft RWS ernaar de benodigde grond minnelijk aan te kopen. Als het minnelijk aankopen van de grond niet lukt, kan RWS het onteigeningsinstrumentarium aanwenden. Het projectbesluit kan dienen als grondslag voor deze onteigening (op grond van artikel 11.6 Ow).

Het onteigeningsinstrumentarium geldt als uiterst middel. RWS probeert altijd eerst vrijwillige overeenstemming met de grondeigenaar te bereiken over de aankoop van de benodigde gronden door in overleg te treden met de grondeigenaar. Dit wordt het minnelijk overleg genoemd. Wanneer na redelijke onderhandelingen de benodigde gronden niet tijdig en binnen een redelijke termijn minnelijk kunnen worden verworven, wordt op enig moment de formele onteigeningsprocedure opgestart. Uitgangspunt bij onteigening is dat de rechthebbenden een volledige schadeloosstelling krijgen. Hieronder vallen onder andere vermogensschade, inkomensschade en bijkomende schade (zoals verhuiskosten).

6.2. Nadeelcompensatie

Het kan zijn dat er schade ontstaat vanwege het rechtmatig vastgestelde projectbesluit. De vergoeding van deze schade is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad). Het kan bijvoorbeeld gaan om schade door langdurige wegonderbrekingen waardoor er sprake is van verminderde bereikbaarheid of schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak.

Nadeelcompensatie betreft een vergoeding van schade die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. Deze schade hoeft een burger of bedrijf niet geheel te dragen, maar wordt door de Minister (gedeeltelijk) vergoed. Degene die schade lijdt (de benadeelde) kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij de Minister vanwege schade, mits veroorzaakt door het vastgestelde projectbesluit

De Minister behandelt aanvragen om nadeelcompensatie op basis van de ‘Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024’. De beleidsregel is online raadpleegbaar via: ​https://wetten.overheid.nl/BWBR0049076/2024 01 01. In deze beleidsregel staat op welke wijze een verzoek om nadeelcompensatie moet worden ingediend en de manier waarop deze verzoeken worden beoordeeld en afgehandeld. Meer informatie over nadeelcompensatie is te vinden via: ​https://www.rijkswaterstaat.nl/overons/contact/schade en compensatie/nadeelcompensatie.

6.3. Bouw- en gewasschade

Tijdens of na de uitvoering van het project worden voorzorgsmaatregelen genomen om schade te voorkomen. Desondanks is het mogelijk dat er tijdens de uitvoering schade ontstaat aan eigendommen van derden, bijvoorbeeld schade aan gebouwen of gewassen die groeien in de nabije omgeving van het projectgebied. Het gaat hier om schade als gevolg van de feitelijke, onrechtmatige uitvoering van de werkzaamheden als onderdeel van het project.

Bij gebouwschade valt te denken aan scheurvorming in muren door de uitvoering van werkzaamheden. Bij gewasschade gaat het om schade aan gewassen. Deze schade kan ontstaan door een mogelijk noodzakelijke (tijdelijke) grondwaterstandsverlaging, waardoor in agrarisch gebied aanwezige gewassen kunnen verdrogen. Als van dit soort schade sprake is, kan degene die schade lijdt een verzoek tot schadevergoeding indienen. Tijdens de uitvoering van het project wordt aan de omgeving bekendgemaakt op welke wijze een dergelijk verzoek kan worden ingediend.

6.4. Maatvoering

Er zijn verschillende afbeeldingen en afmetingen van waterstaatswerken opgenomen die met dit projectbesluit worden gewijzigd. De maten en de afbeeldingen zijn bepalend voor de wijze waarop het werk zal worden uitgevoerd. Desondanks is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de hierboven beschreven maatvoering. Dit is inherent aan de aard van de waterstaatswerken komt voort uit de praktische en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en machines. Deze afwijking in maatvoering wordt enkel toegestaan voor zover de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.

7. Realisatie projectbesluit

7.1. Maatregelen tijdens de bouw- en aanlegfase

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen de wijze van uitvoering van de in het projectbesluit beschreven KRW-maatregel toegelicht:

  • Uitgangspunt voor de uitvoering is dat overlast zoveel als mogelijk is, wordt voorkomen.

  • De werkzaamheden worden per KRW-maatregel zoveel mogelijk in een aaneengesloten periode uitgevoerd. Zo blijft overlast in het gebied zoveel mogelijk beperkt;

  • Transport van materiaal en materieel van en naar het projectgebied zal zoveel mogelijk via het water plaatsvinden;

  • Om veiligheidsredenen vindt er bij voorkeur geen vermenging plaats van bouwverkeer met burger-/ recreatieverkeer.

  • Tijdens de uitvoering worden vrijkomende materialen zoals puin, ander afval of baggerspecie afgevoerd. De locaties van de werkzaamheden zijn over land en/of over water bereikbaar, waardoor de aan- en afvoer over het land of water kan worden uitgevoerd. Uitgangspunt is dat het afvoeren van baggerspecie of grond uit het projectgebied gebeurt via het water.

  • Voor, tijdens en na de uitvoering wordt rekening gehouden met de weers- en terreinomstandigheden. In natte perioden kan dit betekenen dat wordt gewerkt met rijplaten.

  • Verder wordt rekening gehouden met het snel kunnen verwijderen van materieel en materiaal bij hoogwater.

  • Terreineigenaren en terreinbeheerders worden op de hoogte gesteld van de startdatum van de uitvoering. Aanwezige afrasteringen worden in stand gehouden, of tijdelijk verplaatst in overleg met de eigenaar. Wanneer wegen tijdelijk moeten worden afgesloten, worden de omwonenden hierover tijdig geïnformeerd.

  • Wanneer tijdens de uitvoering van de werkzaamheden baggerspecie of grond vrijkomt, wordt deze waar mogelijk hergebruikt in de nabije omgeving. In gevallen waar dit niet of onvoldoende mogelijk is, wordt baggerspecie of grond afgevoerd naar elders. Eventueel vrijkomend matig of sterk verontreinigde grond of baggerspecie wordt afgevoerd naar een erkende verwerker.

  • Om het project te kunnen realiseren worden ook tijdelijke maatregelen getroffen, zie paragraaf 7.2. De werkzaamheden voor de KRW-maatregelen kunnen naar huidige verwachting in 2026 starten.

Een definitieve uitwerking van de uitvoeringsmethode wordt in voorbereiding op de realisatie door de aannemer gedaan. Bovenstaande hoofdlijnen zijn onderdeel van deze uitwerking.

7.2. Tijdelijke maatregel

Om het project te kunnen realiseren worden de volgende tijdelijke maatregel getroffen:

  • overslaglocatie voor het overslaan van materiaal dat per schip wordt aangevoerd naar materieel per as en vice versa.

  • ruimte voor een dagdepot.

  • werkweg(en) voor aan- en afvoer van materiaal en materieel.

Aanvullend op de ruimte die voor de KRW-maatregel zelf nodig is (weergegeven op de ontwerptekeningen als “projectgebied”), is ruimte nodig om veilig en efficiënt te kunnen werken. Veilig voor zowel aannemer als omgeving, waarbij erop gestuurd wordt dat de aannemer geen rekening hoeft te houden met derden die op zijn terrein kunnen komen. Deze tijdelijke extra werkruimte is alleen nodig voor de periode van uitvoering. Deze ruimte heeft betrekking op werkwegen voor de bereikbaarheid vanaf de openbare weg en/of het overbruggen van afstanden tussen verspreid liggende maatregelen.

Voor toegangswegen naar het werk wordt een breedte van 5 meter en voor de werkwegen wordt een breedte van 10 meter aangehouden, waardoor het mogelijk is dat werkverkeer elkaar ook kan passeren. Daarnaast is werkruimte nodig voor draaicirkels en veiligheidsafstanden van materieel. Omdat de aan- en afvoer van materiaal voorzien is vanaf het water, is er ook ruimte nodig voor een overslaglocatie. Om de overslaglocatie daadwerkelijk te kunnen realiseren, is een aanvullende vergunning nodig. Deze maakt geen onderdeel uit van het projectbesluit.

De tijdelijke werkruimte is op kaart weergegeven in bijlage V van het Regelingendeel.

7.3. Beheer en onderhoud

Het is de wettelijke taak van RWS om het waterstaatswerk in stand te houden volgens de normatieve toestand. Dit doet RWS door het waterstaatswerk te beheren en te onderhouden, in verband met de geldende wettelijke normen voor waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en functievervulling door watersystemen. Om dit onderhoud te vergemakkelijken zal Rijkswaterstaat afspraken maken met eigenaren over het gebruik dan wel de verwerving van de gronden die benodigd zijn om de maatregel te kunnen realiseren (zie hierover paragraaf 6.1). Het vegetatiekundig beheer (op land) wordt in principe door RWS zelf of via een openbaar aanbesteed onderhoudscontract uitgevoerd. Hierin is maatwerk mogelijk, afgestemd op locatiespecifieke omstandigheden. Mochten de gronden in eigendom zijn van een terreinbeherende organisatie, dan kan een overeenkomst gesloten worden met die organisatie voor het wettelijk vegetatiebeheer conform de interventiekaart, inclusief daarbij behorende vergoedingen.

Legger Rijkswaterstaatswerken

Door de aanleg van de KRW-maatregel, beschreven in dit projectbesluit, zal de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk (de zogenaamde 'normatieve' toestand’) wijzigen. Deze gewijzigde normatieve toestand wordt vastgelegd op de Legger Rijkswaterstaatswerken. De beheerder moet ervoor zorgdragen dat de waterstaatswerken aan deze in de Legger opgenomen normering blijft voldoen. De volgende parameters zijn in dit verband relevant:

Parameters

NVO Hoenwaard

Vlak van vrije ruimte (VvVR)

Zie overzichtskaart (bijlage 3)

Geulvolume

Niet van toepassing

Maximale bodemhoogte | Waterstaatswerk

Niet van toepassing

Frequentie van meestromen

Niet van toepassing

Frequentie van droogvallen

Niet van toepassing

De Vegetatielegger is onderdeel van de Legger Rijkswaterstaatswerken. Het is een legger waarin de norm voor begroeiing in de uiterwaarden is vastgelegd. De vegetatie zoals die zich als gevolg van dit project mag ontwikkelen is opgenomen in de Vegetatie interventiewaardenkaart, die als bijlage bij het Regelingendeel is opgenomen. De Vegetatielegger wordt gelijktijdig gewijzigd met de wijziging van de Legger Rijkswateren.

Instandhouding

RWS inspecteert jaarlijks het rivierhout, waarbij wordt gekeken of het rivierhout nog goed is verankerd. Om de KRW-maatregel in stand te houden maakt RWS ook gebruik van de beheer- en onderhoudspaden.

Natuurlijke ontwikkeling

Na aanleg van de KRW-maatregel zal er meer en beter leefgebied voor KRW-doelsoorten zijn gecreëerd. Door natuurlijke processen zullen deze leefgebieden veranderen. In een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij erosie, verruiging of te veel vegetatie, is aanvullend beheer en onderhoud nodig. Van belang is dat de ecologische doelstellingen (onder andere geschiktere leefgebieden voor vis, waterplanten en ongewervelde dieren) in het water van de IJssel behouden blijven en zich verder kunnen uitbreiden. Daarvoor is goed beheer en onderhoud van belang. Afhankelijk van de ontwikkelingen vindt meer of minder actief beheer en onderhoud plaats.

8. Procedure projectbesluit

8.1. Mogelijkheid indienen zienswijze op het ontwerp-projectbesluit

Op de vaststelling van het projectbesluit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat eerst een ontwerp-projectbesluit ter inzage wordt gelegd waarop eenieder gedurende zes weken een zienswijze kan indienen.

Het ontwerp-projectbesluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Hierin staat vanaf welke datum gedurende een termijn van zes weken een zienswijze op het ontwerp-projectbesluit kan worden ingediend. In de kennisgeving wordt ook aangegeven op welke locatie(s) alle stukken die op het ontwerp-projectbesluit betrekking hebben ter inzage liggen. Ook wordt aangegeven waar deze stukken digitaal zijn te raadplegen.

Het gaat bij deze stukken naast het ontwerp-projectbesluit zelf met bijbehorende bijlagen ook om deze motivering. De motivering bevat ook een aantal bijlagen die specifiek voor de motivering zijn opgesteld. Na ontvangst van alle zienswijzen worden deze verzameld en door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van een reactie voorzien. Vaak wordt hiervoor een Nota van zienswijzen opgesteld.

De reactie op een zienswijze kan zijn dat een bepaald onderwerp wordt toegelicht. Het kan ook zo zijn dat een zienswijze leidt tot een aanpassing die bij de vaststelling van (definitieve) projectbesluit wordt meegenomen. Zo nodig wordt daartoe een onderzoeksrapport aangevuld of geactualiseerd.

Van belang is dat een zienswijze tijdig binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken wordt ingediend. Een zienswijze die later wordt ingediend kan in beginsel namelijk niet in de verdere besluitvorming worden meegenomen, het is aan de Minister om die alsnog bij de definitieve besluitvorming te betrekken. Een zienswijze kan zowel schriftelijk als mondeling worden ingediend. De wijze waarop dit kan wordt in de kennisgeving aangegeven.

8.2. Vaststelling van het projectbesluit en mogelijkheid van indienen beroep

Na de terinzagelegging van ontwerp-projectbesluit stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het projectbesluit vast. Deze vaststelling wordt in ieder geval in de Staatscourant bekendgemaakt.

In de bekendmaking wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn en door wie tegen het vastgestelde projectbesluit beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het instellen van beroep is gedurende een periode van zes weken na deze bekendmaking mogelijk. Belanghebbenden kunnen direct in beroep zonder eerst een zienswijze te hebben ingediend. Niet-belanghebbenden kunnen onder bepaalde voorwaarden tegen het projectbesluit ook in beroep als zij een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerp-projectbesluit of hen het niet indienen daarvan redelijkerwijs niet kan worden verweten. De bekendmaking geeft ook aan waar het projectbesluit en alle daarbij behorende stukken, gedurende de beroepstermijn, ter inzage worden gelegd en waar stukken ook digitaal zijn te raadplegen.

8.3. Inwerkingtreding projectbesluit

Het projectbesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het vaststelde projectbesluit bekend is gemaakt.

9. Bijlagen

9.1 Bijlagen zijnde onderdeel van het projectbesluit

Deze motivering van het projectbesluit bevat de volgende bijlagen te vinden op de website ​Open overheid:

  • a.

    Ontwerptoelichting maatregel Hoenwaard;

  • b.

    Hoenwaard - kaart eigendomssituatie;

  • c.

    Hoenwaard - vegetatie-interventiewaardenkaart.

9.2 Achtergrondinformatie

Onderzoeksrapporten en memo’s die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van dit besluit zijn als relevante achtergrondinformatie te raadplegen op de website ​Open overheid.

Naar boven